Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe
Tekst van het document
• Op basis van de voortgang van de uitvoering in nauwe afstemming met de stuurgroep en de uitvoeringsorganisatie voorstellen doen voor aanpassing of bijstelling van de uitvoeringsstrategie en deze ter besluitvorming voorleggen aan het BO (via de stuurgroep); • Voert een actief grondbeleid, (optioneel en nader uit te werken) door: o Besluit over de aan- en verkoop van gronden ten behoeve van de opgaven binnen kaders van de vastgestelde grondstrategie (om snelheid te behouden); o Ondersteund in de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie; o Gronden worden binnen nader te bepalen entiteit onder gebracht (bijvoorbeeld een revolverend Gebiedsfonds of via een (regionale) grondbank); o Met inachtneming van andere ruimtelijke opgaven binnen het programmagebied waarvoor de betrokken overheden verantwoordelijk zijn. • Werkt in nauwe afstemming met de lopende Gebiedsprocessen voor gezamenlijke ontwikkeling van de uitvoeringsstrategie, mét inpassing van andere opgaven die geen kernopgave zijn. De Aanpak Veluwe krijgt mogelijk meerdere Gebiedscommissies. Aanpak Veluwe start vanuit de praktijk en dus in de gebieden die al hard lopen. De gebieden Foodvalley en IJsselvallei zijn goed georganiseerd en zijn de opgaven bekend. Daarom zouden dit logische gebieden zijn om te starten.
Besluitvorming hierover zal door het BO genomen moeten worden conform de SOK en in nauwe afstemming op basis van de behoefte in de gebieden. De uitvoering is leidend dus vanuit daar kan benoemt worden wat aanvullend nodig is. In hoeverre de Gebiedscommissies volledig gebied dekkend voor het Programmagebied moeten zijn, wordt nog nader uitgewerkt en is ook afhankelijk van wat de uitvoering in de praktijk nodig heeft. Gebiedscommissies bestaan uit bestuurlijke vertegenwoordiging vanuit de regio. Een voorbeeldsamenstelling is als volgt: o Drie vertegenwoordigers van de deelnemende overheden (gemeente, provincie, waterschap); o Twee vertegenwoordigers van landbouw en agrarische partijen; o Twee vertegenwoordigers van natuur- en terreinbeherende organisaties; o Twee vertegenwoordigers van de recreatiesector in het gebied. Benoeming en samenstelling van de Gebiedscommissies is voorbehouden aan het BO op voordracht van de stuurgroep. De Gebiedscommissie adviseert over de uitvoeringsstrategie en stemt dit advies af met de Uitvoeringsorganisatie en de stuurgroep. Het advies wordt vervolgens voorgelegd aan het BO, die stelt de strategie vast. Signalen vanuit de uitvoering worden door de stuurgroep gecoördineerd en gedeeld met de Gebiedscommissie.
De Gebiedscommissie kan op basis van deze signalen gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen om de uitvoeringsstrategie aan te passen of bij te stellen. De Gebiedscommissie heeft daarmee voornamelijk een adviserende en klankbord rol. 50
Bovenstaand is een eerste indicatie van de rol van de Gebiedscommissie, waarbij zij primair een rol heeft als adviseur over de uitvoeringsstrategie in specifieke gebieden en een klankbord is in de uitvoering. Hoe de Gebiedscommissie(s) effectief moeten gaan functioneren is nog onderwerp van nadere uitwerking. Besluitvorming voor installatie van de Gebiedscommissies ligt bij het BO, voorafgaand aan deze besluitvorming zal deze nadere uitwerking gedaan worden. De gebiedscommissies sluiten zoveel mogelijk aan bij lopende Gebiedsprocessen. Zo worden bestaande tafels benut en voorkomt dubbel overleg over dezelfde onderwerpen. De gebiedscommissie en de gebiedsprocessen werken beide vanuit (dezelfde) lokale binding, zij verhouden zich als volgt tot elkaar: • • • • •
De ruimtelijke scope van Gebiedscommissies zal (meestal) groter zijn; er kunnen meerdere gebiedsprocessen vallen onder één Gebiedscommissie; De inhoudelijke opdracht van een Gebiedscommissie is smaller (opgaven stikstof, natuur- en beekdalherstel); De vertegenwoordiging van ‘niet-overheden’ is meer geformaliseerd in de Gebiedscommissies; Besluitvorming is uiteindelijk vergelijkbaar met de gebiedsprocessen (in een BO), maar loopt voortaan via besluitvormingsstructuur zoals vastgelegd in de SOK van Aanpak Veluwe; Het product uitvoeringsstrategie kan in co-creatie worden gemaakt door de gebiedsprocessen en de (overkoepelende) gebiedscommissie.
Hoe de governance van de gebiedsprocessen zich exact zou kunnen verhouden tot de Gebiedscommissies, de uitvoeringsorganisatie, de stuurgroep en het BO, vraagt nog om nadere uitwerking. Streven is om zo veel mogelijk dubbele overlegstructuren te voorkomen en coördinatie van de opgaven binnen Aanpak Veluwe te borgen. 4. Uitvoeringsorganisatie De Uitvoeringsorganisatie voert de uitvoeringsstrategie uit in opdracht van het BO, de stuurgroep vervult de opdrachtgeversrol aan de Uitvoeringsorganisatie namens het BO. De uitvoeringsorganisatie gebruikt de Gebiedscommissie als klankbord en voorziet de Gebiedscommissie periodiek van een rapportage over de voortgang van de uitvoering. De belangrijkste taken die de uitvoeringsorganisatie daarbij heeft zijn: • Daadwerkelijke uitvoering: 1. Kennisdelen: ▪ Creëert een kennisplatform voor sectoren en adviseurs en tussen uitvoerende diensten van overheden; ▪ Fungeert als centraal loket voor binnenkomende vragen en zorgt voor tijdige afhandeling; ▪ Aansluiten bij marktinitiatieven (o.a. Building Balance, ik wil eerlijke zuivel en Biohuis). 2.
Begeleiden en beoordelen: ▪ Begeleidt en beoordeelt ondernemingsplannen en projectvoorstellen; ▪ Toetst plannen aan door het BO vastgestelde kaders en gebiedsafspraken; ▪ Ondersteunt bij vergunningsprocessen zonder bevoegd gezag over te nemen; ▪ Ondersteunt bij aanvragen voor subsidies, nadeelcompensatie en grond en ruimtelijke vraagstukken. 3. Projecten uitvoeren (inclusief analyses en uitvoeringsplannen): ▪ Voert analyses uit en ondersteunt gebiedsprocessen; ▪ Maakt uitvoeringsplannen; ▪ Is verantwoordelijk voor uitvoering van projecten; ▪ Zoekt actief aansluiting bij marktinitiatieven en gebiedsgerichte innovatie (o.a. Building Balance, ik wil eerlijke zuivel, Biohuis). 4. Monitoren: ▪ Monitort voortgang doelbereik op project-, gebieds- en programmaniveau. 5. Voert actief grondbeleid binnen de kaders van de grondstrategie ▪ Bereidt aan- en verkoop van gronden voor vanuit de grondstrategie • Relatie en samenwerking met overheden in de uitvoering (zie onderdeel 5 in figuur 10) • Vooralsnog geen mandatering van bevoegdheden: één loket waar alle vragen en casussen worden behandeld en voorbereid voor besluitvorming bij de betreffende overheden (vergunningverlening, subsidie of compensatie); • Bereidt zoveel mogelijk subsidie- en compensatieverzoeken voor en leidt deze door naar bevoegde overheden ter besluitvorming; 51
•
•
Uitgangspunt: na voorbereiding door het loket is slechts een beperkte beoordeling/toets door de betreffende overheid nodig omdat het dossier compleet is en voorbereid. Ondersteunend, vanuit de Beleidsunit, de Gebiedscommissie en de stuurgroep: • Neemt signalen vanuit de uitvoering mee in beleidsadviezen richting de Gebiedscommissie en de stuurgroep • Secretariaat voor BO, Gebiedscommissies en stuurgroep: Ondersteunt de Gebiedscommissie en de stuurgroep en informeert over voortgang, ontwikkelingen en eventuele knelpunten in de uitvoering; • Implementeert aangepast beleid van overheden binnen het programma gedurende de looptijd.
