CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2.h Omgevingsverordening provincie Utrecht prb-2024-2766 definitief vastgesteld

Raadsvergadering 11 maart 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Projectvoorstel flexwoningen locatie Koerheuvel48.715 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

PROVINCIAAL BLAD

Nr. 2766 29 februari 2024

Officiële uitgave van de provincie Utrecht

Omgevingsverordening provincie utrecht Op het voorstel van Gedeputeerde Staten van 19122023 met nummer UTSP-1016476851-689, van afdeling SLO, team SRO. Overwegende dat: • De Omgevingswet provincies verplicht om één digitale verordening voor de gehele fysieke leefomgeving: de Omgevingsverordening, vast te stellen; • De 1e wijziging Omgevingsverordening de in 2022 vastgestelde Omgevingsverordening op onderdelen actualiseert. Gelet op: • Artikel 2.6 van de Omgevingswet; Besluiten:

Artikel I Deel I van de 1e wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht vast te stellen, met inachtneming van de aanvaarde amendementen, zoals is aangegeven in Bijlage A

Artikel II Deel I van de 1e wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht treedt op 1 maart 2024 in werking. Aldus besloten op 7 februari 2024 Voorzitter, Griffier,

1

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Bijlage A

Omgevingsverordening provincie utrecht Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.

Bijlage I Begripsbepalingen bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

2.

Bijlage II Overzicht informatieobjecten bij deze verordening wijst de geometrische begrenzing van de gebieden aan voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen [Gereserveerd]

Artikel 1.3 Reikwijdte verordening Regels in deze verordening worden gesteld met het oog op het: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.

Artikel 1.4 Schakelbepaling 1.

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een omgevingsplan mede verstaan: a. een projectbesluit; en b. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

2.

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder motivering van een omgevingsplan mede verstaan de toelichting op de besluiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1.5 Normadressaat Aan de regels over activiteiten in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 1.6 Ontheffing instructieregel 1.

Gedeputeerde staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen ontheffing verlenen van een instructieregel.

2.

Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen.

Artikel 1.7 Ontheffing voor experimenten of innovatie

2

1.

Om experimenten in een gebied of innovatieve ontwikkelingen een kans te geven, kunnen gedeputeerde staten ontheffing van instructieregels verlenen.

2.

Een ontheffing van de instructieregels kan alleen worden verleend als: a. projecten die zijn gericht op verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving niet kunnen worden gerealiseerd onder de geldende regelgeving; en b. nadat door een gemeente of waterschap en provincie een gezamenlijk kader en daarbij behorende werkwijze is vastgesteld; of c. er sprake is van nieuwe technologische ontwikkelingen.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 1.8 Hardheidsclausule 1.

Gedeputeerde staten kunnen op basis van een integrale afweging van provinciale belangen met een omgevingsvergunning afwijken van andere regels dan instructieregels, als dit nodig is voor het realiseren van een project of plan dat onevenredig wordt belemmerd door deze regels.

2.

Gedeputeerde staten kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is vanwege de betrokken provinciale belangen.

Artikel 1.9 Wijzigen en intrekken omgevingsvergunning Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning op grond van deze verordening wijzigen of intrekken, indien: a. in strijd met de omgevingsvergunning of de daaraan verbonden voorschriften wordt gehandeld; b. de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; c. door verandering van wetgeving, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen waarop deze verordening ziet, zwaarder wegen dan het belang van de betrokkene bij een ongewijzigde omgevingsvergunning; d. gedurende twee jaar of een binnen de omgevingsvergunning langere genoemde termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning.

Afdeling 1.2 Aanvraagvereisten Artikel 1.10 Aanvraagvereisten ontheffing instructieregels Bij een aanvraag om een ontheffing van instructieregels worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de instructieregels waarvan ontheffing wordt aangevraagd; b. een onderbouwing van de aanvraag om ontheffing; en c. als de ontheffing wordt aangevraagd vanwege een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: deze aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden.

Artikel 1.11 Aanvraagvereisten toepassing hardheidsclausule Bij een aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als de toepassing van de hardheidsclausule wordt aangevraagd vanwege een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: deze aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden; en b. een onderbouwing van de aanvraag tot toepassing.

Artikel 1.12 Aanvraagvereisten melding Een melding wordt ondertekend en bevat in ieder geval: a. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; b. het telefoonnummer en indien de aanvraag elektronisch wordt ingediend, het e-mailadres van de aanvrager of gemachtigde; c. de aanduiding van de activiteit; d. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en e. de dagtekening.

