CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente RhedenBij agendapunt: Samenwerkingsovereenkomst Aanpak Veluwe53.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

beperkt bleef. Dit vroeg om intensief onderhoud van de watergangen en functioneerde bij een gematigd klimaat waarin gedurende het groeiseizoen doorgaans voldoende neerslag viel. Het veranderende klimaat laat echter zien dat dit systeem niet langer robuust is. In droge zomers blijft neerslag steeds vaker uit, waardoor diepe ontwatering leidt tot structurele verdroging, met negatieve gevolgen voor zowel landbouw als natuur. Tegelijkertijd neemt de intensiteit van neerslagpieken toe; wanneer regen valt, komt dit vaker in korte, hevige buien. In de smalle en diep geschoonde watergangen ontstaan hierdoor hoge stroomsnelheden en piekafvoeren, wat leidt tot erosie, risico’s op lokale wateroverlast en een gebrek aan buffering in het systeem. Om zowel verdroging als wateroverlast tegen te gaan is een fundamentele aanpassing van het oppervlaktewatersysteem nodig. Dit sluit aan bij de doelstellingen voor beekdalherstel en hydrologisch herstel binnen de Aanpak Veluwe.

Concreet betekent dit: • Verondiepen van watergangen om de ontwatering te matigen en de grondwaterstand in droge perioden beter op peil te houden; • Verflauwen van taluds (boven de waterlijn) zodat er ruimte ontstaat voor natuurlijke vegetatieontwikkeling, vergroting van de ecologische draagkracht en remming van stroomsnelheden; • Meer ruimte voor natuurlijke processen, zoals meandering en oeverontwikkeling, zodat waterkwaliteit, biodiversiteit en hydrologisch functioneren verbeteren. Deze maatregelen maken het watersysteem toekomstbestendig, verminderen de kwetsbaarheid voor klimaatverandering en dragen direct bij aan de opgaven voor KRW-doelen, natuurherstel, basiskwaliteit natuur en robuust systeemherstel op en rond de Veluwe. Kaderrichtlijn Water en de Aanpak Veluwe Om te voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) is herstel van de waterkwaliteit van zowel grondwater als oppervlaktewater essentieel, in samenhang met hydrologisch systeemherstel. Deze opgave en de maatregelen die hieruit voortkomen vallen deels samen met het gewenste robuuste systeemherstel in het kader van de Aanpak Veluwe. In grote delen van het gebied van de Aanpak Veluwe zijn de concentraties nutriënten (stikstof en fosfaat) in de beeksystemen nog te hoog voor een duurzaam functioneren. Dit leidt tot verminderde ecologische kwaliteit, verruiging en afname van karakteristieke soorten.

Daarnaast zijn de verbindingen voor migrerende vis- en macrofaunasoorten nog onvoldoende op orde door fysieke barrières, knelpunten in waterkwaliteit en een te uniforme inrichting van watergangen. Herstel van de waterkwaliteit vraagt om een samenhangend pakket aan maatregelen gericht op het terugdringen van belasting van nutriënten- en gewasbeschermingsmiddelen, het verbeteren van natuurlijke zuiveringsprocessen, het herstellen van verbindingen en het creëren van meer gevarieerde, ecologisch functionele waterlopen. Deze maatregelen zijn onlosmakelijk verbonden met het hydrologisch systeemherstel en vormen samen de basis om te voldoen aan de KRWdoelen én de natuurdoelen van de Aanpak Veluwe. Dit vraagt om een aanpak in zowel hoofdbeken, zijbeken en bovenloop. Dus een aanpak op stroomgebiedsniveau. 5. Groenblauwe verbindingen en dooradering In de recente beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Landgoederen Brummen en Binnenveld is opgenomen dat er (deels) nieuwe verbindingen nodig zijn met omliggende natuurgebieden om de gestelde natuurdoelen te halen. In het Beheerplan Natura 2000 Veluwe is deze maatregel nog niet opgenomen, maar wel is deze aanvullend geadviseerd in de natuurdoelanalyse Veluwe en het advies van de Ecologische Autoriteit. In de Aanpak Veluwe werken we deze maatregelen daarom verder uit en zorgen daarmee voor borging.

We bekijken voor elk Natura 2000-gebied waar en hoe een landschaps- of beekverbinding bij kan dragen aan het herstel van de natuurtypen en doelsoorten van het gebied. Daarvoor wordt naar verschillende mogelijke zones gekeken en naar verschillende inrichtingen van die zone. De bestaande droge en natte ecologische verbindingszones rond de Veluwe en bij Landgoederen Brummen en het Binnenveld - die in het verleden al voor bepaalde algemene doelsoorten zijn aangewezen – kunnen we ook (deels) benutten voor de Natura 2000-doelsoorten. Op beperkte schaal zijn ook nieuwe verbindingslocaties in het landelijk gebied nodig. De concrete uitwerking in maatregelen zal per zone en Natura 2000-gebied variëren.

67

De verwachting is dat er een beperkt aandeel omvorming naar natuurgrond nodig is en dat voor de meeste doelsoorten maatregelen zoals aanpassing in landgebruik (extensivering), het versterken van groenblauwe dooradering of de aanleg van kleine bospercelen kan volstaan. Groenblauwe dooradering Groenblauwe dooradering (GBDA) zien we in het algemeen als een goede aanpak om de gewenste verbindingen tussen kleine en grote natuurgebieden en natte elementen te realiseren en om meer leefruimte te bieden aan doelsoorten in het landelijk gebied. Het gaat hierbij o.a. om aanleg van houtwallen, bosjes, struwelen, heggen, oeverzones langs beken en sloten en aanleg van poelen. Voldoende groenblauwe dooradering draagt bij aan de natuurkwaliteit van het landelijk gebied en verzacht de overgang van natuurgebied naar het agrarisch buitengebied. De nulmeting van GBDA in Gelderland uit 2023 laat zien wat de huidige omvang van de GBDA in het Veluwegebied is (7,8%) echter deze geeft niet de kwaliteit van de bestaande dooradering aan. Behalve naar uitbreiding (tot 10%) willen we ook werken aan de kwaliteit van de bestaande landschapselementen in het Veluwegebied. Binnen de Aanpak Veluwe zetten we het uitbreiden en verbeteren van de GBDA met voorrang in op locaties waar we de verbindingen tussen natuurgebieden willen versterken en/of we het agrarisch gebruik willen extensiveren.

In veel gevallen komen deze locaties samen in de beekdalen. 6. Basiskwaliteit Natuur en natuurinclusieve landbouw in het landelijk gebied In het landelijk gebied en in de dorpen rondom de natuurgebieden werken we aan de Basiskwaliteit Natuur en uitbreiding van het areaal natuurinclusieve landbouw. Zowel de Basiskwaliteit Natuur als de uitbreiding van het areaal natuurinclusieve landbouw zetten we in als middel om de wettelijke doelen vanuit Natura 2000, Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natuurherstelverordening (NHV) te realiseren. Basiskwaliteit Natuur In 2021 introduceerde de Vogelbescherming het concept Basiskwaliteit Natuur (BKN). Dit begrip is overgenomen door het Ministerie van LVVN en de provincies en gedefinieerd als de set van condities die algemene soorten algemeen laat blijven of laat worden en is primair gericht op landelijk en bebouwd gebied buiten natuurgebieden. 74 Door te werken aan basiskwaliteit natuur (BKN) worden het landschap en de biodiversiteit versterkt rondom de Natura 2000-gebieden, wat zorgt voor een gezonde, klimaatadaptieve en een herkenbare leefomgeving. Bovendien is het verbeteren van basiscondities buiten natuurgebieden nodig om de wettelijke natuurdoelen waar de Aanpak Veluwe zich op richt te kunnen halen: de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), EU natuurherstelverordening (NHV) en Kaderrichtlijn water (KRW).

