CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringskader Erfgoed Rheden 2022 DEF

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Uitvoeringskader Erfgoed Rheden30.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Naden zijn ook op andere plaatsen in de constructie aan te treffen, zoals bijvoorbeeld bij kappen en vloeren. Bij het aan de binnenzijde isoleren van een monument is het vaak lastig om tot een goede luchtdichte (kierdichte) aansluiting te komen op aansluitende bouwdelen en onderbrekingen, zoals binnenmuren, vensteropeningen, vloerbalken of spantbenen. Daardoor is er een risico op schade door condensatie van vocht in de binnenlucht die in de geïsoleerde constructie kan infiltreren. Daarom is een goede luchtdichte aansluiting van de geïsoleerde constructie op zijn omgeving van belang. In monumenten is het goed het gebruik van PUR-schuim zoveel mogelijk te vermijden. Dit materiaal dicht goed af en is gemakkelijk aan te brengen, maar het is ook moeilijk weer te verwijderen, sluit erg af waardoor hout verstikt kan raken, en is minder vriendelijk voor de gezondheid en het milieu. Voorgecomprimeerde afdichtingsband werkt schoner en dicht beter af. Bij houten vloeren, met name bij een strijkbalk (een balk die direct naast de muur ligt) kunnen bij de aansluiting op de wand naden ontstaan waardoor de randen van de vloer vaak kouder zijn. Om dit te voorkomen moet een kierdichting worden aangebracht. Een combinatie die aandacht behoeft, is die van kierdichting en ventilatie. In oude gebouwen komen meer naden en kieren voor dan in nieuwe gebouwen.

Dat komt deels door hun bouwtrant en deels doordat oorspronkelijk goed gedetailleerde aansluitingen versleten zijn, of door een verkeerde behandeling falen. Ventilatie is essentieel voor een gezond binnenklimaat en om vocht uit een gebouw af te voeren. De afvoer van vocht is niet alleen belangrijk voor het binnenklimaat, de gezondheid van de gebruikers en het gebouw zelf, het is ook van belang voor het energieverbruik. Het kost immers veel meer energie om vochtige lucht op te warmen dan droge lucht. Eventueel kunnen CO en CO2 – sensoren worden toegepast, die alarmeren bij ongezonde binnenlucht, maar doorgaans volstaat het af en toe openzetten van een raam niet. De bouwwetgeving gaat voor de noodzakelijke luchtverversing in bestaande

64

bouw uit van een minimum capaciteit van 0,7 liter verse lucht per vierkante meter per seconde, met een minimum van 7 liter per seconde, ongeacht de grootte van de ruimte. In bepaalde ruimtes, zoals een vochtbelaste ruimte als een badkamer, of in een keuken met een gasfornuis, worden hogere eisen gesteld. Vaak is daarvoor een vorm van mechanische ventilatie noodzakelijk. Kort samengevat zijn daarvoor twee mogelijk mogelijkheden: mechanische afzuiging in combinatie met natuurlijke aanvoer van lucht, of aan- en afvoer van lucht door mechanische ventilatie. De eerste oplossing vraagt meestal om nieuwe ventilatievoorzieningen in ramen, deuren, gevels en daken. Dat moet zorgvuldig gebeuren, is maatwerk en niet altijd mogelijk. Bij volledige mechanische ventilatie is de inpassing in een eventueel monumentaal interieur qua leidingverloop en in- en uitlaatventielen uitdagender dan bij uitsluitend afzuiging. Vanuit de duurzaamheidsopgave is de tweede oplossing de beste, mits er gebruik wordt gemaakt van warmteterugwinning. De warmte van de binnenlucht die wordt afgevoerd, wordt daarbij benut om toegevoerde buitenlucht voor te verwarmen. Hierdoor verbetert het wooncomfort en wordt er bespaard op het energieverbruik. De hoeveelheid afgevoerde en toegevoerde lucht in de woning is bij zo’n systeem gelijk en daarom wordt deze vorm van ventilatie vaak balansventilatie genoemd.

