CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

TPvE.pdf

Raadsvergadering 30 maart 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Instemmen PvE's Project Gemeentehuis23.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Buiten het stookseizoen, bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal 10 °C en maximaal 25 °C, is de operatieve temperatuur binnen maximaal 26°C

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Buiten het stookseizoen bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal 10 °C en maximaal 30 °C is de operatieve temperatuur binnen maximaal 26 °C Eventueel aanwezige actieve componenten voor koeling en/of buitenzonweringsvoorzieninge n zijn op vertrekniveau

Pagina 21 van 54

handmatig na te regelen. In het eerste geval met een band- breedte van minimaal 2 °C rond een standaardsetpoint van 24,5 °C. Met de bedienunit is de temperatuur met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling.

Tabel 14: Zomercomfort

Zie de twee opmerkingen over (bepaling van) de operatieve temperatuur onder 'Wintercomfort' hier boven. Met 'dag gemiddelde buitentemperatuur' wordt hier bedoeld: (dagmaximum + dagminimum) / 2. In afwijking van de hierboven genoemde niet-adaptieve eis kan men, in kantoorgebouwen zonder actieve koeling, voorzien van te openen delen (minimaal 1 per gevelstramien van 3,6 m) waarin wordt afgezien van een (te) strikt kledingprotocol, de klasse C adaptieve (alfa) bovengrenzen hanteren zoals omschreven in ISSO 74: 2014. Voor de temperatuuroverschrijdingsberekeningen referentiejaar RA2008T2 (NEN 5060) aanhouden. Bij kwaliteitsniveau Klasse B of A; In afwijking van de hierboven genoemde nietadaptieve eis kan men, in kantoorgebouwen zonder actieve koeling, voorzien van te openen delen (minimaal 1 per gevelstramien van 3,6 m) waarin wordt afgezien van een (te) strikt kledingprotocol, de klasse B adaptieve (alfa) bovengrenzen hanteren zoals omschreven in ISSO 74: 2014. Bij kwaliteitsniveau Klasse A; Indien sprake is van verificatie m.b.v. temperatuuroverschrijdingsberekeningen dan dient referentiejaar RA2008T2 (NEN 5060) aangehouden te worden (overschrijdingskans 2%). Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor de thermische isolatie gebouwschil.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Klasse C VOLDOENDE Dichte delen Ramen en deuren

Rc,vloer ≥ 3,5 m²K/W Rc,gevel ≥ 4,5 m²K/W Rc,dak ≥ 6,0 m²K/W Uw,max ≤ 2,20 W/m² Uw,gem ≤ 1,65 W/m²

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Rc,vloer ≥ 4,5 m²K/W Rc,gevel ≥ 5,0 m²K/W Rc,dak ≥ 7,0 m²K/W Uw,max ≤ 1,65 W/m² Uw,gem ≤ 1,20 W/m²

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Rc,vloer ≥ 6,5 m²K/W Rc,gevel ≥ 6,5 m²K/W Rc,dak ≥ 8,0 m²K/W Uw,max ≤ 1,20 W/m² Uw,gem ≤ 0,80 W/m²

Tabel 15: Thermische isolatie gebouwschil

De warmteweerstand van de gebouwschil moet zodanig zijn dat warmteverliezen in de winterperiode worden beperkt, zonder dat in de zomerperiode teveel warmte wordt vastgehouden. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor het tocht.

Klasse C VOLDOENDE De combinatie van luchtsnelheid, luchttemperatuur en turbulentieintensiteit is dusdanig dat een DR-index (Draught Rate) van maximaal 30% gegarandeerd is.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De combinatie van luchtsnelheid, luchttemperatuur en turbulentieintensiteit is dusdanig dat een DR-index (Draught Rate) van maximaal 20% gegarandeerd is.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B n.v.t.

Tabel 16: Tocht

De DR-index (Draught Rate) staat voor het verwachte percentage ontevredenen ten gevolge van tocht bij gesloten deuren en ramen. De genoemde tochthinder parameters worden vastgesteld conform de bepalingen in NEN-EN-ISO 7726. Het tochtrisico wordt bepaald op nekhoogte bij zitten (1,1 m) en enkelhoogte (0,1 m), e.e.a. met gesloten ramen en deuren. De genoemde DR 30% eis komt bij normale winter- temperaturen binnen overeen met een maximale luchtsnelheid van 0,20 m/s; in het tussenseizoen is dit max. 0,25 m/s en

Pagina 22 van 54

in de zomer max. 0,30 m/s. Uitgaande van een luchttemperatuur van resp. 20, 23 en 26 °C en een turbulentie-intensiteit van 40 a 60%. Indien sprake is van verhoogde luchtsnelheden die veroorzaakt zijn door acties van gebouwgebruikers (denk aan de inzet van ventilatoren e.d.) dan spreekt men van een 'bries-effect' en gelden de genoemde tochteisen niet.

- bij een gekoeld plafond (bv klimaatplafond, betonkernactivering) < 18 K; - bij een verwarmde wand / aangestraald geveldeel < 35 K.

- bij een verwarmde wand / aangestraald geveldeel < 23 K.

Tabel 17: Lokale behaaglijkheid (overig)

Bij kwaliteitsniveau Klasse B; de genoemde DR 20% eis komt bij normale wintertemperaturen binnen overeen met een maximale luchtsnelheid van 0,15 m/s; in het tussenseizoen is dit max. 0,20 m/s en in de zomer max. 0,25 m/s. Uitgaande van een luchttemperatuur van resp. 20, 23 en 26 °C en een turbulentie-intensiteit van 40 a 60%. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor de lokale behaaglijkheid (overig).

Klasse C VOLDOENDE Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt en/of verwarmd dat de vloertemperatuur minimaal 17 °C is. De verticale temperatuurgradiënt (verschil tussen lucht-temperatuur op nek- en enkelhoogte) is < 4 K/m. De stralingstemperatuurasymmetr ie (verschil in stralingstemperatuur tegenoverliggende vlakken) is: - bij een verwarmd plafond (bv klimaatplafond, betonkernactivering) < 7 K; - bij een koude wand / raam < 13 K;

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C • Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt en/of verwarmd dat de vloertemperatuur minimaal 19 °C is. • De verticale temperatuurgradiënt is < 3 K/m. • De stralingstemperatuurasymmetr ie (verschil in stralingstemperatuur tegenoverliggende vlakken) is: - bij een verwarmd plafond (bv klimaatplafond, bka) < 5 K; - bij een koude wand / raam < 10 K; - bij een gekoeld plafond (bv klimaatplafond, bka) < 14 K;

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B n.v.t.

Lokaal thermisch (dis)comfort wordt vastgesteld conform de bepalingen in NEN-ENISO 7726 en NEN-EN-ISO 7730. De verticale temperatuurgradiënt wordt bepaald op respectievelijk nekhoogte bij zitten (1,1 m) en enkelhoogte (0,1 m), e.e.a. met gesloten ramen en deuren.

5.3. Geluidstechnische gebouweigenschappen 5.3.1 Gebruikerseisen Geluidshinder waarbij verstoring van de concentratie optreedt, mag niet voorkomen. Geluid vanuit een bepaalde ruimte mag geen overlast veroorzaken in een andere ruimte. Binnen alle zelfde ruimten moet tevens de spraakverstaanbaarheid gewaarborgd zijn. Daarbij mogen collega’s in eenzelfde kantoorruimte geen last hebben van elkaar. De geluiden van andere collega’s in dezelfde open ruimte mogen daarom alleen op de achtergrond hoorbaar zijn. Collega’s mogen elkaar wel horen, maar het weerkaatsend geluid moet minimaal zijn. De wanden, vloeren en plafonds moeten daarbij voor voldoende demping zorgen. Een goede toepassing van geluidisolatie en beheersing van de akoestiek zijn in een open en transparante werkomgeving van groot belang. Onderstaande eisen ten aanzien van geluid dienen daarom te worden nagestreefd. Voor de geluidsnormen wordt de NEN 5077 en de ‘NPR 3438 - Geluidhinder op de arbeidsplaats’ gehanteerd.

