CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

TPvE.pdf

Raadsvergadering 30 maart 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Instemmen PvE's Project Gemeentehuis23.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Technisch Programma van Eisen (TPvE) Nieuwbouw gemeentehuis - Rheden

Opdrachtgever Gemeente Rheden, De Steeg Datum 25 maart 2021 Project Programma van Eisen traject gemeente Rheden Referentie 1670702-0034.1.0 Auteur(s) de heer ing. J.M.F.C. Vloemans

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Statenlaan 8

Postbus 70501

T +31 (0)73 6 409 409

www.hevo.nl

ISO 9001-gecertificeerd

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

5223 LA 's-Hertogenbosch

5201 CB 's-Hertogenbosch

info@hevo.nl

www.rpmbyhevo.nl

Inhoudsopgave 1. 1.1. 1.2. 1.3.

Inleiding Algemeen Wet- en regelgeving Doel en gebruik technisch Programma van Eisen

4 4 4 4

2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.4.1

Duurzaamheid Visie op duurzaamheid Uitgangspunten Duurzaamheid GPR-gebouw Energie Energieprestatie

6 6 7 9 9 9

3. 3.1. 3.2.

Exploitatie Total Cost of Ownership Onderhoud en Beheer

10 10 10

4. 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2. 4.2.1 4.3. 4.3.1 4.3.2

Veiligheid Brandveiligheidseisen Beveiligingszonering Sociale veiligheid Toegankelijkheid Bewegwijzering Aanpasbaarheid en flexibiliteit Gebouwflexibiliteit Indelingsflexibiliteit

12 12 12 13 13 14 14 14 14

5. 5.1. 5.1.1 5.1.2 5.2. 5.2.1 5.2.2

Bouwfysische prestaties Binnenluchtklimaat Gebruikerseisen Luchttechnische eisen Thermisch binnenklimaat Gebruikerseisen Klimaattechnische eisen

16 16 16 16 21 21 21

Referentie: 1670702-0034.1.0.

5.3. 5.3.1 5.3.2 5.4. 5.4.1 5.4.2

Geluidstechnische gebouweigenschappen Gebruikerseisen Geluidstechnische eisen Visueel comfort Gebruikerseisen Lichttechnische eisen

23 23 23 25 25 25

6. 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.5.1 6.6. 6.6.1 6.7. 6.8. 6.9.

Bouwkundige prestaties Algemeen Fundering en bestaande kelder Constructie Buitenwanden Binnenwanden Binnenwandafwerking Vloeren Vloerafwerking Trap- en hellingbaanafwerkingen Dak Plafondafwerking

28 28 28 29 29 31 32 32 33 33 33 34

7. 7.1. 7.2. 7.2.1 7.2.2 7.3. 7.3.1 7.4. 7.5. 7.6. 7.7. 7.8. 7.9.

Werktuigbouwkundige prestaties Algemeen Afvoer Binnenriolering Hemelwaterafvoer Waterinstallatie Brandbestrijding Sanitair Gasinstallatie Koudeopwekking en -distributie Warmteopwekking en -distributie Luchtbehandelingsinstallatie Regeltechniek

36 36 36 36 37 37 39 39 40 40 40 41 41

8.

Elektrotechnische prestaties

43

Pagina 2 van 54

8.1. 8.2. 8.3. 8.4. 8.5. 8.6. 8.7. 8.8. 8.9. 8.10. 8.11. 8.12. 8.13. 8.14. 8.15. 8.16. 8.17. 8.18.

Algemeen Centrale elektrotechnische voorzieningen Krachtstroom Bliksembeveiliging Zendmasten Verlichtingsinstallatie Communicatie-installatie Data-installatie AV-voorzieningen Mogelijkheid integraal beveiligingssysteem Inbraakinstallatie Toegangscontrole Brandmeldinstallatie Ontruimingsinstallatie Camerabewakingsinstallatie Transportinstallatie Gebouwbeheervoorziening Smart workplace

43 43 44 44 44 44 45 45 46 46 46 46 46 46 47 47 47 47

9. 9.1.

Vaste inrichting Algemeen

48 48

10.

Losse inrichting

48

11. 11.1. 11.2. 11.2.1 11.2.2 11.2.3 11.2.4 11.2.5 11.2.6 11.2.7 11.2.8

Terrein Algemeen Ontwerpuitgangspunten terrein Terrein; grondvoorzieningen Opstallen Omheiningen Terreinafwerkingen Terreinvoorzieningen werktuigkundig Terreinvoorzieningen elektrotechnisch Terreinvoorzieningen standaard Terreinvoorzieningen bijzonder

49 49 49 49 49 49 49 49 49 50 50

Referentie: 1670702-0034.1.0.

11.3. 11.4.

Parkeren Groenvoorzieningen

50 50

12.

ICT-uitgangspunten

51

Bijlage 1: Tabellen duurzaamheid

52

Pagina 3 van 54

1. Inleiding 1.1. Algemeen Dit Technisch Programma van Eisen (TPvE) is een aanvulling op RuimtelijkFunctioneel Programma van Eisen d.d. 17 november 2020. In dit TPvE worden ontwerpkaders gegeven voor de ontwerpfase voor nieuwbouw van het gemeentehuis Rheden in opdracht van de gemeente Rheden, hierna te noemen ‘opdrachtgever’. Het huidige gebouw dient gesloopt te worden en in beginsel dient de bestaande kelder en begane grond vloer hergebruikt te worden en ingepast te worden in het nieuwe ontwerp. Ingegeven door het bestemmingsplan en de beschikbare doorlooptijd van het project is de ‘bouwplot’ ingekaderd. Het is aan het ontwerpteam om met inachtname van deze kaders en met inachtname van hetgeen in dit technisch programma van eisen staat te komen tot een optimale invulling van de vraagstelling.

1.2. Wet- en regelgeving Het (technisch) ontwerp zal aan alle relevante wet- en regelgeving en overige overheidsvoorschriften moeten voldoen. Binnen dit kader vallen: • Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). • Wet Milieubeheer (Wm). • Waterwet. • Woningwet. • Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). • Wet Geluidshinder (Wgh) • Gemeentelijke bouwverordening. • Bestemmingsplan c.q. Wet op de Ruimtelijke Ordening. • Voorwaarden Openbaar Beheer en Verkeer gemeente Rheden. • Eisen plaatselijke brandweer • Redelijke eisen van welstand • Bouwbesluit (www.Bouwbesluitonline.nl). • Alle geldende NEN-normen • Ministeriële richtlijnen. • Drank- en Horecawet (artikel 2.34b van de APV). • Het gebruiksbesluit. • De eisen van de plaatselijke nutsbedrijven.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

• • •

EG-wetgeving en –regelgeving. HACCP voor de keuken.

Eisen archiefruimten archiefregeling

Enkele specifieke normen en richtlijnen die deel uitmaken van bovengenoemde lijst zijn: • Arbo Informatieblad nummer 7, ofwel AI-7 kantoren. • NEN-EN-ISO 7730:2005, klimaatomstandigheden. • NEN-EN 12464, werkplekverlichting. • NPR 3438, geluidshinder op de arbeidsplaats. • NEN 3569, veiligheidsbeglazing in gebouwen. • Toegankelijkheid van het gebouw overeenkomstig het Handboek voor Toegankelijkheid; Internationaal Toegankelijkheidssymbool (ITS) • Hand-out SVO (van Agressieprevent) gemeentehuis als richting voor het ontwerp en borging van sociale veiligheid in en om het gemeentehuis. Deze lijsten zijn niet limitatief, de Nederlandse wetgeving en de daarbij behorende normen en eisen blijven onverminderd van kracht.

1.3. Doel en gebruik technisch Programma van Eisen Het TPvE omschrijft de technische eisen waaraan het gebouw, het terrein en het uitrustingsniveau van het gebouw dienen te voldoen. Naast de hierboven genoemde wettelijke eisen en randvoorwaarden, zoals het Bouwbesluit, die voor het ontwerp van toepassing zijn, wenst de opdrachtgever zijn eisen ten aanzien van de technische prestaties op een aantal gebieden nader te specificeren. Dit met als doel een document te presenteren dat voor de ontwerpende partijen voldoende houvast, maar ook vrijheid, biedt voor goede oplossingen binnen deze gevraagde prestaties, die in het bijzonder van belang zijn voor de opdrachtgever. Het TPvE behandelt de volgende onderdelen: • Bouwfysische prestaties. • Bouwkundige prestaties. • Werktuigbouwkundige prestaties. • Elektrotechnische prestaties. • Vaste inrichting.

