Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
Tekst van het document
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
30
Wat kunnen gemeenten doen? • Hang tijdens relevante dagen de regenboogvlag op bij het gemeentehuis, of schenk hier aandacht aan in de nieuwsbrief of sociale media kanalen van de gemeente. Bijvoorbeeld op 11 oktober tijdens nationale coming-out dag. • Neem soms ook een foto van een lhbtiqa+ persoon of stel mee in communicatie-uitingen. Dit laat inwoners zien dat lhbtiqa+ inwoners net zo goed onderdeel zijn van een gemeente en welkom zijn. • Voeg op de gemeentewebsite een pagina toe met inwoners die voor lhbtiqa+ inwoners van pas kan komen. Denk hierbij aan de contactgegevens van lhbtiqa+ belangenbehartigers, een overzicht van relevante terugkerende evenementen en doorverwijzingen naar een pagina of contactpersoon van de regionale GGD die expertise heeft op het gebied van lhbtiqa+ thematiek. • Werk met evenementenorganisatoren samen om veiligheidsmaatregelen te treffen bij publieke bijeenkomsten en festivals (bijv. aanspreekpunten, veilige zones, getraind personeel). • Bied training aan voor gemeentepersoneel, sportclubs, horeca en vrijwilligers die in contact komen met inwoners, over hoe te handelen bij grensoverschrijdend gedrag en discriminatie.
31
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
Hoofdstuk 4
ONGEWENST GEDRAG 32
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
4.1. ERVARING MET ONGEWENST GEDRAG Wat blijkt uit de cijfers? In de vragenlijst hebben wij gevraagd naar het ongewenst gedrag dat de respondent de afgelopen twee jaar heeft meegemaakt vanwege hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. De antwoordopties waren: nooit, wel eens, regelmatig, vaak en weet ik niet. In de vragenlijst is gevraagd naar ernstige en minder ernstige vormen van ongewenst gedrag. In Tabel 4.1 is het percentage respondenten dat ‘regelmatig’ en ‘vaak’ invulde voor de minder ernstige vormen weergegeven en het percentage dat ‘wel eens’, ‘regelmatig’ en ‘vaak’ invulde voor de ernstigere vormen. De antwoordoptie ‘weet ik niet’ is niet meegenomen in Tabel 4.1. Als eerste worden de minder ernstige vormen van ongewenst gedrag besproken. Uit Tabel 4.1 blijkt dat de mate van ongewenst gedrag bijna niet verschilt tussen Gelderland en Overijssel. Een hoger percentage van de bi+ en aseksuele respondenten ervaart alle vier de vormen van minder ernstig ongewenst gedrag dan de andere seksuele oriëntaties. Bij genderidentiteit zien we dat een hoger percentage trans- en non-binaire personen last heeft van minder ernstige vormen van ongewenst gedrag dan cisgender personen. Zo heeft bijna de helft van transpersonen (45%) te maken met afkeurende blikken, een kwart (24%) met uitschelden, uitlachen of pesten en een kwart (26%) met ongelijke behandeling (Tabel 4.1).
Ten tweede worden de ernstige vormen van ongewenst gedrag besproken. Ook hier is weinig verschil tussen Gelderland en Overijssel. Uit Tabel 4.1 blijkt dat een hoger percentage (rond de 20%) homoseksuele, bi+ en aseksuele personen te maken heeft met bedreigingen dan lesbische personen (13%). Verder krijgt een hoger percentage aseksuele, bi+ en lesbische personen te maken met seksuele intimidatie vergeleken met homoseksuele personen. Opvallend hoog is het percentage wat te maken krijgt met seksuele intimidatie, tussen de 15% en 32%. Uit de cijfers van genderidentiteit blijkt dat een hoger percentage trans- en non-binaire personen te maken krijgt met (bijna) alle ernstige vormen van ongewenst gedrag vergeleken met cisgender lhbtiqa+ personen. De enige vorm van ongewenst gedrag waar een hoger percentage cisgender lhbtiqa+ personen mee te maken krijgt vergeleken met niet-cisgender personen is seksuele intimidatie. Tabel 4.1 Slachtofferschap Provincie Overijssel
Homo
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Gelderland
% dat de afgelopen 2 jaar regelmatig tot vaak slachtoffer is geworden van
Seksuele oriëntatie
Afkeurende blikken
20
21
16
18
26
22
14
45
37
Uitschelden, uitlachen of pesten
10
12
10
7
13
12
7
24
19
Cyberpesten
7
8
7
4
10
10
6
15
13
Ongelijke behandeling
11
11
8
10
14
11
8
26
18
Bedreiging
18
20
21
13
21
18
15
34
26
Bekladding/ vernieling van eigendommen
6
6
7
6
6
2
5
11
9
Seksuele intimidatie
22
23
15
25
29
21
32
20
29
Seksuele mishandeling
5
5
5
3
6
5
4
9
6
Lichamelijke mishandeling
5
6
6
2
6
4
4
11
9
Weleens tot vaak (%)
Noot: Antwoordmogelijkheden: nooit, wel eens, regelmatig, vaak. ‘Weet ik niet’ is niet meegenomen.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
33
Hoe zit dit voor… Een hoger percentage van de respondenten met een vermoeden of een diagnose van neurodivergentie heeft te maken met ongewenst gedrag dan respondenten zonder vermoeden of diagnose. 11% van de respondenten met een vermoeden en 15% van de respondenten met een diagnose krijgen regelmatig tot vaak te maken met uitschelden, uitlachen of pesten. Bij respondenten zonder vermoeden of diagnose is dit 7%. We zien hetzelfde patroon bij bijvoorbeeld ongelijke behandeling: 12% van de respondenten met een vermoeden, 18% van de respondenten met een diagnose vergeleken met 6% van de respondenten zonder vermoeden of diagnose krijgen regelmatig tot vaak te maken met ongelijke behandeling (Tabel 4.2). Bij ernstige vormen van ongewenst gedrag zien we hetzelfde patroon, behalve bij bekladding/vernieling van eigendommen. In Tabel 2.4 zien we bijvoorbeeld dat 24% en 28% van de respondenten met een vermoeden of diagnose weleens tot vaak te maken krijgen met seksuele intimidatie. Bij respondenten zonder vermoeden of diagnose is dit 18%. Tabel 4.2 Slachtofferschap voor neurodivergente respondenten Neurodiversiteit Niet
Vermoeden
Diagnose
% dat de afgelopen 2 jaar regelmatig tot vaak slachtoffer is geworden van
Afkeurende blikken
14
26
30
Uitschelden, uitlachen of pesten
7
11
15
Cyberpesten
5
5
12
Ongelijke behandeling
6
12
18
Bedreiging
15
18
25
Bekladding/ vernieling van eigendommen
6
7
6
Seksuele intimidatie
18
24
28
Seksuele mishandeling
4
6
6
Lichamelijke mishandeling
4
5
8
Weleens tot vaak (%)
Noot: Antwoordmogelijkheden: nooit, wel eens, regelmatig, vaak. ‘Weet ik niet’ is niet meegenomen.
4.2. WEL OF GEEN MELDING MAKEN VAN ERVARING Wat blijkt uit de cijfers? Uit Tabel 4.3 blijkt dat het merendeel van de respondenten geen melding maakt na het ervaren van ongewenst gedrag. Bij lichamelijke mishandeling en bekladding of vernieling van eigendommen maakte 23% en 24% wél een melding bij de politie. Bij ongelijke behandeling en seksuele intimidatie was dit 6%. Het valt op dat de vormen van ongewenst gedrag die aantoonbaar zijn, zoals vernieling en fysiek geweld vaker worden gemeld dan vormen die minder aantoonbaar zijn, zoals ongelijke behandeling en seksuele intimidatie. Daarnaast blijkt dat weinig respondenten ongewenst gedrag melden bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) of bij discriminatie.nl. Bij seksuele intimidatie en mishandeling deed 2% een melding bij een ADV of discriminatie.nl. Van respondenten die een melding hebben gemaakt van ongewenst gedrag, voelden zich tussen de 19% en 41% zich serieus genomen door de politie. Opvallend is dat respondenten zich het minst serieus genomen voelt bij
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
34
het melden van ongelijke behandeling en seksuele intimidatie, de twee vormen van ongewenst gedrag waar het minst melding over wordt gedaan. Bij seksuele mishandeling, bekladdingen of vernielingen van eigendommen en bedreigingen voelde een hoger percentage zich serieus genomen door de politie. Tot slot voelden meer respondenten zich serieus genomen door de ADV en discriminatie.nl dan door de politie. Tabel 4.3 Handelingsperspectief bij ongewenst gedrag Wel/niet melding Niks
Melding/ aangifte bij politie
Melding bij ADV/ Discriminatie.nl
Voelde mij serieus genomen door de politie
Voelde mij serieus genomen door de ADV/ Discriminatie.nl
% dat de afgelopen 2 jaar weleens tot vaak slachtoffer is geworden van
Ervaring
Ongelijke behandeling
92
6
4
19
40
Bedreiging
83
14
5
35
56
Bekladding/ vernieling van eigendommen
72
24
3
37
57
Seksuele intimidatie
91
6
2
28
34
Seksuele mishandeling
82
15
2
41
*
Lichamelijke mishandeling
72
23
5
32
29
Noot: Schuingedrukte cijfers zijn gebaseerd op een respons van minder dan 30 personen. Enkel respondenten die slachtoffer zijn geweest (wel eens, regelmatig, vaak) kregen deze vraag; het antwoord niks sloot andere antwoorden uit. De antwoordcategorie ‘anders’ is niet meegenomen. Voelde me serieus genomen: alleen gevraagd aan respondenten die bij de politie melding of aangifte hebben gedaan. *Geen respondenten.
