Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe
Tekst van het document
46 Nadeelcompensatie is een recht, maar in dit geval tevens een instrument, omdat de ondernemers ondersteund worden in het aanvragen van deze compensatie via de
nadeelcompensatieregeling.
35
Het instrument: Subsidies Aanpak Veluwe stimuleert ondernemers met gerichte subsidies om snel in beweging te komen én om te bewegen in een richting waarop zoveel mogelijk maatschappelijke waarde wordt gecreëerd. Dit gaat verder dan stikstofreductie en omvat ook opgaven rond natuur, water en een vitaal landelijk gebied. De subsidieregelingen worden afgestemd op de ontwikkelpaden en de gebiedsopgave. Waar mogelijk maakt de Aanpak Veluwe gebruik van bestaande subsidies, welke – waar nodig – binnen de interbestuurlijke samenwerking kunnen worden aangepast via lobby of door wijziging van eigen regelingen voor effectievere inzet. Zoals o.a. de maatregel gebiedsgerichte beëindiging (MGB), de landelijke verplaatsingsregeling en de landelijke extensiveringsregelingen voor overgangsgebieden rond Natura 2000. Daarnaast zijn er landelijke innovatie-regelingen en programma’s voor agrarisch ondernemers, zowel voor pilots, opschaling als brede toepassing van innovatie. Voorbeelden hiervan zijn de GLB regeling, Samenwerken aan innovatie (EIP), de Kennis op Maat (KOM) subsidie of een lening via het Groenfonds. Tot slot zijn er ook diverse bestaande subsidies voor de uitvoering van natuur- en beekdalherstelmaatregelen, zoals de Ecoregeling en de provinciale regeling van Gelderland voor de aanleg van agroforestry.
Echter, de bestaande subsidies zijn niet voldoende: diverse nieuwe regelingen moeten nog (door)ontwikkeld worden. Deze regelingen stimuleren wenselijk maatregelen. Dit zijn maatregelen die bijdragen aan de opgaven binnen Aanpak Veluwe en mogelijk bredere opgaven van nu of in de toekomst. Denk bijvoorbeeld aan bepaalde technische- of managementmaatregelen of bijvoorbeeld permanente extensivering wat resulteert in een herwaardering van grond of een subsidie gericht op het belonen van groenblauwe dooradering om natuur- en beekdalherstelmaatregelen onder de agrariërs te stimuleren. In bijlage 1.1 is een inventarisatie van de bestaande subsidies per ontwikkelpad weergegeven evenals wat binnen Aanpak Veluwe het plan is om aan te passen of te ontwikkelen en welke randvoorwaarden daarbij gelden. Uit deze eerste inventarisatie komen de volgende randvoorwaarden voor werkbare subsidies naar voren: • Langjarige én gelijktijdige openstelling: subsidies moeten langdurig beschikbaar zijn en regelingen voor verschillende ontwikkelpaden moeten zo veel mogelijk gelijktijdig open staan. 47 Ondernemers hebben daarmee echte keuzevrijheid en handelingsperspectief. • Voldoende capaciteit; voldoende capaciteit bij provincies, gemeenten en omgevingsdiensten voor een snelle afhandeling van zowel subsidieaanvragen als (waar nodig) wijzigingen in vergunningen en omgevingsplannen.
Hier moet de nieuw op te zetten uitvoeringsorganisatie ook aan gaan bijdragen. • Voldoende budget: voor de verschillende ontwikkelpaden moeten subsidieregelingen voldoende budget hebben. Met name voor beëindiging en permanente extensivering zijn additionele middelen benodigd om de gestelde doelen binnen de aanpak te bereiken. Zie ook paragraaf 7.2 over financiële middelen. • Voldoen aan de staatsteunkaders: Subsidies worden vooraf getoetst aan de staatssteunkaders. Staatssteun is iedere met overheidsmiddelen gefinancierde subsidie of maatregel die ondernemingen een economisch voordeel verschaft en de mededinging en het handelsverkeer tussen EU‑lidstaten kan verstoren. Staatssteun is in beginsel verboden, tenzij zij onder een Vrijstellingsverordening valt of door via een meldingsprocedure bij de Europese Commissie is goedgekeurd. In 2026 werkt de Aanpak Veluwe haar staatssteunbenadering uit; deze wordt vervolgens vastgesteld en, indien van toepassing, proactief gemeld bij de Europese Commissie. In 2026 wordt door de samenwerkende overheden verder uitgewerkt welke subsidies binnen Aanpak Veluwe beschikbaar worden gesteld, zoals specifieke subsidies voor het verbeteren van de vitaliteit van het landelijk gebied. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een subsidie voor landschapsarchitectuur. De subsidieregelingen worden zo snel mogelijk operationeel gemaakt.
47 De randvoorwaarde ‘gelijktijdige openstelling’ is gebaseerd op het creëren van keuzevrijheid voor de ondernemers. Indien één beoogde regeling in de praktijk vertraging
oploopt, dan dient dit niet een reden te zijn om geen regeling open te stellen. Dit is een geleerde les vanuit de Aanpak Piekbelasting.
36
Nadeelcompensatie Er zijn diverse financiële instrumenten die ondernemers kunnen benutten ter ondersteuning van de te nemen maatregelen om aan de bedrijfsspecifieke norm (zie paragraaf 2.2) te voldoen, zodat het bedrijf toekomstbestendig wordt en kan blijven ondernemen. De hulp die een ondernemer bijvoorbeeld kan krijgen middels bijvoorbeeld subsidies, kan niet mitigerend genoeg werken. Dan heeft de ondernemer mogelijk recht op nadeelcompensatie. Nadeelcompensatie is een gedeeltelijke schadeloosstelling bij schade veroorzaakt door het bestuursorgaan als gevolg van rechtmatig overheidsoptreden 48 . De vergoeding heeft betrekking op schade die het normale maatschappelijke risico of bedrijfsrisico overstijgt (zogeheten abnormale last) en die bepaalde bedrijven onevenredig zwaar treft ten opzichte van anderen (zogeheten speciale last). Als ondernemers op de Veluwe (in de context van de Aanpak Veluwe) moeten voldoen aan een bepaalde (hogere) norm dan andere ondernemers, dan hebben zij mogelijk recht op nadeelcompensatie en kunnen zij daarvoor een verzoek indienen. Het begrip 'redelijk denkend en handelend ondernemer' is cruciaal bij het bepalen van de nadeelcompensatie.
Het fungeert als maatstaf voor het bepalen van actieve risicoaanvaarding (voorzienbaarheid) 49 en passieve risicoaanvaarding50: bepalen of de ondernemer de schade had kunnen voorkomen of beperken, en in hoeverre de schade geheel of deels voor eigen rekening moet blijven en welke schade dan voor vergoeding in aanmerking komt. Om de administratieve last voor ondernemers en de overheid te beperken en te komen tot snelle afhandeling en uitbetaling van verzoeken wordt onderzocht of een nadeelcompensatieregeling uitgewerkt kan worden. Waar mogelijk willen we hierbij aansluiten bij de voorkeursmaatregelen zoals beschreven in paragraaf 4.1. Wanneer een ondernemer van mening is dat zijn situatie niet aansluit bij die voorkeursmaatregelen kan hij hiervoor een gemotiveerd verzoek indienen en zal de situatie individueel beoordeeld worden. Nb. Wanneer het onverhoopt niet mogelijk blijkt om te komen tot een gestandaardiseerde regeling zullen alle verzoeken op individuele basis beoordeeld moeten worden door het bevoegd gezag. In figuur 7 is een eerste concept van een nadeelcompensatieregeling voor Aanpak Veluwe weergegeven. Ondernemers hebben de vrijheid om zelf te kiezen hoe zij aan de bedrijfsnorm in 2030 willen voldoen. Sommige maatregelen kunnen voor compensatie via (nog uit te werken) subsidies in aanmerking komen.
