CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

TPvE.pdf

Raadsvergadering 30 maart 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Instemmen PvE's Project Gemeentehuis23.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

7.4. Sanitair De toiletruimten worden voorzien van de volgende toestellen: • Closetcombinaties uitvoeren als vrijhangende closetpotten • Urinoircombinaties met schaamschotten • Wastafelcombinaties (alleen koud water)

Referentie: 1670702-0034.1.0.

De werkkasten worden voorzien van de volgende toestellen: • Uitstortgootsteencombinaties Alle kranen en douchekoppen, waar mogelijk is, uitvoeren in een waterbesparende uitvoering. Rekening houden met de eisen ten aanzien van het voorkomen van de ontwikkeling van de legionellabacterie. In de mindervalidentoiletten (alleen voor bezoekers of ook separaat voor personeel) dienen daarvoor bestemd sanitair, een en ander conform het Handboek voor Toegankelijkheid, te worden opgenomen. De combinatie dient te bestaan uit: • Een verhoogde closetpot; • Een laaghangend reservoir; • Twee armsteunen (opklapbaar); • Een invalidenwastafel; • Een neerklapbare spiegel; • Een doktersmengkraan (met warm water); • Een signalering; • Bediening met trekkoord langs alle wanden. Bij de keuze van het sanitair dient rekening gehouden te worden met schoonmaakmogelijkheden en vandaalbestendigheid in de publiekszone. De kwaliteit van het sanitair dient te zijn afgestemd op de functie en uitstraling van het gebouw. De sanitaire toestellen dienen bij voorkeur van keramisch materiaal te zijn. De spoelvoorzieningen zijn in een waterbesparende uitvoering. Voor de vaste sanitaire voorzieningen gelden de volgende eisen: • Sanitaire toestellen dienen uitgevoerd te worden in eerste keus kristalporselein.

• Waterbesparende toiletten (maximum inhoud stortbak 6 liter) • Goed reinigbaar • Volumestroombegrenzers op de kranen • Eén wastafel per twee toiletten en/of urinoirs

Pagina 39 van 54

• • •

• • •

• •

Automatische doorspoelsensoren Een wastafel met twee koppen inclusief automatische doorspoeling In de MIVA-toiletten en in de pantry’s hebben de wastafels een koud en warm wateraansluitpunt. De overige wastafels zijn enkel voorzien van een koud wateraansluitpunt Tap- en mengkranen te voorzien van een keramisch binnenwerk Kranen te voorzien van ingebouwde doorstroom- en temperatuurbegrenzers Alle sanitaire toestellen dienen met behulp van stopkranen of afsluitbare Skoppelingen afzonderlijk afsluitbaar en aftapbaar aangesloten te worden op de koud- warmtapwaterinstallatie Alle bevestigingsmaterialen vervaardigd van roestvaststaal (RVS) Closetrolhouders, handdoekhouders, jashaken, sifons en dergelijke in een door de opdrachtgever goed te keuren uitvoering en kleurstelling

7.5. Gasinstallatie Voor de nieuwbouw geldt het uitgangspunt dat er geen gas of andere fossiele brandstoffen wordt toegepast.

7.6. Koudeopwekking en -distributie De aanwezige koelinstallatie moet voldoen aan de gestelde eisen. Uitgangspunten: • NEN-EN-ISO 7730:2005: Ergonomics of the thermal environment - Analytical determination and interpretation of thermal comfort using calculation of the PMV and PPD indices and local thermal comfort criteria (laatste uitgave). • ISSO-publicatie 32: uitgangspunten temperatuursimulatieberekeningen (laatste uitgave). • ISSO-publicatie 8: berekening van het thermische gedrag van gebouwen bij zomer ontwerpcondities (laatste uitgave). • ISSO) publicatie 39 energiecentrale met warmte en koudeopslag (WKO). • Ministerie van VROM (Rijksgebouwendienst): temperatuursimulatieprogramma's een richtlijn voor gebruik (laatste uitgave). • Referentiejaar RA2008T2 • Luchtinblaastemperatuur 16°C. • Bouwkundige uitgangspunten conform hoofdstuk 4.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Voor specifieke ruimten met een hoge interne warmtelast door opgestelde apparatuur, zoals MER/SER-ruimten, dient lokale koeling te worden toegepast. De hierbij te hanteren interne warmtelast dient bepaald te worden uitgaande van de opgestelde apparatuur. Het doel hierbij is dat de maximale werktemperaturen van de apparaten niet overschreden worden. Afhankelijk van het de gewenste beschikbaarheid zal bepaald moeten worden of er een redundant uitgevoerde koeling moet worden toegepast in de MER-ruimte. Afhankelijk van de hoeveelheid opgestelde actieve apparatuur met bijbehorende warmteafgifte zal bepaald moeten worden op welke wijze de gekoelde lucht het beste toegevoerd kan worden om een maximaal effect te hebben (bijvoorbeeld via onderzijde gesloten 19”racks).

7.7. Warmteopwekking en -distributie Warmteopwekking dient centraal voor het gehele gebouw plaats te vinden, Het principe van warmteopwekking dient dusdanig gekozen te worden dat dit de gestelde eisen ten aanzien van minimumtemperaturen en de duurzaamheidsambitie eenvoudig bereikt. Geen gebruik maken van aardgas of andere fossiele brandstoffen. De warmtedistributie dient te voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van de thermische gebouweigenschappen. Daarnaast gelden de volgende eisen: • Het verwarmingssysteem dient afsluitbaar en uitlegbaar te zijn per 1,8m langs de gevel en dient per ruimte naregelbaar te zijn. • Vanuit het centrale bedieningspaneel kunnen door middel van overwerkschakelingen in overleg ruimteclusters individueel worden ingesteld op avond- en/of weekendverwarming. • Het leidingsysteem dient per verdieping en/of bouwdeel afsluitbaar en aftapbaar te zijn. Te vervaardigen berekeningen: • Het warmteverlies wordt berekend conform NEN-EN 12831 en ISSO 53 en 57. • Voor de opwarmtoeslag van ruimten met nachtverlaging wordt in principe 5 W/m² aangehouden, tenzij dit niet mogelijk is bij het meest geschikte ventilatiesysteem. • De pompen en regelkleppen dienen aan de hand van de definitieve werktekeningen bepaald te worden door middel van leidingberekeningen.