In Tabel 4.4 staat beschreven waarom respondenten geen melding hebben gemaakt. Een aantal zaken vallen op: - De reden ‘ik vond het niet nodig’ wordt door een lager percentage gegeven bij seksuele en lichamelijke mishandeling vergeleken met de andere vormen van ongewenst gedrag. - De redenen ‘ik verwachtte dat er niets zou gebeuren met mijn melding’ en ‘ik verwachtte dat het niet te bewijzen zou zijn’ werd bij bedreiging, seksuele en lichamelijke mishandeling door een hoger percentage respondenten genoemd dan bij andere vormen van ongewenst gedrag. Bij seksuele mishandeling gaf meer dan de helft van de respondenten deze redenen om geen melding te maken. - De redenen ‘ik was bezorgd over negatieve gevolgen’ en ‘ik had angst voor de dader(s)’ werd bij seksuele en lichamelijke mishandeling door een hoger percentage respondenten genoemd dan bij andere vormen van ongewenst gedrag.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
35
Bedreiging
Bekladding/ vernieling van eigendommen
Seksuele intimidatie
Seksuele mishandeling
Lichamelijk mishandeling
Tabel 4.4 Redenen om ongewenst gedrag niet te melden
Ik vond het niet nodig
35
35
38
17
25
Ik wilde er geen tijd aan besteden
33
32
34
33
26
Ik heb het probleem zelf opgelost
15
14
18
20
18
Ik verwachtte dat er niets zou gebeuren met mijn melding
48
40
41
57
53
Ik verwachtte dat het niet te bewijzen zou zijn
40
30
37
53
42
Ik was bezorgd over de negatieve gevolgen
19
14
15
35
35
Ik had angst voor de dader(s)
10
7
8
23
25
Ik wist niet hoe of waar ik het kon melden of aangifte kon doen
14
13
11
10
12
Ik heb het op een andere manier opgelost
6
10
6
6
3
%
4.3. TRENDS Wat is er veranderd sinds 2021? In Tabel 4.5 zien we dat in 2025 een hoger percentage ongewenst gedrag rapporteert in vergelijking met 2023. Dit
36
terwijl tussen 2021 en 2023 het beeld wisselender was. In 2023 had 14% van de respondenten uit Overijssel de afgelopen twee jaar regelmatig tot vaak te maken met afkeurende blikken en in 2025 was dit 21%. Een andere stijging zien we bij bedreiging in Gelderland: in 2023 rapporteerde 13% dit soms tot vaak mee te maken en in 2025 18%. Dit zijn twee uitschieters, maar ook bij de andere vormen van ongewenst gedrag zien we over de breedte een lichte stijging en nergens een daling. Dit suggereert dat lhbtiqa+ personen meer ongewenst gedrag meemaken, zowel bij minder ernstige als bij de ernstige vormen. De stijging lijkt voor alle subgroepen ongeveer gelijk toe te nemen. Alleen ongelijke behandeling van transpersonen is beduidend meer toegenomen, net als bedreiging van transpersonen en homomannen. Tabel 4.5 Ervaring met ongewenst gedrag in 2021, 2023 en 2025 2021
2023
2025
GLD
OV
GLD
OV
GLD
OV
1. Afkeurende blikken. % regelmatig tot vaak
17
16
17
14
20
21
2. Uitschelden, uitlachen of pesten. % regelmatig tot vaak
7
6
8
8
10
12
3. Cyberpesten. % regelmatig tot vaak
-*
-*
4
5
7
8
4. Ongelijke behandeling. % regelmatig tot vaak
9
6
8
8
11
11
5. Bedreiging. % soms tot vaak
-**
-**
13
19
18
20
6. Bekladding/ vernieling van eigendommen. % soms tot vaak
-**
-**
6
6
6
6
7. Seksuele mishandeling. % soms tot vaak
-**
-**
4
4
5
5
8. Lichamelijke mishandeling. % soms tot vaak
-**
-**
4
4
5
6
*In 2021 bestond de antwoordmogelijkheid ‘cyberpesten’ uit meerdere categorieën, waardoor de cijfers van 2021 niet vergeleken kunnen worden met 2023 en 2025. **In 2021 zijn andere antwoordopties (regelmatig tot vaak) bij de ernstige vormen van ongewenst gedrag meegenomen dan in 2023 en 2025 (soms tot vaak), waardoor de cijfers van 2021 niet vergeleken kunnen worden met 2023 en 2025.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
Bij panelleden zien we dat ze over het algemeen minder hebben meegemaakt vergeleken met 2023. De panelleden hebben enkel meer cyberpesten meegemaakt ten opzichte van 2023. Wanneer we specifiek kijken naar niet-cisgender panelleden, zien we dat zij meer te maken hebben gehad met ongelijke behandeling ten opzichte van 2023. Net zoals in hoofdstuk 3 maken we de kanttekening dat de resultaten uit het panel een beeld geven voor een selectieve groep, die bijvoorbeeld ook het gedrag sinds 2023 heeft aangepast. Deze cijfers kunnen niet zomaar gegeneraliseerd worden.
4.4. EN NU? Belangrijkste inzichten Uit de cijfers blijkt dat een deel van de respondenten de afgelopen twee jaar te maken had met ongewenst gedrag. Een hoger percentage bi+ en aseksuele personen krijgt te maken met ongewenst gedrag dan homoseksuele en lesbische personen. Daarnaast krijgt een hoger percentage trans- en non-binaire personen te maken met ongewenst gedrag dan cisgender personen. Een hoger percentage respondenten met een vermoeden of diagnose van neurodivergentie heeft te maken met ongewenst gedrag dan respondenten zonder vermoeden of diagnose. Lhbtiqa+ personen maken in 2025 meer ongewenst gedrag mee dan in 2021, zowel bij minder ernstige (zoals afkeurende blikken) als bij de ernstige vormen (zoals bedreiging). De stijging lijkt voor alle subgroepen ongeveer gelijk toe te nemen. Na het meemaken van een incident ondernemen de meeste mensen geen actie. De meest genoemde redenen om niet te melden waren: men verwachtte dat er niets zou gebeuren met de melding, of dat de gebeurtenis niet te bewijzen was. Angst voor de dader of voor andere negatieve gevolgen speelt vooral bij seksuele en lichamelijke mishandeling een rol in de keuze om niet te melden. Dit verklaart ook waarom er een lager percentage melding maakt of aangifte doet van seksuele intimidatie of mishandeling.
Lichamelijke mishandeling en bekladding of vernieling van eigendommen wordt het vaakst gemeld bij de politie. Ongelijke behandeling en seksuele intimidatie het minst. Na een melding bij de politie voelt maar een klein deel zich serieus genomen, vooral bij seksuele intimidatie en ongelijke behandelingen is dit laag. Daarnaast meldt een stuk minder respondenten ongewenst gedrag bij de ADV of discriminatie.nl. Bij meldingen bij de ADV of discriminatie.nl voelt men zich wel vaker serieus genomen dan bij de politie, vooral bij ongelijke behandeling en bedreiging. Wat kunnen gemeenten doen? - Stimuleer contact tussen politiebureaus, wijkagenten en lokale lhbtiqa+ belangenorganisaties of bedrijven. Probeer te faciliteren dat er tussen deze groepen korte lijntjes zijn, mocht er een incident plaatsvinden. - Onderzoek waar de politie nog in kan verbeteren in het omgaan met lhbtiqa+-gerelateerde ervaringen en ondersteun hen hierin met gerichte training en protocollen. - Train politieagenten en medewerkers van ADV’s op het sensitief omgaan met lhbtiqa+ burgers en hun meldingen. En besteedt hierbij aandacht aan verschillende vormen van ongewenst gedrag. - Zorg ervoor dat inwoners zich bewust zijn dat ze voor zaken die geen spoed hebben terecht kunnen bij Roze in Blauw.