Pagina 4 van 54

• • • •

Losse inrichting. Terrein. Onderhoud en beheer. ICT.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 5 van 54

2. Duurzaamheid Een gebouw is onderdeel van zijn omgeving en dient dus ook in zijn relatie met de omgeving bekeken te worden. Voor het aspect energie dient bijvoorbeeld niet alleen rekening gehouden te worden met bijdragen van de locatie zelf, maar ook met de directe omgeving. Zo is de toepassing van duurzame energietechnieken vaak efficiënter op een grotere schaal en kan uitwisseling van energie tussen verschillende functies in een wijk een mogelijkheid zijn.

Het totale systeem bestaat uit een aantal bouwblokken die gerelateerd zijn aan elkaar waarbij deze een onderlinge afhankelijkheid hebben (zie afbeelding). Het element “Individueel geluk” staat op het hoogste niveau en is daarbij afhankelijk van alle onderliggende niveaus. Hieruit blijkt de verbintenis tussen alle thema’s die het begrip duurzaamheid in zich heeft.

2.1. Visie op duurzaamheid De gemeente Rheden is ervan overtuigd dat het noodzakelijk is om een duurzaam gemeentehuis te maken. Dit komt niet alleen voort uit de wet en regelgeving omtrent kantoren en de voorbeeldfunctie die de Rijksoverheid oplegt aan de Nederlandse overheidsinstanties. De gemeente Rheden is zich bewust van de ontwikkelingen in de wereld en de langdurige negatieve effecten van niet duurzame gebouwen en niet duurzaam handelen op de wereld en de maatschappij. Bijvoorbeeld omtrent het thema van klimaatverandering is de CO2 uitstoot van gebouwen zeer relevant en is het noodzakelijk dat er een transitie gemaakt wordt. Ook is een gebouw bepalend voor de manier waarop mensen zich voelen en waarop zij gefaciliteerd worden om productief te zijn en hun doelstellingen te bereiken. Het moment van het realiseren van een nieuw gebouw is daar het meest geschikte moment voor en dit moet dan ook aangegrepen worden om een maximaal positief resultaat te bereiken. De gemeente Rheden wil hier een voorbeeldrol in vervullen. Het thema duurzaamheid is echter veel breder dan alleen energie & klimaat. En om de discussie te kunnen voeren over de uitgangspunten, visie en ambities omtrent duurzaamheid is het noodzakelijk om een gezamenlijke definitie te hanteren. De gehanteerde definitie van duurzaamheid is:

“Duurzaamheid is de “staat” van een complex dynamisch systeem. In deze staat kan dit systeem blijven “bloeien” zonder dat het leidt tot instorting of uitputting, of dat het bronnen vereist van buiten zijn gedefinieerde systeemgrenzen. Toegepast op onze beschaving is deze vorm consistent met een gebalanceerde en gezonde samenleving, evenals bloeiende ecosystemen en een prachtige planeet.” Referentie: 1670702-0034.1.0.

Daarbinnen zijn er in dit project op het thema Duurzaamheid speerpunten gedefiniteerd op de volgende vier thema’s: • Energieneutraal bouwen (ENG) • Circulaire economie (Ecologisch bouwen) • Klimaatadaptatie en groen (operatie ‘Steenbreek’) • Biodiversiteit (natuur inclusief bouwen) Duurzaamheid is onderdeel van het projectkader voor de nieuwbouw van het gemeentehuis. Naast het projectkader zijn er ook diverse ambities geformuleerd waarbij voor duurzaamheid vooral de ambitie om als stad in 2040 CO2-neutraal te

Pagina 6 van 54

worden relevant is. Vertaald naar het niveau van het gebouw betekent dit een energieneutraal gebouw te realiseren. Vertaald naar de global goals betekent dit aandacht voor betaalbare en duurzame energie uit natuurlijke bronnen (nr. 7 betaalbare en duurzame energie), Er worden eisen gesteld aan het waterbeheer in het gebouw en de omgeving. Maar ook als het gaat om verbruik van energie in het gebouw en haar gebruikers(nr. 11, duurzame steden en nr. 12 verantwoorde consumptie en voorziening). Samen met partners wordt er gekeken naar de haalbaarheid van de doelen die geformuleerd zijn voor het gemeentehuis. De doelen moeten uiteindelijk leiden tot atie. (nr 13. klimaatactie en nr 17 partnerschap om doelen te bereiken)

Dit programma van eisen gaat uit van de wettelijke vereisten in combinatie met het projectkader. Waar mogelijk binnen de financiële kaders van het project is getracht zoveel mogelijk ambities te realiseren. Samengevat zijn de volgende uitgangspunten per thema in dit Technisch PvE opgenomen (zie de bijlage voor goed leesbaar formaat):

2.2. Uitgangspunten Duurzaamheid De uitgangspunten voor duurzaamheid voor de nieuwbouw van het gemeentehuis worden gevormd door vier niveaus: • De wettelijke verplichtingen • Het projectkader • Overige doelstelling vastgelegd in raadsbesluiten • Overige ambities. Onderstaande tabel geeft voor de nieuwbouw de samenhang weer tussen de vier duurzaamheidsthema’s en de vier niveaus (zie de bijlage voor goed leesbaar formaat):

Hierna volgt een nadere toelichting per thema. De bijbehorende technische eisen volgen in paragraaf 2.3. en verder. Algemeen Het gebouw heeft een sterke relatie met de omgeving, is uitnodigend en transparant en heeft de statuur van een gemeentehuis. Het gebouw moet gezond, voorzien van een luchtzuiverend binnenklimaat, klimaatbestendig en energie-neutraal (zie 3.3) worden. Meer concreet moet het gebouw comfortabel zijn, prettig opgezet en (multi)functioneel ingericht zijn en bijdragen aan een omgeving waar mensen plezierig (samen)werken, verblijven, bewegen en ontspannen. Het gebouw dient de optimale levenscycluskosten te krijgen gecombineerd met een aantoonbaar hoge gebouwwaarde in een financieel gezonde omgeving.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 7 van 54

Het gebouw moet flexibel zijn naar de toekomst (transitie naar andere functie of gedeeltelijk verhuurbaar), dan wel in beperkte mate uit te breiden of in te krimpen zijn bij groei of verminderen van de personele bezetting (aantal werkplekken). Energie Dit TPvE gaat uit van energie neutrale nieuwbouw (ENG). Aan de hand van het TRIAS-Energetica zal door het ontwerpteam de juiste afwegingen moeten worden gemaakt om aan deze ambitie te kunnen voldoen. Vanzelfsprekend zal de nieuwbouw ‘gasloos’ zijn.

Trias Energetica

Ecologisch bouwen (materiaalgebruik) In de gehele levenscyclus van het gebouw dient de materialenkringloop zoveel mogelijk gesloten te worden door de toepassing van natuurvriendelijke/ biobased, niet vervuilende en recyclebare of gerecyclede materialen die onderdeel zijn van circulaire ketens Om dit te bereiken moet er in het ontwerpproces, de bouwfase en de gebruikfase gestuurd worden op toepassing van circulaire principes. Tevens moet het materialenpaspoort opgesteld en bijgehouden worden. Nieuwe materialen en producten hebben bij voorkeur een duurzaamheidskeurmerk, wat garandeert dat er geen vergiften in aanwezig zijn, of gebruikt zijn voor de vervaardiging. Het nieuwe gebouw en het terrein bestaat uit een materialenbank als onderdeel van een circulair systeem en is een bron van onderdelen en materialen die te zijner tijd eenvoudig elders toegepast kunnen worden. Losmaakbaarheid is van belang voor hergebruik. Door Alba-concepts zijn hiervoor het document ‘handvatten voor het borgen van losmaakbaarheid’ opgesteld die mede richting geven aan de invulling van circulariteit.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

De uitwerking van de ambities worden ter hand genomen in het uitvoeringsprogramma circulaire economie. De resultaten hiervan worden in het voorjaar van 2021 verwacht. Zo mogelijk dient het ontwerpteam te zijner tijd rekening te houden met deze uitkomsten. Klimaatadaptatie en groen Het gebouw moet een positieve impact hebben op de aanwezige (lokale) ecosystemen, biodiversiteit en flora en fauna, natuur inclusief bouwen. De aanwezige kwaliteiten in de locatie en omgeving moeten behouden blijven en versterkt worden door de lokale (van regio tot landelijk) kennis en economie te benutten. De uitwerking van de ambities worden ter hand genomen in het uitvoeringsprogramma Deltaplan Ruimtelijke Klimaatadaptatie. De resultaten hiervan worden in het voorjaar van 2021 verwacht. Zo mogelijk dient het ontwerpteam te zijner tijd rekening te houden met deze uitkomsten. Op dit moment is de regelgeving rondom klimaat adaptatie in wording en is hier op dit moment nog onvoldoende over bekend om concreet op te nemen in dit TPvE. Voor dit moment geeft de ‘Handreiking decentrale regelgeving klimaat adaptief bouwen en inrichting’ van 20 april 2020 handvaten om invulling te geven aan dit thema.

