CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringskader Erfgoed Rheden 2022 DEF

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Uitvoeringskader Erfgoed Rheden30.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Zaken die zodanig zijn verbonden met de zelfstandige eenheid dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat een beschadiging wordt toegebracht, zoals historische interieuronderdelen, worden geacht onderdeel uit te maken van het monument en genieten dezelfde bescherming. In veel gevallen hebben interieurs of delen daarvan geen historische waarde, hoewel ze formeel beschermd zijn. Bij twijfel kan een gemeentelijke erfgoedadviseur bij een bezoek ter plaatse de waarde van (delen van) het interieur duiden. • Historische structuurelementen, zoals bijvoorbeeld gangen, trappen, kamer-en-suites of rookkanalen zijn wezenlijke onderdelen van het historische interieur en daarmee van het monument. Het verwijderen van interieuronderdelen zonder monumentale waarde en constructieve functie is vergunningvrij. • Een historisch interieur is een belangrijk onderdeel van de waarde van een monumentaal pand. Bij nieuwe regelgeving (bijvoorbeeld vanwege gewijzigd gebruik) heeft de eigenaar de inspanningsverplichting om daaraan te voldoen zonder daarbij het monumentale interieur aan te tasten. Pas als dat op geen enkele wijze mogelijk is, kan hiervan (met een vergunning) worden afgeweken. De monumentale waarden van het interieur zijn leidend bij de mogelijkheden om gebruikerswensen te realiseren.

• De vochtbelasting door keukens of sanitaire voorzieningen kan de monumentale onderdelen aantasten.

47

6

.2 Timmerwerk interieur

Deze paragraaf heeft betrekking op al het houtwerk aan de binnenzijde van een monument, zoals bijvoorbeeld deuren, trappen, raam- of deuromlijstingen, vaste kasten en banken, lambriseringen, schouwmantels, kroonlijsten en vouwblinden. Verwijzingen timmerwerk interieur • Voor houtconstructies en bestrijding van houtaantasters zie paragraaf 3.3. • Voor timmerwerk buiten zie paragraaf 4.6, timmerwerk exterieur. • Houten (parket)vloeren worden besproken in paragraaf 6.4, vloeren en vloerafwerking. Uitgangspunten timmerwerk interieur • Het behoud van bestaand historisch timmerwerk. Vervangen van monumentale houten onderdelen is alleen mogelijk als herstellen redelijkerwijs niet mogelijk is. • De (nieuwbouw)normen van KVT (Kwaliteit voor Timmerwerk) gelden niet voor historische vensters en deurpartijen in monumenten van vóór 1961. Deze standaarddetaillering mag niet worden toegepast. Zo is bijvoorbeeld de toepassing van een V-naad niet toegestaan. Uitvoeringsrichtlijnen timmerwerk interieur • Het volledig vervangen van monumentaal houtwerk dat nog hersteld kan worden of nog in goede staat verkeert, is niet toegestaan. Zijn onderdelen slecht, dan wordt niet het gehele element maar worden alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. • Voor de reparaties dienen oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast.

Het verlijmen van verbindingen is niet toegestaan. • Te vervangen houten onderdelen worden op historisch verantwoorde wijze uitgevoerd, waarbij de detaillering en houtsoort van de bestaande constructie – mits historisch – als uitgangspunt dient. • Historisch hang- en sluitwerk wordt in principe behouden. • Gebruik van plaatmaterialen zoals multiplex, kunststof verlijmde vezelplaat of MDF is alleen toegestaan als dat past bij de bouwperiode van het pand. Anders dient massief hout te worden toegepast, bij voorkeur van dezelfde houtsoort. Aangezien deze niet altijd in de juiste kwaliteit voorradig is, kan voor een alternatieve houtsoort met eenzelfde textuur worden gekozen. Meranti heeft bijvoorbeeld een duidelijk andere textuur dan grenen en is derhalve niet geschikt als vervanging van grenen. • Voor nieuwe binnenwanden moet een lichte reversibele constructie worden gebruikt, bestaande uit gipslaat op een houten of metalen skelet. • Wanneer een plafond wordt aangebracht onder een monumentaal plafond moet dit vrijhangend worden aangebracht zonder het historische plafond te beschadigen of te verwijderen.

Toelichting timmerwerk interieur • Historisch timmerwerk aan de binnenzijde van een monument, zoals bijvoorbeeld deuren, trappen, raam- of deuromlijstingen, vaste kasten en banken, lambriseringen, schouwmantels, kroonlijsten en vouwblinden, is sterk bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Het gaat om handgemaakte onderdelen waar veel tijd en liefde in is geïnvesteerd, en die iets vertellen over de ontwikkeling van het ambacht. Het is daarom belangrijk dit houtwerk zoveel mogelijk te handhaven en bij vervanging de historische detaillering aan te houden. • Vaak wordt onnodig overgegaan tot het vervangen van onderdelen die nog eenvoudig gerepareerd kunnen worden. Door bijvoorbeeld uitstukken, aanscherven of aanlassen kunnen aangetaste elementen vaak worden hersteld. Historisch hout is veelal van een betere kwaliteit dan hedendaags hout. • Het handhaven van een demontabele, niet verlijmde constructie heeft het voordeel dat de constructie voor reparatie altijd weer uit elkaar kan worden genomen. • Hang- en sluitwerk is een wezenlijk onderdeel van historische ramen en deuren. Het

48

•

• •

6

uitgangspunt is het behoud van dit historisch hang- en sluitwerk. In de praktijk wordt te snel overgegaan tot vervanging terwijl de onderdelen eenvoudig gangbaar zijn te maken. Alleen in jongere monumenten kunnen oorspronkelijk plaatmaterialen verwacht worden. Tri- en multiplex werden in 1910 voor het eerst aan het publiek gepresenteerd. De andere genoemde plaatmaterialen kwamen nog later. Plaatmateriaal in een lambrisering of een deur is vlak en heeft daardoor een andere uitstraling dan het historische alternatief, een bossingpaneel. Bij onderhoud is het de moeite waard om goed te kijken welk plaatmateriaal gebruikt is. Hoewel dat wellicht niet verwacht wordt, is asbestplaat in de 20e eeuw veelvuldig gebruikt in deuren, lambriseringen en raamluiken als alternatief voor houten panelen. Door de massa van nieuwe toevoegingen zoals binnenwanden te beperken worden de bestaande constructies en fundering niet teveel belast. Het aanbrengen van een verlaagd plafond is in principe vergunningplichtig en zal bij gave monumentale interieurs niet worden toegestaan. Als de samenhang van het historische interieur al verloren is gegaan en het monumentale plafond het laatste restant is, dan is een verlaagd plafond in bepaalde gevallen (met vergunning) denkbaar, onder voorwaarde dat het historische plafond vanwege zijn bouwhistorische waarde niet (verder) beschadigd wordt. .3 Stucwerk interieur

Verwijzingen stucwerk interieur Voor pleisterwerk op buitengevels zie paragraaf 4.5, gevelpleisterwerk. Uitgangspunten stucwerk interieur • In geval van schadeverschijnselen aan historisch stucwerk moet eerst de oorzaak worden vastgesteld en verholpen, voordat tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodig wijzigingen worden aangebracht. • Het handhaven en plaatselijk herstellen van stucwerk op wanden, dat decoratieve vlakken, randen of plinten bevat die historisch waardevol zijn. • Het handhaven en plaatselijk herstellen van historische plafonds. Het uitnemen van ornamenten en herplaatsen in een nieuw plafond is pas bespreekbaar wanneer dit echt niet meer te herstellen is. • Behoud van een historisch waardevolle kleur en/of textuur bij het herstel van monumentaal stucwerk. Uitvoeringsrichtlijnen stucwerk interieur • Bij herstel van historisch pleisterwerk dient de herstelling in samenstelling, kleur en uitvoering overeen te komen met het bestaande pleisterwerk. • Het is niet toegestaan om textuur in het pleisterwerk aan te brengen (bijvoorbeeld door spuitwerk) die niet overeenkomt met de historische textuur. • De toepassing van hoekbeschermers is bij monumentaal stucwerk niet toegestaan.

