Uitvoeringskader Erfgoed Rheden 2022 DEF
Tekst van het document
UITVOERINGSKADER I N S T A N D H O U D I N G
M O N U M E N T E N
I N H O U D S O P G A V E
Inleiding 5 1.
Algemene bepalingen 1.1 Algemene uitgangspunten binnen de monumentenzorg 8 1.2 Behoud gaat voor vernieuwing 8 1.3 Respecteer de ontwikkelingsgeschiedenis 8 1.4 Veranderingen zijn bij voorkeur omkeerbaar (reversibel) 9 1.5 Overige voor het werk geldende voorwaarden 9 1.6 Afwijken van de richtlijnen 9
2.
Monumentale (groen)aanleg 11
3.
Constructies 3.1 Algemene richtlijnen 15 3.2 Funderingen, kelders en damwanden 15 3.3 Houtconstructies 16 3.4 Metalen (constructie)onderdelen 18 3.5 Betonwerk 19
4.
Gevels 4.1 Algemene richtlijnen 21 4.2 Metselwerk 22 4.3 Natuursteen 22 4.4 Voegwerk 24 4.5 Gevelpleisterwerk 25 4.6 Timmerwerk exterieur 27 4.7 Houten kozijnen, ramen en deuren 28 4.8 Metalen kozijnen, ramen en deuren 30 4.9 Historisch glas 31 4.10 Nieuwe voorzieningen 32 4.11 Schilderwerk exterieur 32 4.12 Gevelbehandeling en -reiniging 34
5.
Daken, dakgoten en hemelwaterafvoeren 5.1 Algemene richtlijnen 38 5.2 Dakpannen 38 5.3 Leien 40 5.4 Riet 40 5.5 Zink-, koper- en loodwerk 42 5.6 Bitumen 43 5.7 Dakramen 44 5.8 Nieuwe voorzieningen 45
2
6.
Interieurs en interieurafwerkingen 6.1 Algemene richtlijnen 47 6.2 Timmerwerk interieur 48 6.3 Stucwerk interieur 49 6.4 Vloeren en vloerafwerking 50 6.5 Installaties 52 6.6 Brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen 53 6.7 Inrichting 54 6.8 Schilderwerk interieur 55
7.
Energiebesparende maatregelen 7.1 Algemene richtlijnen 58 7.2 Isolatieglas 59 7.3 Kierdichting, luchtdichting (en ventilatie) 62 7.4 Gevelisolatie 65 7.5 Dakisolatie 69 7.6 Vloerisolatie 71 Colofon 73
3
INLEIDING
4
INLEIDING Algemeen Het Uitvoeringskader Erfgoed Rheden bevat uitgangspunten en uitvoeringsrichtlijnen voor de duurzame instandhouding van de (bouw)technische kwaliteit en cultuurhistorische waarde van beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten. Het wordt door de gemeente verbonden aan vergunningen en subsidietoekenningen1. Met dit kader willen wij eigenaren duidelijk en vooraf informeren over de technische aandachtspunten bij veel voorkomende werkzaamheden aan hun monument en de eisen die worden verbonden aan vergunningen en subsidietoekenningen. Daarnaast speelt het uitvoeringskader een rol bij het bepalen van de vergunningplicht bij wijzigingen aan een monument en bij het beantwoorden van de vraag of de gemeente een eigenaar houdt aan deze plicht zoals vastgelegd in het Toetsingskader Vergunningplicht Erfgoed Rheden. Het Uitvoeringskader Erfgoed Rheden is met name gebaseerd op uitvoeringsvoorschriften van de Provincie Gelderland en de gemeenten Amsterdam, Delft, Leiden en Ede. Het vervangt de eerdere gemeentelijke Uitvoeringsvoorschriften Monumenten en Rieten Daken uit 2011, die hierbij vervallen. Door het uitvoeringskader door te nemen, krijgt een monumenteigenaar een goed beeld van de werkzaamheden en oplossingen die binnen de monumentensector als passend worden beschouwd.
Inhoudelijke toets Dit document richt zich op veel voorkomende technische ingrepen waarvoor de norm landelijk min of meer objectief vastligt en waarvoor dus weinig beleidsvrijheid is. Het is dus ook niet zo dat het uitvoeringskader nieuw beleid bevat; plannen voor monumenten werden altijd al getoetst aan deze uitgangspunten en richtlijnen, maar nu staan ze ook duidelijk op papier. Het uitvoeringskader is niet uitputtend: niet iedere mogelijke situatie is beschreven. Dat is ook niet mogelijk, omdat er zoveel diversiteit binnen het monumentenbestand is qua type, bouwperiode en materiaalgebruik. Geornamenteerde papier-maché plafonds, terracotta gevelornamenten of gestampt zinken versieringen op een dak bijvoorbeeld, zijn relatief zeldzaam maar vereisen wel een eigen benadering als herstel aan de orde is. Indien de betreffende werkzaamheden niet beschreven zijn in dit kader, dan valt de gemeente bij haar afweging terug op de landelijke uitvoeringsrichtlijnen (URL’s) voor de restauratiesector van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (een brede vertegenwoordiging van de markt, eigenaren en de publieke sector). Als de toetsing aan die uitvoeringsrichtlijnen ook geen duidelijkheid oplevert, dan worden de werkzaamheden vergeleken met de algemene uitgangspunten binnen de monumentenzorg in hoofdstuk 1.
Scope In het kader wordt in beginsel geen uitspraken gedaan over situaties waarbij een afweging dient te worden gemaakt tussen het cultuurhistorische en andere belangen. Dergelijke afwegingen worden door het bevoegd gezag gemaakt binnen de vergunningsprocedure, na consultatie van de wettelijke adviseurs. Bij rijksmonumenten zijn dat naast de gemeentelijke adviescommissie in sommige situaties ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Provincie Gelderland. Uiteraard wordt het uitvoeringskader ook betrokken bij de toetsing van technische ingrepen als die onderdeel zijn van de vergunningaanvraag. Het uitvoeringskader is echter niet gericht op een eventuele vergunningplicht en doet daarover dus geen uitspraken, op enkele veel voorkomende werkzaamheden na die vaak zonder vergunning worden uitgevoerd terwijl die wel nodig is. Indien de wens bestaat om af te wijken van de technische richtlijnen in dit uitvoeringskader, dan wordt daarover advies gevraagd aan de wettelijke adviseurs in een vergunningsprocedure, omdat er dan sprake is van een afweging tussen het cultuurhistorische en andere belangen.
1. Ingevolge artikel 15 van de Subsidieverordening Erfgoed Rheden kunnen burgemeester en wethouders aan de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt verleend nadere voorschriften verbinden. In het uitvoeringskader zijn de Provinciale uitvoeringsvoorschriften verwerkt. Dat is belangrijk, omdat de Provincie jaarlijks geld in gemeentelijke subsidieregeling stort en een deugdelijke uitvoering als voorwaarde stelt.
5
Leeswijzer In het Uitvoeringskader Erfgoed Rheden worden in eerste hoofdstuk algemeen gangbare uitgangspunten binnen de monumentenzorg, voorwaarden voor het werk en afwijkingen van het kader besproken. In de daarna volgende hoofdstukken zijn deze uitgangspunten per bouwdeel en/of materiaalsoort nader uitgewerkt, met daaruit volgende uitvoeringsrichtlijnen. Vaak worden uitgangspunten en richtlijnen in een toelichting nog nader verklaard. Door de indeling in bouwdelen en materiaalsoorten kan een architect, aannemer of eigenaar snel vinden welke uitvoeringsrichtlijnen op werkzaamheden van toepassing zijn. Sommige fouten in de uitvoering worden vaak gemaakt. Om die fouten in de toekomst te voorkomen, is regelmatig ook benoemd hoe het niet moet.
6
ALGEMENE BEPALINGEN
7
1 A L G E M EN E BEPA LIN G EN 1
.1 Algemene uitgangspunten binnen de monumentenzorg
1
.2 Behoud gaat voor vernieuwing
We willen monumenten (zowel de gebouwde als de groene monumenten zoals landgoederen, parken en begraafplaatsen) in stand houden en op een goede wijze doorgeven aan volgende generaties. Dat doen we allereerst door onderhoud te stimuleren via o.a. de Subsidieverordening Erfgoed Rheden. Waar sprake is van wijzigingen moeten deze voldoen aan de restauratieprincipes die algemeen gangbaar zijn binnen de monumentenzorg in Nederland, zoals weergegeven in paragraaf 1.2. t/m 1.4.