Denk hierbij aan: • Effectieve schaduwwerking van het gebouw naar de omgeving; • Maximaal % weerkaatsing van zon via glas naar de omgeving; • Groen in de omgeving van het gebouw (bijvoorbeeld bomen); • Voorkomen van negatieve effecten voor dieren (bijvoorbeeld toepassen van nestkasten voor vogels en verblijfplaatsen voor vleermuizen); • Toepassing van waterberging op daken en toepassing van blauw-groene daken; • Omgeving van het gebouw warmtewerend en verkoelend inrichten.

Pagina 8 van 54

Voor dit TPvE is rekening gehouden met de inzichten die de kaarten voor hittestress en wateroverlast voor De Steeg volgens de klimaateffecten atlas aangeven. Bij aanvang van de ontwerpfase zal gekeken moeten worden wat op dat moment qua regelgeving actueel is en dat zal dan met betrekking tot dit thema door het ontwerpteam te zijner tijd meegenomen moeten worden in de verdere uitwerking. Mobiliteit Uitgaande van duurzame mobiliteit. Reizen per OV, deelvervoer, fiets en te voet wordt gestimuleerd. Voor de nieuwbouw van het gemeentehuis betekent dit: • Het terrein biedt parkeergelegenheid voor 200 auto’s waarvan 50 voor bezoekers en waarvan 10 plaatsen voor elektrisch oplaadbare auto’s; • Waaronder parkeerplaatsen voor het college • Waaronder beschermde parkeerplaats voor dienstauto’s(handhaving). • Er is een fietsenstalling voor 350 fietsen waarvan 35 voor bezoekers en 100 voorzien van oplaadpunten voor elektrische fietsen.

2.3. GPR-gebouw De gemeente Rheden wil een gemiddelde GPR score van minimaal 8,5 behalen. Het is van belang dat de GPR berekening door een GPR Gebouw Expert wordt gemaakt.

2.4. Energie Bij de energiezuinigheid van het gebouw dient rekening gehouden te worden met enerzijds het milieu en anderzijds de stichtings- en exploitatiekosten vanuit beheer en verbruik. Hierbij dient het ontwerpteam te onderzoeken welke mogelijkheden zijn voor het benutten en of delen van energie met de omgeving, zoals bijvoorbeeld de lucht, de bodem, (oppervlakte) water, de riolering, etc. Dit onderzoek moet voorgelegd worden aan de opdrachtgever ter besluitvorming.

2.4.1 Energieprestatie Vanaf 1 januari 2021 geldt dat alle utiliteitsgebouwen moeten voldoen aan de eisen voor een bijna energieneutraal gebouw (BENG). Vanaf dat moment is er nog maar één berekeningswijze, de NTA 8800, die geldt voor alle nieuwbouw. Gebruiksfunctie

Energiebehoefte (BENG 1) [kWh/m2.jr.]

Kantoorgebouw

Als/Agverhouding Als/Ag ≤ 1,8 Als/Ag > 1,8

Eis ≤ 90 ≤ 90 + 30 * Als/Ag 1,8

Primair fossiel energiegebruik (BENG 2) [kWh/m2.jr.] Eis

Aandeel hernieuwbare energie (BENG 3) [%] Eis

≤ 40

≥ 30%

Tabel 1: BENG-eisen voor een kantoorgebouw

De eventueel aanwezige nevenfuncties (niet zijnde de gebruiksfuncties kantoor, bijeenkomst of cel) worden toebedeeld aan de hoofdgebruiksfunctie van het gebouw. Voor de nieuwbouw gemeentehuis Rheden ligt de ambitie echter hoger dan de minimaal gestelde BENG-eisen zoals hierboven omschreven. De nieuwbouw dient namelijk energieneutraal (ENG) te zijn. Wat betekent dat het gebouw per saldo op jaarbasis een totaal energiegebruik van precies nul heeft, uitgaande van standaard klimaatcondities zoals die gelden in Nederland. Uitgaande van een nader te bepalen gemiddeld gebruikers gebonden energieverbruik. Het betreft alle energieverbruiken die op de energiemeter(s) zichtbaar worden. Het gaat dus om het totaal van het gebouw gebonden plus gebruikers gebonden energiegebruik minus de opbrengst van lokale duurzame bronnen.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 9 van 54

3. Exploitatie 3.1. Total Cost of Ownership De “Total Cost of Ownership” (TCO) is het totaalbedrag aan kosten voor het bezit van een product of het gebruik van een dienst gedurende de levenscyclus/gebruikscyclus. Behalve de prijs om het product aan te schaffen omvat het alle kosten van het moment van aankoop tot het moment dat er afstand van wordt gedaan. Het berekenen van de TCO, op basis van een cashflowschema met vergelijk op basis van de Netto contante waarde, is een manier om vooraf of achteraf de kosten van producten te bepalen en onderling te vergelijken. Daarom dienen, in de ontwerpfase, de effecten van het ontwerp op de technische onderhoudskosten, eventueel de schoonmaak kosten en de energiekosten beoordeeld te worden om te komen tot de meest optimale TCO voor het gebouw. In het cashflowschema dient onderbouwd per kostensoort de verwachte toekomstige indexatie opgenomen te worden, gerelateerd aan de gemiddelde indexatiekosten van minimaal de afgelopen 10 jaar. Van het ontwerpteam wordt verwacht dat ze van de diverse bouwkundige en installatietechnische thema’s onderzoekt wat de mogelijke oplossingen zijn en de voor- nadelen, en de financiële consequenties voor de investeringskosten en exploitatiekosten.

Opdrachtgever verwacht dat de resultaten en adviezen naar aanleiding van deze onderzoeken worden gepresenteerd aan Opdrachtgever, zodat Opdrachtgever daar over kan besluiten.

3.2. Onderhoud en Beheer Het installatie- en gebouwontwerp dient zodanig te zijn dat het gebouw in zijn geheel optimaal exploitabel is. Er moet gestreefd worden naar minimalisatie van de levensduurkosten (energie, schoonmaak, onderhoud, facilitair beheer). De gemeente wordt eigenaar van het gebouw en zal verantwoordelijk zijn voor het totale beheer en facility management van het pand (onderhoud, schoonmaak, beveiliging, catering, ICT). Het facility management is door de gemeente bij een externe partij belegd. De gemeente overweegt om het onderhoud voor de werktuigbouwkundige -en elektrotechnische installaties voor een periode van 20 jaar bij een marktpartij onder te brengen. De mogelijkheden zullen nog nader onderzocht moeten worden voor

Referentie: 1670702-0034.1.0.

aanvang van de aanbesteding van het gebouw en de installaties daar zal ook onderzocht moeten worden in hoeverre er mogelijkheden zijn om dit te combineren met energiemanagement. Gebouwbeheersysteem Om het gebouw goed te kunnen beheren moeten zoveel mogelijk stand-alone installaties geïntegreerd worden in één, op IP-gebaseerd, gebouwbeheersysteem (GBS). Waar mogelijk moeten stand-alone installaties worden geïntegreerd in het systeem. Vanaf één bedieningsstation moet het mogelijk zijn om met het GBS alle geïntegreerde systemen (klimaat, verlichting, branddetectie, toegangscontrole en andere installaties) te bedienen en te bewaken. Tevens moet het GBS een eigen inbelmogelijkheid hebben. Van de aanbieder worden concrete garanties geëist voor de connectiviteit en integratie met andere systemen, geleverd door derden. Logistiek De situering van de goedereningang en facilitaire ruimten moet zodanig zijn dat intern goederenverkeer (nieuwe apparatuur, afval, meubilair) goed mogelijk is. Dit stelt eisen aan: • • • • • • •

deurbreedtes (breed genoeg voor palletwagentjes, karren); gevelopeningen (bijv. voor binnenhalen installatiecomponenten); stootvastheid van afwerkingen; automatische deuren; afwezigheid van dorpels/drempels; ligging van facilitaire ruimten; afmetingen en ligging goederenlift inclusief bereikbaarheid van de kelder.