De Uitvoeringsorganisatie monitort het doelbereik, in het geval bij niet-op koers liggende doelen dient via de Gebiedscommissie het advies voor bijsturing voorgelegd te worden bij het BO. Hetzelfde geldt voor signalen die betrekking hebben op niet passend beleid. Beleidsadviezen worden vanuit de Beleidsunit aan de Gebiedscommissie voorgelegd, die vervolgens dit (indien noodzakelijk geacht) voorlegt in het BO. De Uitvoeringsorganisatie bestaat uit de Beleidsunit (wat overeenkomst met de ambtelijke beleidsondersteuning zoals beschreven in de SOK) en het Uitvoeringsteam en vormen samen één loket. De Beleidsunit wordt bemenst met beleidsadviseurs vanuit de 25 overheden. Voor het Uitvoeringsteam dient de bemensing (en eventueel bijbehorende opleiding) nog plaats te vinden. Het streven is om in 2026 te starten met werving en opleiding voor 10-15 fte’s, gericht op zaakbegeleiders en projectleiders op het gebied van natuur en landbouw. Daarbij zal zo veel mogelijk gebruik gemaakt worden van beschikbare capaciteit binnen de pool van zaakbegeleiders van de Provincie Gelderland. Aanvullende ondersteuning op capaciteit wordt bijvoorbeeld gezocht door de betrokkenheid van het Rijksuitvoeringsnetwerk (RUN). 5.
Uitvoering in afstemming met overheden De Uitvoeringsorganisatie zal bij de uitvoering zeer nauwe afstemming hebben met de Omgevingsdienst Veluwe en de afdelingen voor vergunningverlening en subsidieverstrekking van de verschillende overheden. Er wordt initieel geen mandaat overgeheveld aan de uitvoeringsorganisatie, wel heeft de uitvoeringsorganisatie de taak om alle aanvragen in het kader van Aanpak Veluwe te kanaliseren en voor te bereiden. Daadwerkelijke besluitvorming over bijvoorbeeld vergunningverlening, subsidies en eventuele compensatie zal door de betreffende overheden zelf worden gedaan. Op termijn is mandatering van bevoegdheden waar dat bijdraagt aan een effectieve uitvoering te overwegen. De exacte samenwerkingsrelatie tussen de uitvoeringsorganisatie en de overheden in de uitvoering wordt de komende periode nader uitgewerkt voordat een uitvoeringsorganisatie daadwerkelijk wordt geïnstalleerd. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingegaan op de verwachte capaciteit die daarbij benodigd is bij de verschillende overheden en hoe deze capaciteit vanuit de Aanpak Veluwe ondersteund en/of gefinancierd kan worden. Uitvoeringsgovernance als groeimodel De uitvoeringsgovernance is een groeimodel omdat het noodzakelijk is om op korte termijn te starten.
Het voorstel is daarom om de Uitvoeringsorganisatie initieel functioneel onder te brengen bij de Provincie, zodat snel gestart kan worden. Daarnaast is het voorstel bij aanvang geen bevoegdheden te mandateren aan de Uitvoeringsorganisatie. De beoogde eindsituatie is een zelfstandige Uitvoeringsorganisatie met mandatering van bevoegdheden. De uitvoeringspraktijk zal moeten uitwijzen of en wanneer dit opportuun en mogelijk is. Besluitvorming hierover ligt bij het BO.
52
4
Hoe ziet het pakket van maatregelen eruit?
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatregelen die genomen worden om de stikstof-, natuurherstel- en beekdalherstel doelen uit hoofdstuk 2 te behalen. In paragraaf 4.1 wordt ingegaan op de specifieke maatregelen voor stikstofreductie op het boerenbedrijf. In paragraaf 4.2 wordt de scenario-analyse beschreven om het opgetelde effect van al deze maatregelen in te kunnen schatten. Vervolgens wordt ingegaan op de specifieke maatregelen voor natuurherstel (paragraaf 4.3) en de maatregelen gericht op beekdalherstel (zie paragraaf 4.4).
4.1
Stikstofreductie op het boerenbedrijf
Dit plan heeft als uitgangspunt dat een gebiedsgericht plan een geloofwaardige uitvoering en tijdspad moet bevatten evenals aantoonbare en aannemelijke maatregelen die op korte termijn zichtbare resultaten opleveren op het gebied van emissiereductie — een vereiste die ook door de landsadvocaat wordt onderstreep. Op deze manier kan worden geborgd dat het doel – het gebiedsemissieplafond van 3,0 kton in 2035 – daadwerkelijk kan worden gehaald. Er wordt voortgebouwd op de aanpak die in Regio Foodvalley is toegepast en voor de Aanpak Veluwe dezelfde opzet gehanteerd; de fijnmazige uitwerking van de uitvoeringsaanpak voor de Veluwe is nog in ontwikkeling, maar loopt inmiddels. In Regio Foodvalley is een bottom-up-aanpak gebruikt, gericht op de meest effectieve en geschikte maatregelen per deelsector binnen de veehouderij, waarmee is onderbouwd dat een emissiereductie van ca. 60% haalbaar is. Eenzelfde bottom-up benadering wordt nu toegepast om de potentiële bijdrage van de belangrijkste dierlijke deelsectoren in kaart te brengen en realistische, sectorspecifieke doelen te formuleren op basis van wat op het individuele bedrijf praktisch haalbaar is.
Deze werkwijze maakt het mogelijk concreet vast te stellen welke maatregelen uitvoerbaar zijn, welke negatieve neveneffecten (bijvoorbeeld voor dierwelzijn) kunnen optreden, welke maatregelen de meest betrouwbare ammoniakreductie opleveren, en hoe de implementatie geborgd en gehandhaafd kan worden. De nog vast te stellen sectordoelen voor de deelsectoren hangen samen met het gebiedemissiesplafond waarmee voldoende reductie wordt gerealiseerd om natuur en milieu te beschermen. Dat doel kan per sector en per individuele ondernemer in het gebied worden geborgd met eigen keuzes ten aanzien van preventie, maatregelen en best passende maatregelen per bedrijf waarvan bekend is dat zij effectief de emissie van stikstof verlagen. Zodoende is de Aanpak Veluwe voortbouwend op het stikstofreductiegebied waarmee in de directe nabijheid van kwetsbare natuur niet alleen een eigen invulling mogelijk is maar ook concrete regels gelden. De focus ligt in het vervolg van deze paragraaf op de belangrijkste maatregelen en deelsectoren vanuit het perspectief van ammoniakemissie, namelijk melkvee, kalveren, pluimvee en varkens (zie figuur 3 in paragraaf 1.2). De kleine dierlijke sectoren zoals geiten, schapen, paarden en eenden hebben een relatief beperkt aandeel in het totaal aan ammoniakemissies.
Hierbij is voor de deelsectoren geiten en eenden is wel een inventarisatie van mogelijke maatregelen uitgevoerd. Maatregelen voor veldemissies zullen ook toegepast moeten worden (akkerbouw en grasland) en worden op dit moment verder uitgewerkt met experts en deelsectoren.
53
Algemene maatregelen veehouderijsector Er zijn drie categorieën maatregelen voor het verminderen van ammoniakemissie in de veehouderij 60 Managementmaatregelen: deze zijn gericht op het aanpassen van het dagelijkse management van de veehouder om de emissies te verlagen, zonder investeringen in techniek of aanpassing van het gebouw. Dit kan onder meer door het nemen van voer- of bemestingsmaatregelen (e.g. additieven), het bevorderen van weidegang, het gebruik van meer rustgewassen, of langere leegstandsperiode. Het vakmanschap van de agrariër speelt een cruciale rol in de effectiviteit van deze maatregelen met betrekking tot de gerealiseerde ammoniakreductie.
