CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringsplan Aanpak Veluwe

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente RhedenBij agendapunt: Samenwerkingsovereenkomst Aanpak Veluwe53.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

De sector draagt bij aan leefbaarheid, gezondheid en sociale cohesie. Door bijvoorbeeld uitloopgebieden, landschapsparken, het inzetten op ‘slow-tourism’, duurzame mobiliteit met fijnmazige fiets- en wandelnetwerken, groenblauwe dooradering en het versterken van erfgoed- en cultuurlandschappen. Op deze manier ontstaat economisch vitaal model waarbij de menselijke druk op kwetsbare gebieden verlaagt; • Sterke gemeenschappen: dit betreft initiatieven gericht op de mens en gemeenschap, waarbij sociale cohesie, werkgelegenheid en leefbaarheid met elkaar samenhangt. Hier wordt bijvoorbeeld stilgestaan bij het creëren van lokaal draagvlak, sociale cohesie en gemeenschapskracht, het begeleiden van ondernemers in de transitie, maar ook het realiseren (de bereikbaarheid van) van goede voorzieningen; • Omgevingskwaliteit: gaat in op de fysieke leefomgeving, met een focus op natuur, landschap, water, bodem, erfgoed en landbouw in onderlinge samenhang. Omgevingskwaliteit draagt bij aan een gezonde, schone, veilige en welvarende omgeving. Hieronder vallen ook ruimtelijke en belevingskwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan een leefomgeving met een schone lucht, gezonde bodem en goede waterkwaliteit, bescherming van biodiversiteit en klimaatbestendig is voor risico’s zoals droogte, hitte en overstromingen.

Daarnaast is de beleving vanuit de mens van belang, gericht op een veilige inrichting en zorgvuldig gebruik van het gebied en duurzame en verantwoorde economische activiteit. De opgaven Vitale economie, Sterke gemeenschappen en Omgevingskwaliteit kennen vanuit de Aanpak Veluwe geen vaste, set aan maatregelen. De gebiedseigen invulling hangt af van lokale opgaven en kan worden gerealiseerd met (financiële) ondersteuning vanuit de Aanpak Veluwe (indien die beschikbaar komt). De wijze waarop de Gebiedsprocessen (zie paragraaf 3.3) hun planvorming vormgeven bepaalt de mate waarin de opgaven van de ambitie Vitaal landelijk gebied integraal gerealiseerd worden. De recreatie- en toerismesector is een integraal onderdeel van deze drie opgaven om een vitaal landelijk gebied te realiseren. In bijlage 4 is het belang ervan op en rond de Veluwe uiteengezet. De inhoudelijke uitwerking volgt in 2026. Overige opgaven Overige opgaven, zoals de klimaatopgave (bijvoorbeeld methaanreductie bij de melkveehouderij), de Natuurherstel verordening en dierenwelzijn, zijn op dit moment nog niet klaar voor uitvoering. Wanneer dergelijke opgaven concreet worden en het effectief is ze in de Aanpak Veluwe mee te nemen, kunnen de samenwerkende overheden besluiten ze te integreren.

Waar al bekend is dat deze opgaven invloed hebben, wordt daar waar mogelijk rekening mee gehouden, zodat verrassingen voor boeren en andere ondernemers in de komende jaren zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.5.

2.2

Doelstelling stikstofreductie

Voor de doelgerichte interbestuurlijke samenwerking zijn goed onderbouwde gezamenlijk vastgelegde en bestendige doelen en normen op gebieds-, sector- en bedrijfsniveau van belang voor een integrale meerjarige aanpak die zowel juridisch houdbaar als effectief en uitvoerbaar is. Op deze manier weten boeren en andere ondernemers wat er op hun bedrijf van hen wordt verwacht, kunnen normen passend worden toegedeeld aan de verschillende sectoren en kan de voortgang op regioniveau worden gemonitord en waar nodig worden bijgestuurd en gehandhaafd. Het komen tot duidelijke normen op bedrijfsniveau vergt eerst een duidelijk sectordoel, wat beredeneert moet worden vanuit een gebiedsdoel, namelijk de stikstofopgave in concrete natuurgebieden. Deze paragraaf gaat verder in op deze doelstellingen.

21

Depositie en de KDW Het nationale stikstofdoel is op dit moment gekoppeld aan de KDW 31. Dit is de maximale hoeveelheid neerslag van stikstof uit de lucht (‘depositie’) die een ecosysteem kan verdragen zonder dat de natuurkwaliteit aantoonbaar verslechtert. Deze is bepaald en vastgelegd voor alle natuurtypen (habitats) binnen Natura 2000-gebieden, zo ook voor de Veluwe. Volgens de Omgevingswet moet in 2030 gemiddeld 50% van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de KDW liggen, oplopend naar 74% in 2035. De KDW wordt door velen ervaren als lastig om op te sturen en wordt daarom ook wel omschreven als een ‘bewegend doel’: tal van bronnen veroorzaken depositie en inzichten over KDW-waarden en hun betekenis verandert in de tijd. Metingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 32 geven weer dat de directe relatie tussen de emissie van ammoniak (stikstof) van een specifieke activiteit en de depositie hiervan binnen een zone van ca. 500 m rondom de emissiebron het hoogst is. Tegelijkertijd is het percentage van de ammoniakemissie dat neerkomt binnen 500 m van een bron ‘slechts’ 5 tot 9 procent (RIVM resp. studie UVA) en binnen een straal van 100 km komt ca. 50% neer.

Emissiereductie leidt dus niet automatisch tot een evenredige daling van depositie, wat de opgave complex maakt met vele veroorzakers van depositie, wat lokaal sturen op depositie bemoeilijkt. Om de depositie van stikstof te reduceren en richting of onder de KDW te komen moeten de emissies van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) omlaag. Voor deze stikstofemissiereductie circuleren verschillende doelen op verschillende schaalniveaus, voor Nederland, de provincies en de Veluwe, uitgedrukt in percentages (reductie) en kton (reductie of plafond). Emissiegericht sturen 33 geeft op gebiedsniveau en voor specifieke sectoren zoals de landbouw het benodigde houvast. Dit wordt vaak uitgedrukt in reductiepercentages met een referentiejaar. Over dat basisjaar (2018 of 2019) bestaat discussie. In dit uitvoeringsplan sluiten we, conform de meest recente Kamerbrieven, aan bij 2019. Depositie op de Veluwe Figuur 4 toont de bijdrage van verschillende emissiebronnen aan de totale stikstofdepositie op de Veluwe. De getoonde percentages zijn berekend met de Aerius Monitor op basis van emissieregistratie-inputgegevens en geven de achtergronddepositie op het Natura 2000-gebied weer. Van de totale depositie wordt 53% toegerekend aan de agrarische sector, 29% aan emissies uit het buitenland en 18% aan overige bronnen, zoals mobiliteit, industrie en woningbouw.

Vanwege het relatief grote aandeel van de landbouw wordt in het vervolg van dit hoofdstuk de nadruk gelegd op emissiereductie binnen de agrarische sector; de bijdrage en de mogelijke maatregelen voor de overige sectoren worden in hoofdstuk 5 behandeld. Figuur 4: Depositiepercentages per bron op Natura 2000-gebied Veluwe34

31 De Kritische depositiewaarde refereert naar de neerslag van stikstof vanuit de lucht die op of in de grond terechtkomt. 32 RIVM: Stikstof/Stikstofdepositie/ Depositie van ammoniak en stikstofoxide tot 0,5 km van de bron. 33 Met emissie wordt gerefereerd aan de uitstoot van stikstof, die in de lucht terechtkomt. Dit als tegenhanger van sturing op depositie, waarbij er vele bronnen zijn, waardoor

hier lastig op te sturen is vanuit een specifieke bedrijfstak. 34 Aerius Monitor, Opbouw gemiddelde stikstofdepositie Natura 2000-gebied Veluwe.

22

Advies expertgroep Op advies van een onafhankelijke expertgroep 35 op het gebied van doelen binnen de veehouderij bestaande uit is nader onderzoek gedaan naar passende emissiedoelen voor de 21 gemeenten rondom de Veluwe. De expertgroep bouwt voort op het MCEN-advies (het startpakket van de Commissie Schoof) en eerdere studies en reductiepercentages. Gezamenlijk zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1.