Als de basiscondities in het landelijk en bebouwd gebied in orde zijn, zorgt dat voor vermindering van drukfactoren op de natuurgebieden en zorgt dit dat verplichtingen voor de ecosystemen, bestuivers, boerenlandvogels, stedelijk gebied en landbouw, zoals benoemd in de NHV, gehaald kunnen worden. Daarnaast wordt gewerkt aan de doelen van de KRW door ook in de haarvaten de waterkwaliteit en bodems te verbeteren. BKN in landelijk en stedelijk gebied Het koppelen van de natuuropgave van de BKN aan andere ruimtevragers zorgt ervoor dat het landschap versterkt kan worden. Dit betekent dat de opgave ook een plek moet krijgen op publieke gronden en in de bebouwde omgeving in diverse projecten, zoals bij infrastructuurprojecten, energie-infraprojecten, woningbouw, uitbreiding van defensieterreinen, klimaatadaptatie etc. Enkele voorbeelden hiervan zijn natuurpositief bouwen van nieuwe woningen, aanleg van bufferzones langs wateren, aanleg van natuurvriendelijke oevers en ecologisch bermbeheer. Bij de uitwerking van deze maatregelen spelen gemeenten en waterschappen een grote rol. BKN met draagvlak in het gebied Er wordt een gedegen proces opgezet onder de Aanpak Veluwe om de basiskwaliteit natuur in 2035 in orde te brengen, waarbij de precieze uitwerking per deelgebied plaatsvindt.

Dit zorgt voor een door het gebied gedragen aanpak die aansluit bij de specifieke knelpunten, kansen en opgaves per deelgebied. Daarbij wordt van grof naar fijn gewerkt: van landelijke schaal (bijvoorbeeld de landelijke advieswaarden BKN), via een regionale schaal (bijvoorbeeld Regio Foodvalley), via gebiedsprocessen (bijvoorbeeld Binnenveld) naar projecten (bijvoorbeeld implementatie ecologisch bermbeheer). Bij de verdere uitwerking van BKN binnen de Aanpak Veluwe willen we concreet het verband leggen met noodzakelijke maatregelen voor Natura 2000-gebieden die buiten de begrenzing van de natuurgebieden nodig zijn.

74 Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/02/28/kennisdocument-basiskwaliteit-natuur

68

Natuurinclusieve landbouw Uit de opgaven voor de Natura 2000-gebieden, KRW en NHV volgt dat we zowel binnen de Natura 2000-gebieden als in het landelijk gebied er omheen het areaal natuurinclusieve landbouw willen uitbreiden. Natuurinclusieve landbouw gebruiken we hier als een verzamelnaam voor subsidie- en compensatie-instrumenten waarmee de natuurkwaliteit van landbouwgrond wordt vergroot en/of de negatieve effecten van landbouwactiviteiten (nutriënten-input, gewasbeschermingsmiddelen en/of lokale grondwaterintrekking) worden beperkt met behoud van landbouwkundige functie. Om grondeigenaren rondom de natuur en in beekdalen effectief te ondersteunen bij het realiseren van onze opgaven, werken we uit welk instrumentarium doelmatig is voor realisatie van onze opgaven en welke financiering hiervoor nodig is. Het gaat hierbij zowel om eenmalige financiering (af- en herwaardering van grond en inrichtingssubsidie) als om meerjarige financiering. Wat nodig is, is een langjarig geborgd instrumentarium voor agrarisch natuurbeheer wat ingrijpt op de gebiedspecifieke natuur- en waterknelpunten van de omliggende natuurgebieden en beekdalen.

Dit stelt agrarische ondernemers in staat om aan de natuur- en waterdoelen bij te dragen en waar noodzakelijk zich aan te passen aan een veranderde (hydrologische) inrichting van het landschap én aan de emissienormen uit het beleid voor stikstofreductiegebieden. Agrarische gronden Natura 2000-gebied Veluwe Met name in het Natura 2000-gebied Veluwe liggen verscheidene grote en kleinere landbouwenclaves (zowel binnen als buiten de Natura 2000-begrenzing), waarvoor gradaties van natuurinclusieve landbouw kan bijdragen aan de gestelde natuurdoelen. We onderzoeken voor deze gronden welke aanpassing in gebruik gewenst is. Een aantal van deze locaties zijn vanuit het herstelprogramma Heiden en Stuifzanden al aangewezen (zie paragraaf 6.4.4) omdat op deze locaties meer extensief gebruik of omvorming noodzakelijk wordt gezien voor het realiseren van de Natura 2000-doelen. Het gaat om historisch in gebruik zijnde akkerlocaties en locaties direct grenzend aan heiden. Inzet agrarisch natuur- en landschapsbeheer Het bestaande stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) biedt al diverse vormen van subsidie voor lichtere en zwaardere pakketten van agrarische natuurmaatregelen en wordt op een groot aantal landgoederen, particuliere en landbouwpercelen toegepast, in termijnen van 6 jaar. Recent zijn hier extra rijksmiddelen voor beschikbaar.

Voor heel Gelderland gaat het om 7 mln. per jaar voor het afsluiten van nieuwe beheercontracten voor 3 jaar. Deze uitbreiding gaat uit van het bestaand beleid (doelen). Daarnaast komt er t/m 2030 extra budget om in te zetten in specifieke (prioritaire) gebieden, te weten: • Kerngebieden voor de grutto; • Zones in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Naast deze prioritaire gebieden blijft de inzet van ANLb van kracht voor akker- en struweelvogels, overige boerenlandvogels, bestuivers en graslandvlinders en het vergroten van het areaal groenblauwe dooradering. Het is aan provincies om de nieuwe prioritaire gebieden voor het ANLb aan te wijzen. Voor de Aanpak Veluwe willen we o.a. zones rond de Veluwe, Binnenveld en Landgoederen Brummen aanwijzen, evenals de beekdalen met KRW- en Natura 2000-opgaven. Met deze inzet kan het ANLb bijdragen aan het gewenste natuur- en watersysteemherstel. Beleid agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) Met agrarisch natuur- en landschapsbeheer dragen agrarische ondernemers, landgoederen en particulieren in het landelijk gebied bij aan verbeteren van natuurkwaliteiten. Het ANLb beleid is in 2016 gestart met financiering vanuit de EU en het Rijk. Er zijn doelen bepaald t.a.v.

de instandhouding en/of verbetering van een aantal soorten of soortengroepen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) in landelijk gebied, aangevuld met provinciale soorten en bijdragen aan de versterking van de Gelderse natuurgebieden en kwaliteit van het landschap, watersysteem en bodem. De uitvoering (afsluiten beheercontracten) wordt voor de Veluwe gedaan door het Collectief Veluwe in opdracht van provincie Gelderland en Waterschap Vallei en Veluwe. Daarnaast voert ook het Kroondomein agrarisch natuurbeheer uit op eigen gronden. De uitvoering van het ANLb gaat in perioden van 6 jaar en sluit aan bij het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie, dat de basis is voor een deel van de financiering. De huidige beheerperiode loopt van 2023 t/m 2028.

69

Vervolgstappen In 2026 worden de volgende vervolgstappen gezet, samen met natuurorganisaties, terreinbeheerders en overige terreineigenaren: • Uitvoering en waar mogelijk versnelling van geplande herstelmaatregelen binnen de Natura 2000-gebieden Veluwe, Binnenveld en Landgoederen Brummen; • Uitwerken en start uitvoering aanvullende bodemherstelmaatregelen binnen Natura 2000-gebied Veluwe; • Bepalen omvang en ligging van (agrarische) percelen voor mogelijke extensivering van gebruik, zowel binnen als rond Natura 2000-gebied Veluwe; • Vaststellen deelgebieden met natte flanken op en rond Natura 2000-gebied Veluwe waar geplande maatregelen en mogelijke aanvullende maatregelen in samenhang worden uitgewerkt en uitgevoerd, bijvoorbeeld voor de beken aan de Noordoost flank; • Uitwerken stappenplan voor de maatregelen in de beeksystemen buiten de Natura 2000-gebieden, zoals al voor de Barneveldse beek is gedaan; • Uitwerken van groenblauwe verbindingen en dooradering rondom de Natura 2000-gebieden Veluwe, Binnenveld en LG Brummen; • Vaststellen deelgebieden voor het uitwerken van concrete doelen en maatregelen ten behoeve van de Basiskwaliteit Natuur; • Inzetten van het ANLb-instrument in zones rond de Natura 2000-gebieden en in de beekdalen (agrarisch natuurbeheer); • Uitwerken (aanvullend / nieuw) instrumentarium en financiering voor eenmalige aanpassing van grondgebruik en

meerjarig agrarisch natuurbeheer; • Uitvoeren monitoringsaanpak voor meten van natuurkwaliteiten en effecten van maatregelen op natuurherstel en robuust systeemherstel; • Op basis van monitoring en wanneer het nodig is, het Natura 2000-beheerplan De Veluwe aanscherpen.