Technische maatregelen: deze richten zich op het toepassen van technieken om de emissies van activiteiten te verminderen of op te vangen. Met innovaties wordt o.a. verwezen naar emissiearme stallen, en technologieën voor een betere opslag of scheiding van mest. Deze maatregelen resulteren niet alleen in een lagere ammoniakemissie, maar soms ook in een vermindering van de methaanuitstoot. Structuurmaatregelen: dit zijn ruimtelijke aanpassingen aan perceel, erf of stalomgeving, gericht op het reduceren van landbouwactiviteiten die emissies veroorzaken, bijvoorbeeld het aanleggen van onbemeste bufferstroken of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
Figuur 11: Overzicht van het type maatregelen voor de veehouderijsector
Op dit moment zijn over het algemeen alleen technische maatregelen juridisch geborgd. Deze maatregelen zijn voorzien van een RAV-code, welke aangeeft dat de verwachte emissiereductie na de implementatie van de maatregel vrijwel overeenkomt met de daadwerkelijke emissiereductie 61 . Binnen de Aanpak Veluwe ligt de focus op maatregelen die aantoonbaar het grootste effect hebben, waarbij de ontwikkelingen de komende tien jaar worden gevolgd. Zodoende worden ook managementmaatregelen en structuurmaatregelen ingezet. Controleerbaarheid en handhaafbaarheid van managementmaatregelen vormen hierin een aandachtspunt; daarom wordt ingezet op het inzichtelijk maken van het effect van deze maatregelen in de monitoring (zie paragraaf 6.4). In het vooraf inboeken van niet geborgde maatregelen wordt terughoudend gedaan (zie paragraaf 4.2). Voorkeurslijst specifieke maatregelen per deelsector Per deelsector is een voorkeurslijst van de meest kansrijke maatregelen opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, diverse praktijkpilots en adviezen van de expertgroep. Deze lijst, die voorkomt uit de selectie uit een totaal overzicht van beschikbare emissie reducerende maatregelen, biedt agrariërs , overheden en andere betrokken partijen een overzicht van de meest effectieve maatregelen. Tevens biedt het inzicht in het handelingsperspectief per deelsector.
Het is daarmee een belangrijke bouwsteen voor de scenario uitwerking (zie paragraaf 4.2). ) De lijst bevat een evenwichtige mix van bewezen en geborgde maatregelen en oplossingen die nog moeten worden aangetoond en geborgd. De lijst is samengesteld op basis van de volgende uitgangspunten: • Inzet van best beschikbare technieken; • Het vakmanschap van de agrariër staat centraal evenals lokale kennis en expertise; • Beoordeling van maatregelen op reductiezekerheid en handhaafbaarheid om een solide technische borging te waarborgen; • Maatregelen met geen of beperkte afwenteling op andere doelen (dit vraagt nog nadere verdieping). Dit is een voorlopige lijst die momenteel nader wordt uitgewerkt in overleg met experts en de sector.
60 Gies, E., Cals, T., Kros, H., Van Ree, M., & Voogd, J.C. (2023). Integrale doorrekening doelen en doelbereik Gelderse deelgebieden voor landbouw op basis van indicatieve
maatregelen voor stikstof, waterkwaliteit en klimaat. WUR-publicatie, 10 pp. 61 Een aantal RAV-emissiefactoren staan ter discussie op basis van rechtspraak.
54
De ammoniakreducties van maatregelen uit de voorkeurslijst zijn niet simpelweg bij elkaar op te tellen; bij gecombineerde maatregelen (stapelen genoemd) kunnen effecten elkaar beïnvloeden. Voor een correcte inschatting zijn aparte rekenmethoden nodig. Deze methoden worden bij nader onderzoek verder uitgewerkt en geanalyseerd, zodat per deelsector een nauwkeurige raming van het reductiepotentieel bij het toepassen van meerdere maatregelen mogelijk is. Om deze rede is het nodig om een veiligheidsmarge aan te houden voor stapeling van effecten, deze is ingeschat op 20%. Meer meetgegeven kunnen leiden tot een beter inzicht in het effect van mogelijke combinaties kunnen meer uitweiden over het gecombineerde effect. Aansluitend is een tabel opgenomen met de meest effectieve maatregelen per deelsector. Per maatregel zijn de verwachte ammoniakreductie, de reductiezekerheid en de handhaafbaarheid weergegeven, gebaseerd op forfaitaire vuistregels uit wetenschappelijk onderzoek 62 (zoals Ros et al., 2025) 63 en nader onderbouwd met expertbeoordelingen. Reductiezekerheid heeft betrekking op het verwachte fysieke effect van de maatregel, handhaafbaarheid op de controleerbaarheid van correcte toepassing en realisatie van effect. Hierbij wordt uitgegaan van goede implementatie van maatregelen. %
M M Managementmaatregelen (zoals verlagen ruw eiwitgehalte in het rantsoen van melkvee, en meer beweiding)
30% (1 gram RE/kg DS = 1% reductie)64
Hoog
Goed*
echnische maatregelen, pH verlaging van mest en diepe mestinjectie
30 60%
Hoog
Goed
Mestverwerking plus bewerking via (centrale) installaties65
60 80%
Hoog
Goed
Luchtbehandeling (zoals luchtwassers en klimaatbeheersingssystemen)
60 95%
Hoog
Goed
Bronmaatregelen (zoals scheiden, behandelen en koelen van mest)
40 60%
Hoog
Goed
Managementmaatregelen (zoals voeraanpassingen en behandelen met additieven)
10 30%
Middel
Goed
Luchtbehandeling (zoals luchtwassers en Klimaatbeheersingstechnieken)
60 95%
Hoog
Goed
Bronmaatregelen (zoals de mestschuifel met stofbadhuis66 of strooiselschuif)
20 40%
Hoog
Goed
Hoog
Goed
P
Managementmaatregelen (zoals vaker afdraaien mestbanden bij volières)
20 50%
Luchtbehandeling (zoals luchtwassers en klimaatbeheersingssystemen)
60 95%
Hoog
Goed
Bronmaatregelen (zoals scheiden, behandelen en koelen van mest)
40 60%
Hoog
Goed
Managementmaatregelen (zoals behandelen met additieven)
10 30%
Middel
Goed
Tabel 8: Maatregelen stikstofreductie veehouderij *Voor BEX-deelnemers67 is de verlaging van ruw eiwit in het rantsoen goed handhaafbaar, omdat RVO en NVWA steekproefsgewijs en op basis van een risicoanalyse (met de door WLR ontwikkelde BEX-checker) fysiek wordt uitgevoerd. Voor niet BEX-deelnemers is geen borging mogelijk.
62 IPLG (2025). Uniforme effectinschatting landbouw-bronmaatregelen voor vermindering van ammoniakemissies. 14-49 pp. 63 Ros, G. H., Kager, H., Boom, G., & de Vries, W., 2025. Verkenning effecten landbouwinnovaties: Potentieel van landbouwinnovaties om emissies van ammoniak en
broeikasgassen naar de lucht en verliezen van nutriënten naar het water te verlagen. WUR-publicatie, 45-74 pp. 64 Netwerkpraktijkbedrijven: deze reductie is niet linear. 65 Installaties zoals; Cowtoilet, Lelysphere & JOZ Gazoo. 66 De mestschuifel met stofbadhuis is een brongericht systeem voor dagontmesting, dat op dit moment ontwikkeld wordt in de pluimveehouderij, met emissiereductiepotentieel van rond de 50% t.o.v. volière huisvesting bij leghennen. 67 Om BEX geregistreerd te worden als melkveehouderij moet het bedrijf aan een reeks criteria voldoen zoals beschreven door de RVO.
55
Bottom-up benadering maatregelen melkveehouderijen In de melkveehouderij zijn momenteel vooral technische en managementmaatregelen inzetbaar, wat naar verwachting ca. 30% van de ammoniakemissies reduceert (Ros et al., 2025). Vooral voermaatregelen, met name het verlagen van het ruw‑eiwitgehalte in het rantsoen (waarover sectorale afspraken in een convenant 68 zijn vastgelegd), als meer beweiding, worden als het meest effectief en relatief goedkoop gezien. De reductiezekerheid is hoog en de borging is goed vanwege controle door de instanties RVO en NVWA. Daarnaast zijn mestmaatregelen die de pH verlagen (verzuring met zwavelzuur of salpeterzuur, of via biologische processen) effectief, wetenschappelijk onderbouwd en goed te borgen via aankoopbonnen, verbruiksmetingen en handhaafbaar met mest- en voermonsters. Ten slotte kan mestverwerking/ bewerking — bijvoorbeeld met een JOZ Gazoo-installatie of vergelijkbare systemen — leiden tot een ammoniakreductie van 60 tot 80 procent. De borging kan plaatsvinden via de N/S en/of de NO3-N/NH3 verhouding in het spuiwater. Op basis van deze verhoudingen en het zwavelzuur en salpeterzuur verbruik kan vrijwel exact de hoeveelheid gebonden N worden berekend en daarmee de ammoniakreductie.