Elke ingreep in historisch materiaal is in mindere of meerdere mate een aantasting van cultuurhistorische waarden, omdat deze ten koste gaat van de afleesbaarheid van de ontwikkeling van het monument, het ambacht en het vroegere gebruik. Daarom is het zaak bij herstel alleen het noodzakelijke te doen en zoveel mogelijk materiaal te sparen. Deze filosofie is vastgelegd in de zogenaamde restauratieladder, een hiërarchische aanpak, waarbij conserveren voor repareren gaat en repareren de voorkeur heeft boven vernieuwen. De restauratieladder (naar: Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg): 1.
Conserveren (onderhoud)
2.
Repareren
3.
Vernieuwen
a.
kopiëren
b.
imiteren
c.
verbeteren
Uit de tabel volgt dat als vervanging van waardevolle onderdelen of constructies onontkoombaar is, deze overeenkomstig de bestaande, historisch juiste vormgeving en detaillering met behulp van de bestaande, historisch juiste materialen en technieken dienen te worden uitgevoerd. Toe te voegen elementen ten behoeve van comfort- of functieverbetering dienen op een zodanige wijze te worden ingepast dat dit (hoegenaamd) geen consequenties heeft voor de historische vormgeving of detaillering (bijvoorbeeld isolatie t.b.v. warmte en geluid, beschermende beglazing, ventilatie etc.). Indien dat wel het geval is, dan wordt in het kader van een vergunningsprocedure gekeken of de consequenties aanvaardbaar zijn.
1
.3 Respecteer de ontwikkelingsgeschiedenis
Het oorspronkelijk ontwerp maar ook de historische ontwikkeling vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische waarden. Niet zelden is een latere fase in het leven van een monument historisch gezien van groter belang dan de ontstaansfase. Geen enkel monument verkeert bovendien meer in zijn oorspronkelijke staat. Het reconstrueren van een fase uit het leven van een monument maakt de ontwikkelingsgeschiedenis minder herkenbaar, en kan leiden tot het verlies van historisch materiaal ten gunste van toevoegingen die een historisch beeld moeten oproepen maar desondanks ‘nieuw’ zijn.
8
1
.4 Veranderingen zijn bij voorkeur omkeerbaar (reversibel)
1
.5 Overige voor het werk geldende voorwaarden
1
.6 Afwijken van de richtlijnen
Als aan nieuwe eisen tegemoetgekomen kan worden met toevoegingen die omkeerbaar zijn, dan is dat het meest wenselijk. Op die manier kan het monument in iedere levensfase worden aangepast aan de gebruikseisen van die tijd, terwijl het gebouw in essentie ongewijzigd en de monumentale waarden ongemoeid blijven.
Het Uitvoeringskader Erfgoed Rheden is van toepassing bij onderhoud aan monumenten en bij werkzaamheden met een vergunning of ambtelijke toestemming. Bij vergunde werkzaamheden, wijzigingen met een ambtelijke toestemming of herstelwerk met een gemeentelijke subsidie worden bovendien de volgende voorwaarden van toepassing verklaard: a. Onverwachte vondsten Indien tijdens de uitvoering van werkzaamheden historische onderdelen tevoorschijn komen waarvan het bestaan voordien niet bekend was, is de opdrachtgever verplicht dit te melden bij de erfgoedadviseurs van de gemeente Rheden. Indien de genoemde onderdelen hoge cultuurhistorische waarden vertegenwoordigen die met het bestaande bouwplan verloren gaan, kan de gemeente Rheden een aanpassing van dat bouwplan eisen. b. Gelegenheid tot onderzoek De uitvoerenden moeten de erfgoedadviseurs en wettelijke adviseurs van de gemeente de gelegenheid te bieden tijdens de werkzaamheden onderzoek uit te voeren. c. Beschermen van waardevolle onderdelen Historisch waardevolle elementen aan het exterieur of interieur moeten tijdens restauratie- en verbouwingswerkzaamheden afdoende beschermd worden tegen beschadiging en diefstal. Een monument moet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden altijd afdoende tegen weersinvloeden beschermd zijn.
Onderdelen die hergebruikt zullen worden, maar voor de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijk worden gedemonteerd, moeten droog, geventileerd en beschermd tegen mogelijke beschadigingen worden opgeslagen. d. Tijdelijke hulpconstructies Stut- en stempelconstructies moeten zodanig worden aangebracht dat zij geen schade kunnen veroorzaken aan historisch waardevolle elementen. Bij twijfel dient te worden overlegd met een erfgoedadviseur van de gemeente. Steigers dienen zodanig geplaatst en bevestigd te worden, dat de schade aan de gevel tot een minimum beperkt blijft en worden in de voegen vastgezet en niet in de steen. Hierbij, indien mogelijk, zo veel mogelijk bestaande gaten gebruiken. Verankeringselementen moeten bij demontage worden verwijderd om schade door corrosie te voorkomen en de ontstane gaten moeten gevuld worden met daartoe geëigende, bij het monument passende materialen.
Het standaard monument bestaat niet. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij twijfel ontstaat of een uitvoeringsrichtlijn uit het kader wel kan of moet worden uitgevoerd. Het kan hierbij gaan over het toe te passen materiaal, de toepassing van technieken of de vraag of er sprake is van wel of geen historisch juiste detaillering of vormgeving. Indien dit het geval is dient u voorafgaand aan de werkzaamheden in overleg te treden met de erfgoedadviseurs van de gemeente Rheden. Als inderdaad blijkt dat de richtlijnen voor dat onderdeel niet passend zijn, dan kan de gemeente die niet van toepassing verklaren. Het omgekeerde is echter ook waar: als sprake is van uitzonderlijke monumentale waarden en/of een bijzondere combinatie van ingrepen, kan de gemeente in sommige gevallen besluiten hogere eisen te stellen aan het werk dan beschreven in het uitvoeringskader.
9
MONUMENTALE (GROEN)AANLEG
10
2 M O N UMEN T A LE (GROEN ) AANL EG Van een monumentale aanleg is sprake wanneer een (deel van een) terrein wettelijke bescherming geniet als monument. Vaak, maar niet altijd, gaat het daarbij om ‘groen’ erfgoed. Denk bijvoorbeeld aan begraafplaatsen, parken, plantsoenen, landgoederen, de 17e-eeuwse ‘oefenschans’ in Dieren, boerenerven en waardevolle tuinen met smeedijzeren hekken rond villa’s of de hardstenen stoepen van woonhuismonumenten. De instandhouding is gericht op de bewust door mensenhanden ontworpen en vervaardigde rangschikking en samenhang tussen deze elementen. Ook is er meestal sprake van een relatie tussen deze waardevolle aanleg en nabijgelegen, veelal ook monumentale, bebouwing. Het is de kunst het karakter, de proporties en de levendigheid van een monumentale aanleg door zorgvuldig beheer te laten voortbestaan. Verwijzingen monumentale (groen)aanleg • Voor constructies binnen de (groen)aanleg, zoals bijvoorbeeld bruggen, wordt eveneens verwezen naar hoofdstuk 3, constructies. • Voor gebouwde onderdelen van de (groen)aanleg, zoals tuinmuren en follies bijvoorbeeld, wordt eveneens verwezen naar hoofdstuk 4, gevels, en hoofdstuk 5, daken, dakgoten en hemelwaterafvoeren. • Voor (giet)ijzeren onderdelen van de terreininrichting, zie tevens paragraaf 3.4, metalen (constructie)onderdelen.