Stuur op stikstofemissie (ammoniak) in plaats van depositie. Emissies zijn wél effectief te sturen en te monitoren en voorkomen het ‘bewegende doel’ van de KDW. Dit sluit ook aan bij het startpakket van de MCEN. Het emissiedoel voor een specifiek gebied (bijvoorbeeld de 21 gemeenten rondom de Veluwe) wordt afgeleid van de depositiedoelen voor de natuur (KDW), uitgaande van bijdragen van alle gebieden en sectoren. Vervolgens wordt er een ‘knip’ gelegd tussen het emissiedoel en depositie; 2. Stel een absolute norm in kton op in de vorm van een gebiedsemissieplafond. Een percentage vereist een referentiepunt, en wanneer dit referentiepunt wordt gewijzigd, vormt ook het percentage een ‘bewegend doel’. Een absoluut doel dat de maximale emissies op jaarbasis bepaalt, voorkomt naar de toekomst toe discussies over het referentiejaar en geeft daarmee meer duidelijkheid; 3. Differentieer de opgave naar deelsector en per bedrijfstype en niet naar deelgebieden. Door de opgave te differentiëren naar deelsectoren (zoals melkvee, pluimvee, varkens, kalveren) en per bedrijfstype (bijvoorbeeld open en gesloten stallen) wordt rekening gehouden met de specifieke behoeften en mogelijkheden van verschillende boerenbedrijven.

Het differentiëren van de opgave en (vervolgens) bedrijfsnormen naar deelgebieden heeft volgens de experts slechts beperkt effect omdat uiteindelijk de hele ‘stikstofdeken’ omlaag moet. Daarnaast is dit complex in de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. Percelen van bedrijven liggen namelijk nooit precies in een bepaalde zone. Dit leidt tot veel grensdefinities en -discussies; 4. Vertaal de sectornormen naar bedrijfsniveau. Werk met de sector heldere emissienormen per eenheid (bijvoorbeeld per dierplaats) uit, zoveel mogelijk in aansluiting op het reductiepotentieel per sector en de karakteristieken van bedrijven, met ruimte voor maatwerk in specifieke omstandigheden, zodat bedrijven gericht kunnen sturen en eerdere reducties niet worden bestraft. Beredeneerd vanuit het depositievraagstuk adviseerde de expertgroep specifiek voor de Regio Foodvalley (de bron van 60% van de landbouwemissies binnen de Aanpak Veluwe) een reductiedoelstelling van ca. 60% ammoniakemissies in 2035 ten opzichte van 2019. Dit percentage ligt iets hoger dan eerdere percentages zoals het MCEN advies van 42-46% en is gemotiveerd door de omvang en kwetsbaarheid van de Veluwe als grootste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied van Nederland. Voorlopig uitgangspunt: een gebiedsemissieplafond voor de landbouw van 3,0 kton NH3 Een reductiedoelstelling van ca.

60% ammoniakemissies in 2035 ten opzichte van 2019 komt voor de 21 gemeenten in de Aanpak Veluwe neer op een reductie van ca. 7,4 naar ca. 3,0 kton.

35 Expertgroep bestaande uit experts van Wageningen University & Research, Universiteit Utrecht en Nyenrode Business Universiteit/ CHE.

23

Van deze opgave wordt naar verwachting ca. 31% (ca. 2,4 kton) reeds in 2030 bereikt door reeds gerealiseerde reductie van 2019 tot 2023 (ca. 1,0 kton) en verwachte autonome ontwikkelingen (ca. 1,3 kton). Autonome ontwikkeling is gebaseerd op huidig beleid en omvat een verwacht aantal stoppers van bedrijven met een bedrijfshoofd ouder dan 55 jaar zonder opvolger en stoppers via LBV, LBV-plus, derogatie en overige regelingen. Indien de reductie door stoppers kan worden geborgd is de restopgave voor de ‘blijvers’ nog 2,1 kton reductie. Verdere borging hiervan wordt onderzocht op basis van het inzetten op intrekken van dierrechten, of het toekomstig intrekken van vergunningen. In het definitief bepalen van dit gebiedsemissieplafond wordt gezocht naar een evenwicht tussen enerzijds aantoonbare relevantie voor natuurherstel en anderzijds haalbaarheid en draagvlak. Dit is een zoektocht en wordt in de komende periode verder uitgewerkt en gekalibreerd. Figuur 5: Totale36 ammoniakemissie37 (in kton in 21 gemeenten)38

Bij het definiëren van dit gebiedsemissieplafond wordt ook rekening gehouden met externe risico's van sectoren en met factoren die buiten de reikwijdte van Aanpak Veluwe liggen, zoals de mogelijke uitbreiding van defensie en de opening van Lelystad Airport. Op dit moment vinden gesprekken plaats en worden inventarisaties uitgevoerd om deze risico's in kaart te brengen en hierop passend te handelen. Aanpak Veluwe beoogt het gebiedsemissieplafond voor de komende tien jaar vast te zetten, ongeacht eventuele externe ontwikkelingen. Risico analyse Basisscenario analyse effect op depositie In het kader van de Aanpak Veluwe bracht Wageningen University of Research (WUR) in samenwerking met bureau Wing EMC voor het ~82.000 ha grote Natura 2000‑gebied Veluwe in beeld wat de impact van emissiereductiescenario’s is op de mate van overschrijding van de kritische depositiewaarden (KDW) van de verschillende stikstofgevoelige habitats. Deze scenario’s zijn ondersteunend bij het stellen van het gebiedsemissieplafond voor de Veluwe. Momenteel zit vrijwel het hele stikstofgevoelige Natura 2000-areaal op de Veluwe (>99%) boven de KDW: voor de meeste habitats (bossen) met een factor 1,5 en voor bepaalde habitats (heiden, verstuivingen) met een factor van (ruim) 2.

De analyse 39 van WUR/Wing EMC concludeert, op basis van onderstaande uitgangspunten, een duidelijk neerwaartse depositielijn, waarbij het overgrote deel van de Veluwe in (zeer) lage overschrijdingsklassen komt of zelfs onder de KDW, namelijk: 90% van het areaal binnen 10% overschrijding van de KDW of onder de KDW. De gemiddelde overschrijding van de KDW op de Veluwe daalt van ca. 660 mol per heden naar ca. 90 mol in 2035. Daarmee wordt een enorme stap gezet op weg naar doelbereik. Van belang bij dit modelmatige resultaat blijft dat naast de 21 gemeenten van de Aanpak Veluwe ook de rest van Nederland levert door bij te dragen aan emissiereductie, zowel de landbouw als ook andere sectoren als mobiliteit en industrie. Zie onderstaande uitgangspunten.

36 De sector overig bevat dieren zoals schapen, geiten, paarden, pony’s en andere kleine dieren sectoren. 37 De verwachte emissie in kton in 2030 is gebaseerd op NEMA-data die uitgaan van het vastgestelde en voorgenomen beleid per 1 mei 2024 en van autonome ontwikkeling

(betreft in de kern daling door stoppers). 38 Berekeningen Wageningen Universiteit and Research, Edo Gies, 2025. 39 Om het effect van dit scenario op de Veluwe te berekenen is gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare data en inzichten die ook gebruikt worden voor de landelijke monitoring door het RIVM en advisering van de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: (1) De landelijke Emissieregistratie is gebruikt voor analyse van emissies in de jaren 2019 en 2023 uit de meest recente reeks, (2) De Klimaat- en Energieverkenning 2024 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (KEV 2024) voor de prognoses van emissies in 2035, (3) AERIUS Monitor 2025 (RIVM) voor de berekening van de depositie op het natuurgebied de Veluwe, (4) Herkomst deposities zijn bepaald met behulp van de ruimtelijke verdeling in DASH (RIVM). Voor landbouw is die verdeling daarin gebaseerd op het model INITIATOR van de WUR. Hiermee sluiten we aan bij de data en methoden die standaard worden gehanteerd voor emissie- en depositieberekeningen binnen nationale en regionale stikstofanalyses.