Bottom-up benadering maatregelen intensieve veehouderijen Binnen de intensieve veehouderij kunnen met name kalveren-, varkens- en pluimveebedrijven met gesloten stalsystemen een relatief hoog reductiepercentage van ammoniak bereiken door het toepassen van technologische maatregelen (waaronder mestscheiding, dagontmesting, klimaatbeheersingstechnieken en luchtwassers), mits de veehouder vergunning wordt verleend voor de toepassing hiervan en er voldoende financiële en/of fiscale mogelijkheden worden geboden. Een reductiepercentage van rond de 70% wordt als realistisch beschouwd. In de varkenssector worden luchtwassers al veel toegepast. Ook zijn daar veel verschillende putuitvoeringen voor reductie van ammoniak door verkleinen emitterend oppervlakte in gebruik, die ook zorgen voor een verbeterd stalklimaat. Het perspectief voor de varkenssector is innovatie met dagontmesting, ook vanwege het effect op methaanuitstoot. In de kalversector worden luchtwassers eveneens toegepast, met name bij bedrijven waar emissiereductie verplicht is op basis van vergunningseisen. Toch ligt het belangrijkste innovatie- en ontwikkelspoor in deze sector bij bronmaatregelen. Kalverstallen kenmerken zich door meer emissies vanuit de mestkelder, dan vanaf de vloer, waarbij mest en urine samenkomen en snel ammoniak vormen.
Daarom wordt steeds meer ingezet op technieken die deze emissie zo vroeg mogelijk in het proces beperken. Actuele ontwikkelingen richten zich onder meer op het scheiden van mest en urine, het snel afvoeren of koelen van mest, en het behandelen van meststromen. Deze maatregelen kunnen het stalklimaat aanzienlijk verbeteren, doordat ze ammoniakemissie in de stal al reduceren. Daarnaast is het voordeel dat door de meeste bronmaatregelen ook methaan gereduceerd wordt, wat niet het geval is bij luchtwassers. Veel van deze bronmaatregelen bevinden zich in de pilot- of opschalingsfase, maar laten in praktijkproeven en bedrijfsmetingen veelbelovende resultaten zien. De borging van dit soort maatregelen wordt doorgaans vormgegeven via continue emissiemetingen, technische logbestanden, monitoring van meststromen of registratie van gebruiksparameters. In de pluimveehouderij zijn er de afgelopen jaren veel fijnstoffilters geïnstalleerd, maar bijvoorbeeld bij leghennen beschikt minder dan 1% 69 over een luchtwasser die ook ammoniak afvangt. Voor bijvoorbeeld opfok leghennen is dat ca. 3% 42 Hier ligt dus nog flinke reductie potentie. Daarnaast kent deze technische maatregel een hoge reductiezekerheid en is goed te borgen via controle op energie- en zuurgebruik.
Bij pluimveehouderijen met uitloop zal de ammoniakreductie naar verwachting lager uitkomen, omdat een deel van de ammoniak buiten de stal wordt geproduceerd, waar geen emissie wordt gereduceerd. Daardoor is de effectiviteit van technologische maatregelen in de Veluwe en Regio Foodvalley, met relatief veel uitloopbedrijven, beperkter. Tot slot is bij pluimvee urine en mest niet te scheiden, omdat het als één geheel door het dier wordt geproduceerd. Management- en bronmaatregelen, zoals het frequenter afdraaien van de mestbanden in volière stalsystemen, de strooiselschuif, de mestschuifel in combinatie met het stofbadhuis zijn daarom effectief om ammoniak te reduceren. Dit is ook goed handhaafbaar in het verlengde van de bestaande controlepraktijk.
68 Convenant: Verlagen Ruw Eiwit Rantsoenen Melkveebedrijven. 69 Ellen, H. Van Harn, J. Jebbink, S. Vermije, I. & Winkel,A., 2025. Sectoranalyse NH3 pluimveehouderij: Deskstudie naar ontwikkelingen ten aanzien van de emissie en
mogelijkheden voor reductie (Wageningen Livestock Research rapport 1556).
56
Voor de geitenhouderij is binnen de aanpak Veluwe is, in samenwerking met experts, een overzicht opgesteld van potentiële maatregelen. Hierin wordt voornamelijk ingezet voor vernieuwende stalsystemen bij nieuwbouw en toepassingen van management maatregelen binnen de bestaande stalsystemen. De algehele lijst word samen met de sector verder uitgewerkt tot een set voorkeursmaatregelen. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat er voor de geitenhouderij minder bekend is over de mogelijkheden voor ammoniakreductie en de exacte reductiepercentages van afzonderlijke maatregelen. Voor de eendenhouderij (met name in de Noord-Veluwe) zal in lijn met de algemene systematiek van de Aanpak Veluwe, worden ingezet op de realisatie van de best beschikbare technieken. Gezien de specifieke mestkarakteristiek bij eenden wordt prioriteit gegeven aan innovatieve stalsystemen die ammoniak bij de bron aanpakken (bijvoorbeeld door snelle mestverwijdering of droogtechnieken). Voor het reduceren van ammoniakemissies vanuit de overige kleine dierlijke sectoren, zoals schapen, paarden en pony’s zijn in dit uitvoeringsplan nog geen concrete maatregelen benoemd. Dit wordt nog nader verkend op potentiële bijdrage aan emissiereductie en bijbehorende maatregelen.
Bottom-up benadering maatregelen veldemissies Op het gebied van veldemissies in akkerbouw en op grasland moeten ook stappen worden gezet om veldemissies bij mestaanwending te verminderen. Het terugdringen van ammoniakemissies door mestaanwending is mogelijk door het toepassen van technische, management- en structuurmaatregelen. Mogelijke opties zijn mestverwaarding / stikstofstrippen; diepere mestinjectie, het toevoegen van additieven aan de mest en/of verdunning met water bij het uitrijden; ook het toepassen van additieven, zoals aanzuren, in stalsystemen kan tot extra emissiereducties leiden 70 . In de komende periode wordt, samen met experts en de sector, een voorkeurslijst met concrete maatregelen opgesteld. Daarnaast wordt de potentiële bijdrage van deze maatregelen aan emissiereductie in de akkerbouw nader verkend. Bij het vaststellen van de mate van normering en voorschriften en bij het inschatten van het reductiepotentieel wordt rekening gehouden met overige beleidsontwikkelingen, zoals het 8e NAP. In de verdere uitwerking wordt tevens vastgesteld welke normeringsmethodieken geschikt zijn en hoe monitoring kan worden ingezet voor de borging van de beoogde reducties. Deze onderwerpen zijn in het uitvoeringsplan nog niet opgenomen en worden in vervolgstappen verder uitgewerkt.
Maatregelen en monitoring Technisch geborgde maatregelen krijgen prioriteit en worden opgenomen in de formele gebiedsmonitoring: interventies met aantoonbaar effect op stikstofreductie wegen zwaarder in de formele sturing en vergunningverlening. Tegelijkertijd blijkt uit de praktijk dat niet alle RAV‑codes de werkelijke reductie correct weergeven. Daarom is het voornemen om per techniek een risicoclassificatie vast te stellen en in het monitoringssysteem niet uit te gaan van de maximale stikstofreductie. Daardoor is de kans groter dat de reductie in de praktijk daadwerkelijk wordt gerealiseerd, wat leidt tot minder benodigde meetapparatuur en minder inzet van handhaving. Deze aanpak wordt binnen het milieudomein eveneens toegepast. De Veluwe, en expliciet Regio Foodvalley, beschikt hiervoor over een breed palet aan experts, toonaangevende kennisinstellingen en ruime ervaring met het opzetten en benutten van meetnetwerken. Na validatie worden effectieve maatregelen opgenomen in het formele monitoringssysteem; waar nodig worden bestaande emissiereductiegegevens voor deze maatregelen gecorrigeerd. Maatregelen en Uitvoering Om de uitvoering van de maatregelen in de komende periode te realiseren, zijn drie fasen gedefinieerd.
In deze fasen worden de maatregelen verder uitgewerkt, gespecificeerd naar bedrijfsspecifieke eigenschappen en deelsectoren, en worden de juridische en operationele aspecten geborgd. De drie fases zijn: Fase 1: Uitwerking en draagvlak dit gebeurd in de periode richting eind Q2. Fase 2: Uitwerken borgings- handhavingsmechanisme, dit wordt uitgewerkt in 2026/2027. Fase 3: Risicoclassificatie van maatregelen, hier moet onderzoek naar gedaan worden om tot een gedegen opzet te komen. De tijdsspan hiervan kan tussen de 1-4 jaar zijn.