7

.4 Gevelisolatie

Verwijzingen gevelisolatie • Bij het aanbrengen van gevelisolatie zijn paragraaf 4.11, schilderwerk, paragraaf 4.12, gevelbehandeling en reiniging, en hoofdstuk 6, interieurs en interieurafwerkingen, medebepalend voor de mogelijkheden. • Bij binnenisolatie zouden tevens de richtlijnen in paragraaf 7.3, kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!) moeten worden betrokken. • Bij spouwmuurisolatie dienen de boorgaten conform paragraaf 4.4, voegwerk, hersteld te worden. Uitgangspunten gevelisolatie • Buitengevelisolatiesystemen zijn normaal gesproken niet toegestaan, omdat ze een monumentale gevel aan het oog onttrekken. • Geïsoleerde voorzetwanden aan de binnenzijde zijn vaak wel mogelijk. Zij mogen echter niet worden toegepast als hierdoor monumentale interieuronderdelen worden aangetast of aan het zicht onttrokken, zoals lambriseringen, wandbespanningen, monumentale plafonds en plafondlijsten. • De isolatie van de wanden moet afgestemd zijn op het totale pakket van isolatievoorzieningen. • Het aanbrengen van gevelisolatie is alleen mogelijk als de buitengevel in een goede technische conditie is. Eventuele vochtproblemen moeten eerst verholpen zijn.

• Als tevens aan deze voorwaarde wordt voldaan, is spouwmuurisolatie ook mogelijk: o het monument heeft een spouwmuur; o er mogen geen verbindingen tussen binnen- en buitenblad zijn (anders dan de spouwankers); o de gevels mogen aan de buitenzijde niet dampremmend zijn afgewerkt (bijvoorbeeld geschilderd of geïmpregneerd zijn of geglazuurde stenen hebben) of zijn opgetrokken in een vorstgevoelige steen; o het isolatiemateriaal mag geen vloeibaar water transporteren en het moet geschikt zijn om een volledige vulling te kunnen realiseren. Uitvoeringsrichtlijnen gevelisolatie • Bij geïsoleerde voorzetwanden zijn er in beginsel drie methodes toelaatbaar: o dampdicht (of traditioneel) isoleren, met een dampremmende laag aan de warme zijde; o capillair actief isoleren – dampopen met een hoge buffercapaciteit voor water; o een tussenvorm, met een isolatiemateriaal dat in eventueel staat is (wat) vocht te

65

bufferen en een minder dampdichte vorm van dampremming aan de warme kant. • Bij de keuze voor een traditionele isolatie: o moet de gevel aan de buitenzijde kunnen drogen; o dient er veel zorg te worden besteed aan luchtdichte aansluitingen van de dampremmende laag op de omgeving en aan het aftapen van de naden; o wordt het gebruik van flexibele dekens aangeraden en het gebruik van stijve isolatieplaten afgeraden; o wordt een luchtspouw tussen de buitengevel en de voorzetwand afgeraden; o zijn onderbrekingen van de isolatie en/of damprem in een geïsoleerde voorzetwand, zoals wandcontactdozen, onwenselijk. • Bij de keuze voor een capillair actieve isolatie is het belangrijk dat: o het isolatiemateriaal naadloos op het metselwerk van de buitengevel wordt aangebracht met een daarvoor geëigend product dat vochtuitwisseling faciliteert; o het isolatiemateriaal goed luchtdicht op de houten balken aansluit; o de binnenafwerking van de voorzetwand dampopen blijft (niet sauzen met latex dus!) o er geen wandcontactdozen geplaatst worden die de isolatie onderbreken. • Bij isolatie aan de binnenzijde van een houten gevel is toepassing van een capillair actief systeem (dus zonder damprem) niet mogelijk. • Een voorzetwand met een niet-capillair actieve isolatie zonder damprem wordt niet toegestaan.

• Indien strijkbalken en strijkspanten dermate dicht op de gevel liggen (<25 mm) dat er niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand kan worden aangebracht, of monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden doorgezet, moet (eventueel plaatselijk) van de isolerende maatregel worden afgezien. Een strijkspant of strijkbalk mag vanwege de geïsoleerde voorzetwand niet verplaatst worden, maar ook niet aan de koude zijde van de isolatie komen. In sommige gevallen kan in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur een met buitenlucht geventileerde luchtspouw tussen de muur en het isolatiemateriaal nog een uitkomst bieden. Hierdoor kan eventuele condensatie worden weg geventileerd. Om de spouw te ventileren dienen echter voorzieningen in de buitenschil te worden aangebracht en dat moet technisch en qua monumentale waarden wel mogelijk zijn.

