Uitvoeringskader Erfgoed Rheden 2022 DEF
Tekst van het document
Deze paragraaf heeft betrekking op monumentale veranda’s, houten balkons, hekwerken, gepotdekselde delen, windveren etc. die zijn blootgesteld aan het buitenklimaat. Uitgangspunten timmerwerk exterieur • Het behoud van het bestaande materiaal en gevelbeeld. Vervangen van monumentale houten onderdelen is alleen mogelijk als herstellen redelijkerwijs niet mogelijk is. • Indien in het verleden houten onderdelen legaal zijn vervangen in of bekleed met een historisch onverantwoord materiaal, dan heeft het de voorkeur dat deze bij een vernieuwing worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal. In geval van een eerdere illegale vervanging is vervanging door historisch verantwoord materiaal verplicht. Uitvoeringsrichtlijnen timmerwerk exterieur • Het volledig vervangen van monumentaal houtwerk dat nog hersteld kan worden of nog in goede staat verkeert, is niet toegestaan. Zijn onderdelen slecht, dan wordt niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. • Voor de reparaties dienen oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast. Het verlijmen van verbindingen is in principe niet toegestaan. • Te vervangen houten onderdelen worden op historisch verantwoorde wijze uitgevoerd, waarbij de detaillering en houtsoort van de bestaande constructie – mits historisch – als uitgangspunt dient.
• Gebruik van plaatmaterialen zoals multiplex, kunststof verlijmde vezelplaat of MDF is niet toegestaan bij vervanging. Er dient massief hout te worden toegepast, bij voorkeur van dezelfde houtsoort. Aangezien deze niet altijd in de juiste kwaliteit voorradig is, kan voor een alternatieve houtsoort met eenzelfde textuur worden gekozen. Meranti heeft bijvoorbeeld een duidelijk andere textuur dan grenen en is derhalve niet geschikt als vervanging van grenen. • Bij aangetast houtwerk is een beperkt gebruik van pasta-achtige twee-componenten houtreparatiemiddelen voor het herstel mogelijk, tenzij het houtwerk is voorzien van een transparante afwerking (waarbij de houtnerf zichtbaar blijft) - dan is de toepassing van vulmiddelen verboden. Gebruik als vulmiddel een 2-componenten epoxy of urethaanacrylaat, met een maximum omvang van ca. een pingpongbal en een minimale dikte van 10mm om een goede reactie te verkrijgen. Bij grotere schade aan de ondergrond moet gekozen worden voor inzetstukken of deelvervanging.
27
Toelichting timmerwerk exterieur • Historisch timmerwerk aan de buitenzijde van een monument, zoals veranda’s en balkons, is sterk bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Het gaat om handgemaakte onderdelen waar veel tijd en liefde in is geïnvesteerd, en die iets vertellen over de ontwikkeling van het ambacht. Het is daarom belangrijk dit houtwerk zoveel mogelijk te handhaven. • Met een ‘onderdeel’ wordt een deel van het houtwerk bedoeld dat uit één stuk hout bestaat en niet meer verder uit elkaar gehaald kan worden. Vaak wordt onnodig overgegaan tot het vervangen van onderdelen die nog eenvoudig gerepareerd kunnen worden. Door bijvoorbeeld uitstukken, aanscherven of aanlassen kunnen aangetaste elementen vaak worden hersteld. Historisch hout is bovendien veelal van een betere kwaliteit dan hedendaags hout. Als meer dan 40% van een onderdeel slecht (lees ‘rot’) is, levert herstel door middel van de genoemde technieken geen goed resultaat op. • Het handhaven van een demontabele, niet verlijmde constructie heeft het voordeel dat de constructie voor reparatie altijd weer uit elkaar kan worden genomen. In sommige gevallen kan het toch zo zijn dat het verlijmen van de verbinding noodzakelijk is.
In die gevallen kan in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur toch voor verlijmen gekozen worden, mits de pasvlakken goed aansluiten en de lijm geen vochtwerende barrière vormt.
4
.7 Houten kozijnen, ramen en deuren
Verwijzingen houten kozijnen, ramen en deuren • Voor dakramen wordt verwezen naar paragraaf 5.7, dakramen. Uitgangspunten houten kozijnen, ramen en deuren • Het behoud van het bestaande materiaal en gevelbeeld. Vervangen van monumentale houten kozijnen, ramen en deuren is alleen mogelijk als herstellen redelijkerwijs niet mogelijk is. • Uitvoering conform de vergunning. • Indien in het verleden houten onderdelen legaal zijn vervangen in of bekleed met een historisch onverantwoord materiaal, dan heeft het de voorkeur dat deze bij een vernieuwing worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal. In geval van een eerdere illegale vervanging is vervanging door historisch verantwoord materiaal verplicht. • Het streven om historische venster- en deurpartijen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag niet leiden tot aantasting van de monumentale waarden of het integraal vervangen van de onderdelen. Als een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. Een uitzondering is als een raam redelijkerwijs niet te repareren is. Dan kan het nieuwe raam in overleg met de gemeente beperkt aangepast worden met behoud van de kozijnindeling en uiterlijke kwaliteit van de detaillering.
• De (nieuwbouw)normen van KVT (Kwaliteit voor Timmerwerk) gelden niet voor historische vensters en deurpartijen in monumenten van vóór 1961. Deze standaarddetaillering mag niet worden toegepast. Zo is bijvoorbeeld de toepassing van een V-naad niet toegestaan. • Draaikiepramen zijn niet toegestaan. • Toepassing van plakroeden of het verzwaren van roeden is in beginsel niet toegestaan. Het verwijderen van roeden is ook niet toegestaan. Uitvoeringsrichtlijnen houten kozijnen, ramen en deuren • Het volledig vervangen van monumentale houten kozijnen, ramen, deuren en luiken die nog hersteld kunnen worden of nog in goede staat verkeren, is niet toegestaan. Zijn er onderdelen slecht, dan wordt niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. • Voor de reparaties dienen oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast.
28
• • •
•
•
• •
Het verlijmen van verbindingen is in principe niet toegestaan. Te vervangen houten onderdelen worden op historisch verantwoorde wijze uitgevoerd, waarbij de detaillering en houtsoort van de bestaande constructie – mits historisch – als uitgangspunt dient. Historisch hang- en sluitwerk wordt in principe behouden. Gebruik van kunststof of metalen ramen en kozijnen, is niet toegestaan bij vervanging van hout. Er dient massief hout te worden toegepast, bij voorkeur van dezelfde houtsoort. Aangezien deze niet altijd in de juiste kwaliteit voorradig is, kan voor een alternatieve houtsoort met eenzelfde textuur worden gekozen. Meranti heeft bijvoorbeeld een duidelijk andere textuur dan grenen en is derhalve niet geschikt als vervanging van grenen. Reparaties van gedeelten van een historisch venster- of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een schuine of liplas. De las loopt schuin en afwaterend. Een stompe las is een ondeugdelijke methode die niet aansluit bij de vereiste restauratieve aanpak. Bij aangetast houtwerk is een beperkt gebruik van pasta-achtige twee-componenten houtreparatiemiddelen voor het herstel mogelijk, tenzij het houtwerk is voorzien van een transparante afwerking (waarbij de houtnerf zichtbaar blijft) - dan is de toepassing van vulmiddelen verboden.
Gebruik als vulmiddel een 2-componenten epoxy of urethaanacrylaat, met een maximum omvang van ca. een pingpongbal en een minimale dikte van 10mm om een goede reactie te verkrijgen. Bij grotere schade aan de ondergrond moet gekozen worden voor inzetstukken of deelvervanging. Het is niet toegestaan om openingen tussen kozijn en muur met kit of PUR-schuim af te dichten. De naden tussen kozijn en gevel moeten met een damp-open voeg van kalkspecie worden afgedicht. Kit kan het uittreden van vocht blokkeren. De bovenzijde van horizontale delen waarin kopshout en of verticale verbindingsnaden aanwezig zijn, o.a. bij vensterblinden, luiken, opgeklampte deuren, moeten worden afgedekt met lood minimaal 16 kg/m2 (NHL 16). Het lood wordt mee geschilderd in de kleur van het hout. Bij het aanbrengen van het lood dient ervoor zorg te worden gedragen dat het lood het openen en sluiten van bijvoorbeeld luiken niet mag belemmeren.