70 Ter achtergrond: binnen de 500-meterstroken rondom Natura 2000-gebieden wordt een kunstmestverbod overwogen vanuit het beleid voor stikstofreductiegebieden van
de provincie Gelderland en de provincie Utrecht heeft in haar ontwerp UPLG een bemestingsnorm uit dierlijke mest opgenomen binnen 250m rondom Natura 2000gebieden.
57
Onderdeel Voorkeurslijst per sector
Fase 1 Uitwerken maatregelen per deelsector
Specifieke maatregelen
Uitwerken van elke specifieke maatregel
Samen met de sector
Sector inzichten verwerken en het creëren van draagvlak voor de maatregelen
Fase 2 Onderzoek of de maatregelen juridisch te borgen zijn en hoe ze gemonitord en gehandhaafd kunnen worden. Pakket maken van alle juridisch borgbare en handhaafbare maatregelen
Fase 3
Consistente inventarisatie van validatie en borings procedures van nieuwe innovaties Het opstellen van risicoclassificaties voor maatregelen, waarbij we ruimte willen bieden aan de ondernemer om zelf te bepalen welk deel van de reductie wordt ingerekend in relatie tot de zwaarte van de borgingsmethodiek
Tabel 9: Overzicht uitwerking 4.1 Stikstofreductie op het boerenbedrijf
4.2
S
’
Volgens de systematiek van Aanpak Veluwe worden de stikstofdoelen bottom-up opgebouwd op basis van de meest geschikte en praktisch haalbare maatregelen per deelsector (zie paragraaf 4.1) in combinatie met wat er vanuit landelijk perspectief gerealiseerd moet worden om te voldoen aan de doelen in de wet. Op deze manier is het gebiedsdoel van 3,0 kton ammoniakreductie in 2035 ambitieus, afrekenbaar en uitvoerbaar. De praktische haalbaarheid en adoptie van maatregelen uit de lijst kan aan de hand van vier verschillende beleidskeuzes (scenario’s) worden getoetst die variëren langs twee assen: de mate van financiële compensatie en de aanwezigheid van een afdwingbare norm. Elk scenario geeft inzicht in het doelbereik en het tempo van uitvoering. Voor Aanpak Veluwe is scenario 3 als voorkeursroute: juridisch afdwingbare normen in combinatie met maximale compensatie. Deze combinatie biedt de grootste zekerheid dat de vereiste ammoniakreductie binnen de gestelde termijnen wordt gerealiseerd. De vier scenario’s zijn hieronder weergegeven.
Figuur 12: Vier scenario’s. Aanpak Veluwe kiest voor scenario 3
58
Vervolgstappen Momenteel (in de eerste helft van 2026) wordt de scenario-analyse voor Aanpak Veluwe stapsgewijs uitgewerkt op basis van de maatregelen per deelsector (zie paragraaf 4.1) die in 2026 samen met de diersectoren en in lijn met de landelijke ontwikkelingen verder worden geconcretiseerd: 1. De voorkeursmaatregelen worden per deelsector gevalideerd en voor scenario 3 worden de normering, compensatie en handhaving geformuleerd; 2. Met experts wordt per maatregel een adoptiegraad (%) ingeschat op basis van de praktische toepasbaarheid van de voorkeursmaatregelen binnen de deelsectoren, in combinatie met de verwachte acceptatie. Bij deze inschatting wordt uitgegaan van gegevens van het type stalsystemen dat in de Veluwe voorkomt en van welke technische maatregelen hier reeds worden toegepast. Waar data hiervoor ontbreekt, worden deze samen met experts geschat; 3. Het effect van een maatregel op een deelsector (%) wordt berekend door de adoptiegraad (%) te vermenigvuldigen met de ammoniakreductie per bedrijf (%) van die maatregel; 4. De totale ammoniakuitstoot per sector (kg) wordt berekend door de sectoromvang (als % van de totale ammoniakuitstoot) te vermenigvuldigen met de totale emissies (stand per 2030, op basis van autonome ontwikkeling) (kg); 5.
Vervolgens wordt de reductie van ammoniak per maatregel per deelsector (kg) berekend door de totale ammoniakuitstoot van de sector (kg) te vermenigvuldigen met het effectpercentage van de maatregel op die deelsector gecorrigeerd voor de vermindering van de marginale effectiviteit door overlap/interactie tussen gelijktijdig toegepaste maatregelen; 6. Voor scenario 3 wordt de benodigde financiële ondersteuning berekend op basis van de kosten per maatregel. Op hoofdlijnen worden de totale kosten van ammoniakreductie inzichtelijk gemaakt door de ammoniakreductie per maatregel (kg) te vermenigvuldigen met de kosten per kg gereduceerde ammoniak voor die maatregel. Deze vervolgstappen worden momenteel doorlopen samen met experts en de agrarische sector. Inschatting reductiepotentieel Deze scenarioanalyse van het reductiepotentieel is eerder grofmazig uitgevoerd in het kader van het stikstofplan van de Regio Foodvalley, dat in juli 2025 is aangeboden aan de Minister van LVVN. Daaruit bleek dat 60-70% reductie ten opzichte van 2019 een haalbaar percentage was. De reductie was opgebouwd uit een deel door stoppende bedrijven (ca. 30%) en een deel door reducerende bedrijven (gemiddeld ca. 40% per blijvend bedrijf). Dit is vrijwel gelijk aan het reductiescenario als opgenomen in paragraaf 2.2.
De inschatting voor de 21 gemeenten van de Aanpak Veluwe is dat gemiddeld 60% reductie eveneens haalbaar moet zijn. Van de landbouw emissies vanuit de Aanpak Veluwe komt ca. 60% vanuit Foodvalley. Aan de oostkant van de Veluwe is meer melkvee te vinden en minder intensief. Het reductiepotentieel van Foodvalley is daarom niet zondermeer te extrapoleren naar de hele Aanpak Veluwe. Het reductiepotentieel per diersector en voor de hele Aanpak Veluwe wordt mede daarom nog een aantal slagen nauwkeuriger bekeken per diersector, als uiteengezet hierboven onder de vervolgstappen. Op het moment van schrijven is deze exercitie nog niet afgerond.
59
4.3
Maatregelen natuur- en beekdalherstel
Voor natuurherstel en beekdalherstel wordt binnen de Aanpak Veluwe gewerkt met een samenhangend pakket aan maatregelen, geclusterd in zes onderdelen. Deze maatregelen zijn overwegend gebiedsgericht, deels al vastgesteld, geborgd en in uitvoering en deels nog nader uit te werken. De monitoring van natuur- en beekdalherstel wordt beschreven in paragraaf 6.5 Monitoring en data. 1. Voortvarende uitvoering van Natura 2000-herstelmaatregelen Binnen het plangebied van Aanpak Veluwe liggen zes Natura 2000-gebieden.71 We werken binnen al deze gebieden aan het realiseren van de Natura 2000-doelen. Binnen de Aanpak Veluwe ligt de prioriteit op de gebieden met stikstofgevoelige natuur. Dat zijn de Landgoederen Brummen, Binnenveld en de Veluwe. De noodzakelijke maatregelen voor herstel van de natuur liggen binnen de natuurgebieden en deels ook daarbuiten. Geborgd natuurbeheer is de basis Professioneel dagelijks beheer van de natuurgebieden is de basis voor behoud en verdere ontwikkeling van de natuurkwaliteiten en voor het realiseren van de Natura 2000-doelen. Terreineigenaren, waaronder op de Veluwe ook diverse gemeenten, voeren dit beheer van natuurgebieden uit, deels met financiering uit het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Het Rijk zorgt voor voldoende financiering van dit subsidiestelstel.