Onderhoud De ontwerpende partijen dienen een raming te (laten) maken van de te verwachten onderhouds- en exploitatiekosten van het gebouw. Op deze wijze zal de opdrachtgever voldoende inzicht hebben om uiteindelijk een keuze te maken tussen consequenties van ontwerpkeuzes. Bovendien kost onderhoud energie en grondstoffen en dient vanuit de duurzaamheidsgedachte zoveel mogelijk beperkt te worden.

Pagina 10 van 54

Om de geformuleerde duurzaamheideisen te behalen, zal het wellicht noodzakelijk zijn vernieuwende bouw- en installatietechnieken toe te passen. Als uitgangspunt geldt hierbij dat deze vernieuwende factoren niet tot onnodige onderhoudskosten of risico’s in de werking mogen leiden. Installaties en bouwdelen moeten op eenvoudige wijze bereikbaar, reinigbaar, te vervangen en te onderhouden zijn (ook door andere partijen dan de leverancier). Uitgangspunt is een duurzaam, onderhoudsvriendelijk gebouw en terrein, wat zich onder meer in de bestekken moet vertalen in: • Slimme, onderhoudsvriendelijke materialisering en detaillering. Ook servicekosten (schoonmaak e.d.) dienen voor zowel het gebouw als het terrein beperkt te worden. Daartoe maatregelen treffen om vuil op te vangen in de entreezone en gebouwtoegangen. • Voorkomen van details die een bovengemiddelde vervuiling met zich meebrengen (bijvoorbeeld stofnestvorming op ‘lastige’ plekken of vervuiling als gevolg van neerslag dat zich in gevoelige materialen ‘vreet’). • Bereikbaarheid van gebouw(delen) is van groot belang om goed onderhoud te kunnen plegen. Speciaal dienen hierbij de daken, gevels en atria uitgewerkt te worden voor een veilige, efficiënte en effectieve uitvoering van schoonmaak en technisch onderhoud. • Bereikbaarheid van alle installaties, zoals in schachten en boven plafonds.

Geen installaties instorten of anderszins onbereikbaar maken. Schachten voorzien van toegangen. • Kanaalwerk en leidingen reinigbaar maken. • Legionella beheersmaatregelen (BRL 6010) uitwerken en automatiseren. • Slimme positionering van de ruimten en honoreren van de ruimterelaties zorgt voor een efficiënt onderhoudsproces. • Voor bewassing van gevels wordt uitgegaan van een glazenwasinstallatie inclusief gondel. • Bij het terreinontwerp moet tevens rekening moeten worden gehouden met de toegankelijkheid van een hoogwerker of een ladder. • Maatregelen treffen voor een eenvoudig en efficiënt onderhoud van groen in, aan en op het gebouw, inclusief toevoer van water.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Schoonmaak Het gebouw moet zowel aan de binnenzijde als de buitenzijde eenvoudig zijn schoon te maken. Alle geveldelen moeten goed te reinigen zijn en daar waar nodig "graffitiproof". Aan de binnenzijde moeten oppervlakten bij voorkeur glad, vuilafstotend en nat afneembaar zijn. Energiemanagement De hoofdverdeelinstallatie en de onderverdeelinstallatie op de diverse plaatsen in het gebouw te voorzien van energiemeters zodat het energiegebruik gemonitord kan worden van de gebouw gebonden installaties en ook een inzicht ontstaat welk energiegebruik aan de gebruikers toegeschreven kan worden. Dit zal in de ontwerpfase verder uitgewerkt moeten worden en zal in overleg met de gemeente Rheden gekeken moeten worden wat de mogelijkheden zijn op het gebied van energiemonitoringsoftware.

Pagina 11 van 54

4. Veiligheid

Zone I: vrij toegankelijk; In deze ruimten is sprake van visueel toezicht en cameratoezicht.

4.1.1 Brandveiligheidseisen Het gebouw dient te voldoen aan alle wettelijke eisen ten aanzien van brandbeveiliging en -preventie. De brandveiligheidsvoorzieningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening en dienen in overleg met de gemeentelijke brandweer te worden bepaald. De belangrijkste brandveiligheidseisen komen samengevat op het volgende neer: • Brandcompartimentering: brandwerendheidscheiding tussen compartimenten volgens de regelgeving en eisen van de plaatselijke brandweer; • Brandveiligheidsklasse van toe te passen materialen en bekleding van de (hoofd)draagconstructie volgens de regelgeving; • Brandmeld -en ontruimingsinstallatie conform de genoemde regelgeving; • Noodverlichting; • Vluchtwegaanduiding; • Ter plaatse van de nooduitgangen buiten het gebouw ruimte vrijhouden voor vluchten en opstelplaatsen hulpdiensten; • Gang- en trapbreedten, trappenhuizen en zo nodig brandweerliften afgestemd op vluchtwegen conform de genoemde regelgeving; • Blusmiddelen (repressieve voorzieningen). • Droge blusleidingen in het gebouw en/of het terrein (conform bouwbesluit) De opdrachtgever moet worden geconsulteerd over de indeling in brandcompartimenten, vluchtroutes en de draairichtingen van (vlucht)deuren. In hoofdstuk 4,5 en 6 zijn nog nadere aspecten betreffende de brandveiligheid opgenomen.

4.1.2 Beveiligingszonering In het plan moeten veel publieke functies gehuisvest worden die uitnodigend en laagdrempelig zijn. Tegelijkertijd geldt echter dat veiligheid van personen, materiële eigendommen en informatie gegarandeerd moet zijn. Beveiliging is dan ook een kritiek aandachtspunt De omgeving en het gebouw moeten in te delen zijn in drie beveiligingszones:

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Deze zonering is van toepassing op: • Openbare terrein; • Entreehal; • Publieksruimten gemeentehuis; • Bedrijfsrestaurant/werkcafé • Vergadercentrum (overdag); Zone II: alleen toegankelijk voor medewerkers en bezoekers onder begeleiding. Deze zonering is van toepassing op: • Kantoorruimten gemeentehuis; • Werkruimten bestuurscentrum; • Vergadercentrum/fractiekamers; • Fietsenstalling personeel. Zone III: alleen toegankelijk voor medewerkers met bijzondere autorisatie. Deze ruimten worden voorzien van een kaartlezer op de deur met registratie. Deze zonering is van toepassing op: • MER/SER-ruimten; • Kluisruimte burgerzaken; • Expeditie; • Archiefruimten, bergruimten en schoonmaakkasten • Technische ruimten. Ruimtes uit dezelfde beveiligingscategorie moeten zoveel mogelijk bij elkaar in één gebied gesitueerd worden zodat beveiligingsmaatregelen in één keer genomen kunnen worden. De buitengevel dient te bestaan uit een minimaal aantal toegangsdeuren. Beveiligingstechniek Om de benodigde inzet van personeel voor het beveiligen van het complex te beperken, moet het gebouw worden voorzien van een beveiligingssysteem dat bestaat uit de volgende componenten: • Camerasysteem (CCTV) binnen en rondom het gebouw;

Pagina 12 van 54

• • • • • •

Centrale omroepinstallatie (t.b.v. ontruiming); Inbraakdetectie-installatie; Intercom/videofoon-installatie; Overvalalarminstallatie / AIT1 noodknoppen (spreekkamers, balies, collegekamers); Toegangscontrolesysteem/aanwezigheidsregistratie via een app op de mobiele telefoons; Personenzoekinstallatie (PZI) t.b.v. BHV.