• Voor natuurstenen onderdelen van de terreininrichting, zie tevens paragraaf 4.3, natuursteen. • Voor houten onderdelen van de terreininrichting, zie tevens paragraaf 4.6, timmerwerk exterieur. • Voor onderdelen van de aanleg die geschilderd zijn, wordt eveneens verwezen naar paragraaf 4.11, schilderwerk exterieur. • Voor het reinigen en/of hydrofoberen van bouwkundige onderdelen van de aanleg, en voor het aanbrengen van een anti-graffiti laag wordt verwezen naar paragraaf 4.12, gevelbehandeling en reiniging. Uitgangspunten monumentale (groen)aanleg • Uitgangspunt is het behoud van de historische aanleg in al zijn gelaagdheid, zoals bewust door mensenhanden aangebracht en gerangschikt, voor wat betreft authentiek plantmateriaal, cultivar (de aangebrachte variëteit), plantverband, padenprofielen, type verharding, materialisering, detaillering en kleurstelling. • Alle werkzaamheden binnen een beschermde aanleg die het gewone onderhoud te boven gaan, kunnen gevolgen hebben voor de monumentale waarden en zijn om die reden vergunningplichtig. Restauratiewerkzaamheden, reconstructies, wijzigingen en interventies (nieuwe toevoegingen of invullingen) vallen onder de vergunningplicht.
Van gewoon onderhoud is sprake wanneer inboetwerk en kleinschalig herstel met hetzelfde (plant-) materiaal plaatsvindt van onder meer dezelfde soort, cultivar, verband, verhardingstype, materialisering, detaillering en kleurstelling. • Onderdelen van de terreininrichting, zoals bijvoorbeeld hekken, poortjes, muren, paden, bruggen, stoepen, (stoep)palen, trappen, leuningen, grafmonumenten, beelden en tuinsieraden, zijn onderdeel van een monument als zij genoemd worden in de redengevende omschrijving of aard- en nagelvast zijn verbonden met een monument. Uitvoeringsrichtlijnen monumentale (groen)aanleg • Bij instandhouding van een monumentale (groen)aanleg is het volgende van belang: o Groen erfgoed leeft - beplanting groeit, ontwikkelt zich en is vergankelijk. Tijdig onderhoud en gedegen beheer, met expertise en continuïteit, zijn daarom van groot belang. o Behoud zoveel mogelijk het authentieke plantmateriaal, ook al vragen oude beplantingen en bomen vaak meer zorg in de vorm van snoei of bemesting.
11
o
Oude beplantingen met een slechte conditie kunnen vaak door terugzetten (afzetten) worden verjongd. Neem in een beheerplan op wat te doen wanneer historisch waardevolle beplanting aan het eind is gekomen en aangevuld of vervangen moet worden. Boet beplanting in met dezelfde soort. De variëteit van de beplanting dient gelijk te blijven; de cultivar mag niet wijzigen. Plantmateriaal is vaak te vermeerderen door te zaaien, maar stekken, scheuren of afleggen geven over het algemeen het beste resultaat, een soortechte plant. o Bomen moeten zodanig worden gesnoeid dat hun natuurlijke habitus (uiterlijke verschijningsvorm) zoveel mogelijk behouden blijft. o Waardevolle groenelementen moeten tijdens werkzaamheden altijd afdoende beschermd worden tegen beschadiging. o Binnen een meter afstand tot de kroonprojectie van bomen binnen een beschermde aanleg mogen in beginsel geen bouw- en graafwerkzaamheden plaatsvinden, omdat hier wortels zitten in de grond. Hier mag ook geen (half-) verharding worden aangelegd. De haarwortels zitten in de bovenste laag. Schade aan het wortelgestel zal leiden tot verminderde vitaliteit van de boom waardoor deze kan afsterven. o Gazons moeten regelmatig worden gemaaid. o Verhardingen (terrassen, oprijlanen) en paden met halfverhardingen hebben weinig onderhoud nodig.
Bij bestrate paden, terrassen, opritten is schade door verzakking simpel te herstellen, bij halfverhardingen moet het dekmateriaal regelmatig worden bijgevuld. Bij de instandhouding van paden moet ervoor worden gezorgd dat de opbouw en het profiel met hetzelfde (van elders aangevoerde) materiaal plaatsvindt. Voorkom onnodige en niet- historische verhardingen van onverharde of half verharde paden. De historische vorm en afwerking van paden kunnen afhangen van de tuinstijl, functie (het gebruik), bodem en waterhuishouding. o Onderhoud aan vijvers en waterpartijen bestaat vooral uit de beheersing van de waterplanten en algengroei om dicht groeien te voorkomen. Betonrot en uitdrogen van klei en leembodems kan tot lekkage leiden (lage waterstand); restauratie of renovatie is dan de enige oplossing. • Het beheer van een monumentale aanleg omvat ook de zorg voor bijzondere objecten in die aanleg zoals bijvoorbeeld erfafscheidingen, bruggen, follies, flagstonepaden, bakstenen muren met terracotta elementen etc. Daarvoor geldt: o Nieuw te vervaardigen onderdelen dienen in eenzelfde materiaal, met dezelfde afwerking en detaillering uitgevoerd te worden als de oorspronkelijke, te vervangen onderdelen. o Reconstructie van historische onderdelen is alleen toegestaan indien de oorspronkelijke vormgeving exact bekend is. o Bij het demonteren van tuinhekken t.b.v.
herstel dienen de hoofdstaanders te blijven staan in de voetmuur. Als de staanders ook hersteld moeten worden, moeten deze in hun geheel worden uitgenomen. Het afslijpen en later weer aanlassen van deze hoofdstaanders is niet toegestaan. Voor herstel van de voetmuur wordt verwezen naar paragraaf 4.2, metselwerk. Bij herstel van hekwerken worden in principe de oorspronkelijke verbindingstechnieken gebruikt. In het geval van zwaarwegende redenen kan daar in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur vanaf geweken worden. Toelichting monumentale (groen)aanleg • Een oorspronkelijke monumentale aanleg is zeer bepalend voor de verschijningsvorm. Een beschermde aanleg kan bestaan uit ‘harde’ structuren zoals bijvoorbeeld lanen, paden, waterlopen, reliëf, erfafscheidingen, terrassen en keienstoepjes, maar ook uit bewust gerangschikte ‘zachte’ groene structuren zoals hagen, weide, gazon, siertuin, nutstuin, solitairen, parkbos, berceaus of waterpartijen. De monumentale aanleggen van landgoederen, buitenplaatsen, parken en villa’s geven de gemeente Rheden een uniek en onderscheidend karakter. • Voor een historisch verantwoord beheer van een monumentale aanleg is kennis noodzakelijk. Van het oorspronkelijke idee achter het ontwerp en de geschiedenis van
12
•
•
•
de aanleg, maar ook van de ontwikkeling. Veel parken, tuinen en erven zijn in de loop van de tijd met (meer of minder) gevoel voor kwaliteit gewijzigd of vergroot. Verschillende aanlegperioden liggen over elkaar heen of naast elkaar. Elke laag vertelt een deel van de geschiedenis, maar mogelijk is niet iedere tijdlaag even waardevol. (Tuin-)historisch onderzoek kan daar uitsluitsel over geven. Zo’n onderzoek kan tekeningen, foto’s en zelfs beplantingslijsten opleveren. Alle beschikbare gegevens worden geanalyseerd en de cultuurhistorische, natuur- en gebruikswaarden benoemd. Dat kan een gedegen basis creëren voor het maken van duurzame onderhouds- en ontwikkelplannen. De ervaring leert dat plan en ontwerp beter worden wanneer ze gebaseerd zijn op zo’n tuinhistorische onderlegger. Daarnaast dient het onderzoek als toetssteen voor de uiteindelijke beoordeling van een plan door gemeente en adviserende partijen. Als het (plant-)materiaal in geringe mate is aangetast door uitgebleven onderhoud of verkeerd beheer, is herstel van de oorspronkelijke situatie het uitgangspunt. Als het (plant-) materiaal in aanzienlijke mate is aangetast of verdwenen, gaat onderhoud over in ofwel restauratie. Ook bij restauratie wordt beoogd de oorspronkelijke (gewaardeerde) situatie te herstellen. Bij nieuwe toevoegingen of invullingen wordt er een nieuwe tijdlaag aan de aanleg toegevoegd.