Als vergoeding via subsidie niet mogelijk of passend is kan een ondernemer een verzoek doen voor nadeelcompensatie.51 Eventuele toekenning van nadeelcompensatie betekend trouwens niet dat een ondernemer dan vanzelf gaat voldoen aan de bedrijfsnorm. Voor nadeelcompensatie geldt de zogenaamde bestedingsvrijheid. De ondernemer is niet verplicht om de ontvangen nadeelcompensatie te gebruiken om aan de bedrijfsnorm te voldoen. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met de staatssteunkaders. Op korte termijn worden, als vervolgstap op het Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe, de volgende aspecten uitgewerkt om de omvang en standaardisatie van nadeelcompensatie verder uit te werken: • Bedrijfseconomische analyse per voorkeursmaatregel uit paragraaf 4.1 op basis van een bedrijfsinventarisatie van alle agrarische bedrijven op de Veluwe per sector en naar bedrijfstype. Op deze manier wordt per maatregel, waar mogelijk, een standaardprocedure met bijbehorende compensatiebedragen afhankelijk van bedrijfsspecifieke componenten uitgewerkt. • Kostenraming en capaciteit: Op basis van de bedrijfseconomische analyse wordt een inschatting gemaakt van de maatregelen die in redelijkheid mogen worden verwacht en tegen welke kosten. Tevens schatten we, op basis van deze uitkomsten, het aantal fte dat nodig is voor de afhandeling van aanvragen.
48 Er is sprake van rechtmatig overheidsoptreden als de overheid een (formeel) besluit heeft genomen dat de toets van (rechterlijke) kritiek kan of heeft doorstaan. Er dient
dus een besluitvormingstraject te zijn doorlopen, omdat nadeelcompensatie in wezen het sluitstuk vormt van de belangenafweging die de overheid maakt bij het nemen van besluiten. In het kader van het algemeen belang wordt een besluit genomen, waarbij sommige individuele belangen worden geschaad. Indien deze schade onevenredig is, dient deze te worden vergoed. 49 Actieve risicoaanvaarding is de bewuste acceptatie van het risico op schade door benadeelde voorafgaand aan overheidsmaatregel. In artikel 15.5 Ow staan de criteria wanneer er sprake is van actieve risicoaanvaarding. 50 Passieve risicoaanvaarding houdt in dat een benadeelde de gelegenheid had om schade te voorkomen/beperking en dat niet heeft benut, ondanks voorzienbaarheid van schade. Dit wordt ook wel ‘verwijtbaar stilzitten’ genoemd. Wanneer passieve risicoaanvaarding van toepassing is, zal een schadevergoeding eveneens worden afgewezen of verminderd. In artikel 15.6 Ow zijn criteria voor passieve risicoaanvaarding te vinden, zoals een officiële bekendmaking van het bevoegd gezag omtrent toekomstige beperkingen, gevolgd door het ontbreken van actie van de benadeelde om schade te beperken binnen een bepaalde termijn. 51 Er is een direct verband tussen mogelijke subsidies waarop een ondernemer aanspraak kan maken en de hoogte van het uitgekeerde nadeelcompensatie waarop dezelfde ondernemer recht heeft.
Zo geldt dat de ondernemer de omvang van de schade heeft kunnen beperken door aanspraak te maken op een subsidie, dit mogelijk in mindering wordt gebracht op de nadeelcompensatie. Dit kan tevens het geval zijn als de ondernemer geen aanspraak heeft gemaakt op de subsidie (art. 6:96, tweede lid BW).
37
Een belanghebbende heeft mogelijk recht op nadeelcompensatie als hij door rechtmatig overheidsoptreden meer wordt benadeeld t.o.v. anderen
Het bepaalt of de ondernemer de schade had kunnen voorkomen of beperken, en in hoeverree de schade geheel of deels voor eigen rekening moet blijven
Het fungeert als maatstaf voor het bepalen van actieve risicoaanvaarding art. . w en passieve risicoaanvaarding art. . w.
Deelsector edrijfst pe Voor inwerkingtreding landelijke bedrijfsnorm
a inwerkingtreding landelijke bedrijfsnorm
De financiële compensatie wordt berekend op basis van de inkomensschade die een ondernemer ervaart hiervan wordt doorgaans een percentage uitgekeerd afhankelijk van het normaal maatschappelijk risico
Vermogensschade nkomens financieringsschade ijkomende schades
ocatie taat van bedrijf
De maatregel moet geborgd zijn technische maatregel heeft een code bijlage V w , managementmaatregel heeft geborgde monitoring
Eventuele meerwaarde of voordeel bijv. lagere e ploitatiekosten of hogere opbrengsten als gevolg van de maatregel wordt in mindering gebracht op de berekende schade
anneer een ondernemer mogelijk gebruik kan maken van subsidies bij implementatie van een maatregel heeft dit effect op de hoogte van zijn nadeelcompensatie a
ee a
Hierdoor heeft de rechthebbende slechts van de compensatie
ee
Voor elke voorkeursmaatregel kan de nadeelcompensatie worden gestandaardiseerd per t pe ondernemer en bedrijfsomvang
Figuur 7: Concept nadeelcompensatieregeling
3. Denkrichting: De agrariër maakt een plan Iedere agrariër werkt zijn handelingsperspectief en het gekozen ontwikkelpad uit in een plan. Dit plan is de basis voor een verzoek aan de overheden voor eventuele vergunningverlening, subsidieregelingen, nadeelcompensatie of andere publiekrechtelijke medewerking. De ondernemer stelt zelfstandig dit plan op en kan met vragen terecht bij het loket. Voor de contouren van dit plan wordt een template door Aanpak Veluwe beschikbaar gesteld. De ondernemer kan, zoals weergegeven in figuur 8, hier verschillende routes in kiezen. In alle routes blijft het plan eigendom van de ondernemer en wordt het plan door de uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe getoetst op haalbaarheid via het loket (zie stap 4). maakt
ndernemer een plan
ndernemer maakt een plan met hulp van een bedrijfsadviseur
agrariërs over aanpak en hun mogelijkheden door gezamenlijke overheden
ndernemer maakt een plan met welke route gaat een ondernemer volgen
ndernemer maakt een plan om gedeeltelijk te stoppen en verder te specialiseren in een bedrijfstak met de optie van
ndernemer maakt een plan om gedeeltelijk of volledig te stoppen met de optie van
echnische maatregelen Managementmaatregelen Extensiveren Verplaatsen Maatregelen natuur en water mschakelen
Gedeeltelijk stoppen
Stoppen
Figuur 8: De verschillende routes van de agrariër met betrekking tot het opstellen van een plan. Bij route A en B is het inzetten van een zaakbegeleider sterk aanbevolen, bij optie C tot en met E wijst de uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe een zaakbegeleider toe
38
Indien de ondernemer besluit om een van de groeipaden te kiezen die vallen onder het handelingsperspectief van ‘blijven en/of doorontwikkelen’ dan kan de ondernemer kiezen voor route A t/m C: • Route A: De ondernemer stelt een plan op, dat primair gericht is op het voldoen aan de opgaven binnen Aanpak Veluwe op de korte termijn, dus de beoogde stikstofreductie in samenhang met de gebiedsopgaven voor water en natuur. De ondernemer maakt in zijn plan een keuze uit een aangeboden set van voorkeursmaatregelen per deelsector (zie paragraaf 4.1). De ondernemer kan hierbij de hulp van een zaakbegeleider aanvragen. De zaakbegeleider kan de ondernemer informeren over alle mogelijkheden. Nadat de ondernemer dit plan heeft ingediend kunnen de overheden volstaan met een lichte toets omdat het gaat om bekende en geborgde maatregelen. Voor zover van toepassing kunnen de vergunning, subsidie of andere publiekrechtelijke medewerking aansluitend worden verleend en toegewezen. • Route B: De ondernemer stelt, net als in route A, een plan op, maar met behulp van een agrarische bedrijfsadviseur. De ondernemer kan hiervoor een subsidie aanvragen ter gedeeltelijke vergoeding van de advieskosten. Daarnaast heeft de ondernemer de mogelijkheid om een zaakbegeleider in te schakelen.