Dit is een samenwerkingsverband binnen de politie dat zich speciaal richt op lhbtiqa+ thematiek, en niet-spoedeisende zaken op een sensitieve manier op kan pakken. Ze zijn bereikbaar op: 088-1691234 of RozeinBlauw@politie.nl. - Zorg voor (meer) bekendheid van het meldpunt voor discriminatie Discriminatie.nl zodat mensen met een nare ervaring juist verwezen worden. - Stel lhbtiqa+ aan orde in het driehoeksoverleg tussen burgemeester, politie en het Openbaar Ministerie. Nodig hiervoor bijvoorbeeld een keer de lokale tak van het COC, Roze in Blauw of een andere lokale lhbtiqa+ belangenbehartiger uit.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
37
Hoofdstuk 5
ZORG 38
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
5.1. DE HUISARTS Wat blijkt uit de cijfers? In deze monitor is ten opzichte van de monitor uit 2021 en 2023 een nieuw onderwerp opgenomen: zorg. We bespreken de ervaringen en tevredenheid van lhbtiqa+ personen met de huisarts, psycholoog of psychiater en in de thuiszorg. We onderzoeken of en hoe lhbtiqa+ invloed heeft op de ervaren kwaliteit van zorg in Gelderland en Overijssel. Eerst kijken we specifiek naar de ervaring met de huisarts. We vroegen respondenten hoe vaak zij de afgelopen twee jaar naar de huisarts zijn geweest. 94% die bij de huisarts is geweest in de afgelopen 2 jaar, geeft 28% aan dat dit minstens 1 keer was vanwege (deels) lhbtiqa+ gerelateerde vragen. Hierbij kan gedacht worden aan doorverwijzingen naar fertiliteitsklinieken, behandeling van soa’s, het bespreken van mentale klachten die verbonden zijn met de lhbtiqa+ identiteit of een doorverwijzing naar de genderkliniek. Hierna vroegen we naar de tevredenheid over de huisarts. In Tabel 5.1 is de gemiddelde tevredenheid over huisarts weergegeven. Lhbtiqa+ personen geven de huisarts gemiddeld een ruime voldoende, tussen een 7,1 en een 8,0. Opvallend is dat minder aseksuele personen een voldoende geeft aan de huisarts (80%), vergeleken met 92%, 92% en 87% bij homoseksuele, lesbische en bi+ personen.
We zien ook een verschil in het percentage voldoendes van niet-cisgender personen (transgender: 81%; non-binaire personen: 83%) vergeleken met cisgender personen (92%). Tabel 5.1 Tevredenheid met de huisarts
Homo
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Overijssel
Seksuele oriëntatie
Gelderland
Provincie
Gemiddelde (1 helemaal niet tevreden – heel tevreden 10)
7,8
7,6
8,0
7,9
7,5
7,2
7,9
7,1
7,2
% voldoende (≥6)
90
88
92
92
87
80
92
81
83
We hebben respondenten ook in een open vraag gevraagd naar hun meest positieve of negatieve ervaring met de huisarts waarbij lhbtiqa+-zijn een rol speelde. Contact werd als positief ervaren als huisartsen begripvol en meelevend waren bij lhbtiqa+ specifieke bezoeken of klachten, en zich inzette voor een goede behandeling, ook als ze zich hiervoor eerst moesten inlezen. Ander genoemde positieve ervaringen waren huisartsen die een diepgaande kennis hadden van lhbtiqa+ zaken zoals doorverwijzingen naar de genderkliniek, kinderwensen bespreken met niet-heteroseksuele koppels of sensitief omgingen met het overlijden van een partner. Er kwamen ook verschillende situaties voor waar het minder goed ging. Dit ging bijvoorbeeld om: - Huisartsen die weinig kennis hebben van lhbtiqa+ gerelateerde klachten en vragen. Bijvoorbeeld rondom fertiliteitsklinieken, hoe te goed zorgen voor iemand die de diagnose HIV heeft, of een weigering PrEP-zorg te verlenen. - Huisartsen die geen juiste doorverwijzing maken. Bijvoorbeeld niet weten dat transpersonen een doorverwijzing naar de genderkliniek nodig hebben. Of in een doorverwijzing naar de genderkliniek verkeerde voornaamwoorden gebruiken. - Huisartsen die herhaaldelijk patiënten bij de verkeerde voornaamwoorden of naam aanspreken. - Huisartsen die er vanuit gaan dat hun patiënt hetero en cisgender is.
Bijvoorbeeld met het voorschrijven van anticonceptie, of toch een zwangerschapstest laten uitvoeren terwijl dit niet relevant is. Zo verteld een respondent:
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
39
“Met anticonceptie wordt er blind van uitgegaan dat mijn partner van het andere geslacht is. Na dit te corrigeren ontstond er een ongemakkelijke situatie. Ook met vragen over een kinderwens en vruchtbaarheid wist mijn huisarts geen raad. Ook werd mijn partner toen die contact opnam met mijn huisarts omdat het niet goed met mij ging afgewimpeld. Dit terwijl zij als mijn noodcontact en partner staat geregistreerd in hun systeem.” We vroegen de respondenten ook naar hun ervaringen tijdens het huisartsenbezoek zelf. Respondenten kregen drie stellingen en moesten aangeven in welke mate ze het hier mee eens of oneens waren. De eerste stelling was ‘Ik voel de ruimte bij mijn huisarts om te praten over dingen waaruit mijn lhbtiqa+ identiteit kan blijken’. In Tabel 5.2 is weergegeven hoeveel procent van de respondenten het hier niet of helemaal niet mee eens is. 1 op de 4 aseksuele personen is het (helemaal) oneens met deze stelling. Aseksuele personen voelen minder ruimte om lhbtiqa+ zaken te bespreken met hun huisarts dan de andere respondenten. Bij andere seksuele oriëntaties is het gemiddeld 1 op de 10 personen die geen ruimte voelt voor het bespreken van lhbtiqa+ zaken met de huisarts. Voor non-binaire personen is 1 op de 4 personen en voor bij transpersonen bijna 1 op de 5.
De tweede stelling was ‘Ik denk dat mijn huisarts genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen’. Bijna de helft (47%) van de aseksuele personen denkt dat hun huisarts niet voldoende afweet van gezondheidsproblemen die lhbtiqa+ personen aangaan. Dit is opnieuw meer dan bij andere seksuele oriëntaties. Bij niet-cisgender personen is 39% (transgender) en 42% (non-binair) het oneens met de stelling. In vergelijking met 20% bij cisgender personen. De laatste stelling was ‘Ik heb wel eens door mijn lhbtiqa+ identiteit niet alles over mijn ervaringen of klachten besproken met mijn huisarts’. We zien weer hetzelfde patroon als bij de eerste twee stellingen. Aseksuele personen, trans- en nonbinaire personen geven aan vaker zaken achter te houden bij hun huisarts vanwege hun lhbtiqa+ identiteit.
40
Tabel 5.2 Stellingen over openheid met en vertrouwen in de huisarts
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Homo
Seksuele oriëntatie
Ik voel de ruimte bij mijn huisarts om te praten over dingen waaruit mijn lhbtiqa+ identiteit kan blijken. % (helemaal) oneens
11
10
14
25
10
18
24
Ik denk dat mijn huisarts genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen. % (helemaal) oneens
20
22
30
47
20
39
42
Ik heb wel eens door mijn lhbtiqa+ identiteit niet alles over mijn ervaringen of klachten besproken met mijn huisarts. % (helemaal) eens
17
12
22
31
14
35
28
Noot: ‘Weet ik niet’ is niet meegenomen.