Toelichting timmerwerk exterieur • Historische kozijnen, ramen, deuren en luiken zijn sterk bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Het gaat om handgemaakte onderdelen waar veel tijd en liefde in is geïnvesteerd, en die iets vertellen over de ontwikkeling van het ambacht. Het is daarom belangrijk dit houtwerk zoveel mogelijk te handhaven. • In de vergunningsprocedure wordt veel aandacht en zorg besteed aan een passende detaillering van het timmerwerk. Het uitvoeren conform de vergunning lijkt een vanzelfsprekendheid, maar dat is het helaas niet altijd. Te vaak worden in de praktijk ramen, deuren en kozijnen door een aannemer of timmerfabriek opnieuw uitgetekend op basis van de standaard KVT-detaillering, omdat dat gemakkelijker en goedkoper is of de machines standaard zo ingesteld staan. Deze nieuwbouwdetaillering heeft een heel andere uitstraling, detoneert in een monument en is daarom niet toegestaan. In 1961 is een eerste versie van de KVT gepubliceerd, waardoor het vanaf dat bouwjaar mogelijk is dat kozijnen, ramen en deuren met genoemde detaillering worden aangetroffen. • Vaak wordt onnodig overgegaan tot het vervangen van onderdelen die nog eenvoudig gerepareerd kunnen worden. Door bijvoorbeeld uitstukken, aanscherven of aanlassen kunnen aangetaste elementen vaak worden hersteld. Historisch hout is veelal van een betere kwaliteit dan hedendaags hout.
• Met een ‘onderdeel’ wordt een deel van het houtwerk bedoeld dat uit één stuk hout bestaat en niet meer verder uit elkaar gehaald kan worden. Vaak wordt onnodig overgegaan tot het vervangen van onderdelen die nog eenvoudig gerepareerd kunnen worden. Door bijvoorbeeld uitstukken, aanscherven of aanlassen kunnen aangetaste elementen vaak worden hersteld. Historisch hout is bovendien veelal van een betere kwaliteit dan hedendaags hout. Als meer dan 40% van een onderdeel slecht (lees ‘rot’) is, levert herstel door middel van de genoemde technieken geen goed resultaat op. • Het handhaven van een demontabele, niet verlijmde constructie heeft het voordeel dat
29
•
•
4
de constructie voor reparatie altijd weer uit elkaar kan worden genomen. In sommige gevallen kan het toch zo zijn dat het verlijmen van de verbinding noodzakelijk is. In die gevallen kan in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur toch voor verlijmen gekozen worden, mits de pasvlakken goed aansluiten en de lijm geen vochtwerende barrière vormt. Hang- en sluitwerk is een wezenlijk onderdeel van historische ramen en deuren. Het uitgangspunt is het behoud van dit historisch hang- en sluitwerk. In de praktijk wordt te snel overgegaan tot vervanging terwijl de onderdelen eenvoudig gangbaar zijn te maken. Door het kopshout van bijvoorbeeld luiken af te dekken wordt inwateren voorkomen waarmee de levensduur van het hout sterk verlengd wordt. .8 Metalen kozijnen, ramen en deuren
Verwijzingen houten kozijnen, ramen en deuren • Voor dakramen wordt verwezen naar paragraaf 5.7, dakramen. Uitgangspunten metalen kozijnen, ramen en deuren • Het behoud van het bestaande materiaal en gevelbeeld. Vervangen van metalen kozijnen, ramen en deuren is alleen mogelijk als herstel redelijkerwijs niet mogelijk is. • Indien in het verleden metalen onderdelen legaal zijn vervangen in of bekleed met een historisch onverantwoord materiaal, dan heeft het de voorkeur dat deze bij een vernieuwing worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal. In geval van een eerdere illegale vervanging is vervanging door historisch verantwoord materiaal verplicht. • Het streven om historische venster- en deurpartijen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag niet leiden tot aantasting van de monumentale waarden of het integraal vervangen van de onderdelen. Als een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. Een uitzondering is als een raam redelijkerwijs niet te repareren is. Dan kan het nieuwe raam in overleg met de gemeente beperkt aangepast worden met behoud van de kozijnindeling en uiterlijke kwaliteit van de detaillering. Uitvoeringsrichtlijnen metalen kozijnen, ramen en deuren • Herstel van stalen of gietijzeren kozijnen, ramen of deuren in het werk is alleen geschikt voor kleine reparaties.
Restauratie in een werkplaats geeft in de regel de beste resultaten. • Als alle onderdelen worden aangepakt, moet voor de restauratie kleuronderzoek plaatsvinden. Stalen onderdelen worden bij restauratie gewoonlijk gestraald waardoor de oorspronkelijke kleurafwerkingen verloren gaan. • Bij herstel van stalen kozijnen, ramen of deuren heeft schooperen de voorkeur. • Historisch hang- en sluitwerk wordt in principe behouden. Toelichting metalen kozijnen, ramen en deuren • Metalen ramen, kozijnen en deuren zijn meestal deels vastgezet in metselwerk. Juist op die plekken is vaak roestvorming ontstaan. Bij grotere gebreken heeft herstel in een werkplaats de voorkeur vanwege een aantal redenen. Het werk kan in situ niet worden gestraald, maar moet worden geschuurd. Daarmee kunnen niet alle plaatsen worden bereikt. Bovendien is lassen in het werk wel mogelijk, maar minder sterk en fraai. Er moet tijden het lassen zo min mogelijk warmte worden gebruikt om kromtrekken van het staal te voorkomen, maar dat lukt niet altijd. Het lassen van gietijzeren onderdelen is bovendien echt werk voor specialisten. Wanneer het element kan worden uitgenomen zijn verschillende manieren van conserveren mogelijk, afhankelijk van de staat en het materiaal. De gemeentelijk adviseur kan hierin adviseren. • Profielstaal, smeedijzer of gietijzer kan voorzichtig worden gestraald of chemisch worden ontlakt.
Een corrosiewerende zinklaag mag alleen worden aangebracht door middel van schooperen. Alternatieven om een zinklaag op het staal aan te brengen, thermisch
30
•
4
verzinken of een zinkcompound, geven een minder goed resultaat. Een zinkcompound beschermt minder goed. Als voorbehandeling voor thermisch verzinken is stralen ongeschikt, omdat daarmee de binnenzijde van holle delen niet wordt bereikt, terwijl die wel door het vloeibare zink worden bereikt. Een ander nadeel van thermisch verzinken is dat het staal door de hitte van het gesmolten zink ernstig kan vervormen. Hang- en sluitwerk is een wezenlijk onderdeel van historische ramen en deuren. Het uitgangspunt is het behoud van dit historisch hang- en sluitwerk. In de praktijk wordt te snel overgegaan tot vervanging, terwijl de onderdelen eenvoudig gangbaar zijn te maken. .9 Historisch glas
Verwijzingen historisch glas • Het toepassen van isolerende beglazing is toegestaan wanneer de historische maten en detaillering van het raamhout en de roeden niet behoeven te worden aangepast en er geen sprake is van waardevol vensterglas. Daarnaast moet de afmeting van het bestaand raamhout voldoende zijn om op verantwoorde wijze isolerende beglazing aan te brengen. Voor de toepassingsmogelijkheden van isolerende beglazing wordt verwezen naar paragraaf 7.2, isolatieglas. Uitgangspunten historisch glas • Het handhaven van de oorspronkelijke uitstraling van historische ramen en deuren. • Het bewaren van historisch waardevol glas. Uitvoeringsrichtlijnen historisch glas • Bij vervanging dient het glas te worden vervangen door glas met dezelfde kleur, structuur en afwerking. D.w.z. gekleurd glas blijft gekleurd, getrokken glas blijft getrokken glas, facetglas blijft facetglas. • Vensterglas moet op de oorspronkelijke wijze worden vastgezet. • Gebruik bij herstel en plaatsing van glas-in-lood bij voorkeur traditionele materialen, zoals lijnolie-krijtpasta en stopverf voor het opsluiten van het glas, of eventueel een daarvoor geëigende glas-in-loodkit. Overtollige kit moet verwijderbaar zijn zonder dat er schade ontstaat aan het glas of de brandschildering. Eventuele beglazingskit mag niet vergelen, niet glanzen, is (grijs)transparant en zuurvrij.