5.3.2 Geluidstechnische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor de geluidwering van de gevel.

Pagina 23 van 54

Klasse C VOLDOENDE De geluidwering van de gevel (GA) is gelijk aan het verschil tussen de geluid- belasting op de gevel en 40 dB met een minimum van 20 dB.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De geluidwering van de gevel (GA) is gelijk aan het verschil tussen de geluid- belasting op de gevel en 35 dB met een minimum van 25 dB.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De geluidwering van de gevel (GA) is gelijk aan het verschil tussen de geluid- belasting op de gevel en 30 dB met een minimum van 25 dB.

Tabel 18: Geluidwering van de gevel

De geluidwering van de gevel dient te worden bepaald conform de bepalingen in NEN 5077. De geluidwering dient te worden bepaald bij gesloten ramen, uitgaande van de beoogde hoeveelheid luchtverversing. Voor de geluidbelasting wordt uitgegaan van de werkelijke (gecumuleerde) geluidbelasting afkomstig van alle relevante bronnen buiten (verkeer, industrie e.d.). Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor de lucht- en contactgeluidisolatie van wanden en vloeren.

afwijkende eis t.a.v. contactgeluid: ga dan uit van een LnT;A waarde van 48 dB. Tabel 19: Lucht- en contactgeluidisolatie van wanden en vloeren

Het gewogen luchtgeluiddrukniveau verschil DnT;A en het gewogen contactgeluiddrukniveau LnT;A dient te worden bepaald conform de bepalingen in NEN 5077. Daar waar spraakdiscretie gewenst is moet men een strengere eis aanhouden; de luchtgeluidisolatie van wanden aldaar dient minimaal 3 dB beter te zijn dan de genoemde waarden. De contactgeluidisolatie-eis geldt voor het hele vloerpakket inclusief vloerafwerking. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor installatiegeluid.

Klasse C VOLDOENDE Het geluidniveau in kantoorruimten en overlegruimten t.g.v. installaties (LI;A) is maximaal 40 dB.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Het geluidniveau in kantoorruimten en overlegruimten t.g.v. installaties (LI;A) is maximaal 35 dB en voor stiltewerkplekken maximaal 30 dB.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Het geluidniveau in kantoorruimten en overlegruimten t.g.v. installaties (LI;A) is maximaal 30 dB.

De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen verblijfsruimten onderling bedraagt ten minste 38 dB.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussenkantoor/overleg ruimten onderling bedraagt ten minste 42 dB.

De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen verblijfsruimten en verkeersgebieden bedraagt ten minste 27 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.

De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen verblijfsruimten en verkeersgebieden bedraagt ten minste 33 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.

Tabel 20: Installatiegeluid

De contactgeluidisolatie (LnT;A) tussen boven elkaar gelegen verblijfsruimten en verkeersgebieden bedraagt ten minste 57 dB.

Indien de vloer een afscheiding vormt tussen 2 verschillende organisaties dan dient uitgegaan te worden van een

Het karakteristiek installatiegeluid- niveau LI;A dient te worden bepaald conform de bepalingen in NEN 5077. Onder installaties wordt in deze context o.a. verstaan: installaties voor luchtverversing, installaties voor verwarming en koeling, installaties voor warmte- en koudeopwekking.

Klasse C VOLDOENDE

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen kantoor/overleg ruimten onderling bedraagt ten minste 45 dB.

Daar waar sprake is van open kantoorvloeren is een iets verhoogd achter- grondniveau vaak juist gunstig (maskering spraakgeluid derden); de klasse B eis aldaar bedraagt 40 dB in plaats van de hier boven genoemde 35 dB.

Daar waar sprake is van open kantoorvloeren is een iets verhoogd achter- grondniveau vaak juist gunstig (maskering spraakgeluid derden); de klasse A eis aldaar bedraagt 35 dB in plaats van de hier boven genoemde 30 dB.

Pagina 24 van 54

Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor geluid apparatuur.

Klasse C VOLDOENDE n.v.t.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Pinters, copiers en andersoortige geluidproducerende kantoorapparaten die (in bedrijf) een achtergrondgeluidniveau > 45 dB produceren zijn buiten werkruimten geplaatst.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Gelijk aan Klasse B

De genoemde klasse B DL2,S eis is normaliter alleen haalbaar als 100% van het plafond geluidsabsorberende is uitgevoerd; vaak zijn aanvullend ook nog geluidsabsorberende schermen tussen werkplekken en/of werkgroepen nodig.

Tabel 21: Geluid apparatuur

5.4. Visueel comfort

Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor ruimteakoestiek.

Klasse C VOLDOENDE De gemiddelde nagalmtijd (T30) in ingerichte verblijfsruimten bedraagt maximaal 0,8 s. Open kantoorvloeren zijn zo ingericht en afgewerkt dat de geluidsverzwakking in de ruimte bij afstandsverdubbeling (DL2,S in dB) minimaal 4 dB bedraagt.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De gemiddelde nagalmtijd (T30) in de ingerichte ruimten bedraagt maximaal 0,7 s.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De gemiddelde nagalmtijd (T30) in de ingerichte ruimten bedraagt maximaal 0,6 s.

Open kantoorvloeren zijn zo ingericht en afgewerkt dat de geluidsverzwakking in de ruimte bij afstandsverdubbeling (DL2,S in dB) minimaal 6 dB bedraagt.

Open kantoorvloeren zijn zo ingericht en afgewerkt dat de geluidsverzwakking in de ruimte bij afstandsverdubbeling (DL2,S in dB) minimaal 8 dB bedraagt.

Tabel 22: Ruimteakoestiek

De nagalmtijd (T30) dient te worden bepaald conform de bepalingen in NEN 5077. Ga hierbij uit van volledige ingerichte ruimten waarin geen personen aanwezig zijn. In ruimtes met een relatief groot volume (>100 m3) of ruimten specifiek voor communicatie (bv. cursusruimten, vergaderkamers) kan men een iets hogere nagalmtijd aanhouden (maximaal 0,2 s hoger dan de genoemde waarde voor reguliere kantoorruimten). De gemiddelde nagalmtijd die hier bedoeld wordt betreft de gemiddelde waarde van de nagalmtijd in de octaafbanden 250 t/m 2000 Hz.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Indien sprake is van atria of serres dan dient men daarvoor apart nagalmtijd eisen te hanteren die o.a. afgestemd zijn op het volume van de desbetreffende ruimte. De geluidverzwakking per afstandsverdubbeling / de DL2,S waarde dient te worden bepaald conform de bepalingen in ISO 3382-3. Uitgangspunt hierbij is een Lp,A,S,4 m waarde van maximaal 48 dB. Aan de hierboven genoemde DL2,S eis wordt normaliter voldaan als minimaal 75% van het plafond geluidsabsorberend uit is gevoerd met een absorptie coëfficiënt alpha(w) van minimaal 0,7.

5.4.1 Gebruikerseisen De diverse binnenruimten moeten zo worden georiënteerd dat overmatige en ongewenste zontoetreding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Men wordt uitgedaagd om gunstige EPC-waarden te bereiken en hinderlijke slagschaduwen, windoverlast en reflecties te voorkomen door een gunstige positionering van het gebouw en het toepassen van slimme oplossingen als overstekken of minimale daglichttoetreding op de zonbelaste gevels. Er dient voldoende direct daglicht te zijn in de verblijfsruimten. Dit geldt met name voor de ontvangsthal, vergaderruimten, werkplekken en bedrijfsrestaurant.

5.4.2 Lichttechnische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor daglicht en uitzicht.

De daglichtfactor (DFwaarde) in de ruimten gelegen in de gevelzone bedraagt minimaal 1%.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De daglichtfactor (DFwaarde) in de ruimten gelegen in de gevelzone bedraagt minimaal 2%.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De daglichtfactor (DFwaarde) in de ruimten gelegen in de gevelzone bedraagt minimaal 3%.

De lichttoetredingsfactor (LTAwaarde) van de beglazing bedraagt minimaal 0,50.

De lichttoetredingsfactor (LTAwaarde) van de beglazing bedraagt minimaal 0,65.

Qua uitzicht wordt aan alle 3 de volgende voorwaarden voldaan: zicht op i. groen of

Klasse C VOLDOENDE

Pagina 25 van 54

Qua uitzicht wordt aan minimaal 1 van de volgende 3 voorwaarden voldaan: zicht op i. groen of water, ii. de hemelkoepel, iii. verder weg gelegen objecten / de horizon.