• Bij het (deels) verwijderen van pleisterwerk kan het zijn dat de adviseurs monumenten aanvullend kleuronderzoek vraagt. • Stucwerk ornamenten mogen niet verwijderd worden. Beschadigde ornamenten dienen zorgvuldig hersteld te worden, waarbij de afbeelding, belijning en vorm niet verloren gaan. • Als een ornament zodanig beschadigd is dat herstel niet meer mogelijk is, kan het worden vervangen door een kopie, die wordt verkregen door middel van het maken van een mal van het betreffende of een identiek ornament. • Afsteken van plafonds is in principe niet toegestaan, tenzij dit de enige mogelijkheid is en het werk door een gespecialiseerde restauratiestukadoor wordt uitgevoerd.

49

Toelichting stucwerk interieur • Historisch stucwerk aan de binnenzijde van een monument, zoals bijvoorbeeld stucplafonds en geornamenteerd stucwerk op schouwboezems of in gangen, is sterk bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Het gaat om handgemaakte onderdelen waar veel tijd en liefde in is geïnvesteerd, en die iets vertellen over de ontwikkeling van het ambacht. Het is daarom belangrijk dit stucwerk zoveel mogelijk te handhaven. Ook wanneer stucwerk niet voorzien is van ornamenten kan het een belangrijke historische waarde hebben, bijvoorbeeld omdat het voorzien blijkt te zijn van schilderingen die later zijn overgeschilderd. • Hoewel vlak stucwerk van wanden en gewelven al veel eerder in Nederland voorkomt, dringt geornamenteerd stucwerk pas echt door in de 17e eeuw. Vanaf de negentiende eeuw zijn standaardelementen van gips, papier-maché of soms metaal op de mark, en tegenwoordig bestaan er zelfs ornamenten en lijstwerk van kunststof. Bij herstel van ornamenten is het goed na te gaan of het wel echt stucwerk betreft. Het is soms moeilijk te onderscheiden welk type ornament het betreft, en daarom is het verstandig bij twijfel contact op te nemen met een erfgoedadviseur van de gemeente. • Vaak is historisch stucwerk goed te herstellen. Daarbij is het voor een duurzaam resultaat belangrijk eerst de schadeoorzaak vast te stellen.

Is er bijvoorbeeld sprake van een hechtingsprobleem, van vochtbelasting en hoe is de conditie van de drager waarop de mortel is aangebracht? Bij aangetaste houten rinkellatten of gecorrodeerd binddraad in een stuc-op-rietplafond heeft herstel geen zin zonder de oorzaak weg te nemen. Soms blijkt schade bij nader inzien geen schade te zijn: krimpscheuren vormen bijvoorbeeld geen gevaar voor een kalkstuclaag, maar zijn juist kenmerkend voor een traditionele mortel. Ook is het belangrijk ervoor zorg te dragen dat de vochthuishouding van een waardevolle stuclaag niet verandert of er schade ontstaat door een niet-compatibel materiaal. Gipsen herstellingen hebben t.o.v. historische kalkstuclagen bijvoorbeeld een te grote hardheid waardoor ze spanningen veroorzaken, er onthechting optreedt en daardoor ook het kalkstuc in de omgeving van het gips kan gaan breken.

6

.4 Vloeren en vloerafwerking

Uitgangspunten vloeren en vloerafwerking • Behoud en herstel van historische houten, parket-, marmer of tegelvloeren en andere historische vormen van vloerbekleding en/of -afwerking, ook als deze beschadigingen vertonen. • Behoud van het patina en sporen van historisch gebruik (het karakter van de ouderdom, zoals slijtageplekken). • In situ herstel, tenzij dat niet mogelijk is. • Een eventuele laag om de vloer uit te vlakken wordt uit het zicht aangebracht. Uitvoeringsrichtlijnen vloeren en vloerafwerking • Het patroon van een historische vloer, zoals bijvoorbeeld een open boekvloer (à livre ouvert) dient in acht genomen en behouden te blijven. • Bij het uitnemen mag het materiaal van de historische vloer niet beschadigd worden. • Bij herplaatsing van (delen van) bijzondere historische vloeren, dient het materiaal voor het uitnemen gedocumenteerd en genummerd te worden. • Schuren van historisch parket en andere vloerafwerkingen wordt zo veel mogelijk voorkomen. • Reinigen van een historische vloerafwerking kan alleen plaatsvinden met voor het specifieke vloertype (natuursteen, terrazzo, hout, beschilderd hout, tegels, e.d.) ontwikkeld reinigingsmiddel, zodat het patina niet verdwijnt en er geen blijvende beschadigingen aan het materiaal ontstaan.

• Als een historische vloer vanwege het huidige of gewenste gebruik afgedekt wordt, moet gekozen worden voor een reversibele afwerking, zodat dat deze later weer te verwijderen is. In geen geval mag in de historische vloer geboord worden of een nieuwe vloer aan de vloer vastgeplakt met lijm of mortel.

50

•

•

•

• • • •

Gespleten oude vloerdelen mogen in beginsel niet worden vervangen. Vaak zijn scheuren en spleten in planken goed te lijmen. Daarvoor dient een onzichtbare lijm te worden toegepast. Pas wanneer een vloerdeel niet redelijkerwijs te herstellen is (meerdere spleten), is vervanging toegestaan. Parketvloeren moeten op een deskundige manier worden gerestaureerd waarbij de eventueel in te passen elementen aansluiten bij de kleur en textuur van de vloer. Monumentale parketvloeren mogen alleen door een deskundige parketrestaurator worden gerestaureerd dan wel geschuurd. Vaak kunnen gebroken tegels of plavuizen nog worden gelijmd en is vervanging niet noodzakelijk. Als vervanging van tegels, plavuizen of platen in een natuurstenen vloer niet te vermijden is, dient de vervanging qua natuursteensoort, formaat, kleur en textuur aan te sluiten bij de bestaande vloer. In zijn algemeenheid en zeker bij tegelvloeren met motieven vraagt dit om maatwerk. In sommige gevallen kunnen (depots voor) historische bouwmaterialen nog een uitkomst bieden. Afhankelijk van de historische waarde van een vloer kan een nieuwe tegel worden gemaakt. Historische tegels, plavuizen en natuursteenplaten moeten op een traditionele manier worden geplaatst dan wel bevestigd. De voegafwerking moet de bestaande toestand volgen. Natuurstenen plavuizen of tegels worden koud tegen elkaar aangelegd zonder wezenlijke voeg.

Het aanbrengen van een voeg verandert het beeld en het karakter van de vloer. Historische natuursteenvloeren mogen in beginsel niet worden gepolijst. Voorzichtig zoeten is soms mogelijk, dit moet eerst op een onopvallende plek geprobeerd worden in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur. Gescheurde terrazzovloeren dienen te worden hersteld waarbij de materiaalsamenstelling, de aard en omvang van de schade de reparatiemethode bepalen. Het is belangrijk altijd eerst de oorzaak van de scheurvorming te achterhalen en vervolgens de vloer te repareren. Pas wanneer een vloer onherstelbaar is beschadigd mag tot vervanging worden overgegaan. Bij terrazzovloeren moet de reparatie in kleur en korrelgrootte aansluiten bij het omliggende werk. Een reparatie mag enigszins zichtbaar zijn, maar niet wezenlijk afwijken van het bestaande werk.