De provincie werkt samen met natuurbeheerders aan een verdere professionalisering en versterking van het certificerings- en verantwoordingssysteem van de SNL en maakt afspraken over de uitvoering van het noodzakelijke natuurbeheer. Bestaand beleid en geborgde uitvoeringsmaatregelen Het grootste deel van de noodzakelijke herstelmaatregelen binnen en rondom de genoemde Natura 2000-gebieden is onderdeel van de Natura 2000-beheerplannen en herstelprogramma’s. Dit gaat om ruim 1.300 natuurherstelmaatregelen op ruim 17.000 ha. Deze maatregelen zijn bestuurlijk vastgesteld en meegewogen in de natuurdoelanalyses 72 voor deze gebieden. Het Rijk financiert deze maatregelen via het Programma Natuur, fase 1 en 2. Het Programma Natuur voorziet nu in 80% van de benodigde financiering tot 2032. Voor de periode daarna is aanvullende financiering noodzakelijk. De natuurbeheerders en waterschappen voeren deze maatregelen uit binnen hun natuurgebieden en watersystemen onder coördinatie en met ondersteuning van de provincie. De maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden worden geïnitieerd door de provincie, in wisselende samenwerking met lokale grondeigenaren, waterschappen en andere gebiedspartners. Herstelmaatregelen Veluwe Voor Natura 2000-gebied Veluwe zijn de maatregelen uitgewerkt het beheerplan Veluwe (2018) en in vijf herstelprogramma’s (2022-2023): 1. Herstelprogramma Beken; 2.
Herstelprogramma Bossen; 3. Herstelprogramma Heiden en stuifzanden; 4. Herstelprogramma Vennen en venen; 5. Recreatiezoneringsplan Veluwe.
Figuur 13: Locaties herstelmaatregelen binnen Natura 2000 Veluwe
71 Veluwe, Landgoederen Brummen, Binnenveld, Arkemheen, Veluwerandmeren (deels) en Rijntakken (deels). 72 Zie: https://www.gelderland.nl/themas/natuur/natuurdoelanalyse/samenvattingen-en-rapporten-natuurdoelanalyses.
60
Het gaat binnen de Veluwe om maatregelen zoals het opbrengen van bufferstoffen zoals steenmeel of kalk voor bodemherstel, aanleggen van heidecorridors, omvormen van uitheemse productiebossen naar inheemse loofbossen 73, hydrologisch herstel, recreatiezonering, het verlagen van de graasdruk door herten en het beperken van houtoogst in oude loofbossen. Een deel van deze maatregelen is inmiddels al uitgevoerd, uitvoering van de andere maatregelen is gepland tot en met 2032. Op en rond de Veluwe worden daarnaast nog verschillende onderzoeken uitgevoerd om tot maatregelen te komen. Het gaat o.a. om landschapsecologische systeemanalyses (LESA), bijvoorbeeld voor het beekdal van de Hierdense beek, beekdalen op de oostflank van de Veluwe en het Renkums en Heelsums beekdal op de Zuid-Veluwe. Deze studies brengen in beeld welke concrete maatregelen nodig zijn voor het behoud en versterken van de Natura 2000-kwaliteiten en andere daarmee verbonden natuur- en landschapswaarden in deze beekdalen. Uit de LESA’s kunnen maatregelen volgen zoals verbetering van habitattypen en leefgebieden, extensiveren van landbouwkundig gebruik, hydrologisch herstel (in veel gevallen met behoud van landbouwkundige functie) en omvorming van landbouwgrond naar natuur.
Overheden en gebiedspartijen bepalen gezamenlijk de benodigde omvang (in hectares) voor natuurontwikkeling en de aanpassing van het agrarisch grondgebruik op de Veluwe, met inachtneming van de vastgestelde provinciale beleidsdocumenten en de Natuurherstelverordening. Aanvullend beleid en uitvoeringsmaatregelen Voor het realiseren van de Natura 2000-doelen is het voortvarend uitvoeren van de natuurmaatregelen uit de Natura 2000beheerplannen, in samenhang met voldoende stikstofreductie, essentieel. Binnen de Aanpak Veluwe zetten we stappen om deze uitvoering te versnellen en kijken we ook naar aanvullende natuurmaatregelen die bijdragen aan het realiseren van de Natura 2000-doelen. Versnellen van de uitvoering van Natura 2000-maatregelen Provincie Gelderland werkt aan een versnelling van de uitvoering van bovenstaande Natura 2000-herstelmaatregelen. Dat doet de provincie bijvoorbeeld door het oplossen van capaciteitsproblemen bij natuurbeheerders en het vereenvoudigen en versnellen van vergunningsprocedures voorafgaand aan de uitvoering. Voor versnelling van maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden werkt de provincie aan passende instrumenten voor de uitvoering. Dit gaat o.a. om het opstellen van subsidieregelingen zoals voor de aanleg van groenblauwe dooradering en om (financiële) mogelijkheden om het (agrarisch) gebruik van percelen blijvend te extensiveren.
Aanvullende bodemherstelmaatregelen binnen de natuur Enkel het verminderen van de stikstofdepositie zal in veel gebieden op de droge zandgronden onvoldoende zijn om opgelopen verslechtering als gevolg van historische stikstofdepositie te herstellen en de Natura 2000-uitbreiding- en kwaliteitsdoelen uiteindelijk te realiseren. Door het blijvend beschikbaar komen van in het systeem geaccumuleerde stikstof en door de opgebouwde bodemverzuring en -degradatie, als gevolg van de historische stikstofdepositie van de afgelopen decennia, zijn aanvullende bodemherstelmaatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen zijn nu nog niet voorhanden en het is onzeker of we tot deze maatregelen kunnen komen. Dit vraagt aanvullend onderzoek en (meer grootschalige) experimentele inzet van deze maatregelen. We gaan daarom - samen met natuurbeheerders - extra bodemherstelmaatregelen onderzoeken en uitvoeren om verdere verslechtering van de natuurkwaliteit te voorkomen en waar mogelijk versneld tot natuurherstel te komen. Deze bodemherstelmaatregelen dragen pas duurzaam bij aan natuurherstel wanneer de huidige stikstofdepositie op de natuur ook voldoende is teruggebracht.
Mogelijke aanpassing landbouwkundig gebruik binnen Natura 2000-grenzen Specifiek voor Natura 2000-gebied Veluwe onderzoeken we of een aanpassing van het gebruik van agrarische percelen die binnen de Natura 2000-grenzen liggen, kan bijdragen aan de gestelde natuurdoelen (herstelprogramma Bossen, maatregel MBo71). Dit start met een analyse van de ligging van deze percelen en de impact van het gebruik van deze percelen op het realiseren van de instandhoudingsdoelen). Op basis van de analyse worden, in samenwerking met de grondeigenaren, mogelijke maatregelen opgesteld.
73 Een deel van deze maatregelen draagt ook bij aan de doelen uit de Landelijke bossenstrategie voor revitalisering van bos en vitaal en klimaatbestendig bos.
61
Benodigde aanpassing landbouwkundig gebruik buiten Natura 2000-grenzen In en rond het Natura 2000-gebied Veluwe zijn in de herstelprogramma’s Heiden en Stuifzanden en Beken een aantal locaties en percelen in agrarisch gebruik aangewezen waar we verwachten dat meer extensief gebruik of omvorming naar natuur nodig is voor het behalen van de Natura 2000-doelen. Ook kan uit landschapsecologische systeemanalyses (LESA) voor delen van de Veluwe een dergelijke opgave nog volgen. De aanpassing betreft vooral al lang in gebruik zijnde, historische akkerlocaties en locaties direct grenzend aan heide of langs een beek. Extensivering of omvorming naar (schrale) graslanden of akkers draagt bij aan het vergroten van leefgebied voor diverse vogelsoorten en aan meer voedselaanbod voor (overwinterende) broedvogels van schraalgrasland en heidegebied en voor wintergasten. Daarnaast gaat het om locaties die een ontbrekende schakel vormen in noodzakelijke verbindingen. Voorzover deze locaties en percelen buiten de Natura 2000 liggen, zijn het geen geborgde maatregelen. Door deze maatregel op te nemen in de Aanpak Veluwe zorgen we alsnog voor die borging.
Robuust systeemherstel en de Aanpak Veluwe Om binnen de Aanpak Veluwe integraal de natuur- en waterdoelen van Natura 2000, de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Natuurherstelverordening (NHV) te realiseren richten we ons op robuust systeemherstel van de Natura 2000-gebieden en de gebieden daar omheen.