Bij de keuze van de beglazingskit dient deze te zijn beoordeeld op verdraagzaamheid met de toegepaste materialen en moet deze op termijn, bij hernieuwd herstel van het glas-in-lood, weer schadevrij te verwijderen zijn. • Bij gebrandschilderd glas mogen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen niet worden gebruikt om de schildering niet aan te tasten. • Een museale opstelling van glas-in-lood is alleen mogelijk als het glas-in-lood een hoge kunsthistorische waarde heeft. • Het plaatsen van roosters en suskasten in glasvlakken is niet toegestaan. Toelichting historisch glas • Historisch glas wordt meestal niet vervangen vanwege breuk, maar vanuit de wens te isoleren. Bij ‘gewoon’ enkel vensterglas wordt dat doorgaans toegestaan, als het niet leidt tot de vervanging of aantasting van de monumentale ramen. In de praktijk betekent dat dat er meestal dunnere isolerende glassoorten geplaatst kunnen worden en niet het reguliere HR++ glas, omdat dat laatste te dik is. • Historisch glas is niet alleen blank vensterglas. Een veelvoud aan fabricage- en bewerkingsmethodes leidde tot o.a. mousselineglas, kathedraalglas, draadglas, gebrandschilderd glas, marmerglas en geëtst glas. Meestal vertegenwoordigen deze glassoorten belangrijke monumentale waarden en is behoud dus het uitgangspunt. • Glas is tot in de twintigste eeuw van buitenaf geplaatst met behulp van stopverf.
Daarna werden glaslatten of profielen steeds vaker toegepast, en werd glas vaker van binnenuit geplaatst. Dat geeft een ander beeld. Het uitgangspunt is behoud van het bestaande beeld, maar er kan zo nodig wel een moderne stopverfvervanger worden toegepast bij
31
•
•
•
4
vervanging van het glas. De loodprofielen van glas-in-lood werden aan de binnen- en buitenzijde ingewassen met een slappe lijnolie-krijtpasta om ze waterdicht te krijgen. Deze kit draagt ook in belangrijke mate bij aan de stevigheid van een glas-in-loodraam. Het gebruik van moderne siliconenkit bij glas-in-lood is niet toegestaan, omdat dit vuil aantrekt en bijna niet meer te verwijderen is. Een uitzondering wordt gemaakt voor glas-in-loodramen die museale waarde hebben, kunnen achter een moderne ruit aan de binnenzijde worden opgehangen waardoor ze beschermd zijn tegen breuk door invloeden van buitenaf en tegen schade, bijvoorbeeld van een kwetsbare brandschildering) door condensatie van binnenlucht. Ventilatievoorzieningen in het glas ontsieren het monument. Vaak zijn er goede alternatieven die (bijna) onzichtbaar zijn. .10 Nieuwe voorzieningen
Uitgangspunten nieuwe voorzieningen • Voorzieningen die een niet-reversibele toevoeging zijn en waarvoor in de gevel een sparing of gat moet worden aangebracht, zoals brievenkasten, kachelafvoeren, belen intercomvoorzieningen, ventilatieroosters etc. zijn vergunningplichtig. Binnen de procedure wordt gekeken hoe de wijziging zich verhoudt tot de monumentale waarde. • Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd en worden bij voorkeur in de voeg vastgezet. Toelichting nieuwe voorzieningen • Het kan nodig zijn om aan of in een gevel nieuwe voorzieningen te bevestigen. Bij meer ingrijpende voorzieningen wordt in het kader van een vergunningsprocedure bezien of de voorziening en de wijze waarop deze getroffen wordt in redelijke verhouding staan tot de monumentale waarde. • Bij minder ingrijpende voorzieningen zou de gevel weer in oude staat te herstellen moeten zijn, en daarom is vastzetten in de voeg het uitgangspunt.
4
.11 Schilderwerk exterieur
Verwijzingen schilderwerk exterieur • Zie voor het herstel van ondergronden de uitvoeringsrichtlijnen in de paragraaf m.b.t. de betreffende materiaalsoort. Uitgangspunten schilderwerk exterieur • Als het nodig is opnieuw te schilderen, dan mogen oude verflagen niet zomaar volledig worden verwijderd maar dienen deze te worden overgeschilderd. • Het kleurenpalet van een monument sluit aan bij de historie, karakteristiek en ontwikkeling van het monument. • Ongeschilderde bouwdelen blijven in principe ongeschilderd. • Een schildersysteem moet technisch gezien passen bij de materiaaleigenschappen van de ondergrond en het gewenste bouwfysische gedrag. Uitvoeringsrichtlijnen schilderwerk exterieur • Het integraal verwijderen van oude verflagen is alleen mogelijk met instemming van de gemeente en moet dan met een methode worden uitgevoerd die is afgestemd op de ondergrond. • Het schilderen van ongeschilderd metselwerk of natuursteen is niet toegestaan, tenzij dit na overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur historisch verantwoord blijkt. • Wanneer een bewust schoon gelaten betonconstructie beschermd moet worden tegen
32
•
•
• • • •
• • •
vochtindringing en reguliere bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden, kan in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur het beton behandeld worden met een kleurloze minerale verf. Houtachtige ondergronden moeten goed geschuurd worden om een sterke hechting van het verfsysteem te garanderen. Het schuren van historisch schilderwerk zou zorgvuldig en zoveel mogelijk handmatig moeten gebeuren. Bij machinaal schuren is het risico groter dat de vaak geprofileerde ondergrond vlak geschuurd wordt. Kies de korrelgroftes aan de hand van de schuurladder. Bij aangetast houtwerk is een beperkt gebruik van pasta-achtige twee-componenten houtreparatiemiddelen voor het herstel mogelijk, tenzij het houtwerk is voorzien van een transparante afwerking (waarbij de houtnerf zichtbaar blijft) - dan is de toepassing van vulmiddelen verboden. Gebruik als vulmiddel een 2-componenten epoxy of urethaanacrylaat, met een maximum omvang van ca. een pingpongbal en een minimale dikte van 10mm om een goede reactie te verkrijgen. Bij grotere schade aan de ondergrond moet gekozen worden voor inzetstukken of deelvervanging. Houtwerk dat in aanraking komt met metselwerk moet tweemaal in de menie of grondverf worden gezet. Bij kozijnen in steens muren moet voor schilderwerk aan de buitenzijde een dampopen verfsysteem worden gebruikt. Aan de binnenzijde is een dampdicht systeem het beste.
Naden tussen de kozijnen en de gevel mogen niet worden afgedicht met kit, maar moeten met een dampopen voeg van kalkspecie worden afgedicht. Bij het afwerken van smeedijzer, gietijzer en/of stalen ramen heeft een PU-lak of een lak op epoxybasis de voorkeur. Wanneer in situ wordt behandeld is het van belang om het metaal zo schoon mogelijk te maken en vervolgens te conserveren met een epoxy lak. Dit type lak kan direct op blank metaal worden aangebracht. Geschilderde gevels of steenachtige geveldelen moeten met een dampopen product worden geschilderd, bij voorkeur een minerale verf, lijnolieverf of eventueel een zuivere siliconenhars-emulsieverf. Historisch schilderwerk is normaliter glad; het gebruik van structuurverf is daarom niet toegestaan. Het is niet wenselijk schilderwerk aan het exterieur uit te voeren in de periode eind oktober tot eind maart, dit in verband met de overwegend heersende natte weersomstandigheden. In deze periode kan het houtwerk wel in de grondverf worden gezet.