70

5

Wat vragen we van de overige sectoren?

Hoewel de landbouw in voorgaande hoofdstukken de focus kreeg, is dat niet het volledige beeld: ook industrie, bedrijven, mobiliteit en maatschappelijke instellingen leveren een substantiële bijdrage aan de stikstofuitstoot. Waar bij de landbouw de stikstofuitstoot vooral in de vorm van ammoniak, NH3 betreft, stoten de overige sectoren vooral stikstofoxiden, NOx, uit. NOx komt vooral vrij bij verbranding. Het doel is dat de gezamenlijke inzet leidt tot de noodzakelijke emissiereductie, met voorspelbaarheid voor vergunningen en ruimte voor maatschappelijke en economische ontwikkeling. De maatregelen voor de overige sectoren worden op dit moment geconcretiseerd en verder uitgewerkt. De maatregelen zoals hieronder beschreven zijn suggesties en ideeën die mogelijk ingevoerd kunnen worden in de Aanpak Veluwe. Het vertrekpunt voor de maatregelen is het beleid voor stikstofreductiegebieden van de provincie Gelderland. Deze maatregelen worden verder onderzocht in 2026 aan de hand van economische impact analyses en haalbaarheidsanalyses (inclusief netcongestie als randvoorwaarde). Waar het bij de landbouw over het buitengebied gaat bevinden NOx bronnen zich vaak in stedelijk gebied. De regels zouden dus ook daar gaan gelden. Omdat de Aanpak Veluwe verder vooral gaat over het landelijk gebied moet overwogen worden over hier een extra communicatie of participatie stap voor nodig is.

Over uitgewerkte maatregelen wordt later binnen het interbestuurlijk overleg van Aanpak Veluwe besloten. Doelstelling NOx Voor ammoniak (NH₃) is de afstand tot het Natura 2000-gebied een bepalende factor en verschillen de normen binnen en buiten het stikstofreductiegebied. Voor NOx, zeker afkomstig uit hoge schoorstenen, reiken de effecten veel verder. Het is daarom logisch om voor NOx in de basis even strenge normen buiten de stroken te hanteren als binnen het stikstofreductiegebied. Het uitgangspunt van de provincie Gelderland blijft daarbij dat regels buiten het stikstofreductiegebied nooit strenger zijn dan binnen het stikstofreductiegebied, maar wél gelijkwaardig kunnen zijn. In dit hoofdstuk is uitgewerkt wat dit concreet zou betekenen, te beginnen met industrie, bedrijven en maatschappelijke instellingen (zie paragraaf 5.1) en vervolgens de mobiliteitssector. De provincie Gelderland heeft voor het stikstofreductiegebied al regels uitgewerkt voor de overige sectoren. Het is dus een optie om die regels, eventueel met aanpassingen, over te nemen. Dit scheelt veel ambtelijke inzet. De provincie Gelderland heeft hier al veel ontwikkelingstijd in gestoken inclusief participatie. De regels zullen, waar nodig, aangepast worden aan de specifieke omstandigheden van het werkingsgebied van de Aanpak Veluwe en de economische impact analyses.

In de systematiek van het strokenbeleid wordt er niet vanuit een plafond teruggerekend naar opgaven per bedrijf of sector. Er worden normen en regels opgelegd die complementair zijn aan de regels vanuit het Rijk. Daarmee wordt een extra daling bovenop de 50% in 2035 t.o.v. 2019 bewerkstelligd zoals genoemd in paragraaf 2.2. Op dit moment kunnen is er helaas nog geen inschatting maken van de extra daling die de regels zouden opleveren. Uiteindelijk is het de bedoeling dat dezelfde uitvoeringsgovernance, zoals beschreven in hoofdstuk 3, ook stuurt op de doelen en maatregelen voor de overige sectoren zoals hieronder benoemd. In het geval van normeringen is dat geen probleem. Alleen voor mobiliteit is er gekozen om niet met normeringen te werken maar met een verbodsbepaling, een maximumsnelheid. Wat vragen we van de andere ministeries Aanpak Veluwe is een interbestuurlijke aanpak waarin we werken vanuit één overheid. Omdat we alle sectoren gaan vragen om bij te dragen aan de emissiereductie komen er meer ministeries dan alleen LVVN in beeld. Dit vraagt in de nadere uitwerking afstemming met de ministeries van EZK, IenW en JenV.

5.1

Industrie, bedrijven en maatschappelijke instellingen

Industrie Wanneer het Rijk naar industrie refereert, in relatie tot NOx en CO2 uitstoot, bedoelt het de basisindustrie. De basisindustrie maakt uitgangsmaterialen zoals papier, bakstenen, olie, chemie en staal. Binnen de Aanpak Veluwe worden geen regels toegevoegd specifiek voor de basisindustrie. De regels die binnen Aanpak Veluwe worden onderzocht zijn voor stookinstallaties met een opgeteld vermogen van minstens 400 kW, ongeacht de aard van het bedrijf en dus ook voor bedrijven die geen basisindustrie zijn. Voor sommige bedrijven uit de basisindustrie geldt dat er vanuit andere sporen al beleid is voor verduurzaming en (stikstof)emissiereductie. 71

De problemen met vergunningverlening voor het uitstoten van stikstof hindert de industrie, bedrijven en maatschappelijke instellingen. Maatregelen om de stikstofemissie te reduceren zijn dus hard nodig voor deze sectoren, net zoals natuurherstelmaatregelen en maatregelen in het kader van de KRW-doelen. Het is dus ook in het belang van deze sectoren om een bijdrage te leveren aan stikstofemissiereductie. Piekbelasters Vanuit het Rijk is er een Aanpak Industriële Piekbelasters. Hierover werken Rijk en provincie zoveel mogelijk samen door het delen van informatie en belangen, waardoor de effectiviteit groter wordt. Daarnaast werkt de provincie aan een eigen aanpak niet-agrarische ondernemingen met piekbelasting. Die aanpak gaat over heel Gelderland en zal (grotendeels) complementair zijn aan de Aanpak Industriële Piekbelasters van het Rijk. De doelen van de provinciale aanpak nietagrarische ondernemingen met piekbelasting komen overeen met die van de Aanpak Veluwe, het verlagen van de emissie en depositie van stikstof. Ook als het gaat over piekbelasters zijn er verschillen in definities en onderbouwing tussen Rijk en provincie. Bij het Rijk is er een Aanpak Industriële Piekbelasters. Die gaat alleen over piekbelasters in de categorie basisindustrie. Bij de provincie gaat het over alle piekbelasters die geen agrarisch bedrijf zijn, niet-agrarische ondernemingen met piekbelasting.

Naast dit verschil in definitie wordt de emissie van de bedrijven ook op een andere manier bepaald. Het Rijk gaat uit van de cijfers van het RIVM die gebaseerd zijn op EMJV (Elektrisch Meer Jaren Verslag). Alle bedrijven in de basisindustrie zijn verplicht een EMJV in te vullen. Het invullen van een EMJV is niet voor alle niet-agrarische piekbelasters verplicht. De provincie baseert zich op de aanwezige vergunningen van de bedrijven, zowel van de (niet-agrarische) bedrijven die als piekbelaster staan aangemerkt als de anderen. Daardoor verschillen de lijsten met piekbelasters van het Rijk en de provincie van elkaar. Ondanks dezelfde naam liggen er andere definities en methoden aan ten grondslag. In het algemene taalgebruik verwijst de term piekbelasters naar de lijst van het RIVM van het Rijk. De rapporten van Remkes verwijzen naar die lijst als er gesproken wordt over piekbelasters. De provinciale lijst die ook wordt gebruikt binnen het werkgebied van Aanpak Veluwe is daarmee complementair aan de landelijke lijst: waar het Rijk zich op een klein aantal bedrijven in de basisindustrie richt, omvat de provinciale aanpak een bredere groep. De provinciale maatregelen zijn zodanig ontworpen dat ze naast de landelijke Aanpak Industriële Piekbelasters kunnen bestaan en zodoende kunnen ze ook toegepast worden binnen het gehele werkgebied van Aanpak Veluwe.