• Voor spouwmuurisolatie geldt dat… o de vulling transport van regendoorslag van het buiten- naar het binnenblad moet tegengaan; o de spouwmuurisolatie reversibel dient te worden aangebracht: het isolatiemateriaal mag geen verbinding aangaan met het binnen- en buitenblad of met zichzelf (zoals bijvoorbeeld bij PUR of verlijmde EPS parels); o eventuele ventilatieopeningen om de constructie van de begane grondvloer droog te houden niet mogen worden dichtgezet om houtrot in de vloer te voorkomen; o vulopeningen in de voeg moeten worden aangebracht en niet in de steen. Om schade aan de stenen te voorkomen zou het boorgat enkele mm smaller moeten zijn dan de voegbreedte. Het kan voorkomen dat de voegen te smal zijn om de spouw te vullen. Boorgaten dienen na afloop te worden afgevoegd met een mortel die technisch en esthetisch passend is bij de gevel. Toelichting gevelisolatie • Het aanbrengen van gevelisolatie in monumenten vraagt om zorgvuldige afwegingen, want bij onjuiste materiaal- en constructiekeuzes kan deze grote problemen veroorzaken. Bouwfysisch gezien is het aan de binnenzijde isoleren van een buitenmuur niet ideaal. Door het plaatsen van voorzetwanden koelt de gevel in de winter af, waardoor hij langer nat blijft de kans op schade door vorst toeneemt.

Ter plaatse van de oplegging van houten balken in de gevel bestaat het risico op schade door condensatie van woonvocht, terwijl de balken door de afkoeling van de muur vervolgens ook langer nat blijven. En door een geïsoleerde voorzetwand wordt de gevel bovendien blootgesteld aan grotere schommelingen in de temperatuur. Hierdoor ontstaan spanningen die kunnen leiden tot scheurvorming in de gevel. Ondanks de risico’s zijn voorzetwanden bij monumenten meestal de enige mogelijkheid tot na-isoleren, omdat buitengevelisolatie

66

•

•

•

•

•

het afscheid van de monumentale gevel zou betekenen en de meeste monumenten geen spouwmuren hebben. Het is dan wel van belang dat de genoemde risico’s beheersbaar zijn en een eventueel monumentaal interieur niet ernstig aangetast wordt. Vanwege deze randvoorwaarden is een isolatiepakket van zo’n 5 centimeter vaak het maximaal haalbare. Maar daarmee wordt al een grote energiebesparing bereikt, want juist die eerste paar centimeters leveren het meeste op! In de natuur wil alles in evenwicht zijn. In een wintersituatie stromen er energie en waterdamp van binnen naar buiten door de buitenschil. De isolatielaag gaat het energieverlies tegen, waardoor de gevel afkoelt, maar de meeste isolatiematerialen houden geen waterdamp tegen. Daardoor ontstaat zonder maatregelen – meestal in de buurt van de overgang tussen isolatie en gevelmetselwerk – condens, waardoor schade optreedt aan het monument. Om schade door inwendige condensatie tegen te gaan, zijn er twee oplossingen bedacht. In een traditionele constructie wordt waterdamp aan de warme binnenzijde tegengehouden door een dampremmende folie of cachering. Bij een capillair actieve isolatie wordt waterdamp juist niet tegengehouden, maar wordt het vocht binnen zekere grenzen in het isolatiemateriaal opgenomen en herverdeeld, om weer af te kunnen geven door verdamping als de waterdampconcentratie laag genoeg is, zoals in de zomer.

Beide systemen hebben hun voor- en nadelen. Bij een traditionele isolatiemethode is het erg lastig om tot een goede dampdichte (en luchtdichte) aansluiting te komen op onderbrekingen, zoals vensteropeningen, vloerbalken of spantbenen. Daardoor kan mogelijk toch condensatie ontstaan, vaak juist op heel kritische punten, terwijl de damprem vervolgens droging tegengaat. Daarom is een erg zorgvuldige uitvoering van de damprem belangrijk. Omdat de damprem droging aan de binnenzijde tegengaat, is het belangrijk dat de gevel aan de buitenzijde niet dampdicht is afgewerkt. De damprem in een traditionele constructie fungeert tevens als luchtdichting. Ook daarbij is een precieze uitvoering belangrijk, omdat stromende binnenlucht nog veel meer water kan afzetten dan de eerdergenoemde dampstroom door de constructie. Om die reden wordt het gebruik van isolatiedekens aangeraden en een spouw tussen de gevel en de voorzetwand afgeraden. Dekens kunnen door hun flexibele karakter goed de oneffenheden van een monumentale gevel volgen, waardoor tussen de isolatie en gevel geen holtes ontstaan waardoor binnenlucht kan stromen die hier vocht afzet. Hetzelfde geldt voor een spouw: een luchtdichting zal nooit perfect zijn en door een spouw toe te passen kan hier juist vocht door stroming van binnenlucht ontstaan.