Om een beter beeld te krijgen in welke mate zorgmijding bij lhbtiqa+ personen speelt, vroegen we respondenten hoe vaak ze niet naar de huisarts gaan uit angst om vervelende reacties te krijgen op hun lhbtiqa+ identiteit. In Tabel 5.3 opnieuw dat dit percentage voor niet-cisgender personen hoger is dan bij cisgender personen. 30% van transpersonen en 24% van non-binaire personen gaan soms tot vaak niet naar de huisarts vanwege angst voor negatieve reacties, ten opzichte van 5% van cisgender personen. Deze ervaringen zien we ook terug in de antwoorden op de open vragen. Verschillende respondenten gaven aan bij lhbtiqa+ problematiek niet naar de huisarts gaan omdat ze denken toch geen goede zorg te krijgen, of dat er niet vertrouwelijk omgegaan wordt met deze informatie.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
Tabel 5.3 Gaat u wel eens niet naar de huisarts omdat u bang bent voor een vervelende reactie op uw seksuele oriëntatie en/of genderidentiteit? Seksuele oriëntatie Homo
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
%
Genderidentiteit
Nee
92
95
86
78
95
70
77
Soms
7
4
12
17
4
22
20
Vaak
2
1
2
5
1
8
4
Hoe zit dit voor… We bekijken hier opnieuw de stellingen over de huisarts, maar nu specifiek voor personen met een migratieachtergrond. In Tabel 5.4 zien dat respondenten met een migratieachtergrond bij vrijwel elke stelling aangeven iets minder open te praten met de huisarts en iets minder vertrouwen in de huisarts te hebben als het gaat om lhbtiqa+ problematiek. We zien een klein maar consequent verschil tussen respondenten zonder en met een migratieachtergrond. Respondenten met een migratieachtergrond van buiten West-Europa of de Angelsaksische landen scoren nog wat slechter op hun vertrouwen in en openheid met de huisarts. Tabel 5.4 Stellingen over openheid en vertrouwen in de huisarts uitgesplitst naar migratieachtergrond
Nederlands
West-Europa/ Angelsaksische landen
Andere geografische achtergrond
Migratieachtergrond
Ik voel de ruimte bij mijn huisarts om te praten over dingen waaruit mijn lhbtiqa+ identiteit kan blijken. % (helemaal) oneens
13
12
17
Ik denk dat mijn huisarts genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen. % (helemaal) oneens
25
29
27
Ik heb wel eens door mijn lhbtiqa+ identiteit niet alles over mijn ervaringen of klachten besproken met mijn huisarts. % (helemaal) eens
18
20
24
Noot: ‘Weet ik niet’ is niet meegenomen.
5.2. DE PSYCHOLOOG EN PSYCHIATER Wat blijkt uit de cijfers? Naast de huisarts zijn psychologen en psychiaters ook belangrijke zorgverleners, waar lhbtiqa+ thematiek ter sprake kan komen. We vroegen respondenten hoe vaak zij de afgelopen twee jaar naar de psycholoog of psychiater zijn geweest. 39% van alle respondenten heeft in de afgelopen twee jaar een psycholoog of psychiater bezocht. Van deze groep geeft 52% aan dat dit (deels) te maken had met lhbtiqa+-gerelateerde onderwerpen. Aan de respondenten die de afgelopen twee jaar een psycholoog en/of psychiater hebben bezocht, is gevraagd hoe tevreden ze waren over dit bezoek. In Tabel 5.5 staat eerst de gemiddelde tevredenheid weergegeven in een cijfer van 1 (heel slecht) naar 10 (heel goed). Lhbtiqa+ personen geven het bezoek gemiddeld een ruim voldoende. Er zijn kleine verschillen te zien tussen groepen. Trans- en non-binaire personen geven het bezoek gemiddeld een iets lager cijfer (7,3 en 7,4) vergeleken met cisgender personen (7,8).
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
41
In Tabel 5.5 staat ook het percentage dat het bezoek aan de psycholoog of psychiater een voldoende (een 6 of hoger) geeft. Hierin zien we alleen een klein verschil tussen niet-cisgender en cisgender personen (83% en 86% tegenover 90%). De tevredenheid met de gegeven zorg ligt voor psychologische zorg tussen de verschillende deelidentiteiten minder uit elkaar, dan voor huisartsenzorg. Tabel 5.5 Tevredenheid psycholoog en psychiater
Homo
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Overijssel
Seksuele oriëntatie
Gelderland
Provincie
Gemiddelde (1-10)
7,6
7,6
7,9
7,7
7,5
7,5
7,8
7,3
7,4
% voldoende (≥6)
88
88
88
90
88
87
90
83
86
We vroegen de respondenten ook naar hun ervaringen tijdens het bezoek aan de psycholoog en/of psychiater. De respondenten kregen drie stellingen voorgelegd en konden aangeven in welke mate ze het hier mee eens waren. De eerste stelling was: ‘Ik voel de ruimte bij mijn psycholoog of psychiater om te praten over dingen waaruit mijn lhbtiqa+ identiteit kan blijken’. In Tabel 5.6 is te zien dat 11% non-binaire personen het (helemaal) oneens is met deze stelling vergeleken met 5% en 6% van cisgender en transpersonen. In de open vragen geven een aantal respondenten aan dat het in de gesprekken met hun psycholoog alleen nog maar over lhbtiqa+ ging op het moment dat zij open waren over hun lhbtiqa+ identiteit. Een respondent zegt: “Het queer zijn speelde geen rol in de specifieke problematiek, maar toen mijn psycholoog ontdekte dat ik queer ben, maakte zij er wel een heel ding van. Ze dacht dat ik nog niet zeker was van mijn identiteit en dat die zoektocht tijd en mentale energie opnam, terwijl ik daar allang voorbij ben. Dat was jammer. Dit was ook meteen een aanname.” De tweede stelling was ‘Ik denk dat mijn psycholoog of psychiater genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen’. Een kwart van non-binaire personen is het hier mee oneens, net als 14% en 19% van de cisgender en transpersonen.
De derde stelling was ‘Ik heb wel eens door mijn lhbtiqa+ identiteit niet alles over mijn ervaringen of klachten besproken met mijn psycholoog of psychiater’. Ongeveer een kwart van respondenten geeft aan dat ze het hier (helemaal) mee eens zijn. Zij vermijden wel eens een ervaring of klacht te bespreken. We zien ook dat trans- en non-binaire personen vaker aangeven dat ze niet alles over hun ervaring of klachten delen met hun psycholoog of psychiater dan cisgender personen.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
42
Tabel 5.6 Stellingen over openheid met en vertrouwen in de psycholoog en/of psychiater
Lesbisch
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Homo
Bi+
Seksuele oriëntatie
Ik voel de ruimte bij mijn psycholoog of psychiater om te praten over dingen waaruit mijn lhbtiqa+ identiteit kan blijken. % (helemaal) mee oneens
4
4
7
11
5
6
11
Ik denk dat mijn psycholoog of psychiater genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen. % (helemaal) mee oneens
12
14
20
23
14
19
25
Ik heb wel eens door mijn lhbtiqa+ identiteit niet alles over mijn ervaringen of klachten besproken met mijn psycholoog of psychiater. % (helemaal) mee eens
23
18
24
24
20
30
26
Noot: ‘Weet ik niet’ is niet meegenomen.
Hoe zit dit voor… In Tabel 5.7 zijn de drie stellingen opnieuw weergegeven, maar nu uitgesplitst voor respondenten met een diagnose of vermoeden van neurodivergentie. Respondenten met het vermoeden of een diagnose van neurodivergentie zijn iets minder tevreden over hun psycholoog en psychiater dan neurotypische respondenten. We zien dit kleine verschil bij elke stelling terug, zowel over vertrouwen in de kennis die een psycholoog of psychiater heeft, en ook hoe open respondenten zijn bij hen over hun lhbtiqa+ identiteit. Tabel 5.7 Stellingen over openheid met en vertrouwen in de psycholoog en psychiater uitgesplitst voor respondenten die neurodivergent zijn
43
Niet
Vermoeden
Diagnose
Neurodiversiteit
Ik voel de ruimte bij mijn psycholoog of psychiater om te praten over dingen waaruit mijn lhbtiqa+ identiteit kan blijken. % (helemaal) oneens
4
9
7
Ik denk dat mijn psycholoog of psychiater genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen. % (helemaal) oneens
14
19
19
Ik heb wel eens door mijn lhbtiqa+ identiteit niet alles over mijn ervaringen of klachten besproken met mijn psycholoog of psychiater. % (helemaal) eens
20
25
25
Noot: ‘Weet ik niet’ is niet meegenomen.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
5.3. DE THUISZORG Wat blijkt uit de cijfers? Het laatste facet van de zorg die we onder de loep nemen is de thuiszorg. 9% van respondenten maakt wel eens gebruik van thuiszorg. We vroegen hen in hoeverre zij zich geaccepteerd voelen door de mensen van de thuiszorg of door begeleiders. In Tabel 5.8 is het gemiddelde cijfer wat respondenten geven aan de acceptatie van de thuiszorg medewerkers weergegeven. Ook het percentage lhbtiqa+ personen die de acceptatie een voldoende (een 6 of hoger) geven staat in deze tabel. We zien dat het beeld overwegend positief is. Respondenten geven gemiddeld een ruime voldoende aan hun ervaren acceptatie in deze context. Homoseksuele mannen geven het hoogste cijfer met een 8,5. Tabel 5.8 In hoeverre voelt u zich geaccepteerd als lhbtiqa+ persoon door de mensen van de thuiszorg of de begeleiders?