Hoofdstuk 2 Watersysteem Afdeling 2.1 Omgevingswaarden en monitoring regionale waterkering en wateroverlast Paragraaf 2.1.1 Algemene bepaling omgevingswaarde regionale waterkering en wateroverlast Artikel 2.1 Oogmerk omgevingswaarden en monitoring regionale waterkeringen en wateroverlast De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast.

3

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Paragraaf 2.1.2 Omgevingswaarde regionale waterkering en wateroverlast Artikel 2.2 Omgevingswaarde regionale waterkering 1.

Voor Dijktraject 1 op 10 geldt: a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 10 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. de omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

2.

Voor Dijktraject 1 op 30 geldt: a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 30 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. de omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

3.

Voor Dijktraject 1 op 100 geldt: a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 100 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. de omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

4.

Voor Dijktraject 1 op 300 geldt: a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 300 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. de omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

5.

Voor Dijktraject 1 op 1000 geldt: a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1000 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. de omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

6.

Voor Dijktraject 1 op 1250 geldt: a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1250 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. de omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

Artikel 2.3 Omgevingswaarde Slaperdijk

4

1.

Voor het Dijktraject Slaperdijk gelden de volgende omgevingswaarden: a. het handhaven van het profiel dat op 1 september 2008 aanwezig was; en b. het afsluitbaar maken van de doorgangen in de Slaperdijk, waaronder die in het Valleikanaal ter hoogte van de Rode Haan.

2.

De omgevingswaarden zijn een resultaatsverplichting.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 2.4 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 10% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Artikel 2.5 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 5% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Artikel 2.6 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 5% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Artikel 2.7 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Rivierenland

5

1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn, als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

3.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 5% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Artikel 2.8 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

2.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 1% buiten beschouwing worden gelaten.

3.

Voor het overige gebied buiten de bebouwde kom geldt in de periode 1 maart tot 1 november als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

4.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het derde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 10% buiten beschouwing worden gelaten.

5.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Artikel 2.9 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

6

1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht buiten de bebouwde kom waar bebouwing aanwezig is, als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 1% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar akkerbouw aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 25 jaar. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht buiten de bebouwde kom

5.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het vierde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 1% buiten beschouwing worden gelaten.

6.

Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar grasland aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt in de periode 1 maart tot 1 oktober als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

7.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het zesde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 10% buiten beschouwing worden gelaten.

8.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 2.10 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe buiten de bebouwde kom als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

2.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 5% buiten beschouwing worden gelaten.

3.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Artikel 2.11 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Rivierenland 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland buiten de bebouwde kom waar feitelijk hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap, als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 1% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar akkerbouw aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 25 jaar.

5.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het vierde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 1% buiten beschouwing worden gelaten.

6.

Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar grasland aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

7.

Bij de beoordeling of een gebied als bedoeld in het zesde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van ten hoogste 5% buiten beschouwing worden gelaten.

8.

Voor bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom, geldt de omgevingswaarde van het omringende landgebruik, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid.

9.

De omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

Paragraaf 2.1.3 Monitoring regionale waterkering en wateroverlast Artikel 2.12 Instructieregel monitoring omgevingswaarde regionale kering Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3.

Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast 1.

7

Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.11.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

2.

De monitoring vindt plaats door bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens: a. een door gedeputeerde staten beschikbaar gestelde leidraad; of b. een door het waterschap, in overleg met gedeputeerde staten, te bepalen methode.

Afdeling 2.2 Instructieregels voor water Paragraaf 2.2.1 Water bij ontwikkelingen Artikel 2.14 Instructieregel vrijwaringszone regionale waterkering Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Vrijwaringszone regionale waterkering bevat regels die de waterkerende functie beschermen en voorzien in een vrijwaringszone aan weerszijden van de waterkering.

Artikel 2.15 Instructieregel waterbergingsgebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterbergingsgebied bevat geen regels die ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving toestaan die in strijd zijn met de waterbergingsfunctie, tenzij die ontwikkelingen plaatsvinden op basis van bestaande uitbreidingsrechten ter plaatse van de al aanwezige functies.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het waterbergingsbelang is omgegaan.

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.

Paragraaf 2.2.2 Zoetwatervoorziening Artikel 2.17 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Amsterdam-Rijnkanaal en Lek

8

1.

Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, gelet op de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij de verdeling van het beschikbare water vanuit Amsterdam-Rijnkanaal en Lek wat betreft de in Artikel 3.14, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit aan: a. het verwerken van industrieel proceswater; en b. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

2.

Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, gelet op de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij de verdeling van het beschikbare water vanuit Amsterdam-Rijnkanaal en Lek wat betreft de in Artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit aan: a. de waterkwaliteit in stedelijk gebied; b. beroepsvaart; c. akkerbouw; d. beregening sportvelden; e. grasland; f. recreatievaart; en g. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

3.