24

Er zal in de komende periode nader onderzocht moeten worden in een aantal scenario’s, wat de verwachte impact precies is op de verschillende habitattypen, of de resterende overschrijding met aanvullende natuurherstelmaatregelen kan worden gemitigeerd en wat het effect en de impact is van een hogere emissiereductie, rond de Veluwe en/of in de rest van Nederland. Daarbij wordt ook nadrukkelijk het reductiepotentieel en toekomstperspectief van de agrarische sector meegewogen. Gerekend is met het volgende scenario: • Prognose emissies buitenlandse bronnen 2035 volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2024 van het Planbureau voor de Leefomgeving (KEV 2024); • De landbouw in de 21 gemeenten rondom de Veluwe reduceert NH3 met 60% ten opzichte van 2019: van ~7,5 kton naar 3,0 kton in 2035; • De landbouw in de rest van Nederland reduceert gemiddeld 44% ten opzichte van 2019, in lijn met de 42-46% vanuit de MCEN; en • NOx uit overige sectoren (mobiliteit en industrie) reduceert met 50% in zowel de 21 gemeenten als de rest van Nederland. De voorlopige uitkomsten van de analyse zijn op hoofdlijnen: • Ca. 25% van het areaal komt in 2035 onder de KDW; • Ca. 65% van het areaal kom in 2035 minder dan 10% boven de KDW;* • Ca. 4% van het areaal komt in 2035 tussen de 10% en 20% boven de KDW; en • Ca.

6% van het areaal komt in 2035 meer dan 20% boven de KDW.** • *Binnen deze categorie zijn er twee grote habitattypen die samen ongeveer 70% van de Veluwe vormen: • 26.893 ha Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (deels onder en deels <10% boven KDW), met 53 mol gemiddelde resterende overschrijding in het basisscenario, ofwel gemiddeld 5% boven de KDW; • 29.978 ha Bos van arme zandgronden (deels onder en deels <10% boven KDW), met 58 mol gemiddelde resterende overschrijding in het basisscenario, ofwel gemiddeld 5% boven de KDW; • Een vraag is of er binnen of buiten de Veluwe nog een stap gezet kan worden om deze twee grote habitattypen (voor een groter deel van het oppervlak) onder de KDW te krijgen. **Deze laatste categorie betreft de volgende habitattypen: • 13 ha ‘Zwakgebufferde vennen’; • 52 ha ‘Stuifzandheiden met struikhei’; • 130 ha ‘Heischrale graslanden, droog kalkarm’; en • 4.445 ha ‘Droge heiden’. Voor deze habitattypen zal moeten worden bekeken of via aanvullende natuurherstelmaatregelen in het gebied tot een perspectief op herstel gekomen kan worden. Gevoeligheidsanalyse van het basisscenario Er is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op dit reductiescenario, door de WUR in samenwerking met bureau Wing.

Hieruit blijkt op hoofdlijnen het volgende: • Indien aan het hiervoor uiteengezette basisscenario een strook wordt toegevoegd van 1 km met 70% ammoniakemissiereductie (in 2035 ten opzichte van 2019) voor alle Natura 2000-gebieden op land in Nederland behalve de Veluwe (die blijft op 60% ammoniakemissiereductie staan binnen de 21 gemeenten), is het effect op depositiereductie op de Veluwe nog eens ca. 30 mol. • Zoomen we in op de hiervoor genoemde twee grootste habitats op de Veluwe, namelijk Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden en Bos van arme zandgronden (samen 70% van de Veluwe), dan komt de gemiddelde resterende overschrijding van deze twee habitats mét de 70%-strook uit op 23 respectievelijk 30 mol (t.o.v. in het basisscenario 53 en 58 mol). Vervolgens is dit laatstgenoemde scenario (met de 70%-strook) verder onderzocht op gevoeligheden: • Bij 5% hogere emissiereductie vanuit de landbouw in de 21 gemeenten van de Aanpak Veluwe (totaal 65%) is het aanvullend effect op depositiereductie op de Veluwe ca. 8-10 mol (t.o.v. 60%); • Bij 10% hogere emissiereductie vanuit de landbouw in de 21 gemeenten van de Aanpak Veluwe (totaal 70%) is het aanvullend effect op depositiereductie op de Veluwe ca. 16-20 mol (t.o.v. 60%); 25

• •

Bij 5% hogere emissiereductie vanuit de landbouw in de rest van Nederland (totaal 49%) is het aanvullend effect op depositiereductie op de Veluwe ca. 8-10 mol (t.o.v. 44%); Bij 10% hogere emissiereductie vanuit de landbouw in de rest van Nederland (totaal 54%) is het aanvullend effect op depositiereductie op de Veluwe ca. 16-20 mol (t.o.v. 44%).

De gevoeligheidsanalyse geeft een indicatie van wat een eventuele extra stap toevoegt aan het basisscenario qua depositieeffect. Deze extra stap is dus geen onderdeel van het basisscenario. Daarbij is het goed om te beseffen dat dergelijke scenario’s onzekerheden en bandbreedtes kennen en niet absoluut zijn. Zo heeft de Nederlandse gemiddelde stikstofdepositie een onzekerheidsmarge van 20-30 %, zitten er onzekerheden in aannames en de ruimtelijke verdeling van de beoogde emissiereducties in de scenario’s en worden de kritische depositiewaarden in de wetenschap uitgedrukt met een bandbreedte en niet met een exact getal. Ook is het de vraag of dergelijke percentages in de praktijk haalbaar zijn bezien vanuit het reductiepotentieel (in combinatie met de autonome ontwikkeling). Dit vergt een nadere economische impactanalyse. Zie daarvoor ook paragraaf 4.1 en 4.2. Ecologische duiding Door een ecologische werkgroep is een analyse gemaakt van wat de impact is op de habitats op de Veluwe van bovenstaand depositiebeeld in combinatie met de beoogde natuurherstelmaatregelen als uitgewerkt in hoofdstuk 4. Immers, de benodigde ecologische onderbouwing ten aanzien van het verslechteringsverbod uit de Habitatrichtlijn gaat verder dan enkel de KDW-effecten.

De ecologische werkgroep komt tot de volgende voorlopige conclusies (nader uit te werken): • Op basis van bovenstaand uiteengezet scenario voor de Aanpak Veluwe wordt in 2035 een stevige en substantiële stikstofreductie gerealiseerd; • Voor een aanzienlijk deel van de habitats en VHR-soorten op de Veluwe verwachten de ecologen dat de geraamde stikstofreductie - in combinatie met de reeds geplande natuurmaatregelen uit het Natura 2000-beheerplan en bijbehorende herstelprogramma’s én de aanvullende natuurmaatregelen uit de Aanpak Veluwe - zal leiden tot het stoppen van verdere verslechtering van de habitats. Dat geldt ook voor een deel van habitats die onder de verwachte stikstofreductie nog altijd (deels) licht (<10%) boven de KDW blijven. Voor een deel van deze habitats en soorten komen daarnaast als gevolg van de aanvullende natuurmaatregelen uit de Aanpak Veluwe ook de Natura 2000-uitbreiding- en kwaliteitsdoelen binnen bereik; • Voor een deel van de habitats zal de geraamde stikstofreductie leiden tot het stoppen van verdere verslechtering van de habitats, maar zal de toekomstige stikstofdepositie onder het stikstofreductiescenario uit de Aanpak Veluwe nog altijd te hoog zijn om, met name de Natura 2000-kwaliteitsverbeteringsdoelen, maar soms ook de uitbreidingsdoelen, te realiseren.

Voor een ander deel van de habitats zal de geraamde stikstofreductie leiden tot het stoppen van verdere verslechtering van de habitats, maar zal herstel richting de ecologische kwaliteit op het moment van aanwijzen (m.a.w. herstel van de opgelopen verslechtering) en verder voorwaarts richting de Natura 2000-uitbreiding- en kwaliteitsdoelen onzeker blijven. Dat is dan echter niet meer het gevolg van een te hoge stikstofdepositie, maar van het effect van het nog beschikbaar komen van in het systeem geaccumuleerde stikstof en de opgebouwde bodemverzuring en -degradatie als gevolg van de historische stikstofdepositie van de afgelopen decennia. Of het herstel van deze habitats mogelijk is, bijvoorbeeld met behulp van steenmeel, schelpkalk of andere vormen van bekalking is nog onzeker en vraagt verder onderzoek (dat is ook al voorzien in de Aanpak Veluwe).Voor enkele habitats op de Veluwe is ook onder de geraamde stikstofreductie het risico op voortdurende verslechtering van deze habitats niet uit te sluiten.