Qua uitzicht wordt aan minimaal 2 van de volgende 3 voorwaarden voldaan: zicht op i. groen of water, ii. de hemelkoepel, iii. verder weg gelegen objecten.

water, ii. de hemelkoepel, iii. verder weg gelegen objecten.

Tabel 23: Daglicht en uitzicht

Het betreft hier de daglichtfactor bepaald op een horizontaal vlak, op 800 mm hoogte. Een en ander in het midden van de ruimten. Bij een ruimtediepte > 5,4 m: bepaal het midden alsof de ruimtediepte 5,4 m was. Uitzicht op een binnentuin, binnen- gebied of atrium kan ook worden geclassificeerd als ‘klasse C uitzicht’. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor kunstlicht.

Klasse C VOLDOENDE Kunstverlichting in de verblijfsruimten voldoet aan de eisen vermeld in NEN 12464-1 (o.a. 500 lux praktijkverlichtingssterkte in kantoorruimten). De verlichtinggelijkmatigheidsindex (Uo) bedraagt minimaal 0,60. De UGRL (waarde voor de beperking van de 'verblindingshinder' tgv zijdelings uitstralende verlichtingsarmaturen) bedraagt maximaal 21. De kleurweergaveindex (Ra) van de verlichting is minimaal 80.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De verlichtinggelijkmatigheidsindex (Uo) bedraagt minimaal 0,75. De UGRL (waarde voor de beperking van de 'verblindingshinder' tgv zijdelings uitstralende verlichtingsarmaturen) bedraagt maximaal 19. De verlichting is per vertrek of per zone (in het geval van een open kantoorruimte) handmatig aan en uit te zetten.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Kunstverlichting in de verblijfsruimten voldoet aan de eisen vermeld in NEN 12464-1. Aanvullend is voorzien in lokale verlichting (bv. bureaulampen) waarmee plaatselijk een horizontale verlichtingssterkte van minimaal 1000 lux op het werkblad is te creëren. De kleurweergaveindex (Ra) van de verlichting is minimaal 90. De verlichting is per werkplek handmatig aan en uit te zetten.

Indien gewerkt wordt met LED-verlichting: besteed specifiek aandacht het voorkomen van problemen door lichtflikkering & stroboscopische effecten (lichtoutput). Een en ander in lijn met de laatste LED licht adviezen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Tabel 24: Kunstlicht

Er dient ledverlichting aangebracht te worden: kies voor (voldoende) diffuse optieken. Bij kwaliteitsniveau Klasse B of A; indien bij alle werkplekken sprake is van aanvullende verlichting (bureaulampen) dan kan ervoor gekozen worden om de algemene verlichting in te stellen op 300 lux in plaats van op 500 lux (gemeten bij nietingeschakelde lokale verlichting). Bij kwaliteitsniveau Klasse A; De genoemde gelijkmatigheidseis geldt in het klasse A geval alleen bij niet-ingeschakelde aanvullende, lokale verlichting. Eventueel aanwezige bureaulampen zijn ergonomisch verantwoord (denk bv. aan voorkomen verblindingshinder bij derden); verder zijn de bureaulampen bij voorkeur handmatig dimbaar. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor helderheidswering.

Klasse C VOLDOENDE Er is voorzien in instelbare helderheids- wering waarmee de luminantieverhoudingen ('contrasten') in het gezichtsveld zijn te beperken (bv. bij laagstaande zon) tot 1:30:100 (luminantie taak: directe omgeving : periferie).

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Er is voorzien in instelbare helderheids- wering waarmee de luminantieverhoudingen ('contrasten') in het gezichtsveld zijn te beperken (bv. bij laagstaande zon) tot 1:10:30 (luminantie taak : directe omgeving: periferie).

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B n.v.t.

Pagina 26 van 54

De lichtdoorlatendheid van de helderheidswering is dusdanig dat voldaan wordt aan de klasse 2 glare control eisen uit NEN-EN 14501.

De lichtdoorlatendheid van de helderheidswering is dusdanig dat voldaan wordt aan de klasse 3 glare control eisen uit NEN-EN 14501.

Tabel 25: Helderheidswering

De samenstelling van de helderheids- wering is bij voorkeur dusdanig dat bij gesloten helderheidswering enig uitzicht naar buiten mogelijk blijft.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 27 van 54

6. Bouwkundige prestaties In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de bouwkundige elementen aan de hand van uitgangspunten.

6.1. Algemeen Op gebied van de bouwkundige prestaties zijn onderstaande uitgangspunten van belang: • De bouwkundige elementen dienen te voldoen aan de eisen zoals gesteld in hoofdstuk 2 en 3 met betrekking tot met name paragraaf 2.2.4. lage emissie bouwmaterialen, paragraaf 3.2.2 thermische isolatie gebouwschil, paragraaf 3.3 geluidstechnische gebouweigenschappen en paragraaf 3.4.2 prestatieniveaus daglicht en uitzicht • De functionaliteit en flexibiliteit, vrij indeelbaarheid van het gebouw, dient zo min mogelijk tot niet belemmerd te worden door de constructie • De toe te passen materialen en afwerkingen dienen zoveel als mogelijk te bestaan uit natuurvriendelijke/biobased/circulaire materialen. De financiële haalbaarheid ervan zal in het ontwerpproces nader onderzocht moeten worden. Daarbij dienen de toe te passen materialen en afwerkingen onderhoudsvriendelijk te zijn: Voorkomen van details die een bovengemiddelde vervuiling met zich meebrengen (bijvoorbeeld stofnestvorming op ‘lastige’ plekken of vervuiling als gevolg van neerslag wat zich in gevoelige materialen ‘vreet’). De te reinigen en te onderhouden delen van het gebouw dienen met inzet van eenvoudig materieel bereikbaar te zijn Slimme positionering en honoreren van de ruimterelaties zorgen voor een efficiënt onderhoudsproces.

• De uitstraling van het gebouw dient aan te sluiten bij de geformuleerde ambities ten aanzien van de esthetiek, duurzaamheid en de relatie met de omgeving zoals omschreven in het Ruimtelijk-Functioneel Programma van Eisen.

6.2. Fundering en bestaande kelder Door Constabiel is een haalbaarheidsonderzoek gedaan naar het hergebruik van de bestaande kelder van het gemeentehuis in Rheden (200547-S01, 4 september 2020).

Referentie: 1670702-0034.1.0.

In grote lijnen is de conclusie van het onderzoek dat de bestaande kelder voldoende capaciteit heeft om hergebruikt te worden en daarbij gelden de volgende randvoorwaarden. • Uitgangspunt is dat er direct boven de kelder wordt gebouwd, aansluitingen tegen de kelder geven meer belasting op de kelderwanden • Uitgangspunt is dat de begane grondvloer behouden blijft. In deze situatie behoudt de kelder haar stijfheid en komt de bestaande uitvoering overeen met de nieuwe situatie. • In alle gevallen is de toelaatbare belasting op de wanden maatgevend De omvang van de opbouw is afhankelijk van een aantal zaken: • Welke gebruiksfunctie krijgt het nieuwe gebouw • Welke bouwmethode wordt toegepast. Het onderzoek is gebaseerd op een combinatie van kantoor of bijeenkomstfunctie en de bouwmethode met kanaalplaatvloer of staalbetonvloer. In alle gevallen is dezelfde extra belasting t.g.v. lichte scheidingswanden en extra hoofddraagconstructie toegevoegd. De toelaatbare gebouwhoogte in de 4 situaties zijn: Situatie A: Situatie B: Situatie C: Situatie D:

Kantoorfunctie met kanaalplaatvloer 4 verdiepingen boven wand en 7 verdiepingen boven de kolom Kantoorfunctie met staalbetonvloer 6 verdiepingen boven wand en 9 verdiepingen boven de kolom Bijeenkomstfunctie met kanaalplaatvloer 3 verdiepingen boven wand en 6 verdiepingen boven de kolom Bijeenkomstfunctie met staalbetonvloer 5 verdiepingen boven wand en 8 verdiepingen boven de kolom

De capaciteit van de kolommen is in geen enkel geval maatgevend. Dit betekent dat boven de kolommen nog ruimte is voor extra belasting. Dit kan gebruikt worden voor een extra bouwlaag of zwaardere vloerbelasting op de verdiepingen. In alle gevallen kunnen er op de kolommen drie extra bouwlagen worden aangebracht.