Toelichting vloeren en vloerafwerking • Historische vloerafwerkingen in een monument, zoals bijvoorbeeld marmervloeren in gangen, parketvloeren in kamer-en-suites of terrazzovloeren in schoolgangen, zijn sterk bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Het gaat om met de hand vervaardigde onderdelen die iets vertellen over de ontwikkeling van het ambacht. Soms zijn tegels, hout- of natuursteensoorten niet langer leverbaar. Het is daarom belangrijk historische vloeren zoveel mogelijk te handhaven. • Het patina van ouderdom is een wezenlijk onderdeel van de uitstraling van een historische vloer. Een glimmend gepolijste natuursteenvloer heeft geen historische uitstraling meer. Sporen van gebruik zeggen iets over het verleden van het monument. • Door het nummeren van het materiaal wordt zorg gedragen dat het patroon in de vloer (bijvoorbeeld bij een open boekvloer) bewaard blijft en kunnen oneffenheden in de vloer door verschillende materiaaldiktes voorkomen worden. • Het afdekken van een historische vloer met een nieuwe vloer is vergunningplichtig. • Schroeven i.p.v. spijkeren bij het herplaatsen van vloeren voorkomt vervolgschade bij het eventueel opnieuw moeten opnemen van de vloer of schade aan onderliggende plafonds als gevolg van de trilling door het spijkeren. • Het ondeskundig vervangen, loshalen en schuren kan een historische parketvloer ruïneren.

Bij een relatief dunne vloer kan schuren het einde van de parketvloer betekenen. • Cementmortel en moderne tegellijmen zijn in tegenstelling tot oude mortels niet meer te verwijderen en leiden soms tot verkleuringen in de vloer, bijvoorbeeld bij lichte marmersoorten. Daardoor worden toekomstige reparaties onmogelijk gemaakt. Zeker bij oudere vloeren moet daarom gekozen worden voor traditionele methodes, zoals het gebruik van een kalkmortel of het leggen in zand en schelpen. Kant-en-klare voeg- mortel is niet geschikt voor het inwassen van oude tegelvloeren. De kunststof toevoegingen zetten zich af op het oppervlak van de oude tegel en kunnen een onverwijderbare smet

51

•

6

achterlaten. Terrazzovloeren zijn vloeren bestaande uit natuursteenkorrels in een bindmiddel (vaak cement) die zijn opgeschuurd. Vooral rond de eeuwwisseling (1900) werden deze vloeren bijvoorbeeld in schoolgebouwen veel toegepast, maar ook in gangen en keukens van woonhuizen. Regelmatig vertonen deze vloeren scheurvorming, maar die scheurvorming is niet altijd problematisch qua gebruik en behoud van de vloer. Vaak is een scheur te verkiezen boven een reparatie als de vloer op een zandbed ligt. Als de terrazzovloer op troggewelven met stalen liggers ligt echter, is herstel van de scheuren wel raadzaam, omdat veelvuldig dweilen van een vloer met scheurvorming bijdraagt aan de roestvorming van de liggers waardoor de schade toeneemt. .5 Installaties

Deze paragraaf heeft betrekking op alle mogelijke installaties binnen in het monument. De meest voorkomende zijn: gas-, water- en elektrotechnische installaties, verwarmingsinstallaties, ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties en brandmeldinstallaties. Verwijzingen installaties • Voor installaties aan de buitenzijde wordt verwezen naar de paragrafen 4.10 en 5.8, die nieuwe voorzieningen in of aan respectievelijk gevels en daken behandelen. • Voor verlaagde plafonds zie tevens paragraaf 6.2, timmerwerk interieur. • Voor brandmeldinstallaties zie paragraaf 6.6, brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen. • Voor verduurzaming zie tevens hoofdstuk 7, energiebesparende maatregelen. Uitgangspunten installaties • Sommige installaties kunnen monumentale waarden vertegenwoordigen. Historisch waardevolle installaties dienen te worden behouden. • Bij het aanbrengen van nieuwe installaties mogen geen monumentale interieuronderdelen en/of constructies worden beschadigd, verwijderd of ontmanteld. • Installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van een historisch waardevol interieur niet wordt aangetast. Uitvoeringsrichtlijnen installaties • Voor de aanleg van leidingen, rookgas- of ventilatiekanalen mogen historische balken of spanten niet worden doorgezaagd.

Voor de aanleg van leidingwerk mag niet door historische balken of spanten worden geboord, indien deze zichtbaar zijn of dat van origine waren, of als zij belangrijke bouwhistorische waarden vertegenwoordigen. • Het bevestigen van leidingen op/in een monumentaal plafond of het doorboren van zo’n plafond is niet toegestaan, ook niet als het plafond onzichtbaar is door een verlaagd plafond. • Het infrezen van leidingen in historische wanden met een waardevolle afwerking of het bevestigen van leidingen hierop, is niet toegestaan. • Vloer- en wandverwarming dienen in beginsel reversibel te worden aangebracht. Hiervoor mogen geen monumentale interieuronderdelen aan het oog worden onttrokken en monumentale deuren mogen t.b.v. een vloerverwarming in beginsel niet worden ingekort. Toelichting installaties • Voor het leeuwendeel van de installaties geldt dat zij geen monumentale waarden vertegenwoordigen. Maar er zijn uitzonderingen. Een vroege centrale stofzuiginstallatie of een bellentableau in een monumentale villa, een paternosterlift in een als monument beschermd kantoorgebouw, of een bovenloopkraan in een monumentaal industrieel complex bijvoorbeeld, kunnen van monumentale waarde zijn. Vaak zijn zulke onderdelen benoemd in de zogenaamde redengevende omschrijving van het monument. Als er onduidelijkheid bestaat over de historische waarde van een installatie, wordt

52

•

•

6

aangeraden contact op te nemen met een gemeentelijke erfgoedadviseur. Een wand- of vloerverwarming is – indien technisch en monumentaal gezien mogelijk – een voor het monument interessante manier van verwarmen, omdat door het grote oppervlak meestal gekozen kan worden voor een lagere temperatuur van het verwarmingswater. Bovendien ontstaat door de toepassing van vloer- en wandverwarming een behaaglijk binnenklimaat met een goede warmteverdeling – zeker bij hoge ruimtes – waardoor ook de ruimtetemperatuur kan worden verlaagd. Reversibel aanbrengen wil zeggen dat bij het verwijderen ervan als gevolg van technische veroudering of disfunctioneren geen blijvende schade aan het interieur overblijft. Historische constructies mogen niet verzwakt worden door de aanleg van leidingwerk en/of (soms behoorlijk forse) kanalen. Een moderne installatie dient zich aan te passen aan de monumentale waarden, niet andersom. Tip: voor het onzichtbaar wegwerken van moderne rookgasafvoeren, beluchtingskanalen e.d. kunnen ook in onbruik geraakte schoorsteenkanalen gebruikt worden! .6 Brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen

Verwijzingen brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen Voor brandwerende verf zie paragraaf 6.8, schilderwerk interieur. Uitgangspunten brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen • Als toetsingskader bij monumenten moeten in principe de minimum-prestatie-eisen van het Bouwbesluit bestaande bouw worden gehanteerd. Een hogere brandveiligheidsnorm is alleen mogelijk wanneer dit niet ten koste gaat van de aanwezige monumentale waarden. • Brandwerende voorzieningen en veiligheidsmaatregelen worden reversibel uitgevoerd. • Brandwerende maatregelen zijn in historische interieurs bij voorkeur zoveel mogelijk onzichtbaar. • Wanneer vlucht- of veiligheidsvoorzieningen nadelige gevolgen hebben voor het monument moet gestreefd worden naar gelijkwaardige oplossingen die minder schade aan het interieur opleveren. Uitvoeringsrichtlijnen brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen • Het streven om historische deuren aan brandveiligheidseisen te laten voldoen, mag niet leiden tot aantasting van de monumentale waarden of het integraal vervangen. De gewenste weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) kan in de meeste gevallen ook worden bereikt met een bij brand opschuimende strip in de sponning en/of door de deur aan één zijde te bekleden met een brandwerende beplating. • Een uitzondering is als de deur redelijkerwijs niet te repareren is.