Mocht het toch gewenst zijn een harde isolatieplaat toe te passen, bijvoorbeeld vanwege een hogere isolatiewaarde bij een geringere dikte, kies dan voor een hybride (spouw)plaat die aan één zijde is voorzien van een laagje minerale wol om een goede aansluiting op de gevel te garanderen, en maak geen spouw. Bij toepassen van dekens strak tegen de gevel aan, is het van belang dat de gevel in een goede staat is of wordt gebracht. Als er wel sprake is van vochtdoorslag, dan kan dat in de isolatiedekens zuigen waardoor juist schade ontstaat! Wandcontactdozen in voorzetwanden moeten zoveel mogelijk vermeden worden, omdat ze een damp- en luchtlek vormen. Aangezien ze de isolatielaag onderbreken, zijn wandcontactdozen een relatief koude plek in de wand. Vanwege deze redenen is er een risico op condensatie; juist op een plaats waar elektra zit. Een mogelijke oplossing is een voorzetwand met een spouw aan de warme zijde van de isolatie en de damprem waarin de wandcontactdozen komen, maar de wand wordt hierdoor wel een stuk dikker wat weer tot een aantasting van interieurwaarden kan leiden. Eventueel kan ook gekozen worden voor luchtdichte wandcontactdozen en een dunne isolatielaag tussen de wandcontactdoos en de buitengevel.

Zoals eerder vermeld zijn balkopleggingen een kritisch punt: hier bestaat het risico op condensatie, terwijl de balk en de gevel minder goed drogen door de afkoeling die de isolatie met zich mee brengt. Een mogelijke oplossing bij een traditionele isolatie, die wel een zeer zorgvuldige uitvoering vraagt, is het rond de balkkop onderbreken van de isolatielaag, waardoor de gevel plaatselijk opwarmt. Aangezien die onderbreking een koude plek in de voorzetwand vormt waar condens zou kunnen ontstaan, is het belangrijk hier wel de damprem door te zetten en deze naadloos te laten aansluiten op de balk. Het plaatselijk onderbreken van de isolatie is – met dezelfde kanttekening t.a.v. de

67

•

• •

•

uitvoering – mogelijk ook een oplossing voor het isoleren bij strijkspanten en strijkspanten die heel dicht op de gevel liggen. Een capillair actieve isolatie is over het algemeen duurder en isoleert minder goed, zeker als het isolatiemateriaal relatief nat wordt. Als het bouwfysisch gewenst is dat de gevel (ook) naar binnen toe droogt, bijvoorbeeld vanwege een dampdichte afwerking aan de buitenzijde, is een capillair actieve isolatie een uitkomst. Omdat inwendige condensatie optreedt rond het grensvlak isolatie-gevel is het belangrijk dat de isolatie goed aansluit op de gevel. De laag tussen beide moet vochtuitwisseling faciliteren en er mogen geen holtes zijn omdat die de herverdeling van water in het capillair actieve isolatiemateriaal en droging naar binnen toe tegen gaan. Uit onderzoek blijkt dat een zorgvuldige luchtdichting rondom de balkkop, bijvoorbeeld met tape en PUR of hennep, belangrijk is om een hoge relatieve luchtvochtigheid bij de balkkop te voorkomen. De werking staat of valt met de binnenafwerking: als hier een dampdichte laag wordt aangebracht, dan is er feitelijk weer sprake van een traditioneel systeem. Bij sterk vochtbelaste ruimtes, zoals een badkamer, of bij toepassing van een vrij dik pakket, kan ook bij capillair actieve isolatie een vorm van dampremming gewenst zijn.