Pagina 40 van 54

•

De (nieuwe) leidingdiameters dienen bepaald te worden door middel van een leidingberekening. Hierbij uitgaan van een maximale leidingweerstand van 140 Pa/m bij een snelheid van 0,4 m/s bij de aansluitingen oplopend tot maximaal 1 m/s in de technische ruimten.

7.8. Luchtbehandelingsinstallatie Voor de luchtbehandelingsinstallatie gelden de volgende ontwerpuitgangspunten/ algemene eisen: • De luchttoevoer en -afvoer moet minimaal per 3,6 m inregelbaar en afsluitbaar zijn, hierbij rekening houdend met een indeelbaarheid van ruimten per 1,8 m • Ruimten met lucht- en geurverontreinigingen, zoals de reproruimte, ICT-ruimte, toiletten, keuken e.d., op onderdruk houden en zo mogelijk plaatselijk bij de bron afzuigen • Indien een gebalanceerd luchtbehandelingssysteem wordt toegepast, moet dit voldoen aan: Buitenluchtaanzuigroosters niet in de nabijheid van luchtverontreinigende bronnen zoals schoorstenen, condensoren, bitumineuze dakbedekking etc. aanbrengen. Op regelmatige plaatsen goed bereikbare inspectieopeningen in het kanalenwerk situeren voor controle op inwendige vervuiling. Indien er kanalen door brandwerende muren worden aangebracht, dienen deze kanalen voorzien te zijn van brandkleppen ter plaatse van de doorvoer door de brandscheidingen. De toe te passen luchtfilters moeten minimaal voldoen aan kwaliteitseis F9. Warmteterugwinning met een rendement van minimaal 75% (voelbaar).

• De statische archiefruimte vallend onder de archiefwet zullen ontvochtigd en bevochtigd moeten worden • De luchtvochtigheid in de verblijfsgebieden dient beheerst te kunnen worden, conform de prestaties als vermeld in paragraaf 3.1: Nieuwe luchtkanalen en appendages uitvoeren conform ‘Kwaliteitshandboek voor Luchtkanalen’ van LUKA-luchtdichtheidsklasse C. Luchtkanalen door brandscheidingen uitvoeren met brandkleppen. Geluiddempers toepassen om geluid vanuit de installaties te voorkomen en daar waar kans op overspraak of geluidoverdracht bestaat.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

-

Luchttoevoerkanalen thermisch isoleren. Kanalen waar kans op condens kan optreden onder andere aanzuig en afblaaskanalen van de luchtbehandelingskasten dampdicht isoleren en voorzien van een corrosie werende coating.

Voor de afzuighoeveelheden van specifieke ruimten dient uitgegaan te worden van: • Urinoir 75 m3/uur per 2 urinoirs • Toiletten 50 m3/uur • Berging/opslagruimte 75 m3/uur • Boven printers 100 m3/uur • Afzuiging keuken werkcafé (begane grond) 2.500 m3/uur* *luchtdebiet nog afstemmen met definitieve apparatuur. Debiet is ten behoeve van afzuigkappen en is exclusief ruimteventilatie. De luchtsnelheden en drukverschillen in het luchtbehandelingssysteem mogen de volgende waarden niet overschrijden: • Technische ruimten 6 m/s • Schachten 5,5 m/s • Boven verlaagde plafonds, gangen, verkeersruimten en toiletten 4 m/s • Aftakkingen naar roosters 3 m/s • Overstroomroosters 20 Pa • Drukval normaal 1 Pa/m • Drukval plaatselijk 2 Pa/m Overdrukventilatie toepassen in de volgende ruimten: • Trappenhuizen.

7.9. Regeltechniek Installaties dienen aangesloten te zijn op een centraal meld-/bedieningspaneel. De bedieningsfuncties van technische installaties moeten zoveel mogelijk in dit paneel geïntegreerd zijn. De centrale regelinstallatie dient te zijn voorzien van een mogelijkheid om op afstand in te loggen om eventuele storingen door te kunnen melden (cv, noodstroomaggregaat etc.). Een eigen noodstroomvoorziening is noodzakelijk. De elektronische aansturing ervan dient wel vernieuwd te worden. De volgende specificaties zijn van belang:

Pagina 41 van 54

•

•

•

•

•

In de installatieopzet moet rekening gehouden worden met een gebouwfragmentering middels overwerktimers en/of gescheiden schakelingen voor specifieke ruimten. Hierbij moet gedacht worden aan de ruimten die ook ’s avonds gebruikt worden. Bij de genoemde ruimten moet de zeer wisselende bezettingsgraad in ogenschouw genomen worden dus dient rekening te worden gehouden met een zodanige opzet dat verdiepingen of bouwdelen (nader te bepalen) afgesloten kunnen worden (energiereductie). Mede in verband met de eisen ten aanzien van courantheid en daarmee indeelbaarheid moet rekening gehouden worden met een indeelbaarheid en inregelbaarheid van de W-installaties (centrale verwarming en mechanische ventilatie) per stramien van respectievelijk 1,8 en 3,6 m aan de gevel. De temperatuurinstelling moet per ruimte regelbaar zijn in relatie tot de minimumtemperatuureisen. De koeling voor de meeste verblijfsruimten moet in ieder geval per gebruiksfunctie en/of vleugel regelbaar zijn. Daarnaast moet koeling voor specifieke ruimten zoals serverruimten per ruimte geregeld worden. Er moet een centraal bedieningspaneel met overwerktimers (indien van toepassing), storingsmeldingen van de installatie en brandventilatieschakelingen worden voorzien. Dit centraal bedieningspaneel moet geïntegreerd worden met het centraal bedieningspaneel voor de elektrotechnische installaties.