Pagina 28 van 54

De brandveiligheid van de constructie dient in een later stadium beoordeeld te worden. De verder benodigde nieuw te realiseren funderingsconstructie mag een vrije indeelbaarheid van het gebouw niet belemmeren en mag geen nadelige gevolgen hebben voor het hergebruik van de bestaande kelder. De eisen omtrent de fundering zijn conform het bouwbesluit. Op basis van de geotechnische onderzoeken in de ontwerpfase bepalen wat voor funderingsconstructie mogelijk, wenselijk en haalbaar is. Bij toepassing van een paalfundering een funderingstechniek uitwerken die overlast voor de omgeving inclusief het risico op schade aan opstallen voorkomt of beperkt. Hier dient de wijze van een eventuele bemaling van de bouwput in meegenomen te worden. Vloeren op grondslag, waterdichtheid aantonen afhankelijk van de grondwaterstand.

In verband met de gewenste vrije indeelbaarheid: • Dient het aantal kolommen binnen het functioneel netto oppervlak zoveel mogelijk te worden beperkt. Dus een dragende functie van de binnenwanden zoveel mogelijk vermijden; • Dienen de plafonds bij indelingswijzigingen eenvoudig te kunnen worden aangepast; • Dienen de installaties boven het plafond goed bereikbaar te zijn; • Dient de draagconstructie in de publiekshal geen visuele belemmering te zijn voor zowel de bezoekers, de medewerkers als voor de beveiliging.

6.4. Buitenwanden De te reinigen en te onderhouden delen van de gevel dienen met inzet van eenvoudig materieel bereikbaar te zijn. De gevels zelf dienen over vorm- en materiaalvastheid eigenschappen te beschikken, zodat van veroudering geen of beperkt sprake is.

6.3. Constructie De draagconstructie dient, mede in verband met de gewenste courantheid van het gebouw, zodanig te worden ontworpen dat de functionaliteit en de herindeelbaarheid zo min mogelijk worden belemmerd. Scheiding van draagconstructie en inbouwpakket is daarbij van belang. De constructie demontabel detailleren i.h.k.v. de circulaire economie. Er dient rekening mee te worden gehouden dat de constructie zoveel mogelijk wifi-doorlatend is. De constructiehoogte moet zodanig zijn dat de geëiste vrije hoogte in samenhang met de voor de installaties benodigde hoogte kan worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de vereiste constructiehoogte en de vereiste hoogte (boven het plafond) voor de installaties moeten de architect en de adviseurs zorgdragen voor een optimaal ontwerp van gebouw, constructie en installatie, waarbij de functionele eisen en de totaalkosten dienen te worden afgewogen. Ten aanzien van de benodigde hoogte boven de plafonds voor de installaties wordt met name aandacht gevraagd voor voldoende ruimte(reservering) voor toekomstige aanpassingen van de installaties en de bereikbaarheid in het kader van beheer en onderhoud in de toekomst. Ten opzichte van de benodigde ruimte voor de installaties wordt een overmaat van 10 cm hoogte gevraagd, waarbij in principe minimaal 0,50 m¹ netto vrije ruimte benodigd is voor de installaties ter plaatse van verblijfsruimten.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Aandachtspunten voor buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen: • Gevels moeten demontabel zijn en op elementniveau vervangbaar • Gevels moeten met eenvoudig materieel bereikbaar zijn voor reiniging en onderhoud, • T.a.v. vleermuizen wordt het gebouw jaarrond geschikt gemaakt als verblijfplaats op verschillende windrichting middels voor vleermuizen toegankelijke spouwmuren. • De gevel en dak opzet zodanig ontwerpen dat er op een eenvoudige wijze een gevelonderhoudsinstallatie geplaatst kan worden. • Rondom de gevels een vlak en toegankelijk pad van 2 m¹ breed opnemen. • Voorzie de eerste bouwlaag van het gebouw op maaiveldniveau zoveel mogelijk van vandaalbestendige materialen. • Penanten maken ter plaatse van stramienen en wandaansluitingen; deze zorgen voor een deugdelijke aansluiting van de binnenwanden op de gevels, zodat geluidoverdracht en brandoverslag kan worden voorkomen. • Kies voor een buitenwandafwerking met lage onderhoudskosten, indien voor hout wordt gekozen dient er geen schilderwerk te zijn. • Beglazingen waar noodzakelijk uitvoeren als veiligheidsbeglazing.

Pagina 29 van 54

•

De gevel maakt een toekomstig actief gebruik van zonne- en/of windenergie mogelijk. Met actief gebruik wordt het omzetten van zonne- en/of windenergie naar bruikbare thermische en/of elektrische energie bedoeld. • Een gevelsysteem toepassen wat plaatselijk te demonteren is voor vervangingsonderhoud. Voor de buitenwandafwerking gelden de volgende bijzonderheden: • De gevels dienen slag- en stootvast te worden uitgevoerd. • Het binnenspouwblad dient voldoende mogelijkheden te hebben voor de bevestiging van installatieonderdelen, en dergelijke. Het glasoppervlak dient geoptimaliseerd te worden in relatie tot de invallende zonnewarmte, warmteverliezen en daglicht- en uitzichtaspecten. Te openen delen in de verblijfsruimten zijn vereist. Indien noodzakelijk (op basis van de temperatuuroverschrijdingsberekeningen en het duurzaamheidsconcept), dienen de zonbelaste transparante geveldelen voorzien te worden van buitenzonwering. Hiervoor dient een integrale afweging uitgewerkt te worden tussen de energie-aspecten, onderhoudsaspecten, investerings- en exploitatiekosten. Het ontwerpteam dient deze ter besluitvorming voor te leggen aan opdrachtgever. De breedte van de zonwering moet afgestemd worden op de indelingsmodule. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat deze functionaliteit zoveel mogelijk behouden blijft bij gewijzigde indeling van de kantoorruimten.

De kozijnen dienen onderhoudsvriendelijk uitgevoerd te worden. Voor buitenwandopeningen wordt verwacht dat ten aanzien van warmte-, daglicht- en uitzichtaspecten een optimale materiaalkeuze en positionering gekozen dient te worden. Bijzondere technische randvoorwaarden: • Aan de zonzijden dient een maximale ZTA-waarde van 0,3 aangehouden te worden. • Bij toepassing van beweegbare buitenzonwering op de zonbelaste geveldelen dient dit zowel centraal (gestuurd op basis van weersomstandigheden) en de mogelijkheid voor individuele bediening per werkgebied. Er dient rekening te worden gehouden in de materiaalkeuze met het onderhouden van de zonwering; • Gevel zodanig detailleren dat het water bij gevelsprongen van de gevel wordt afgevoerd. Water afkomstig van gesloten geveldelen mag niet langs het glas en de

Referentie: 1670702-0034.1.0.

• • • •

kozijnen lopen. Liggende cementgebonden delen zodanig afwerken dat er geen vervuiling van glas en kozijnen kan plaatsvinden; Waterdichtheid dient te voldoen aan de NEN 2778; Geen vensterbanken toepassen; In verband met de bosrijke omgeving rekening houden met het voorkomen van algvorming. Kitvoegen dienen vermeden te worden.

Bijzondere keuzes ten aanzien van buitenwandopeningen: • Voorkom tocht in de entreehal/receptie (bijvoorbeeld middels een tochtportaal of tourniquet met luchtgordijn). • Buitenwandopeningen dermate positioneren en materialiseren dat de afsluitbaarheid en veiligheid niet in het gedrang komt. Hang & sluitwerk buitenwandopeningen: • “Politiekeurmerk” is van toepassing, klasse Zwaar. Dit stelt onder meer eisen aan buitendeuren en ramen evenals aan het terrein en de omgeving. • Het gehele beslag uitvoeren in een hoogwaardige rvs-kwaliteit met EN-1906 SK3, passend bij het ontwerp. • Te openen delen bij buitenwandopeningen het hang- en sluitwerk voorzien van hoogwaardige rvs-kwaliteit met EN-1906 klasse 4. • Het sluitplan, tijdens de ontwerpfase, in overleg met de opdrachtgever opstellen. • Alle deuren voorzien van gelijk sluitend elektronisch gecertificeerd sleutelsysteem in meerdere niveaus en generale hoofdsleutel. De bediening van het sleutelsysteem dient te kunnen geschieden met tags, pasjes en mobiele telefoons, allen gebaseerd op de, ten tijde van de bouwfase, actuele beveiligingsstandaard. Het toegepaste systeem dient eenvoudig digitaal te beheren zijn door het daartoe bevoegde personeel van de gemeente Rheden.