Bij waterbehoeften buiten het gebied van het waterschap zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 2.18 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Neder-Rijn Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, met het oog op de verdeling van het beschikbare water voor het aanvoergebied vanuit de inlaat Grebbesluis in de Neder-Rijn, bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit aan: a. doorspoeling in geval van een milieu-incident of vanwege de volksgezondheid; b. beroepsvaart; c. doorspoeling van stedelijk gebied ter verbetering van de waterkwaliteit of ter bestrijding van stankoverlast; d. akkerbouw en vollegrondstuinbouw; e. sportvelden en greens; f. beregening van gras- en maïsland; g. recreatievaart; en h. overige natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade, met inbegrip van maatregelen die nodig zijn voor het realiseren van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water.

Paragraaf 2.2.3 Waterbeheerprogramma Artikel 2.19 Instructieregel inhoud waterbeheerprogramma 1.

Het waterbeheerprogramma bevat in ieder geval: a. de beschrijving van de bestaande toestand van watersystemen waarover het beheer van het waterschap zich uitstrekt; b. het beleid voor het beheer van de watersystemen, gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen; en d. een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, een overzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode.

2.

De motivering van een waterbeheerprogramma bevat een onderbouwing waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het waterbeheerprogramma ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; en b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c.

Paragraaf 2.2.4 Legger Artikel 2.20 Instructieregel legger waterstaatswerken 1.

De legger bevat in ieder geval: a. het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen en het profiel van vrije ruimte; b. de dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden beheerd; en c. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkeringen en van de oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden beheerd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de Slaperdijk, bedoeld in Artikel 2.3.

Artikel 2.21 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger De in artikel 2.39, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen om in de legger vorm en constructie te beschrijven, gelden niet voor: a. waterbergingsgebieden; en b. oppervlaktewaterlichamen die in de legger zijn aangeduid als C-wateren of tertiaire watergangen.

9

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Paragraaf 2.2.5 Peilbesluit Artikel 2.22 Instructieregel vaststellen peilbesluit Het waterschap stelt binnen Verplicht peilbesluitgebied één of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen.

Artikel 2.23 Instructieregel inhoud peilbesluit 1.

Het peilbesluit bevat de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

2.

De motivering van een peilbesluit bevat een onderbouwing waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; en c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse betrokken belangen.

Artikel 2.24 Instructieregel actuele peilbesluiten Het waterschap draagt zorg dat een peilbesluit actueel is en in ieder geval is toegesneden op veranderingen in zowel de omstandigheden ter plaatse als de aanwezige functies en belangen.

Afdeling 2.3 Activiteiten in water Paragraaf 2.3.1 Beheer zwemlocatie Artikel 2.25 Oogmerk beheer zwemlocatie De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een Zwemlocatie; en b. het in en om het zwemwater voorkomen van letsel van de gebruikers.

Artikel 2.26 Toepassingsbereik beheer zwemlocatie Deze paragraaf is van toepassing op het beheer van een op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen Zwemlocatie in oppervlaktewater.

Artikel 2.27 Beheer zwemlocatie De houder van een Zwemlocatie: a. is gedurende het badseizoen verantwoordelijk voor een veilige en hygiënische zwemlocatie; b. treft maatregelen op grond van de resultaten van het jaarlijkse, conform de Handreiking fysieke veiligheid zwemmers in oppervlaktewater door of namens gedeputeerde staten uitgevoerde, veiligheidsonderzoek om de veiligheid te waarborgen of te verbeteren; c. draagt er zorg voor dat de maatregelen worden getroffen op basis van het zwemwaterprofiel die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend; d. voert periodiek voldoende beheer en onderhoud uit gericht op de veiligheid en hygiëne voor de bezoekers; e. draagt er zorg voor dat maatregelen worden genomen, die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend, als er naar aanleiding van de monitoring uitgevoerd door de waterbeheerder van het oppervlaktewater zwemwaterverontreinigingen worden vastgesteld; f. voert periodiek voldoende onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemwaterlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de bezoekers; g. draagt zorg voor adequate sanitaire voorzieningen voor de bezoekers; h.

draagt er zorg voor door middel van afbakening van een veilige zwemzone dat bezoekers veilig kunnen zwemmen en niet in aanraking kunnen komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen; i. duldt, op aangeven van de provincie en met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de bezoekers, tekens bij de zwemlocatie om bezoekers te informeren over een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod;

10

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

j.

k.

houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek, voor die locaties waar entree wordt geheven aan de bezoekers voor het gebruik van de zwemlocatie; en stelt bij onverwachte situaties die negatieve gevolgen kunnen hebben op de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van de zwemmers de provincie zo snel mogelijk hiervan op de hoogte.