Dit bedieningspaneel moet in de buurt van de Facilitaire Dienst worden voorzien en overdag en ’s avonds goed toegankelijk zijn. De installaties van de archiefruimte dienen op afstand bediend en gemonitord kunnen worden.

Er dienen mogelijkheden te zijn om de volgende elektrotechnische installaties op een centraal meld-/bedieningspaneel te regelen en te signaleren: • Verlichtingsinstallatie. • Beveiligingsinstallaties. • Mindervalidentoilet.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 42 van 54

8. Elektrotechnische prestaties

•

In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de elektrotechnische elementen op elementniveau volgens de NL/SfB-codering, een classificatiemethode, bedoeld voor het gebruik tijdens het ontwerpen, realiseren en beheren van bouwprojecten.

• •

8.1. Algemeen Te allen tijde dienen de installaties te voldoen aan de wettelijke eisen en branchespecifieke genormaliseerde uitgangspunten. De aannemer dient alle benodigde en gewenste berekeningen, uitgangspunten en werktekeningen ter controle bij de opdrachtgever aan te bieden voordat tot bestelling en montage wordt overgegaan. Alle leidingen, kanalen, componenten en onderdelen die in het zicht worden gemonteerd dienen uitgevoerd te worden als zichtwerk en te worden uitgevoerd in een nader te bepalen kleur.

8.2. Centrale elektrotechnische voorzieningen Voor de centrale elektrotechnische voorzieningen gelden de volgende eisen: • Middenspanningsruimte bij voorkeur buiten het gebouw te plaatsen in verband met brandgevaar. • Per verdieping moet een onderverdeelinrichting worden geïnstalleerd. • Verdeelinrichtingen dienen eenvoudig zonder verplaatsing uitbreidbaar (minimaal 20%) te zijn. • De verdeelinrichtingen in makkelijk toegankelijke ruimten plaatsen. • De werkplekken moeten flexibel van opzet zijn. In relatie tot deze eis moet worden onderzocht welke werkplekken worden aangesloten via wandgoten, energiezuilen of vloerpotten. De locatie hiervan zal met het ontwerp nader worden uitgewerkt. • In de verdeelinrichtingen dient een nader te bepalen reservecapaciteit aan groepen te zijn. Tevens dient aan voedingskabels een nader te bepalen reservecapaciteit te zijn opgenomen. • Er dient een stelsel aanwezig te zijn van horizontale en verticale kabelwegen, voorzien van scheidingsschotten voor krachtstroom, zwakstroom en communicatie-installaties. • Alle kabelwegen dienen een nader te bepalen reservecapaciteit te hebben.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

De bekabeling dient zoveel mogelijk in aaneengesloten kabelwegen te worden aangelegd en in looproutes halogeenvrij te zijn. Computers en server dienen op een aparte groep te zitten. De keuken dient op een aparte groep te zitten.

Vanuit de hoofdverdeelinrichting worden lokale verdeelinrichtingen per gebouwdeel alsmede de schakel- en verdeelinrichtingen van de diverse gebouwinstallaties gevoed. Schakel- en verdeelinrichtingen moeten zo zijn ontworpen dat er bij de oplevering in de kasten ten minste een nader te bepalen reserveruimte aanwezig is. De elektrische installaties dienen gevoed te worden vanaf een hoofdlaagspanningsverdeler. Vanaf deze verdeler dienen de onderverdeelkasten voor licht- en krachtinstallaties te worden gevoed. Bemetering van het energieverbruik per verdieping en installatiedeel toepassen (kWh), zodat inzicht kan worden geboden in huishoudelijk gebruik en procesgebruik. Voor de lichtinstallatie dienen onderverdeelkasten te worden gerealiseerd per bouwlaag, per bouwdeel en voor de verkeersruimten. Er dient een centrale veiligheidsaarding conform de NEN 1010 te zijn aangebracht. De licht- en krachtinstallaties moeten op afzonderlijke hoofdverdeelinrichtingen worden aangesloten. De installaties dienen te voldoen aan de NEN 1010 en de NEN 3140. Ten aanzien van de elektrotechnische installaties wordt er een onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en procesgebonden installaties. Gebouwgebonden installaties zijn die installaties die een normaal gebruik van het gebouw mogelijk maken en maken onderdeel uit van het casco gebouw.

Procesgebonden installaties zijn installaties die niet primair het algemeen functioneren van het gebouw betreffen, maar die specifiek gebruik binnen een gegeven ruimte mogelijk maken. Beide soorten installaties zijn opgenomen in dit Technisch Programma van Eisen. Noodstroom Er dient een no-break-installatie (accuvoorziening) en vaste noodstroomvoorziening aanwezig te zijn. Hierop dienen in ieder geval de serverruimte(n), het telefoonverkeer, de brandmeldinstallatie, de beveiligingsinstallatie, de toegangscontrole, de crisiskamer, callcenter en ruimten voor burgerzaken te zijn aangesloten.

Pagina 43 van 54

PV-installatie In verband met het behalen van de duurzaamheidsambitie (ENG) zal het noodzakelijk zijn het gebouw (of de omgeving) te voorzien van een eigen elektrische energieopwekking in de vorm van Photovoltaïsche panelen (PV). In de ontwerpfase zal verder bepaald worden welk oppervlakte benodigd is. Met betrekking tot PV panelen is het van belang de eisen van verzekeraars mee te nemen.