De mogelijkheden, keuzes en consequenties voor bouw en exploitatie van het complete sleutelsysteem uitwerken en voorzien van een onderbouwd advies ter besluitvorming voorleggen aan Opdrachtgever. • Hang- en sluitwerk moet passen bij de zwaarte van de deur (deuren afhangen met minimaal drie scharnieren of paumelles) en berekend op zwaar en intensief gebruik. • Buitendeuren voorzien van windvanger en deurstopper (+vastzethaak / kikker).

Pagina 30 van 54

•

Specifieke deuren voorzien van deugdelijke deurdranger met sluitvertraging.

6.5. Binnenwanden Voor binnenwanden gelden de volgende eisen: • Dragende wanden zoveel mogelijk situeren ter plaatse van schachten, trappen en sanitaire groepen, waarvan verwacht wordt dat de functie vrijwel niet zal wijzigen. • de binnenwanden moeten bij indelingswijzigingen eenvoudig kunnen worden verwijderd, dus binnenwanden met een dragende functie zoveel mogelijk vermijden. • Voor niet-dragende wanden gebruik maken van wanden met optimale flexibiliteit ten aanzien van verplaatsbaarheid en herbruikbaarheid, voor zover mogelijk en wenselijk ten aanzien van functionaliteit. • de binnenwanden dienen in combinatie met de aansluitende constructie te voldoen aan de gestelde geluidsisolatie-eisen in dit PvE • Doorvoeringen door binnenwanden moeten geluidsisolerend worden afgedicht. • Voor de keuze van bijvoorbeeld steenachtige en lichte systeemwanden is de functie van de ruimte maatgevend. Zo zal een archiefruimte of goederenontvangstruimte bijvoorbeeld in een stevige (steenachtige) wand uitgevoerd moeten worden. • In de kantoren is flexibiliteit maatgevend en dient eerder gedacht te worden aan lichte (geluidsisolerende) systeemwanden met glas om een hoge mate van transparantie te bereiken. • Grote glasvlakken voorzien van een print of iets dergelijks zodat de wand voldoende zichtbaar is voor de gebruikers.

• Flexibele, verplaatsbare wanden zoals panelenwanden in de aansluiting tussen de vergaderruimten. • Niet-dragende wanden moeten boven het plafond worden doorgezet tot aan de bouwkundige vloer ter voorkoming van omloop- en overspraakgeluid. Ter plaatse van systeemwanden betekent dit dat deze boven het bandraster in het plafond d.m.v. drukschotten of metal-stud wand met de constructieve vloer worden verbonden. Alle hier in gemaakte sparingen ten behoeve van de installaties geluiddicht afwerken. • Waar nodig worden de wanden van achterhout voorzien, dit nader uitwerken in de ontwerpfase

Referentie: 1670702-0034.1.0.

•

De wanden dienen makkelijk reinigbaar en (indien van toepassing) overschilderbaar of te voorzien van een andere afwerking • Zoveel mogelijk rekening houden met WiFi-doorlatendheid. De nieuw te plaatsen binnenwanden bestaan uit een combinatie van metal-stud wanden en systeemwanden. De systeemwanden worden toegepast in een combinatie van transparante en niet-transparante wanden. De verhouding tussen de transparante en dichte systeemwanden nader uitwerken in de VO en DO-fase De binnenwandopeningen ter plaatse van de ontmoetingszone en de open werkgebieden dienen zoveel mogelijk transparant te worden uitgevoerd. Deuren bij een aantal nader te bepalen ruimten dienen te worden voorzien van toegangscontrole. De toegepaste deuren dienen opgenomen te worden in een deurenstaat. In deze deurenstaat dienen minimaal de volgende eigenschappen opgenomen te worden: • Deurbreedte. • Deurhoogte. • Hang- en sluitwerk. • Merk. • Model. • Kleur. • Specifieke eisen zoals brandwerendheid, inbraakwerendheid en akoestiek. • Waar deuren tegen wanden, kolommen etc. kunnen slaan, vloerstoppen of stootrubbers aanbrengen. • Stompe massieve deuren toepassen, afgestemd op de specifieke eisen van de wand en/of ruimten waarin deze toegepast worden. • Deuren moeten stootvast zijn en afgewerkt met onderhoudsvrij materiaal. • De afwerking van een binnendeur moet glad en goed afwasbaar zijn.

• Deuren en kozijnen in brandscheidingen uitvoeren met gecertificeerde systeem (deur, kozijn en glas) de binnendeuren dienen een minimale breedte te hebben van 900 mm (behalve mindervalidentoiletten). • De deuren van het mindervalidentoilet dienen uitgevoerd te worden als draaideur en dienen te voldoen aan het Handboek voor Toegankelijkheid; • wanneer deuren in een transportroute liggen waar veelvuldig met karren/palletwagen wordt gereden, dienen de deuren te worden voorzien van stootplaten of gelijkwaardige bescherming.

Pagina 31 van 54

•

Aan de uitvoering van de deuren, wanden, vloeren en daken en van de computerruimte en archieven kunnen afwijkende eisen worden gesteld in verband met gebruik, brandwerendheid en veiligheid.

Hang & sluitwerk: • Te openen delen bij binnenwand- en buitenwandopeningen van hoogwaardig RVS hang en sluitwerk voorzien. • Het sluitplan, tijdens de ontwerpfase, in overleg met de opdrachtgever opstellen. • Alle deuren voorzien van een elektronisch gecertificeerd sleutelsysteem in meerdere niveaus en generale hoofdsleutel, aansluitend op het systeem voor de buitenwandopeningen. • Elektronische sleutels hebben de voorkeur, in ieder geval voor buitendeuren en binnendeuren van specifieke ruimten (SER-ruimte et cetera). • Hang- en sluitwerk moet passen bij de zwaarte van de deur (deuren afhangen met minimaal drie scharnieren of paumelles) en berekend op zwaar en intensief gebruik. • Sluitplaten type langschild, door en door bevestigen in verband met zwaar en intensief gebruik. • Bij alle deuren voorzien in deurstoppers op wand en/of vloer. • Specifieke deuren voorzien van deugdelijke deurdranger met sluitvertraging. • Automatische deuropeners toepassen mindervalide gebruikers

6.5.1 Binnenwandafwerking Voor de binnenwandafwerking van de wanden dienen een aantal richtlijnen in acht genomen te worden: • Bij de keuze van de wandafwerking dient het onderhoudsaspect (reinigbaarheid) te worden betrokken in relatie tot de functie van de ruimte. • De onderste laag (5 cm) moet zijn voorzien van een stootvaste laag zonder scherpe randen • In de ‘natte’ ruimten dient bijvoorbeeld wandtegelwerk of naadloze (bijvoorbeeld kunststof) wandafwerking te worden aangebracht tot bovenkant plafond.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

•

Bij de binnenwandafwerking dient aandacht te worden besteed aan de akoestische werking. • Pas onderhoudsarme plinten toe, overweeg in de wand verwerkte plinten (lambrisering als plint of dunnen aluminium plinten) • Hoekbeschermers aanbrengen bij binnenwanden waarlangs intensief verkeer te verwachten is bijvoorbeeld EHBO-ruimte, doucheruimten, keuken). De wanden van de volgende ruimten dienen afgewerkt te worden met wandtegels of een waterdichte coating: • Toiletten, doucheruimten en keukens. • In werkkasten en ruimten (circa 1 m²) ter plaatse van de uitstortgootsteen. • Pantry’s ter plaatse van het aanrecht (tot circa 60 cm) boven het aanrechtblad. In de keuken/uitgifte wordt op commerciële basisvoedsel (voor)bereid. Daarom zijn hier de HACCP-normen van toepassing. In ruimten waar deze HACCP-normen van kracht zijn, moeten alle betreffende wanden volgens voorschrift worden betegeld of worden voorzien van waterdichte coating. In de vergaderruimten dienen in overleg met de opdrachtgever beschrijfbare of magnetische wanden te worden gerealiseerd. Deze dienen voorzien te worden van een opvallende kleur in samenspraak met de opdrachtgever.