De provinciale aanpak piekbelasters die in ontwikkeling is, gaat over meer en andere bedrijven dan de landelijke Aanpak Industriële Piekbelasters. Daar zijn dus op voorhand geen problemen te verwachten. De gelegde contacten worden gebruikt om tijdens de ontwikkeling van provinciaal beleid het Rijk te betrekken. De maatregelen die worden onderzocht zijn grotendeels complementair aan de aanpak van het Rijk om de stikstofemissie vanuit de industrie te beperken. De mogelijke effecten zullen dus optellen bij de reductie van 50% zoals waar vanuit gegaan wordt in paragraaf 2.2. Doelen De reductiedoelen van de aanpak zullen volgen uit het reductiepotentieel, wat is haalbaar volgens de huidige stand der techniek en wat binnen redelijke economische grenzen mogelijk is. De economische grenzen worden daarbij opgezocht en, indien nodig, verschoven door flankerend beleid. Hiervoor worden botsproeven uitgevoerd door de provincie in het kader van het stikstofreductiegebied. De uitslagen daarvan worden begin juni verwacht. Maar door de verschillen in schaal en kenmerken tussen het stikstofreductiegebied en het werkingsgebied van de Aanpak Veluwe zal het nodig zijn om een eigen analyse te maken.

Stookketels: Doel(bereik) maatregelen De nieuwe norm voor maximale N-emissie per m3 rookgas, 40 mg/Nm3, zorgt voor een reductie van 20% per bedrijf met een opgeteld vermogen van meer dan 400 kW in 2035 t.o.v. de autonome ontwikkeling. Opgeteld vermogen betekent dat het bijvoorbeeld ook voor vakantieparken kan gelden als alle losse Cv-ketels in de huisjes optellen tot 400 kW. Het zorgt ervoor dat bedrijven de regels niet kunnen ontlopen door met meerdere installaties van onder de 400 KW te gaan werken. Aanpak De eisen zijn gebaseerd op wat technisch haalbaar is. Dit is gebaseerd op metingen aan stookinstallaties, registraties uit SCIOS, gesprekken met fabrikanten en de participatie in het kader van het provinciale strokenbeleid. Tijdens de participatie in het kader van de stikstofreductiegebieden zijn er uitgebreide gesprekken geweest met, vertegenwoordigers, van de sector. 72

Naar aanleiding daarvan zijn de regels aangepast. De norm is iets verhoogt en de termijn waarop de regels gaan gelden is verlengd waardoor deze beter aansluit bij de bedrijfsvoering en investeringscyclus. De systematiek sluit aan bij regels voor milieubelastende activiteiten in het Besluit activiteit en leefomgeving (Bal). Maatregelen Aanpak Veluwe stelt voor om een aanscherping van emissienormen in te voeren voor de volgende categorieën installaties, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het Bal en de bestaande systematiek van vergunningverlening en toezicht (o.a. via SCIOS): Aardgasgestookte (collectieve) ketelinstallaties, gasmotoren, biomassa-gestookte installaties (niet-IPPC), overige brandstoffen en overige stookinstallaties (niet-IPPC) en IPPC. Alle bedrijven zouden daar dan per 1 januari 2035 aan moeten voldoen. Hieronder de maatregelen die verder worden onderzocht, waarbij het belangrijk is dat dit pakket maatregelen één geheel vormt. Eén maatregel niet overnemen leidt tot mazen in de wet. Bedrijven zouden dan reductie kunnen omzeilen. Aanscherping emissienormen Verlaging van de huidige norm van 70 mg/Nm3 naar 40 mg/Nm3 voor gasgestookte stookinstallaties met een opgeteld vermogen van minstens 400kW. Vermindering gasverbruik Het verplichten van bedrijven om het gasverbruik met 35% te verminderen ten opzichte van 2019. De uitstoot van NOx daalt dan ook met 35%.

Deze regel voorkomt dat bedrijven de ruimte die in hun vergunning krijgen door te voldoen aan de bovenstaande emissienorm simpelweg meer gas gaan gebruiken en dus netto geen reductie realiseren. Geen nieuwe stookinstallaties Het verbieden van het plaatsen van nieuwe, extra, stookinstallaties in het werkgebied van de Aanpak Veluwe. Nieuwe maatschappelijke en bedrijfsactiviteiten zijn welkom, zolang deze geen stikstofuitstoot met zich brengen. Het vervangen van bestaande stookinstallaties zal wel mogelijk blijven. Schoonste technieken verplichten (BBT+) Het meteen door laten werken van bestaande regels voor best beschikbare technieken (BBT) in de referentiesituatie. Dit voorkomt latente ruimte. Daardoor zal de emissie van NOx automatisch dalen en kunnen bedrijven niet uitbreiden na het reduceren van hun emissie door de verplichte BBT binnen de bestaande vergunning. Vanuit onder meer het Schone Lucht Akkoord geldt de verplichting om de best beschikbare techniek toe te passen voor o.a. verbrandingsinstallaties en te voldoen aan de onderkant van de BBT GEN-range wanneer het een IPPC- installatie betreft. Kosten Op dit moment kan nog geen inschatting van de kosten worden gemaakt. Bij implementatie zullen kosten voortkomen uit nadeelcompensatie, als er sprake van recht daarop zou zijn, subsidies of ander flankerend beleid.

BBT is een combinatie van wat technisch én economisch haalbaar is. De te stellen eisen zitten op de grens van wat economisch haalbaar geacht kan worden. Vaak zijn branders of stookketels met een lagere emissie van NOx niet of nauwelijks duurder. Branders hebben een (economische) levensduur van ongeveer 5 jaar, stookketels van 15 jaar. Door de mogelijke verplichting in 2035 in te laten gaan wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de normale investeringscyclus en afschrijvingstermijnen. De regels zijn al aangepast, versoepeld, naar aanleiding van de participatie die voor het beleid voor strokenreductiegebieden heeft plaatsgevonden. Begin juni zullen de uitkomsten van botsproeven die gedaan worden in het kader van het stikstofreductiegebieden bekend worden en meer inzicht geven. Maar door de verschillen in schaal en kenmerken tussen het stikstofreductiegebied en het werkingsgebied van de Aanpak Veluwe zal het nodig zijn om een eigen analyse te maken. De kosten zullen afhangen van het aantal bedrijven waarop de regels van toepassing zullen zijn en in hoeverre financiële steun vanuit de Aanpak Veluwe nodig wordt geacht. Onze inschatting nu is dat de kosten vrij laag zullen zijn omdat door de verplichting in te laten gaan in 2035 er vaak kan worden aangesloten bij de investeringscyclus.

Het subsidiëren van wettelijke verplichtingen is mogelijk omdat er strengere eisen gesteld zouden worden dan de nationale of Europese wetgeving. Daardoor is er geen sprake van staatssteun. Gezien het aantal bedrijven dat geraakt zou worden zou de gevraagde capaciteit voor zaakbegeleiding of uitvoeringsorganisatie groot kunnen zijn.

73

Handhaafbaarheid Om de regels rondom stikstofemissies van stookinstallaties uit de Omgevingsverordening in het kader van de reductiegebieden en de Veluwe-aanpak goed te kunnen handhaven, is het belangrijk om vooraf een goed overzicht te hebben van de aanwezige installaties. Daarvoor gaan zouden afspraken gemaakt moeten worden met de Omgevingsdienst(en) dat tijdens reguliere bedrijfscontroles wordt geregistreerd welke ketel of stookinstallatie op een locatie aanwezig is. Door deze informatie structureel vast te leggen ontstaat in de loop van de tijd een actueel overzicht van welke installaties op een locatie aanwezig zijn, of installaties zijn vervangen en welke typen ketels in gebruik zijn. Als dan in 2035 de regel in werking treedt de regel, is direct zichtbaar op welke locaties nog aanpassingen nodig zijn. Hierdoor kan de handhaving gericht worden ingezet en kan prioritering plaatsvinden op basis van het bestaande overzicht. Dit vraagt geen extra capaciteit, maar wel goede afspraken met de omgevingsdienst.