8.3. Krachtstroom Er dient krachtstroom te worden toegepast ten behoeve van: • Regelkasten van werktuigbouwkundige installaties • Luchtbehandelingskasten en dergelijke • Keuken • MER- en SER-ruimten

8.4. Bliksembeveiliging Het gebouw dient voorzien te worden van een bliksembeveiligingsinstallatie type LPL 2 met een beveiligingsgraad van 0,9 en een overspanningsbeveiliging installatie.

8.5. Zendmasten Op het dak van bestaande gemeentehuis zijn zendmasten geplaatst. Deze zullen tijdens de bouwactiviteiten van het nieuwe gemeentehuis een tijdelijke plaats elders krijgen. In het ontwerp van het nieuwe gemeentehuis dient rekening te worden gehouden met het positioneren en plaatsen van de zendmasten op het nieuwe gemeentehuis. Er geldt dat onderzoek uit moet wijzen wat de effecten kunnen zijn op de medewerkers van de gemeente en op basis daarvan zullen maatregelen opgenomen moeten worden aan, in en om het gebouw om deze effecten zoveel mogelijk tegen te gaan of te reduceren.

8.6. Verlichtingsinstallatie Van de installatie-adviseur wordt verwacht dat deze, samen met de (interieur)architect, in de VO en DO-fase een lichtplan maakt met een integrale afweging van aspecten zoals uitstraling, lichtkwaliteit, verlichtingsniveau, sfeer, regelbaarheid, (individuele) bedienbaarheid, onderhoud, kosten, energieverbruik, aanpasbaarheid, etc. Bij systeemplafonds dienen energiezuinige duurzame en circulaire LED inbouwarmaturen aangebracht te worden, in de overige situaties kunnen

Referentie: 1670702-0034.1.0.

opbouwarmaturen worden overwogen. De armaturen moeten beeldschermvriendelijk zijn met een lage luminantie. Normwaarden van de op het werkvlak te meten verlichtingssterkte ten behoeve van de kantoorruimten staan beschreven in paragraaf 5.4.2. voor de andere functies gelden onderstaande minimale lichtsterktes een en ander volgens de NEN 12464-1 Ruimtefunctie Gangen en verkeersruimten Toiletten Werkkasten Pantry’s Technische ruimten Overige ruimten

Lichtsterkte niveau [lux] 200 150 200 300 300 300

De verlichtingsinstallatie moet minimaal per 1,8 m inregelbaar zijn, afgestemd op de gewenst een indeelbaarheid van ruimten. Schakelingen Het verlichtingssysteem wordt aangestuurd door een eenvoudig lichtmanagementsysteem (KNX). De verlichting van de verkeersruimten wordt hiermee centraal geschakeld. Kantoren, overlegruimten en sanitaire ruimten worden voorzien van aanwezigheidsschakelingen met een veegpuls. Voor vergaderruimten is de aanwezigheidssensor te overrulen middels een aan/uit-schakelaar. De verlichting is daarbij daglichtgestuurd waardoor bij voldoende daglicht het kunstlicht niet wordt ingeschakeld. Ruimtefunctie Kantoorruimten Vergaderruimten Gangen en verkeersruimten Toiletten Werkkasten Pantry’s Technische ruimten

Schakeling Aanwezigheid Aanwezigheid met aan/uit-schakelaar Centraal Aanwezigheid Aanwezigheid Centraal Aanwezigheid

Pagina 44 van 54

Bijzondere verlichting In verband met functionaliteit, sociale veiligheid en inbraakbeveiliging dient buitenverlichting te worden aangebracht nabij entrees, fietsenstalling, overkapte containerruimte en parkeerplaatsen. De verlichtingsarmaturen voor buitenverlichting dienen weerbestendig en vandaalbestendig te zijn. Het terrein rondom het gebouw dienen voldoende verlicht te zijn met een looppadverlichting richting de parkeerplaatsen. Noodverlichting Voor de noodverlichting gelden de volgende eisen: • In het gebouw dient, conform regelgeving, een nood/oriëntatieverlichtingsinstallatie te worden aangebracht. • Storingen moeten centraal gemeld worden. • De noodverlichtingsarmaturen dienen te worden gevoed met onderhoudsvrije accu’s en dienen een hoog rendement te hebben (circa 75%), zodat met een minimumaantal armaturen kan worden volstaan. • De nood-/oriëntatieverlichtingsinstallatie dient in decentrale en zelftestende uitvoering te zijn aangebracht. • Een deel van de noodverlichting moet ’s nachts branden als nacht- en beveiligingsverlichting. • De vluchtwegindicatie-armaturen moeten zijn voorzien van genormaliseerde pictogrammen. • De noodverlichting dient te worden uitgevoerd conform de NEN-EN 1838.

8.7. Communicatie-installatie De uitgangspunten voor de communicatie-installatie worden in deze paragraaf toegelicht. De uitgangspunten zijn weergegeven in het ICT-beleid ten aanzien van de virtuele omgeving. Overige uitgangspunten zijn beschreven in het RuimtelijkFunctioneel Programma van Eisen en in hoofdstuk 12. Beletinstallatie De ruimtes die bedoeld zijn voor gesprekken met een privacy karakter dienen voorzien te worden van een beletinstallatie.

Intercom De toegangsdeuren van het gebouw (hoofdingang en dienstingang) dienen voorzien te worden van een intercom (beeld en spraak). Op een nader te bepalen aantal plaatsen wordt een binnenpost opgenomen (o.a. entreebalie) ten behoeve van de communicatie en eventueel openen van deuren. Geluidsdistributie Het gebouw dient voorzien te worden van een geluidsdistributie installatie middels speakers op diverse (nader te bepalen) plaatsen in het plafond. Het geluidsdistributiesysteem dient geschikt te zijn als omroepinstallatie en als muziekinstallatie en eventueel gecombineerd te worden met de ontruimingsinstallatie (type A, spraak). Telefonie Het gebouw dient voorzien te worden van een telefoon installatie uitgaande van VoiceOver-IP (VOIP) en gebruik van smartphones door de medewerkers van de gemeente. Nadere eisen dienen door de installatieadviseur afgestemd te worden met de ICTafdeling van de gemeente en dienen te voldoen aan het ICT-beleid.