Toelichting schilderwerk exterieur • Het pakket van verflagen geeft informatie over de kleurtoepassingen en verfsamenstellingen in het verleden en vertelt daarmee veel over de geschiedenis van het pand, zijn bewoners en de ontwikkelingen in het ambacht en de esthetiek. Oude verflagen mogen niet zomaar volledig worden verwijderd, omdat daarmee eventueel toekomstig kleuronderzoek niet meer mogelijk is. Technische redenen om daarvan toch af te wijken zijn als de diverse reeds aangebrachte verflagen dermate dampdicht zijn dat vochtproblemen te verwachten zijn of de verflagen dermate verouderd en uitgedroogd zijn dat deze een goede dekking van de nieuw aan te brengen verflaag verhinderen. Het is dan mogelijk dat een kleuronderzoek gevraagd wordt, als de verflagen van belang worden geacht vanwege de informatie die zij bevatten over het historisch kleurgebruik. • Als verflagen verwijderd worden, is het belangrijk dat de methode waarmee dat gedaan wordt aansluit op de eigenschappen van de ondergrond. Een zuur afbijtmiddel bijvoorbeeld, verhoudt zich slecht tot kalkhoudende natuursteensoorten, terrazzo of beton. Verf afbranden is vanwege het brandrisico verboden. Bovendien zijn er goede alternatieven, zoals schrappen, afbijten en föhnen. • Kleuren vormen een wezenlijk onderdeel van de uitstraling van een monument.
Vanuit een voorkeur voor de uitstraling van het onbehandelde bouwmateriaal is er in sommige perioden juist voor gekozen om niet te schilderen. Bij wijziging van de kleurstelling van een monument kan ter onderbouwing een kleurhistorisch onderzoek gevraagd worden. Wanneer een gevel in latere tijden een belangrijke verandering heeft ondergaan, ligt een kleurenpalet dat gerelateerd is aan die verandering meer voor de hand dan een palet dat teruggaat op de oorsprong van het pand, aangezien dat historisch gezien een
33
• •
• •
•
•
4
vreemd, tegenstrijdig beeld oplevert. Verflagen zijn bedoeld om gebouwen en/of bouwmateriaal te verfraaien, maar vooral om ze te beschermen. Het is belangrijk dat het schildersysteem niet juist tot schade leidt doordat het bijvoorbeeld droging van de gevel tegen gaat. Idealiter loopt de waterdampdoorlatendheid van de verschillende samenstellende lagen van een gevel stelselmatig op van binnen naar buiten. Bij historische kozijnen of andere houten onderdelen in muren zonder spouw is dat extra belangrijk, omdat ze vaak meer vochtbelast zijn dan houtwerk in tegenwoordige constructies. Om die reden mag ook geen kit worden gebruikt tussen het kozijn en de gevel: daardoor kan de mogelijkheid tot uittreding van vocht worden geblokkeerd. Als richtlijn kan worden genomen dat een verfsysteem voldoende dampopen is wanneer de Sd-waarde kleiner is dan 300 mm. Een Sd-waarde van 150 mm voor een verfsysteem wordt als dampopen beschouwd. Daarbij is het belangrijk te beseffen dat meerdere lagen van een dampopen verf op termijn ook een dampdicht karakter kunnen krijgen. Een lak op ijzerwerk of staal heeft de voorkeur boven een poedercoating omdat het toekomstig onderhoud eenvoudiger maakt. Het is van groot belang dat historische constructies aan de buitenzijde dampopen worden gehouden. Vocht uit het gebouw migreert in dampvorm door de niet geventileerde constructie.
Aangezien de gebouwen qua dampdiffusie en thermische eigenschappen, oorspronkelijk overwegend lek zijn, heeft het afsluiten van een constructie ernstige gevolgen. Het vochtgehalte in de constructie zal door de remming toenemen waardoor houten elementen zoals balken of kozijnen veelal een te hoge vochtconcentratie krijgen en houtrot kan ontstaan. IJzeren ankers in de gevel zullen sneller corroderen wat weer tot scheurvorming in het metselwerk zal leiden. Water dat door inwendige condensatie in de constructie komt en er door een verflaag niet uit kan zal het verval versnellen, doordat het ‘s winters uitzet door bevriezing en de steen beschadigt. Als richtlijn kan worden genomen dat een verfsysteem voldoende dampopen is wanneer de Sd-waarde kleiner is dan 300 mm. Een Sd-waarde van 150 mm voor een verfsysteem wordt als dampopen beschouwd. Daarbij is het belangrijk te beseffen dat meerdere lagen van een dampopen verf op termijn ook een dampdicht karakter kunnen krijgen. Het schuren bepaalt, samen met het verfsysteem, in hoge mate het uiteindelijke visuele resultaat en de duurzaamheid (levensverwachting) van het werk. In de schuurladder is aangegeven met welke opeenvolgende korrelgroften het beste eindresultaat wordt behaald. Een overdadige toepassing van vulmiddel bij houtrotherstel geeft geen duurzaam resultaat. .12 Gevelbehandeling en -reiniging
Uitgangspunten gevelbehandeling, -afwerking en reiniging • Het reinigen van gevels is niet toegestaan, tenzij de verontreiniging zelf (organisch of chemisch) schade veroorzaakt aan de gevel (metselwerk en/of natuursteen) of een gevel geschilderd of dermate vuil is dat de in het verleden beoogde architectonische expressie volledig verloren is gegaan. Gevelreiniging is vergunningplichtig. • Anti-graffiti lagen zijn vergunningplichtig. Ze zijn toegestaan als ze kleurloos (niet glanzend), dampdoorlatend en zelfopofferend zijn. Bij massief metselwerk is een zelfopofferende anti-graffiti-laag mogelijk als het gebouw geen aantoonbare fysische schade van de beschermlaag ondervindt. Permanente en semipermanente anti-graffiti systemen zijn niet toegestaan. • Het hydrofoberen/impregneren van gevels is niet toegestaan, tenzij bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden om vochtdoorslag in gevels te voorkomen.
34
Uitvoeringsrichtlijnen gevelbehandeling, -afwerking en reiniging • Voorafgaand aan een reiniging moet een reinigingsproef ter goedkeuring aan de gemeente worden overlegd. • De oppervlaktelaag van een baksteen, natuursteen, voeg en/of pleisterwerk mag niet worden aangetast als gevolg van gevelreiniging. • Mechanisch reinigen (stralen) van verblendstenen, geglazuurde bakstenen, keramische tegels of pleisterwerk is niet toegestaan. Dit beschadigt de oppervlakte en heeft gevolgen voor de conditie van de gevel. • Het reinigen van reliëfs mag niet leiden tot een verlies aan scherpte van de voorstelling. Reliëfs of sculptuurwerk verliezen (vooral bij zand-, kalk- en tufsteen) door reiniging snel scherpte en/of profiel. De reinigingsmethode moet voor deze onderdelen extra terughoudend zijn. Een methode die voor het gevelvlak acceptabel is, is dat niet altijd voor reliëfs. • Het verwijderen van verflagen (waaronder graffiti) van een gevel is niet toegestaan door middel van mechanisch reinigen. Die methode is niet geschikt voor het verwijderen van verf. Reinigen met een straalmiddel (mechanisch reinigen) kan de oppervlakte beschadigen en ondermijnt de conditie van de gevel. • In het uitzonderlijke geval dat een gevel gehydrofobeerd mag worden, dient de gevel technisch in goede staat te verkeren. Er mogen geen (haar)scheuren aanwezig zijn en het voegwerk etc.
moet in goede conditie verkeren. Wanneer een gevel technische mankementen vertoont, kan inwatering optreden. Water achter de hydrofobeerlaag kan tot gevolgschade leiden. De gemeente zal in eerste instantie vragen om een oplossing met een zelfopofferend systeem te onderzoeken. Toelichting gevelbehandeling, -afwerking en reiniging • Gevelreiniging brengt altijd een zeker schaderisico met zich mee. Reiniging kan de gevel mechanisch of chemisch beschadigen wat kan leiden tot afzanden, verpoederen, schilferen en afbrokkelen. Reiniging maakt metselwerk, voegwerk en vele soorten natuursteen veelal meer poreus omdat de oppervlaktelaag wordt aangetast. Dit leidt tot grotere wateropname van de gevel, meer kans op vorstschade en een snellere en diepere vervuiling van de gevel. Pleisterlagen zijn relatief zacht. Mechanische gevelreiniging leidt daardoor tot verlies aan scherpte en reliëf. Wat voor de ene gevel en/of materiaal een geschikte reinigingsmethode is, kan bij een andere gevel en/ of materiaal ernstige schade opleveren. Het is derhalve onmogelijk om een uniforme reinigingsmethode aan te geven. • Graffiti is het meest eenvoudig te verwijderen binnen 24 uur na het aanbrengen. Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, moet eerst worden vastgesteld welk type verf is gebruikt.