Dan kan de nieuwe deur in overleg met de gemeente beperkt aangepast worden met behoud van de uiterlijke kwaliteit van de detaillering. • Bij historisch waardevol glas in een brandscheiding dient zo nodig gewerkt te worden met een brandwerende achterzetbeglazing. • Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerende materialen. • Brandwerende dekvloeren of verlaagde plafonds dienen reversibel te worden aangebracht, en hiervoor mogen in beginsel geen monumentale interieuronderdelen aan het oog worden onttrokken of beschadigd. Deze ingrepen zijn vergunningplichtig. • Verlichte vluchtroute- en nooduitgangaanduiding zijn alleen mogelijk wanneer de stroomvoorziening geen aantasting vormt van historische interieurs. Wanneer het aanleggen van een noodstroomvoorziening negatieve gevolgen heeft voor het monumentale interieur zal bijvoorbeeld van fluoriserende bordjes gebruik moeten worden gemaakt. • Breng in de spouw van de nieuwe binnenwanden en op de nieuwe plafonds glaswol- of steenwolplaten aan. De platen moeten aaneensluitend aangebracht worden, zonder kieren voor geluidsisolatie en brandwering.

53

Toelichting brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen • De veiligheid van mensen moet ook in een monument altijd gewaarborgd zijn. Meestal is die veiligheid op meerdere manieren te bereiken. Bij monumenten is het uitgangspunt dat uit de diverse, gelijkwaardige oplossingen een oplossing gekozen wordt die het minste schade voor het monument met zich mee brengt, in materieel en esthetisch opzicht. Dat gebeurt doorgaans in een vergunningsprocedure. Een paar voorbeelden: een historische paneeldeur die plaatselijk te dun is om aan de brandwerendheidseisen te voldoen, kan worden vervangen of worden bekleed. In een monument is dat laatste dan de oplossing. In een hoog monumentaal interieur kan in plaats van voor rookmelders ook voor een onzichtbare detectie d.m.v. een aspiratiesysteem (rookaanzuigsysteem) gekozen worden. Soms is de zichtbaarheid een belangrijk onderdeel van de veiligheid. Dat is bijvoorbeeld zo bij brandslanghaspels of brandmelders. In dat geval prevaleert de veiligheid, hoewel in overleg wel bekeken dient te worden waar de genoemde maatregelen de minste impact hebben op het monument.

6

.7 Inrichting

Uitgangspunten inrichting • Het heeft de nadrukkelijke voorkeur om niet-nagelvaste onderdelen van een interieur die samen met het nagelvaste deel van het interieur een interieurensemble vormen, binnen de context te bewaren of in het gebouw van herkomst op te slaan. Ze zijn onderdeel van de monumentale waarden. • (Restanten van) historische behangsels of wandbespanningen kunnen een essentieel onderdeel vormen van de interieurafwerking of bouwhistorische waarden vertegenwoordigen. Uitvoeringsrichtlijnen inrichting • Bij herstel van niet-nagelvaste onderdelen van een monument wordt in beginsel gebruik gemaakt van dezelfde materialen, patronen en kleuren. • Niet-nagelvaste interieuronderdelen die niet behouden kunnen worden binnen het pand waartoe deze oorspronkelijk behoren, worden bij voorkeur herplaatst in musea of andere monumenten. De gemeente wordt geïnformeerd over de verwijdering, zodat de nieuwe plaats kan worden vastgelegd in het monumentenregister. • Als (restanten van) historische behangsels of wanddecoraties worden aangetroffen of indien over de waarde wordt getwijfeld, is nader overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur vereist. Dat geldt ook voor (restanten van) papieren behangsels op gepleisterde muren en betengelingen.

Toelichting inrichting • Binnen de monumentenzorg is altijd al aandacht geweest voor de individuele kwaliteiten van onroerende monumenten en interieurelementen. Sinds enkele jaren is er tevens aandacht voor de omgeving van een monument, vanwege de samenhang tussen het monument en de fysieke ruimte waarin het zich bevindt en de invloed van de omgeving op de beleving van het monument. Dikwijls is er echter ook een minstens net zo belangrijke samenhang tussen het monument en de daarin aanwezige roerende (kunsten gebruiks)voorwerpen, zoals schilderijen, werktuigen, textiele aankleding (vloerkleden of gordijnen bijvoorbeeld) en/of ameublementen (denk aan losse kasten, bureaus, stoelen, lamparmaturen, etc.). Deze zijn vaak speciaal voor de context ontworpen of uitgekozen. Hierdoor zijn ensembles ontstaan die samenhang vertonen door de historische continuïteit van bezit en gebruik, doordat ze in één periode zijn samengebracht of doordat ze samen onderdeel uitmaken van een totaalontwerp. Het besef dat het verband tussen onroerend en roerend erfgoed een belangrijke bron van kennis van onze historische identiteit en omgeving vormt, is redelijk nieuw. De meerwaarde van de samenhang tussen de afzonderlijke delen is van grote waarde. Wanneer dit soort ensembles hun historische functie hebben behouden, is er tevens sprake van een immateriële waarde, namelijk het continuerende gebruik.

54

•

Oude behangsels worden vaak niet als monumentaal beschouwd, maar vertegenwoordigen soms belangrijke historische waarde. Een pakket van behanglagen geeft bijvoorbeeld veel informatie over de ontwikkeling van een monument, zijn bewoners en de ontwikkelingen in het ambacht en de esthetiek. Papierbehangsels, wandbespanningen of goudleer kunnen een aanzienlijke leeftijd hebben. In overleg met de gemeente kan bepaald worden wat de waarde van de behangsels is en of behoud ervan in situ wenselijk is. Vaak is behoud van historische behangsels achter een gipsplaat of een voorzetwand goed mogelijk. Soms is het noodzakelijk waardevol behang af te nemen. In dat geval kan het worden aangeboden aan een partij die een collectie historisch behang beheert.

6

.8 Schilderwerk interieur

Verwijzingen schilderwerk exterieur • Zie voor het herstel van ondergronden de uitvoeringsrichtlijnen in de paragraaf m.b.t. de betreffende materiaalsoort. Uitgangspunten schilderwerk interieur • Als het nodig is opnieuw te schilderen, mogen oude verflagen niet zomaar volledig worden verwijderd maar dienen deze te worden overgeschilderd. • Historische verflagen in het interieur vertegenwoordigen monumentale waarde. • Historische kleurafwerkingen, schilderingen, imitatietechnieken en sjablonen mogen in beginsel niet overschilderd worden. Uitvoeringsrichtlijnen schilderwerk interieur • Het integraal verwijderen van oude verflagen is alleen mogelijk met instemming van de gemeente en moet dan met een methode worden uitgevoerd die is afgestemd op de ondergrond. • Het verwijderen van verflagen van waardevolle stucplafonds of – wanden mag alleen met de stijfselmethode of met een speciaal daarvoor ontwikkeld chemisch product. Afsteken van plafonds is in principe niet toegestaan, tenzij dit de enige mogelijkheid is en het werk door een specialist wordt uitgevoerd. Voorafgaand aan het verwijderen van oude verflagen moet onderzocht worden of er geen relevante historische verflagen worden verwijderd, die behouden dienen te blijven. • Stucwerk ornamenten worden met de kwast geschilderd om het dichtlopen van verfijnde ornamentiek te voorkomen.