Om voor deze habitats verslechtering te stoppen, opgelopen verslechtering te herstellen en de Natura 2000-uitbreiding- en kwaliteitsdoelen uiteindelijk te realiseren is verdere stikstofreductie – in samenhang met het wegnemen van eventueel andere drukfactoren – noodzakelijk; • Bovenstaande prognose is tot stand gekomen op basis van stikstofreductiescenarios met hun eigen onzekerheid. Zo zal bijvoorbeeld de op termijn daadwerkelijk gerealiseerde stikstofdepositiereductie lokaal verschillen met de modelinvoer en daarmee de effectieve lokale daling voor het habitattype en/of leefgebied van soorten. Gezien de beperkte tijd is voor bovenstaande prognose gekozen voor een pragmatische analyse die niet dezelfde grondigheid en status heeft als een natuurdoelanalyse. Het blijft een prognose en deze kan in de praktijk dus zowel positiever als negatiever uitvallen. De nadere, cijfermatige uitwerking van deze ecologische analyse wordt toegevoegd in een volgende versie, wat een nauwkeuriger antwoord moet bieden op de vraag naar het voorkomen van verdere verslechtering.

26

Vervolgstappen Wanneer we het gebiedsemissieplafond vaststellen op om en nabij de 3,0 kton NH3 per 2035, dienen op hoofdlijnen de volgende vervolgstappen te worden doorlopen:40 Reductiepotentieel per diersector (hoofdstuk 4) In hoofdstuk 4 vindt via een bottom‑up benadering differentiatie van de resterende reductieopgave naar sector- en bedrijfsniveau plaats. De voorkeurslijst met maatregelen per bedrijfstype (zie paragraaf 4.1) dient als uitgangspunt. Op deze manier worden passende doelstellingen en afdwingbare normen per diersector (kalveren, pluimvee, varkens, melkvee, geitenhouderij) opgesteld, afgestemd op het reductiepotentieel van sectoren en bedrijven, zodat de agrarische sector vitaal blijft. Dit wordt verder uitgewerkt met experts en de sector. Deze uitwerking vindt plaats na vaststelling van dit Uitvoeringsplan. Reductiepotentieel akkerbouw (hoofdstuk 4) In 2026 worden de NOx- en stikstofemissies van de akkerbouw verder uitgewerkt volgens de hierboven beschreven systematiek. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar mestaanwending, maar ook naar onder meer watergebruik en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Normering op bedrijfsniveau (hoofdstuk 6) Vervolgens wordt het reductiepotentieel per diersector vertaald naar bijpassende normen op bedrijfsniveau, waarbij waar mogelijk recht wordt gedaan aan verschillende bedrijfsconcepten en reductiepaden.

Binnen Aanpak Veluwe worden diersectoren en bedrijfstypen gebenchmarkt op de gemiddelde emissie per eenheid, en wordt de benodigde norm (emissie per eenheid) per bedrijfstype vastgesteld om het reductiepotentieel te behalen. Dit gebeurt in afstemming met de agrarische sector en in lijn met landelijke ontwikkelingen. Deze uitwerking vindt plaats na vaststelling van dit Uitvoeringsplan. In hoofdstuk 6 wordt al wel uitgewerkt hoe deze normering juridisch wordt geborgd.

2.3

Doelstelling natuurherstel

Voor natuurherstel worden binnen de Aanpak Veluwe de volgende doelstellingen gehanteerd: 1. Verslechtering van de natuur in Natura 2000-gebieden is gestopt De eerste doelstelling is de verslechtering van de natuur binnen Natura 2000-gebieden te stoppen. Hiervoor moeten de maatregelen uit de huidige Natura 2000-beheerplannen en herstelprogramma’s voortvarend worden uitgevoerd (zie paragraaf 4.3 Maatregelen natuurherstel en beekdalherstel). Daarnaast moet de stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden Veluwe, Landgoederen Brummen en het Binnenveld - alle drie met stikstofgevoelige natuur - voldoende zijn afgenomen (zie paragraaf 2.2 Doelstelling stikstofreductie). Deze maatregelen zullen niet in alle gevallen voldoende zijn om verdere verslechtering van de natuur te voorkomen, ook bij vermindering van stikstofdepositie. Door historische depositie is de bodem in natuurgebieden op en rond de Veluwe verregaand verzuurd en bevat deze een overmaat aan geaccumuleerde stikstof. De maatregelen uit de Natura 2000beheerplannen zijn onvoldoende om tot het noodzakelijke herstel te komen. Aanvullende herstelmaatregelen zijn noodzakelijk, bijvoorbeeld bodemmaatregelen met steenmeel of schelpkalk. Of deze maatregelen voldoende effectief zijn en geen ongewenste bijeffecten hebben is echter nog onzeker. Er is dus ook extra onderzoek naar de effectiviteit van deze ingrepen nodig. 2.

Behalen van de Natura 2000-doelen is in 2035 binnen bereik In 2030 is een totaalpakket van geborgde maatregelen uitgewerkt op het gebied van hydrologie, natuurherstelmaatregelen, agrarisch natuurbeheer en stikstofreductie dat voldoende is om de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000gebieden binnen de Aanpak Veluwe te realiseren. 41 Een groot deel van de benodigde maatregelen is al opgenomen in de Natura 2000-beheerplannen en herstelprogramma’s. Vanuit de natuurdoelanalyse van Natura 2000-gebied Veluwe weten we echter dat er aanvullend ook maatregelen rondom de Veluwe noodzakelijk zijn. Het gaat om maatregelen in het landelijk gebied, gericht op hydrologisch herstel, verbeteren van de natuurkwaliteit van het agrarisch landschap (basiskwaliteit 40 De maatregelen en doelen uit de Aanpak Veluwe moeten zich (kunnen) verhouden tot de bestaande rijksmaatregelen en doelen, en bij de uitkomsten die voortvloeien uit de

besluitvorming over maatregelen en doelen uit de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Bij de toerekening van de effecten van de maatregelen moet onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende maatregelpakketten op Rijks- en regionaalniveau, zodat stikstofreducties niet dubbel worden ingeboekt. Te denken valt aan de toepassing van de landelijke beëindigingsregelingen en de generieke maatregelen, zoals doelsturing voor bedrijven in de nabijheid van de Veluwe. 41 Intussen werken Rijk en provincies aan het verder concretiseren van de instandhoudingsdoelen (de omvang en aantallen voor habitats en soorten), zodat beter kan worden beoordeeld wanneer voldoende maatregelen zijn getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen te halen. We streven ernaar om deze doelen zoveel mogelijk in 2035 te realiseren. Dit is wellicht niet voor elke habitattype mogelijk.

27

natuur) en het verbinden van natuurgebieden. De aanvullende maatregelen voor het realiseren van de Natura 2000-doelen op Veluwe worden in het kader van de Aanpak Veluwe verder uitgewerkt en opgenomen in het volgende Natura 2000beheerplan (2030). Daarmee worden de maatregelen juridisch geborgd onder de Omgevingswet en meegenomen in de volgende natuurdoelanalyse (NDA). In de Natura 2000-beheerplannen van Landgoederen Brummen en het Binnenveld zijn vergelijkbare maatregelen in het landelijk gebied reeds geformuleerd. Met deze maatregelen wordt gewerkt aan robuust systeemherstel van het landschap in en rondom deze natuurgebieden (zie paragraaf 4.3 Maatregelen natuurherstel en beekdalherstel). Door middel van robuust systeemherstel kan er aan de wettelijke doelen op het gebied van Natura 2000, de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Natuurherstelverordening (NHV) worden voldaan; o.a. met betrekking tot de VHR-opgave (Art. 4), maar ook aan herstel van populaties van bestuivers (Art. 10), herstel van landbouwecosystemen (Art. 11) en herstel van bosgebieden (Art. 12). 3. Basiskwaliteit Natuur rondom de Veluwe is in 2035 op orde In het agrarisch en stedelijk gebied rondom de natuur wordt aan de Basiskwaliteit Natuur (BKN) gewerkt. Basiskwaliteit Natuur is een landelijk aanvaarde systematiek met als doel om algemene planten- en diersoorten algemeen te houden of te krijgen.