5.2

Mobiliteit

Mobiliteit levert een grote bijdrage aan de emissie van NOx. In 2019 komt er vanuit de 21 gemeenten van de aanpak Veluwe ongeveer 54% van de emissie van NOx van het wegverkeer, en dat is daarmee de grootste bron van NOx. Het wegverkeer toont een grote autonome emissiedaling door de strenger wordende eisen aan motoren en de elektrificatie van voertuigen. Op basis van prognoses is de verwachting dat de emissie van NOx vanuit het wegverkeer in 2035 met ongeveer 72% gedaald is ten opzichte van 2019. Doelen De mogelijkheden om te sturen op het wegverkeer zijn beperkt. Wat gedaan kan worden is de autonome, door reeds vastgesteld beleid ingezette ontwikkeling, lokaal, versnellen. De bijdrage van de aanvullende maatregelen aan de emissieen depositiedaling neemt af in de tijd omdat het wegverkeer schoner wordt met de tijd. Maar, met een reductie van ongeveer 72% in 2035 t.o.v. 2019, is het de vraag of dwingend optreden wel evenwichtig en efficiënt is. Nader onderzoek zal hier meer inzicht in geven. Aanpak Particulier eigendom en vervoer is moeilijk of niet aan te pakken. Hiervoor is gezocht naar manieren waarop verplichtend gestuurd kan worden en wat grote bijdragers aan emissie zijn. Woon- werkverkeer is via de werkgever beperkt te sturen. Er wordt nog onderzocht hoeveel woon-werkverkeer bijdraagt aan de stikstofemissie van het gebied van de Aanpak Veluwe.

Maar het lijkt op voorhand weinig zinvol gezien de grote autonome daling dankzij reeds vastgesteld beleid van de emissies vanuit wegverkeer. Stimulerende maatregelen zijn wel te overwegen zoals meer ondernemers helpen bij hun mobiliteitsbeleid en het aanleggen van laadinfrastructuur en fietspaden. Snelwegen zijn binnen de categorie mobiliteit een grote bron van emissies. mdat de emissies uit de uitlaten van auto’s laag bij de grond zijn en een lagere temperatuur hebben is de lokale depositie groter dan die van NOx uit hoge schoorstenen van grote fabrieken. Zeker als de wegen omgeven zijn door hoge begroeiing. Verlaging van de maximum snelheid is een mogelijkheid om op een geborgde manier de stikstofemissie te sturen. Vooral licht verkeer stoot naast NOx niet verwaarloosbare hoeveelheden NH3 uit. Niet elke snelheidsverlaging leidt tot een emissiereductie, van 80 naar 60 km/u op provinciale wegen levert een lichte stijging van stikstofemissie op, snelheidsverlaging van 120 naar 100 km/u levert wel een reductie van NOx op, maar ook een lichte stijging van NH3. Maatregel x ’ ‘ Het verlagen van de maximumsnelheid van 120 naar 100 km/u levert een emissiereductie van ca. 16% per gereden km op, als de handhaving streng is. ’s Avonds en ‘s nachts is er minder verkeer dan overdag. Hier moet rekening mee gehouden worden bij de berekening van de reductie.

mdat auto’s steeds schoner worden zal een snelle invoering een grotere bijdrage leveren dan een uitgestelde invoering. De invoering zou niet via de provinciale omgevingsverordening gaan. Het ministerie van IenW is het bevoegd gezag voor het vaststellen van de maximum snelheid op de snelwegen. Voor handhaving – inclusief het instellen van trajectcontroles - is het ministerie van JenV het bevoegde gezag. Strikte handhaving van de maximumsnelheid heeft, ook overdag, een extra reducerend effect op de emissies. Voor het stikstofreductiegebied is doorgerekend wat de effecten van verlaging van de maximumsnelheid (zonder strikte handhaving) tussen 19 en 6 uur op de verkeersstromen zijn (leidt de maatregel tot alternatieve routekeuzes), de emissie en ook de depositie. Als men een andere route neemt dichter langs stikstofgevoelige natuur kan de totale emissie dalen maar de depositie lokaal toenemen. De door IenW (op verzoek van de provincie) uitgevoerde verkenning laat zien dat het tussen 19 en 6 uur verlagen van de maximumsnelheid naar verwachting een beperkte invloed zal hebben op de verkeersstromen 74

in (en buiten) het stikstofreductiegebied. Verder blijkt uit de verkenning dat door deze verlaging van de maximumsnelheid: de totale NOx-emissie afneemt, de totale NH3-emissie toeneemt, er gemiddeld sprake is van een daling van de depositiebijdrage door het verkeer op de snelwegen, maar er lokaal sprake zal zijn van depositietoenames. Voor eventuele invoering in het grotere gebied van de aanpak Veluwe zullen nieuwe berekeningen gedaan moeten om de netwerkeffecten en invloed op emissie en depositie in beeld te brengen. De Oost-West verkeersstromen zouden bijvoorbeeld zich kunnen verleggen naar de A15, de A6 of N-wegen. Verlaging van de maximumsnelheid buiten het natuurgebied de Veluwe zullen waarschijnlijk een kleiner effect op de depositie hebben door de grotere afstand. Maar de A50 loopt parallel aan de Oostflank van de Veluwe en deels buiten het stikstofreductiegebied. Daar zou een snelheidsverlaging meer voor de hand liggen. Voor de andere snelwegen ligt overleg met de provincie Utrecht voor de hand. Het Natura-2000 natuurgebied Het Binnenveld en de Utrechtse Heuvelrug kunnen ook baat hebben bij een snelheidsverlaging. Echter, gezien de grote autonome emissiedaling van 72% door reeds vastgesteld beleid is het de vraag of het wel de moeite waard is om hier dwingende maatregelen voor snelwegen op te nemen.

Het voornoemde onderzoek zal uitwijzen hoe groot de bijdrage van een verlaging van de maximumsnelheid ‘avonds en ’s nachts zou zijn. We stellen voor een onderzoek te laten doen naar een snelheidsverlaging op de A50 ’s avonds en ‘s nachts op de stukken die nu buiten het stikstofreductiegebied vallen. Daarin zouden netwerkeffecten, emissie en depositie onderzocht moeten worden. De A50 loopt aan de oostflank van het natuurgebied de Veluwe bijna parallel en doorkruist soms wel en soms niet het stikstofreductiegebied. Door de stukken die er net buiten vallen ook een snelheidsverlaging op te leggen wordt optrekken en afremmen voorkomen. Een uitgebreidere analyse waarin een verlaging van de maximumsnelheid ’s avonds en ’s nachts op meer, delen, van snelwegen onderzocht wordt kan ook overwogen worden. Kosten De kosten van een eventuele snelheidsverlaging zullen uitgezocht moeten worden. Borden en hectometer paaltjes zullen moeten worden vervangen en aanpassingen in software gemaakt worden. In 2020 werden de kosten voor de verlaging van de maximumsnelheid overdag naar 100 km/u voor heel Nederland geschat op € 7 – 19 mln. Verder is er extra inzet op handhaving, van tijdelijke mobiele flitsers tot aan trajectcontrole, nodig en dat brengt ook kosten met zich mee. Er zal geen sprake zijn van subsidies of nadeelcompensatie.

Handhaafbaarheid Handhaving valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van JenV. Strikte handhaving maakt een snelheidsverlaging ’s nacht vele malen effectiever. Sterker nog, een strikte handhaving overdag zorgt ook voor een vermindering van stikstofemissie zonder dat de maximumsnelheid aangepast hoeft te worden.