Figuur 14: Illustratie robuust systeemherstel
Robuust systeemherstel richt zich op een robuuste, veerkrachtige en toekomstbestendige gebieden. Naast de gebiedspecifieke Natura 2000-doelen voor habitats en VHR-soorten, gelden ook algemene Natura 2000-doelen, waaronder “behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame 62
instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats en soorten.” Robuust systeemherstel is daarmee middel en doel ineen. Robuust systeemherstel valt uiteen in de volgende onderdelen: • De grondwatervoorraad in het Veluwe massief op peil houden binnen de grenzen waarbij bronnen, waardevolle sprengen en beken zoveel mogelijk permanent watervoerend zijn en de kwelzones aan de flanken van de Veluwe blijven functioneren. Zodat de overgangen van droog naar nat, voedselarm naar voedselrijk en zuur naar mineraalrijk in stand worden gehouden. De stuurknoppen zijn de vegetatieontwikkeling op de Veluwe, de grondwateronttrekkingen en de ont- en afwatering in flanken en beekdalen. • Robuuste en continue hydrologische gradiënten van de hoge en droge delen in het landschap -bijvoorbeeld bovenop de stuwwallen van de Veluwe - naar de lagergelegen delen, zoals het Binnenveld, de beekdalen zoals het beekdal van de Veldbeek, de Hierdense beek, de beken rondom Epe en Vaassen, het Renkums- en Heelsums beekdal of het Soerens beekdal. • Optimalisatie van het hydrologisch systeem gericht op behoud en versterking van (regionale) kwelstromen. Hiermee behouden en versterken we de kwelafhankelijke natuur, bijvoorbeeld in het Beekbergerwoud, Lampenbroek, het Binnenveld en de flanken van de Veluwe. • Bescherming van de (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit.
• Herstel van verbindingen en ruimtelijke samenhang tussen natuurgebieden en landschappelijke dooradering van het landelijk gebied. Bijvoorbeeld tussen de droge Veluwe en de meer vochtige gebieden in en rondom de landgoederen Brummen (o.a. Beekbergerwoud, Lampenbroek en het Soerens beekdal). • Zoveel mogelijk verminderen van de ongewenste input van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen nabij kwetsbare natuur, bijvoorbeeld door aanpassen van het agrarisch gebruik nabij de natuur. Robuust systeemherstel draagt niet enkel bij aan de wettelijke Natura 2000- en KRW-opgaven, maar ook aan: • Het beperken van de negatieve effecten van toenemende lange periodes van droogte voor zowel de landbouw als voor de natuur. • Het beperken van hoogwaterpieken in het stedelijk gebied door water vasthouden en waterberging in beekdalen. • Borgen van grondwaterkwaliteit ten behoeve van natuur en drinkwaterwinning. • Versterken van recreatieve mogelijkheden in het landschap ondersteunend aan de woningbouwopgave en ter ontlasting van kwetsbare natuur. • Toegenomen koolstofvastlegging door vitale natte en droge natuurgebieden. 2. Versterken van de natte flanken van de Veluwe De Veluwe is een stuwwal met zeer diepe grondwaterstanden. Bossen, heiden, venen en stuifzanden zijn hierdoor vooral afhankelijk van regenwater.
Naar de randen toe komen spoelzandwaaiers voor die overlopen in de dekzandruggen en welvingen van de Gelderse vallei en IJsselvallei. In de winter als de vegetatie weinig water gebruikt kan regenwater infiltreren. Het regenwater infiltreert in de bodem en vult de grondwatervoorraad aan. Het grondwater stroomt door de ondergrond af naar de flanken van het gebied. Vanaf de flanken stroomt het water via beken, via moerassige laagten of door de ondergrond af naar de omgeving. Het geïnfiltreerde grondwater kwelt op in omliggende gebieden, zoals Beekbergerwoud, Lampenbroek, het Binnenveld en aan de randmeerkust, maar soms ook hoog op de flanken van de Veluwe, zoals bij het Wisselse Veen bij Epe, Motketel, veel beken op de zuidelijke Veluweflank of het Korte Broek bij Vaassen. Dit fenomeen hangt samen met het kleischottensysteem van de Oost- en Zuid-Veluwe. Het versterken van de overgangen van de droge gebieden bovenop de Veluwe naar de natte gebieden op en rondom de flanken van de Veluwe is een kernopgave voor Natura 2000-gebied Veluwe. Herstel en versterking van deze flanken draagt bij aan de noodzakelijke uitbreiding van vochtige en kwelafhankelijke Natura 2000-habitats zoals doorstroomvenen en blauwgrasland, zowel binnen als buiten de Natura 2000-begrenzing.
Ook draagt dit bij aan meer leefgebied voor soorten van bestaande habitats bovenop de Veluwe, doordat deze habitats meer verbonden worden met de rijkere meer vochtige gebieden aan de Veluweflank. Op de flanken van de Veluwe liggen ook de brongebieden voor verschillende Natura 2000en/of KRW-beken, waardoor maatregelen ter versterking van de natte flanken ook bijdragen aan de KRW doelen en doelen voor de Natura 2000 beken.
63
Bestaand beleid en geborgde uitvoeringsmaatregelen In het Natura 2000-beheerplan en de herstelprogramma’s voor de Veluwe zijn maatregelen opgenomen en deels al in uitvoering, gericht op het herstel van de natte flanken van de Veluwe. Dit start vaak met het uitvoeren van een Landschapsecologische systeemanalyse (LESA’s), wat o.a. is gedaan voor de Motketel, Wisselse veen en de Verloren beek. Op basis van de LESA worden maatregelen concreet gemaakt en uitgevoerd met financiering uit het Programma Natuur tweede fase. Aanvullend beleid en uitvoeringsmaatregelen Aanvullend beleid voor de natte flanken van de Veluwe richt zich op het verbeteren van de watersituatie van grondwaterafhankelijke beken. De waterkwantiteit kan verbeteren door aanpassing van de lokale ont- en afwatering vanuit de haarvaten van het watersysteem en het beperken van (lokale) onttrekkingen. De waterkwaliteit kan verbeteren door het aanpassen van agrarisch gebruik (zowel lokaal als in het inzijggebied) en het afkoppelen van regenwater in stedelijk gebied om riooloverstorten te beperken. Voor zover deze maatregelen rond de Veluwse Natura 2000-beken liggen, zijn deze al geborgd in het herstelprogramma Beken. Voor de beektrajecten die buiten de Natura 2000-grenzen vallen, zal borging plaatsvinden door deze op te nemen in de Aanpak Veluwe.
We extensiveren het landgebruik op zowel de flanken als in het inzijggebied bovenop de Veluwe, gericht op vermindering van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Dat kan door maatwerkafspraken met agrariërs of vormen van Agrarisch natuurbeheer, maar ook door de aanleg van landschapselementen (GBDA) en vochtige bosjes op de meest vochtige locaties. Hierdoor beperken we de ongewenste input van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, maar anderzijds versterken en verzachten we ook de overgangen en verbinding van het landelijk gebied op de flanken van het Veluwemassief met de natuurgebieden. We werken in de natte flanken als geheel aan de Basiskwaliteit Natuur, zowel in de dorpen en steden als in het landelijk gebied. 3. Hydrologisch herstel Landgoederen Brummen en Binnenveld Landgoederen Brummen Op korte afstand van Natura 2000-gebied Veluwe ligt in het natte zandlandschap van de Zuidoostelijke IJsselvallei het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Dit gebied is onderdeel van hetzelfde landschappelijk-ecologisch systeem als de Veluwe. Om in en rondom dit gebied tot robuust systeemherstel te komen zijn er maatregelen in het watersysteem in het omliggende landelijk gebied en het verbeteren van de grondwaterkwaliteit nodig. Deze maatregelen zijn deels vastgelegd en geborgd in het Natura 2000-beheerplan van dit gebied.