Welke onderdelen beschermd zijn als monument, zou in beginsel duidelijk moeten worden uit de redengevende omschrijving van het monument. Deze is echter niet uitputtend. Neem daarom bij twijfel contact op met een erfgoedadviseur van de gemeente. De verbindingen in historische hekwerken worden van oudsher gevormd door wellen, klinknagels, pen- en gatverbindingen en/of aangieten in lood. Wijzigingen in deze verbindingen, bijvoorbeeld door lassen of bouten, leveren vaak een grover beeld op, zijn niet reversibel, en gaan ten koste van het oude ambacht. Een zwaarwegende reden om toch te lassen kan bijvoorbeeld zijn dat onderdelen die men aaneen wil wellen op een plaats in het werk zitten, waar ze zich moeilijk laten verwijderen. Als lassen na overleg met de gemeente onontkoombaar blijkt, moet de las zo afgewerkt worden dat de ingreep niet zichtbaar is. De las moet dus vanuit de kern van het materiaal opgebouwd en niet als rups rondom het materiaal gelegd worden.
13
CONSTRUCTIES
14
3 C O N ST RUC T IES Verwijzingen constructies • Voor dragend metselwerk wordt verwezen naar metselwerk, paragraaf 4.2. • Voor houtconstructies in het exterieur, zoals bijvoorbeeld een sierspant, zie tevens paragraaf 4.6, timmerwerk exterieur. • Voor metaalwerk dat onderdeel is van een monumentale aanleg of het terrein rond een monument, zie tevens hoofdstuk 2, monumentale (groen)aanleg. • Voor schilderwerk aan constructieonderdelen wordt verwezen naar paragraaf 4.11, schilderwerk exterieur en paragraaf 6.8, schilderwerk interieur. • Voor aanpassingen aan constructieonderdelen ten gevolge van installaties wordt verwezen naar paragraaf 6.5, installaties. • Voor brandveiligheidsmaatregelen wordt verwezen naar paragraaf 6.6, brandvoorschriften en veiligheidsmaatregelen.
3
.1 Algemene richtlijnen t.a.v. constructies
Uitgangspunten algemeen constructies • Het behoud en het herstel van historische constructies is uitgangspunt, ook wanneer aanpassingen aan een monument worden gedaan. Dat geldt tevens als de bestaande constructie niet toereikend is: de monumentale en eventueel overbodig geworden constructieve onderdelen blijven gehandhaafd, terwijl de noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen als reversibele toevoeging worden uitgevoerd. Toelichting algemeen constructies • Door reversibele ingrepen en het handhaven van historische constructieonderdelen blijft de afleesbaarheid van de bouwgeschiedenis gewaarborgd.
3
.2 Funderingen, kelders en damwanden
Uitgangspunten funderingen, kelders en damwanden • Een nieuwe fundering of plaatselijk funderingsherstel is uitsluitend mogelijk als de oorspronkelijke fundering aantoonbaar slecht en/of overbelast is. • Bij funderingsherstel wordt zo min mogelijk historisch materiaal verwijderd. • Funderingsherstel, nieuwe funderingen of kelders zouden niet tot schade mogen leiden aan het monument of schade aan panden in omgeving. • Historische kelders moeten behouden blijven. Uitvoeringsrichtlijnen funderingen, kelders en damwanden • Indien een object een gemeenschappelijke bouwmuur heeft is afstemming met de funderingssituatie van het belendende pand noodzakelijk. • Bij werkzaamheden aan de fundering, in de grond of met betrekking tot een kelder, moeten voor het pand en de omliggende bebouwing de volgende gegevens worden ingediend: o een bemalingsonderzoek naar de invloed en risico’s van de tijdelijke of definitieve wijziging van de grondwaterstand; o een funderingsbelastingsonderzoek naar de bestaande en de nieuwe situatie; o een risicoanalyse m.b.t. graafwerkzaamheden, grondkeringen, eventuele heiwerkzaamheden en/of het slaan en trekken van damwanden; o een plan van aanpak. o in sommige gevallen is het raadzaam om een meetrapport op te laten stellen van belendende panden, bij voorkeur voor, tijdens en na de werkzaamheden.
Door deze metingen juridisch vast te leggen, kunnen eventuele schadeclaims worden
15
gestaafd of afgewezen. • Bij vervanging of herstel van de fundering: o is een funderingsrapport nodig dat uitsluitsel biedt over de technische staat en mate van aantasting van de fundering; o dient onvoldoende draagvermogen van een fundering rekentechnisch te worden aangetoond - de nuttige diameter van de palen van een paalfundering bepaalt het draagvermogen, niet de mate van aantasting - als een aangetaste paal nog voldoende draagvermogen heeft is een nieuwe fundering niet nodig; o indien een nieuwe fundering wordt aangebracht, mag de oude fundering niet worden verwijderd. o Is het gebruik van statisch gedrukte buispalen in principe niet toegestaan. • Wanneer men een kelder wil aanleggen, dient met het volgende rekening te worden gehouden: o de nieuw te maken kelder dient onder en los van het bestaande bouwdeel worden aangelegd, tussen de bestaande fundering(balk)en; o fundering(balk)en gevelrooilijnen mogen niet worden doorbroken. • Bij een aanbouw moet deze onafhankelijk van het monument worden gefundeerd en door middel van een dilatatie van het monument los worden gehouden. • Eventueel heiwerk dient minimaal trillingsarm te worden uitgevoerd. Toelichting funderingen, kelders en damwanden • Verschillen in een fundering kunnen leiden tot schade door verschillen in zetting. Het overgrote deel van de Rhedense monumenten is op ‘staal’ (zand) gefundeerd en niet op palen.
Het (ver)zakkingsgedrag van op staal gefundeerde panden is anders dan dat van op palen gefundeerde panden. Een historisch pand mag daarom nooit gedeeltelijk op staal en gedeeltelijk op palen worden gefundeerd zonder dilataties. Verschillen in een fundering moeten sowieso zoveel mogelijk vermeden worden. • Op staal gefundeerde panden kunnen extra en ongelijkmatig gaan zakken door: o een verlaging van de grondwaterstand door verdroging of bemaling (bijvoorbeeld voor de aanleg van een kelder); o trillingen als gevolg van heiwerkzaamheden; o toename van het gewicht van het pand (bijvoorbeeld bij het vervangen van houten vloeren door beton); o het ontgraven van grond naast de fundering, lager dan het laagste punt van de fundering. • Een oude fundering is onderdeel van een historisch bouwsysteem en daarmee mogelijk (nu of in de toekomst) van wetenschappelijke waarde. Daarom is behoud belangrijk, zelfs als de fundering zijn draagfunctie verliest. Doorgaans is dat goed mogelijk; ook bij vervanging. • Bepaalde funderingstechnieken leiden tot meer schade dan andere. Het gebruik van statisch gedrukte buispalen wordt afgeraden, omdat hierdoor grote delen van de bouwmuren of gevels worden verwijderd ten behoeve van de inkassingssleuven. Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer in een souterrain of kelder anders hoge monumentale waarden verloren gaan.
3
.3 Houtconstructies
Uitgangspunten houtconstructies • Voor nieuwe trappen geldt het uitgangspunt bij monumentale balklagen dat gebruik wordt gemaakt van bestaande ravelingen, of dat de trappen geplaatst worden tussen de balken. • Bij het aanbrengen van nieuwe dakkapellen is het behoud van de monumentale kapconstructie en vooral van alle monumentale spantbenen leidend. De toepassing van staalconstructies of stalen hulpconstructies in houten constructies is onwenselijk. Staal heeft een andere uitzettingscoëfficiënt dan hout waardoor spanningen kunnen ontstaan. • Het isoleren van vloeren is vergunningplichtig; zie paragraaf 7.5.