Homo
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Overijssel
Seksuele oriëntatie
Gelderland
Provincie
Gemiddelde (1 helemaal niet geaccepteerd – 10 helemaal geaccepteerd)
7,8
7,9
8,5
8,0
7,5
7,8
8,1
7,7
7,4
% Voldoende (≥6)
86
87
89
88
83
92
90
79
85
Gerelateerd aan thuiszorg hebben we ook mensen die in een zorginstelling wonen meegenomen in dit hoofdstuk. In totaal woont 2% van personen in een zorginstelling. Omdat dit gaat om in totaal 46 personen kunnen we hier niet uitsplitsen op subgroepen. De respondenten die in een zorginstelling wonen kregen twee stellingen voorgelegd (Tabel 5.9). Bij elke stelling gaven zij een cijfer (1 ‘helemaal niet geaccepteerd’ tot 10 ‘helemaal geaccepteerd’). Lhbtiqa+ personen die in een zorginstelling wonen geven de acceptatie van begeleiders een hoger cijfer (7,5) dan de acceptatie van medebewoners of huisgenoten (6,6). Dit verschil is ook te zien in het percentage dat de acceptatie in hun zorginstelling een voldoende geeft. 86% van de respondenten geeft de acceptatie van begeleiders een voldoende. 67% geeft de acceptatie van medebewoners en huisgenoten een voldoende. 1 op de 3 bewoners van zorginstellingen geeft medebewoners dus een onvoldoende. Wanneer we kijken naar het verschil tussen de provincies en de ervaren acceptatie in zorginstellingen, zien we dat de respondenten uit Gelderland lagere cijfers geven aan de acceptatie van begeleiders en medebewoners/ huisgenoten in zorginstellingen dan in Overijssel. Aangezien dit gaat om een laag aantal respondenten, moeten we voorzichtig zijn met deze resultaten.
Daarom zijn de cijfers dan ook niet weergegeven in de tabel, maar kunnen deze resultaten wel aanleiding zijn voor vervolgonderzoek.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
44
Tabel 5.9 Stellingen over lhbtiqa+ acceptatie aan iedereen die woont in de zorginstelling Totaal Gemiddelde
Voldoende %
Gemiddelde (1 helemaal niet geaccepteerd – 10 helemaal geaccepteerd)
In hoeverre voelt u zich geaccepteerd als lhbtiqa+ persoon door de begeleiders?
7,5
86
In hoeverre voelt u zich geaccepteerd als lhbtiqa+ persoon door de medebewoners of huisgenoten?
6,6
67
5.4. EN NU? Belangrijkste inzichten: Lhbtiqa+ personen geven de tevredenheid over de huisartsenzorg gemiddeld een ruim voldoende. Hoewel we in de antwoorden op de open vragen wel duidelijke verbeterpunten zien qua verbetering van kennisniveau en sensitieve omgang met lhbtiqa+ thematiek. We zien ook in de statistieken dat aseksuele en niet-cisgender personen ook minder tevreden zijn in vergelijking met andere identiteiten. Deze groepen mijden ook vaker de huisarts bij lhbtiqa+ specifieke zorgvragen en geven aan het idee te hebben dat de huisarts niet genoeg weet over gezondheidsproblemen die belangrijk zijn bij lhbtiqa+ personen. Lhbtiqa+ personen zijn tevreden over het bezoek aan de psycholoog en/of psychiater. Wanneer we kijken naar genderidentiteit, zien we dat non-binaire personen minder ruimte voelen dan cisgender of transpersonen om bij de psycholoog en/of psychiater om over dingen te praten waaruit hun lhbtiqa+ identiteit blijkt. Non-binaire personen denken ook minder vaak dat de psycholoog en/of psychiater voldoende weet over de problemen die belangrijk zijn voor lhbtiqa+ personen. Respondenten met het vermoeden of een diagnose van neurodivergentie zijn minder tevreden over hun psycholoog/psychiater dan respondenten zonder neurodivergentie. Wanneer we kijken naar thuiszorg zien we dat de acceptatie daar over het algemeen goed is.
Wel is opvallend dat respondenten die in een zorginstelling wonen wel tevreden zijn over hun begeleiders, maar zich vaak niet geaccepteerd voelen door medebewoners of huisgenoten. Wat kunnen overheden, huisartsen, psychologen, psychiaters, zorginstellingen doen? - Breng regionaal de knelpunten in kaart rondom PrEP-zorg en transgenderzorg (waaronder zelfmedicatie) (zie ook Hoofdstuk 6) in kaart samen met GGD’s en regionale huisartsen verenigingen. Identificeer waar de wachttijden het grootst zijn en waar signalen van knelpunten in de zorg naar voren komen. PrEP-zorg valt formeel onder de GGD, maar door de lange wachttijden wordt deze zorg steeds vaker via huisartsen gevraagd, terwijl dit nog niet standaard in hun takenpakket zit. Betrek daarom de regionale huisartsenorganisaties en huisartsen met expertise in seksuele gezondheid bij het in kaart brengen van verantwoordelijkheden en taken. Ook de NHG-expertgroep Seksuele Gezondheid kan hierbij een belangrijke rol spelen, zodat duidelijk wordt wie welke zorg levert en waar verbeteringen mogelijk zijn.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
45
Voor huisartsen: - Verhoog kennis over lhbtiqa+ gerelateerde zorgonderwerpen zoals: PrEP-zorg, juiste doorverwijzing naar gender- of fertiliteitsklinieken, het gebruik van correcte voornaamwoorden en aanspreekvormen, en medische kennis over personen die in transitie (geweest) zijn of intersekse zijn. - Vergroot bewustzijn rondom aseksualiteit. Aseksuele personen ervaren soms onbegrip in de spreekkamer. Huisartsen kunnen hier beter mee omgaan door kennis te nemen van recente publicaties, zoals de rapportage van Rutgers over aseksualiteit in de zorg6. - Vermijd hetero- en cisnormatieve aannames. Stel open vragen over relaties en seksualiteit in plaats van te vragen naar man/vrouw, huwelijk of anticonceptie. - Zorg voor zichtbaarheid en vertrouwen. Een kleine aanpassing, zoals het zichtbaar hebben van een regenboogsticker in de wachtkamer, website, of verwijzing naar Roze in Wit, kan helpen om de spreekkamer als veilig te laten voelen voor lhbtiqa+ patiënten. - Neem kennis over genderdysforie en gender inclusieve zorg op in nascholing. Dit kan bijvoorbeeld via e-learningmodules van de KNMG, NHG of via samenwerking met lokale GGD’s. - Wanneer je als arts kennis hebt over lhbtiqa+ gerelateerde zaken en open staat om met patiënten hierover mee te denken, meld je dan aan bij Roze in Wit.
Op dit platform kunnen lhbtiqa+ personen zoeken op een arts waarvan zij dan zeker weten dat diegene hier open voor staat. Voor psychologen: - Vergroot kennis en vaardigheden rondom lhbtiqa+-thema’s zoals minderheidsstress, eenzaamheid, genderidentiteit, identiteitsonzekerheid, internaliserende schaamte, sociale uitsluiting en queer joy. - Scholing over meervoudige uitsluiting. Let op de specifieke ervaringen van lhbtiqa+ personen met een migratieachtergrond, beperking, chronische ziekte of psychische kwetsbaarheid. - Vermijd pathologiseren. Lhbtiqa+ zijn is geen oorzaak van problemen, maar negatieve reacties vanuit de omgeving kunnen dat wel zijn. - Maak de intake(formulieren) zo inclusief mogelijk en vermijd hetero- en cisnormatieve vragen. Stel open vragen over relaties, seksualiteit en gender. Voor zorginstellingen en thuiszorg: - Train personeel in het herkennen van uitsluiting of pestgedrag op basis van iemands lhbtiqa+-identiteit, en geef duidelijke richtlijnen over hoe hierop te handelen. - Vermijd hetero- en cisnormatieve aannames. Stel open vragen over relaties en seksualiteit in plaats van te vragen naar man/vrouw. - Stimuleer bewustwording en ontmoeting. Organiseer themaweken of workshops over diversiteit, in samenwerking met lokale belangenorganisaties.