• Route C: De ondernemer maakt gebruik van de Ondernemingsplanaanpak om de toekomstbestendigheid van het bedrijf te bepalen. Binnen de Ondernemingsplanaanpak werkt de agrariër, samen met een agrarisch bedrijfsadviseur, een ondernemersplan uit op basis van de kaders voor de fysieke leefomgeving en de wateropgave (omgevingsscan) en een integrale set kritische prestatie-indicatoren (hierna: “KPI’s”) (waar de specifieke opgaven voor Aanpak Veluwe onderdeel van zijn). Dit ondernemersplan is dus veel breder en diepgaander dan de plannen in route A en B en kijkt naar de toekomstbestendigheid van het bedrijf, zodat de ondernemer beter voorbereid is op toekomstige opgaves breder dan stikstof, natuur en water. Agrariërs ontvangen daarbij intensieve ondersteuning van een zaakbegeleider en gespecialiseerde adviseurs. Het instrument: Ondernemingsplan Agrariërs kunnen gebruikmaken van de werkwijze van de Ondernemingsplanaanpak wanneer zij zich in het stikstofreductiegebied bevinden of wanneer hun situatie dusdanig complex is dat een integrale toekomstbestendigheidsanalyse vereist of gewenst is. Bijvoorbeeld wanneer een biologische agrariër vanwege dierenwelzijn niet kan aansluiten bij de voorkeursmaatregelen, is het via de Ondernemingsplanaanpak mogelijk om te onderzoeken welke maatregelen zowel voldoende stikstof reduceren als het dierenwelzijn borgen.
Om agrarisch ondernemers met een toekomstbestendig plan daadwerkelijk perspectief te kunnen bieden is het van belang dat diverse instrumenten en producten klaarstaan op het moment dat communicatie over de Ondernemingsplanaanpak start (zie bijlage 1.3 Ondernemingsplanaanpak). Deze randvoorwaarden omvatten in ieder geval: een geborgd pakket aan maatregelen waardoor vergunningverlening mogelijk wordt, de uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe die de begeleiding kan uitvoeren en plannen kan behandelen, een subsidieregeling voor agrarisch bedrijfsadvies, een omgevingsscan per gemeente, instrumentarium om plannen uit te voeren (subsidie, functieveranderingsbeleid etc.). Deze onderdelen worden binnen Aanpak Veluwe ontwikkeld. Daarnaast wordt op korte termijn de KPI-set doorontwikkeld52, de financieel juridische infrastructuur en wordt een analyse van de behoeften voor het ICT-systeem, communicatiemiddelen en de subsidieregeling uitgevoerd. Ten aanzien van de rol en taakverdeling van de verschillende overheden bij de begeleiding en uitvoering van de ondernemingsplanaanpak zal nog besluitvorming plaats moeten vinden.
Indien de agrariër kiest voor het handelingsperspectief van ‘ ’, dan kan de ondernemer kiezen voor route D of E: • Route D: De ondernemer die een deel van zijn agrarisch bedrijf wil stoppen en zich verder wil specialiseren in één van de andere takken, kan gebruikmaken van de werkwijze van de Ondernemingsplanaanpak. Net als bij Route C maakt de ondernemer een plan voor de toekomstbestendigheid van zijn bedrijf en krijgt de ondernemer een zaakbegeleider toegewezen om het proces te begeleiden. Voor het gedeeltelijk stoppen met één of meerdere bedrijfstakken kan de ondernemer gebruik maken van een stoppersregeling. • Route E: Ondernemers die willen stoppen met een agrarisch bedrijf kunnen een plan opstellen, zodat de mogelijkheden, waaronder aanspraak maken op een stoppersregeling, verkend worden. Bijvoorbeeld een groot aantal agrarische ondernemers is 55 jaar of ouder en heeft geen opvolging. De verwachting is dat deze agrariërs de komende jaren gedeeltelijk of volledig hun bedrijfsvoering gaan beëindigen. De ondernemer kan kiezen helemaal 52 Op dit moment hanteert de Ondernemingsplanaanpak een KPI-set van de volgende 14 KPI’s: Ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot, stikstof- en fosfaatefficiëntie,
fosfaatbodembeheer, middelengebruik, bodembedekking, aandeel natuur & landschap, waterkwantiteit, herkomst inputs, broeikasgasemissies, energiebalans, fijnstofemissie, geurhinder en dierenwelzijn.
39
te stoppen of om te schakelen naar een andere economische sector, zoals een caravanstalling. Ook dan dient de ondernemer een plan op te stellen en krijgt de ondernemer een zaakbegeleider om het proces te begeleiden. Tevens kan de ondernemer een agrarische bedrijfsadviseur inschakelen en een subsidie aanvragen ter gedeeltelijke vergoeding van de advieskosten. Voor dit plan komt een template beschikbaar, maar door de grote diversiteit aan omschakelmogelijkheden blijft het vooral maatwerk. Daarbij kan tevens gebruik worden gemaakt van het instrument: vroegtijdige beëindiging/wegbestemming. Het instrument: Vroegtijdige beëindiging/wegbestemming Als op voorhand met agrariërs afspraken worden gemaakt over bedrijfsbeëindiging en wegbestemming, dan zou de stikstofreductie die daarmee op termijn (uiterlijk 2035) gerealiseerd wordt, nu al mogelijk worden meegerekend voor het gebiedsemissieplafond. Om agrariërs te bewegen om op voorhand afspraken te maken over wegbestemming op termijn, is het van belang om het gesprek met hen proactief te gaan voeren en hen iets te kunnen bieden.
Daarom gaat Aanpak Veluwe in een pilot in één of enkele gebieden de volgende aanpak verkennen: • Agrariërs die vooraf vastleggen dat zij hun vergunning inleveren of via functiewijziging binnen gestelde randvoorwaarden de agrarische bestemming opgeven, zouden in aanmerking kunnen komen voor uitstel van de 2030‑bedrijfsnorm, mits zij hun bedrijf uiterlijk 2035 beëindigen; • Voor deze groep is het vaak niet doelmatig om nog te investeren in maatregelen om de norm van 2030 te halen als zij toch kort daarvoor of daarna zullen gaan stoppen; • Er wordt onderzocht of en in welke omvang zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie. Daarnaast wordt actief met de agrariërs meegedacht over functieverandering, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om op het erf te blijven wonen. Tevens zou de uitvoeringsorganisatie met deze agrariërs in gesprek kunnen gaan over grondverwerving. Met deze aanpak zouden agrariërs daadwerkelijk iets geboden kunnen worden: geen noodzaak om aan de norm per 2030 te voldoen, uitboeren tot maximaal 2035 en eventueel enige vorm van financiële compensatie53 mits men bereid is om het wegbestemmen per uiterlijk 2035 op voorhand vast te leggen. In 2026 wordt dit instrument nader doorontwikkeld als onderdeel van grondbeleid (zie instrument: grond en verkaveling) of als subsidie (bijvoorbeeld MGB). 4.
Denkrichting: De haalbaarheidstoets Op basis van het plan uit stap 3 zullen agrariërs de volgende hoofdvragen hebben: • Voldoe ik met mijn plan aan de concrete normen voor mijn bedrijf binnen de context van Aanpak Veluwe?; • Wat betekent dit voor mijn vergunning?; • Welke financiële ondersteuning is er mogelijk (subsidie en compensatie)?; • Op welke manier kan ik verder publiekrechtelijk worden ondersteund?; • En in geval van een Ondernemingsplan: is mijn plan toekomstbestendig op basis van een integrale analyse van de KPI’s54? Deze vragen worden door het loket, en dus de uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe beantwoordt middels het beoordelen van het plan via een haalbaarheidstoets. Met de boordeling van dit plan kunnen ondernemers duidelijkheid krijgen over hun situatie en daadwerkelijk toegang krijgen tot: vergunningverlening, subsidieregelingen, eventueel nadeelcompensatie en eventuele andere vormen van ondersteuning/publiekrechtelijke medewerking zoals functiewisseling en grond en verkaveling. De aanvragen voor subsidie, nadeelcompensatie, vergunning, functiewisseling etc. worden door de uitvoeringsorganisatie voorbereid, maar de besluitvorming blijft bij de respectievelijke overheden. Op termijn zal dit mogelijk verschuiven naar mandatering van deze bevoegdheden aan de uitvoeringsorganisatie.
Daarnaast werkt Aanpak Veluwe aan de volgende systematiek: indien uit de haalbaarheidstoets blijkt dat de agrariër niet tijdig de bedrijfsnorm in 2030 gaat behalen vanwege een valide reden, dan kan de agrariër gemotiveerd uitstel vragen tot maximaal 2035. Deze aanvraag wordt door het loket voorbereid en ten slotte bij het bevoegd gezag (de provincie Gelderland) ingediend. Dit heeft bijvoorbeeld impact op de hoogte van de compensatie waar een agrariër recht op heeft. Dit wordt in 2026 nader uitgewerkt.