• Het met latex of andere elastomerenhoudende verven overschilderen van historische plafonds of -wanden met stucdecoraties is niet toegestaan. Op wanden wordt het gebruik van een onvoldoende dampopen afwerklaag, zoals latex, sterk afgeraden. • Gietijzeren en stalen onderdelen mogen alleen met brandwerende verf worden behandeld als de expressie van de aanwezige detaillering behouden blijft. Het schilderen van een historische staalconstructie met een brandwerende verf is vergunningplichtig. • Vochtbelaste geveldelen, zoals kelderwanden, dienen met een dampopen systeem geschilderd te worden. • Houtwerk dat in aanraking komt met metselwerk moet tweemaal in de menie of grondverf gezet worden. Toelichting schilderwerk interieur • Het pakket van verflagen geeft informatie over de kleurtoepassingen en verfsamenstellingen in het verleden en vertelt daarmee veel over de geschiedenis van het pand, zijn bewoners en de ontwikkelingen in het ambacht en de esthetiek. Oude verflagen mogen niet zomaar volledig worden verwijderd, omdat daarmee eventueel toekomstig kleuronderzoek niet meer mogelijk is. Redenen om daarvan toch af te wijken, kunnen zijn dat de expressie van een ornament of profilering door de vele lagen verloren is gegaan of deze lagen een goede dekking van de nieuw aan te brengen verflaag verhinderen. Het is dan mogelijk dat een kleuronderzoek gevraagd wordt, als de

55

•

•

• •

• •

verflagen van belang worden geacht vanwege de informatie die zij bevatten over het historisch kleurgebruik. Als verflagen verwijderd worden, is het belangrijk dat de methode waarmee dat gedaan wordt aansluit op de eigenschappen van de ondergrond. Een zuur afbijtmiddel bijvoorbeeld, verhoudt zich slecht tot kalkhoudende natuursteensoorten, terrazzo of beton. Verf afbranden is vanwege het brandrisico verboden. Bovendien zijn er goede alternatieven, zoals schrappen, afbijten en föhnen. Een bewaard gebleven historisch kleurenpalet geeft een schat van informatie over interieurs uit het verleden, de ontwikkeling van het ambacht en de smaak van gebruikers. Regelmatig worden gave historische interieurs of interieurelementen onder invloed van de huidige mode zonder nadenken (vaak wit) overgeschilderd, omdat de waarde niet onderkend wordt en onbekend is dat het wijzigen van waardevolle interieuronderdelen vergunningplichtig is. De van oorsprong vaak kleurrijke interieurs verliezen hierdoor een wezenlijk deel van hun uitstraling. Het historische kleurgebruik was er vroeger namelijk op gericht om de werking van het interieurontwerp te versterken. Dikwijls gaat door overschilderen de samenhang tussen onderdelen verloren. En soms gaan bijzondere technieken, zoals bijvoorbeeld marmer- of houtimitaties, sjabloonschilderingen of verguldingen verloren.

Zulke ambachtelijke afwerkingen zijn tijdrovend en kostbaar om te herstellen of te reconstrueren, omdat de kennis hiervan inmiddels zeldzaam is geworden. Het is daarom belangrijk dat een gemeentelijke erfgoedadviseur betrokken wordt bij voorgenomen schilderwerken in historische interieurs. Vaak kunnen die daarna alsnog zonder belemmeringen (vergunningvrij) plaats vinden. Bij waardevolle interieurs is het mogelijk dat ter onderbouwing van de kleurwijziging een kleuronderzoek gevraagd wordt. Door het drogen en krimpen van een aangebrachte stijfsellaag komen oude verflagen los. Bij afsteken en schuren is de kans op beschadigingen groter en daarom mag dit bij een waardevol plafond alleen worden gedaan door specialisten. Een latexlaag is dampdicht en sterk hechtend. Als u de latexverf wilt verwijderen, trekt u ook de kalkhoudende stuclaag en/of verflaag mee. Oude binnenmuren in een vertrek hebben vaak een bufferfunctie wat betreft het opnemen van vocht. Het aanbrengen van dampdichte afwerklagen hierop heeft tot gevolg dat deze bufferfunctie verloren gaat. Dat kan een verhoogd risico opleveren voor de vensters. Ook zal bij een dampopen afwerking de kans op schimmels sterk worden verminderd. Brandwerende verf kan het beeld en de uitstraling wijzigen en daardoor de constructie ontsieren.

Een onvoldoende dampopen laag, zoals latex, voorkomt droging naar binnen toe, vergroot de problematiek en geeft geen duurzaam resultaat. Ademende oplossingen zijn beter. Zouten kristalliseren dan aan het oppervlak, daar waar vocht uittdampt, en kunnen eenvoudig afgeborsteld worden. Dampdichte oplossingen zorgen er juist voor dat zouten kristalliseren achter die harde lagen. Net als roest zorgt het kristalliseren voor volumetoename, en dus schade aan de stuclaag.

56

ENERGIEBESPARING

57

7 E N E R G IEBESPA REN DE MAATR EGEL EN 7

.1 Algemene richtlijnen t.a.v. energiebesparende maatregelen

Uitgangspunten energiebesparende maatregelen algemeen • De aanwezige monumentale waarden zijn samen met de historische bouwmethode en de technische staat van het monument – met name de (bouw)fysische condities – bepalend voor de mate waarin energiebesparende maatregelen mogelijk zijn. Maatregelen of voorzieningen zijn mogelijk voor zover er een noodzaak is en ze de monumentaliteit niet aantasten of de technische staat van het monument ondermijnen. Als dat wel zo is, zal van de maatregel of voorziening moeten worden afgezien. • Een monument hoeft niet per definitie te voldoen aan de energieprestatie-eisen in de bouwregelgeving. De landelijke overheid heeft voorzien in een mogelijke vrijstelling om een onomkeerbaar verlies aan monumentale waarden te kunnen voorkomen. • Voor alle duurzaamheidsmaatregelen aan monumenten is een omgevingsvergunning verplicht, ook als het gaat om onzichtbaar weggewerkte isolatiemaatregelen aan de binnenzijde of het plaatsen van isolatieglas. Uitvoeringsrichtlijnen energiebesparende maatregelen algemeen • Streef bij het verduurzamen van een monument niet zozeer naar het maximaliseren van de energiebesparing, maar naar een zo optimaal mogelijke energiehuishouding met behoud van de monumentale waarden, ook in de toekomst. • Het te kiezen pakket van maatregelen zal bouwfysisch verenigbaar moeten zijn met het monument.

Veranderingen mogen geen schade aan het monument toebrengen. Laat een isolatieplan daarom bouwfysisch doorrekenen en betrek daarin de constructieve opzet van het hele gebouw. Let daarbij vooral op vocht, zoals de regenbelasting van gevels en het risico op inwendige condensatie. Bij twijfel zal deze doorrekening worden gevraagd waarmee wordt aangetoond dat het pakket van maatregelen geen schade toebrengt aan het monument. • Indien een monument wordt na-geïsoleerd, moet voor de gehele woning ook een plan worden gemaakt voor de toe- en afvoer van ventilatielucht, passend bij de functie van elke ruimte. Toelichting energiebesparende maatregelen algemeen • In het kader van de Routekaart Verduurzaming Monumenten zijn door organisaties uit de monumentensector afspraken gemaakt over de CO2-reductie bij monumenten: een vermindering van 40% in 2030 en 60% in 2040, als gemiddelde over de gehele monumentenvoorraad in Nederland. Daarbij moet er een balans gevonden worden tussen energie-efficiëntie (eerst besparen, dan opwekken), kostenefficiëntie en behoud van monumentale waarden. • Door hun leeftijd zijn historische gebouwen eigenlijk al best duurzaam. Ze scoren isolatietechnisch vaak niet zo goed als nieuwbouw en koudebruggen zijn onvermijdelijk – bijvoorbeeld bij vloeren of gangwanden die bouwkundig verbonden zijn met de buitengevel.