Van een deel van de producten waarvan geclaimd wordt dat ze capillair actief zijn, is dat niet aangetoond. Het is belangrijk hier goed naar te kijken. Een capillair actief materiaal zou een hoge waterabsorptiecoëfficiënt van A= 0,5-1,0 kg/m2s1/2 en een laag waterdampdiffusieweerstandsgetal van mu=5-15 moeten hebben. Een capillair actieve isolatie zonder damprem is bij houten gevels geen optie, omdat een vochtuitwisseling tussen de isolatie en de constructie (zoals bij een gevel) niet tot stand komt en er daardoor een verhoogde kans op schade is. Tussen traditioneel en capillair actief is van alles denkbaar. Een reden om hiervoor te kiezen, kan de inschatting zijn dat het niet gaat lukken om een volledig sluitend dampschild aan te brengen waardoor risico’s voor het monument ontstaan. Door een (natuurlijk) isolatiemateriaal te gebruiken dat wat vocht kan bufferen en een klimaatfolie te gebruiken, ontstaat een systeem dat van beide wat weg heeft. Een klimaatfolie remt de dampdiffusie in de wintermaanden, terwijl hij in de zomermaanden relatief dampopen is, waardoor de constructie kan drogen. In een spouwmuur zijn de binnen- en buitenzijde van een gevel ontkoppeld. Daardoor zou er geen vochtdoorslag mogen zijn vanaf buiten. Een spouw wordt doorgaans zwak geventileerd d.m.v. open stootvoegen of roosters, waardoor het gevelmetselwerk ook aan de spouwzijde kan drogen.

Uit onderzoek blijkt echter dat spouwen maar heel beperkt bijdragen aan de droging van de gevel. Daarom is het vaak toch verantwoord een spouw te vullen. Dat kan echter niet als de gevel aan de buitenzijde niet kan drogen door een dampdichte glazuur- of verflaag. Bij vervuiling van de spouw kunnen bij spouwmuurisolatie binnen vochtproblemen ontstaan, doordat de vervuiling fungeert als brug voor het vocht, hij in een gevulde spouw niet meer kan drogen en bovendien een koudebrug vormt waardoor er een koude plek ontstaat aan de binnenzijde waarop woonvocht kan condenseren. Daarom is het bij spouwmuurisolatie belangrijk dat een spouw ‘schoon’ is. Voor spouwmuurisolatie geldt – net als voor geïsoleerde voorzetwanden – dat de gevel in goede staat moet zijn om vorstschade door afkoeling te voorkomen. Door een vorstproef is het risico op schade eventueel beter in te schatten. Als er twijfels zijn over de staat van de spouwankers of de levensduur daarvan na het isoleren van de spouw, dan is het mogelijk het buitenblad van buitenaf extra te fixeren met RVS spouwankers. Mocht er onverhoopt toch schade optreden, dan is een reversibele spouwmuurvulling weer uit de spouw te zuigen, terwijl bij een vulling die een plaat vormt of een verbinding aangaat met de gevel sloop de enige mogelijkheid is. Het vol schuimen van spouwmuren van monumenten brengt bovendien andere risico’s met zich mee.

Het procedé is niet goed te controleren. Dit kan leiden tot schade door een te hoge drukbelasting op de gevels, het opdrukken van raam- en deurkozijnen, het vollopen van gewichtskokers bij schuiframen, het verstoppen van ontluchtingskanalen, etc. Omdat het niet wenselijk is de gevelstenen te beschadigen bij spouwmuurisolatie, kan de breedte van de voeg in sommige gevallen bepalend zijn voor het type isolatiemateriaal in de spouw of – indien de voeg zeer smal is – het na-isoleren van de spouw toch niet mogelijk maken. Dit zal echter niet vaak voorkomen.

68

7

.5 Dakisolatie

Verwijzingen dakisolatie • Bij het aanbrengen van dakisolatie zijn paragraaf 3.3, houtconstructies, en paragraaf 6.1, de algemene richtlijnen met betrekking tot daken, medebepalend voor de mogelijkheden. • Bij koud-dak-constructies zouden tevens de richtlijnen in paragraaf 7.3, kierdichting, luchtdichting (en ventilatie!) moeten worden betrokken. Uitgangspunten dakisolatie • Bij na-isolatie van daken is zowel een koud-dak-constructie (isolatie aan de binnenzijde van de dragende constructie) als een warm-dak-constructie (isolatie aan de buitenzijde van de dragende constructie) in beginsel mogelijk. Welke keuze de beste is, is niet zuiver een bouwfysische afweging maar mede afhankelijk van de specifieke eigenschappen van het monument. • Bijzondere monumentale dakconstructies blijven (binnen) in het zicht. • Karakteristieke doorzakkingen in het historische dakvlak dienen te worden behouden. • Als de onderdakse ruimte niet als verblijfsruimte gebruikt wordt, heeft isolatie van de zoldervloer de voorkeur.