53 Er wordt in 2026 nader onderzocht of de compensatie publiek- of privaatrechtelijk kan worden verhaald. 54 De werking met KPI’s vraagt nog om een nadere uitwerking.
40
Het instrument: RO-beleid Effectief RO-beleid is essentieel voor het laten slagen van de Aanpak Veluwe. Daarbij worden zes belangrijke uitgangspunten gezien: 1. Sturen op de juiste functie op de juiste plek; 2. Heldere kaders bieden voor agrarische bedrijfsontwikkelingen, om zo te kunnen voldoen aan de normen; 3. Een toereikend functieveranderingsbeleid om ondernemers die willen stoppen te begeleiden naar een nieuwe (passende) invulling van het erf. Naast een functieverandering naar Wonen kan het daarbij ook gaan om de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid of een maatschappelijke functie op het erf; 4. Het actief sturen door gemeenten op het behouden van agrarische bedrijfslocaties in gebieden waar de agrarische sector toekomstperspectief heeft; 5. Het bieden van mogelijkheden voor verbrede/multifunctionele landbouw, zodat ondernemers nieuwe verdienmodellen kunnen ontwikkelen en daarbij ook ruimte ontstaat voor gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging; en 6. Het gericht sturen door gemeenten op grondgebruik om bij beëindiging van agrarische bedrijven ongewenste landschappelijke veranderingen en negatieve neveneffecten op natuur, bodem en water te voorkomen. 1.
Sturen op de juiste functie op de juiste plek Het Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe kenmerkt zich door een integrale benadering van de opgave in de (deel)gebieden, gericht op natuurherstel, waarbij naast stikstofreductie ook het hydrologisch systeem een belangrijke rol speelt. De Aanpak stelt hiervoor de kaders waarbinnen gebiedsprocessen worden uitgewerkt en ruimtelijke keuzes worden gemaakt volgens het principe ‘de juiste functie op de juiste plek’. Deze doorvertaling sluit aan op de Omgevingsscan binnen de ondernemingsplanaanpak en wordt ondersteund met grond- en verkavelingsinstrumenten. Waar passend kan aanvullend worden gestuurd via bijvoorbeeld het instellen van een graslandnorm (zie punt 6). De uitkomsten van de gebiedsprocessen worden vervolgens geborgd in de Omgevingsvisies van gemeenten, de provincie en het Rijk, conform het één-overheid-principe en met een gezamenlijke verantwoordelijkheid.55 Bij de nadere uitwerking van plannen volgens de andere lijnen in deze paragraaf, vormt de Omgevingsvisie vervolgens het ruimtelijk kader voor agrarische ontwikkelingen, maar dus ook voor andere ontwikkelingen op het gebied van bedrijvigheid, wonen, recreatie etc. Via deze stapsgewijze aanpak wordt geborgd dat uiteindelijke ontwikkelingen voldoen aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) zoals bedoeld in de Omgevingswet. Zie hoofdstuk 6 voor meer informatie.
2. Heldere kaders voor agrarische bedrijfsontwikkelingen De Aanpak Veluwe is gebaseerd op het principe ‘Wie ontwikkelt, draagt bij’. Naast het sturen op emissienormen, betekent dit ook dat een doorvertaling in het ruimtelijk beleid van de gemeenten noodzakelijk is. Gemeenten moeten vastleggen onder welke voorwaarden zij via een omgevingsplanwijziging of omgevingsvergunning medewerking verlenen aan vormwijzigingen/optimalisatie of vergroting van agrarische bouwmogelijkheden op bestaande erven. Hierdoor weet de ondernemer op basis van de Aanpak Veluwe niet alleen in het milieu- en natuurspoor (via normen), maar ook in het ruimtelijk spoor welke mogelijkheden er zijn om het bedrijf toekomstbestendig te ontwikkelen. Hierbij moet o.a. worden gedacht aan het bieden van uitbreidingsruimte voor dierenwelzijn (bijvoorbeeld meer oppervlakte per dier en/of een overdekte uitloop aan een stal), maar ook aan vormwijzigingen voor het beter benutten van het erf en het bieden van ruimte aan (technische) installaties, mestopslag, etc. De integrale benadering van de Aanpak Veluwe helpt daarbij om deze omgevingsplanwijzigingen of omgevingsvergunningen te onderbouwen. De noodzakelijke sturing wordt provinciaal geregeld vanuit overstijgende belangen, maar er wordt zoveel mogelijk ruimte gehouden voor lokaal maatwerk vanuit de Omgevingsvisie. 3.
Functieveranderingsbeleid Alle 21 gemeenten hebben functieveranderingsbeleid, aangezien de agrarische sector al lang te maken heeft met een autonome daling van bedrijven. Van belang is om de verwachte impact van de Aanpak Veluwe nader uit te werken en een ruimtelijke strategie ten aanzien van stoppende bedrijven uit te werken. Vraagstukken daarbij zijn o.a.: • In welke gebieden zijn nieuwe gevoelige functies niet wenselijk, om zo optimaal perspectief te houden voor de agrarische sector? Zie hiervoor ook punt 3 met betrekking tot het behouden van bestaande agrarische bedrijfslocaties;
55 Dit kan in de praktijk door collectief een partiele herziening af te spreken die alle overheden tegelijkertijd gaan doorvoeren in hun omgevingsvisie.
41
• • •
In welke gebieden is ruimte voor het toevoegen van (meer) woningen?; In welke gebieden is ruimte voor het toevoegen van bedrijvigheid, en in hoeverre is het nodig om nader te gaan sturen op het type bedrijvigheid?; Een vraag over het meer verweven van landbouw en natuur.
4. Actief sturen op het behouden van agrarische bedrijfslocaties Tot op heden wordt nog niet actief gestuurd op het behouden van bestaande agrarische bedrijfslocaties in gebieden waar veel toekomstperspectief wordt gezien voor de agrarische sector. Indien op dergelijke locaties nu een verzoek tot functieverandering wordt ingediend, wordt daaraan in beginsel medewerking verleend. Daarbij zijn de mogelijkheden voor een nieuwe functie veelal beperkt als gevolg van omliggende geur- en fijnstofemissies, maar een functieverandering naar een reguliere woonbestemming (bestaande boerderijwoning) is wel mogelijk. Een nieuwe koers kan zijn om actief aan te geven in welke gebieden dergelijke agrarische bedrijfslocaties behouden dienen te worden om voldoende ruimte voor de agrarische sector te houden. In dat geval is bij beoogde bedrijfsbeëindiging geen sprake van functieverandering, maar is de opgave voor de ondernemer om de locaties aan te bieden aan andere ondernemers die het bedrijf willen voortzetten. Ook kunnen deze locaties dienen als nieuwe locatie van bestaande agrarische bedrijven die omwille van verstedelijking of ander ruimtelijk beleid geen perspectief hebben op de huidige locatie. Naast de aandacht voor de bedrijfslocaties zelf verdient – in geval van grondgebonden (melk)veehouderij - de verkaveling daarbij aandacht.
Autonoom is sprake van geleidelijke verslechtering van de verkavelingssituatie. Het beëindigen van bedrijven verergert dat proces terwijl een goede verkaveling voor bedrijven van uitermate groot belang is. Herverkaveling kan worden ingezet om de uitgangspositie van agrarische bedrijfslocaties te versterken. In veel gevallen zijn combinaties denkbaar met kavelruil of herverkaveling die wordt opgezet om in een deelgebied de juiste grondgebruiker op de juiste plek te krijgen. 5. Verbrede/multifunctionele landbouw Beleid voor multifunctionele landbouw biedt aan ondernemers de mogelijkheid om aanvullende nevenactiviteiten te ontplooien naast het agrarisch bedrijf. Dit kunnen activiteiten in de horeca, recreatie, maar ook andere economische activiteiten zijn. Het is van belang dat in het beleid duidelijk wordt aangegeven welke activiteiten op welke locaties mogelijk en wenselijk zijn én dat deze mogelijkheden voldoende ruim zijn om ook deze maatschappelijke functies inhoud te kunnen geven. Door het vooraf vaststellen van dit beleid kan de besluitvorming over individuele initiatieven bovendien aanzienlijk worden versneld. Aandachtspunt bij deze vorm van nevenactiviteiten is het behouden van (beperkte) emissieruimte voor de nieuwe functie, wanneer een deel van de veehouderij wordt beëindigd. 6.