Door hun lange levensduur echter, wordt de milieubelasting van de bouw en de gebruikte materialen wel verdeeld over een lange periode. • Het isoleren van historische gebouwen, dus ook van monumenten, leidt helaas ook soms tot problemen. Historische gebouwen met steens muren zijn constructies die anders met vocht omgaan dan nieuwe gebouwen. Ze zijn in staat zijn waterdamp te adsorberen en op andere momenten weer af te geven. Kierende ramen en deuren zorgen in de winter voor de aanvoer van verse, droge lucht. Door van binnenuit te isoleren, te schilderen met dampdichte verfsystemen en door het afdichten van naden en kieren ontstaat er een nieuwe vochthuishouding. De binnenlucht warmt op waardoor hij meer vocht kan bevatten, er is tegelijk minder aanvoer van droge lucht en de historische constructie is minder in staat om tijdelijk vocht op te staan. Daardoor kan condens ontstaan, ook in de constructie waar je het niet ziet. Bijvoorbeeld bij balkopleggingen en gevelankers,

58

•

•

•

7

of bij de aansluiting van een van binnenuit geplaatste isolatiedeken op het houten dakbeschot. Dit kan leiden tot (soms ernstige) schade en aantasting van materialen die al eeuwen meegaan. Door het aan de binnenzijde isoleren van gevels koelen deze in de winter af, waardoor ze langer nat blijven en de kans op schade door vorst toeneemt. Als er door verduurzamen schade ontstaat die hersteld moet worden, is dat ook niet duurzaam. Daarom is een pakket van energiebesparende maatregelen alleen mogelijk, indien dit verenigbaar is met het monument. In het kader van een vergunningsprocedure wordt hierop gelet. Maar vooruitlopend op de vergunningsaanvraag kan ook al met de gemeente worden overlegd, en kan zo nodig via de gemeente deskundig advies worden verkregen. Verduurzaming van monumenten kan immers ook gezien worden als een vorm van monumentenzorg, omdat een voorwaarde voor behoud gebruik is en verduurzaming wonen in een monument betaalbaar houdt. Vaak is er veel meer mogelijk dan gedacht wordt, maar het is wel maatwerk. Pas daarom niet zomaar standaard-isolatieoplossingen toe. Om problemen met het na-isoleren van monumenten te voorkomen, heeft het in veel gevallen de voorkeur om voor isolerende beglazing en isolatiematerialen te kiezen die aan een optimaal prestatieniveau beantwoorden. Een dikker isolatiepakket betekent niet automatisch dat het pand ook duurzamer is.

De eerste centimeters isolatie geven de grootste reductie van warmteverlies; daarna neemt het rendement snel af. Bij een dikker isolatiepakket zou het weleens zo kunnen zijn dat de energie die gemoeid is met de productie daarvan, de extra energiebesparing bij het gebruik van uw monument overstijgt. En dat de terugverdientijd bij zo’n dikker pakket stijgt. Wanneer bij de na-isolatie een deugdelijke ventilatie wordt verwaarloosd, kan het nageïsoleerde monument grote schade ondervinden door te hoge vochtconcentraties, en kan een ongezonde situatie ontstaan voor de bewoners. Ventilatie is meer dan af en toe een raampje openzetten. De aan te brengen ventilatievoorzieningen mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten. Een integraal plan waarbij vooraf naar zowel de isolerende als de ventilerende mogelijkheden wordt gekeken is dan ook van belang om schade en teleurstellingen te voorkomen. Ook energieopwekkende maatregelen kunnen onderdeel zijn van zo’n plan. Vaak wordt door monumenteigenaren nog te eenzijdig gedacht aan zonnepanelen; de kostenvoordelen en beperking van CO2uitstoot zijn door energiebesparende maatregelen in de regel echter groter dan door energieopwekkende maatregelen. .2 Isolatieglas

Verwijzingen isolatieglas • Voor wijzigingen aan ramen, deuren en historisch glas wordt eveneens verwezen naar de paragrafen 4.7- 4.9 met betrekking tot die onderwerpen. Uitgangspunten isolatieglas • Het handhaven van de oorspronkelijke uitstraling van historische ramen en deuren. • Het toepassen van isolerende beglazing in ramen is mogelijk… o indien de afmetingen van het bestaande raamhout of eventueel stalen raamprofiel voldoende zijn om isolerende beglazing verantwoord aan te brengen (vanuit een oogpunt van bouwtechniek én monumentenzorg) en het bestaande glas geen bijzondere waarden vertegenwoordigt. o indien een raam monumentale waarden vertegenwoordigt maar onherstelbaar aangetast is - dan kan isolerende beglazing in een nieuw raam worden toegepast mits het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam verenigbaar zijn met isolerende beglazing en het bestaande glas geen bijzondere waarden vertegenwoordigt. Hierbij moeten het aanzicht, de dagmaten, negge, afmetingen van het raamhout en detaillering van het nieuwe raam vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven. Indien het interieur echter ook belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, dan moet tevens aan de binnenzijde

59

het uiterlijk ongewijzigd blijven. o indien de afmetingen van het raamhout niet toereikend zijn maar het bestaande raam geen monumentale waarden vertegenwoordigt. Het nieuwe raam kan dan worden aangepast op de extra dikte en het grotere gewicht van isolatieglas, maar zal in detaillering en materialisering wel moeten aansluiten bij het monument. • In alle overige gevallen kan er voor een achterzetraam (een voorzetraam aan de binnenzijde) gekozen moeten worden, tenzij dat niet mogelijk is vanwege een (zeer) monumentaal interieur. Regelmatig is een achterzetraam qua isolatie en kierdichting ook technisch gezien een betere oplossing, bijvoorbeeld als zo’n achterzetraam onderdeel uitmaakt van een geïsoleerde voorzetwand. • Bij het aanbrengen van de door de Wet Geluidshinder vereiste voorzieningen tegen geluidsoverlast gelden dezelfde uitgangspunten als bij het nemen van thermisch isolerende maatregelen. Uitvoeringsrichtlijnen isolatieglas • Bij plaatsing van isolatieglas dient het glas te worden vervangen door glas met dezelfde kleur, structuur en afwerking. D.w.z. gekleurd glas blijft gekleurd, getrokken glas blijft getrokken glas, facetglas blijft facetglas. • Nieuw toe te passen isolatieglas ter vervanging van gewoon blank vensterglas heeft dezelfde uitstraling.

Glas dat voorzien is van bepaalde coatings of folies kunnen het glas een andere kleur geven en/of meer spiegelend maken dan regulier blank glas, wat sterk ontsierend kan werken. • Bij het toepassen van dubbele beglazing moeten de afstandsprofielen worden uitgevoerd in kleur (zwart om een schaduwnaad te suggereren, of afgestemd op de historische kleur van het raamhout). • Isolatieglas moet op historische wijze worden vastgezet. • Plakroeden en roedeverzwaringen als gevolg van isolatieglas zijn in beginsel niet toegestaan. Het toepassen van kunststof roeden in de spouw van dubbel glas is verboden. • Het opnemen van het glas-in-lood in dubbel glas is niet toegestaan. • Een voorzetraam aan de buitenzijde is niet toegestaan. • Een achterzetraam (voorzetraam aan de binnenzijde) wordt toegestaan mits de detaillering en de onderverdeling niet detoneren met het monumentale raam, en er geen sprake is van een (zeer) monumentaal interieur. Een achterzetraam mag onderdeel uitmaken van een geïsoleerde voorzetwand. De ruimte tussen het raam en het achterzetraam dient met buitenlucht geventileerd te worden. Bij kwetsbaar glas, zoals gebrandschilderd glas-in-lood, moet extra aandacht besteed worden aan de luchtdichting van het achterzetraam om schade door condensatie van binnenlucht op het historische glas te voorkomen.

Toelichting isolatieglas • Historisch glas wordt meestal niet vervangen vanwege breuk, maar vanuit de wens te isoleren. Bij ‘gewoon’ enkel vensterglas wordt dat doorgaans toegestaan, als het niet leidt tot de vervanging of aantasting van de monumentale ramen. In de praktijk betekent dat dat er meestal dunnere isolerende glassoorten geplaatst kunnen worden en niet het reguliere HR++ glas, omdat dat laatste te dik is (5-6x zo dik als enkel glas). Ook voor dun isolatieglas moet de glassponning doorgaans dieper worden uitgefreesd. Bij het beoordelen van de mogelijkheden voor dun isolatieglas wordt gekeken of het aanzicht hetzelfde blijft, het raam stevig genoeg blijft en de stopverf vervangende kit zijn functie kan behouden: het op zijn plaats houden van het glas. Bij alle vormen van dubbel glas wordt een raam ongeveer 2x zo zwaar (12,5kg/m2 extra bij toevoeging van een glasplaat van 5mm dikte). Bij schuiframen betekent dat dat er ook iets moet worden gedaan een de katrollen en de contragewichten om het raam gangbaar te houden. Door gelagerde katrollen toe te passen loopt het zwaardere raam toch soepel. En indien er in de gewichtskokers van het kozijn geen ruimte is voor het verzwaren van de contragewichten, kunnen hierin zogenaamde balansveren worden toegepast.