Paragraaf 2.3.2 Activiteiten met woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats Subparagraaf 2.3.2.1 Algemene bepalingen woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats Artikel 2.28 Oogmerk woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Artikel 2.29 Toepassingsbereik woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met woonschepen, vaartuigen, andere drijvende voorwerpen, havens en aanlegplaatsen in het Gebied ligplaatsen.

Artikel 2.29a Beoordelingsregel activiteiten met woonschip, vaartuig, ander drijvend voorwerp, haven en aanlegplaats Een omgevingsvergunning voor een activiteit zoals bedoeld in deze paragraaf wordt verleend voor zover het oogmerk van Artikel 2.28 niet onaanvaardbaar wordt geschaad.

Subparagraaf 2.3.2.2 Activiteiten met woonschip Artikel 2.30 Omgevingsvergunning woonschip 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in het water te plaatsen of te houden.

2.

Het is verboden om bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oeveren afmeervoorzieningen te maken of te hebben, als: a. het woonschip in strijd met het eerste lid is afgemeerd; b. voor het woonschip een omgevingsvergunning met oeverbeleid geldt; of c. voor het woonschip een voorschrift als bedoeld in Artikel 2.32, zesde lid, aan de omgevingsvergunning is verbonden.

Artikel 2.31 Vrijstelling woonschip Het verbod, bedoeld in Artikel 2.30, eerste lid, geldt, met uitzondering van woonschepen waarvoor een omgevingsvergunning geldt op basis van type- of oeverbeleid, niet voor: a. een woonschip bij een ligplaats, die als zodanig in een omgevingsplan is aangewezen, als: 1. dat omgevingsplan voldoet aan Artikel 9.6; of 2. dat woonschip voldoet aan de maximale maatvoering, bedoeld in Artikel 2.32, tweede lid, onder a; en b. één woonschip in een jachthaven of bedrijfshaven, dat daar in gebruik is als verenigingsaccommodatie.

Artikel 2.32 Beoordelingsregel omgevingsvergunning woonschip 1.

11

De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.30, eerste lid, wordt alleen verleend voor: a. een woonschip op een ligplaats, waarvoor op de datum van inwerkingtreding van deze verordening al een ontheffing gold op grond van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 of de verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017; of b. een woonschip op een ligplaats die als zodanig in een omgevingsplan is aangewezen.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

2.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de lengte, breedte en hoogte van een woonschip, met inbegrip van een eventueel in het verlengde van de lengterichting van het woonschip, dan wel aan de waterzijde van het woonschip, aangelegd terras, respectievelijk ten hoogste 30 meter, 6 meter en 4 meter zijn; b. de onderlinge afstand tussen twee woonschepen ten minste 5 meter bedraagt; en c. bij woonschepen in een uiterwaard: de aanlegplaats op de oever minimale voorzieningen heeft en het woonschip het uiterlijk heeft van een varend voormalig binnenvaartschip

3.

De maten worden gemeten waar zij, met inbegrip van al hetgeen vast aan het woonschip verbonden is, boven of onder water het grootst zijn en de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn.

4.

Bij het vaststellen van de maten blijven stuurhutten, masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen buiten beschouwing.

5.

Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van het tweede lid.

6.

Gedeputeerde staten kunnen aan een omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat deze na afloop van de geldigheidsduur niet meer zal worden verleend aan dezelfde of een andere vergunninghouder of voor hetzelfde of een ander woonschip.

7.

Gedeputeerde staten kunnen type- of oeverbeleid opnemen in een omgevingsvergunning.

8.

Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, tenzij de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande omgevingsvergunning of verlenging van de periode waarvoor omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 2.33 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning woonschip In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.30, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. eventuele naam van het woonschip; b. lengte van het woonschip in centimeters; c. breedte van het woonschip in centimeters; d. hoogte van het woonschip vanaf de waterspiegel in centimeters; e. kenmerk van het omgevingsplan waarin de ligplaats is aangewezen; f. een tekening in A4-formaat op schaal met daarop het woonschip, de ligplaats en eventuele afmeervoorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen; g. de reden voor de aanvraag: 1. verlenging van een bestaande omgevingsvergunning; 2. wijziging van de tenaamstelling van een bestaande omgevingsvergunning; 3. vervanging van het woonschip; 4. verbouwing van het woonschip; of 5. nieuwe ligplaats; h. eventuele kenmerk van een eerder verleende omgevingsvergunning of een eerder verleende provinciale ontheffing; en i. eventuele startdatum en einddatum van de werkzaamheden.