Gericht sturen op grondgebruik Overheden kunnen gericht sturen op grondgebruik, bijvoorbeeld door een scheurverbod van het huidige graslandareaal in te voeren, zoals in het beleid gericht op de stikstofreductiegebieden. Een scheurverbod borgt het behoud van grasland en verbied de omzetting naar akkerland. Ook zou er op het behoud van grasland gestuurd kunnen worden door de implementatie van een graslandnorm. Deze noodzaak volgt uit ervaringen met beëindigingsregelingen, waarbij veel grasland is omgezet naar akkerbouw met negatieve landschappelijke en hydrologische consequenties. Andere te verkennen opties zijn het beperken van (laan)bomen en/of bloem(boll)enteelt. In 2026 wordt nader uitgewerkt welke overheid hierin het initiatief neemt (de gemeenten of de provincie Gelderland). 5. Formele beoordeling bevoegd gezag Door het bevoegd gezag wordt vervolgens op verzoek van de agrariër een formele beoordeling van de vergunning, compensatie, subsidie of andere publiekrechtelijke medewerking uitgevoerd, wat leidt tot een formeel besluit. De uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe bereidt dit zo veel mogelijk voor om het bevoegd gezag te ontzien en het proces voor de ondernemer zo soepel en eenduidig mogelijk te laten verlopen. Gelet op de grote hoeveelheid te verwachten aanvragen, geeft dit binnen de uitvoeringsorganisatie ook mogelijkheden voor specialisatie. 6.
Uitvoering Agrariërs en andere ondernemers voeren het plan en de bijbehorende maatregelen uit om aan de bedrijfsnorm te voldoen. Daarbij houdt de agrariër nauw contact met de uitvoeringsorganisatie en kan voor vragen of begeleiding een zaakbegeleider worden ingeschakeld. Op deze manier wordt gezamenlijk het gebiedsemissieplafond gerealiseerd.
42
7. Handhaving en monitoring Tot slot vindt handhaving door de Uitvoeringsorganisatie in samenwerking met het bevoegd gezag plaats. Tevens wordt de voortgang van het behalen van het gebiedsemissieplafond gemonitord en periodiek gerapporteerd (zie paragraaf 6.4). Conclusie en vervolgstappen Samengevat zet Aanpak Veluwe in vakmanschap en ondernemerschap van de ondernemer centraal. Met verschillende instrumenten worden de ondernemers ondersteund in het behalen van de normen: (ondernemings)plannen, subsidies, nadeelcompensatie, gerichte inzet van grond- en verkavelingsinstrumenten en flankerend RO‑beleid. Voor het slagen van de instrumentenmix zijn enkele algemene randvoorwaarden cruciaal; langjarige beschikbaarheid met voldoende budget en voorspelbaarheid voor ondernemers, keuzeruimte in de tijd waardoor ondernemers op meerdere momenten keuzes kunnen maken richting 2030, voldoende uitvoeringscapaciteit bij overheden en transparante communicatie en handreikingen richtingen ondernemers. Als onderdeel van een nadere uitwerking zal nog aanvullend onderzocht worden welke instrumenten specifiek voor natuur- en beekdalherstel inzet kunnen worden. Het instrument: Grond en verkaveling Met grondinstrumenten kan de overheid sturen op het realiseren van opgaven, zoals het sturen op verkavelingen om een vitaal landelijk gebied mogelijk te maken.
De overheid kan gebruik maken van de volgende grondstrategie op de korte termijn (zie bijlage 1.2 voor meer informatie over grond en verkaveling): 1. Zelfrealisatie en subsidies Er is een breed scala aan subsidies beschikbaar, denk o.a. aan functieverandering, agrarisch natuurbeheer en bedrijfsbeëindiging. Waar de opgaven voldoende helder zijn kunnen deze subsidies autonoom ingezet worden. Vanaf 2027 wordt een regeling verwacht voor permanente extensivering door middel van afwaardering. Tot hiervoor een regeling beschikbaar is zal op korte termijn in het vrijwillige spoor aan-, verkoop en kavelruil in combinatie met agrarisch natuurbeheer de enige mogelijkheid zijn om bij te dragen aan dit specifieke doel. Voor meer informatie raadpleeg bijlage 1.2 Subsidies. 2. Anticiperende-/strategische aankopen Voor de korte termijn zijn alleen instrumenten met een vrijwillig karakter beschikbaar. Altijd zal in eerste instantie zelfrealisatie en inzet van ruilgrond worden onderzocht en ingezet. Daarna en daarnaast is de strategie om actief in te zetten op anticiperende aankoop van gronden en eventueel hele bedrijven door de overheid. Beschikbaarheid van grond helpt om in de uitvoering snel van start te kunnen. Aangezien nog niet overal de opgave helder is reageren we vooralsnog alleen op gronden of hele bedrijven die (vrijwillig) te koop aangeboden worden.
Naarmate de opgave en de gewenste aan te kopen locaties duidelijk worden kan de overheid actiever opereren op de grondmarkt en op eigen initiatief eigenaren benaderen. Zowel de provincie als de Nationale Grondbank hebben middelen beschikbaar om aankopen te doen, dit moet gedaan worden in nauwe samenspraak met de gemeente. Al tijdens het verwervingstraject dient er aandacht te zijn voor het (tijdelijk) beheer van gronden. Het kan nodig zijn om gronden enige tijd, soms wel meerdere jaren, in eigendom te houden om deze uiteindelijk in het kader van de gebiedsstrategie weer uit te geven. In die tussenfase dienen de gronden gericht op de toekomstige functie duurzaam beheerd te worden. Nu de pachtwetgeving herzien wordt, verdient dit nadrukkelijk aandacht. 3. Vrijwillige kavelruil Met vrijwillige kavelruil kunnen ondernemers zelf percelen ruilen om hun verkavelingssituatie te verbeteren. Aan die kavelruilen kunnen ook overheden of terreinbeheerders deelnemen. Als voldaan wordt aan de (eenvoudige) spelregels voor vrijwillige kavelruil, is vaak een tegemoetkoming mogelijk in de notaris- en kadasterkosten en geldt vrijstelling van overdrachtsbelasting. Ook beschikbaarheid van grond (b.v. na verwerving door de overheid) kan een aanleiding zijn voor initiatief vanuit de overheid voor kavelruil.
Voorwaarde voor inbreng van grond door overheden is veelal dat (globaal) duidelijkheid bestaat over de opgaven en de gewenste locaties. Dit om te voorkomen dat gronden geruild worden naar locaties waar naderhand nog maatschappelijke opgaven moeten worden gerealiseerd. Strategie langere termijn Gezien de forse opgaven op de Veluwe en de gewenste realisatietermijn (10 jaar) zal de inzet van op termijn dwingend instrumentarium mogelijk nodig zijn om de opgaven te realiseren: 100% realisatie van de opgave op basis van vrijwilligheid lijkt niet haalbaar. Denk hierbij aan instrumentarium als een omgevingsverordening en gerichte verwerving (als uitkomst van gebiedsprocessen) in het kader van een concreet ruimtelijk inrichtingsplan. Hiermee kan de grond naar de passende gebruiker worden gebracht. Pas bij het verder uitwerken van de gebiedsplannen of sectorale opgaven kunnen keuzes gemaakt worden over het meest logisch in te zetten instrumentarium. Per opgave of deelgebied zullen deze verschillend zijn. 43
3.3
Gebiedsgericht werken
De Aanpak Veluwe kiest voor duidelijkheid. Vanwege de doelstellingen zullen ondernemers de komende 10 jaar hun bedrijfsvoering aanpassen. We verwachten dat dit grote gevolgen zal hebben voor, met name, het landelijk gebied. De uitvoering is bedrijfsgericht én gebiedsgericht. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de lokale en gebiedsgerichte benadering is en hoe Aanpak Veluwe kan ondersteunen in deze veranderingen. Bedrijfsgerichte en gebiedsgerichte instrumenten In paragraaf 3.2 zijn de bedrijfsgerichte instrumenten beschreven. Voor een groep ondernemers die gezamenlijk een stap wil zetten, bijvoorbeeld via kavelruil, extensivering, natuurinclusieve landbouw, mestverwerking of waterbeheer, kan een gecombineerde aanpak worden gehanteerd: individueel krijgt iedere ondernemer een zaakbegeleider en de ondernemer stelt een ondernemingsplan op; collectief werken de ondernemers een bedrijfsoverstijgend plan uit, ondersteund door o.a. de uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe en provinciale procesregisseurs. Werken aan een Vitaal landelijk gebied Voor de Aanpak Veluwe is het van belang dat er een Vitaal landelijk gebied is, in het bijzonder vitale economie, sterke gemeenschappen en omgevingskwaliteit. Vanuit de ambitie Vitaal landelijk gebied werkt de Aanpak Veluwe meer integraal en gebiedsgericht en ook mens- en gemeenschapsgericht, om de opgaven lokaal te realiseren.