Vandaalbestendigheid voor de publieksruimten van het gemeentehuis geldt dat de afwerking en de inrichting van ruimten vandaalbestendig moeten zijn. Veiligheid entreehal en publieksplein In publieke ruimten zoals de entreehal en het publieksplein moet sprake zijn van visuele controle vanuit balies, receptie en portierloge. Het moet mogelijk zijn om in het publieksplein de balies afzonderlijk af te sluiten terwijl het plein geopend blijft. In of in de nabijheid van de receptiebalie van de centrale entree moet een portiersloge komen voor beveiligingsmedewerkers waar ook alle beveiligingsapparatuur te bedienen is. Vanuit de portiersloge moet zicht zijn op de entree. Veiligheid spreekkamers en balies De spreekkamers en balies zijn belangrijke plekken waar direct contact tussen personeel en bezoek plaatsvindt. Deze ruimten moeten voorzien worden van bouwkundige en technische voorzieningen om agressieproblemen te voorkomen (alarmknop, geen losse spullen, eigen vlucht/toegangsdeur, goede vluchtroute, voorkomen overspringen, zichtlijn met achterliggende werkruimten). Veiligheid crisiscentrum In noodsituaties moet een van de vergaderruimten in het vergadercentrum als crisiscentrum kunnen worden ingezet. Deze ruimte moet voorzien worden van noodstroom- en een no-breakaansluiting.

Voor handhaving wordt voorzien in een omkleedruimte (dames/heren) met kluiskast portofoons, handboeien etc.

4.1.3 Sociale veiligheid In het Politiekeur Veilig Wonen staan handreikingen om een veilig gevoel bij medewerkers en bezoekers te bevorderen door een goede gebouwopzet en detaillering. Er dient rekening gehouden te worden met de aspecten ter bevordering van de sociale veiligheid. Dit betreft met name de openbare ruimten in en om het gebouw en de parkeer-, fiets- en wandelroutes. Voorkomen moet worden dat het publiek en medewerker zich onveilig voelen. Plekken waar bezoekers van het pand zich kunnen verschuilen of onterecht ophouden moeten voorkomen worden. Dus geen donkere hoeken, nissen en bouwdelen waar mensen zich kunnen verschuilen.

4.2. Toegankelijkheid Voor het gemeentehuis geldt dat een publiek gebouw betreft waar ook ouderen en mensen met lichamelijke beperkingen komen. Toegankelijkheid is dan ook een belangrijk onderwerp. Hieronder worden de eisen op hoofdlijnen toegelicht. Voor concrete specificaties wordt verwezen naar de laatste versie van het Handboek Toegankelijkheid. Mensen met motorische beperkingen Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen die moeilijk ter been zijn of in een rolstoel of scootmobiel zitten. Dit betekent, onder meer, eisen aan de volgende onderwerpen: • • • • •

de zwaarte van het gebruik van deuren inclusief deurdrangers; de hoogte van balies; de hoogte van bedieningspanelen ( liftbediening, kaartlezers); hellingshoeken; dimensionering van ruimten (draaimogelijkheden).

Mensen met visuele beperkingen Handhaving 1

AIT is Agressie Interventie Team

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 13 van 54

Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen die blind zijn of slecht kunnen zien. Dit betekent, onder meer, eisen aan: • de duidelijkheid van de bewegwijzering; • verlichtingsniveaus; • kleurcontrasten; • tactiel markeringen op trappen; • geleidelijnen in de vloerafwerking.

4.3. Aanpasbaarheid en flexibiliteit Toekomstige veranderingen in aard en omvang van de werkzaamheden stellen andere ruimtelijke eisen. De functionele levensduur van het gemeentehuis kan worden verlengd, wanneer op een juiste wijze rekening wordt gehouden met flexibiliteit. Te onderscheiden zijn veranderende eisen aan het gebouw betreffende volume, indeling en functie.

4.3.1 Gebouwflexibiliteit Mensen met luchtwegaandoeningen Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen met luchtwegproblemen zoals astma. Dit betekent, onder meer, eisen aan • de toevoer van verse lucht; • de hoeveelheid allergene stoffen in afwerkingen; • de schoonmaak van het gebouw (voorkomen stofophoping e.d.). Mensen met auditieve beperkingen Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen die niet of slecht kunnen horen. Dit betekent onder meer eisen aan: • het achtergrondgeluid; • de verstaanbaarheid van gesproken boodschappen; • de visuele aanduiding van cruciale boodschappen; • ringleidingen in de vergaderzalen en de raadzaal. Bij oplevering moet voorzien kunnen worden van het internationaal toegankelijkheidsymbool (ITS).

4.2.1 Bewegwijzering In het kantoorgedeelte wordt in beperkte mate bewegwijzering opgenomen. Daarnaast wordt voorzien in een etageaanduiding, zowel in de centrale kern als aan de binnenzijde van de trappenhuizen (naast de deur, mede ten behoeve van de brandweer). Vanaf de bezoekersparkeerplaatsen naar de hoofdentree dient een voetgangerszone met adequate bewegwijzering te worden voorzien. Het gebouw krijgt aan de buitenzijde, bij beide entrees, een huisnummeraanduiding.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Het nieuwe gebouw moet flexibel zijn; het moet dusdanig worden ontworpen dat onderdelen zijn af te stoten/onder te verhuren. Of maak het gebouw juist relatief eenvoudig uitbreidbaar, door de draagconstructie te verzwaren op die plaatsen waar opbouwen mogelijk is. In de voorontwerpfase dient het ontwerpteam een integraal onderzoek te presenteren aan opdrachtgever over de wijze waarop de gebouwflexibiliteit gerealiseerd kan worden inclusief eventuele keuzemogelijkheden en consequenties bij deze afwegingen dienen ook de gebouwinstallaties en het GBS meegenomen te worden.

4.3.2 Indelingsflexibiliteit Organisaties ontwikkelen zich voortdurend. De omgevingseisen veranderen vaak mee. Een hoge indelingsflexibiliteit draagt ertoe bij dat deze veranderingen met weinig inspanning, tegen lage kosten en op eenvoudige wijze, binnen het gebouw kunnen worden doorgevoerd. Uitgangspunt is dat functies of ruimten zonder ingrijpende wijzigingen multi-inzetbaar te maken. Dit geldt voor de bestuurlijke/representatieve onderdelen, maar ook voor de publieksfuncties; Voorbeelden hiervan zijn: • dat in de frontoffice makkelijk balies of spreekkamers kunnen worden bijgeplaatst of afgestoten, of een andere functie kunnen krijgen. • verplaatsbare scheidingswanden met uniforme gevelaansluitingen; • bandrasterplafonds met een op de hoofdfuncties afgestemde modulering, waarin opgenomen de technische infrastructuur (klimaat, verlichting, veiligheid en dergelijke). Uitgangspunt: 1,80 m1 evenwijdig aan de gevel en 0,9 m1 haaks op de gevel; • uniforme detailleringen;

Pagina 14 van 54

•

•

voldoende fijnmazige bedienings- en aansluitmogelijkheden in de vorm van bijvoorbeeld vloer- en/of wandgoten (een en ander ter voorkoming van snoeren over de grond); alle apparatuur die de installaties in de kantoren bestuurt of voedt aanbrengen in de centrale gangen in de verlaagde plafonds. Indien er werkzaamheden/wijzigingen/onderhoud aan de installaties dient plaats te vinden, moet dit zodanig kunnen gebeuren dat dit vanaf de gangen kan geschieden zonder verstoring van de werkplekken op de kantoren.

Voor alle interne doorgangen geldt dat vervanging van bijvoorbeeld bouwkundige onderdelen, installaties en inventaris zonder problemen moeten kunnen gebeuren. Als minimale afmetingen wordt een plafondhoogte van 2,70 m¹ en voor doorgangen 2,30 m¹ met een breedte van 0,9 m¹ aangehouden. De ingangen dienen ruimer gedimensioneerd te worden.