- Meld je aan voor het Roze Loper-keurmerk en volg het traject dat leidt naar sociale acceptatie van seksuele en genderdiversiteit. - Roze 50+ is een organisatie die zich inzet voor de verbetering van acceptatie voor oudere lhbtiqa+ personen. Voor vragen rondom, ontmoeting, zichtbaarheid en kennis bevorderen kan contact met hen opgenomen worden via https://roze50plus.nl/.
6
Finkenflügel et al. (2025)
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
46
Hoofdstuk 6
TRANSGENDERZORG 47
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
6.1. GEBRUIK WILLEN MAKEN VAN TRANSGENDERZORG Wat blijkt uit de cijfers? We vroegen transgender en non-binaire personen om meer te vertellen over hun ervaringen en wensen rondom transgenderzorg in Nederland. De Nederlandse transgenderzorg bestaat primair uit drie onderdelen waar we vragen over gesteld hebben: - Het ontvangen van een hormoontherapie met oestrogenen of testosteron. Hormonen kunnen gebruikt worden door middel van pleisters, injecties of pillen. - Het ondergaan van een chirurgische behandeling, ook wel geslachtsbevestigende operaties. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een mastectomie (weghalen van borsten) of om vaginaplastiek. - Psychologische zorg voor transpersonen. Psychologische hulp is een verplicht onderdeel in de vorm van het zogenaamd diagnostisch traject als personen chirurgische of hormoonbehandeling willen. Daarnaast kan psychologische hulp ook plaatsvinden terwijl iemand op de wachtlijst staat om te kunnen praten met iemand over dysforie, stress of depressie. Dan is psychologische zorg ondersteunend in plaats van een verplichting voor verdere behandeling. Niet alle trans- en non-binaire personen maken gebruik van transzorg of staan op een wachtlijst. We vroegen hen naar hun wensen. In Tabel 6.1 zien we dat van de transpersonen die geen zorg hebben ontvangen en niet op de wachtlijst staan 71% wel graag gebruik zou willen maken van transzorg.
Bijna iedereen die zorg wilt ontvangen, zou gebruik willen maken van hormoonbehandeling. Bij non-binaire personen zien we dat een kleiner gedeelte gebruik zou willen maken van transzorg, namelijk 30%. Ook is er minder eenduidigheid over het type behandeling, maar liggen de wensen meer uit elkaar. Tot slot geeft 20% van de non-binaire personen aan niet precies te weten welke soort transzorg ze willen krijgen. Bij transpersonen is dit 3%.
48 Transgender
Non-binair
Tabel 6.1 Personen die gebruik willen maken van transgenderzorg, maar dat nog niet doen
71
30
Hormonale behandeling
97
45
Chirurgische behandeling
50
44
Psychologische zorg
67
45
Zeg ik liever niet
0
3
Weet ik niet
3
20
Alleen mensen die nu nog geen gebruik maken/hebben gemaakt van transzorg én niet op een wachtlijst staan Zou u gebruik willen maken van transzorg? %Ja Van welk type transgenderzorg zou u gebruik willen maken? %
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
6.2. OP DE WACHTLIJST VOOR TRANSGENDERZORG Wat blijkt uit de cijfers? Voor elk type transzorg bestaan wachtlijsten waar zorgvragers op terecht komen. In Tabel 6.2 staat het percentage trans- en non-binaire personen dat nog op de wachtlijst staat voor een behandeling. Dit betreft 12% van alle trans- en non-binaire respondenten die de vragenlijst hebben ingevuld. We zien de langste wachttijd voor de chirurgische behandeling. Dit was onder de wachtende respondenten gemiddeld 23 maanden, ofwel bijna twee jaar. Voor andere behandelingen, waaronder ook de op voorhand verplichte diagnostiek, is de wachtlijst gemiddeld anderhalf jaar. Als we respondenten vragen naar hun beleving van de lengte van de wachtrij zien we een eenduidig beeld. Voor elke behandeling valt de lengte van de wachtlijst (redelijk tot heel) zwaar bij het overgrote deel respondenten. De meeste last hebben respondenten bij het uitblijven van psychologische begeleiding, waarvan 87% van respondenten aangeeft dat de wachttijd hen redelijk tot heel zwaar valt. Tabel 6.2 Wachttijden van personen die transgenderzorg die op de wachtlijst staan
Staat u op de wachtlijst van transzorg? %Ja
Redelijk/ heel zwaar
Redelijk vol te houden
Goed vol te houden
Wachttijd in maanden
Alleen mensen die nu nog geen gebruik maken/hebben gemaakt van transzorg.
Nietcisgender
De hoeveelheid maanden dat ik op de wachtlijst sta voor behandeling vind ik (%)
12
49
Van welk type transgenderzorg zou u gebruik willen maken? % Hormonale behandeling
49
19
2
18
80
Chirurgische behandeling
36
23
2
14
84
Psychologische zorg (diagnostiek)
67
18
6
10
84
Psychologische zorg (begeleiding)
28
19
5
8
87
Zeg ik liever niet
5
6.3. GEBRUIKT GEMAAKT VAN TRANSGENDERZORG Wat blijkt uit de cijfers? In Tabel 6.3 zien we dat 34% van de trans- en non-binaire respondenten nu gebruik maken, of in het verleden gebruik hebben gemaakt van transzorg. We zien ook dat de wachttijden in Tabel 6.3 korter zijn dan in Tabel 6.2. Personen die nu op de wachtlijst staan, moeten langer wachten dan personen die in het verleden op de wachtlijst hebben gestaan. Het lijkt alsof de wachttijd voor trans- en non-binaire personen in Gelderland en Overijssel om behandeld te worden is toegenomen.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
Van de trans- en non-binaire personen die nu of in het verleden transzorg heeft gekregen, heeft 74% gebruik gemaakt van hormonale behandeling. De vervolgens meest gekregen zorg is de verplichte diagnostiek met 67%. Dat het aandeel van respondenten wat gebruik heeft gemaakt van een hormoonbehandeling hoger ligt dan het aandeel wat de diagnostiek heeft ontvangen is opvallend. Dit zou verklaard kunnen worden door een aandeel van respondenten wat buiten de reguliere transgenderzorg kiest om te starten met zelfmedicatie. Zelfmedicatie wordt later in dit hoofdstuk uitgebreider besproken. Meer dan de helft van trans- en non-binaire personen die nu of in het verleden transzorg heeft gekregen, vindt de periode op de wachtlijst staan (redelijk tot heel) zwaar. Een negatieve uitschieter is de wachttijd voor de psychologische diagnostiek (74%). Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat de diagnostiek geldt als toegang tot verdere zorg. Als je hiervoor op de wachtlijst staat kun je geen gebruik maken van andere medische transgenderbehandelingen of trajecten. Tabel 6.3 Wachttijden van personen die transgenderzorg hebben gehad De hoeveelheid maanden dat ik op de wachtlijst heb gestaan voor behandeling vind ik: Goed vol te houden
Redelijk vol te houden
Redelijk/ heel zwaar
Hormonale behandeling
74
17
18
21
61
Chirurgische behandeling
41
15
21
24
55
Psychologische zorg (diagnostiek)
67
17
12
14
74
Psychologische zorg (begeleiding)
46
13
20
23
57
Gebruik gemaakt van transzorg. %Ja
Nietcisgender
Wachttijd in maanden
Alleen mensen die wel gebruik hebben gemaakt van transzorg
34
Van welk type transgenderzorg maakt u gebruik of heeft u gebruik gemaakt? %
Zeg ik liever niet
1
We hebben trans- en non-binaire personen een aantal stellingen voorgelegd over steun tijdens hun transitie. In de persoonlijke kring, maar ook bij medewerkers van de transzorg en de huisarts. De resultaten hiervan staan in Tabel 6.4. In de persoonlijke kring vroegen we naar steun van vrienden en familie. Vooral vrienden lijken heel belangrijk. 83% gaf aan steun te ervaren van vrienden tijdens hun gendertraject. Steun vanuit familie is minder eenduidig. Voor ongeveer de helft is familie een bron van steun, de andere helft gaf aan geen steun te ervaren van familie, of antwoordde neutraal. Steun vanuit professionals is ook minder eenduidig. 69% van de respondenten voelde zich ondersteund door medewerkers van de transgenderzorg. Eén derde van respondenten gaf aan dat ze het proces van doorverwijzen niet duidelijk vonden.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
50
Neutraal
(Helemaal) mee eens
Ik ervoer steun van mijn vrienden tijdens mijn gendertraject.