De geformuleerde opgaven versterken de algehele leefbaarheid. Vanuit de verschillende belangen en opgaven die binnen het gebied spelen wordt een samenhangende aanpak uitgewerkt. In tegenstelling tot de kernopgaven stikstofreductie, natuur- en beekdalherstel (ambitie Robuuste natuur) zijn voor genoemde andere opgaven weinig tot geen concrete maatregelen vastgelegd vanuit de Aanpak Veluwe. Dit biedt ruimte voor een gebiedseigen invulling ondersteund door gebiedsprocessen. Aanpak Veluwe benut zo veel mogelijk bestaande tafels en sluit voor de gebiedsgerichte aanpak waar mogelijk aan bij lopende gebiedsprocessen. 56 Vanuit de gebiedseigen, lokale vraagstukken kan een aanvraag gedaan worden op de beschikbare middelen en instrumenten om deze opgaven te realiseren. Gebiedsprocessen De realisatie van de kernopgaven (natuurherstel, beekdalherstel en stikstofreductie) kunnen alleen behaald worden met draagvlak vanuit de agrarische sector en de samenleving als geheel. Het doorlopen van een gebiedsproces is een beproefde manier om dit draagvlak te bewerkstelligen en uiteindelijk de in de Aanpak Veluwe gedefinieerde doelen te bereiken. Dit door in gesprek te gaan met alle stakeholders. Randvoorwaardelijk voor een succesvol gebiedsproces is dat het proces: • Perspectief biedt; • De opgave integraal benadert; • Vanuit het gebied werkt; en • Inzet op het collectief.
Voor de kernopgaven natuurherstel en beekdalherstel zijn in het Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe concrete maatregelen geformuleerd. Vanuit Aanpak Veluwe wordt verwacht dat de Gebiedsprocessen deze maatregelen mogelijk maken conform wat in het Uitvoeringsplan is vastgelegd. De inhoudelijke scope van Aanpak Veluwe is kleiner en primair gericht op een bedrijfsgerichte aanpak waarbij bedrijven een reductieplan maken als onderdeel van een breder ondernemingsplan. Die plannen worden gemaakt in de context van gebieden, waarbij steeds zal moeten worden gekeken of het plan past in het perspectief voor het gebied, hoe het plan zich verhoudt tot andere doelen en of er grond- en verkavelingsvraagstukken mee samenhangen die op gebiedsniveau moeten worden vormgegeven. Op deze wijze ondersteunt de Aanpak Veluwe enerzijds de Gebiedsprocessen bij het realiseren van de opgaven voor Robuuste natuur en biedt zij anderzijds ruimte voor een gebiedseigen invulling van een Vitaal landelijk gebied. Instrumenten, middelen en capaciteit op gebiedsniveau Aanpak Veluwe biedt ter ondersteuning instrumenten en capaciteit en geeft mandaat en middelen voor lokale uitvoering.
Hierbij kan gedacht worden aan: • Capaciteit en ondersteuning ter versterking van het Gebiedsproces in het algemeen en uitwerking van specifieke onderdelen (denk hierbij aan grond- en verkavelingsplannen, uitvoeringsplannen voor beoogde maatregelen natuur- en beekdalherstel, specifieke projecten met groepen boeren, etc.);
56 In 2026 wordt nadrukkelijk de landgoederen betrokken in de gebiedsprocessen. Momenteel vallen de landgoederen niet binnen bestaande regelingen en subsidies, terwijl
deze partijen een grote rol spelen in het bereiken van de ambities en opgaven van de Aanpak Veluwe.
44
• • •
Instrumenten op gebiedsniveau, in het bijzonder grond- en verkavelingsinstrumenten (denk hierbij aan capaciteit en expertise grondzaken, inzet grondbank, ondersteuning kavelruil, etc.), om de bedachte uitkomst van de gebiedspuzzel ook daadwerkelijk te kunnen leggen; Inzet zaakbegeleiders die oog hebben voor de ontwikkeling van bedrijfsplannen in een specifieke gebiedscontext en Gebiedsproces; Financiële middelen voor deelprojecten binnen het Gebiedsproces die gericht zijn op één of meer van de drie opgaven voor robuuste natuur en de drie opgaven voor vitaal landelijk gebied.
Figuur 9: Schematische weergave hoe de opgaven voor Vitaal Landelijk Gebied zich verhouden tot de Gebiedsprocessen.
Aanpak Veluwe volgt en ondersteunt lokale en gebiedseigen vragenstukken In het landelijk gebied op en rondom de Veluwe lopen verschillende gebiedsprocessen. Via deze gebiedsprocessen worden voor een aantal gebieden met meervoudige doelen pre-verkenningen en verkenningen uitgevoerd volgens de Gelderse aanpak gebiedsontwikkeling 57 . De provincie heeft van het Rijk middelen verkregen om in een aantal gebieden met meervoudige doelen een gebiedsproces op te starten waarbij de urgentie ligt op de versnellingsaanpak stikstof, wateropgaven en natuurherstel. Vanuit Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN) wordt Extra Rijksinzet aangeboden in enkele van deze gebiedsprocessen58. Om de opgaven voor de ambitie Vitaal Landelijk Gebied te realiseren benut de Aanpak Veluwe waar mogelijk de lopende gebiedsprocessen. De verbinding tussen de Aanpak Veluwe en de Gebiedsprocessen vindt plaats via de Gebiedscommissies, bestuurlijke vertegenwoordiging van deelregio’s binnen het programmagebied. De Gebiedscommissies hebben een vergelijkbare binding met het (deel)gebied, doordat zij bestaan uit vertegenwoordiging vanuit lokale overheden, landbouwen agrarische ketenpartners, natuur- en terreinbeherende organisaties en recreatie ondernemers. De ruimtelijke scope van de Gebiedscommissies ten opzichte van de Gebiedsprocessen kan variëren.
De inhoudelijke opdracht van de gebiedsprocessen is in de regel breder dan de kernopgaven van de Aanpak Veluwe. Benodigde ondersteuning per Gebiedsproces Aanpak Veluwe ondersteunt de Gebiedsprocessen ten behoeve van het realiseren van de opgaven behorende tot de ambities Robuuste Natuur en Vitaal Landelijk Gebied. Om te achterhalen in hoeverre de Gebiedsprocessen deze opgaven al hebben opgenomen in de planvorming is er een inventarisatie (vragenlijst) uitgevoerd onder enkele lopende Gebiedsprocessen. Daaruit komt het volgende beeld naar voren. Veel Gebiedsprocessen die in de planvormings- of uitvoeringsfase zitten hebben al concrete doelen geformuleerd die deels aansluiten bij de twee ambities en zes opgaven van de Aanpak Veluwe. Echter, er is nog niet altijd een duidelijk stikstofdoel, mede in afwachting van wat komt vanuit de Aanpak Veluwe en de Versnellingsaanpak Stikstof. Binnen de Gebiedsprocessen is doorgaans al inzicht in waar de kritieke subgebieden liggen en wat aangepakt moet worden. Er is een eerste inventarisatie gedaan waarbij de gebiedsprocessen zijn getypeerd in de mate waarin Aanpak Veluwe aangehaakt moet blijven in de planvorming dan wel uitvoering. In het geval van ‘volgen’ heeft het gebiedsproces de kernopgaven in beeld en opgenomen in de uitwerking.