Artikel 2.34 Verzoek omgevingsvergunning op naam van ander of vervangend woonschip De houder van een omgevingsvergunning kan gedeputeerde staten verzoeken de omgevingsvergunning: a. op naam van een ander te stellen; of b. te verlenen voor een vervangend woonschip op dezelfde locatie.

Subparagraaf 2.3.2.3 Activiteiten met voorwerp in en op het water Artikel 2.35 [gereserveerd]

12

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 2.36 Verbod voorwerp in en op het water 1.

Het is verboden een voorwerp, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.

2.

Het verbod geldt niet voor een vaartuig of drijvend voorwerp afgemeerd op plaatsen waarbij één van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst.

3.

Het verbod geldt ook niet voor: a. vaartuigen en voorwerpen in jachthavens of bedrijfshavens en waterscoutinglocaties; b. vaartuigen en drijvende voorwerpen, die worden gebruikt bij het vervoer van uitsluitend bedrijfsmiddelen, voor zover zij tijdelijk voor het laden en lossen van die bedrijfsmiddelen worden afgemeerd; c. één open vaartuig met een lengte van ten hoogste 7 meter bij een direct aan het water gelegen erf, mits er geen gebruik wordt gemaakt van onderdeel d; d. één vaartuig, of één boatsaver met inliggend vaartuig, in een insteekhaven binnen een direct aan het water gelegen erf, als voor de insteekhaven een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, is verleend en mits het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig binnen de begrenzing van de insteekhaven past; e. één vaartuig bij een direct aan het water gelegen erf in de periode 1 april tot en met 30 september, voor zover het aanmeren plaatsvindt ten behoeve van het zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is in- of uitladen, of vaarklaar maken van het vaartuig voor recreatief gebruik; f. het tijdelijk afmeren van vaartuigen voor het laten in- of uitstappen van passagiers bij horecagelegenheden, die als zodanig zijn aangewezen in een omgevingsplan; en g.

historische vaartuigen, die als varend erfgoed, varend monument of historisch casco zijn ingeschreven in het register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland en in goede staat van onderhoud verkeren, bij aanlegplaatsen voor historische vaartuigen, die als zodanig in een omgevingsplan zijn aangewezen.

Artikel 2.37 Omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een vaartuig, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden; of b. een boatsaver in een natuurlijke inham op eigen terrein ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.

Artikel 2.38 Beoordelingsregel omgevingsvergunning partyschip Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.37, kan worden verleend voor ten hoogste één partyschip bij een als zodanig in het omgevingsplan aangewezen horecagelegenheid, mits het vaartuig voldoet aan een landschappelijk inpassingsplan, waarin zowel het partyschip als de aanlegplaats op landschappelijke aspecten positief zijn beoordeeld.

Artikel 2.39 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.37, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. eventuele naam van het vaartuig; b. lengte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; c. breedte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; d. hoogte van het vaartuig of de boatsaver vanaf de waterspiegel in centimeters; e. type vaartuig (open of gesloten); f. in geval van een partyschip een landschappelijk inpassingsplan; g. omschrijving van de ligplaats (eigen erf, oeverzone tussen vaarweg en weg, oeverland); h. een tekening in A4-formaat op schaal met daarop het vaartuig of de boatsaver, de ligplaats en eventuele afmeervoorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.

Subparagraaf 2.3.2.4 Activiteiten met haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp

13

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 2.40 [Gereserveerd]

Artikel 2.41 Omgevingsvergunning haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Het is verboden zonder omgevingsvergunning insteekhavens, havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, zoals steigers, meerpalen en vlonders, te maken of te houden, of als zakelijk gerechtigde dan wel gebruiker van een oever toe te laten of te gedogen dat insteekhavens, havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen op of aan de betreffende oever worden aangelegd.

Artikel 2.42 Vrijstelling haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Het verbod, bedoeld in Artikel 2.41, geldt niet voor: a. aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, in jachthavens, bedrijfshavens en waterscoutinglocaties; b. één aanlegsteiger met maximaal twee meerpalen per direct aan het water gelegen erf, mits deze aanlegsteiger: 1. in of boven water een oppervlakte heeft van ten hoogste 7,2 m2; en 2. geen afbreuk doet aan het karakter van een eventueel aanwezige natuurlijke of natuurvriendelijke oever.

Artikel 2.43 Beoordelingsregel omgevingsvergunning insteekhaven 1.