Veren in de gewichtskoker hebben de voorkeur boven schuifraamveren die worden gemonteerd in een groef in het schuivende raam, vanwege de noodzakelijke aanpassingen aan het raam (de groef) en

60

•

•

•

•

•

•

•

het ontsierende karakter. De markt voor dun isolerend glas, in de volksmond ook wel ‘monumentenglas’ genoemd, is momenteel sterk in ontwikkeling. Onder monumentenglas wordt thans zowel isolerend enkelglas, (dun) dubbel glas, vacuümglas als gelaagd glas met isolerende eigenschappen verstaan. In toenemende mate wordt er isolerende beglazing ontwikkeld die in afmetingen en verschijningsvorm historisch enkel glas benadert. Afhankelijk van de ambitie en financiële mogelijkheden van een eigenaar is in een historisch raam zelfs al glas te plaatsen met een isolatiewaarde die vergelijkbaar is met triple glazing. Veel warmte gaat echter verloren door het kozijn, de roedes en de metalen afstandsprofielen (spacers) van dubbele beglazing. Wees er daarom op bedacht dat het aanbrengen van kleine stukken dubbel glas minder oplevert dan verwacht. Als dat een probleem is, dan is een achterzetraam een mogelijk alternatief. Historisch glas is niet alleen blank vensterglas. Een veelvoud aan fabricage- en bewerkingsmethodes leidde tot o.a. mousselineglas, kathedraalglas, draadglas, gebrandschilderd glas, marmerglas en geëtst glas. Meestal vertegenwoordigen deze glassoorten belangrijke monumentale waarden en is behoud hier dus het uitgangspunt. Ondanks het ogenschijnlijk transparante karakter van glas, speelt dit een veel belangrijker rol in de uitstraling van een monument dan men doorgaans denkt.

Dat wordt pas duidelijk als in een monumentale gevel het historische, getrokken glas met een lichte vertekening vervangen wordt door spiegelglad dubbel (float)glas met een coating. Door de (dubbele) spiegeling zullen de glasvlakken zich opeens manifesteren als vlakken en krijgt de gevel een veel ‘hardere’ uitstraling. Dit is een belangrijk aandachtspunt bij de keuze van isolatieglas in al zijn verschijningen: met of zonder floatglas, een spouw, een coating… Soms biedt een proefopstelling uitkomst om te bepalen wat de uitstraling wordt en of die beantwoordt aan de wensen. Glas is tot in de twintigste eeuw van buitenaf geplaatst met behulp van stopverf. Daarna werden glaslatten of profielen steeds vaker toegepast, en werd glas vaker van binnenuit geplaatst. Dat geeft een ander beeld. Het uitgangspunt is behoud van het bestaande beeld, maar er kan zo nodig wel een moderne stopverfvervanger worden toegepast bij vervanging door isolatieglas. Door plakroeden of een roedeverzwaring verandert het aanzicht van het monument. Afhankelijk van de kwaliteit van de detaillering betekent dat in meer of mindere mate een ontsiering van het monument. Het uitgangspunt bij monumenten is altijd een ambachtelijke constructiewijze met echte (‘volle’) roeden. Kunststof roeden en plakroeden detoneren in een historisch gebouw.

De glassoort(en), kleuren, het patroon, eventuele schilderingen en de textuur van glas-inloodramen worden van monumentale waarde geacht. Daarom wordt het plaatsen van glas-in-lood achter een buitenvoorzetraam in principe niet toegestaan. Zo’n voorzetraam verandert namelijk het aanzicht door de profielen waarin het glas opgesloten zit en het feit dat het raam zich manifesteert als een spiegelend vlak. Glas-in-loodramen mogen ook niet in de spouw van dubbel glas worden aangebracht, omdat hiervoor het glasin-lood kleiner moet worden gesneden. Dat is een onomkeerbare ingreep. Doorgaans is een voorzetraam aan de binnenzijde, een achterzetraam dus, een goed alternatief. Tussen een raam en een achterzetraam kan altijd wat condens ontstaan. Door de spouw zwak te ventileren met buitenlucht kan dit water weg. Indien de spouw (foutief) geventileerd wordt met binnenlucht, ontstaat juist veel condens met schade tot gevolg. Een voordeel van een achterzetraam t.o.v. isolatieglas in een historisch raam is, dat in het achterzetraam ook gelijk een verbetering van de kierdichting kan worden geregeld. Daardoor heeft het isolatieglas ook meer effect. Na het plaatsen van achterzetbeglazing in schuifvensters, zijn de ramen meestal niet meer gangbaar. Om die reden is het ook mogelijk de achterzetbeglazing buiten het stookseizoen tijdelijk te verwijderen.

61

7

.3 Kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!)

Verwijzingen kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!) • Voor wijzigingen aan ramen, deuren en gevels als gevolg van kierdichting en/of ventilatievoorzieningen wordt tevens verwezen naar de paragrafen 4.7 - 4.10 met betrekking tot die onderwerpen. • Voor wijzigingen aan het interieur van een monument vanwege ventilatievoorzieningen wordt verwezen naar paragraaf 6.5. Uitgangspunten kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!) • De plaatsing van isolatieglas wordt altijd gecombineerd met het verbeteren van de kierdichting in ramen en deuren. • De gekozen kierdichtingsoplossingen voor hebben een lange levensduur. • Een onzichtbare plaatsing van de kierdichting, tenzij het infrezen van een geïntegreerde kierdichting ten koste gaat van belangrijk historisch materiaal en/of de samenhang in een raam of deur. Om daarop te kunnen sturen, zijn kierdichtingsoplossingen waarvoor in ramen, deuren of kozijnen gefreesd moet worden, vergunningplichtig. • Bij het na-isoleren van een monument aan de binnenzijde dient aandacht te worden besteed aan een goede kier-/ luchtdichting van de geïsoleerde constructie om infiltratie van binnenlucht te voorkomen. • Bij het na-isoleren van een monument en zeker bij het daarbij verbeteren van de kierdichting in de ramen, deuren en kozijnen moet tevens een plan worden gemaakt voor de toe- en afvoer van ventilatielucht.

• Bij toepassing van mechanische ventilatie heeft een balansventilatie (dus met warmteterugwinning) de voorkeur. Uitvoeringsrichtlijnen kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!) • Er lekt veel warmte weg door historische voordeuren. Goede oplossingen daarvoor zijn: o een valdorpel in of op de deur; o een geïsoleerde brievenbus; o (bronzen) tochtprofielen in de sponning van het kozijn. • Kieren in draairamen zijn te dichten: o door het raam permanent vast te zetten; o door middel van een achterzetraam met een geïntegreerde kierdichting; o met bronzen of RVS tochtprofielen; o met rubberen tochtprofielen. • Bij een dubbele deur of raam waarvan de draaiende vleugels met een stolpnaald in elkaar sluiten, kan de kierdichting bij deze naald gerealiseerd worden door de bolle kant die in de stolpnaald valt iets af te schaven, daarin een smalle sleuf te frezen, en in de sleuf een rubberen O-profiel aan te brengen.