Uitvoeringsrichtlijnen dakisolatie • Isolatie aan de buitenzijde van de dragende constructie is alleen toegestaan als: o het monument geen onderdeel is van een groter ensemble met een doorlopende kap, waardoor bij isolatie aan de buitenzijde hoogteverschillen ontstaan; o de pannenlijn binnen de gevelaansluitingen en goot blijft; o veranderde aansluitingen op eventuele dakdoorbrekingen, zoals kapellen of schoorstenen, op een goede manier kunnen worden opgelost. De dikte van het isolatiemateriaal moet hierop worden aangepast. • Bij toepassing van een meerlaags reflecterende folie onder de pannen dient deze dampopen te zijn. Deze folies moeten niet te strak worden opgespannen worden. • Als aan de binnenzijde geïsoleerd wordt, moeten eventuele vochtproblemen eerst verholpen worden. Aan de warme kant van het isolatiemateriaal dient een damprem te worden aangebracht. Speciale aandacht is nodig voor het goed luchtdicht afwerken van naden en de aansluitingen op de balken, kapvoet, nok, gevels, wanden, eventuele dakdoorvoeren en dakopeningen. Het heeft de voorkeur tussen eventueel aanwezig dakbeschot en het isolatiemateriaal geen spouw toe te passen. • Bij isolatie aan de binnenzijde is toepassing van een capillair actief systeem (dus zonder damprem) niet mogelijk. • Platte daken mogen in principe niet aan de binnenzijde geïsoleerd worden.

• Zowel bij warm als koud-dak-constructies heeft de toepassing van een waterkerende, dampopen folie onder dakpannen de voorkeur. Toelichting dakisolatie • Een warm-dak-constructie (isolatie aan de buitenkant) heeft bouwfysisch gezien de voorkeur boven een koud-dak-constructie. Met een warm-dak-constructie is de kans op bouwfouten kleiner en worden koudebruggen voorkomen. Door een isolatielaag onder de pannen aan te brengen, komen deze hoger te liggen. Dat is niet altijd mogelijk, en als dat wel zo is, dan is de mogelijke dikte van de isolatielaag vaak beperkt. Bij toepassing van een (te) dik isolatiepakket binnen een warm-dak-constructie kan de dakconstructie onaanvaardbaar worden verhoogd. Hierdoor kan de hoofdvorm worden aangetast, kunnen er aansluitingsproblemen ontstaan op bijvoorbeeld (top-)gevels, kan de afwatering van het dak buiten de gootlijn terecht komen en kunnen er bij de dakvoet koudebruggen ontstaan wanneer de muren aan de binnenzijde worden na-geïsoleerd. Vanwege de vaak beperkte dikte is een isolatiemateriaal met een zo laag mogelijke warmtegeleidingscoëfficiënt aan te raden. • Er zijn ook relatief dunne isolatiefolies in de handel die onder de pannen kunnen worden toegepast. Deze folies bestaan uit meerdere laagjes reflecterende folie met luchtkamers

69

•

•

• • •

ertussen. Het isolerende principe van de folies berust niet zozeer op het tegengaan van transmissie, maar op het terug reflecteren van warmtestraling. Fabrikanten claimen vaak hoge isolatiewaardes, maar het is de vraag of die ook gehaald worden. Bij het aanbrengen is het belangrijk dat de reflecterende lagen in staat zijn de warmte terug te geven aan de luchtlagen tussen de folies en/of tussen de folie en het dakbeschot. Daarom moeten de folies een beetje kunnen opbollen (waarbij de panlat vanwege de afvoer van regenwater wel vrij moet blijven) en wordt vaak een luchtspouw tussen de folie en het dakbeschot voorgeschreven. Door de luchtspouw en extra (dikke) latten is de totale dikte van het pakket een stuk groter dan die van de folie alleen. Als de isolerende werking van een isolatiefolie in de praktijk toch tegenvalt, dan is het fijn als er ook nog aan de binnenzijde kan worden geïsoleerd. Om dat mogelijk te maken, mogen meerlaags reflecterende folies onder de pannen niet dampdicht zijn, omdat de dakconstructie anders in de toekomst zou kunnen worden opgesloten tussen twee dampdichte lagen. Een koud-dak-constructie is gemakkelijker en goedkoper te realiseren. Er hoeft geen steiger te worden geplaatst en de dakpannen hoeven niet te worden afgenomen, mits het dak in goede staat is.