5.3

Mobiele werktuigen

In alle sectoren worden mobiele werktuigen gebruikt. Gezamenlijk zijn ze in 2019 verantwoordelijk voor 12% van de emissie van NOx. De regel voor mobiele werktuigen is een aparte, en sector overstijgende, regel. Doelen De routekaart voor Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) heeft als ambitie een reductie van 60% voor de bouwsector in 2030 t.o.v. 2018. SEB is alleen gericht op de bouwsector. De systematiek van SEB kan gebruikt worden om juist aan andere sectoren eisen op te leggen. Er moet nog uitgewerkt worden hoe deze regels precies doorwerken in reductiepercentages voor mobiele werktuigen in de andere sectoren. Aanpak Deze aanpak was tot nu toe primair gericht op de bouwsector. Door de aanpak te baseren op de systematiek uit het convenant SEB is er het vertrouwen dat de eisen realistisch en haalbaar zijn. Waar nodig zullen bedrijven ondersteund worden. De aanpak is ontwikkeld voor de bouwsector maar wij stellen voor om deze systematiek toe te passen op alle mobiele werktuigen die bedrijfsmatig in gebruik zijn, behalve in de landbouwsector. Omdat er voor de woningbouw al regels zijn worden daar geen extra regels opgelegd. Daarmee is de reductie van emissie complementair aan de autonome ontwikkeling vanuit reeds vastgesteld beleid want daar is het SEB al in opgenomen. De daling van emissies vanuit mobiele werktuigen is grotendeels het gevolg van regels vanuit het Rijk en de EU.

75

Maatregel Toepassing routekaart SEB Voortbouwend op de SEB routekaart zou Aanpak Veluwe op kunnen leggen dat vanaf 1 januari 2030 de eisen op het minimumniveau voor periode 4, bedoeld in paragraaf 3.6 en tabel 8 van de Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, in acht genomen wordt. Omdat we als overheden het goede voorbeeld willen geven, en de markt een duw in de goede richting willen geven, zou vanaf 1 januari 2028 bij een publieke opdrachtgever de eisen op tenminste het basisniveau voor periode 3, bedoeld in paragraaf 3.6 en tabel 9 van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, in acht worden genomen. Vanaf 1 januari 2030 gelden dan de eisen op het ambitieuze niveau voor periode 4, bedoeld in paragraaf 3.6 en de tabellen 10 en 12 van de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen, voor publiek opdrachtgevers. Deze regels zouden gelden voor alle overheden, ook die niet het SEB convenant ondertekend hebben. Waar in het SEB het alleen gaat om mobiele werktuigen voor bouw-, onderhouds- en sloopwerkzaamheden zullen voor de Aanpak Veluwe deze regels ook gelden voor werktuigen die ingezet worden bij andere werkzaamheden, zoals groen- en (vaar)wegonderhoud of het schonen van sloten. Kosten Voor de bouwsector heeft het Rijk al middelen beschikbaar, € 1 mld. voor heel Nederland tot 2030.

Dit is beschikbaar via de volgende regelingen: • Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel (SSEB); • Ondersteuningsprogramma (OP); • Kennis opschaling praktijk (KOP, via TSL Connekt); • Subsidie private laandinfrastructuur (SPriLa); • Aanschafsubsidieregeling Zero-Emissie Trucks (AanZET, niet betaald uit SEB geld); • Subsidieregeling Verduurzaming Binnenvaartschepen (SRVB, niet betaald uit SEB geld); en • Milieu-investeringsaftrek (MIA, niet betaald uit SEB geld). Verder ondersteunt de Rijksoverheid Provincies, Gemeenten en Waterschappen bij de uitvoering van het SEB convenant voor de bouwsector. De ondersteuning wordt opgedeeld in twee pijlers. Binnen de eerste pijler wordt ondersteuning georganiseerd voor het doorvoeren van de afspraken uit het convenant in de organisatie. Het gaat hier bijvoorbeeld om ondersteuning in de vorm van externe expertise voor zaken als organisatie en begeleiding van de implementatie, handreikingen, het delen van kennis en andere tools. In de tweede pijler wordt ondersteuning geboden bij de uitvoering van concrete projecten. Of deze regelingen en steun vanuit het Rijk kunnen worden uitgebreid wordt onderzocht.

Door een verplichting verder in de toekomst te plaatsen zal de investering die gemaakt moet worden vaker aansluiten bij de normale investeringscyclus of de financiële afschrijvingstermijn van het mobiele werktuig waarmee de kosten voor ondernemers verlaagt wordt. Aan de opdrachtgeverskant is er nog winst te behalen. Daarom zullen deze opdrachtgevers verdere ondersteuning geboden worden door het delen van kennis en ervaringen. Handhaafbaarheid Omwille van de handhaafbaarheid en uniformiteit wordt erop ingezet om één regel te maken voor mobiele werktuigen, ongeacht in welke sector die worden ingezet. Het convenant SEB is bedoeld voor de bouw (wegen, woningen, utiliteit). Vanuit de Aanpak Veluwe zouden de normen uit dat convenant ook van toepassing worden op andere sectoren, zoals de industrie. Uitzondering voor bouwwerken Beleidsmatig heeft de provincie de wens om ook bij het realiseren van bouwwerken verplicht het gebruik van emissieloze mobiele werktuigen op te leggen. Echter, het rijk heeft in artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) al gesteld dat ‘adequate maatregelen’ moeten worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen te beperken bij bouwen sloop. Het is de provincie wettelijk niet toegestaan om hiervoor aanvullende regels te stellen. Het is aan gemeenten, als bevoegd gezag, om invulling te geven aan wat ‘adequate maatregelen’ precies zijn.

De routekaart SEB benoemt de eisen van het minimumniveau expliciet als optie om deze invulling concreet te maken. Omdat de rijksoverheid zelf ook het convenant bij deze SEB-routekaart heeft ondertekend, mag geconcludeerd worden dat de rijksoverheid de SEB-routekaart als adequaat beschouwt. Via deze route krijgt de bouw dus al feitelijk vergelijkbare normen 76

opgelegd. De provincie gaat desalniettemin in overleg met de rijksoverheid om te bezien of ook voor het realiseren van bouwwerken de regelgeving aangescherpt kan worden. Uitzondering voor agrarische bedrijven In 2026 zal onderzocht worden of een uitzondering voor agrarische bedrijven voor het verplicht gebruiken van emissieloze mobiele werktuigen, waaronder tractoren, mogelijk is. De belangrijkste reden hiervoor is dat de agrarische sector al veel nieuwe regels opgelegd krijgt. En veel agrarische machines gaan lang mee voordat ze afgeschreven zijn, zijn zeer specialistisch en ook op termijn moeilijk in een elektrische variant te verkrijgen. Het extra gewicht van elektrische machines (door de accu’s) kan ook problematisch zijn voor de bodemstructuur. De reden waarom er niet direct een uitzondering opgenomen wordt, is dat het een zorgvuldige afweging vraagt hoe die uitzondering precies te maken. Daarbij moet bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de rol van loonbedrijven en het gebruik van landbouwwerktuigen buiten de landbouw zelf. Omdat de regel pas in 2035 inwerking zou treden, is er voldoende tijd om eerst een zorgvuldige afweging te maken over de vormgeving van deze uitzondering.

77

6 Hoe sturen we op doelen en hoe helpt dat vergunningverlening? In hoofdstuk 2 is ingegaan op de stikstofdoelstelling voor de landbouw en andere sectoren op en rondom de Veluwe. Daarnaast is de stap naar de inschatting van het reductiepotentieel per deelsector van de landbouw in hoofdstuk 4 beschreven. Dit wordt momenteel nader uitgewerkt. Wat daarna moet gebeuren in de komende maanden is de stap van reductiepotentieel per diersector naar normering van emissies op bedrijfsniveau, op basis van nader onderzoek en in gesprek met de agrarische sector. In dit hoofdstuk wordt verondersteld dat die normen er met een paar maanden zijn en wordt beschreven waar die normen worden vastgelegd (zie paragraaf 6.1), hoe de normen moeten gaan werken in verschillende situaties (zie paragraaf 6.2), hoe de gerealiseerde / geborgde daling ingezet kan worden om de vergunningverlening verder los te krijgen (zie paragraaf 6.3) en hoe we met behulp van monitoring en data invulling geven aan monitoring van het gebiedsdoel (zie paragraaf 6.4). In bijlage 3 is ter achtergrond een beschrijving van het juridisch kader voor natuurvergunningverlening te vinden. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de landbouwsector en op stikstof. De verankering van doelen en normen voor de overige sectoren (woningbouw, mobiliteit en industrie), zoals geschetst in hoofdstuk 5, volgt een vergelijkbare systematiek.