57 Lees de Aanpak Gebiedsontwikkeling voor meer informatie over gebiedsgerichte werken in Gelderland. 58 Lees de kamerbrief van 29 november 2024 en 19 september 2025 voor meer informatie over Ruimte voor Landbouw en Natuur.
45
Indien een gebiedsproces aangeduid is met ‘versterken’ dienen de opgaven scherper in beeld gebracht te worden en indien er (vrijwel) niets is opgenomen dan wel niet volledig niet in lijn is met de opgaven van Aanpak Veluwe dient er een nieuwe opzet te komen voor de desbetreffende gebiedsprocessen. Om te zorgen dat de twee ambities en zes opgaven van de Aanpak Veluwe meegenomen worden in de Gebiedsprocessen zijn voor de komende periode de volgende stappen in beeld om nader uit te werken: 1. Verdere inventarisatie van lopende Gebiedsprocessen: welke processen dragen concreet bij aan de kerndoelen, welke moeten nader onderzocht en mogelijk versterkt worden en welke gebieden rond de Veluwe hebben nog geen Gebiedsproces; 2. Analyse binnen de Gebiedsprocessen: waar is welke ondersteuning nodig en welke subgebieden vragen aandacht vanuit de Aanpak Veluwe; 3. Bepalen van ondersteuning: welke capaciteit, expertise, instrumenten en maatregelen Aanpak Veluwe kan bieden. Huidige gebiedsprocessen Hieronder worden de huidige gebiedsprocessen rondom de Veluwe beschreven. In 2026 wordt een overzicht van deze huidige gebiedsprocessen weergegeven in een kaart. GEUS (Garderen, Elspeet, Uddel en Speuld) In mei 2023 hebben Gedeputeerde Staten (GS) Gelderland ingestemd met de startnotitie GEUS en de intentieovereenkomst met waterschap en gemeenten.
GEUS richt zich op de transitie van het landelijk gebied, waarin doelen voor natuur, water, klimaat en stikstof samenkomen met leefbaarheid, landbouw en recreatie. De verkenningsfase is afgerond met een gebiedsplan tot 2050, een samenwerkingsovereenkomst en een meerjarenbegroting; de planuitwerkingsfase is inmiddels gestart na vaststelling door GS en ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst. Het Groene Valleilint59 Het Groene Valleilint omvat het landelijk gebied van Barneveld (Noordwest), Nijkerk en Putten en bevindt zich sinds 2025 in de oriëntatiefase. Aanleiding is de transitie van het landelijk gebied en de behoefte aan recreatief uitloopgebied als groene contramal voor verstedelijking. Doel is om samen met gebiedspartners te werken aan een sterk groen blauw raamwerk met opgaven voor stikstof, natuur, water, bos en recreatie; in het voorjaar van 2026 volgt een besluit over de (pre-)verkenning. Ede–Barneveld De gemeenten Ede en Barneveld, waterschap Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en het ministerie van LVVN starten een gebiedsproces voor het gebied tussen de gemeenten Ede en Barneveld, met als doel bij te dragen aan stikstofreductie, natuurherstel, toekomstbestendig maken van het watersysteem en verbetering van de waterkwaliteit. Eind 2025 is een intentieovereenkomst getekend voor de verkenningsfase.
Naast maatregelen om vergunningverlening weer op gang te brengen, wordt een gebiedsprogramma opgesteld voor de komende 3–5 jaar en wordt verkend of het gebied kan dienen als natuurcompensatie. Binnenveld In het afgelopen jaar hebben de Provincie Gelderland, Provincie Utrecht, de gemeenten Ede, Wageningen, Rhenen en Veenendaal, het Waterschap Vallei & Veluwe en het ministerie van LVVN samen gekeken hoe zij plannen in het Binnenveld kunnen uitvoeren. In dit gebied spelen veel verschillende opgaven. Het gaat bijvoorbeeld om natuurherstel en minder om stikstofreductie, maar ook om landbouw, recreatie, woningbouw, mobiliteit en energie. De bestuurders hebben besloten om verder te gaan in twee delen: een Utrechts deel en een Gelders deel van het Binnenveld. Dit doen zij omdat vooral de plannen voor verstedelijking aan de Utrechtse kant nog verder onderzocht moeten worden. De twee gebieden vragen om een andere aanpak en een ander tempo. Door ze te splitsen, kunnen de eerste stappen sneller worden gezet en kunnen projecten starten. Gelderse Poort In de Gelderse Poort is het provinciale doel om ruimtelijke opgaven op lokale en regionale schaal op te halen en in te brengen in het proces Ruimte voor de Rivier (RvR) 2.0. Belangrijke hoofdprocessen zijn het Ruimtelijk Perspectief Rijn en RvR 2.0.
In het tweede kwartaal van 2026 wordt naar verwachting besloten over een vervolg (go/no go) van de Samenwerkingsagenda Gelderse Poort.
59 Het deelgebied Het Groene Valleilint is als pilotgebied meegenomen in het praktijkwerkboek Overgangsgebieden dat vanuit VRO/Mooi Nederland is gemaakt. De provincie
en verschillende gemeenten zijn daarbij betrokken geweest. Zie https://hnsland.nl/projecten/praktijkwerkboek-overgangsgebieden/ of Overgangsgebieden in transitie | Ruimtelijke ordening Nederland.
46
Oostelijke Beekdalen Veluwezoom GS heeft besloten de gebiedsaanpak Oostelijke Beekdalen – Soerens Beekdal en Zuidflank te ondersteunen met een programma-aanpak en procesmiddelen voor de pre-verkenning. De inzet is gericht op vier samenhangende hoofdopgaven voor water, natuur, klimaat en landbouw, met aandacht voor landschap, cultuur en beleving. De regio Groene Metropool Regio is trekker en werkt de komende 2–3 jaar met partijen aan concrete maatregelen. Masterplan IJsselvallei Voor het Masterplan IJsselvallei is een ambitiedocument opgesteld met een doorkijk tot 2050 voor een gebied met hoge prioriteit voor natuur, stikstofreductie en wateropgaven. Het plan verbindt deze opgaven met klimaatadaptatie, landbouwontwikkeling en recreatie. Het gebiedsproces bevindt zich in de oriëntatiefase; begin 2026 wordt een plan van aanpak opgeleverd voor besluit (go/no go) over de start van de pre-verkenning. Vervolgstappen Gebiedsgericht werken via gebiedsprocessen wordt in 2026 nader uitgewerkt. Daarbij worden de regioregisseurs actief betrokken, wordt afstemming georganiseerd tussen de Aanpak Veluwe en de huidige gebiedsprocessen, en wordt de samenhang ertussen geconcretiseerd. Onder meer worden de bedrijfsgerichte aanpak en de bijbehorende instrumenten expliciet gekoppeld aan de lopende processen.
Tevens wordt de benodigde capaciteit in beeld gebracht en worden de rollen en verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd.
47
3.4
Uitvoeringsgovernance
De Aanpak Veluwe is een langjarig programma van het Rijk, de provincie Gelderland, waterschap Vallei en Veluwe, waterschap Rijn en IJssel en 21 Gelderse gemeenten. Met het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst (hierna: “S K”) spreken deze overheden af om als één overheid op te treden, met heldere doelen, duidelijke rollen en een gezamenlijke uitvoering. De Aanpak Veluwe is echter primair een uitvoeringsprogramma. Ten behoeve van het organiseren van deze uitvoering voor de komende >10 jaar is een inrichting nodig die de volgende doelen dient: de betrokkenheid vanuit het gebied borgen, het organiseren van uitvoeringskracht, de interbestuurlijke samenwerking verstevigen en het fungeren als één loket voor de regio. Het Rijk wordt binnen de Aanpak Veluwe vertegenwoordigd door het ministerie van LVVN. Er zijn natuurlijk vraagstukken die ook aan andere departementen raken (I en W, VRO, BZK etc.), voor deze vraagstukken organiseert LVVN de rijksafstemming en vertegenwoordigd zij deze binnen het BO. In deze paragraaf wordt een eerste schets gegeven van de uitvoeringsgovernance. Hierbij wordt aangesloten bij de SOK. De komende periode zal de uitvoeringsgovernance nog nader uitgewerkt worden en besluitvorming hierover wordt separaat voorgelegd aan het BO. In figuur 10 is de uitvoeringsgovernance zoals die voor ogen is binnen Aanpak Veluwe schematisch weergegeven.