7
9
83
1
Ik ervoer steun van mijn familie tijdens mijn gendertraject.
23
27
49
1
Ik voelde mij ondersteund door de medewerkers bij de transzorg.
16
13
69
2
De manier hoe ik een verwijzing via de huisarts kon krijgen naar de transzorg was duidelijk.
33
12
55
1
Weet ik niet
(Helemaal) mee oneens
Tabel 6.4 Steun en ervaringen tijdens transitie
%
6.4. ZELFMEDICATIE Lange wachttijden voor reguliere transgenderzorg heeft bewezen negatieve effecten. Een wetenschappelijk onderzoek uit 2024 uitgevoerd in Nederland wijst uit dat een wachtperiode kan leiden tot: 7 - Toename of aanhouden van psychosociale klachten. Denk aan genderdysforie, laag zelfvertrouwen, stress, eenzaamheid of wachten met uit de kast komen. - Ontwikkelen of verergeren van gezondheidsproblemen zoals depressie, suïcidale gedachte, zelfmutilatie, eetstoornissen of gezondheidsklachten vanwege langdurig dragen van een binder. In reactie op de lange wachtlijsten, en de negatieve consequenties hiervan, zien we dat een deel van de mensen zich genoodzaakt voelt om omzoek te gaan naar alternatieve behandelroutes. Sommige transgender of non-binaire personen kiezen er daarom voor om zonder medische begeleiding of via een buitenlandse voorschrijving zelf hormoontherapie te starten. Dit noemen we ook wel zelfmedicatie. Naast potentiële positieve effecten van het eerder kunnen beginnen met gewenste behandelingen kan zelfmedicatie negatieve effecten hebben op de fysieke en mentale gezondheid van trans- en non-binaire personen. Zo is er geen medisch toezicht op de dosering, mogelijke bijwerkingen, interacties met andere medicijnen of de invloed op bestaande gezondheidsklachten. Ook kan het gebruik van vervuilde of namaakmedicatie leiden tot gevaarlijke situaties8 9.
Daarnaast kunnen belangrijke medische controles, zoals bevolkingsonderzoeken (bijvoorbeeld borstkanker), mislopen en kan het stoppen van medicatie zonder begeleiding risico’s opleveren. Omdat een aanzienlijke groep van transgender en non-binaire personen toch besluit om gebruik te maken van zelfmedicatie, hebben we hierover enkele vragen gesteld. Zo krijgen we een beeld van de mate waarin en de manier waarop dit speelt in Gelderland en Overijssel en hoe dit ondervangen kan worden door sneller passende zorg gegeven kan worden. We willen benadrukken dat we hiermee willen laten zien dat zelfmedicatie geen individueel probleem is maar het gevolg van zorgstructuren en procedures die niet voldoende aansluiten bij de behoeften van transpersonen waardoor gezondheidsrisico’s ontstaan.
7
Van de Grift et al. (2024).
8
TN. (2016).
9
Eshuis et al. (2020).
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
51
Wat blijkt uit de cijfers? In Tabel 6.5 zien we in percentages terug hoe transgender en non-binaire personen zelfmedicatie al dan niet hebben gebruikt, of hierover hebben nagedacht. Deze cijfers moeten we wel begrijpen in de juiste context. Vanwege de Nederlandse Geneesmiddelenwet is het namelijk illegaal om buitenlandse medicatie in te voeren. Ook als het enkel voor persoonlijk gebruik is.10 Daarom kunnen we ervan uitgaan dat sommige respondenten terughoudend waren om al hun handelingen en ervaringen te delen in de vragenlijst. 19% van transpersonen geeft aan wel eens gebruik te hebben gemaakt van zelfmedicatie. Daarnaast geeft 46% aan het wel eens te hebben overwogen. Gezien de wetgeving in Nederland rondom zelfmedicatie, zouden we kunnen aannemen dat het aantal personen dat daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van zelfmedicatie nog hoger ligt. Voor non-binaire personen speelt zelfmedicatie een minder grote rol. 5% van non-binaire personen geeft aan zelfmedicatie te hebben gebruikt, en 22% geeft aan dit te hebben overwogen. Hoewel zelfmedicatie dus vermoedelijk minder gebruikt wordt door non-binaire personen, is het ook voor deze groep nog steeds bij 1 op de 3 mensen een thema wat speelt.
Transgender
Non-binair
Tabel 6.5 Heeft u wel eens gebruik gemaakt van zelfmedicatie?
Ja
19
5
Nee, maar wel eens overwogen
46
22
Nee
35
73
%
De redenen dat personen zelfmedicatie gebruiken lopen uiteen. In antwoord op een open vraag over dit thema komen verschillende reden aan bod: - Lange wachttijden voor transzorg en onzekerheid of er na het wachten wel goedkeuring komt. - Het hormoon progesteron willen gebruiken in plaats van oestrogeen in hormoontherapie, terwijl progesteron in Nederland niet beschikbaar is. - Belang van zelfbeschikkingsrecht over het eigen lichaam, zonder poortwachters zoals psychologen en ziekenhuizen. Ook noemen veel personen redenen waarom ze besluiten geen zelfmedicatie te gebruiken: - Angst voor medische gevolgen als het niet goed gaat, soms ook omdat mensen al met andere mentale of fysieke klachten lopen of al andere medicatie slikken. - Zelf medicijnen bestellen is prijzig en daardoor geen optie. - Ingewikkeld om aan medicijnen te komen, omdat er bijvoorbeeld crypto gebruikt moet worden om hormonen aan te schaffen.
10 Overheid. (2025).
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
52
We hebben gevraagd in hoeverre de wachttijd voor transzorg de keuze voor het gebruik van zelfmedicatie beïnvloed. In Tabel 6.6 wordt duidelijk dat de wachttijd zeer belangrijk is. Voor 4 op de 5 transpersonen heeft het beginnen met zelfmedicatie volledig of gedeeltelijk te maken met de wachttijden. Voor non-binaire personen speelt de wachttijd een iets minder grote rol. De helft van hen geeft aan de wachtlijst helemaal niet meespeelde in hun overweging. Als we in aanvullende analysen de cijfers over gebruik van zelfmedicatie combineren met ieders wachttijd voor transzorg zien we een duidelijk verband: een langere gerapporteerde wachttijd betekent een grotere kans op zelfmedicatie in de vorm van hormoonbehandeling.
Transgender
Non-binair
Tabel 6.6 Is deze keuze beïnvloed door de lengte van de wachtrij voor de transgenderzorg?
Ja, volledig
60
37
Ja, dit speelde gedeeltelijk mee
23
13
Nee, dit speelde helemaal niet mee
17
50
%
6.5 EN NU? Belangrijkste inzichten: De gerapporteerde wachttijden voor de transgenderzorg zijn toegenomen in Gelderland en Overijssel. De lange wachtlijsten vallen transgender en non-binaire personen zwaar. Tijdens de transitieperiode zijn vooral vrienden belangrijk als bron van steun, met op de tweede plek familieleden. Onder druk van lange wachttijden en een reeks aan andere factoren zien we dat een aantal mensen in Gelderland en Overijssel zich genoodzaakt voelt om via illegale wegen zelf hormoonmedicatie in te kopen, met mogelijkheid op grote gezondheidsrisico’s. Dit is een duidelijk signaal dat de reguliere transgenderzorg toe is aan verandering. Wat kunnen gemeentes en zorginstellingen doen? We hebben trans en non-binaire respondenten, die gebruik hebben gemaakt van transzorg, gevraagd naar hun behoeftes aan verandering in de transgenderzorg. We legden hen enkele mogelijke veranderingen voor, waarop ze konden aangeven hoe belangrijk ze deze vonden. In Tabel 6.7 zien we deze terug op volgorde van het percentage respondenten dat dit een (heel) belangrijke verandering vond. We zien dat alle voorgelegde veranderingen belangrijk waren voor het merendeel van respondenten.