Het omvat een set van gewenste condities op het gebied van: hydrologie, landschappelijke dooradering, ecologisch beheer van bermen en stedelijk groen, extensieve natuurinclusieve landbouw en reductie van gewasbeschermingsmiddelen. Basiskwaliteit Natuur is gericht op gebieden buiten de natuurgebieden, dus het landelijk en stedelijk gebied waar natuur niet de primaire functie is. Als in deze gebieden de kwaliteit van de leefomgeving op orde is, profiteert alle om- en inliggende natuur daarvan. Bij de uitwerking van de Basiskwaliteit Natuur worden de handreikingen van LVVN (deels i.o.) en komende ervaringen uit de pilot Basiskwaliteit Natuur Foodvalley gebruikt. Er wordt een gebiedspecifieke uitwerking van de Basiskwaliteit Natuur gemaakt, die voldoende aansluit op de knelpunten van de Natura 2000-gebieden en is afgestemd op het bestaande landschap daar omheen. Aanpak Veluwe streeft ernaar dat de gebieden rondom de Veluwe uiterlijk in 2035 voldoen aan de Basiskwaliteit Natuur. De basiskwaliteit is tevens een onderdeel van robuust systeemherstel en valt daarmee onder de Aanpak om aan de wettelijke doelen op het gebied van Natura 2000, de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Natuurherstelverordening (NHV) te voldoen.

2.4

Doelstelling Beekdalherstel

Het bodem- en watersysteem van de Veluwe bepaalt sterk de condities voor de natuur en de manier waarop de gronden op het massief, langs de flanken en in de valleien gebruikt (kunnen) worden. De Veluwe en haar flanken zijn afhankelijk van regenwater; alleen in de valleien is het op specifieke locaties mogelijk om water vanuit de grote rivieren het gebied in te laten stromen. Het regenwater dat de Veluwe voedt zorgt voor aanvulling van het grondwater en laat de beken stromen. Dit grondwater van de Veluwe treedt als uittredend kwelwater op en voedt diverse natuurgebieden. Het bodem- en watersysteem op en rond de Veluwe is de basis voor robuust systeemherstel. De bodem moet meer werken als een spons en water beter vasthouden. Door klimaatverandering met grotere weersextremen staat het systeem onder druk. Dit vraagt om een meer klimaat adaptief ingericht landelijk gebied. Daarom is het verbeteren van de algehele waterbeschikbaarheid voor alle verschillende vormen van grondgebruik van belang. Waarbij voldoende en schoon grondwater uit het Veluwesysteem essentieel is voor het bereiken van de doelstellingen voor de beekdalen en voor natuur en ook voor de landbouw. Daaraan onderliggend onderscheiden we voor de Veluwe Aanpak de volgende doelstellingen: 1.

Herstel voor beken met een Natura 2000- en KRW-status De beken hebben voldoende toevoer van (grond) water nodig om te kunnen blijven stromen. Hiervoor is het nodig om meer water vast te houden in het gehele stroomgebied van een beek. Aanvullend hierop is ruimte nodig voor natuurlijke processen in de beek en in de directe omgeving van de beek. Ook is er ruimte nodig om extra water te bergen bij piekafvoeren (sterke regenval). 2. Herstel voor natuurwateren en overige wateren Rondom de Veluwe liggen veel kleinere beken die geen KRW-waterlichaam zijn en goede potenties voor kwaliteitsverbetering en biodiversiteitsherstel in zich dragen. Ze zijn daarom benoemd als ‘natuurwater’ in het bestaande waterbeleid. Het gaat o.a. om de beken tussen de noordelijke Veluwerand en het Veluwemeer en tevens de beken in de Veluwezoom. Ook voor het overige oppervlaktewater gelden er nog kwaliteitsopgaven die zijn uitgewerkt als ‘doelen overig water’. In de Aanpak Veluwe nemen we deze opgaven mee en concretiseren deze waar nodig op gebiedsniveau.

28

3. Herstel voor grondwater afhankelijke landnatuur Voldoende aanvulling van de grondwatervoorraad op en rond de Veluwe is nodig om kwelstromen te voeden en grondwaterstanden op peil te houden. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor behoud en herstel van natuurtypen (habitattypen) binnen en buiten de Natura 2000-gebieden, die afhankelijk zijn van schoon en voldoende grondwater. Kwelstromen en goede grondwaterstanden zijn daarbuiten ook belangrijk voor een goede basiskwaliteit natuur. De maatregelen die nodig zijn om de KRW-doelen te halen, zowel naar soort als naar locatie, zijn vaak ook nodig om de natuurdoelen te halen zoals vastgelegd in de Natuurherstelverordening (NHV) met betrekking tot de VHR-opgave (Art. 4), maar ook aan herstel van populaties van bestuivers (Art. 10), herstel van landbouwecosystemen (Art. 11) en herstel van bosgebieden (Art. 12). In een groot deel van de gebieden in de Aanpak Veluwe vallen de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en de natuurgebieden daarom samen. Vooral in natte en vaak wat lager in het landschap geleden gebieden is er veel potentie om natuurwaarden te herstellen of toe te voegen. Natuurherstelverordening en de Aanpak Veluwe De Europese Natuurherstelverordening (NHV) is sinds 2024 van kracht en schrijft de EU-lidstaten voor om maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en aangetaste ecosystemen te herstellen.

Om hier invulling aan te geven moeten Europese lidstaten binnen twee jaar na inwerkingtreding van de verordening, voor 1 september 2026, een concept Natuurplan indienen bij de Europese Commissie (EC) met concrete maatregelen voor de periode tot 2030 en met een doorkijk naar de invulling van de doelen voor verschillende ecosystemen in 2040 en 2050. De maatregelen richten zich op i) het verminderen van drukfactoren, zoals het tegengaan van verdroging, het verbeteren van de waterkwaliteit, en stikstof, en ii) het versterken van ecosystemen, zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden. 42 Dit geldt voor land-, stedelijke-, bestuiver-, landbouw- en bosecosystemen, inclusief bomenaanplant (art. 4, 8, 10, 11 en 12). De Aanpak Veluwe draagt bij aan deze opgaven en houdt daarbij rekening met het komende Landelijke Natuurplan.

2.5

Overige opgaven

Het Uitvoeringsplan zet de noodzakelijke stappen om de natuurvergunningverlening rondom de Veluwe weer verder op gang te brengen. De kernopgaven die met prioriteit worden opgepakt zijn stikstofreductie, natuur- en beekdalherstel, maar ook andere opgaven dienen in de uitwerking van bedrijfs- en gebiedsplannen een plek te krijgen. Opgaven waar de Aanpak Veluwe aan raakt Op bedrijfsniveau maakt iedere ondernemer een plan. Ondernemers die dat willen kunnen hulp krijgen bij het opstellen van een integraal bedrijfsplan waarin alle relevante (duurzaamheids)opgaven samenkomen (zie paragraaf 3.2). In de ‘pilots ondernemingsplannen’ in Ede en Barneveld (in samenwerking met het Ministerie van LVVN, provincie Gelderland en Waterschappen Vallei & Veluwe) is geoefend in het werken met brede bedrijfsplannen die recht doen aan de breedte aan opgaven. Naast stikstofemissies gaat het op bedrijfsniveau dan om opgaven en KPI’s als: waterkwaliteit (stikstof en fosfaat in de bodem en de uitspoeling daarvan, gewasbeschermingsmiddelen), waterkwantiteit, het aandeel natuur- en landschap(elementen), broeikasgasemissies en energieverbruik, de herkomst van input (voer) en aanwending van output (mest), milieuaspecten (geur en fijnstof) en dierenwelzijn. De agrarische sector moet de komende jaren naar verwachting gaan voldoen aan een brede set aan doelen en KPI’s op deze opgaven.

Deze zijn echter nog niet allemaal even concreet uitgewerkt. De Aanpak Veluwe toetst bij de uitrol van (stikstof)maatregelen per maatregel expliciet op mogelijke neveneffecten op genoemde opgaven, positief én negatief. Die beoordeling bepaalt de inzet en voorkeur van (stikstof)maatregelen op bedrijfsniveau. Specifiek voor klimaat is het voornemen een impactanalyse uit te voeren van de Aanpak Veluwe in relatie tot de regionale verdeling van de klimaatdoelen. Het gaat om de Aanpak Veluwe als geheel (hoeveel draagt het bij aan de klimaatdoelen) en om het toetsen van kansrijke maatregelen voor stikstof op het erf ten aanzien van klimaat, om zo afwenteling te voorkomen.