Vervolgens kan de reinigingstechniek worden bepaald, waarbij in ogenschouw moet worden genomen welke schade de reinigingsmethode kan veroorzaken. • Hydrofobeermiddelen kunnen bij een foutieve toepassing grote schade aan het gevelwerk toebrengen, als gevolg van bijvoorbeeld vochtophoping en zouten. Het hydrofoberen van gevels is daarom alleen toegestaan als bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden om vochtdoorslag in gevels te voorkomen. Het is namelijk van groot belang dat historische constructies dampopen worden gehouden. Vocht uit het gebouw migreert in dampvorm door de niet geventileerde constructie. Aangezien de gebouwen qua dampdiffusie en warmte, oorspronkelijk overwegend onoplosbaar lek zijn, heeft het afsluiten van een constructie ernstige gevolgen. Het vochtgehalte in de constructie zal door de remming toenemen waardoor houten elementen zoals balken of kozijnen vaak een te hoge vochtconcentratie krijgen waardoor rot kan ontstaan. Met name als bijvoorbeeld de kozijnen zelf met een dampdichte verf geschilderd zijn. IJzeren ankers in de gevel gaan ook sneller corroderen wat weer tot scheurvorming in het metselwerk zal leiden. Water dat bijvoorbeeld door inwendige condensatie in de constructie komt, kan er door de waterwerende laag niet uit wat het verval versnelt. In de winter bevriest dit vocht en beschadigt de steen.
Een tweede probleem is dat hydrofobeermiddelen verweren. Na een aantal jaren moet opnieuw gehydrofobeerd worden anders kan de gevel plaatselijk inwateren. Verder moet een gevel homogeen van aard zijn en niet te veel zouten bevatten anders is de hydrofobeerlaag op den
35
duur niet waterdicht. Tot slot is het hydrofoberen doorgaans niet reversibel. Gezien het bovenstaande leidt hydrofoberen op de lange termijn vaak tot blijvende schade aan de gevel. Als er redenen zijn om toch te hydrofoberen, dan moet eerst de toepassing van een zelfopofferend, niet-permanent systeem zoals bijvoorbeeld een bijenwas onderzocht moeten worden.
36
DAKEN DAKGOTEN HEMELWATERAFVOEREN
37
5 D A K E N | DA K G OT EN | H EMEL WATER AFV OER EN Verwijzingen daken • Voor kapconstructies wordt verwezen naar paragraaf 3.3, houtconstructies. • Voor houten gootbodems, windveren en dergelijke wordt verwezen naar paragraaf 4.6, timmerwerk exterieur. • Voor het isoleren van daken wordt verwezen naar paragraaf 7.4, dakisolatie.
5
.1 Algemene richtlijnen t.a.v. daken
Uitgangspunten daken algemeen • Het behoud van de historische dakvorm en dakbedekking vormt het uitgangspunt. • Eventuele glooiingen en zegen in het dak moeten worden gehandhaafd. • Indien de dakbedekking in het verleden is vervangen door een product dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden, dan heeft het de voorkeur deze bij een restauratie te vervangen door een historisch verantwoord product. • Bij werkzaamheden moet extra aandacht worden geschonken aan bijzondere elementen en decoraties. • Het isoleren van een dak is vergunningplichtig, zie paragraaf 7.4. Toelichting daken algemeen • De historisch waardevolle dakvorm en dakbedekking vormen wezenlijke onderdelen van het monument en van de ruimtelijke kwaliteit van het dorp. De vorm van het dak vormt een wezenlijk onderdeel van het historisch karakter en het beeld van het monument. Eventuele glooiingen en zegen in het dak, ontstaan onder invloed van de tijd, moeten worden gehandhaafd. • Als een historische dakbedekking in het verleden is vervangen, is dat vaak door een minder fraaie (bijv. betonpannen) en/of technisch slechtere (bijv. leien door shingles) oplossing. Dat gaat ten koste van de uitstraling en levensduur van het monument. • Het isoleren van een dak aan de buitenzijde leidt tot een wijziging van de aansluitingen op goten en gevels.
Isoleren aan de binnenzijde is vaak de enige of meest aantrekkelijke optie, maar bouwfysisch gezien wel een risico. Daarom is betrokkenheid van een deskundige gewenst.
5
.2 Dakpannen
Uitgangspunten dakpannen • Behoud van een dakbedekking met historische dakpannen is het uitgangspunt. • Bij vervanging of aanvullen daarvan heeft een gebruikte dakpan sterk de voorkeur. Uitvoeringsrichtlijnen dakpannen • Afgenomen historische dakpannen worden uitgesorteerd en de bruikbare exemplaren moeten worden hergebruikt. • Indien er sprake is van een historische dakbedekking, dient bij vervanging van de dakpannen de vorm, afmeting en kleur van de aangevoerde pannen gelijk te zijn aan die van de bestaande. Bijzondere hulpstukken die gescheurd zijn, kunnen vaak gelijmd worden en weer worden herplaatst. Als een dak gedekt is met een niet meer verkrijgbare pan, kan met een gemeentelijke erfgoedadviseur naar een oplossing worden gezocht. • Bij het indekken van het dak de bestaande pannen en de nieuwe pannen in aparte vlakken leggen. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak te dekken. • Zo mogelijk de dakvlakken in het zicht vanaf de openbare weg dekken met hergebruikte pannen.
38
• • •
• •
Indien de dakpannen in een patroon zijn gelegd, moet dit patroon worden gehandhaafd. Bij een dak met oud Hollandse pannen moet een platte nokvorst of loden nok worden toegepast. Voor het aansmeren van oud Hollandse pannen (oude holle), nok- en hoekkepervorsten mag alleen een gewapende kalkspecie worden toegepast. De kalkmortel kan indien nodig iets worden bijgekleurd. Bij het aansmeren moet voorkomen worden dat de kalkspecie voortijdig opdroogt; tijdens het proces van uitharding kan de specie worden verneveld of met natte doeken worden beschermd tegen uitdroging. Het gebruik van cement of flexibele kant en klare dakmortels is niet toegestaan. Eventueel toe te passen panhaken en -klemmen dienen in roestvast staal te zijn uitgevoerd. Het is raadzaam bij het opnieuw dekken van een dak een waterkerende folie onder de pannen toe te passen. Onder oud Hollandse pannen moet altijd een waterkerende, dampopen en UV-bestendige folie worden toegepast. De folie moet bij dakdoorbrekingen en opgaand muurwerk voldoende worden opgezet. Voordat de pannen worden aangesmeerd, zouden de nok en ruiterlatten ook moeten worden afgedekt met folie.