6.6. Vloeren In de voorontwerpfase dient de constructeur de vloerbelastingen voor alle ruimten en gebouwfuncties uit te werken en te verifiëren met Opdrachtgever. In basis moet voor de aan te houden vloerbelasting worden uitgegaan van het Bouwbesluit, echter met inachtneming van de flexibiliteiteisen. Voor kantoorachtige ruimten in basis uitgaan van een nuttige vloerbelasting van 4 kN/m² Voor onder andere computerruimten, technische ruimten, archiefruimten en ruimten waar bijvoorbeeld de UPS, paternosterkasten, dossierkasten en archiefstellingen worden geplaatst, gelden nader te bepalen zwaardere eisen ten aanzien van de vloerbelasting (voorlopig aan te houden 10 kN/m2). Dit geldt ook voor de kluisruimte(n) waar moet worden gerekend op een hogere belasting in verband met de zwaarder uitgevoerde wanden en de kluiskasten.

Pagina 32 van 54

Bij latere aanpassingen/herindelingen/herbestemming van het gebouw moet het mogelijk zijn nieuwe sparingen (maximaal 200 x 200 mm) in de vloer aan te brengen zonder dat deze het draagvermogen van de vloer aantasten. Eisen voor de vloeren: • Het draagvermogen afstemmen om het gebouw en de inhoud te kunnen dragen.

6.6.1 Vloerafwerking Voor de vloerafwerking gelden de volgende eisen: • De keuze voor de vloerafwerking dient aan te sluiten bij de functie, het ruimtegebruik, de gewenste uitstraling passend bij de functie en de intensiviteit van schoonmaak / onderhoud van de betreffende ruimte; • Bij de keuze van de vloerafwerking dienen reinigbaarheid, krasvastheid, afstoten van vlekken, akoestische effecten, gezondheidsaspecten (allergieën) en duurzaamheid in relatie tot de functie van de ruimte als uitgangspunten te worden gehanteerd. • De vloerafwerking in de vergaderruimten en werkgebieden dient een hoge slijtvastheid en een goede stroefheid te hebben. Tevens dient deze bij te dragen aan de gevraagde akoestische eisen en antistatisch en geschikt te zijn voor het berijden met rolstoelen en kleine wagentjes (koffie, magazijngoederen, schoonmaak); • De vloerafwerking dient overal eenvoudig reinigbaar te zijn en bij voorkeur lokaal te vervangen, zoals bij toepassing van tapijttegels. • Representatieve vloerafwerkingen toepassen in de entreezone. • Schoonloopmatten met schraaproosters e.d. toepassen ter plaatse van de ingangen. • In het gebouw géén stofdorpels toepassen. De overgang tussen de verschillende vloerafwerkingen voorzien van overgangsprofielen of hardstenen rolstoel dorpels.

• Representatieve vloerafwerkingen toepassen in de entreezone inclusief receptie en spreekkamers, de raadzaal en de trouwzaal. Te denken valt aan bijvoorbeeld de toepassing van natuursteen. • Schoonloopmatten toepassen ter plaatse van de ingangen. • Verhoogde antistatische vloer in de serverruimte, voorzien van 220V contacten onder de vloer om de racks van stroom te voorzien. • Makkelijk vervangbaar/repareerbaar en verhullen van vuilvorming

Referentie: 1670702-0034.1.0.

•

Drempelloos gebouw i.v.m. toegankelijkheid voor mindervaliden.

6.7. Trap- en hellingbaanafwerkingen Voor de trap- en hellingbaanafwerkingen gelden de volgende eisen: • De afwerking dient een hoge slijtvastheid en een goede stroefheid te hebben; • Bij de keuze van de afwerking dienen onderhoudsvriendelijkheid, reinigbaarheid, krasvastheid en duurzaamheid als uitgangspunten te worden gehanteerd; • Bij de afwerking dient de akoestische werking te worden overwogen; • De hellingbaan van de kelder voldoet niet aan de eisen en zal aangepast moeten worden. • Trappen in de open ruimten dienen voldoende geluidsarm te worden uitgevoerd.

6.8. Dak De keuze van de dakvloer dient integraal beoordeeld en afgewogen te worden op basis van o.a. de bouwfysische aspecten, constructieve aspecten, duurzaamheid en de bouwkosten. De studie en het advies ter besluitvorming voorleggen aan de opdrachtgever. De daken dienen gedimensioneerd te worden op belasting voor wind, sneeuw, waterbelasting, een groendak, door verlaagde plafonds (indien van toepassing), eisen aan beloopbaarheid en belasting door montage van installatievoorzieningen zoals zonnepanelen en/of gebruikersvoorzieningen zoals zitbanken, reclames, e.d. In de voorontwerpfase dient de constructeur de belastingen hiervoor uit te werken en te verifiëren met Opdrachtgever. De locatie en belasting van specifieke installatievoorzieningen bepalen tijdens het ontwerpproces. In het algemeen geldt voor het dak het volgende: • Zwaardere daken hebben een hogere milieubelasting, maar ook een beter warmte-accumulerend vermogen. Daarom hebben daken van steenachtige materialen normaliter de voorkeur (en systeemvloeren boven ter plaatse gestort beton). Het toepassen van stalen daken ter plaatse van de kantoren en dergelijke dient om reden van warmteaccumulatie voorkomen te worden. Onderzocht moet worden of een biobased/ houten constructie inclusief dakvloer haalbaar is. • Als er op het dak installaties komen, moeten deze met tegelpaden (breed minimaal 0,6 m) bereikbaar zijn.

Het dak moet van binnenuit bereikbaar zijn. • Blijvend afschot van ten minste 15 mm per strekkende meter.

Pagina 33 van 54

• • •

Dakopstanden voldoende hoog, ten minste 120 mm. De daken constructief geschikt maken voor de plaatsing en het beheer van zonnepanelen. De dakranden moeten zijn voorzien van valbeveiligingen volgens de checklist ‘Veilig onderhoud op of aan gebouwen 2012’.

Voor de dakafwerking zijn de isolatie en de waterdichte afdichting van belang tevens is van belang een niet-brandbare dakisolatie toe te passen en rekening te houden met veiligheidsaspecten voor het werken of het dak en de daarop aangebrachte voorzieningen. Het soort dakbedekking is afhankelijk van de ondergrond en de functie, maar zal mede in het kader van de duurzaamheidsdoelstellingen integraal afgewogen moeten worden op aspecten als de levensduur, kosten, garanties, deugdelijkheid, onderhoud, etc. Qua milieubelasting is het meest interessant om een losliggende dakafwerking te nemen met ballast. Als ballast kan gekozen worden voor grind. Op het gehele systeem van dakbedekking dient ten minste een verzekerde dakgarantie van 25 jaar gegeven te worden. Voor het hele systeem van dakbedekking dient een dakadvies opgesteld te worden door een erkend en onafhankelijk dakspecialist, inclusief keuringen tijdens de bouwfase. Algemene eisen daklichten: • Eventueel aan te brengen lichtkoepels en lichtstraten dienen minimaal dubbelwandig en in slagvast materiaal uitgevoerd te worden. Koepels dienen inbraakwerend gemonteerd te worden. Algemene eisen groendak • Groendaken komen op de dakdelen van het gemeentehuis waar ze een bijdrage leveren aan klimaatadaptatie (tegengaan wateroverlast), bij voorkeur ook in het zicht van de gebruikers.

• Bij de uitvoering van een groen dak een uitwerking realiseren die positief bijdraagt aan de wateraccumulatie en de biodiversiteit. • Besluit in keuze beplanting dient afgestemd te worden met de opdrachtgever en het ontwerpteam voor het bepalen van de constructieve consequenties.