In de frontoffice is eveneens indelingsflexibiliteit vereist, onder andere gericht op het bijplaatsen of verwijderen van balies en spreekkamers. Hierbij wordt niet uitgegaan van een modulaire opbouw, echter er moet wel worden gedacht aan voorbereiding van extra E- en datavoorzieningen en overcapaciteit en uitbreidbaarheid van de installaties. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de eisen die gesteld worden aan de onderdelen van het gebouw, teneinde een maximale flexibiliteit van de indeling te bereiken. Onderdeel

Eis

•

Binnenwanden:

Verplaatsbare systeemwanden (WiFi-doorlatend)

•

Draagconstructie:

Minimaal aantal kolommen in ruimte

•

Plafonds:

Systeemplafond

•

Klimaatinstallaties/bouwkundige

Aansluiting per 1,80 m¹

•

Voorzieningen aan gevel:

Regeling per 3,60 m¹

•

Verlichting:

Armaturen per 1,80 m¹

•

(Afgestemd op gevraagd luxniveau)

Regeling per 3,60 m¹

Eisen aan ambtelijke gebouwdeel (kantoren) ten behoeve van maximale indelingsflexibiliteit

Uitgangspunt dient een flexibele indeling te zijn, teneinde te kunnen anticiperen op wijzigingen in de organisatie of uitbreidingen. Dit kan vooralsnog het beste bereikt worden door toepassing van een gevelstramienmaat van 1,80 m¹. Mocht blijken dat een andere stramienmaat een betere flexibiliteit garandeert, dan is dat met de opdrachtgever bespreekbaar.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 15 van 54

5. Bouwfysische prestaties In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de binnenluchtkwaliteit, thermisch binnenklimaat, licht en uitzicht en geluid. Voor ieder thema geldt dat er met drie ambitieniveaus gewerkt wordt: • Klasse C (voldoende) • Klasse B (goed) • Klasse A (zeer goed) Aan ieder ambitieniveau zijn eigen (prestatie)eisen gekoppeld. Klasse C is hierbij het basisniveau c.q. de ondergrens; vaak gebaseerd op geldende wet- en regelgeving, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. De eisen zijn zo geformuleerd dat alle eisen die bij C staan ook voor B en A gelden, tenzij daar een zwaardere eis is opgenomen. In de komende paragrafen worden de gebruikers en technische eisen en bijbehorende diverse klassen nader toegelicht. Hierbij is uitgegaan van het Programma van Eisen Gezonde Kantoren 2018, ontwikkeld door het Platform Gezond Binnenklimaat. Voor alle onderstaande paragrafen in dit hoofdstuk zal er voor de Raadszaal en de Trouwzaal als bijzondere ruimten een aanvullend bouwfysisch advies van de bouwfysisch adviseur worden gevraagd.

5.1. Binnenluchtklimaat 5.1.1 Gebruikerseisen Het binnenklimaat wordt door de mensen in het gebouw verschillend beleefd. De ene persoon kan zich bijvoorbeeld prettiger voelen bij een bepaalde temperatuur dan de andere. Om aan zoveel mogelijk mensen tegemoet te komen worden ten aanzien van het binnenklimaat een aantal minimum- en maximumeisen gesteld, waarbinnen mensen zich prettig voelen. Daarbij waarderen de gebruikers het binnenklimaat beter als zij daar zelf invloed op uit kunnen oefenen, zoals het kunnen openen van een raam of het individueel (bij)regelen van de luchttemperatuur in het vertrek. Voorwaarde hierbij is wel dat de reactietijd beperkt dient te zijn.

5.1.2 Luchttechnische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’’ voor de CO2-concentratie & Luchtverversing.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Klasse C VOLDOENDE De CO2-concentratie in verblijfsruimten (in de ademzone) ligt tijdens gebruikstijd op maximaal + 800 ppm boven de buitenluchtconcentratie Uitgaande van een normaal, gemiddeld metabolisme voor kantoorwerk (1,2 a 1,4 met) en een CO2 productie van maximaal 0,005 L/s per persoon geldt dat aan de klasse C eis voldaan kan worden als er per persoon 25 m3/h aan verse lucht toegevoerd wordt. De genoemde verse luchttoevoer per persoon kan omgerekend worden naar benodigde verse luchttoevoer per m2: ga in een klasse C gebouw in kantoorruimten (op verblijfsruimteniveau) uit van minimaal 3 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 8 m2 vloeroppervlak p.p.); in een bijeenkomstruimte is dit minimaal 8 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 3 m2 vloeroppervlak p.p. op kamerniveau).

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De CO2-concentratie in verblijfsruimten (in de ademzone) ligt tijdens gebruikstijd op maximaal + 550 ppm boven de buitenluchtconcentratie

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De CO2-concentratie in verblijfsruimten (in de ademzone) ligt tijdens gebruikstijd op maximaal + 400 ppm boven de buitenluchtconcentratie

Uitgaande van een normaal, gemiddeld metabolisme voor kantoorwerk (1,2 a 1,4 met) en een CO2 productie van 0,005 L/s per persoon geldt dat aan de klasse B eis voldaan kan worden als er per persoon 40 m3/h aan verse lucht toegevoerd wordt.

Uitgaande van een normaal, gemiddeld metabolisme voor kantoorwerk (1,2 a 1,4 met) en een CO2 productie van 0,005 L/s per persoon geldt dat aan de klasse A eis voldaan kan worden als er per persoon 60 m3/h aan verse lucht toegevoerd wordt.

De genoemde verse luchttoevoer per persoon kan omgerekend worden naar benodigde verse luchttoevoer per m2: ga in een klasse B gebouw in kantoorruimten uit van minimaal 5 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 8 m2 vloeroppervlak p.p. op kamerniveau); in een bijeenkomstruimte is dit minimaal 13 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 3 m2 p.p. op kamerniveau).

De genoemde verse luchttoevoer per persoon kan omgerekend worden naar benodigde verse luchttoevoer per m2: ga in een klasse A gebouw in een kantoorruimte uit van minimaal 7,5 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 8m2 pp op kamerniveau); in een bijeenkomstruimte is dit minimaal 20 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 3 m2 vloeroppervlak p.p. op kamerniveau).

Tabel 5: CO2-concentratie & Luchtverversing

De Klasse C-eis is voor verse luchttoevoer komt min of meer overeen met de wettelijke minimumeis zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012 (nieuwbouweis kantoorfunctie: minimaal 6,5 l/s p.p. = 23,4 m3/h p.p.). De genoemde CO2 (steady state) grenswaarden

Pagina 16 van 54

komen overeen met de CO2 grenswaarden genoemd in NEN 16798-1. De hoeveelheid luchtverversing dient te worden bepaald conform de bepalingen uit de norm NEN-EN 16798-3 en die in NEN 1087. Gebruik bij debietmetingen altijd een nuldrukgecompenseerde meter. Indien de lokale, momentane CO₂-concentratie onbekend is: ga uit van een buitenconcentratie van 250 ppm (opgave gemeente Rheden). Aanname is dat de ventilatielucht in de verblijfsruimten zó toegevoerd en afgevoerd wordt, dat een goede doorspoeling van de ruimte gegarandeerd is; de ventilatieefficiëntie (verhouding tussen de hoeveelheid ventilatielucht die de ademzone bereikt en de totale hoeveelheid ingebrachte lucht) is bij voorkeur minimaal 0,8. Voor open kantoorruimten / kantoortuinen dienen dezelfde CO2- en ventilatie-eisen aangehouden te worden als voor kamerkantoren. Echter: boven (bij) vierkante meters die onderdeel zijn van open kantoorgebieden maar die gebruikt worden als verkeersruimte (loopzones) kan worden afgezien van verse luchttoevoer. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’’ voor de spuiventilatie.

Klasse C VOLDOENDE n.v.t.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Per stramien van 3,60 m is voorzien in minimaal 1 te openen deel. De afmetingen van het te openen deel zijn dusdanig dat een spuiventilatie- capaciteit van minimaal 100 L/s gegarandeerd is (bepaald conform NEN 1087). Het te openen deel is voorzien van een uitzetmechanisme waarmee e.e.a. in elk geval in 1 stand is te fixeren. In het geval te openen delen niet mogelijk zijn en is voorzien in een zogenaamde 'boostknop' waarmee het mechanische

Referentie: 1670702-0034.1.0.

ventilatiesysteem (al dan niet tijdelijk) in een hoogstand te zetten is (met verse luchttoevoer die minimaal 2x hoger is dan standaard) dan kan dat gezien worden als een alternatieve (kwalitatief iets mindere) klasse B oplossing. Tabel 6: Spuiventilatie

Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor de luchtvochtigheid.

Klasse C VOLDOENDE De relatieve luchtvochtigheid binnen bedraagt maximaal 70%.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De relatieve luchtvochtigheid binnen ligt tussen de 35 en 70%. De eventueel aanwezige luchtbevochtigings-installatie is 'Legionellaproof' (zie aan het einde van deze lucht tabel); verder wordt voldaan aan de hygiëne- eisen uit VDI 6022 en wordt het systeem minimaal 2 keer per jaar geïnspecteerd op vervuiling. Verder dient ontwerp en onderhoud van een en ander in lijn te zijn met de aanbevelingen in het VLA onderhoudsbestek (LIT 12).