Toelichting dakpannen • Historische pannen hebben door het patina van ouderdom een andere uitstraling dan nieuwe pannen, zelfs als deze van hetzelfde type zijn. Het duurt decennia voordat deze nieuwe pannen datzelfde patina hebben. • Uitgangspunt is dat alleen dakpannen die gescheurd of gebroken zijn en daardoor lekkages veroorzaken, worden vervangen. Dakpannen met oppervlakkige krimpscheuren of afschilferende glazuur worden niet vervangen. Bij zinvol hergebruik moet ingeschat worden of de dakpannen voldoende levensverwachting hebben om mee te gaan tot het volgende groot onderhoud. Hiervoor kunnen de volgende criteria gehanteerd worden. Goede pannen geven een klinkend geluid. Doorgaande scheuren zijn te herkennen aan een dof geluid bij het klinken. Neuzen moeten voldoende gaaf zijn voor het ophangen aan de panlatten, zonder dat het risico bestaat dat de pannen wegvallen of de leipannen ertussenuit glijden. Aan de onderzijde mogen pannen niet afschilferen of verkruimelen. • De hechting van cement aan de pannen is te sterk. In tegenstelling tot bij kalkspecie kunnen de met cement aangesmeerde pannen niet meer worden afgenomen en hergebruikt. Traditioneel werden de specie van vorsten versterkt met varkens- of koeienhaar. Tegenwoordig gebeurt dit met alkalibestendige vezeltjes (12 mm).
Voor de mortel zou de volgende samenstelling (in volumedelen) kunnen worden gehanteerd: 1,25 hydraulische kalk NHL 3,5 en 2,5 zand of 1,00 steenkalk - 0,25 hoogovencement - 2,5 zand. Kant en klare dakmortels met polystyreen bolletjes hebben een totaal andere uitstraling en zijn ontsierend. • Oud Hollandse pannen zijn minder strak en geven het dakoppervlak daardoor een levendige uitstraling. De keerzijde is echter dat ze niet perfect afsluiten. Met een folie wordt water dat eventueel onder de pannen komt alsnog afgevoerd naar de goot. Omdat ook zonlicht door de kieren in het dakvlak kan schijnen, is een UV-bestendige folie noodzakelijk. Het afdekken van de nok en ruiterlatten voorkomt dat deze opzwellen en de pannen scheuren door de druk.
39
5
.3 Leien
Uitgangspunten leien • Het vervangen van leien is mogelijk als een aanzienlijk deel van de leien onvoldoende kwaliteit of resterende levensduur heeft. Uitvoeringsrichtlijnen leien • Bij partieel herstel moet de bestaande leidekkingswijze worden aangehouden. Bij algehele vervanging moet historische dekkingswijze worden aangehouden. De nok en hoekkeper moeten op dezelfde wijze als bestaand worden afgedekt, tenzij de bestaande situatie niet historisch correct is. • Op een monument mogen alleen leien worden toegepast die voorzien zijn van een keuringsrapport. Bij vernieuwing is een keuring van elke voor één specifiek object bestemde partij leien verplicht. Deze keuring moet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut worden verricht. De op basis van deze keuring te verwachten levensduur van een natuurlei dient tenminste 80 jaar te zijn. • Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan. • De leien mogen uitsluitend met koper worden vernageld of met roestvast stalen leihaken worden bevestigd. • Het is raadzaam bij het opnieuw dekken van een leidak een waterkerende, dampopen (spinvlies)folie toe te passen. De folie moet bij dakdoorbrekingen en opgaand muurwerk voldoende worden opgezet. Toelichting leien • Bestaande leien worden over het algemeen niet hergebruikt.
Wanneer de gebreken worden veroorzaakt door corroderende nagels of leihaken is het herleggen van de bestaande leien een optie. • Het keuren en visueel inspecteren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. • Gebitumineerd papier of dampdichte folie bijvoorbeeld vormen een hermetische afdichting waardoor de bebording aan condens wordt blootgesteld die daardoor kan verrotten. De leibedekking wordt door het gebrek aan ventilatie ook overmatig aan vocht blootgesteld.
5
.4 Riet
Uitgangspunten riet • Het handhaven van het uiterlijk van het dak is het uitgangspunt. • Hergebruik van afkomende rietvorsten is het uitgangspunt. • Bij vervanging van een gebonden dak mag ook worden gekozen voor een onderschoten of geschroefd dak. Wanneer het niet gaat om een bijzonder cultuurhistorisch traditioneel gebonden dak, wordt in principe (met vergunning) medewerking verleend voor het toepassen van een onderschoten of geschroefd dak. Uitvoeringsrichtlijnen riet • Het toe te passen riet dient van eerste kwaliteit te zijn. Toepassing van kunstriet is niet toegestaan. Riet is een natuurproduct. Objectief vaststellen van de kwaliteit is heel moeilijk. De volgende eisen gelden: o het mag niet te hoog gemaaid zijn, zodat te veel knopen ontbreken (max. op 15 cm hoogte); o het moet een geelachtige frisse kleur hebben met sterke harde dikwandige stengels; o er mogen geen zwarte vlekken op het riet voorkomen of duidelijke schimmelsporen; o lengte van het riet moet liggen tussen 140 tot 220 cm. Het riet moet pluimen hebben en het mag niet afgekort zijn omdat het te lang is;
40
o
dikte van de rietstengels met een doorsnede van 4 tot 7 mm op 20 cm van het aardeinde. Er mag niet te veel fijn riet in de bossen zitten (onrijpe rietstengels korter dan 100 cm moeten uitgeschoond zijn); o riet moet goed geschoond zijn van ruigt en onkruid; o het riet mag maximaal 2% dullen bevatten (totale oppervlak dullen per bos in het stoppelaanzicht moet minder zijn dan het oppervlak van een muntstuk van 2 euro); o zoutwaterriet mag beslist niet toegepast worden. De levensduur is zeer beperkt omdat dit riet veel sneller vergaat (riet mag een maximaal natriumgehalte bezitten van 0,10%). • De dikte van het rietpakket en de contouren van het dak dienen conform de historische maat en vorm te zijn. De dakconstructie mag niet door uitvullen vlakker worden gemaakt. • Afkomende rietvorsten hergebruiken als ze helder klinken en niet afschilferen. Rietvorsten dienen in een vezelversterkte kalkspecie te worden gelegd. De wijze van nokafwerking dient in materiaal, vorm en kleur overeen te komen met de oorspronkelijke en historisch juist nokafwerking. • Bij killen mogen geen zinken of kunststof goten worden toegepast. Het riet moet steeds in de killen worden doorgedekt. Het gebruik van zink bij rieten daken wordt afgeraden; de uit het riet uitlogende humuszuren tasten het zink aan. Koper is wel toegestaan.
Toelichting riet • Veel boerderijen zijn traditioneel voorzien van een rieten dak. In het landelijke gebied geven de historische rieten daken dan ook een weerslag van dat agrarische verleden. Maar riet als dekking werd ook vaak in nauwe samenhang met de architectonische uitdrukkingsvorm gekozen, zoals dat bij de Engelse landhuisstijl werd toegepast. Het gebruik van kunstriet is wezensvreemd en daarom uit den boze. Ook is het niet de bedoeling rieten daken te vervangen door een pannendak. Door de wettelijke bescherming en instandhouding van het rieten dak wordt het sinds eeuwen toegepaste bouwmateriaal nog steeds geteeld, geoogst en verwerkt en wordt tevens het ambacht van rietdekker in stand gehouden. • Voor een duurzaam behoud is het belangrijk dat het rieten dak in goede conditie blijft. Een goed aangebracht en onderhouden rieten dak gaat tussen de 25 en 40, soms 50 jaar mee. Hoe steiler het dak, hoe langer de levensduur. De mate waarin een dak kan drogen speelt ook mee. Druipende bomen, schaduw, mos en algen hebben een negatieve invloed op de kwaliteit en dus de levensduur van het dak. Verder is de kwaliteit van het riet van belang. • Nagenoeg alle rietgedekte monumenten hebben traditioneel een open constructie. Bij vervanging van het rieten dak komt steeds vaker de voorkeur voor een schroefdakconstructie aan de orde.
Overwegingen voor het toepassen van een schroefdakconstructie zijn vooral een schone afwerking, grotere brandveiligheid en een betere warmte- en geluidsisolatie. Nadelen zijn de verkorte levensduur en beperkingen bij het onderhoud omdat het rietpakket veel vaster in elkaar gedrukt is, en een minder levendig beeld van de dakvlakken door het plaatwerk dat erop geschroefd wordt. Voor deze wijziging is een omgevingsvergunning vereist. De beplating van het dak mag in dat geval niet star zijn, zodanig dat deze de welvingen van het oude dak volgt. Bijzonder gevormde daken, met rondingen of bepaalde patronen verdienen extra aandacht. • Rietvorsten die aan de beschreven eisen voldoen, hebben voldoende levensduur. Door ze weer in een kalkmortel te leggen kunnen ze worden hergebruikt. • Het dekken van een dak met riet is specialistenwerk. Door de sector is in een URL zelf vastgelegd wat kwaliteitscriteria zijn voor een rieten dak.