•

•

•

Uitgangspunt is dat het hoogstgelegen dak alleen toegankelijk is voor het uitvoeren van onderhoud. Het betreden van dit dak vindt alleen plaats na toestemming van de gebouwbeheerder en met een specifieke zone-toestemming Indien er in het ontwerp een dakterras en of balkon wordt toegepast wat toegankelijk is voor het personeel en/of bezoekers van het gemeentehuis, dan dient de afwerking en beveiliging van die locatie te voldoen aan de bouwbesluit eisen en eisen omtrent toegankelijkheid. De vloerafwerking uitwerken voor permanente beloop door mensen en mindervaliden inclusief het plaatsen van los meubilair en plantenbakken. Indien er in het ontwerp een openbaar toegankelijk dak, terras en/of balkon wordt toegepast, dan dient de afwerking en beveiliging van die locatie te voldoen aan de bouwbesluit eisen en eisen omtrent toegankelijkheid. De vloerafwerking uitwerken voor permanente beloop door mensen en mindervaliden inclusief het plaatsen van los meubilair en plantenbakken. Indien dit dak toegankelijk is voor auto’s/ vrachtwagens of andere vervoersmiddelen, dan dient de vloerafwerking en dakconstructie hierop afgestemd te worden.

6.9. Plafondafwerking Bij de keuze van de plafondafwerking dient een integrale afweging gemaakt te worden van onder andere de aspecten akoestische kwaliteit, esthetische kwaliteit, bereikbaarheid van installaties, flexibiliteit, kosten, reinigbaarheid, kwetsbaarheid en onderhoud. De studie en het voorstel voor de plafondafwerking ter besluitvorming voorleggen aan de Opdrachtgever. Voor het realiseren van een optimaal akoestisch werkklimaat is een akoestisch plafond essentieel. De bouwfysisch adviseur dient voor de diverse situaties te bepalen wat de optimale plafondplaat is om de gewenste absorptie, nagalmtijd en spraakverstaanbaarheid te realiseren. De plafonds dienen voldoende licht te reflecteren. Een plafondsysteem toepassen wat eenvoudig plaatselijk demonteerbaar is ten behoeve van bereikbaarheid van installaties boven het plafond en vervangingsonderhoud van plafonddelen.

Algemene eisen toegankelijkheid dak:

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 34 van 54

Hierbij dient rekening gehouden te worden met de indeelbaarheid van 1,8 m per ruimte. Het plafondsysteem voorzien van bandrasters met drukschotten boven het plafond die voldoen aan de gestelde (akoestische) eisen. In ‘natte’ ruimten dienen waterbestendige plafonds te worden toegepast. In de overige ruimten (gangen, kantoren, vergaderruimten, kantine etc.) worden systeemplafonds toegepast. Bij de toe te passen plafondafwerking dient aandacht te worden besteed aan de akoestische werking. Ter plaatse van de receptie/entreehal behoort een representatieve afwerking als een houten of stalen (geperforeerd in verband met akoestiek) plafond tot de mogelijkheden.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 35 van 54

7. Werktuigbouwkundige prestaties In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de werktuigbouwkundige elementen op elementniveau volgens de NL/SfB-codering, een classificatiemethode, bedoeld voor het gebruik tijdens het ontwerpen, realiseren en beheren van bouwprojecten.

7.1. Algemeen De meeste werktuigbouwkundige installaties zullen worden geleverd in het casco gebouw. In dit hoofdstuk is aangegeven welke prestatie eisen voor de opdrachtgever van toepassing zijn. De werktuigbouwkundige installaties dienen te voldoen aan de volgende criteria: • Een comfortabel werkklimaat. • Inregelbaarheid van temperatuur en lucht op ruimteniveau. • Aanpasbaar ten aanzien van het gebruik van het gebouw en de herindeelbaarheid. • Energiezuinige toepassingen met een laag onderhoudsbudget.

De installatie wordt in een beperkt aantal groepen verdeeld, rekening houdend met de gewenste bedrijfstijden (zodat gedeelten/functies van het gebouw of verdiepingen eventueel afgesloten kunnen worden indien deze niet gebruikt worden). Daarbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat vooral de crisiskamer in de semiopenbare zone buiten de reguliere bedrijfstijden in gebruik zal zijn. Voor alle installaties geldt de algemene eis dat ze apart regelbaar dienen te zijn. Indien leidingen worden aangebracht, dienen deze zodanig aan de constructies te worden bevestigd dat het rechtstreeks afgeven van trillingen aan de constructie wordt voorkomen. De installateur dient alle benodigde en gewenste berekeningen, uitgangspunten en werktekeningen ter controle bij de opdrachtgever aan te bieden voordat tot bestelling en montage wordt overgegaan. Alle leidingen, kanalen, componenten en onderdelen die in het zicht worden gemonteerd dienen uitgevoerd als zichtwerk en te worden uitgevoerd in een nader te bepalen kleur.

7.2. Afvoer De opstelling van de installaties moet zodanig zijn dat controle en onderhoud eenvoudig uitvoerbaar zijn en zodat niet de gehele installaties hoeven te worden afgesloten. Onderhoud moet dus ook mogelijk zijn voor delen van de installaties. De uitvoering dient conform de voorwaarden van nutsbedrijven, keuringsinstituten, overheid etc. te zijn. De installaties moeten worden afgestemd op de overige gebouwkenmerken zoals verlichting, eventueel te openen ramen, goede afzuiging ter voorkoming van geurverspreiding, goed reinigbaar en dergelijke. Al deze invloeden moeten duidelijk worden omschreven door de installatie adviseur. Ten aanzien van de werktuigbouwkundige installaties wordt er een onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en procesgebonden installaties. Gebouwgebonden installaties zijn die installaties die een normaal gebruik van het gebouw mogelijk maken en maken onderdeel uit van het casco gebouw. Procesgebonden installaties zijn installaties die niet primair het algemeen functioneren van het gebouw betreffen, maar die specifiek gebruik binnen een gegeven ruimte mogelijk maken. Beide soorten installaties zijn opgenomen in dit TPvE.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

7.2.1 Binnenriolering Ontwerpuitgangspunten Alle sanitaire toestellen dienen water-, lucht- en stankdicht aangesloten te zijn op een afvoerleidingsysteem dat aangesloten wordt op het gemeentelijk rioleringssysteem. De sanitaire ruimten worden per verdieping voorzien van een uitstortgootsteen. Voor het werk-/lunchcafé zal in ieder geval één vetvangput opgenomen moeten worden. Tevens dienen op nader te bepalen plaatsen voor de keukendiverse afvoerputten te worden voorzien. Het plaatsen van de putten dient in overeenstemming te zijn met de milieuvergunning. Indien vanuit milieuoogpunt blijkt dat het plaatsen van putten niet mogelijk is, dienen alternatieven te worden bedacht door het ontwerpteam. Technische uitgangspunten • Gelijktijdigheidfactor 0,7 of 1,0 conform tabel 7 uit NEN 3215. • Minimale ontwerpmiddellijn van de aansluitleidingen: 50 mm. • Materiaal afvoerleidingen van recyclebaar PVC of PE • Goed bereikbare ontstoppingspunten

Pagina 36 van 54

7.2.2 Hemelwaterafvoer Het hemelwaterafvoersysteem dient uitgevoerd te worden volgens de NTR 3216. Het hemelwater mag niet rechtstreeks afgevoerd worden via het (gemeentelijke) vuilwaterriolering. Overtollig hemelwater dient te worden verwerkt op eigen terrein (‘vasthouden’ en infiltreren in de bodem). Als dit niet mogelijk is dan mag worden geloosd op het bestaande hemelwaterriool, dat loost op oppervlaktewater (de dode arm van de IJssel). Een nader te bepalen hoeveelheid hemelwater dient uit te monden in een reservoir voor opvang voor hergebruik d.m.v. spoelen van de toiletten. Als binnen het gebouw hemelwaterafvoeren worden opgenomen, dienen deze plaatselijk dampdicht en akoestisch te worden geïsoleerd om te voldoen aan de akoestische eisen. Hergebruik van regenwater in het gebouw onderzoeken in het licht van de duurzaamheidsambitie. Tevens dient conform de regelgeving te worden voorzien in voldoende noodoverloopvoorzieningen op maaiveldniveau en op dak niveau waarbij het van belang is dat posities van voorzieningen strategisch worden gekozen. Technische uitgangspunten • Materiaal afvoerleidingen van recyclebaar PVC of PE • Noodoverlaatvoorzieningen

7.3. Waterinstallatie De tapwaterinstallaties moeten worden aangebracht conform de voorschriften in NEN 1006, waterwerkbladen, en rekening houdend met de aanvullende eisen van het waterleidingbedrijf. Algemene uitgangspunten: • Koperen transportleidingen conform NEN 2200 verbindingen middels hardsoldeer of persverbindingen. • Dampdichte isolatie voor koudwaterleidingen, met uitzondering van de leidingen in de steenachtige wanden/vloeren. • Thermische PIR-isolatie voor warmwaterleidingen.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

• •

Leidingen opgenomen in de bouwkundige constructie voorzien van kunststof beschermingsmantel. Voorzien van de benodigde beveiligingen tegen terugstroming en hevelwerking.