42 Toelichting wettelijke eisen Natuurherstelverordening | Rapport | Rijksoverheid.nl

29

Specifiek voor dierenwelzijn geldt dat veehouderijen dienen te gaan voldoen aan nieuwe regels vanuit de concept-AMvB Dierwaardige Veehouderij, die naar verwachting vanaf 2027 van kracht zullen zijn. Indien over deze onderwerpen nadere besluitvorming plaatsvindt zal worden bekeken of deze opgaven (concreet uitgewerkt naar doelen en mogelijk normering) aan de Aanpak Veluwe toegevoegd worden. Op gebiedsniveau ondersteunt de Aanpak Veluwe een gebiedseigen invulling voor de opgaven vitale economie, sterke gemeenschappen en omgevingskwaliteit. In de gebiedsprocessen moet bottom-up aandacht zijn voor de breedte van deze en andere lokale opgaven (zie paragraaf 3.3). De Aanpak Veluwe is daarmee flexibel ten opzichte van andere opgaven naast de focus op de kernopgaven stikstofreductie, natuurherstel en beekdalherstel. Echter, ook voor de kernopgaven zal sprake zijn van een gebiedseigen invulling, juist in relatie tot andere opgaven die spelen. Zo loopt voor de beekdalen een technisch-inhoudelijke uitwerking van de daar stapelende beleidsopgaven. Deze laat zien dat opgaven in de praktijk qua maatregelen, maar ook ruimtelijk regelmatig samenvallen. Door hier aan de voorkant aandacht voor te hebben, wordt zo efficiënt mogelijk omgegaan met de ruimtelijke component van de maatregelen.

We anticiperen hiermee op opgaven die we in de basis kennen maar nog een concrete vertaling naar een gebied moeten krijgen. Opgaven waar de Aanpak Veluwe niet (direct) over gaat Naast de brede benadering van de opgaven via bedrijfsplannen en gebiedsprocessen zijn er aantal opgaven die vanuit het Uitvoeringsplan niet direct worden opgepakt. Dit zijn: Voedselzekerheid

Woningbouw

Defensie

Winkels en voorzieningen

De Aanpak Veluwe gaat voor een vitale, volhoudbare en toekomstbestendige landbouwsector rondom de Veluwe die een relevante bijdrage levert aan de voedselproductie in Nederland en een kritische massa heeft. In het kader van de Aanpak Veluwe wordt dit niet vertaald in een nadere visie op de structuur en omvang van de landen tuinbouw rondom de Veluwe. Zie daarvoor bijvoorbeeld het nieuwe land- en tuinbouwbeleid van de provincie Gelderland. De woningbouwopgave rondom de Veluwe is groot. Over die opgave zijn nader afspraken gemaakt tussen de provincie en gemeenten en het gesprek over de voortgang daarvan is belegd op andere tafels. De ambitie van de Aanpak Veluwe is de natuurvergunningverlening voor de woningbouwopgave (en aanverwante opgaven) weer verder mogelijk te maken. Zie daarvoor ook paragraaf 6.3. De Veluwe speelt een belangrijke rol in de Nederlandse defensieopgave, zowel historisch als in de huidige en toekomstige inrichting van de krijgsmacht. Het gebied herbergt diverse militaire oefenterreinen en kazernes, die essentieel zijn voor training, paraatheid en logistieke ondersteuning. Door de toenemende geopolitieke spanningen neemt de druk op deze ruimte toe.

De defensieopgave richt zich niet alleen op intensivering en modernisering van het gebruik, maar ook op het zorgvuldig inpassen daarvan binnen ruimtelijke, ecologische en bestuurlijke randvoorwaarden, met nadrukkelijke aandacht voor stikstofproblematiek, geluidsoverlast en samenwerking met regionale overheden en stakeholders. De bestuurlijke discussie hierover behoort niet tot de scope van de Aanpak Veluwe. Rondom de Veluwe bevinden zich diverse dorpen en kleine steden met een basisaanbod aan winkels en voorzieningen, gericht op zowel inwoners als toeristen. Het gaat daarbij vooral om dagelijkse voorzieningen zoals supermarkten, horeca en recreatieve faciliteiten, met in grotere plaatsen een iets uitgebreider aanbod. De schaal en spreiding van deze voorzieningen sluiten over het algemeen aan bij het landelijke karakter van het gebied, al kan de bereikbaarheid en capaciteit onder druk staan in piekseizoenen. De Aanpak Veluwe formuleert hiervoor geen doelen en reserveert hiervoor geen middelen.

30

Integrale ruimtelijke keuzes

Ruimtelijke keuzes in specifieke gebieden, zoals de positionering van veehouderij in relatie tot andere functies, worden door gemeenten gemaakt in afstemming met de overige overheden binnen de Aanpak Veluwe, als onderdeel van gebiedsprocessen en overwegingen in het kader van ruimtelijke ordening. Dergelijke keuzes worden vastgelegd in omgevingsplannen. De Aanpak Veluwe maakt die gebiedskeuzes niet zelf, maar gaat voor brede emissiereductie en bedrijfsnormering, waardoor alle ondernemers een bijdrage hebben te leveren. In de uitwerking daarvan in een specifiek deelgebied zal dit naar verwachting tot ruimtelijke vraagstukken leiden en nadere ruimtelijke keuzes en besluiten vergen van gemeenten, met als richtinggevend principe ‘water en bodem sturend’.

De mogelijkheid bestaat dat een aantal van deze onderwerpen toch meegenomen worden in de gebiedseigen invulling om tot een Vitaal landelijk gebied te komen. Echter, besluitvorming en het specifiek vrij maken van middelen (of andere vormen van ondersteuning) voor bovenstaande onderwerpen zal voort moeten komen vanuit andere gremia dan de Aanpak Veluwe. Brede loketfunctie Aanpak Veluwe Vanuit de Aanpak Veluwe zijn twee ambities, drie kernopgaven en drie andere opgaven geformuleerd waar gericht op gestuurd wordt (zie paragraaf 2.1). Echter, de mogelijkheid bestaat dat vraagstukken en verzoeken op zowel bedrijfs- als gebiedsniveau niet (direct) opgepakt kunnen worden binnen de Aanpak Veluwe. Vanuit de Aanpak Veluwe is wel een loketfunctie beoogd naar burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties (zie paragraaf 3.4). Naar verwachting worden er geregeld signalen ontvangen over zaken die niet goed gaan en waar de Aanpak Veluwe direct of indirect aan raakt. De Aanpak Veluwe beoogt een rol te vervullen bij het signaleren en agenderen hiervan. Ondernemers en inwoners die deze zaken aandragen, krijgen persoonlijk antwoord en/of er wordt met hen in gesprek gegaan om te horen wat er aan de hand is en welke acties en verbeteringen mogelijk zijn, binnen of buiten de scope en organisatie van de Aanpak Veluwe.

31

3

Hoe pakken we het aan?

De Aanpak Veluwe draait niet alleen om wát de samenwerkende overheden willen bereiken (hoofdstuk 2), maar ook om hóe de interbestuurlijke samenwerking dat wil doen. Daarbij is er het besef dat het succes van de aanpak valt en staat met goede en zorgvuldige uitvoering. Door ondertekening van de Samenwerkingsovereenkomst Aanpak Veluwe en het gelijktijdig vaststellen van dit Uitvoeringsplan verbinden de samenwerkende overheden zich om hun aanpak voor de doelen in het gebied met elkaar te coördineren en af te stemmen. Tegelijkertijd maken partijen in de Overeenkomst duidelijk onderscheid tussen hun samenwerkingsverband in de Aanpak Veluwe en het bevoegd gezag dat elke partij uitoefent op basis van zijn of haar wettelijke taken en bevoegdheden. De Samenwerkingsovereenkomst laat de uitoefening daarvan onverlet. Dat betekent dat wat in dit plan staat niet automatisch leidt tot een besluit in die richting van het bevoegd gezag. De betreffende overheid zal daar altijd zijn eigen wettelijke procedure volgen en verantwoordelijkheden dragen. In dit hoofdstuk worden eerst de waarden beschreven die in de komende tien jaar leidend zijn (uitvoeringsfilosofie). Vanuit deze filosofie wordt het bedrijfsgerichte instrumentarium toegelicht aan de hand van de ‘reis van de ondernemer’, gevolgd door het gebiedsgerichte instrumentarium.