Dit schema wordt hieronder nader toegelicht.
Figuur 10: Schematische weergave van de uitvoeringsgovernance
1. Bestuurlijk Overleg (BO): Het (interbestuurlijk) BO is opdrachtgever voor de uitvoering. Het heeft hiermee de publieke regie door de kaders vast te stellen waarbinnen de uitvoeringsstrategieën per deelgebied opgesteld dienen te worden. Het heeft daarmee als opdrachtgever een kaderstellende taak voor de kernopgaven stikstofreductie, natuur- en beekdalherstel en een besluitvormende taak (na beoordeling) over het Uitvoeringsplan en de uitvoeringsstrategieën (zie ook de SOK). Het BO heeft zoals verwoord in de SOK de volgende verantwoordelijkheden, zonder daarbij de publiekrechtelijke bevoegdheden van de overheden aan te tasten of te doorbreken: • Vaststellen en bijstellen van het Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe; • Vaststellen doelen voor stikstofreductie, natuurherstel en herstel bodem- en watersysteem; 48
• • • • • • • •
Expliciet maken van kaders waarbinnen een Uitvoeringsstrategie geformuleerd moet worden; Bewaken van de integraliteit van de Aanpak Veluwe over de gebieden heen; Bepalen van de opgaven per programma- of deelgebied; Halfjaarlijkse afstemming over de Uitvoeringsstrategie; Vaststellen van de Uitvoeringsstrategie per deelgebied en periodieke actualisatie; Verdelen van beschikbare middelen en bewaken samenhang met andere programma’s en fondsen; Besluitvorming over bijsturing wanneer monitoring laat zien dat doelen niet op koers liggen. Waarna de gebiedscommissie de opdracht krijgt om hier op toe te zien om met voorstellen van aanpassing van de strategie te komen; en Periodieke evaluatie van de samenwerking en governance via een evaluatiecommissie.
Het BO bestaat uit bestuurlijke vertegenwoordigers van het Rijk, de provincie Gelderland, waterschap Vallei en Veluwe, waterschap Rijn en IJssel en de 21 gemeenten. De SOK vormt het fundament onder deze gezamenlijke governance, hierin wordt ook opgenomen dat besluitvorming plaatsvindt op basis van consensus vanuit de betrokken overheden. In de komende periode dient ook gekeken te worden hoe de interbestuurlijke samenwerking publiekrechtelijke borging krijgt. Het hoogste orgaan van de uitvoeringsgovernance waar besluitvorming plaatsvindt is het BO, hetzelfde geldt voor eventuele escalatie. Besluitvorming vindt plaats over de doelen en kaders ten behoeve van de uitvoeringsstrategie, en indien nodig halfjaarlijkse bijsturing op de doelen, kaders of andere aspecten binnen de uitvoeringsstrategie. 2. Stuurgroep Het BO stelt een stuurgroep in (zie hiervoor ook de SOK) om namens het BO dagelijkse sturing te geven aan de uitvoering van het programma Aanpak Veluwe. De stuurgroep moet daarmee opereren binnen de kaders die door het BO gesteld zijn. De stuurgroep vervult namens het BO de opdrachtgevende rol in de uitvoering en een coördinerende rol ten behoeve van de uitvoering. De stuurgroep ondersteund het BO en bereid besluitvorming in het BO voor. De nadere rol en taken en samenstelling van de stuurgroep zijn in de SOK verwoord.
De stuurgroep heeft naast een coördinerende taak en een opdrachtgevende taak namens het BO de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van de voortgang van het programma. Daartoe zal periodiek een voortgangsrapportage moeten worden opgesteld die wordt voorgelegd aan het BO. Uitwerking voortgangsrapportage Om zicht te houden op het halen van de doelstellingen in Aanpak Veluwe is het belangrijk om inzicht te krijgen in de voortgang van de uitvoering en eventuele oorzaken van vertraging in beeld te brengen en te houden. Ook is het van belang om zicht te houden op de planning, het beoogde resultaat en het beschikbare budget. De voortgangsrapportage moet zo worden ingericht dat een relatie gelegd kan worden met de beoogde beleidsdoel(en) van de Aanpak Veluwe. Tijdens het uitvoeringsjaar komt twee keer per jaar informatie beschikbaar over de voortgang van de uitvoering. Naast de informatie uit de uitvoering zal ook een meerjarenbegroting en uitputting opgesteld worden. Dit komt in de integrale voortgangsrapportage. Op basis van de beschikbare middelen kan door de stuurgroep in samenspraak met de uitvoeringsorganisatie voorstellen worden gemaakt ten aanzien van inzet beschikbare middelen en indien nodig voorstellen voor acties om projecten van de grond te krijgen.
Deze sturingsinformatie kan in januari en september voorgelegd worden aan het BO zodat eventuele financiële aspecten daarvan via de P&C cyclus (voorjaars en najaarsnota) van de provincie in de begroting van de provincie verwerkt kunnen worden. De exacte vorm van de voortgangsrapportage zal door de stuurgroep in nauwe afstemming met de uitvoeringsorganisatie worden vormgegeven. 3. Denkrichting: Gebiedscommissie Zoals in de SOK verwoord heeft het BO de mogelijkheid om voor specifieke gebieden gebiedscommissies in te stellen. Het is aan het BO om op voordracht en advies van de stuurgroep en in nauwe afstemming met de verschillende gebieden binnen Aanpak Veluwe, te bepalen voor welke gebieden de instelling van een Gebiedscommissie noodzakelijk is en bijdraagt aan de uitvoering. Daarmee kan met meerdere Gebiedscommissies gewerkt worden binnen de aanpak. De geachte is op dit moment dat een Gebiedscommissie de opdrachtnemer is van de opdracht vanuit het BO om een uitvoeringsstrategie te ontwikkelen voor haar programmagebied, binnen de door het BO vastgestelde kaders. De stuurgroep vervult in dat geval de opdrachtgevende rol richting de Gebiedscommissie namens het BO en zorgt voor frequente afstemming met en 49
aansturing van de Gebiedscommissie. De Gebiedscommissie zou frequente afstemming moeten hebben over de feitelijke uitvoering met zowel de stuurgroep als met de Uitvoeringsorganisatie. De primaire taak van de Gebiedscommissie(s) zou kunnen zijn: het fungeren als klankbord voor de uitvoeringspraktijk en het adviseren over de uitvoeringsstrategie. Met betrekking tot die uitvoeringsstrategie zou zij in opdracht van de stuurgroep en ondersteund door de Uitvoeringsorganisatie het initiatief kunnen nemen om een uitvoeringsstrategie en een grondstrategie op te stellen. Vaststelling van deze uitvoeringsstrategie en grondstrategie liggen bij het BO. Bij het opstellen van een uitvoeringsstrategie wordt gebruik gemaakt en aansluiting gezocht op de eventuele uitvoeringsstrategieën die gebiedsprocessen in het gebied al hebben ontwikkeld of aan het ontwikkelen zijn. Uitgangspunt daarbij is wel dat ook deze gebiedsprocessen moeten opereren binnen de kaders zoals gesteld binnen de Aanpak Veluwe door het BO.
Wanneer het BO besluit tot het instellen van Gebiedscommissies, dan wordt (zoals ook geformuleerd in de SOK) de volgende opdracht voorzien: • Een uitvoeringsstrategie voor het gebied te ontwikkelen voor de kernopgaven emissiereductie, natuur- en beekdalherstel, met de volgende onderwerpen: o Vertaling van gebiedsdoel naar bedrijfsdoelen, met bijbehorend overzicht van reductieplannen en transitiepaden van bedrijven in het gebied; o Advies over benodigd instrumentarium, financiering en de invulling van natuur- en watermaatregelen; o Een grondstrategie, met daarin een overzicht van stoppers en vrijkomende gronden; o Afstemming van de strategie op gebiedsprocessen en voert nauwe afstemming met stakeholders in het gebied; o Indien van toepassing: landinrichtingsplan maken als onderdeel van uitvoeringsstrategie; o De doorwerking naar publiekrechtelijke besluitvorming.