16
Uitvoeringsrichtlijnen houtconstructies • Onderdelen die zijn aangetast door insecten en/of schimmels mogen pas vervangen worden als de onderdelen onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is. • Slechte onderdelen moeten niet in hun geheel worden vervangen, maar afgezaagd tot voorbij het onaangetaste, gezonde hout en aangelast (schuine lip- of haaklas; Llas = 2-2,5 hoogte balk). Indien meer dan 40% van een onderdeel is aangetast, is volledige vervanging van dat onderdeel toegestaan. • Monumentale houten onderdelen, zoals balken, vloerdelen, spanten en dakbeschot, worden op historisch verantwoorde wijze vervangen, waarbij de afmetingen, vormgeving en houtsoort van de bestaande constructie – mits historisch – als uitgangspunt dient. • Historische constructieonderdelen die vervangen zijn, worden ter controle tot aan het einde van het werk op de bouwplaats bewaard, of tot het bevoegd gezag schriftelijke toestemming tot afvoeren heeft gegeven. • Het gebruik van epoxyharsen ter vervanging van balkkoppen en dergelijke kan alleen met een gemeentelijke toestemming tot maximaal 1/5e van de overspanning met een maximum van 1,20 meter. Door middel van een constructieberekening moet worden aangetoond of de gerepareerde balk voldoende draagvermogen heeft.
• Bij het treffen van voorzieningen om in muren opgelegde balkkoppen te beschermen tegen vocht wordt daaraan voorafgaand overlegd met een gemeentelijke erfgoedadviseur. • Het bestrijden van houtaantasters gebeurt bij voorkeur met niet-chemische middelen, b.v. door verhitting. • Voordat men overgaat tot het gebruik van toxische stoffen dienen de oorzaak van het probleem en de activiteit van de aantasting te zijn aangetoond en moeten eerst de ruimte en de constructies goed stofvrij worden gemaakt omdat het bestrijdingsmiddel anders in het stof gaat zitten. Voor de uitvoering geldt: o Bespuit het hout twee keer, onder lage druk, met de spuitlans dicht bij het houtoppervlak (op maximaal 30 centimeter afstand) en volgens de aanwijzingen in het gebruiksvoorschrift, zodat het hout de maximale hoeveelheid toxische vloeistof kan opnemen. o Gebruik geen toxische vloeistoffen op basis van organische oplosmiddelen in ruimten waar materialen door oplosmiddelen schade kunnen oplopen, zoals kunststoffen, synthetische vloerbedekking, dampremmende folies, isolatiemateriaal, etc. Vloeistoffen op waterbasis kunnen hier wel gebruikt worden. o Gebruik in ruimten met schilderingen of gepolitoerd meubilair of betimmeringen alleen oplosmiddelhoudende toxische vloeistoffen. Vermijd ieder contact tussen deze vloeistof en de verflagen of politoer.
o De gebruikte toxische vloeistof moet voor het doel zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). • Er mag alleen drukloos geïnjecteerd worden en alleen als actieve aantastingen plaatselijk voorkomen. Het preventief aanbrengen van injectiepluggen tegen insectenaantasting is verboden. Toelichting houtconstructies • De aanwezigheid van insecten of schimmels betekent niet altijd dat het ‘aangetaste’ hout vervangen moet worden. In voorkomende gevallen kan bij een beperkte aantasting worden volstaan met het verlagen van het vochtgehalte in het hout en/of het toepassen van een bestrijdingsmiddel. • Er kunnen redenen zijn om bij een rotte balkkop niet voor een ambachtelijke oplossing te kiezen, maar voor een aanheling in epoxy, bijvoorbeeld als de balk aan de onderzijde is voorzien van een beschildering. In dat geval kan de balk worden uitgehold en aangegoten in epoxy. De argumenten voor herstel in epoxy en de wijze waarop worden voorafgaand aan het werk besproken met een gemeentelijke erfgoedadviseur. • Bij de geventileerde plaatsing van een balkkop of het aanbrengen van een kunststof omhulsel om een balkkop (cap) om deze te beschermen tegen vocht moet muurwerk worden weggehaald hetgeen ten koste gaat van historisch materiaal. Daarom is overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur nodig.
17
•
Door injecteren van toxische vloeistoffen onder druk zijn veel houtconstructies in te grote omvang en vaak onnodig geïnjecteerd, waardoor historische houtconstructies ernstige schade is toegebracht door injectiepluggen.
3
.4 Metalen (constructie)onderdelen
Verwijzingen metalen (constructie)onderdelen • Voor het schilderen van metaal met een brandwerende verf wordt eveneens verwezen naar paragraaf 6.8, schilderwerk interieur. Uitgangspunten metalen (constructie)onderdelen • Herstellingen aan ijzeren en stalen constructies vinden plaats met toepassing van de oorspronkelijke verbindingsmiddelen en -wijze. • Vervangen is alleen mogelijk als herstel niet mogelijk is. • Nieuwe onderdelen die aan een bestaande constructie worden bevestigd, moeten bij voorkeur worden geklemd. Uitvoeringsrichtlijnen metalen (constructie)onderdelen • Constructieve ijzeren of stalen onderdelen – zoals bijv. een vakwerkligger, smeed- of gietijzeren gevelankers of de staanders van een monumentaal hekwerk – moeten worden gehandhaafd en indien nodig hersteld, tenzij aantoonbaar is dat herstel niet mogelijk is. Bij twijfel moet door middel van een berekening worden aangetoond dat een onderdeel of element niet meer voldoet. • In geval van vervanging of toevoeging van nieuwe stalen constructieve onderdelen moet men rekening houden met de mogelijke legeringsverschillen tussen de oude en nieuwe onderdelen in verband met contactcorrosie. Wanneer er RVS wordt toegepast, dient dit van de kwaliteit AISI 316 te zijn. • Oud smeedwerk mag niet thermisch worden verzinkt, maar kan alleen worden verduurzaamd door middel van schooperen of natlakken.
• In principe worden de oorspronkelijke verbindingstechnieken gebruikt. Bij zwaarwegende redenen kan daar in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur vanaf geweken worden. Lassen is alleen mogelijk indien door onderzoek blijkt dat de ijzer- of staalconstructie een koolstofgehalte bevat lager dan 5%. • Bij onderhoud of herstel van smeedijzeren onderdelen zoals tuinhekken, gevelankers en ander siersmeedwerk, dient al het ijzerwerk volledig van oude verflagen en roest te worden ontdaan. Toelichting metalen (constructie)onderdelen • Een voorbeeld van een geval waarbij herstel van constructieve onderdelen niet meer mogelijk is, is bijvoorbeeld bij ernstige corrosie aan de liggers van een troggewelfjesvloer. De levensduur van de ijzeren binten in zo’n vloer is weliswaar te rekken met het aanbrengen van een onderslagbalk of met een kathodische bescherming, maar als de binten niet draagkrachtig genoeg meer zijn, kunnen zij enkel worden vervangen, waarbij de gewelven ook moeten worden vernieuwd. • Voor een duurzaam resultaat is het belangrijk ijzeren of stalen constructieonderdelen goed te ontroesten en kaal te maken en te letten op mogelijke contactcorrosie. RVS en ijzer verdragen elkaar bijvoorbeeld niet goed. • Een corrosiewerende zinklaag mag alleen worden aangebracht door middel van schooperen.
Thermisch verzinken kan het metaal ernstig doen vervormen en is daarom niet toegestaan. Vervolgens kan het element worden afgewerkt met PU-lak of een lak op epoxy basis. Dit heeft de voorkeur boven een poedercoating omdat het toekomstig onderhoud eenvoudiger maakt. • Lassen is onomkeerbaar en historische ijzer- of staalconstructies bevatten overwegend een te hoog koolstofgehalte, waardoor de lasbaarheid slecht is: er is een risico op scheurvorming en een hard/ bros resultaat.