41
5
.5 Zink-, koper- en loodwerk
Uitgangspunten zink-, koper- en loodwerk • Bij vervanging is hetzelfde materiaal en dezelfde dekkingswijze het uitgangspunt. • Het coaten van zichtwerk is niet toegestaan. Uitvoeringsrichtlijnen zink-, koper- en loodwerk • Voor aanvang van de werkzaamheden moeten een inventarisatie en een beschrijving worden gemaakt van bijzondere elementen zoals: ornamenten, trotseerloodjes, pirons, gedecoreerde vergaarbakken, enz. • De wijze van metaalbewerking en de verbindingstechniek moet op een ambachtelijke manier worden uitgevoerd. Koper en zink mag niet worden gefelst maar moet worden gezet. Een roevendak bijvoorbeeld, mag bij vervanging niet als een gefelst dak worden uitgevoerd. • Een kraal moet eenzelfde vorm krijgen als bestaand. Een platte kraal bijvoorbeeld mag niet worden vervangen door een ronde kraal, tenzij dat na overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur de historisch juiste vorm blijkt te zijn. • Bevestiging van lood- en zinkbekleding moet zodanig worden uitgevoerd dat het materiaal volledig vrij kan werken. De maximale lengte van een goot is 12 meter. Langere goten moeten worden onderbroken (gedilateerd) door broekstukken. Een expansiestuk is minder duurzaam en derhalve in beginsel niet toegestaan.
Een expansiestuk mag alleen worden toegepast als er geen mogelijkheden zijn om een broekstuk toe te passen, bijvoorbeeld omdat het stromingsprofiel gehandhaafd moet blijven of omdat er onvoldoende afvoermogelijkheden aanwezig zijn. Waar een goot de hoek om gaat, wordt dit niet gezien als een onderbreking t.b.v. een vrije werking. • Tapeinden van zinken, koperen en loden goten dienen 100mm langer dan de dikte van het totale houtpakket van de bakgoot ter plaatse te zijn. Gaten in houten gootbodems en behoeve van tapeinden dienen 0,5cm wijder dan de betreffende tapeinden te zijn. • Hemelwaterafvoeren in zink dienen in de dikte 0,8mm (STZ 14), met opgesoldeerde wrongen, opgehangen aan beugels en vrij van de muur te worden uitgevoerd. • Sprongen of verzetten in hemelwaterafvoeren dienen door middel van gesoldeerde valse verstekken te worden geformuleerd. Gebogen standaard hulpstukken mogen niet worden toegepast. • Het zink in de kilgoten moet in meterstukken, aan de bovenzijde vernageld en aan de zijkanten voorzien van een felsnaad worden uitgevoerd. • Nieuw zink mag niet aan oud zink worden gesoldeerd, tenzij het oude zink nog voldoende dik is. • Bij solderen moet rekening worden gehouden met brandpreventie. Het onderliggende hout moet voor het solderen bevochtigd worden en na afloop moet gecontroleerd worden of er geen sprake is van smeulend hout.
• Metaalwerk mag niet worden gelijmd. • Metaalwerk mag niet worden vervangen door PVC. Hemelwaterafvoeren dienen in zink, koper of lood te worden uitgevoerd. Waar nodig is de toepassing van gietijzeren ondereinden toegestaan. Toepassing van PVC is onder het maaiveld wel toegestaan. • Het toe te passen zink is minimaal 1,1 mm (STZ 16) dik. • Voor een koperen dak is de dikte van het koper minimaal 0,7 mm. Voor een koperen goot moet minimaal 0,8 mm worden toegepast. Bij een gootbreedte van meer dan 700 mm moet minimaal een dikte van 1,0 mm worden toegepast. • Bij het solderen van koper moet van koper of zilverhoudend tinsoldeer gebruik worden gemaakt. Ander soldeer is als gevolg van elektrolytische corrosie minder duurzaam. Het aanvullend gebruik van gasdichte koperen popnagels is toegestaan. • Koperen onderdelen mogen niet afwateren op zinken elementen. Als gevolg van elektrolyse zal het water met koperionen het zink laten corroderen. Omgekeerd is wel mogelijk. • Bij loden loketten moet minimaal 16 kg/m2, loden nokken minimaal 25 kg/m2 en loden goten minimaal 30 kg/m2 lood worden toegepast. • Lood mag, indien vernageld, uitsluitend met koperen nagels worden uitgevoerd. Het
42
•
•
•
• •
gebruik van gegalvaniseerde nagels is niet toegestaan. Bij aansluitingen met muurwerk of schoorstenen dient het loodwerk op traditionele wijze met loodproppen te worden vastgezet in minimaal 30mm diep uitgehakte voegen en daarna te worden afgevoegd. Het gebruik van RVS voegklemmen is ook toegestaan, mits er zich ten minste 3 lagen baksteen boven de voeg aanwezig zijn. Het lood op hoekkepers en nokken in meterstukken met gefelste naden uitvoeren. Op iedere felsnaad moet een klang ter bevestiging te worden aangebracht. Ieder stuk lood moet slechts in het midden worden vernageld met koperen nagels. Eventueel zichtbare koperen nagels dienen met trotseerloodjes te worden afgedekt. Bij de toepassing van lood op een ondergrond van bijvoorbeeld eiken, teak of Oregon Pine moet het hout eerst in de menie worden gezet en dient er een glasvlies als scheidingslaag tussen het lood en hout te worden aangebracht. Bij rechtstreeks contact kan het zuur in het hout het lood aantasten. Op ongeschilderd lood dient traditionele loodpatineerolie te worden toegepast: voor het aanbrengen en aan het einde van de dagproductie. In overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur kan zink eventueel door lood of koper worden vervangen. Het gebruik van koper is toelaatbaar voor elementen die vanaf de straat niet goed zichtbaar zijn.
Toelichting zink-, koper- en loodwerk • Zink- en name koper- en loodwerk hebben een lange levensduur mits de uitvoering technisch juist is. De uitvoeringsrichtlijnen zijn daarop gericht. • Ondanks het beschermende patina kunnen er zink-, koper- of loodionen in het regenwater terecht komen. Een oplossing is het coaten van het metaal, maar dat is van invloed op de uiterlijke verschijningsvorm. Voor onderdelen die in het zicht liggen is coaten een onwenselijke oplossing. Een uitzondering is patineerolie op bladlood: dit sluit dit af van de omringende lucht, waardoor er zich geen witachtige poederlaag vormt die uitspoelt en aangrenzende bouwdelen kan bevuilen. Een andere oplossing is het aanbrengen van filters in het hemelwaterafvoersysteem. Overigens bevat de Nederlandse wetgeving geen bepalingen die het gebruik van zink, koper of lood verbieden. Het bevoegd gezag kan op grond van de Wet Milieubeheer wel nadere eisen stellen, met uitzondering van woonhuizen. Daar mogen geen nadere eisen worden gesteld.