Een omgevingsvergunning voor een insteekhaven wordt alleen verleend als: a. de haven is of wordt uitgegraven in een erf, waarbij per erf slechts één insteekhaven is of wordt uitgegraven; b. een dubbele insteekhaven op de grens van twee naast elkaar gelegen erven ligt; c. de haven dwars op de vaarweg aangelegd wordt of aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap, tenzij het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid gemotiveerd aangeeft dat een insteekhaven dwars op de vaarweg op de betreffende locatie niet mogelijk is; d. lengte en breedte van een enkele insteekhaven ten hoogste 8 meter en 3,25 meter bedragen; e. een dubbele insteekhaven niet in de lengterichting van de vaarweg ligt; f. lengte en breedte van een dubbele insteekhaven ten hoogste 8 meter en 6 meter bedragen.

2.

Als op grond van het eerste lid, onder c, de haven wel dwars maar niet loodrecht op de vaarweg kan worden aangelegd, kan een geringe afwijking van de lengtemaat worden toegestaan.

Artikel 2.44 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. lengte van de haven of aanlegplaats in centimeters; b. breedte van de haven of aanlegplaats in centimeters; en c. een tekening in A4-formaat op schaal met daarop de haven of aanlegplaats met eventuele voorzieningen zoals steigers, vlonders en afmeerpalen.

Paragraaf 2.3.3 Activiteiten dempen van oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.45 Oogmerk dempen van oppervlaktewaterlichaam De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Artikel 2.46 Toepassingsbereik dempen van oppervlaktewaterlichaam

14

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaamdempen van oppervlaktewaterlichamen.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit op

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

grond van artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet, als de activiteiten plaatsvinden op het perceel waarop de vergunning betrekking heeft.

Artikel 2.47 Specifieke zorgplicht dempen van oppervlaktewaterlichaam Degene die een oppervlaktewaterlichaam dempt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in Artikel 2.45, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 2.48 Omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichamen te dempen, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.49 en Artikel 2.50.

Artikel 2.48a Beoordelingsregel Omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam Een omgevingsvergunning voor het dempen van oppervlaktewaterlichamen wordt verleend voor zover het oogmerk van Artikel 2.45 niet onaanvaardbaar wordt geschaad.

Artikel 2.49 Vrijstelling dempen bij werk 1.

Voor het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang wordt alleen gedempt als: a. het peilscheidingen van het waterschap betreft; b. de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of c. de werken zijn aangewezen in het omgevingsplan.

2.

Voor onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen wordt alleen gedempt als het bouwperceel is aangewezen in het omgevingsplan.

3.

De activiteiten duren niet langer dan noodzakelijk.

Artikel 2.50 Vrijstelling dempen agrarisch perceel 1.

Op agrarische weide- en akkerpercelen wordt alleen gedempt voor het aanleggen van verbindingen tussen die percelen.

2.

Bij het aanleggen van verbindingen tussen de percelen wordt: a. de onderlinge verbinding tussen de percelen door dammen met duikers ingericht; b. de verbinding ten hoogste 10 meter breed, gemeten vanaf maaiveld in de lengterichting van het afgedamde oppervlaktewaterlichaam tussen de aansluitingen van de dam op de oorspronkelijke oever; en c. niet dusdanig veel verbindingen aangebracht dat dit een onaanvaardbare aantasting oplevert van de belangen, bedoeld Artikel 2.45.

Artikel 2.51 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning dempen van oppervlaktewaterlichaam In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.48 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kaart van de planlocatie; b. locatie van het werk; c. materialen die worden toegepast; d. hoeveelheid materialen die worden toegepast; e. herkomst materialen die worden toegepast; f. afmetingen van de demping; g. permanente of tijdelijke demping; h. of de dam een duiker heeft;

15

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

i. j.

reden van de demping; en start- en einddatum van de werkzaamheden.

Hoofdstuk 3 Ondergrond en bodem Afdeling 3.1 Grondwaterbeheer Paragraaf 3.1.1 Algemene bepaling grondwaterbeheer Artikel 3.1 Oogmerk grondwaterbeheer De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater en het vervullen van de functies van grondwaterlichamen.

Paragraaf 3.1.2 Instructieregels grondwaterbeheer Artikel 3.2 Instructieregel melden, meten en registreren grondwateronttrekking en -infiltratie 1.

Een waterschapsverordening regelt dat de informatieverplichting, bedoeld in Artikel 3.1, eerste lid, van de bruidsschat waterschapsverordening, geldt voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.

2.

Het waterschap verstrekt aan gedeputeerde staten uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging: a. gegevens die op grond van het eerste lid worden verkregen; en b. een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in Artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, en artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.2a Instructieregel registratie grondwateronttrekking en -infiltratie 1.

Gedeputeerde staten houden een grondwaterregister bij met alle installaties voor: a. het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, én b. open bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

De in het eerste lid benoemde installaties worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van Artikel 3.4b worden verstrekt.

3.