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Het te openen deel is voorzien van een uitzetmechanisme. Verder dient gezorgd te zijn voor meerdere fixatiestanden (incl. kierstand) of is een en ander traploos instelbaar. Indien klasse A niveau vereist is dan is het niet toegestaan om het 'boost- knopalternatief' in te zetten.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Gelijk aan Klasse C

Tabel 7: Luchtvochtigheid

Bovengenoemde eis geldt specifiek voor de ruimtelucht en niet voor de inblaas- lucht. De genoemde eis impliceert dat niet is voorzien in luchtbevochtiging. Bij kwaliteitsniveau Klasse A; Bovengenoemde eis impliceert dat is voorzien in (een beperkte mate) van luchtbevochtiging. Dit heeft met name een positief effect als er sprake is van werkzaamheden waarbij meerdere uren per dag intensief

Pagina 17 van 54

beeldschermwerk verricht wordt. Een en ander kan uitgelegd worden op een bevochtigingssetpoint van 35%; een hoger setpoint hanteren heeft geen meerwaarde. Vanuit energetisch oogpunt en onderhoudsperspectief geen stoombevochtiging toepassen. Bij toepassen van adiabatische bevochtiging rekening houden met het voorkomen van legionella door toepassing van waterbehandeling. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor schimmels en bacteriën.

Klasse C VOLDOENDE De concentratie binnen voor individuele soorten bedraagt maximaal 2x de momentane buitenconcentratie (waarbij per soort 10 KVE/m3 als default waarde aangehouden dient te worden). Is de binnenconcentratie meer dan een factor 2 hoger dan is een nadere analyse nodig en gelden onderstaande kwantitatieve grenswaarden.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Gelijk aan Klasse C

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De concentraties aan schimmels en bacteriën liggen onder de volgende grenswaarden: groep 1 (indicator organismen slecht schoonmaken): < 500 KVE/m3; groep 2 (schadelijkheid beperkt): < 100 KVE/m3; groep 3 (verhoogde schadelijkheid, organismen die in grote hoeveelheden aantoonbaar pathogeen zijn): < 10 KVE/m3.

De concentraties aan schimmels en bacteriën liggen onder de volgende grenswaarden: groep 1 (indicator organismen slecht schoonmaken): < 1000 KVE/m3; groep 2 (schadelijkheid beperkt): < 500 KVE/m3; groep 3 (verhoogde schadelijkheid, organismen die in grote hoeveelheden aantoonbaar pathogeen zijn): < 10 KVE/m3.

instruments' waarmee on-site op basis van enzymactiviteiten is te identificeren of sprake is van een probleem. Raadpleeg een specialist ten aanzien van de in die afwijkende gevallen te raadplegen grenswaarden. Als er gemeten wordt dan moet dit altijd simultaan binnen en buiten gebeuren. Dit aangezien de momentane buitencondities (bv. in de herfst of 's zomers bij extreem warm weer) sterk verstorend kunnen werken. De 2 staat tot 1 (binnen vs. buiten) eis geldt alleen voor micro-organismen die geen onderdeel zijn van het menselijk huidmicrobioom (mensgebonden schimmels en bacteriën). Als er geen gezondheidsklachten zijn die wijzen op chronische blootstelling aan hoge concentraties micro-organismen dan kan er standaard vanuit worden gegaan dat aan bovengenoemde eisen voldaan wordt en hoeft er verder niet te worden gemeten. Als sprake is van specifieke gezondheidsklachten die mogelijk gerelateerd zijn aan blootstelling aan micro-organismen, of sprake van een hinderlijke geur van mogelijk biologische oorsprong of bv. zichtbare schimmelplekken dan kan het wel zinvol zijn om metingen uit te laten voeren. Indien gemeten wordt dan geldt dat er gemeten moet worden in lijn met de bepalingen uit het VLA-meetprotocol Gezonde Kantoren.

Bij kwaliteitsniveau Klasse A; is een klasse A kwaliteitsniveau gewenst, en is sprake van watervoerende klimaatinstallaties waarbij contact mogelijk is tussen water en ventilatielucht (bv. bij sproeibevochtigers of koelsecties) dan is voorzien in jaarlijkse controlemetingen dan wel jaarlijkse gestructureerde visuele (inwendige) hygiëne inspecties. Wij adviseren de ontwikkelingen rondom het Corona-virus te volgen en bij het ontwerp rekening te houden met mogelijke, aangescherpte eisen in verband met de reductie van het risico op besmettingen via luchtbehandelingssystemen. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor vluchtige organische stoffen.

Tabel 8: Schimmels en bacteriën

Klasse C VOLDOENDE

Het gaat hierboven om concentraties in de lucht (luchtmonsters). Soms is het zinvol om met contactmonsters te werken dan wel met zogenaamde 'rapid microbiology

De formaldehyde (HCOH) concentratie bedraagt maximaal 120 microgram/m3.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De formaldehyde (HCOH) concentratie bedraagt maximaal 30 microgram/m3.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De totale vluchtige organische stoffen oftewel TVOC-

Pagina 18 van 54

De totale vluchtige organische stoffen oftewel TVOCconcentratie bedraagt maximaal 1000 microgram/m3.

De totale vluchtige organische stoffen oftewel TVOCconcentratie bedraagt maximaal 500 microgram/m3 (LIT 10).

concentratie bedraagt maximaal 200 microgram/m3.

De koolmonoxide concentratie (CO) bedraagt maximaal 10 milligram/m3.

n.v.t.

n.v.t.

Tabel 10: Verbrandingsgassen

De koolmonoxide metingen worden uitgevoerd in lijn met de bepalingen in NEN-EN 14626

Tabel 9: Vluchtige organische stoffen

In klasse C gebouwen geldt dat geen luchtmetingen nodig zijn om te bewijzen dat aan de klasse C TVOC en HCOH-eis voldaan wordt. Tenzij sprake is van geur- hinder / een ‘chemische lucht’ binnen: in dat geval kan het nuttig zijn om wel (alsnog) metingen te doen (zie verder onder ‘toelichting’ bij klasse B). De genoemde bovengrenzen voor de TVOC en formaldehyde concentratie gelden voor onbemande, maar wel ingerichte ruimten. Een en ander uitgaand van normaal ingeschakelde installaties (bv. verwarming en ventilatie).

Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor fijnstof.

Bij kwaliteitsniveau Klasse B of A; de formaldehyde metingen worden uitgevoerd in lijn met de bepalingen in NEN-ISO 16000-3. De TVOC-metingen in lijn met NEN-ISO 16000-4. In nieuwbouw- of renovatiesituaties wordt bij voorkeur niet gelijk na oplevering gemeten (in verband met uitdamping) maar binnen 2 à 4 weken na oplevering. Indien bewezen kan worden dat het leeuwendeel van de interieurmaterialen (en in elk geval de vloerbedekking, de wandafwerking, de plafondafwerking en de meubels) emissiearm is (bv. beschikt over een Fins M1 label of een Duitse Der Blaue Engel keurmerk) dan kan ervan uitgegaan worden dat automatisch aan de genoemde klasse B TVOC en HCOH-eis voldaan wordt en is meting niet per se noodzakelijk.

Is sprake van een belaste locatie dan geldt er een aanvullend eisen ten aanzien van de fijnstof penetratie via de gevel en het ventilatiesysteem (filtersectie): bij buitenconcentraties > 10 microgram/m3 bedraagt de PM2,5 (fijnstof) concentratie maximaal 1 maal de momentane buitenconcentratie.

Bij kwaliteitsniveau Klasse A; om een klasse A score te behalen zal altijd gemeten dienen te worden; ook als op zich al is aangetoond dat alle toegepaste (interieur)materialen emissiearm zijn. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor verbrandingsgassen.

Klasse C VOLDOENDE

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B

Klasse C VOLDOENDE De jaar gecorrigeerde PM2,5 (fijn- stof) concentratie is maximaal 25 microgram/m3.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De jaar gecorrigeerde PM2,5 (fijnstof) concentratie is maximaal 15 micro- gram/m3.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De jaar gecorrigeerde PM2,5 (fijnstof) concentratie is maximaal 10 micro- gram/m3.