18
3
.5 Betonwerk
Uitgangspunten betonwerk • Bij beton waarvan oppervlaktebehandeling en/of kleur een wezenlijk onderdeel van de karakteristiek van een monument vormt, mogen werkzaamheden niet leiden tot een ander beeld. Uitvoeringsrichtlijnen betonwerk • Bij beton in het zicht moet de textuur, oppervlaktebehandeling en kleur van een reparatie in principe overeenkomen met het bestaande werk. Toelichting betonwerk • Beton wordt veelvuldig gebruikt als constructiemateriaal. In de 20ste eeuw is beton – al dan niet voorzien van een bijzondere afwerking – vaak toegepast als zichtwerk, waardoor het een belangrijk onderdeel is van de uitstraling van een monument. Dat kan ook in het interieur zijn. Bijzondere afwerkingen zijn bijvoorbeeld gewassen grindbeton of een textuur die het gevolg is van een bekisting met ruwhouten delen
19
GEVELS
20
4 G E V E LS Verwijzingen gevels • Voor bestrijding van houtaantasters in houten geveldelen wordt verwezen naar paragraaf 3.3, houtconstructies. • Voor ijzerwerk in gevels wordt verwezen naar paragraaf 3.4, metalen (constructie) onderdelen. • Voor zichtbeton in gevels wordt verwezen naar paragraaf 3.5, betonwerk. • Voor schilderwerk aan de diverse onderdelen van een gevel wordt verwezen naar paragraaf 4.11, schilderwerk exterieur. • Voor tegelwerk aan gevel, bijvoorbeeld een getegelde plint van een winkelpui of het tegelwerk in een portiek, wordt voor algemene principes verwezen naar de regels voor vloertegels in paragraaf 6.4, vloeren en vloerafwerking. • Voor het na-isoleren van gevels wordt verwezen naar paragraaf 7.3, gevelisolatie.
4
.1 Algemene richtlijnen t.a.v. gevels
Uitgangspunten algemeen gevels • De uiterlijke kwaliteiten en technische staat van een gevel zijn van groot belang voor de historische waarde en de beleving van een monument. Materiaaltoepassing, metselverband, patina, textuur, kleur en vorm en uiterlijk van het voegwerk, vormen een wezenlijk bestanddeel van de historische waarde van een gevel. Conservering van de bestaande gevel moet het uitgangspunt zijn. Onzorgvuldig omgaan met de gevel leidt tot onherstelbare schade. • Het isoleren van een gevel is vergunningplichtig, zie paragraaf 7.3. Uitvoeringsrichtlijnen algemeen gevels • In geval van schade of calamiteiten bij gevels moet eerst de oorzaak van de schade worden vastgesteld en verholpen, alvorens tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodig wijzigingen aan de gevel zijn aangebracht die het monument niet ten goede komen. • Vergunningplichtig voegwerkherstel, reparatie en inboeting van metselwerk, gevelreiniging en/of hydrofoberen mogen bij monumenten alleen worden uitgevoerd door bedrijven die voor de desbetreffende werkzaamheden gecertificeerd zijn door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg of voor deze zijn opgenomen in het register van de regionale kwaliteitsregeling Kennis & Kunde.
Toelichting algemeen gevels • De gevel is doorgaans het ‘visitekaartje’ van een monument en meestal het eerste waar men aan denkt. De zorg die in het verleden is besteed aan monumentale gevels en het patina van ouderdom zijn van grote waarde voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Rheden. • Het overgrote deel van de gevels van Rhedense monumenten is opgetrokken in baksteen. Vanwege het steenachtige karakter is een baksteengevel in principe één van de meest duurzame onderdelen van een monument in de oorspronkelijke zin van het woord: de geschiktheid om lang te bestaan. Door ondeskundig handelen echter kan dat duurzame karakter sterk ondermijnd worden. Een harde reiniging door zandstralen bijvoorbeeld, is tegelijkertijd eigenlijk een verkorting van de levensduur met decennia. Toepassing van een harde cementvoeg in historisch metselwerk maakt van de baksteen i.p.v. de voeg de zwakste schakel. Om onomkeerbare en sterk zichtbare technische en esthetische schade aan monumentale gevels te voorkomen, is deskundigheid noodzakelijk.
21
4
.2 Metselwerk
Uitgangspunten metselwerk • Het behoud van bestaand gevel- of dragend metselwerk is het uitgangspunt. Metselwerk mag pas vervangen worden als de onderlinge samenhang en scheurvorming het herstel verhinderen. Uitvoeringsrichtlijnen metselwerk • Zettingsscheuren moeten niet dichtgesmeerd maar ingeboet worden (gescheurde stenen uithakken en vervangen door goede stenen), zodat de muur een constructief geheel blijft vormen. • De voor het inboetwerk te gebruiken metselmortel dient te zijn aangepast aan de fysische en chemische eigenschappen (hardheid, vochtopname, samenstelling) van de bestaande wand. Chemische hulpstoffen zijn niet toegestaan. Indien er sprake is van een kalkmortel moet ook een kalkmortel worden toegepast. • De voor het inboetwerk te gebruiken stenen, moeten qua hardheid, hygroscopische eigenschappen, formaat, kleur en textuur (bij zichtwerk) aansluiten op het bestaande metselwerk. Hierbij zijn de fysische eigenschappen van de inboeting belangrijker dan de kleur – als de fysische eigenschappen met instemming van de gemeente uiteindelijk de doorslag geven, zullen de stenen moeten worden bijgekleurd. De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt als in de bestaande situatie.
• Bij schoon metselwerk moeten de nieuw in te boeten bakstenen worden bemonsterd en ter goedkeuring worden voorgelegd aan een gemeentelijke erfgoedadviseur, voordat ze worden verwerkt. • In het geval dat kleine beschadigingen aan stenen verdere schade tot gevolg kunnen hebben is herstel met een reparatiemortel toegestaan. Deze dient de kleur van de oorspronkelijke steen te hebben en zachter dan deze steen te zijn. • IJzeren elementen in de gevel moeten worden ontroest en ijzeren restanten zonder functie (of historische waarde!) verwijderd. • Nieuw in te brengen metselstenen en het bestaande metselwerk moeten zo bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de specie optreedt. • De dikte van de voeg en de wijze van voegen bij inboeting moeten overeenkomen met de bestaande voeg. Toelichting metselwerk • Indien het inboetwerk niet is aangepast aan het bestaande metselwerk kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Voorts bestaat het risico dat het inboetwerk onvoldoende aan het bestaande werk hecht. • Reparaties met reparatiemortel ontsieren het beeld als ze te groot zijn. • Roestend ijzerwerk zet sterk uit en kan daarmee het metselwerk kapot drukken. • Wanneer water aan de verse metselmortel wordt onttrokken, hardt deze niet goed uit (verbranden). Dit levert een slechte hechting en slechte kwaliteit voeg op.
4
.3 Natuursteen
Uitgangspunten natuursteen • Behoud en herstel van de natuurstenen onderdelen. Pas als zij aantoonbaar slecht en niet te herstellen zijn, is vervanging mogelijk. • Vrijkomend natuursteen moet bij voorkeur hergebruikt worden binnen het monument of anders in een ander monument. Bijvoorbeeld het natuursteen van stoepen of gangen. Uitvoeringsrichtlijnen natuursteen • Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg heeft, moet deze gerepareerd worden. • Bij een klein aantal breuken dienen natuurstenen onderdelen, zoals bijvoorbeeld
22
•
• •
•
• •
• • •
traptreden, (stoep)platen of hekpalen gelijmd te worden. Wanneer lijm wordt gebruikt om iets te repareren, dan moet ervoor zorg gedragen worden dat het gelijmde vlak geen barrière vormt in de vochthuishouding van het omliggende werk. Dit speelt vooral wanneer de te verlijmen vlakken horizontaal in het werk liggen en de steen relatief poreus is. Bij toepassing van ankerstaven bij een breuk wordt een corrosievrij materiaal toegepast, zoals RVS. Ernstig aangetaste natuurstenen elementen waarvan het materiaalverlies door verwering meer dan 20% is ten opzichte van het volume van het oorspronkelijke element, mogen vervangen worden door een kopie. Voor ornamenten kan, indien de expressie volledig verloren is gegaan, het element vervangen worden door een kopie. Nieuw in te schieten of te vervangen onderdelen dienen overeenkomstig de bestaande situatie – mits historisch juist – te worden uitgevoerd. Dat betekent dat de bestaande steensoort, vormgeving, detaillering en ambachtelijke afwerking, hardheid, porositeit en kleur het uitgangspunt zijn. Vervangen onderdelen moeten ter controle tot het einde van de werkzaamheden op de bouw worden bewaard. Indien een natuursteensoort niet meer voorradig is kan in overleg met de gemeentelijke erfgoedadviseurs een alternatieve steensoort of reparatiemethode worden gezocht.