8.8. Data-installatie De data-installatie dient in basis als volgt te zijn opgebouwd. Echter, in verband met mogelijke ‘outsourcing’ van servercapaciteit dient de daadwerkelijke invulling van het ontwerp te zijner tijd met de afdeling ICT te worden afgestemd. In beginsel wordt op een nader te bepalen plaats in het gebouw wordt een MER-ruimte opgenomen. In deze ruimte worden de benodigde 19” racks geplaatst en wordt het ISRA-punt voorzien. Per verdieping wordt een SER-ruimte opgenomen en deze worden onderling en met de MER-ruimte verbonden met een dubbele glasvezel backbone (redundantie). De horizontale en verticale bekabeling vanaf de 19” racks tot op de consolidation points (boven het plafond) wordt uitgevoerd in Cat 7 (S/FTP) bekabeling. Vanaf de consolidation points worden waar nodig de diverse wall-outlets aangesloten met Cat 7 bekabeling. Per verdieping worden WLAN-zenders opgenomen. De gehele data-installatie dient gecertificeerd opgeleverd te worden.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 45 van 54

Voor het ICT-beleid en een nadere functionaliteit worden verwezen naar hoofdstuk 12. Nadere eisen dienen door de installatieadviseur afgestemd te worden met de ICTafdeling van de gemeente en dienen te voldoen aan het ICT-beleid.

8.9. AV-voorzieningen Overlegruimten dienen uitgerust te worden met audiovisuele middelen voor het geven van presentaties. Hiervoor dienen de benodigde voorzieningen worden aangebracht voor: • Alle overleg- en vergaderruimten en projectteamkamers bevatten een conferencing hub om laptop of smartphone op aan te sluiten, goed audiokwaliteit en een beeldscherm ten behoeve van presentaties, dat gekoppeld kan worden aan mobiele apparatuur. Hiervoor dient een voorziening opgenomen te worden in de overlegtafel. • Afgesloten overleg- en vergaderruimten worden voorzien van een bij de toegangsdeur zichtbaar reserveringssysteem. • Narrowcasting wordt geplaatst bij de entree, in de ontmoetingszone en nabij iedere ontmoetingsruimte op de verdieping achter de beveiligde schil. Ten behoeve van de narrowcasting dienen data en elektra aansluiting in de wand te worden opgenomen. In overleg met opdrachtgever dienen de exacte positie van AV-middelen en narrowcasting verder uitgewerkt te worden.

8.10. Mogelijkheid integraal beveiligingssysteem Indien dit tot functionele voordelen (bijvoorbeeld gebruikersgemak) zal leiden dient gekeken te worden om beveiligingssystemen ten behoeve van de inbraak-, toegangscontrole, intercom en camerabewaking uit te voeren als een integraal beheersysteem. In overleg met de gemeente dient de definitieve uitvoering te worden bepaald.

8.11. Inbraakinstallatie Er dient een centraal inbraaksignaleringsinstallatie geïnstalleerd te worden waaronder: • Bewegingsmelders in alle ruimtes van de openbare, semiopenbare en private zone

Referentie: 1670702-0034.1.0.

•

Deurstand-signalering op alle toegangsdeuren, vanuit de ontvangsthal/(nood)trappenhuis en de deuren en ramen naar het dak. De installatie dient te worden voorzien van een doormelding naar een dag en nacht bemande post (nader te bepalen). De installatie moet worden aangelegd door een NCP erkend ‘Borg’-installatiebedrijf. De inschakeling van het systeem geschiedt handmatig middels code-bedienpanelen (locaties nader te bepalen).

8.12. Toegangscontrole De toegangscontrole dient te worden opgezet conform de zonering zoals beschreven in het Ruimtelijk en Functioneel Programma van Eisen paragraaf 3.2.4. Het sluitsysteem van deuren staat omschreven in paragraaf 4.4 en 4.5. Nader afstemmen of dit een bouwkundige leverantie betreft of onderdeel wordt van het installatiedeel. De hoofdingang van het gebouw in het openbare gebied wordt daarbij voorzien van schuifdeuren met een tochtsluis.

8.13. Brandmeldinstallatie Het gebouw dient voorzien te worden in een brandmeldinstallatie. Ten behoeve van de brandmeldinstallatie (conform NEN 2535) dient door installatieadviseur een separaat programma van eisen opgesteld te worden en dient overleg plaats te vinden met de brandweer. Afhankelijk van vluchtmogelijkheden of verhoogd brandgevaar is ruimtebewaking noodzakelijk. Doormelding vindt plaats naar een particuliere alarmcentrale (RAC).

8.14. Ontruimingsinstallatie Het gebouw dient voorzien te worden van een ontruimingsinstallatie (conform de NEN 2575, NEN EN 54-16, NEN EN54-4 en NEN EN 54-24). Het gebouw van een type A (gesproken woord). De ontruimingsinstallatie is een autonome installatie en is gekoppeld aan de brandmeldinstallatie waarbij de brandmeldcentrale een algemeen of zone gestuurd alarm genereerd. De ontruimingsinstallatie is voorzien van een noodstroomfaciliteit

Pagina 46 van 54

8.15. Camerabewakingsinstallatie Het gebouw dient voorzien te worden van een CCTV-installatie, in aansluiting op het beveiligingsconcept van het gebouw. De installatie-adviseur werkt op basis van het ruimtelijk ontwerp het voorstel uit van de locaties, types e.d. van de camera’s ten behoeve van een gedegen beveiliging van het gemeentehuis. De installatieadviseur dient de mogelijkheden, keuzes en effecten van de keuzes en scenario’s op het vlak van CCTV en beveiligingsconcept voor zowel de bouw als exploitatie vanaf de Voorontwerpfase uit te werken en ter besluitvorming voor te leggen aan Opdrachtgever, inclusief de verantwoordelijke beveiligingsdienst van opdrachtgever.