In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 16.3 Besluit activiteiten leefomgeving verleende vergunningen ingeschreven op grond waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

4.

Gedeputeerde staten kunnen een installatie voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of open bodemenergiesysteem bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister als de installatie: a. niet overeenkomstig Artikel 3.4a is gemeld; of b. overeenkomstig Artikel 3.4a moet worden gemeld aan een ander bestuursorgaan dan gedeputeerde staten.

5.

Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt.

Artikel 3.3 Instructieregel onttrekking grondwater voor menselijke consumptie 1.

16

Met het oog op de verplichtingen op grond van artikel 7 van de Kaderrichtlijn water regelt het waterschap in ieder geval dat: a. de locaties en debieten van de onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie geregistreerd worden;

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

b.

c.

d.

2.

een ieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt, voor zover dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, het ruwwater monitort volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit voor de eerste keer bij aanvang van de onttrekking en vervolgens ten minste elke zes jaar een meting en analyse van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste en daaropvolgende metingen en de te verwachte risico's; een ieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt voor aanvang van de winning een risicoanalyse van de omgeving van de onttrekking uitvoert en deze risicoanalyse minimaal iedere zes jaar herhaalt; en het dagelijks bestuur de gegevens, bedoeld onder a tot en met c, uiterlijk binnen vier maanden nadat ze zijn verkregen aan gedeputeerde staten verstrekt.

Het eerste lid is niet van toepassing op onttrekkingen als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 3.1.3 Activiteiten met grondwater Artikel 3.4 Vrijstelling vergunningplicht klein open bodemenergiesysteem 1.

In afwijking van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is in Klein open bodemenergiesysteem geen omgevingsvergunning vereist voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem, indien de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u.

2.

Het eerste lid geldt niet voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem dat gelegen is in een interferentiegebied dat is opgenomen in een omgevingsplan.

Artikel 3.4a Specifieke vereisten meet- en informatieplicht open bodemenergiesysteem 1.

In aanvulling op artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt door een ieder die een open bodemenergiesysteem in gebruik heeft de jaarlijks onttrokken en teruggebrachte hoeveelheid grondwater gemeten met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

2.

In aanvulling op artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de geregistreerde gegevens en bescheiden over de jaarlijks onttrokken en teruggebrachte hoeveelheid grondwater voor 1 april van het daarop volgende kalenderjaar aan het bevoegd gezag verstrekt.

Artikel 3.4b Specifieke vereisten meet- en informatieverplichting grondwateronttrekking en -infiltratie 1.

In aanvulling op paragraaf 16.2.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt bij het verrichten van een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving dat de in elk kwartaal en jaarlijks onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water wordt gemeten met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

2.

Uiterlijk voor 1 april van elk jaar, of als de activiteit, bedoeld in artikel 16.3, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is beëindigd binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het bevoegd gezag de op grond van het eerste lid verkregen meetgegevens verstrekt.

Afdeling 3.2 Grondwaterbeschermingszone Paragraaf 3.2.1 Algemene bepalingen grondwaterbeschermingszone Artikel 3.5 Oogmerk grondwaterbeschermingszone De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie.

Artikel 3.6 Aanwijzing grondwaterbeschermingszone 1.

17

Een grondwaterbeschermingszone bestaat uit: a. het Waterwingebied; b. het Grondwaterbeschermingsgebied; c. de Boringsvrije zone;

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

d. e. f. g.

de Beschermingszone oppervlaktewaterwinning; het 100-jaarsaandachtsgebied; de Kwetsbare strategische grondwatervoorraad; en de Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad.

2.

Waterwingebied bestaat uit waterwingebieden met uitzondering van het Waterwingebied Bethunepolder.

3.

Grondwaterbeschermingsgebied bestaat uit: a. de Grondwaterbeschermingsgebieden; en b. het Waterwingebied Bethunepolder.

Paragraaf 3.2.2 Instructieregels grondwaterbeschermingszone Artikel 3.7 Instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Boringsvrije zone, Beschermingszone oppervlaktewaterwinning, 100jaarsaandachtsgebied of Kwetsbare strategische grondwatervoorraad laat geen activiteiten toe die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie.

2.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Boringsvrije zone, Beschermingszone oppervlaktewaterwinning, 100jaarsaandachtsgebied of Kwetsbare strategische grondwatervoorraad bevat regels die de functie voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie beschermen.

3.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop het waterwinbelang in acht is genomen.

Artikel 3.8 Instructieregel parkeren Bethunepolder 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied Bethunepolder bevat voor het parkeren van motorrijtuigen regels die het waterwinbelang beschermen en staat met name in drukke perioden van zomer- of winterrecreatie, uitsluitend parkeren toe op daartoe expliciet aangewezen locaties.