Wanneer minder dan 10% van het oppervlak gerepareerd moet worden, kan een daartoe geëigende reparatiemortel te worden gebruikt. Een uitzondering op deze richtlijn is als individuele reparatievlakken binnen genoemd oppervlak in volume groter zijn dan 3 dm3. Dan dient een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort te worden ingeschoten. De onderlinge naden tussen het ingeschoten werk en het bestaande blok dienen zo klein mogelijk te zijn. Reparatiemortels moeten qua vochthuishouding, structuur, kleur en oppervlakteafwerking aansluiten bij de bestaande natuursteen en worden aangebracht op een gezonde ondergrond. De bevestiging van ijzeren onderdelen in natuursteen, zoals hekken, trapleuningen en balusters, moet met lood gebeuren. Niet toegestaan zijn: o het impregneren van natuursteen; o het toepassen van steenverstevigers; o (in principe) het consolideren van natuursteen met een kunsthars.
Toelichting natuursteen • Het grote nadeel van verlijmen van natuursteen met kunststoffen is dat het lijmvlak een waterkering vormt in de steen. Vocht blijft daarachter opgesloten zitten. Dit is minder problematisch bij bijna waterdichte steensoorten als hardsteen, maar bij poreuze steensoorten als kalk- en zandsteen is er vochttoetreding via de steen mogelijk. En dat opgesloten vocht kan bij vorst ijs worden, wat een groter volume inneemt en het natuursteenwerk kapot drukt. Minerale mortels zijn wel (water)dampopen, maar hebben weinig hechtsterkte. Voldoende om uitgebroken steendelen of gestapelde stenen te fixeren, maar niet kwetsbare en/of belaste verbindingen. In zulke gevallen zou de breuk hersteld moeten worden met een sterke en stijve ankerstaaf, die met epoxy in de nieuwe boorgaten verlijmd wordt, en kan de breuk afgewerkt worden met een minerale mortel. • Dezelfde soort natuursteen biedt de meest duurzame oplossing en sluit op lange termijn qua kleur, textuur en fysische eigenschappen het beste aan bij het oorspronkelijke werk. • Onder een ambachtelijke afwerking wordt een handmatige afwerking verstaan. Frijnen, boucharderen, zoeten en scharreren zijn voorbeelden. Het is belangrijk dat een reparatie of vervanging aansluit bij het bestaande werk.
Wat bijvoorbeeld vaak fout gaat, is dat het aantal slagen per palm bij frijnen minder is, waardoor het natuursteen een grovere afwerking heeft. • Grotere oppervlakken mortel kunnen door veroudering afsteken tegen hun omgeving en zijn om die reden niet wenselijk. • Steenverstevigers zijn niet te verwijderen zonder schade en dienen in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de verstevigingslaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.
23
•
Consolidatie van natuurstenen onderdelen met een kunsthars is een laatste redmiddel voor zeer waardevolle elementen. Door deze behandeling verandert de vochthuishouding van het onderdeel ingrijpend. Deze behandeling is onomkeerbaar en alleen in overleg met de gemeente toegestaan als reguliere reparatiemethodes geen oplossing bieden en de dampdichtheid van de behandelde onderdelen geen schade aan het monument kunnen veroorzaken.
4
.4 Voegwerk
Uitgangspunten voegwerk • Alleen die delen van het voegwerk die slecht zijn kunnen worden vervangen. Een licht beschadigde voeg die zijn functie nog vervult, heeft de voorkeur boven een nieuwe voeg. Een voeg is slecht als hij zijn waterwerende functie niet meer vervult. Te geringe hardheid is geen criterium voor het vervangen van een voeg. • Partieel herstel. Alleen als grote delen van het voegwerk in een gevelvlak slecht zijn, kan dit integraal worden vervangen. Uitvoeringsrichtlijnen voegwerk • In overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur dient ter plekke te worden beoordeeld welk deel van het voegwerk aan vervanging toe is. • Voorafgaand aan het uithakken en opnieuw voegen dient een proefstuk ter goedkeuring te worden overlegd aan een gemeentelijke erfgoedadviseur. Dit proefstuk: o dient op een onopvallende plaats te zitten (bijvoorbeeld hoog op de gevel); o wordt beoordeeld op zowel het uithakken als het voegen; o dient te worden uitgehakt en gevoegd door de medewerkers die de gehele gevel zullen gaan uithakken en voegen; o blijft tijdens de werkzaamheden ter referentie zitten. • Het verwijderen van voegen mag niet leiden tot schade aan het metselwerk. Bij ondeskundig uithakken van een voeg beschadigt de steen. De voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk of natuursteen.
Het gebruik van bijvoorbeeld een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan. • Bij het uithakken van bestaand voegwerk mogen de voegen niet worden verbreed; het zogenaamd ophakken van voegen is niet toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag helemaal niet worden verwijderd. De voeg wordt onherroepelijk breder dan bestaand waardoor het beeld wijzigt en de gevel wordt ontsierd. • Een nieuwe voeg moet hechten aan de bakstenen en niet aan de oude voegmortel. Wanneer de nieuwe voeg hecht aan de oude mortel kan deze zijn functie, het waterwerend maken van de gevel, niet goed vervullen. De oude voeg dient daarom volledig te worden verwijderd tot aan de metselspecie. Een goed uitgehakte voeg is bovendien ‘vierkant’ uitgehakt, waarbij geen noemenswaardige specieresten aan de bakstenen achterblijven. Als richtlijn kan worden aangehouden een verhouding van voegdikte staat tot voegdiepte is 1 staat tot 2. • Nieuw voegwerk dient overeen te komen met het te verwijderen, historisch juiste voegwerk voor wat betreft samenstelling en hardheid, kleur, voegtype en uitvoering. Historisch metselwerk is meestal gevoegd met kalkmortel. In dat geval is voegen met een gewone cementmortel niet toegestaan. • Er mag geen noemenswaardige smet optreden.
Eventuele smet mag niet met zoutzuur (ook niet verdund) worden verwijderd als de gevels met een kalkmortel zijn uitgevoerd en/of kalk- of zandsteensoorten bevatten. • Het uitdrogen van vers voegwerk moet worden voorkomen door: o een droge gevel vooraf te besproeien; o niet in de volle zon te voegen; o de gevoegde gevel tegen de zon te beschermen door hem af te dekken; o de gevoegde gevel nog langere tijd te bevochtigen. • Ter hoogte van het maaiveld moet het voegwerk tot tenminste 30 centimeter beneden
24
•
het maaiveld worden nagezien en indien nodig hersteld of vernieuwd. Het is niet toegestaan voegen met kalk of een basterdmortel aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden. Het risico bestaat dat het water in de verse voeg bevriest waardoor de voeg kapot wordt gedrukt.
Toelichting voegwerk • Historische gevels zijn van oudsher gevoegd met kalkmortel. Deze voeg is minder hard dan de moderne cementvoegen. Het komt vaak voor dat kalkvoegen worden vervangen door cementvoegen. Deze zijn te star voor kalkhoudend metselwerk waardoor de hechting vaak niet goed is. De voeg kan dan loskomen en/of schade aan het omliggende werk veroorzaken. Cement is bovendien erg waterdicht, waardoor vochttransport vooral plaats vindt door de stenen en deze daarmee feitelijk de zwakste schakel in het metselwerk worden. Vaak is de kwaliteit van onbeschadigd historisch voegwerk hoger dan dat van later aangebracht voegwerk. Om die reden is het verwijderen van onbeschadigd voegwerk een onnodige aantasting van de gevel. • Gezien het bovenstaande zou vervanging van het historische voegwerk beperkt moeten worden tot die gedeeltes die slecht zijn. Soms zijn herstellingen daardoor zichtbaar, maar dat is meestal niet problematisch. Soms draagt het zelfs bij aan de uitstraling van een oud en eerbiedwaardig monument, dat steeds opgelapt is om te kunnen blijven bestaan. Bij het bepalen van de omvang van een herstelling is het belangrijk een logische begrenzing in de gevel te zoeken.