Vanuit de publiekshal en/of de bovengelegen bouwlagen worden gerealiseerd en minimaal een lift dient naar de kelder te gaan. De liftinstallaties uit te voeren conform de toegankelijkheidseisen en geschikt te zijn voor het vervoeren van personen. Voor een BHV-calamiteit dient minimaal een lift geschikt te zijn voor het vervoeren van een brancard met 2 verplegers. Voor de aandrijving dient een elektronische regeling te worden voorzien. De liften moeten zijn voorzien zijn van alarm- en communicatievoorzieningen die in verbinding staan met de centrale balie. De liften dienen door het liftinstituut te worden goedgekeurd. De transportinstallatie dient naast personentransport ook te voorzien in transport voor goederen. Hierbij kan een gecombineerde personen- en goederenlift worden voorzien.

Buiten het gebouw worden vaste camera’s geplaatst op een nader te bepalen positie (toegangsdeuren, ingang en fietsenstalling). In het gebouw worden op een nader te bepalen positie in het publiektoegankelijke gebied vaste camera’s geplaatst.

8.17. Gebouwbeheervoorziening

De CCTV-installatie wordt voorzien van een digitale opname mogelijkheid van beelden. De installatie-adviseur dient hierbij aan te geven op welke wijze voldaan wordt aan de eisen omtrent privacy (AVG) en dataopslag. Enkele aandachtspunten zijn: • Mogelijkheid voor meekijken op afstand door de bode • Vandalisme beveiligde camera’s (kooibescherming)

8.16. Transportinstallatie De transportinstallatie moet een zodanige vervoerscapaciteit bieden, dat de voor de bedrijfsprocessen noodzakelijke interne verkeersstromen van personen efficiënt kunnen worden afgehandeld en dat de voor de bedrijfsprocessen noodzakelijke goederenstromen zonder belemmering kunnen plaatsvinden. De installatie-adviseur maakt een berekening van de te verwachten verkeersstromen en benodigde vervoerscapaciteit en ligt deze ter besluitvorming voor aan Opdrachtgever. Uitgangspunt is de ontwikkeling van een doordacht liftconcept zodanig dat onnodig energieverbruik wordt voorkomen. Bijvoorbeeld bij iedere liftstop keuze aanbieden of je naar beneden of naar boven wilt.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Het mogelijk voorzien in een gebouwbeheervoorziening, waarbij alle noodzakelijke signaleringen en meldingen vanuit de installaties individueel zichtbaar zijn, dient nader onderzocht te worden. Het principe van SMART Building spreekt Opdrachtgever hierin aan, met name energiebesparende maatregelen op verlichting en verwarming toegepast, om daarmee de exploitatiekosten laag te houden. Gedurende de VO-fase zal er nader bepaald worden welke SMART building toepassingen haalbaar én betaalbaar blijken.

8.18. Smart workplace De ontwikkelingen omtrent smart building, smart office, smart workplace gaan snel. Opdrachtgever verwacht bij ingebruikname een “state of the art” kantoorgebouw, waarin voor alle relevante gebruikersprofielen, zoals medewerkers, bezoekers, facilitair manager, technische beheerders, etc. zinnige data over de gebruiksmogelijkheden, beschikbaarheid en feitelijk gebruik van het gebouw en of voorzieningen beschikbaar is. De exacte informatie wordt per gebruikersprofiel bepaald en dient beschikbaar te zijn op digitale middelen, zoals narrow casting, een internet dashboard, pc/laptops en mobiele devices (tablet & telefoon). De installatie-adviseur werkt in overleg met de Opdrachtgever (m.n. de verantwoordelijke voor de gebouwexploitatie) een integraal voorstel uit voor het smart building, smart office, smart workplace platform, wat minimaal samenwerkt met het gebouwbeheersysteem. De keuzemogelijkheden en consequenties voor investering en exploitatie worden hierbij uitgewerkt en voorzien van een advies voorgelegd aan opdrachtgever ter besluitvorming.

Pagina 47 van 54

9. Vaste inrichting

10. Losse inrichting

In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de vaste inrichting aan de hand van uitgangspunten.

De losse inrichting wordt door de opdrachtgever nader bepaald en is niet opgenomen in dit TPvE.

9.1. Algemeen Op gebied van vaste inrichting zijn onderstaande uitgangspunten van belang: • Alle vaste inrichting voor de werkplekken zoals omschreven in het functioneel Programma van Eisen dient te worden voorzien • Voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan het gebouw dienen alle in de Arbowetgeving vereiste voorzieningen opgenomen te worden • Vaste lockers zoals aangegeven in het ruimtelijk-functioneel Programma van Eisen • Archiefruimte als aangegeven in het ruimtelijk-functioneel Programma van Eisen. • Centrale balie entreegebied. • Speciale balies (afstemmen op ruimtelijk-functioneel Programma van Eisen) • Pantry’s met ingebouwde koelkast, vaatwasser, spoelbak en kastruimte. • Keukeninrichting en uitgiftebalies (uit te werken i.s.m. keukenleverancier) • Voor de vaste keukenvoorziening gelden de volgende eisen: Vloerputten met sleuf uitgevoerd in RVS Alle componenten en uitvoering daarvan dienen volgens de HACCP worden uitgevoerd • Voor de vaste verkeersvoorzieningen gelden de volgende eisen: Er dient een eenvoudige, maar logische bewegwijzering toegepast te worden Er dient te worden voorzien in een vluchtrouteaanduiding inclusief bijbehorende plattegronden per verdieping De vaste verkeersvoorzieningen dienen in overeenstemming te zijn met de eisen in de gebruiksvergunning. • Logo gemeente Rheden op de buitengevel, ter plaatse van de hoofdentree.