Eventuele normering op andere opgaven en indicatoren (waaronder bijvoorbeeld broeikasgassen, gewasbeschermingsmiddelen, nutriënten), evenals de monitoring daarvan, wordt in een vervolgfase uitgewerkt. Ook is gekeken naar vergunningverlening in relatie tot de Kaderrichtlijn Water. De Aanpak Veluwe richt zich in de uitwerking van maatregelen immers ook op beekdalen die KRW-lichaam zijn. Dit raakt aan een eventueel benodigde omgevingsvergunning water 75 , maar niet direct de natuurvergunningverlening en wordt hier daarom niet uitgebreid behandeld.

6.1

Waar leggen we de afspraken vast?

In de rechtspraak is bepaald onder welke voorwaarden een pakket van maatregelen leidt tot het weer kunnen verlenen van vergunningen onder minder strikte voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde is dat geborgd is dat de maatregelen worden uitgevoerd en zorgen voor afname van stikstofuitstoot. De landsadvocaat adviseert om de afspraken vast te leggen in een ‘duidelijk omlijnd programma’ dat is afgestemd op het Natura 2000-gebied, met doelen, tussendoelen, voldoende monitoring, bijsturing waar nodig met vooraf vastgelegde, doorgerekende en afdwingbare maatregelen en met voldoende financiering. Aanpak Veluwe wil de afspraken op de volgende manieren vastleggen: In een samenwerkingsovereenkomst tussen de overheden • De ministerie van LVVN, provincie, 21 gemeenten en 2 waterschappen werken interbestuurlijk samen in de Aanpak Veluwe met focus op emissiereductie, natuurherstel en beekdalherstel. De overheden maken afspraken over de manier waarop zij samenwerken. Deze afspraken komen in een samenwerkingsovereenkomst.

75 De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn (2000/60/EG) die lidstaten verplicht om per stroomgebied samenhangend beleid te voeren voor oppervlaktewater

en grondwater, met als kern het bereiken en behouden van een goede ecologische en chemische toestand, het voorkomen van achteruitgang, het monitoren van waterlichamen en het uitvoeren van programmatische maatregelen op basis van zesjarige beheerplancycli tot uiterlijk 2027. Het doel is duurzaam herstel en bescherming van waterkwaliteit en -kwantiteit, zodat waterecosystemen functioneren en maatschappelijke functies zoals drinkwater, natuur, landbouw en recreatie veiliggesteld worden. De KRW geldt voor alle waterlichamen in Nederland, dus ook voor de grondwaterlichamen onder de Veluwe en de beken, sprengen en randmeren eromheen. Daardoor worden in en rond de Veluwe maatregelen getroffen zoals herstel van natuurlijke hydrologie en beken, vispasseerbaarheid, het terugdringen van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, het sturen van grondwateronttrekkingen en vernatting waar nodig, en het verbeteren van de ecologische samenhang met aangrenzende natuurgebieden; deze maatregelen worden door waterschappen en provincie afgestemd binnen de stroomgebiedbeheerplannen van Rijn-Oost. Ondernemers hebben een zorgplicht voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in en rond hun percelen (zoals sloten). Die kwaliteit wordt onder meer beïnvloed door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het uitrijden van mest.

De algemene regels hiervoor zijn vastgelegd in de waterparagraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hierop wordt niet getoetst bij de natuurvergunningverlening; het waterschap ziet toe op de naleving en handhaaft waar nodig. Ondernemers krijgen met de KRW te maken wanneer een nieuwe agrarische activiteit een omgevingsvergunning water vereist, bijvoorbeeld als een bouwblokaanpassing het verleggen van een sloot noodzakelijk maakt. Ook bij de ontwikkeling van een nieuwbouwwijk is doorgaans een omgevingsvergunning water nodig. Er wordt dan beoordeeld of de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterkwaliteit, en ook tijdens de uitvoering moeten negatieve effecten worden voorkomen.

78

Een programma onder de Omgevingswet. • Het programma beschrijft het pad naar bindende emissienormen op bedrijfsniveau en de beoogde werking daarvan. De scope van het beoogde programma is breder en zal ook maatregelen omvatten die raken aan het ruimtelijk beleid van de overheden. Denk aan nadere uitwerking van het functieveranderingsbeleid, eventuele maatregelen t.a.v. grondgebruik, regels voor watergangen etc. Dit zal doorwerking krijgen in de visies, (omgevings)plannen en verordeningen van alle betrokken overheden; • Daarnaast beschrijft het programma ook de uitvoering: de uitvoeringsorganisatie, de wijze van monitoring, het instrumentarium, regelingen en financiële compensatie, de financiering van het programma en het handhavingsbeleid. Het programma richt zich niet alleen op het terugdringen van stikstofemissies, maar ook op natuurherstel, bijbehorende natuurherstelmaatregelen en hydrologische opgaven op de Veluwe;76 • Beoogd is een ‘gebiedsgericht programma’ in plaats van een ‘thematisch programma’. Het programma richt zich niet alleen op het terugdringen van stikstofemissies, maar ook op natuurherstel en hydrologische opgaven op de Veluwe.

Mogelijk worden op termijn nog andere opgaven uitgewerkt en opgenomen in het programma (zie paragraaf 2.5); • Het programma wordt interbestuurlijk voorbereid: de 21 gemeenten, twee waterschappen en de provincie Gelderland bepalen gezamenlijk de inhoud. De beoogde wijze van vaststelling is door Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag, waarbij de andere overheden zich committeren via genoemde Samenwerkingsovereenkomst (SOK). Als het belangrijke meerwaarde biedt dat alle overheden het programma vaststellen, kiezen we daarvoor. Het programma focust op stikstofreductie, natuurherstel en beekdalherstel; • Daarnaast zal sprake blijven van aanvullende gebiedskeuzes, instrumenten en maatregelen waarvoor andere overheden dan de provincie het bevoegd gezag zijn. Bijvoorbeeld stikstof-, natuur- en watermaatregelen, die locatiespecifiek zijn of (wijzigingen van) ruimtelijke regels vragen, kunnen in gemeentelijke omgevingsplannen en in de waterschapsverordeningen worden opgenomen. Binnen de interbestuurlijke samenwerking Aanpak Veluwe wordt dit afgestemd, onder meer in relatie tot gebiedsprocessen en op advies van de in te richten gebiedscommissies; • Het programma is zelfbindend voor de samenwerkende overheden. Het programma zelf bevat geen direct bindende normen voor burgers en bedrijven. Deze worden als uitvloeisel van het programma opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. •

•

’ Veel onderwerpen waarvoor in de Aanpak Veluwe maatregelen worden uitgewerkt, staan ook al beschreven in andere documenten, bijvoorbeeld: regioprogramma’s van de vier regio’s rondom de Veluwe, het Beheerplan Natura 2000 Veluwe, het regionaal waterbeheerprogramma, het beleid voor stikstofreductiegebieden en het (nog uit te werken) provinciale Programma Versnellingsaanpak Stikstof (VAS). Het programma Aanpak Veluwe zal beschrijven wat de verhouding en afhankelijkheid is tot de genoemde andere documenten en programma’s; Ruimtelijke keuzes in specifieke gebieden, zoals de positionering van veehouderij in relatie tot andere functies, worden door gemeenten gemaakt in afstemming met de overige overheden binnen de Aanpak Veluwe, als onderdeel van gebiedsprocessen en overwegingen in het kader van ruimtelijke ordening. Dergelijke keuzes worden vastgelegd in omgevingsplannen middels het principe van ‘Evenwichtige oedeling van uncties aan Locaties’ (E AL). De Aanpak Veluwe maakt die gebiedskeuzes niet zelf, maar gaat voor brede emissiereductie en bedrijfsnormering , waardoor alle ondernemers een bijdrage hebben te leveren. In de uitwerking daarvan in een specifiek deelgebied zal dit naar verwachting tot ruimtelijke vraagstukken leiden en nadere ruimtelijke keuzes vergen.