Is sprake van een belaste locatie dan geldt er aanvullend een eis ten aanzien van de fijnstof penetratie via de gevel en het ventilatiesysteem (filtersectie): bij buitenconcentraties > 10 microgram/m3 bedraagt de PM2,5 (fijnstof) concentratie maximaal 0,5 maal de momentane buitenconcentratie.

Is sprake van een belaste locatie dan geldt er aanvullend een eis ten aanzien van de fijnstof penetratie via de gevel en het ventilatiesysteem (filtersectie): bij buitenconcentraties > 10 microgram/m3 bedraagt de PM2,5 (fijnstof) concentratie maximaal 0,25 maal de momentane buitenconcentratie.

Tabel 10: Fijnstof

Er is sprake van een belaste locatie als er op minder dan 300 m afstand van het gebouw sprake is van een grote verontreinigingsbron (bv. drukke doorgaande weg, snelweg, luchthaven, kolencentrale, industrieterrein). De genoemde bovengrens voor de fijnstof concentratie geldt bij normaal ingeschakelde installaties (bv. ventilatie en verwarming). In klasse C gebouwen geldt dat geen luchtmetingen nodig zijn om te bewijzen dat aan de klasse C PM2,5 eis voldaan wordt. Tenzij het gebouw gelegen is op een belaste locatie of er vermoedens bestaan ten aanzien van bronnen binnen het gebouw die fijnstof verspreiden.

Pagina 19 van 54

De PM2,5 metingen dienen uitgevoerd te worden in lijn met de bepalingen over vaststelling van jaar gecorrigeerde fijnstof concentratie in het VLA meet- protocol Gezonde Kantoren, voorheen VLA fijnstof protocol kantoren, en de bepalingen in NEN 16000-3 & 4. Wil men bewijzen dat aan de eisen voldaan wordt dan dient men minimaal 1 week aaneengesloten te meten; gedurende de meetperiode is het zo dat: i. de PM2,5 buitenconcentratie minimaal 4 uur < 5 microgram/m3 is, en: ii. deze minimaal 4 uur > 20 microgram/ m3 bedraagt. Is na een week meten niet aan beide voorwaarden voldaan dan zal men langer moeten meten tot alsnog sprake is geweest van genoemde ‘gunstige’ buitenmeetcondities. PM10 meten is vanuit het oogpunt van resuspensie door loopbewegingen weinig zinvol. Vandaar dat verder geen PM10 eisen zijn opgenomen. Bij normale kantooractiviteiten ontstaat binnen bijna geen PM2,5; door juist PM2,5 te meten krijgt men vooral een goede indruk van de penetratie van verkeers- en industrie-gerelateerd fijnstof. Overigens is het los daarvan zo dat uit gezondheidsoverwegingen juist de kleinere deeltjes (< 2,5 micron) van belang zijn. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor hygiëne ventilatiesysteem.

Klasse C VOLDOENDE n.v.t.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De stofdepositie in luchtkanalen en in andere componenten & appendages die deel uitmaken van een eventueel aanwezig mechanisch ventilatiesysteem is dusdanig dat voldaan wordt aan de reinheidseisen uit het VLA bestek (LIT 13), bijlage 213 B9, specifiek plakstripwaarde 3/4 c.q. de eisen uit het LUKA handboek, specifiek luchtreinheids- klasse M (midden). Verder dienen de luchtbehandelings- kasten, luchtkanalen en andere

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De stofdepositie in luchtkanalen en in andere componenten & appendages die deel uitmaken van een eventueel aanwezig mechanisch ventilatiesysteem is dusdanig dat voldaan wordt aan de reinheidseisen uit het VLA bestek (LIT 13), bijlage 213 B, specifiek plakstripwaarde 1/2 c.q. de eisen uit het LUKA handboek, specifiek luchtreinheidsklasse H (hoog). Een en ander bepaald met behulp van de gravimetrische tape methode / een (stof)laagdiktemeter (bv Elcometer).

ventilatiesysteemcomponenten uitgevoerd en onderhouden te worden in lijn met de bepalingen uit het VLA bestek Onderhoud en Beheer Luchtbehandelingssystemen Kantoor (LIT 13).. De luchtbehandelingskast is zodanig opgebouwd dat de positie en kwaliteit van luchtkleppen, ventilatoren en warmtewielen er voor zorg draagt dat recirculatie op gebouwniveau oftewel het opnieuw inbrengen van verontreinigde retourlucht tijdens gebruikstijd zo goed als uitgesloten is (met maximaal 5% kortsluiting van retourlucht). Tabel 11: Hygiëne ventilatiesysteem

Bij kwaliteitsniveau Klasse B of A; de inwendige reinheid van de lucht- kanalen en bijbehorende componenten & appendages dient gecontroleerd en aangetoond te worden met een LUKA Reinheidsrapport (ingevuld test formulier). Deze eis geldt bij oplevering van nieuwe systemen. In gebouwen geldt dat minimaal 1 keer per 5 jaar (steekproefsgewijs) gecontroleerd dient te worden of (nog) aan de eisen voldaan wordt. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse C’ voor legionella.

Klasse C VOLDOENDE Installaties voor warm en koud tapwater zijn uitgevoerd & worden beheerd conform de bepalingen in ISSO-publicatie 55.1, 55.2 en 55.3 (Legionellabestrijding).

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C n.v.t.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B n.v.t.

Tabel 12: Legionella

Pagina 20 van 54

5.2. Thermisch binnenklimaat

met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling.

5.2.1 Gebruikerseisen Het binnenklimaat wordt door de mensen in het gebouw verschillend beleefd. De ene persoon kan zich bijvoorbeeld prettiger voelen bij een bepaalde temperatuur dan de andere. Om aan zoveel mogelijk mensen tegemoet te komen worden ten aanzien van het binnenklimaat een aantal minimum- en maximumeisen gesteld, waarbinnen mensen zich prettig voelen. Daarbij waarderen de gebruikers het binnenklimaat beter als zij daar zelf invloed op uit kunnen oefenen, zoals het kunnen openen van een raam of het individueel (bij)regelen van de luchttemperatuur in het vertrek. Voorwaarde hierbij is wel dat de reactietijd beperkt dient te zijn.

5.2.2 Klimaattechnische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor het wintercomfort.

Klasse C VOLDOENDE De operatieve temperatuur binnen (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) bedraagt in het stookseizoen (bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal -5 °C en maximaal 10 °C) minimaal 19 °C.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De operatieve temperatuur binnen (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) bedraagt in het stookseizoen (bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal -5 °C en maximaal 10 °C) minimaal 20 °C.

Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De operatieve temperatuur binnen (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) bedraagt in het stookseizoen (bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal -10 °C en maximaal 10 °C) minimaal 20 °C.

Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen op vertrekniveau handmatig na te regelen met min. +/- 2 °C rond een standaardsetpoint van 21 °C.

Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen op vertrekniveau handmatig na te regelen met min. +/- 2 °C rond een standaardsetpoint van 21 °C.

Met de bedienunit is de temperatuur

Met de bedienunit is de temperatuur

met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling.

Tabel 13: Wintercomfort

De operatieve temperatuur wordt vastgesteld conform de bepalingen in NEN-EN-ISO 7726 en NEN-EN-ISO 7730. De operatieve temperatuur betreft het gemiddelde van de luchttemperatuur en de gemiddelde stralingstemperatuur. Indien sprake is van werkplekken die op 1,5 m of meer van de gevel af geplaatst zijn en goede geïsoleerde gevels, vloeren en daken (niveau Bouwbesluit 2012 of beter) dan kan men de aanname doen dat de operatieve temperatuur gelijk is aan de luchttemperatuur gemeten ter plaatse van de werkplekken. Met 'dag gemiddelde buitentemperatuur' wordt hier bedoeld: (dagmaximum + dagminimum) / 2. Bij kwaliteitsniveau Klasse B of A; handmatig naregelen van de temperatuur is bij voorkeur mogelijk via een intrinsiek logische bedienunit (bv. wandthermostaat) die eenvoudig te bereiken is en die goed in het zicht is geplaatst. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor het zomercomfort.

Klasse C VOLDOENDE Buiten het stookseizoen, bij een daggemiddelde buitentemperatuur van minimaal 10 °C en maximaal 25 °C, is de operatieve temperatuur binnen maximaal 27°C.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=b12e8122-e6b6-4e56-9c3d-d4f8e1abbd65