De twee veranderingen die eruit springen zijn het sneller beschikbaar maken van psychologische ondersteuning tijdens het transitieproces en het aanstellen van meer medische professionals met expertise in transgenderzorg buiten de gespecialiseerde genderklinieken. Bij deze laatste verandering kan ook gedacht worden aan GGD’s, GGZ, wijkteams of thuiszorgorganisaties. Dit zijn hulpverleningsinstellingen die onder de invloedssfeer van de gemeente vallen. Gemeenten kunnen in gesprek met deze partijen of in een aanbesteding specifiek gevraagd worden om rekening te houden met de zorgvraag van transgender en non-binaire personen.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
53
Tabel 6.7 Kunt u aangeven hoe belangrijk u de volgende veranderingen in de transzorg vindt? (Heel) onbelangrijk
Neutraal
(Heel) belangrijk
Weet ik niet
% Snellere psychologische ondersteuning tijdens het transitieproces.
2
2
94
2
Meer medische professionals met expertise in transgenderzorg buiten de gespecialiseerde genderklinieken.
2
3
92
3
Meer aandacht voor non-binaire personen binnen de transgenderzorg.
3
10
82
5
Meer informatiebijeenkomsten en voorlichtingen over transzorg van transgenderorganisaties.
7
14
73
5
Decentraliseren van de transgenderzorg.
6
9
72
14
i: De lokale zorgverleners krijgen dan meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid om beslissingen te nemen over hoe ze zorg aanbieden
Daarnaast: - Zelfmedicatie onder transpersonen: omdat een opvallend groot deel van transpersonen aangeeft zelfmedicatie te gebruiken, is nader onderzoek nodig naar mogelijkheden voor een flexibeler toegangsbeleid tot hormoonbehandeling. In landen zoals Canada en het Verenigd Koninkrijk wordt gewerkt met het zogenoemde ‘informed consent’-systeem11, waarbij patiënten na een medische intake direct hormonen kunnen ontvangen, zonder dat een formele diagnose of indicatiestelling vereist is. - Tot slot willen we benadrukken dat er onder andere door Transgender Netwerk (TN) en Transvisie al veel onderzoek wordt gedaan op het gebied van transgenderzorg. Voor vragen rondom dit thema kan er ook contact met hen gezocht worden. Hun expertise kan gebruikt worden om beleid, trainingen en lokale initiatieven verder te verbeteren.
11
Van den Boom (2016)
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
54
Hoofdstuk 7
LEEFOMGEVING EN OVERHEIDSBELEID
55
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
7.1. VERBONDENHEID LEEFOMGEVING Wat blijkt uit de cijfers? We vroegen lhbtiqa+ personen om een cijfer van 1 tot 10 te geven aan de verbondenheid die zij voelen met het dorp of de stad waar ze wonen. In Tabel 7.1 zien we de cijfers terug. We zien in verbondenheid geen verschil tussen Gelderland en Overijssel. In beiden provincies geven personen gemiddeld een 6,5 aan hun binding met hun woonplaats. Homoseksuele en lesbische personen geven de binding wel een hoger cijfer dan bi+ en aseksuele personen. Aseksuele personen geven het een 5,7 en 43% van aseksuele personen geeft de binding met hun woonplaats een onvoldoende. Transpersonen en non-binaire personen geven de binding gemiddeld ook een lager cijfer (5,1 en een 6,0) dan cisgender personen (6,8). 53% van de transpersonen geeft de verbondenheid een onvoldoende. Tabel 7.1 Verbondenheid met de leefomgeving
6,2
5,7
25
33
43
22
Non-binair
27
6,7
Transgender
26
6,9
Cisgender
% onvoldoende (<5,5)
Aseksueel
6,5
Bi+
6,5
Lesbisch
Algemene verbondenheid woonplaats (1 helemaal niet verbonden – heel erg verbonden 10)
Genderidentiteit
Homo
Overijssel
Seksuele oriëntatie
Gelderland
Provincie
6,8
5,1
6,0
53
37
23
We vroegen de respondenten naar hun behoeftes rondom het kennen van lhbtiqa+ personen in hun woonplaats. In Tabel 7.2 zien we dat het overgrote gedeelte van respondenten (veel) meer andere lhbtiqa+ personen wil kennen in hun woonplaats. 70% in Gelderland en 73% in Overijssel heeft deze wens. We zien dat transgender, nonbinaire, aseksuele en bi+ personen vaker aangeven meer lhbtiqa+ contacten te willen in hun woonplaats dan cisgender, homoseksuele en lesbische personen. Los van de onderlinge verschillen zien we dat de behoefte voor contact met lhbtiqa+ personen in de directe woonomgeving groot is. Tabel 7.2 Zou u meer of minder lhbtiqa+ personen in uw woonplaats willen kennen? Provincie Overijssel
Homo
Lesbisch
Bi+
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
Genderidentiteit
Gelderland
%
Seksuele oriëntatie
(Veel) meer
70
73
67
68
77
75
66
84
84
Niet meer, niet minder
30
27
33
31
23
24
33
16
16
1
0
0
0
0
0
1
0
1
(Veel) minder
Hoe zit dit voor… In Tabel 7.3 zien we de behoefte om meer lhbtiqa+ personen te kennen in de woonplaats voor respondenten met een vorm van neurodivergentie, een beperking en migratieachtergrond.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
56
Respondenten met een fysieke beperking (80%) en psychische kwetsbaarheid (78%) hebben iets meer behoefte aan het kennen van lhbtiqa+ personen in de woonplaats dan respondenten zonder beperking (70%). Dit zou eventueel verklaard kunnen worden omdat plekken waar personen met een beperking elkaar ontmoeten, niet direct ook plekken zijn waar lhbtiqa+ onderwerpen ter sprake komt. Of omdat lhbtiqa+ bijeenkomsten in de eigen woonplaats niet toegankelijk of toereikend zijn voor personen met een beperking. We zien hetzelfde patroon bij neurodivergentie en migratieachtergrond. De respondenten met een vermoeden of een diagnose van een vorm van neurodivergentie, hebben meer behoefte aan het leren kennen van lhbtiqa+ personen in hun woonplaats vergeleken met neurotypische mensen. De respondenten met een migratieachtergrond hebben ook meer behoefte aan het leren kennen van lhbtiqa+ personen in hun woonplaats vergeleken met mensen zonder migratieachtergrond. Tabel 7.3 Zou u meer of minder lhbtiqa+ personen in uw woonplaats willen kennen? Neurodiversiteit Vermoeden
Gediagnostiseerd
Geen
Beperking Fysiek
Chronische ziekte
Psychische kwetsbaarheid
Niet
West-Europees / Angelsaksische landen
Andere geografische achtergrond
Migratieachtergrond
Geen
%
Beperking
(Veel) meer
66
77
76
69
80
70
78
70
74
75
Niet meer, niet minder
33
23
23
31
20
29
21
30
26
23
(Veel) minder
0
0
1
0
1
0
1
0
0
2
57
7.2. (LOKAAL) BELEID Wat blijkt uit de cijfers? Er zijn verschillende gemeentes in Gelderland en Overijssel met lhbtiqa+ beleid of breed inclusiebeleid waarin lhbtiqa+ personen expliciet worden benoemd. Bij andere gemeentes is dit niet het geval. We vroegen respondenten om te reflecteren op een aantal stellingen die te maken hebben met lokaal beleid. De resultaten hiervan staan in Tabel 7.4. Opvallend is dat de meerderheid van niet-cisgender personen vindt dat de gemeente niet voldoende doet voor de acceptatie van genderdiversiteit. Dit is 56% voor transpersonen en 65% voor non-binaire personen. Dat lokaal beleid van belang is voor lhbtiqa+ personen is duidelijk. Tussen de 80% en 90% van lhbtiqa+ personen uit Gelderland en Overijssel vindt het belangrijk dat er naast landelijk ook lokaal beleid is om lhbtiqa+ discriminatie aan te pakken. Wanneer er sprake is van discriminatie, zien we dat ongeveer 2 op de 3 personen niet goed weten waar ze terecht kunnen om geholpen te worden of een melding te maken. Meer dan 80% van alle lhbtiqa+ respondenten geeft aan dat ze het belangrijk vinden dat er een onafhankelijk meldpunt is voor discriminatie buiten de politie.
Welzijnsmonitor LHBTIQA+ 2025 Gelderland en Overijssel
Tabel 7.4 Stellingen over het lhbtiqa+ beleid van de gemeente
Bi+
Aseksueel
32
43
30
35
42
30
-
-
-
Ik vind dat de gemeente genoeg doet voor acceptatie van genderdiversiteit. % (helemaal) oneens
43
50
-
-
-
-
39
56
65
Ik vind dat naast landelijk beleid, lokaal beleid belangrijk is voor de aanpak van lhbtiqa+discriminatie. % (helemaal) eens
86
82
83
85
87
90
84
89