Daar waar nodig dienen de diverse afnamepunten te worden voorzien van beveiligingstoestellen onder andere nabij de keukenpunten en brandslanghaspels • Koud- en warmwaterleidingen inclusief hulpstukken dienen te zijn voorzien van een KIWA-keurmerk. • Alle leidingen dienen weggewerkt te worden in het verlaagde plafond of bouwkundige wanden/vloeren, met uitzondering van de techniekruimte daar de leidingen als opbouw uitvoeren. Alle warmwaterleidingen in verlaagde plafonds, in lichte scheidingswanden en vloeren dienen te worden voorzien van thermische isolatie. Warmtapwaterleidingen in metselwerkwanden dienen voorzien te worden van een mantelbuis • De maximumsnelheid in de leidingen 1,5 m/s en voor circulatieleidingen max. 0,7 m/s. • Minimale voordruk brandslanghaspel 150 kPa. • Minimale voordruk tappunt 100 kPa. • Afhankelijk van de leveringsdruk van het waterleidingbedrijf zal een drukverhoging opgenomen moeten worden, dit wordt tijdens de ontwerpfase verder onderzocht. Voor de waterinstallatie moet er een waterleidingnet worden aangelegd vanaf de watermeter tot aan de diverse sanitaire aansluitpunten. De sanitaire toestellen, inclusief de wastafels en de uitstortgootstenen, behoren tot de gebouwgebonden installaties. De koudwaterleidingen boven de verlaagde plafonds (indien aanwezig) en in tussenruimten, schachten en technische ruimten moeten dampdicht geïsoleerd zijn.

De leidingen moeten zoveel mogelijk uit het zicht, maar wel goed bereikbaar zijn aangebracht. De waterleidingen waaraan vorstschade kan ontstaan, dienen voorzien te zijn van isolatie en van een zelfregelende elektrische leidingverwarming. Deze leidingen dienen tot een minimum te zijn beperkt. De warmwaterleidingen dienen thermisch geïsoleerd te zijn, met uitzondering van de in het zicht gemonteerde leidingen.

Pagina 37 van 54

In de volgende ruimten dienen koud- en warmwatertappunten aangebracht te zijn: • Werkkasten • Pantry’s • Keuken • Mindervalidentoiletten • Douches, wastafels en uitstortgootstenen • EHBO- en kolfruimte In de ontwerpfase wordt bepaald welke warmwaterbereiding het beste past bij de opzet en indeling van het gebouw en de posities van de diverse functies. In principe zal warmwaterbereiding plaatsvinden door decentrale elektrische boilers. Vanuit energetisch oogpunt zal zoveel mogelijk worden voorkomen dat transport van warmwater door circulatieleidingen wordt voorkomen. Indien centrale warmwaterbereiding met circulatie noodzakelijk is dan is het belangrijk rekening te houden met automatische thermische spoeling (douches). In/nabij de volgende posities dienen koudwatertappunten aangebracht te zijn: • Wastafels en fonteinen in toiletruimten en voorruimten • In de klimaatinstallatieruimte. • Ten behoeve van mogelijke drankautomaten. • Ten behoeve van brandslanghaspels. • Ten behoeve van de spoelinstallatie (vuile vaat). • Ten behoeve van groen in, aan en op het gebouw. • Diverse buitenaansluitingen. De waterinstallatie dient verder aan de volgende eisen te voldoen: • Het warmwaterleidingnet dient te zijn voorzien van maatregelen ter voorkoming van legionellabesmetting. • Er dient gestreefd te worden naar een waterinstallatie waarvoor geen beheersmaatregelen noodzakelijk zijn.

• Er dienen in ieder geval aparte watermeters voor de [benoem specifieke ruimten] te worden voorzien. Dit om het huishoudelijk gebruik en procesgebruik goed te kunnen monitoren.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Grijswatersysteem Ten behoeve van het spoelen van toiletten en het voeden van de gevelkommen dient voorzien te worden in een grijswatersysteem. Op een geschikte plaats in het terrein nabij het gebouw zal voorzien worden in een betonnen opvangreservoir voor regenwater. Op dit reservoir wordt een nader te bepalen dakvlak aangesloten zodat het verzamelde regenwater opgevangen kan worden. Het verzamelde regenwater wordt vanuit het opvangreservoir naar een watervat in het gebouw gepompt. Het watervat dient middels een beveiliging tegen hevelwerking en een terugloopbeveiliging aangesloten te worden op het tapwaterleidingnet om zodanig bij lange droogte het watervat op niveau te houden. Vanuit dit watervat wordt een grijswaterleidingsysteem aangesloten op de diverse toiletten en gevelkommen in het gebouw. Technische uitgangspunten • Materiaal leidingen van PE • Filtervoorzieningen • Eventueel desinfectie tegen bacterievorming, afhankelijk waterkwaliteit. • Grijswatersysteem in het gebouw voorzien van een hydrofoor opgebouwd uit regenwaterbestendige materialen. Legionellapreventie Ten behoeve van preventie tegen besmetting van het drinkwater met de legionellabacterie dienen koudwaterleidingen zo ver mogelijk verwijderd gemonteerd te worden van verwarmingsleidingen.

Koudwaterleidingen en verwarmingsleidingen mogen niet in dezelfde schacht ondergebracht worden zonder geïsoleerde scheiding. Om een dagelijkse doorspoeling van het systeem te kunnen garanderen, dienen de leidingen zodanig te worden aangelegd dat op het einde van een leidingsectie toestellen zijn aangesloten die dagelijks voldoende zullen worden gebruikt. Door een BRL6010 gecertificeerde organisatie dient een risico-inventarisatie te worden opgesteld waarin verwerkt: • Preventieve maatregelen. • Isometrische schema's met bemating. • Plattegronden met bemating.

Pagina 38 van 54

Daarnaast dient de aannemer in overleg met de gebruiker en eigenaar een legionellabeheersplan op te stellen.

De doucheruimten worden voorzien van de volgende toestellen: • Douchecombinaties • Wastafelcombinaties

7.3.1 Brandbestrijding De brandbeveiligings- en brandbestrijdingsinstallatie moet voldoen aan de eisen en voorschriften die door het Bouwbesluit en de brandweer worden gesteld. De brandbestrijdingsinstallatie bestaat mogelijk uit: • Droge blusleidingen (bepalingen conform bouwbesluit) • Brandslanghaspel inbouwkast compleet met daglijst. Indien een vrijstaande BSH wordt toegepast dan deze te voorzien van een enkele poot. Kasten te voorzien van een geïntegreerde handbrandmelder en een ruimte voor het opbergen van losse blusmiddelen. • Pictogram. Draagbare blustoestellen afhankelijk van toepassingsgebied: • Schuimblusser (technische ruimtes, horeca, keukens). • CO2-blusser. • Blusdeken (keukens, horeca). • Niet in archiefruimten. Alle technische ruimten en keuken moet worden voorzien van draagbare schuimblussers. Het gebouw moet in delen kunnen worden ontruimd. Onderzoek met integrale afweging (gebruik, omvang compartimenteringen, investeringskosten, exploitatiekosten, etc.) voor toepassing sprinklerinstallatie omschrijven. Onderzoek en advies uitwerken en ter besluitvorming voorleggen aan de opdrachtgever.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=b12e8122-e6b6-4e56-9c3d-d4f8e1abbd65