Ten slotte wordt de uitvoeringsgovernance uiteengezet, waarin concreet wordt aangegeven hoe de uitvoering eruit moet komen te zien en zou moeten worden georganiseerd. Gebieds- en bedrijfsgerichte inzet De instrumenten is een mix van zowel gebiedsgericht als bedrijfsgericht. We gaan overal bedrijfsgericht aan de slag met het faciliteren van ondernemers om te voldoen aan de nader te bepalen bedrijfsnormen. We gaan daarnaast in gebieden met grote en integrale opgaves gebiedsgericht aan de slag met de volle breedte van de opgaven, zoals stikstof, natuurherstel, beekdalherstel, hydrologie en ruimtelijke ontwikkeling, en met de andere lokale opgaven die belangrijk zijn. Bedrijfsgericht werken in alle gebieden ondernemers met ondersteuning op maat aan integrale ondernemingsplannen en kiezen zij binnen heldere kaders een passende combinatie van management-, technische-, en structuurmaatregelen om aan de (nog te bepalen) bedrijfsspecifieke normen te voldoen. Waar nodig wordt dit gestimuleerd met gerichte subsidies en, aanvullend, financieel mogelijk gemaakt via nadeelcompensatie als de opgelegde norm aantoonbaar tot een abnormale en speciale last leidt . In gebieden met grotere opgaven gaan we gebiedsgericht aan de slag waarbij meerwaarde ontstaat door de individuele bedrijfsplannen in te bedden in de gebiedsontwikkeling.

Daar faciliteren we gebiedsprocessen en zetten we gecombineerd allerlei instrumenten in. Om te beginnen grond- en herverkavelingsinstrumenten (vrijwillige kavel ruil, maar soms ook wettelijke herverkaveling), extra ANLb, strategische grondverwerving, grondbanken en pacht). Daarnaast ook flankerend ruimtelijk beleid zoals functiewijziging, verbrede/multifunctionele landbouw en heldere kaders voor agrarische ontwikkelruimte. Het is belangrijk om in het gehele gebied de mogelijkheid voor vrijwillige kavelruil. Binnen een jaar willen we in een Programma onder de Omgevingswet (zie paragraaf 6.2) meer gebiedsgericht keuzes maken voor ruimtelijke inzet van instrumenten, waaronder de programmering van de eerste generatie kavelruilen.

3.1

Uitvoeringsfilofosie Aanpak Veluwe

De uitvoeringsfilosofie van de Aanpak Veluwe beschrijft de manier waarop we deze grote opgave gezamenlijk gaan realiseren. Niet alleen via normen en regelingen, maar vooral door in de praktijk met ondernemers, inwoners en gebiedspartners op te trekken. Acht samenhangende principes staan daarbij centraal die richting geven aan de uitvoering en de keuzes die we per onderweg maken: 1. Duidelijkheid en zekerheid We willen de regionale opgave voor de komende tien jaar zo concreet mogelijk maken, zodat ondernemers weten waar zij aan toe zijn en hierop durven te investeren en financieren. Tegelijkertijd blijft er altijd sprake van normaal ondernemersrisico; ondernemen is nooit volledig voorspelbaar, maar de randvoorwaarden moeten wél stabiel en begrijpelijk zijn. 2. Medezeggenschap Binnen die heldere opgave is er nadrukkelijk ruimte voor co-creatie. De doelen staan vast, maar de manier waarop de doelen in de praktijk worden gerealiseerd, worden samen met ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen ingevuld.

32

3. Eigen ondernemerschap In deze aanpak staat ondernemerschap en vakmanschap van de ondernemer centraal. Er is ruimte voor diversiteit aan maatregelen, afgestemd op de ondernemer en bedrijfsspecifieke omstandigheden, binnen de grenzen van de opgave: Iedere ondernemer maakt zelf een plan wat past bij de eigen bedrijfsvoering. 4. Reëel en uitvoerbaar De opgave moet uitvoerbaar zijn voor individuele ondernemers en in verhouding staan tot hun bedrijfsvoering. Daarom werken we met uitdagende, maar reële tijdspaden, financiële randvoorwaarden en de mogelijkheid tot maatwerk per bedrijfstype, aangevuld met praktische ondersteuning en begeleiding43. 5. Toekomstbestendig De aanpak houdt rekening met verschillende opgaven op de lange termijn, zoals stikstofreductie, natuurherstel en beekdalherstel. Daarmee wordt gezorgd dat de keuzes die nu gemaakt worden op bedrijfsniveau en op gebiedsniveau zo veel mogelijk toekomstbestendig zijn (minimaal 10 jaar). 6. Adaptief De aanpak heeft een adaptief karakter; we evalueren tussentijds, leren van resultaten en sturen bij op basis van data, praktijkervaring en feedback uit het gebied. We werken met vaste evaluatiemomenten en een duidelijke uitvoeringsgovernance, zodat keuzes transparant zijn en tijdig kunnen worden aangepast. Zo houden we koers en zorgen we dat de opgaven daadwerkelijk worden gehaald. 7.

In verbinding Vanuit de aanpak willen we voortdurend in verbinding staan met ondernemers, inwoners en gebiedspartners. Dat doen we door beschikbaar, betrouwbaar en reflectief te zijn met aandacht voor de persoonlijke kant. Daarnaast werken we met één herkenbaar aanspreekpunt en voor heldere communicatiekanalen. Zo bouwen we aan vertrouwen en signaleren we knelpunten vroegtijdig. 8. Eén overheid Vanuit de Aanpak Veluwe treden de 21 gemeenten, de provincie Gelderland, de twee waterschappen en het Rijk op als één overheid in de uitvoering en in de voorbereiding van de besluitvorming. Deze intensieve samenwerking leggen we vast in een Samenwerkingsovereenkomst (SOK).

3.2

Bedrijfsgericht werken (Reis van de ondernemer )

Aanpak Veluwe werkt doelgericht toe naar robuuste natuur en een vitaal landelijk gebied, vanuit concrete doelen voor stikstofreductie, natuurherstel en beekdalherstel. Er wordt op stikstofemissiereductie gestuurd via een gebiedsemissieplafond en afdwingbare normen op sector- en bedrijfsniveau, met duidelijke tussendoelen (2030) en een einddoel (2035). Omdat deze normen directe impact hebben op ondernemers, wordt een bottom-up benadering gehanteerd: er wordt gestart bij de vraag en situatie van de ondernemer en daar wordt een mix van passende instrumenten op aangesloten. In figuur 6 een uitwerking gemaakt van het proces wat een ondernemer zou kunnen doorlopen binnen de context van Aanpak Veluwe (de zogenaamde “reis van de ondernemer”). Op deze manier is het perspectief van de ondernemer centraal gezet, de daadwerkelijke maatregelen moeten immers op het bedrijf of in het gebied plaats vinden. Tegelijkertijd is het kunnen beschikken over een vergunning (natuurtoestemming) een onlosmakelijk onderdeel van deze reis en het perspectief van de ondernemer. De ondernemersreis is op dit moment globaal uitgewerkt voor de agrariërs – die op korte termijn de grootste opgave hebben. In Q2 2026 wordt deze uitwerking verder verdiept evenals de reis van de recreatieondernemers en mogelijk ook ander type ondernemers.

Persoonlijke benadering & maatwerk De opgaven op de Veluwe grijpen in op de leefomstandigheden, de bedrijfsvoering en het toekomstperspectief van het (familie) bedrijf van ondernemers. Dat vraagt niet alleen om goede regelingen, maar ook om oog voor de ondernemer achter het bedrijf. Daarom verankert de Aanpak Veluwe structureel aandacht voor psychosociaal welzijn 44 in de

43 Dit vergt voldoende uitvoeringscapaciteit bij de samenwerkende overheden. Hierop wordt ingezet door werkzaamheden zoveel mogelijk te standaardiseren en de overheden

via de uitvoeringsorganisatie zoveel mogelijk te ontlasten bij het voorbereidende werk. De benodigde capaciteit wordt in 2026 nader uitgewerkt. 44 We sluiten aan bij de landelijke en gemeentelijke verplichtingen uit de Wet integrale suïcidepreventie en verwijzen actief naar bestaande initiatieven voor mentale ondersteuning. Medewerkers die het erf betreden of telefonisch contact hebben met ondernemers, krijgen daarbij een duidelijke rol: zij weten welke vormen van hulp beschikbaar zijn, hebben basisvaardigheden om zorgen en mentale problematiek te signaleren en bespreekbaar te maken, en kunnen gericht doorverwijzen naar gespecialiseerde hulp.