Artikel 3.9 Instructieregel aanleg (dier)begraafplaats of uitstrooiveld 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied of Grondwaterbeschermingsgebied verbiedt het aanleggen van een nieuwe begraafplaats of uitstrooiveld, genoemd in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats.

2.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waterwingebied of Grondwaterbeschermingsgebied stelt, met betrekking tot het hebben of uitbreiden van een bestaande begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats, regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 3.10 Instructieregel ruimtelijke bescherming matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad houdt rekening met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater voor de grondwaterwinning voor menselijke consumptie.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarde is voldaan.

Paragraaf 3.2.3 Activiteiten in grondwaterbeschermingszone Artikel 3.11 Specifieke zorgplicht grondwater 1.

18

Degene die in een Grondwaterbeschermingszone een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie, is verplicht:

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

a. b. c.

2.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

De zorgplicht houdt in ieder geval in dat, wanneer er sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater, gedeputeerde staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.

Artikel 3.12 Plaatsen borden Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied Het drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die toegang geven tot een Waterwingebied of een Grondwaterbeschermingsgebied of daaraan grenzen, op of bij de grenzen van dat gebied borden waarvan het model is vastgesteld in Bijlage IV Modelborden bij deze verordening.

Paragraaf 3.2.4 Activiteiten in Waterwingebied Artikel 3.13 Verbod bestrijdingsmiddelen Waterwingebied Bethunepolder 1.

Het is in het Waterwingebied Bethunepolder verboden bestrijdingsmiddelen voorhanden te hebben, in voorraad te hebben of toe te passen.

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het in een besloten ruimte voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een geringe hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel, als dit: a. zonder bewerking kan worden toegepast; b. dient of gediend heeft voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig is van normaal gebruik binnen een gebouw; c. bewaard wordt in een deugdelijke verpakking; en d. afdoende beschermd is tegen weersinvloeden.

3.

De onder het tweede lid van dit artikel opgenomen vrijstelling is niet van toepassing op glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen, tenzij deze middelen uitsluitend gebruikt worden voor de bestrijding van onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland.

Artikel 3.14 Meldplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder 1.

Het is in Waterwingebied Bethunepolder verboden zonder melding glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen toe te passen voor het bestrijden van de onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland.

2.

De toepassing van glyfosaathoudende bestrijdingsmiddelen is uitsluitend toegestaan, indien: a. handmatige of mechanische onkruidbestrijding redelijkerwijs niet kan worden geëist; b. de onkruidbestrijkingsmethode wordt toegepast; c. de toepassing plaatsvindt door een deskundige die beschikt over een licentie als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; d. de weersomstandigheden dit toelaten en de hoogte van het gras redelijkerwijs geen beletsel vormt om de onkruiden aan te strijken zonder het gras te raken; en e. bij de toepassing een afstand van ten minste 1 meter tot geulen en greppels en ten minste 2 meter tot sloten in acht wordt genomen.

3.

De melding wordt, ten minste vijf werkdagen voordat de activiteit wordt verricht, gedaan bij de RUD Utrecht via grondwater@rudutrecht.nl.

Artikel 3.15 Informatieplicht glyfosaat Waterwingebied Bethunepolder Ten minste 24 uur voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.14, wordt het betrokken drinkwaterbedrijf telefonisch geïnformeerd.

Artikel 3.16 Verboden activiteiten Waterwingebied 1.

19

Het is in een Waterwingebied verboden de volgende activiteiten te verrichten:

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

a. b. c. d. e. f. g. 2.

een milieubelastende activiteit bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; het toepassen of aanwezig hebben van een (potentieel) schadelijke stof; het op of in de bodem aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden; het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as; het vanaf een locatie buiten het Waterwingebied schuin boren onder een waterwingebied; het toepassen van uitloogbare materialen; en het gebruiken van een locatie als parkeerterrein of terrein voor evenementen.

Als een (potentieel) schadelijke stof worden in ieder geval aangemerkt: a. een zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM ; b. stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst' ; c. stoffen met een schadelijke werking op de smaak of geur van het grondwater en mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; en d. gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Artikel 3.17 Vrijstelling activiteiten Waterwingebied Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16, eerste lid, geldt niet voor: a. alle noodzakelijke activiteiten in het belang van de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening; b. reguliere bodemwerkzaamheden, zoals groenonderhoud en tuinieren, die de beschermende bodemlagen niet aantasten; c. het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding; d. het aanwezig hebben van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; e. het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, als deze afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; f. het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, als deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden; g. het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van beweiding; h. de aanleg van verharde of onverharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer; i.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15167404/2