Als er sprake is van een vochtproblematiek, dient die eerst verholpen te worden om ernstige schade door vochtige isolatiedekens tegen een houten dakconstructie te voorkomen. Een koud-dak-constructie is bouwfysisch gezien risicovoller vanwege de kans op inwendige condensatie. Daarom dient een damprem te worden toegepast, die bovendien goed moet aansluiten op doorbrekingen en begrenzingen. Een capillair actieve isolatie zonder damprem is bij kappen geen optie, omdat een vochtuitwisseling tussen de isolatie en de constructie (zoals bij een gevel) niet tot stand komt. Soms wordt er voorgesteld tussen de isolatie en het dakbeschot een geventileerde spouw toe te passen. Daarmee wordt natuurlijk beoogd eventueel condensvocht weg te ventileren, maar het is de vraag of dat doel wel bereikt wordt. Onder invloed van luchtdruk (wind!) kunnen buiten- en binnenlucht elkaar bij toepassing van een spouw makkelijker ontmoeten, waardoor juist condens ontstaat. Als er een waterkerende, dampdoorlatende folie onder de pannen ligt, zal er bovendien nauwelijks trek zijn in de spouw. Binnenisolatie is bij platte daken niet aan te raden, omdat deze meestal zijn voorzien van een (zeer dampdichte) bitumen dakbedekking.

Bouwfysisch gezien zou isolatie aan de binnenzijde van een plat dak eigenlijk voorzien moeten worden van een damprem om inwendige condensatie tegen te gaan, maar daardoor zou de houten dakconstructie worden opgesloten tussen twee dampdichte lagen, waardoor schade kan ontstaan. Alternatieven zijn een warm-dak-constructie, het isoleren van een zoldervloer, of eventueel het creëren van een geventileerde spouw tussen de binnenisolatie en het dakbeschot met de dakbedekking. Het is in dat laatste geval wel belangrijk dat er ook echt trek in de spouw is waardoor vocht kan weg ventileren. Platte en flauw hellende daken waren historisch gezien voorzien van metalen dakbedekkingen. Ook hiervoor geldt dat ze dampdicht zijn en dat er bovendien gemakkelijk condens op ontstaat, ook aan de onderzijde. Neem bij de wens om een metalen dak na te isoleren vroegtijdig contact op met een gemeentelijke erfgoedadviseur om tot een goede technische oplossing te komen. Het isoleren van de zoldervloer is ook beter als de ruimte onder de kap niet gebruikt wordt. Het (indirect) verwarmen van ongebruikt volume onder de kap is zonde van de energie. Bij een koud-dak-constructie wordt een deel van de dakconstructie door de isolatie aan het oog onttrokken. Bij waardevolle dakconstructies is dat vaak geen optie.

Als er sprake is van een oude dakconstructie waarin in door de langdurige gewichtsbelasting vervormingen zijn ontstaan, dan kan niet met vlakke isolatieplaten of -panelen worden gewerkt, omdat daardoor de vervormingen verdwijnen. Alternatieven zijn dan een isolatiefolie of binnenisolatie.

70

7

.6 Vloerisolatie

Verwijzingen vloerisolatie • Bij het aanbrengen van vloerisolatie en/of (isolerende) dekvloeren zijn paragraaf 3.3, houtconstructies en hoofdstuk 6, interieurs en interieurafwerkingen, medebepalend voor de mogelijkheden. Uitgangspunten vloerisolatie • Een monumentale vloer(afwerking) mag in beginsel niet beschadigd, verwijderd of aan het oog onttrokken worden vanwege het isoleren. Uitvoeringsrichtlijnen vloerisolatie • Bij het isoleren van de begane grond vloer is het van belang ook de vochthuishouding in de ondergelegen ruimte te onderzoeken en, als deze vochtig is, hier maatregelen tegen te nemen, zoals bijvoorbeeld een bodemafsluiter in een kruipruimte. • Bij begane grond vloeren die aan de onderzijde worden voorzien van een isolatie, moet in de kruipruimte of kelder daaronder goed geventileerd worden, eventueel door het aanbrengen van gevelroosters. • Als een begane grond vloer aan de bovenzijde wordt geïsoleerd, moet tussen de vloerafwerking en de isolatie, dus aan de warme zijde van de isolatie, een dampremmende folie worden aangebracht tenzij uit een berekening blijkt dat dit niet nodig is. • Vloeren mogen niet met isolatieschuim worden geïsoleerd.