33

ondernemersreis en staat persoonlijke benadering centraal. De maatregelen moeten daarmee haalbaar en uitvoerbaar zijn maar bovenal; ondernemers moeten weten waar ze aan toe zijn en er is de mogelijkheid tot persoonlijke begeleiding. Daarnaast blijft er ruimte voor maatwerk. We standaardiseren waar mogelijk om de uitvoering te versnellen, maar onderzoeken de mogelijkheden van maatwerk in situaties waarin ondernemers nét niet binnen een bestaande regeling passen of waarin generieke maatregelen onbedoeld verkeerd uitpakken. Maatwerk kan uiteenlopen van het zoeken naar oplossingen binnen de kaders van bestaande regelingen, tot, in uitzonderlijke gevallen en met zorgvuldige motivering, het 45 werken afwijken van een regeling of het organiseren van een oplossing buiten de regeling om. Het doel is Hoe pakken wij dit met aanhardheidsclausules Bedrijfsgericht steeds hetzelfde: ervoor zorgen dat en regelingen mogelijk bereiken en ondernemers zo goed Het ondernemersperspectief staatbeleid centraal; we sluitenzoveel daarop aan methun eendoelen mix van instrumenten, aangevuld mogelijk in staat gesteld om maatregelen die bijdragen aan en de door opgaven binnen Aanpak Veluwe.

Een met ondersteuning via worden het loket (onderdeel vantedenemen uitvoeringsorganisatie) zaakbegeleiders randvoorwaarde voor maatwerk is transparantie: het moet inzichtelijk zijn waarom iemand een andere behandeling krijgt, met een goede motivering en onderbouwing. Vertrekpunt

Agrariër kan bij het loket en zaakbegeleiders informeren over opgave (stikstof, natuur en beekdalherstel), handelingsperspectief en ondersteuning

Agrariër maakt keuze voor ontwikkelpad als nog niet aan de normen voldaan wordt

Agrariër stelt op basis van het gekozen ontwikkelpad zijn eigen bedrijfsplan op gericht op stikstof, natuur en beekdalherstel

oetsen haalbaarheid bedrijfsplan en voorbereiden besluitvorming door het loket

ormeel besluit door bevoegd gezag

Agrariër voert het plan en de maatregelen (stikstof, natuur en beekdalherstel) uit

Handhaving en monitoring door uitvoeringsorganisatie

onferentie Aanpak Veluwe 23 maart 2026

22

Figuur 6: Reis van de agrarische ondernemer (nog nader uit te werken in 2026)

1. Denkrichting: De agrariër informeert bij één loket of zaakbegeleiders Agrariërs en andere ondernemers zullen vragen hebben en willen weten wat binnen de context van de Aanpak Veluwe de opgave op hun bedrijf precies is, wat hun handelingsperspectief is en welke ondersteuning zij kunnen verwachten. De beantwoording van deze vragen, het uiten van zorgen en over ideeën over de Aanpak Veluwe kunnen de agrariërs terecht bij één loket. Dit loket fungeert als herkenbaar toegangspunt en zorgt voor doorverwijzing naar de juiste ondersteuning, financiële regelingen (nadeelcompensatie en subsidies) en gebiedsprocessen. Het loket is onderdeel van de Uitvoeringsorganisatie van Aanpak Veluwe (zie paragraaf 3.5 Uitvoeringsgovernance voor nadere toelichting). Daarnaast kunnen agrariërs ook informatie in winnen bij een zaakbegeleider. Deze zaakbegeleiders vormen de mensgerichte schakel tussen agrarische ondernemers en de betrokken overheden.

De zaakbegeleider: • brengt kennis, beleid, praktijk en partijen samen in een gesprek aan de keukentafel; • ondersteunt de Aanpak Veluwe bij de ontwikkeling van (nieuwe) regelingen en instrumenten; • verbindt verlangens van ondernemers aan de Aanpak Veluwe voor het creëren van perspectief; en • signaleert knelpunten in de uitvoerbaarheid en geeft die terug aan beleid en uitvoering; • beïnvloedt het proces, niet de uitkomst; • stimuleert eigenaarschap bij de ondernemer; • bewaakt de menselijkheid van het traject; • is bekend met de sector en wat er speelt in het gebied. 45 Afwijken van de regeling met hardheidsclausules, omdat het volgen van de regeling onbedoeld verkeerd (gelet op het doel van de regeling) uitpakt.

34

De zaakbegeleider is nadrukkelijk geen loket, geen beslisser en geen belangenbehartiger. De zaakbegeleider voert geen regelingen uit en neemt geen besluiten over aanvragen, maar helpt de ondernemer zich goed voor te bereiden, scenario’s te verkennen en waar nodig aanvullende expertise (fiscaal, juridisch, ruimtelijk) te betrekken. Zie Bijlage 2 Lokale en Persoonlijke benadering voor nadere informatie over de zaakbegeleider. Daarnaast kan de ondernemer voor inhoudelijk advies terecht bij een agrarische bedrijfsadviseur. 2. Denkrichting: De agrariër kiest een ontwikkelpad Op basis van de informatie van het loket en, indien gewenst, ondersteuning door de zaakbegeleiders bepaalt de agrariër het voor hem gewenste handelingsperspectief. Een ondernemer heeft twee primaire handelingsperspectieven: • Blijven en/of doorontwikkelen: het bedrijf toekomstbestendig maken en via passende maatregelen voldoen aan de bedrijfsspecifieke norm; • Stoppen: ondernemers kunnen direct hun bedrijf beëindigen, op termijn de bedrijfsactiviteiten staken (voor 2035) of verplaatsen buiten de regio Aanpak Veluwe en daarmee aan de bedrijfsspecifieke norm voldoen. Beide handelingsperspectieven dragen bij aan het behalen van het gebiedsemissieplafond; het verschil zit in de route en de benodigde randvoorwaarden.

Deze perspectieven leiden tot de volgende ontwikkelpaden, die desgewenst gecombineerd kunnen worden: • Technische maatregelen (zoals o.a. luchtwassers en emissiearme vloeren) om aan de bedrijfsnorm te voldoen. Raadpleeg hoofdstuk 4.1 voor meer informatie; • Managementmaatregelen (zoals o.a. voermaatregelen, weidegang en het verlagen van het tankmelk ureum gehalte) om aan de bedrijfsnorm te voldoen. Raadpleeg hoofdstuk 4.1 voor meer informatie; • Extensiveren: het reduceren van stikstofemissies per ha door gebruik van een groter areaal of afname van het aantal dieren; • Verplaatsen naar een gebied met minder strenge bedrijfsnormen; • Omschakelen naar een andere diersoort of een ander bedrijfsvoering (bijvoorbeeld biologisch); • Maatregelen voor natuur en water implementeren om bij te dragen aan natuurherstel en een goede waterkwantiteit en -kwaliteit. Dit kan ook extensiveren ondersteunen; • Stoppen: gedeeltelijke of volledige beëindiging direct of op termijn. Aanpak Veluwe zet een instrumentenmix in om bedrijfsgericht de ondernemers te faciliteren en te ondersteunen bij het voldoen aan de bedrijfsemissienormen. Deze instrumenten zijn bedoelt om ondernemers in staat te stellen passende maatregelen te nemen die aansluiten op hun bedrijfsvoering, met focus op wat wél kan.

Zes typen instrumenten zijn daarbij leidend en moeten in samenhang uitgedacht en ingezet worden om ondernemers een handelingsperspectief te bieden om tijdig aan de norm te kunnen voldoen: 1. Subsidies ter ondersteuning en stimulering van verschillende ontwikkelpaden; 2. Nadeelcompensatie46 als financiële compensatie om te voldoen aan de norm indien subsidie niet toereikend of passend is; 3. Plannen (waaronder de Ondernemingsplanaanpak) ter ondersteuning van bedrijfsspecifieke keuzes in de context van opgaven; 4. Vroegtijdige beëindiging/wegbestemming om stoppers te faciliteren; 5. Flankerend RO-beleid gericht op duidelijkheid over mogelijke functiewijzigingen en grondgebruik; 6. Grond en verkavelingsinstrumenten om toekomstbestendige verkavelingen te realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=b835b4a4-1821-491b-bbed-7d6f696f5da6