Eventuele aanvullende maatregelen worden opgenomen en geborgd in de Aanpak Veluwe. Binnenveld In het dal tussen het Veluwemassief en Utrechtse Heuvelrug ligt het Binnenveld. Het grondwatersysteem van het Binnenveld wordt gevoed door het diepe regionale grondwatersysteem, dat gevoed wordt door beide stuwwallen. Keuzes die we maken voor het grondwatersysteem van de Zuidwest Veluwe hebben een directe relatie met de diepe kwel in het Binnenveld. Verbetering van het bodem- en watersysteem en het verbeteren van de waterkwaliteit dragen bij aan realisatie van de Natura 2000-doelen, maar ook aan realisatie van de doelen op de Veluwe doordat dit gebied zo nadrukkelijk in het verlengde van de natte flanken van het Veluwemassief ligt. Ook voor dit gebied worden eventuele aanvullende maatregelen via de Aanpak Veluwe geborgd. Figuur 15: Ligging van Natura 2000-gebieden Veluwe,
4. Robuust beekdalherstel Landgoederen Brummen en Binnenveld De beken rond de Veluwe liggen in hun eigen landschappelijke setting. Ieder beeksysteem heeft zijn eigen specifieke kenmerken en eigen ‘interne’ landschapsvariatie. Bij het uitwerken van de beoogde maatregelen zal hier rekening mee moeten worden gehouden. 64
Beeksystemen Veluwe De Voorsterbeek in de Zuidoostelijke IJsselvallei ligt in een van oorsprong nat zandlandschap met bossen, natte heiden, een enkel beekdal en natte hooilanden. Het landgebruik nu is vooral grondgebonden landbouw. De bovenlopen worden gevoed door het kleischottensysteem van de Oost-Veluwe. In het stroomgebied liggen ook belangrijke grondwaterafhankelijke natuurgebieden zoals Empese en Tondense Heide en Lampenbroek. De Grift ligt op de scheiding van het kleischotten systeem van de Oost-Veluwe en de IJsselvallei en wordt voor het grootste deel gevoed door sprengenbeken van de Oost-Veluwe. De kwaliteit van de sprengenbeken is goed en deze hebben grotendeels de status Natura 2000 of natuurwater. De sprengenbeken zijn allemaal gegraven ten behoeve van de waterkracht of het watergebruik van schoon beekwater. Daarmee is er ook veel cultuurhistorie met een sterke relatie met de beken. In de beekdalen van deze sprengenbeken liggen ook veel kwelgevoede natuurgebieden. Er is veel niet-agrarisch land- en ruimtegebruik in dit gebied. De Hierdense beek vindt zijn oorsprong in de enclave UddelElspeet en mondt uit in het Veluwe randmeer. Dit is een eigenstandig watersysteem onafhankelijk van het diepe Veluwesysteem door een kleilaag in de ondergrond. Van oorsprong was het een landschap met twee grote landgoederen in het beekdal en esdorpen in een groot heidegebied.
Landschap-ecologisch is dit gebied heel belangrijk voor de Veluwe. Een nat eiland in een droge omgeving.
Figuur 16: Bekensystemen binnen Aanpak Veluwe
Het Veldbeeksysteem ligt in de landgoederenzone van het Groene Valleilint. Ook dit is een meer eigenstandig watersysteem met nog enige voeding uit de kleine stuwwal Putten-Ermelo. Het is van oorsprong een heidesysteem dat in de winter erg nat is met hoge grondwaterstanden en in de zomer sterk kan uitdrogen met lage grondwaterstanden. Door de landgoederen zijn de oude landschapsstructuren behouden gebleven. De beken van de Gelderse Vallei liggen in een van oorsprong nat zandlandschap met natte heiden, beekdalen en akkeressencomplexen. De beken in dit landschap zijn de Barneveldse beek, de Esvelder beek en de Lunterse beek. Het land- en ruimtegebruik is zeer intensief. De Heelsumse beek aan de zuidzijde van het Veluwemassief is de enige beek die geheel afhankelijk is van het Veluwesysteem. Het beekdal van deze beek is diep ingesneden in de zogenaamde Sandr vlakte. De hoogte van de grondwaterbel onder de Veluwe bepaalt hoeveel water er in de beek stroomt.
65
Hydrologische maatregelen in beeksystemen buiten Natura 2000-gebied De hierboven beschreven beeksystemen rond de Veluwe willen we zowel naar kwantiteit als kwaliteit verder herstellen. In hoofdlijnen gaat het om de volgende soorten maatregelen: 1. KRW-maatregelen gericht op meer ruimte voor natuurlijke processen in de beek en in de directe omgeving van de beek. Het gaat hierbij om het creëren van goede omstandigheden voor stromings-, substraat- en structuurvariatie in de beek, ruimte voor planten, vissen, kleine waterdieren, etc. En ruimte voor hoge afvoeren en voor zuiveringsprocessen. Dit vraagt om herinrichting van (delen van) de beken. 2. Klimaatadaptatie en KRW-maatregelen voor water vasthouden in het gehele stroomgebied van de beken en waterberging verspreid over het stroomgebied waar dit het beste past in het beekdal of in lokale laagten in het stroomgebied. 3. KRW- en Natura 2000-maatregelen gericht op het verminderen van de belasting met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Aanvullend op deze watermaatregelen is voor alle stroomgebieden het generieke mestbeleid van het Rijk van belang, inzet van agrarisch natuurbeheer gericht op water en klimaat en samenwerkings- en bewustwordingsprogramma's gericht op de agrarische sector.
Door gericht onderzoek te doen willen we zicht krijgen op zogenaamde hotspots van uit- en afspoeling van nutriënten (herstelprogramma Beken, maatregel Vb 13). In plaats van generieke bufferzones gericht op het terugdringen van nutriëntenbelasting kunnen er dan meer lokaal maatregelen worden getroffen, die dan ook effectiever zijn. In de beken en in directe omgeving daarvan kunnen natuurlijke zuiveringsprocessen nutriënten verwijderen uit het systeem. Of er ook nog specifieke bufferzones nodig zijn voor beken die binnen het Natura 2000-gebied Veluwe liggen zal uit de landschapsecologische systeemanalyses moeten blijken. In het herstelprogramma voor deze beken zijn bufferzones van 50 m genoemd als maatregel. Bij het uitwerken van de bovenstaande maatregelen zal rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de beek en het landschap waarin de beek ligt. Herinrichting van beken zal vooral van toepassing zijn op de beken in de Gelderse Vallei en de benedenlopen van de Voorsterbeek en de Veldbeek, want daar is er ruimte om dit door te voeren. Bij de andere beeksystemen gaat het veelal om relatief kleine beken, gelegen in oude landschapsstructuren met cultuurhistorie waar grootschalige herinrichting minder voor de hand ligt. Wellicht is juist gebruik te maken van de oude structuren.
Of er zijn nadere keuzes nodig, bijvoorbeeld tussen handhaven sprengenbeek of ontwikkelen doorstroomveen. Bekenproject Veluwe en Valleien In het bekenproject van Waterschap Vallei en Veluwe en de provincies Gelderland en Utrecht wordt de KRW-opgave van de hierboven genoemde beken concreet in beeld gebracht. Ook wordt in dit project al een doorkijk gegeven naar de mogelijke koppelkansen met klimaat- en natuuropgaven. Een voorbeeld uit het genoemde bekenproject is de aanpak voor de Barneveldse beek. Voor dit beeksysteem wordt met een stappenplan gewerkt om de KRW-opgave goed in beeld te krijgen evenals de koppelkansen met klimaat- en natuuropgaven. Met ditzelfde stappenplan zullen vervolgens ook de opgaven voor de andere beeksystemen worden uitgewerkt: voor de Gelderse Vallei, Hierdense beek, de zuid- en oostflank van de Veluwe en Zuidoostelijke IJsselvallei tot aan de grens van het Natura 2000-gebied Veluwe. Voor deze gebieden komen de wateropgaven landschappelijk in beeld waaronder locaties voor meer nat-droog gradiënten en locaties om grondwaterafhankelijke natuur te kunnen ontwikkelen (habitattypen van het natte zandlandschap of van het bekenlandschap).
Synergie met natuuropgaven Met de bovenstaande maatregelen voor het halen van de KRW-doelen werken we binnen de Aanpak Veluwe niet alleen aan de KRW-doelen (ecologie, hydrologie en temperatuur/beschaduwing) en nutriëntenreductie, maar ook aan klimaatadaptatie, bosopgaven, koolstofopslag, doelen Natuurherstelverordening, basiskwaliteit natuur en groenblauwe dooradering. In het stadium van concrete maatregelen en uitvoering leidt dit waar mogelijk tot een ruimtelijke ‘stapeling’ van maatregelen. Oppervlaktewatersysteem Het huidige oppervlaktewatersysteem op en rond de Veluwe is in sterke mate gevormd door naoorlogse agrohydrologische inzichten. In grote delen van de flanken en beekdalen zijn ontginningen uitgevoerd, zijn watergangen rechtgetrokken en is een inrichting ontstaan met relatief smalle en diep gelegen ontwateringsprofielen. Deze systematiek was primair gericht op een snelle afvoer van water, zodat zo veel mogelijk landbouwgronden in gebruik konden worden genomen en wateroverlast 66