Bij het ‘volblazen’ van de ruimte tussen de vloer en een plafond dient een reversibel isolatiemateriaal te worden toegepast en dient de draagkracht van de constructie (bijvoorbeeld een monumentaal plafond waarop het extra gewicht van cellulose isolatie op kom te rusten) te worden getoetst. Voor het isoleren mogen geen gaten in een monumentale vloer(afwerking) worden geboord. • Bij ongebruikte, onverwarmde zolders kan op de zoldervloer of tussen de zoldervloerbalken isolatiemateriaal worden aangebracht. Toelichting vloerisolatie • Sommige monumentale vloeren, zoals bijvoorbeeld een terrazzovloer op zand, zijn niet te isoleren zonder de vloer te verliezen. In deze gevallen is isoleren helaas niet mogelijk. Vaak liggen steenachtige vloeren in monumenten in de verkeersruimtes, die sowieso een soort tussenklimaat hebben. Dan is het niet kunnen isoleren ook minder problematisch. • Een geïsoleerde vloer is extra gevoelig voor een vochtbelasting aan de koude zijde en een schade door houtaantasters als gevolg daarvan. Daarom is het belangrijk vocht tegen te gaan en weg te ventileren. • Het isoleren van een vloer, bijvoorbeeld een begane grondvloer, met isolatieschuim is een onomkeerbare handeling. Bij schade is er geen weg terug. Bij het volblazen van de ruimte tussen vloerbalken en/of de ruimte tussen vloerhout en een plafond, kan geen damprem worden toegepast.

Als de betreffende vloer zich tussen twee gebruiksruimtes bevindt, bijvoorbeeld tussen een woon- en een slaapkamer, dan zijn vanwege het beperkte temperatuurverschil geen problemen te verwachten. Maar tussen een verwarmde slaapkamer en een onverwarmde zolder kan dat anders zijn. Het is belangrijk dat een isolatiemaatregel die onverwacht voor schade zorgt ook kan worden teruggedraaid, en daarom mag het isolatiemateriaal (net als bij spouwmuren) geen verbinding aangaan met het monument en/of met zichzelf. • Als een zoldervloer geïsoleerd wordt kan vaak geen goede damprem worden aangebracht. Soms hangen als gevolg van een dampopen zoldervloerisolatie de condensdruppels aan het dakbeschot van de kap. Het is belangrijk dat de zolder goed geventileerd wordt bij het isoleren van de zoldervloer, bijvoorbeeld door het aanbrengen van roosters in het dakbeschot of door het aanbrengen van ventilatievoorzieningen in bestaande dakkapellen. Het moet op zolder een beetje waaien en daar zijn tegenover elkaar geplaatste voorzieningen voor nodig.

71

72

COLOFON Uitgave Gemeente Rheden | juni 2022 Auteur Martijn Andela | gemeente Rheden Eindredactie Marjolein Sanderman |gemeente Rheden Met dank aan de volgende personen voor hun reactie en tekstsuggesties: Heidi Buijs |gemeente Rheden Martijn Haitink | Dijkoraad R.R.G. B.V. Ilse Koreman | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Tom Pegels | Provincie Gelderland Gunter Peters | gemeente Rheden Marc Stappers | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Michel Terlingen | Provincie Gelderland/ Monumentenwacht Gelderland Het Uitvoeringskader Erfgoed Rheden 2022 is geïnspireerd door de volgende beleidsstukken en sommige tekstpassages zijn hieraan geheel of gedeeltelijk ontleend: Beleidskader toetsing ingrepen en/of herstel van Monumenten Gemeente Amsterdam, 2016 _______ Beleidsregel MOOI EDE gemeente Ede, 2020 _______ Uitvoeringsrichtlijnen Monumenten Delft gemeente Delft, 2021 _______ Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van de duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden Provincie Gelderland, 2006 _______ Werkdocument dubbel glas in monumenten gemeente Leiden, 2018

Vormgeving Heidi Buijs | gemeente Rheden Beeldmateriaal Erfgoed Rheden | Fotoclub Veluwezoom | Rheden op de Kaart

73

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=874ddd49-8311-47e1-b8ae-fb97f51a790a