• Kieren in schuiframen zijn te dichten: o door het raam permanent vast te zetten; o door middel van een achterzetraam met een geïntegreerde kierdichting; o met een metalen of rubber tochtprofiel aan de onderzijde van de onderdorpel van een schuivend onderraam; o met een metalen of rubber tochtprofiel in de raamsponning van de bovendorpel van het kozijn bij een schuivend bovenraam; o met een metalen of rubber tochtprofiel of een wissellatdichting met borstels ter plaatse van de wisseldorpel; o met de toepassing ter plaatse van de stijlen van een RVS tochtprofiel (daarvoor dient in het kozijn een smalle sleuf gefreesd te worden waardoor de raamsponning iets breder wordt) of een zogenaamde VR strip (voor het aanbrengen van de strips moet in het schuivende raam gefreesd worden). • Een eventueel achterzetraam moet kiervrij aansluiten op de bestaande constructie om ongewenste infiltratie van binnenlucht en daardoor condens te voorkomen. De ruimte tussen het nieuwe raam aan de binnenzijde en het oorspronkelijke raam aan de buitenzijde zou met buitenlucht geventileerd moeten worden, bijvoorbeeld door het

62

•

•

•

oorspronkelijke raam licht kierend te plaatsen. Als het nodig is een kier tussen het kozijn en de muur dicht te maken, dan moet daarvoor aan de buitenzijde een damp-open kalkvoeg gebruikt worden; er mag niet worden gekit. Het is ook niet toegestaan een kier tussen de muur en het kozijn met PUR-schuim op te vullen. Bij brede kieren kan een voorgecomprimeerde afdichtingsband worden toegepast, die tevens als rugvulling voor de kalkvoeg aan de buitenzijde kan dienen. Aan de binnenzijde kan een afdeklat worden geplaatst, en eventueel kunnen kieren hier wel worden afgekit. Bij isolatie aan de binnenzijde van gevels en kappen is het belangrijk de randaansluitingen met de binnenruimte met behulp van een voorgecomprimeerde afdichtingsband elastisch en luchtdicht af te dichten. Noodzakelijke onderbrekingen, zoals een wandcontactdoos of een manchet voor de doorvoer van leidingen, dienen luchtdicht te worden uitgevoerd. Bij het toepassen van een geïsoleerde voorzetwanden dient bij de aansluiting van een geïsoleerde dagkant op een historisch kozijn een daarvoor geëigende tape toegepast worden ter luchtdichting. Door het toepassen van afdichtingsband bij plinten kunnen naden bij (al dan niet geïsoleerde) vloeren worden gedicht. Dit kan door het loshalen van de bestaande plinten of het aanbrengen van een voorzetplint.

Grotere kieren kunnen eerst vol gezet worden met stroken van een schuimrubberachtig materiaal.

Toelichting kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!) • Door een goede kierdichting bij ramen en deuren kan het comfort in een historisch gebouw sterk verhoogd worden. Het aanbrengen van isolerende beglazing heeft minder effect zonder een gelijktijdige verbetering van de kierdichting. Kierdichtingsmaatregelen zijn ook in een monument vaak goed te realiseren en hiermee kan 5 tot 10 % van de voor het verwarmen benodigde energie worden bespaard. • In de bouwmarkt is een keur aan zelfklevende schuimstrips te verkrijgen die goedkoop en eenvoudig tochtproblemen kunnen verhelpen. Door het materiaal waaruit ze bestaan en door de plakstrip hebben deze oplossingen echter maar een beperkte levensduur (hooguit enkele jaren). Beter is het te investeren in meer hoogwaardige oplossingen van rubber, brons of RVS die langdurig flexibel blijven en daardoor ook op termijn goed afdichten. Normaal gesproken is het prima mogelijk kierdichtingsoplossingen zo uit te voeren, dat ze in een gesloten raam (nagenoeg) niet zichtbaar zijn, zelfs in schuiframen waarin het maken van een goede kierdichting iets uitdagender is. In sommige gevallen kan de gemeente toch verzoeken een zichtbare kierdichting toe te passen, bijvoorbeeld als het betreffende raam of een monumentale deur een hoge monumentale waarde vertegenwoordigt.

Alternatieven bij ramen zijn een achterzetraam, waarin een (eventueel zelfs dubbele) kierdichting geïntegreerd kan worden, of een raam permanent vastzetten. Bij een schuifraam kan dan bijvoorbeeld een dichtingsband in de sponning worden aangebracht, waarna het raam aan de binnenzijde wordt afgekit en dicht geschilderd. Deze laatste oplossing is eenvoudig en goedkoop, maar betekent natuurlijk wel dat het raam niet meer open kan en dat kan qua gebruik en comfort (opwarming in de zomer!) een nadeel zijn. • Het aanbrengen van de eerdergenoemde zelfklevende schuimstrips is vergunningvrij, maar bij meer ingrijpende (en vaak betere) methodes van geïntegreerde kierdichting waarbij in ramen, deuren en kozijnen gefreesd moet worden, adviseert de gemeente u graag zodat de constructieve samenhang en monumentale waarde van de ramen en deuren zo goed mogelijk geborgd blijft. • De in de uitvoeringsrichtlijnen genoemde kierdichtingsoplossingen voor ramen, deuren en kozijnen zijn niet de enige oplossingen, maar wel goede oplossingen. Tochtwering met borstels is op termijn minder effectief, omdat de haren na verloop van tijd open gaan staan waardoor de werking afneemt.

Tochtstrips met een rubber lip die op het kozijn of raam kunnen worden gemonteerd, vereisen weliswaar geen ingrepen in monumentale ramen, deuren en kozijnen, maar geven doorgaans een minder goed resultaat dan een geïntegreerde kierdichting. En ze zijn zichtbaar en soms ontsierend. De erfgoedadviseurs van de gemeente beschikken over voorbeelddetails die gevolgd kunnen worden bij het plaatsen van kierdichting en – doorgaans dun – isolatieglas! • Onder een monumentale voordeur zit normaal gesproken een kier, omdat de deur

63

• •

•

•

• •

naar binnen draait en de onderdorpel daarom geen aanslag heeft. Een valdorpel wordt op of onderin de voordeur aangebracht, en valt naar beneden als de deur gesloten wordt waardoor de kier afgedicht wordt. Overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur of een inbouw of opbouwoplossing in uw geval het beste is. Vaak zijn de kieren rondom historische voordeuren fors. Bronzen tochtprofielen – een ouderwetse vorm van tochtwering met een zeer lange levensduur – zijn dan een goede oplossing die door eigenaren zelf is aan te brengen. Sommige monumenten zijn bij de bouw voorzien van deze tochtwering die dan nog steeds functioneert. Het voordeel van een bronzen tochtprofiel, dat wordt vernageld in de sponning van het kozijn, is ten opzichte van andere vormen van tochtwering dat de springkant zover op te wippen is dat zelfs een brede kier gedicht wordt. De werkwijze bij bronzen tochtprofielen is als volgt: deze strips hebben een spijker en springkant. Spijker de tochtstrip aan de boven- en zijkanten van de raam- of deursponning zo vast, dat de springkant van de tochtstrip het dichtst bij de aanslag is. Monteer de tochtstrip aan de onderkant van deuren en ramen zo, dat de spijkerkant van de tochtstrip het dichtst bij de aanslagkant is.

Wanneer de tochtstrip gemonteerd is, haal dan een stomppuntig metalen voorwerp gelijkmatig drukkend van boven naar beneden door de groef bij de spijkerkant, zodat de springkant omhoog komt en daarmee de kier vult. Als te hard gedrukt moet worden om het raam of de deur te sluiten, dan helpt het om de strip een beetje in te vetten met zuurvrije vaseline. Kierdichting is in draairamen relatief eenvoudig te realiseren. Vaak is het wel nodig het raam tijdelijk uit te nemen om de kierdichting te kunnen aanbrengen. Bij schuiframen is kierdichting complexer, met name omdat de kierdichting ter plaatse van de stijlen niet ten koste van het schuiven van de ramen mag gaan. VR strips zijn echter speciaal voor kierdichting in historische schuiframen ontwikkeld. De genoemde RVS profielen zijn glad, waardoor het raam nog steeds goed langs de kierdichting kan glijden. Eventueel kan het gedeelte van de raamstijlen dat in de sponning valt, voor de terugplaatsing van het raam worden ingewreven met grafiet. Voor alle vormen van geïntegreerde kierdichting geldt dat het schuifraam tijdelijk moet worden uitgenomen. Daarvoor moeten de belegstukken aan de binnenzijde van de kozijnstijlen worden losgeschroefd, waarna het schuivende (doorgaans onder)raam eruit kan worden gehaald. Kierdichting is niet alleen van belang in ramen of deuren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=874ddd49-8311-47e1-b8ae-fb97f51a790a