Op basis van het ontwerp bepalen waar logo’s en/of naam aanduidingen benodigd zijn. • Vaste elementen uit het oude gemeentehuis, zoals kunstwerken, gedenktegels, glas in lood etc.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 48 van 54

11. Terrein

11.2. Ontwerpuitgangspunten terrein

In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de terreininrichting aan de hand van uitgangspunten.

Verzameling van grondvoorzieningen die als voorbereidende werken noodzakelijk zijn voor het afwerken van het terrein- gedeelte dat niet wordt bebouwd, gerekend vanaf het begaanbaar maken van het terrein tot aan de terreinafwerkingen.

11.2.1 Terrein; grondvoorzieningen

11.1. Algemeen De terreininrichting, voor zover vallend binnen het perceel van het nieuwe gemeentehuis, behoort tot de ontwerpopgave. Een en ander uit te werken op basis van het gebouwontwerp en aan te sluiten op de gebiedsvisie en standaard details van de gemeente Rheden. Ontwerpkeuzes m.b.t. de buitenruimte dienen in overleg met de Gemeente Rheden opgesteld te worden en er dient een (SO, VO en DO) toets voorgelegd te worden aan de verschillende beheersafdelingen van de gemeente.

11.2.2 Opstallen De voorziene opstallen op het terrein zijn: Overdekte fietsenstalling voor een in overleg met de gebruiker te bepalen aantal fietsen. Afgesloten containerruimte voor een nader te bepalen aantal containers

11.2.3 Omheiningen Uitgangspunt voor het terrein is zoveel mogelijk handhaven van de bestaande inrichting en daar waar mogelijk groenvoorzieningen, bomen en terreinverhardingen waarbij zoveel mogelijk invulling moet worden gegeven aan de beschreven ambities van de gemeente Rheden in het kader van duurzaamheid. Op gebied van terreininrichting zijn onderstaande uitgangspunten van belang: • Aparte containerruimte voor afvalcontainers (afgesloten en onder overkapping). • Leveranciers van goederen en vrachtwagens voor vuilnis dienen in de directe nabijheid van de expeditie-ingang te kunnen parkeren. • Voorzien moet worden in onder andere vlaggenmasten en buitenverlichting. • Op het terrein dient zoveel als mogelijk te worden voorzien in een groenvoorziening. • In de directe nabijheid van de hoofdentree van het gebouw dient een opstelplaats voor hulpdiensten opgenomen te worden. Het gebouw is rondom vanaf het terrein toegankelijk voor de (hoogwerker van de) brandweer, raambewassing en andere onderhoudswerkzaamheden. • De afvoer van terreinwater dient geïnfiltreerd te worden op het terrein zelf. Hierdoor wordt verdroging van de bodem tegengegaan. • De regelinstallatie voor de openbare verlichting, die op het dak van het huidige gebouw staat, dient in de tijdelijke en definitieve situatie blijvend functioneel te zijn.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

In het terrein wordt niet voorzien in een omheining vanwege het gewenste gastvriendelijke en openbare karakter en in overleg met de beheerder van het terrein.

11.2.4 Terreinafwerkingen De aanrijroute voor voertuigen, waaronder goederenontvangst, en aanlooproute voor medewerkers en bezoekers dienen duidelijk in het terrein geïntegreerd te worden waarbij aanwezige routes zoveel mogelijk gerespecteerd dienen te worden. Daarnaast dienen er in het terrein verharde looproutes te komen met groenbeplanting en bomen. Eventueel gebruik maken van waterdoorlatende bestratingen, groene parkeerplaatsen.

11.2.5 Terreinvoorzieningen werktuigkundig Verzameling van werktuigbouwkundige installatietechnische voorzieningen in het terrein, voornamelijk afvoeren van sanitaire installaties en hemelwaterafvoeren, ten behoeve van het gebouw en van het terrein, gerekend vanaf ca. 500 mm vanuit het gebouw tot aan de terreingrens.

11.2.6 Terreinvoorzieningen elektrotechnisch M.b.t. elektrotechnische installaties op het terrein moet worden voorzien in: Openbare verlichting Slagboom parkeerplaats

Pagina 49 van 54

11.2.7 Terreinvoorzieningen standaard

•

Naast bovenvermelde terreinelementen dient de volgende inrichting in het terrein plaats te vinden: Zitmeubels Afvalbakken Vlaggenmasten

•

11.2.8 Terreinvoorzieningen bijzonder

•

-

Narrenboom Nestkasten Terras bij restaurant

•

• •

11.3. Parkeren Voor het parkeren van auto’s op het terrein wordt rekening gehouden met het parkeren van 200 auto’s waarvan 50 parkeerplaatsen voor bezoekers. Van deze parkeerplaatsen zijn 10 plaatsen geschikt voor elektrisch oplaadbare auto’s en voorzien van een laadpunt.

De ligging van het groen slim afstemmen op aspecten zoals bezonning, looproutes, functioneel gebruik van het buitenterrein door bezoekers en personeel. De opzet van de gebouwen en de afstanden tot de gebouwen in de situatie waarop de groenvoorzieningen in maximale omvang zijn. De mate van onderhoud die het groen vergt. Bij voorkeur onderhoudsarm groen toepassen. De sociale veiligheid op het terrein en rondom de gebouwen, waarbij onoverzichtelijke plekken voorkomen moeten worden Het uitvoeren van technisch onderhoud en facilitair onderhoud aan de gevels en daken. De manier waarop het groen omgaat met de omgeving en zich ontwikkelt over de loop der jaren. Geen groen toepassen wat woekert en/of schade veroorzaakt aan terrein of gebouw.

Voor het (fiets)parkeren wordt in beginsel uitgegaan van een fietsenstalling op het terrein. Deze fietsenstalling is geschikt voor het plaatsen van 350 fietsen waarvan 35 voor bezoekers en waarvan 100 plaatsen voorzien van zijn een laadpunt. Voor de 35 bezoekersplaatsen wordt een logische plaats bedacht. Voor mindervaliden moet de gelegenheid zijn om bij de hoofdentree in en uit te stappen.