76 Vooralsnog denken wij onze doelen te bereiken met een programma. Wij zien daarom geen noodzaak voor een zogenaamd programma met een programmatische aanpak.

Wij overwegen het wel als dit meerwaarde biedt voor vergunningverlening.

79

Doorwerking programma onder de Ow in bestaand instrumentarium Belangrijk om te benadrukken is dat het hiervoor bedoelde programma onder de Omgevingswet gericht is op het vaststellen van integraal beleid. Het programma in het kader van de Aanpak Veluwe is daarbij niet enkel gericht op beleidsontwikkeling, maar ook op beleidsdoorwerking en -uitvoering. Het vast te stellen programma kwalificeert echter nog steeds als beleidsdocument, het is aan de betrokken overheden bij de Aanpak Veluwe om via bestaand instrumentarium te borgen dat de maatregelen uit het programma daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het programma heeft daarmee ten aanzien van regels en andere maatregelen een aankondigend karakter. In het programma wordt daarbij duidelijk vastgelegd welke rol en bevoegdheid de overheden hebben bij de uitvoering, zodat het resultaat wordt geborgd. Het omgevingsprogramma is het enige kerninstrument uit de Omgevingswet waarin verschillende overheden de doorwerking en uitvoering van beleid interbestuurlijk, integraal en in gelijkwaardigheid kunnen vaststellen. Dit betekent dat vanuit dit centrale punt gestuurd kan worden op de vertaling van keuzes richting de verschillende omgevingsvisies en regelgeving (o.a. omgevingsplannen, waterschapsverordeningen en provinciale verordening). Het samenspel van deze instrumenten bepaalt uiteindelijk het succes en het bereiken van de doelen.

Dit moeten we als overheden gezamenlijk en in samenhang doen. Dit vraagt om het goed uitlijnen van de verschillende instrumenten in samenhang met het interbestuurlijke omgevingsprogramma, niet alleen richting de vaststelling maar juist ook in de fase van uitvoering. In het schema hieronder is weergegeven hoe het programma in het kader van de Aanpak Veluwe fungeert als ‘paraplu’ voor de daadwerkelijke borging en uitvoering. Ook is indicatief aangegeven welke type instrumenten de diverse overheden gaan inzetten om invulling te geven aan hun rol en bevoegdheid:

Figuur 17: Doorwerken van het programma onder de Omgevingswet in bestaand instrumentarium. *Vastgesteld door provincie Gelderland met commitment vanuit andere overheden, óf vastgesteld door alle betrokken overheden. **Borging van (sturende) ruimtelijke keuzes op basis van de Aanpak Veluwe als basis voor doorwerking in regels ***Het waterschap heeft geen verplichting tot het opstellen van een Omgevingsvisie. Belangen vanuit de Waterschappen worden betrokken bij opstellen provinciaal en gemeentelijk beleid.

80

6.2

Welke normen leggen wij vast?

Aanpak Veluwe is voornemens regels vast te stellen waardoor de stikstofuitstoot zal dalen. Wij voorzien daarbij de volgende systematiek van normering: Gebiedsemissieplafond van NH3 per jaar in 2035 Gedeputeerde Staten stellen dit gebiedsemissieplafond (onderbouwd, gemotiveerd) in het programma vast als beleidsmatig doel. Nader bezien moet worden of een borging hiervan als omgevingswaarde in de omgevingsverordening wordt opgenomen. Dit gebiedsemissieplafond gaat gelden voor de landbouw in de 21 gemeenten binnen de Aanpak Veluwe (of voor nog te bepalen deelregio’s) per 2035. In de context van depositie blijft het van belang dat ook andere gebieden en sectoren hun bijdrage leveren (zie paragraaf 2.1), bijvoorbeeld middels vergelijkbare emissieplafonds binnen en buiten Gelderland. 77 Het gebiedsemissieplafond wordt in het programma vertaald naar emissieplafonds op bedrijfsniveau (zie hierna). Het gebiedsemissieplafond heeft dus geen directe werking voor bedrijven, maar is het uiteindelijke doel. Emissienormen en afgeleide emissieplafonds op bedrijfsniveau zijn de vervolgstap om tot dat doel te komen. Rechtstreeks werkende regel: norm op bedrijfsniveau in 2030 Provinciale Staten kunnen regels in de provinciale omgevingsverordening opnemen, die van toepassing zijn op bedrijven (artikel 4.1 Ow).

Het voornemen is emissienormen op bedrijfsniveau (een maximale emissie per dier/eenheid met een maximum op bedrijfsniveau)78 op te nemen in de provinciale omgevingsverordening. Deze normen zijn afgestemd op het gebiedsemissieplafond, op de deelsector (melkvee, pluimvee, kalveren, varkens, geiten, eenden etc.) en op het bedrijfstype (open of gesloten stalsystemen). Ondernemers die in het verleden al investeringen hebben gedaan om de emissies te verminderen, zullen de maximale norm op bedrijfsniveau eerder behalen dan ondernemers die nog weinig reducerende maatregelen hebben getroffen. De systematiek, eenheid en hoogte van de bedrijfsnormen worden op korte termijn bekendgemaakt (uiterlijk december 2026), na uitvoerige consultatie van de sector, afstemming met en aansluiting op de (nog te bepalen) landelijke systematiek voor KPI’s en normering op bedrijfsniveau (zie kader), een juridische second opinion en in samenhang met de beschikbare financiële middelen en inzetbare instrumenten voor de uitvoering. Aansluiten op landelijke normeringssystematiek Aansluiten betekent concreet: • De Aanpak Veluwe sluit aan bij de in ontwikkeling zijnde landelijke systematiek voor bedrijfsspecifieke normen.

De Aanpak Veluwe volgt in beginsel de keuzes die het Rijk hierop gaat maken ten aanzien van de eenheid/KPI van de norm en het monitoringssysteem; • In de verdere uitwerking van de Aanpak Veluwe wordt in samenhang met het Rijk bekeken of er mogelijkheden worden gezien om af te wijken in de ingangstermijn en hoogte van bedrijfsnormen, waarbij voorwaarde is dat dit juridisch en uitvoeringstechnisch gezien kan en ook beleidsmatig niet grote problemen worden voorzien; • Tussen de landelijke uitwerking en de Aanpak Veluwe zal er contact en samenwerking zijn om kennis te delen en te bekijken waar eventueel gebiedsgericht afwijken wenselijk en mogelijk kan zijn. Hierbij is speciale aandacht voor het gewenste tempo van de uitwerking (zicht op een landelijke systematiek is zo spoedig mogelijk nodig), maar ook een gedeelde aanpak op bijvoorbeeld juridische vastlegging, handhaving en monitoring; • De inzet is om hierop goed samen te werken. Voor de landelijke beleidsontwikkeling kan het nuttig zijn de gebiedsgerichte uitwerking te kennen en voor de verdere ontwikkeling van de Aanpak Veluwe is het nodig om direct aangesloten te zijn op de landelijke ontwikkelingen. Eventuele knelpunten of dilemma’s worden voorgelegd in het directeurenoverleg Aanpak Veluwe.

Concrete gevolgen voor het proces: • Dit vraagt van het Rijk dat er snel duidelijkheid geboden wordt over de vormgeving en invulling van een systematiek voor bedrijfsspecifieke emissienormen en de wijze waarop deze worden vastgesteld. Ook in het nieuwe coalitieakkoord wordt ingezet op bedrijfsspecifieke emissienormen. Ambtelijk is hier reeds verdiepende uitwerking gedaan op basis waarvan besluitvorming door een nieuwe bewindspersoon plaats kan vinden; 77 Zie in dat kader ook het gehanteerde stikstofreductiescenario in paragraaf 2.2 en de beoogde normering voor andere sectoren dan landbouw in hoofdstuk 5. 78 Bij voorkeur wordt er in Nederland een zelfde soort systematiek voor doelsturing gebruikt. De gebieden hebben vervolgens de ruimte om zelf de normen vast te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=b835b4a4-1821-491b-bbed-7d6f696f5da6