5
.6 Bitumen
Uitgangspunten bitumen • Een bitumineuze dakbedekking is toegestaan als vervanging van een bitumineuze dakbedekking. • Als het monument daarvan geen schade ondervindt, is EPDM folie ter vervanging van bitumen vanuit milieuoverwegingen vaak een betere keuze. Uitvoeringsrichtlijnen bitumen • Zinken roevendaken mogen niet vervangen worden door bitumineuze dakbedekking, en leien niet door shingles (ook wel asfaltshingles - een vorm van bitumineuze dakbedekking). • Bij vervanging van een traditioneel bitumenproduct mag gemodificeerd bitumen worden toegepast, of EPDM folie als het dak vanaf het maaiveld niet of nauwelijks zichtbaar is. Sommige moderne bitumineuze producten, met name APP, ontleden onder invloed van zonlicht in oplosbare stoffen zoals carbolzuur. Als regenwater met dit zuur vervolgens in een zinken goot stroomt, kan het zink worden aangetast. In dat geval wordt geadviseerd om aanvullende maatregelen te treffen door bijvoorbeeld het zink te coaten. Toelichting bitumen • Bitumen is een waterdicht en plastisch product met een groot hechtend vermogen dat in de bouwkunst werd geïntroduceerd op de platte daken van de moderne (‘nieuw-
43
•
•
•
•
5
zakelijke’) vooroorlogse architectuur en later op de platte of licht hellende daken van de wederopbouwarchitectuur. Asfaltproducten zoals bitumen maakten daarbij voor het eerst goedkope, lekvrije platte daken mogelijk. In de jaren na de oorlog was er sprake van hoge woningnood en een groot tekort aan bouwmaterialen, waarbij het vooral zaak was om snel, veel en goedkoop te bouwen. Bitumen bood daarbij uitkomst. De eerste generatie bitumen verhardt en verbrokkelt onder invloed van UV-licht. Ter bescherming tegen UV-licht en als tegengewicht om het dakbedekkingspakket op zijn plaats te houden werd (op platte daken) vaak een laag grind of tegels toegepast. Gemodificeerd bitumen is beter bestand tegen UV-licht, kan de levensduur van een bitumen dak aanzienlijk verlengen en heeft in de regel geen ballastlaag nodig omdat het mechanisch bevestigd of gelijmd kan worden aan de ondergrond. Sommige bitumen producten zijn voorzien van een leislag (fijn steenachtig materiaal) wat voorkomt dat het bitumen gaat vloeien bij een lange zonbelasting. Leislag gaat ook (enigszins) de vorming van carbolzuur tegen. EPDM folie is ten opzichte van bitumen vaak een beter alternatief, omdat het een langere levensduur heeft en geen aardolieproduct is. EPDM ligt soms wat minder strak op het dak en daarom is vervanging van een bitumen dak in het zicht door EPDM niet altijd een optie.
Op platte daken kan het echter meestal wel. Als er bovendien zonnepanelen met een lange opbrengstgarantie op het dak worden geplaatst, is EPDM helemaal aan te raden, om er zeker van te zijn dat de dakbedekking geen kortere levensduur heeft dan de panelen. In de gemeente Rheden zijn in het verleden veel zinken roevendaken vervangen door bitumen daken, vaak op de flauw hellende gedeeltes van mansardedaken. Daardoor veranderde de uitstraling van het monument. Daar waar nog oorspronkelijke zinken roevendaken aanwezig zijn, dienen deze te worden behouden. In Nederland wordt de Engelse term shingle vrijwel uitsluitend gebruikt voor bitumineuze shingles (asfaltshingles) en niet voor bijvoorbeeld houten dakspanen. Shingles zijn een vroeg-naoorlogs product en kunnen rechthoekig voorkomen (in Maasdekking), beverstaartvormig, ruitvormig, etc. Nok- en hoekkepers van het dakvlak worden dan afgewerkt met zo genoemde nok- en hoekshingles. Shingles hebben een relatief korte levensduur en zijn niet geschikt als vervanging van leien, die juist een lange levensduur hebben. Bovendien hebben shingles een heel andere uitstraling. .7 Dakramen
Uitgangspunten dakramen • Dakramen zijn lichtopeningen in het dak waarbij de kapvorm niet verandert, ook niet in geopende toestand. • Nieuwe dakramen zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast. Dan hebben varianten die de verschijningsvorm van een historisch, stalen dakraam benaderen de voorkeur. • Bij een complexe kapvorm en/of een dak dat esthetisch of stedenbouwkundig een belangrijke rol speelt zijn dakramen niet altijd mogelijk. Uitvoeringsrichtlijnen dakramen • Dakramen moeten tussen historische sporen, gordingen en spanten worden aangebracht. • De voorkeur uit naar staande ramen, dat wil zeggen ramen waarvan de hoogtemaat groter is dan de breedtemaat. • De dakramen moeten op ruime afstand van de hoekkepers aangebracht worden en onder vlieringniveau. • Indien meerdere ramen worden aangebracht, in hetzelfde of in verschillende dakvlakken van hetzelfde pand, moeten de ramen op gelijke hoogte worden aangebracht en op gelijke afstand van elkaar.
44
5
.8 Nieuwe voorzieningen
Uitgangspunten nieuwe voorzieningen • Voorzieningen in of op het dak, zoals rookgasafvoeren, dakramen, dakkapellen en zonnepanelen zijn vergunningplichtig. Binnen de procedure wordt gekeken hoe de wijziging zich verhoudt tot de monumentale waarde. • Nieuwe voorzieningen zouden in materieel en esthetisch opzicht een beperkte impact op het monument moeten hebben. Bij het bepalen van de mogelijkheden wordt door de gemeente naar het geheel van nieuwe voorzieningen gekeken; ook naar nieuwe voorzieningen die al eerder zijn aangebracht. Toelichting nieuwe voorzieningen • Het kan nodig zijn om in of op een dak nieuwe voorzieningen aan te brengen. Bij meer ingrijpende voorzieningen wordt in het kader van een vergunningsprocedure bezien of de voorziening en de wijze waarop deze getroffen wordt in redelijke verhouding staan tot de monumentale waarde. • Voorzieningen in of op het dak dienen een ondergeschikte rol te spelen in de uitstraling van het monument. Bij voorkeur zou het dak weer in oude staat te herstellen moeten zijn, door het handhaven van de historische dakbedekking (bijv. onder zonnepanelen) en het ontzien van de dakconstructie.
45
INTERIEURS INTERIEURAFWERKINGEN
46
6 I N TE R IEURS EN IN T ERIEURAFWER KINGEN Verwijzingen interieurs en interieurafwerkingen • Voor constructieonderdelen die onderdeel uitmaken van een historisch interieur zie tevens hoofdstuk 3, constructies. • Voor smeedwerk dat onderdeel uitmaakt van een historisch interieur wordt eveneens verwezen naar paragraaf 3.4, metalen (constructie)onderdelen. • Voor zichtbeton dat onderdeel uitmaakt van een monumentaal interieur wordt eveneens verwezen naar paragraaf 3.5, betonwerk. • Voor schoon metselwerk in een monumentaal interieur zie tevens paragraaf 4.2, metselwerk. • Voor natuursteen dat onderdeel uitmaakt van een historisch interieur, zoals bijvoorbeeld een marmeren lambrisering of trap, wordt verwezen naar paragraaf 4.3, natuursteen.
6
.1 Algemene richtlijnen t.a.v. interieurs
Uitgangspunten interieurs algemeen • Historische interieurs en interieuronderdelen genieten dezelfde bescherming als het monument waartoe ze behoren; ook als ze niet expliciet genoemd zijn in de redengevende omschrijving in het monumentenregister. • Het behoud van de historische structuur. • Historisch waardevolle interieurs en interieuronderdelen dienen gehandhaafd te blijven en mogen in beginsel niet worden aangepast aan gebruikerswensen en/of naar aanleiding van nieuwe regelgeving. • In interieurs met afwerkingen van hoge monumentale waarde zijn keukens, badkamers of sanitaire inrichtingen in beginsel niet toegestaan. Vochtbelasting en installaties kunnen de monumentale onderdelen aantasten. Toelichting interieurs algemeen • Redengevende omschrijvingen zijn niet uitputtend: niet iedere historische deurkruk of stucrozet wordt erin genoemd. Dat betekent niet dat zulke onderdelen niet beschermd zijn. Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een beschermd monument datgene is dat in de redengevende omschrijving als een ‘zelfstandige eenheid’ wordt benoemd. Deze eenheid wordt bepaald door wat bouwkundig en functioneel een onlosmakelijk geheel vormt – zoals bijvoorbeeld een monumentaal woonhuis – en is in zijn geheel beschermd door een aanwijzing.