11.4. Groenvoorzieningen Bij het ontwerpen van de buitenruimte de groenvoorzieningen uitwerken met een (lokale) deskundige en daarbij rekening houden met: • De aanwezige kwaliteit en structuur van het groen in de omgeving van het kavel en op het kavel, met als doelstelling om deze te verbeteren. • De aanwezige grondsoorten en waterhuishouding. • Aansluiten bij de lokale biodiversiteit en de Flora en Fauna kwaliteit verhogen.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 50 van 54

12. ICT-uitgangspunten Het gebouw moet geheel van een data- en telecommunicatie-infrastructuur (bekabeling, voorzieningen, ruimten) worden voorzien. Medewerkers moeten in principe op elke plek in het gebouw eenvoudig toegang hebben tot een snel, betrouwbaar en goed beveiligd netwerk, wat hun functioneren optimaal ondersteunt, aansluit bij het werkconcept (Activiteitgerelateerd Werken) en de privacy waarborgt. Bij de materialisatie dient rekening te worden gehouden met zenders voor draadloze communicatie. Omdat deze technologie zich snel ontwikkelt, wordt het opstellen van uitgebreid en specifiek PvE ICT zo lang mogelijk uitgesteld. Uiterlijk aan het begin van de technisch ontwerpfase dient dit beschikbaar te zijn voor de installatie-adviseur. Bedrijfszekerheid Voor de gemeente is ICT een onmisbaar bedrijfsmiddel. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de bedrijfszekerheid van de infrastructuur. Dit betekent onder meer dat in het centrale deel van de ICT-infrastructuur redundantie moet worden toegepast in ruimten, apparatuur, verbindingen en stroomvoorziening. Type netwerk Het gebouw moet voorzien worden van zowel een vast als een draadloos netwerk, gebruikmakend van de nieuwste gecertificeerde Cat-bekabeling.

Uitgangspunt is dat alle computers draadloos worden aangesloten middels wifi, met uitzondering van specifieke computers met “zware” software en datavereisten, servers, etc. De databekabeling dient afgescheiden te zijn van de elektriciteitskabels en in een separate kabelweg opgenomen te worden. Het netwerk moet rekening houden met een gemakkelijke koppeling van de CCTV-camera’s aan de buitengevel. NB. Bij het ontwerp van het gebouw (met name de gebruikte materialen) moet rekening gehouden worden met het kunnen doorlaten van WiFi signalen van het draadloze netwerk zodat mensen probleemloos mobiel kunnen werken. Alle mobiele netwerken moeten bereik hebben en niet enkel het mobiele netwerk van het gemeentehuis. Indien de toegepaste materialen dit verhinderen of beperken, dan dient er een ondersteunende installatie toegepast te worden teneinde in het hele gebouw goede bereikbaarheid te hebben van het openbare GSM-netwerk.

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Data/stroomaansluitingen Uitgangspunt voor het aantal aansluitingen is 2 stroomaansluitingen per werkplek, geïntegreerd in het meubilair. Ook vergaderruimten en informele werkplekken zoals het restaurant en aanlandplekken moeten voorzien worden van stroomaansluitpunten, geïntegreerd in het meubilair. Verder dienen er voedingen voor de acces points opgenomen te worden. De installatie-adviseur dient tijdens de VO en DO-fase samen met de opdrachtgever de aantallen en de locatie van aansluitingen nader te bepalen, afgestemd op de functies en techniek in ruimten. ICT-ruimten Eén beveiligde, volledig geklimatiseerde MER-ruimte (centrale computerruimte) realiseren. Op de verdiepingen SER-ruimten (patchruimten) gerealiseerd worden. De omvang van een dergelijke ruimte (inclusief de techniek) zal heroverwogen moeten worden indien ICT-diensten daadwerkelijk worden uitbesteed. Voor beide typen ruimten geldt dat ze voorbereid dienen te zijn op uitbreiding van de apparatuur met 25% (schaalbaarheid). Onderling worden SER en MER verbonden via glasvezel via meerdere routes. De kabels voor de glasvezelring dienen op verschillende plekken het pand te verlaten in verband met de risicospreiding. Voor het bepalen van de locatie van de SER’s dient rekening gehouden te worden met aansluiting van maximaal 90 m vanaf de SER-ruimte.

Integratie Zoveel als mogelijk systemen integreren in één, op IP gebaseerd systeem voor het gehele complex. Op dit netwerk zijn alle faciliteiten aangesloten (PCs, printers, smartboards/ monitoren, gebouwbeheersysteem, (koffie)automaten, beveiliging, videoen geluidregistratie, ruimtereserveringsystemen, etc.). Scope De projectscope voor de ICT loopt vanaf de aansluiting op het openbare net en het ISRA-punt t/m de data-aansluiting op de werkplek (daar waar noodzakelijk). Ook de coördinatie van de aansluiting op openbare infrastructuur voor data en telefonie hierop behoort tot de scope. Actieve netwerkcomponenten en computers vallen buiten de scope.

Pagina 51 van 54

Bijlage 1: Tabellen duurzaamheid: Niveaus uitgangspunten:

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 52 van 54

Vastgelegd in het technisch TPvE:

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 53 van 54

Colofon Uitgave: Datum: Auteur(s):

HEVO B.V. 25 maart 2021 de heer ing. J.M.F.C. Vloemans

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch

Postbus 70501 5201 CB 's-Hertogenbosch

T +31 (0)73 6 409 409 info@hevo.nl www.hevo.nl

www.rpmbyhevo.nl

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven

Referentie: 1670702-0034.1.0.

Pagina 54 van 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=b12e8122-e6b6-4e56-9c3d-d4f8e1abbd65