Een gevelvlak bijvoorbeeld, dat aan de boven- en onderzijde wordt begrensd door speklagen in het metselwerk en voor meer dan de helft slecht voegwerk heeft, kan na overleg met de gemeente vaak geheel opnieuw gevoegd worden volgens de bovenstaande uitvoeringsrichtlijnen. Bij uitzonderlijk waardevol metselwerk, bijvoorbeeld bij een natuurstenen gevel of 18e-eeuws metselwerk met haarfijne voegjes zal de gemeente toch uitsluitend herstel van de slechte voegen vragen, ook als meer dan de helft van het voegwerk zijn functie niet meer vervult. En in het geval dat de aantasting sterk over de gevel is verspreid, kan het voegwerk soms, in overleg met een erfgoedadviseur van de gemeente, toch integraal vervangen worden. Uiteindelijk blijft het maatwerk en kunnen definitieve keuzes in overleg tussen uitvoerder en gemeente vaak pas op de steiger gemaakt worden. • Aan historisch voegwerk is vroeger vaak veel zorg besteed. Het voegwerk was vaak snijwerk, door bakstenen schuin af te slijpen werden vooral in de 18e eeuw gevels opgetrokken met bijzonder fijne voegjes en in de 19e eeuw was de stootvoeg vaak half zo breed als de lintvoeg. Ondanks de zorgvuldige uitvoering, speelde voegwerk in de gevel doorgaans een ondergeschikte rol. Door het uithakken van voegwerk worden nieuwe voegen meestal breder, waardoor ze in het aanzicht een meer prominente rol spelen.
Dat is nog sterker het geval bij een spierwitte voegkleur en een verkeerde uitvoering (bijv. een knipvoeg i.p.v. een snijvoeg). • Als regel kan worden aangehouden dat het risico op vorstschade bij metselen en voegen te groot is bij een dagtemperatuur van minder dan 5 graden Celsius.
4
.5 Gevelpleisterwerk
Verwijzingen gevelpleisterwerk • Voor stucwerk in het interieur zie paragraaf 6.3. Uitgangspunten gevelpleisterwerk • Materiaaltoepassing, patina, textuur, vorm, uiterlijk en decoratieve elementen van het pleisterwerk, vormen een wezenlijk bestanddeel van de historische waarde van een gevel. Conservering van de bestaande gevel moet daarom het uitgangspunt zijn. • Pleisterlagen kunnen alleen op gevels worden aangebracht als deze al aanwezig zijn of als dit historisch gezien te verantwoorden is. • In geval van schadeverschijnselen bij gevels moet eerst de oorzaak worden vastgesteld en verholpen, voordat tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodig wijzigingen aan de
25
•
gevel zijn aangebracht. Bij schade: plaatselijk herstel.
Uitvoeringsrichtlijnen gevelpleisterwerk • Het volledige pleisterwerk mag alleen worden vervangen als meer dan 70%, verspreid over de hele gevel, in slechte staat is. Anders is plaatselijk herstel het uitgangspunt. • Als pleisterwerk volledig vervangen wordt, dient voorafgaand daaraan een kleuronderzoek te worden uitgevoerd, tenzij de gemeente dat niet nodig acht. • Het pleisterwerk moet bij herstelwerkzaamheden tot tenminste 30cm beneden het maaiveld worden nagezien, hersteld of vernieuwd, of tot zover als het pleisterwerk oorspronkelijk is uitgevoerd. • Bij herstel of vervanging van pleisterwerk is een goede nazorg belangrijk: door de gevel af te dekken tegen de zon en structureel te bevochtigen wordt uitdroging tijdens het uithardingsproces voorkomen. • Nieuw pleisterwerk dient in zijn materiaalsamenstelling, kleur en uitvoering overeen te komen met het bestaande, historisch passende pleisterwerk. Daar kan in overleg met een gemeentelijke erfgoedadviseur vanaf geweken worden als de bestaande laag leidt tot schade, omdat de hardheid of dampdoorlatendheid van de pleisterlaag niet is aangepast aan het onderliggende muurwerk of omliggende pleisterwerk. Of omdat er onvoldoende hechting is. Kunststofgebonden pleisters zijn niet toegestaan.
• Het is niet toegestaan om een textuur in het pleisterwerk aan te brengen (bijvoorbeeld door spuitwerk) die niet overeenkomt met de bestaande dan wel de historische textuur. • Indien in het pleisterwerk schijnvoegen zijn aangebracht, dan mogen deze niet worden vol gezet of op enige andere wijze worden gewijzigd. In gerepareerde gedeeltes worden de schijnvoegen opnieuw aangebracht, conform het bestaande werk. • Van origine ongeschilderd pleisterwerk blijft in principe ongeschilderd, tenzij er zwaarwegende technische redenen zijn om tot schilderen over te gaan. Voor schilderen is dan een gemeentelijke toestemming nodig, en de gemeente dient te worden betrokken bij de keuze van het verfsysteem en de kleur. • De toepassing van hoekbeschermers is niet toegestaan. • Pleisterwerk ornamenten in een gevel mogen niet verwijderd worden. Beschadigde ornamenten dienen zorgvuldig hersteld te worden, waarbij de afbeelding, belijning en vorm niet verloren gaan. • Als een ornament zodanig beschadigd is dat herstel niet meer mogelijk is, kan het worden vervangen door een kopie, die wordt verkregen door middel van het maken van een mal van het betreffende of een identiek ornament. • Bij herstel van pleisterwerk ornamenten in de gevel is het goed na te gaan of het wel echt pleisterwerk betreft, of wellicht toch cement, terracotta, natuursteen of houtsnijwerk.
• Nieuw toe te passen pleisterwerk dient dampopen te zijn. • Het afspoelen van de gevel voorafgaand aan pleisteren mag geen schade toebrengen. Toelichting gevelpleisterwerk • De gevel is doorgaans het ‘visitekaartje’ van een monument en meestal het eerste waar men aan denkt. De zorg die in het verleden is besteed aan monumentale gevels en het patina van ouderdom zijn van grote waarde voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Rheden. • Het uiterlijk en de eigenschappen van gevelpleisterwerk op een monument zijn verbonden met de tijd waarin het aangebracht is. Pleisterwerk is dikwijls om esthetische redenen aangebracht op ouder muurwerk om verschillende bouwfases en -sporen te verdoezelen. Vanaf het midden van de 19e eeuw werd als gevolg van de ontwikkeling van het portlandcement in 1824 steeds vaker cement toegevoegd aan de mortel, die tot dan toe altijd op basis van kalk werd vervaardigd. Door cement bij of in plaats van de kalk te gebruiken, werd de pleisterlaag harder, waterdichter en donkerder van kleur (blauwgrijs). Pleisterlagen waren niet altijd (dekkend) geschilderd. Soms was de pleisterlaag zelf gekleurd, bijvoorbeeld om zandsteen te imiteren.
Zeker in de architectuur van het laatste kwart van de 19e eeuw en het begin van de 20e was er vaak sprake van schoon metselwerk in gevels in combinatie met verbijzonderingen in pleisterwerk, zoals figuratieve ornamenten, hoekpilasters, lijstwerk of boogvullingen boven de ramen. Door
26
•
•
4
groeven in het pleisterwerk te trekken kon de suggestie worden gewekt dat de gevel uit natuursteen blokken was opgebouwd, en door met een kam lijnen in het werk te trekken kon een frijnslag gesuggereerd worden. Door gevelpleisterwerk geheel te verwijderen, gaat alle informatie over het oorspronkelijke uiterlijk van de pleisterlaag verloren. Als integrale vervanging onontkoombaar is, is het belangrijk die informatie door onderzoek vast te leggen en in de keuzes mee te nemen in de restauratie. Het is van groot belang dat historische constructies dampopen worden gehouden. Vocht uit het gebouw migreert in dampvorm door de niet geventileerde constructie. Aangezien de gebouwen qua dampdiffusie en warmte, oorspronkelijk overwegend onoplosbaar lek zijn, heeft het afsluiten van een constructie ernstige gevolgen. Het vochtgehalte in de constructie zal door de remming toenemen waardoor houten elementen zoals balken of kozijnen vaak een te hoge vochtconcentratie krijgen waardoor rot kan ontstaan. Water dat achter dampdichte verf- of pleisterlagen opgesloten wordt, leidt tot schade aan die lagen door vorst en migratie van zouten. .6 Timmerwerk exterieur