CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels_Rheden 2016, locatie Brinkweg 1_ontwerp_09-11-2023

Raadsvergadering 30 januari 2024, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Rheden 2016, locatie Brinkweg 122.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48 dB tot en met 53 dB in buitenstedelijk gebied en in stedelijk gebied van 48 dB tot 63 dB en voor spoorweglawaai 55 dB tot en met 68 dB. Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde dient akoestisch onderzoek uitsluitsel te geven over de te verwachten geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. In de op 27 april 2015 vastgestelde Nota Hogere Waarden Wet geluidhinder Rheden 2015 hebben burgemeester en wethouders vastgelegd hoe zij omgaan met het verlenen van hogere grenswaarden. Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Brinkweg op de noordgrens van de woonwagenstandplaatsen 52 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met 4 dB overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB voor geluidgevoelige terreinen wordt niet overschreden. Voor de woonwagenstandplaats dient voor de noordgrens van de locatie een hogere waarde te worden aangevraagd. De geluidbelasting door wegverkeer vanuit de overige wegen in de omgeving overschrijdt de voorkeursgrenswaarden van 48 dB niet.

Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.5

Water

Kader Aan de hand van de Handreiking Watertoets wordt het aspect water al in de initiatieffase meegenomen. Doel van het watertoetsproces is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke initiatieven, plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

29

Bij alle plannen is het omgaan met hemelwater aan de orde. In dat verband wordt gehanteerd de volgorde: water zoveel mogelijk vasthouden, vervolgens het overtollig water tijdelijk bergen en in de laatste plaats het afvoeren van water. Het beleid omtrent lozing van hemelwater is aangegeven in de “Verordening afvoer hemelwater en grondwater Rheden” en het Activiteitenbesluit. Slechts indien geen voorziening op het eigen terrein mogelijk is, kan van deze verplichting ontheffing worden verleend. Dan kan bijvoorbeeld hemelwater geloosd worden op een vijver of watergang, na instemming van de eigenaar (waterschap). Een andere mogelijkheid is dat, na instemming van de gemeente, het hemelwater wordt geloosd op ons gescheiden rioolstelsel indien dit aanwezig is. Beoordeling In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige aspecten voor het bestemmingsplan relevant zijn. waterhuishoudkundig aspect veiligheid

relevant Nee

wateroverlast

Ja

riolering

Ja

watervoorziening

Ja

volksgezondheid

Nee

bodemdaling

Ja

grondwateroverlast

Ja

oppervlaktewaterkwaliteit

Nee

30

omschrijving In het plangebied liggen geen gronden die behoren tot zomer- en/of winterbed van de IJssel. De Beleidslijn grote rivieren (2006) is niet aan de orde. Er is een toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m². In het plangebied bevinden zich geen natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en/of overstromingsvlaktes. Voorkomen dient te worden dat schoon regenwater wordt afgevoerd via het riool (vasthouden-bergenafvoeren). De kwaliteit van geloosd of geïnfiltreerd hemelwater moet voldoen aan bepaalde eisen. Het plan ligt niet in een beschermingsgebied voor drinkwaterwinning. Het plangebied is ongeschikt voor regionale seizoensberging. Het plangebied ligt niet in een regionaal waterbergingsgebied. Het plangebied ligt wel in een Drinkwaterreserveringsgebied ('Aanvullende Strategische Voorraden'). Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In het plangebied bevinden zich geen gemengde riooloverstorten. Binnen het plangebied bevindt zich een (deels) zettinggevoelige ondergrond. In het plangebied is mogelijk sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond. Hierdoor kunnen schijngrondwaterstanden aanwezig zijn. Mogelijk kan kwel optreden in de laaggelegen gebieden. In het plangebied is geen sprake van hoge grondwaterstanden. In de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

grondwaterkwaliteit

Nee

verdroging

Nee

natte natuur

Nee

inrichting en beheer

Nee

Binnen het plangebied ligt geen grondwaterbeschermingsgebied voor een drinkwatervoorziening of infiltratiegebied voor (kwelafhankelijk) natuurgebied. Het plangebied bevat geen hydrologische beïnvloedingszones rond natuurgebieden of ecologische wateren. In de omgeving is geen gebied aangemerkt als (gering) verdroogd. Het plangebied bevat geen hydrologische beïnvloedingszones rond natuurgebieden of ecologische wateren. Het plangebied grenst niet aan een gebied met kwelafhankelijke land- en waternatuur. Binnen het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren van het waterschap. Het plangebied betreft particulier terrein dat in beheer is bij ...

Ad 2 Wateroverlast Met de realisatie van de bouw van het activiteitencentrum, bijgebouw, verharding en maximaal vier standplaatsen voor woonwagens neemt het verhard oppervlak in het plangebied met meer dan 500 m² toe. Hierdoor is het vanuit het waterschap verplicht om hemelwaterberging te realiseren. Voor de planlocatie betekent dit het volgende: Verhard 1.475 m²

Locatie van het sociale activiteitencentrum Locatie van de woonwagenstandplaats 1.132 m² Totaal 2.607 m²

Onverhard 2.258 m² 0 m² 2.258 m²

De benodigde compensatie wordt berekent door de volgende formule: benodigde waterberging (in m³) = verhard oppervlak (in m²) * 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een maatgevende bui van 60 mm per uur. De benodigde waterberging voor het initiatief is: 2.607 * 0.06 = 156,42 m³ De waterberging zal gerealiseerd worden binnen de locatie van de het sociale activiteitencentrum in de vorm van een wadi. Bij een oppervlak van 210 m² dient de wadi ca. 0,75 m diep te zijn om tot de benodigde waterberging te komen. De exacte invulling wordt in een later stadium nader afgestemd. Middels een voorwaardelijke verplichting is in de regels geborgd dat er voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Ad 3 Riolering In het plangebied wordt afvalwater ingezameld en afgevoerd via riolering. Voor afvoer van afvalwater naar de openbare riolering is de gemeentelijke aansluitverordening van toepassing. De riolering in het gebied moet het afvalwater doelmatig inzamelen en afvoeren. Ten opzichte van de bestaande situatie zal de hoeveelheid afvalwater / droogweerafvoer (dwa) beperkt toenemen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen moet met hemelwater worden omgegaan overeenkomstig de provinciale beslisboom hemelwater (waarbij de volgorde vasthouden, bergen, afvoeren wordt gehanteerd). Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater dient van elkaar gescheiden te blijven.

Zie ook de gemeentelijke

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

31

verordening “Verordening afvoer hemelwater en grondwater Rheden”. Hemelwater kan infiltreren in de bodem of afvoeren naar een waterpartij. Het is niet toegestaan grondwater af te voeren via het – gemengde riool. Het streven is om ook het hemelwater niet af te voeren via het – gemengde - riool. In het bestemmingsplan zijn alle rioleringsvoorzieningen toegestaan. Onder andere boven- en ondergrondse infiltratievoorzieningen, bergingskelders, rioleringen. Ter voorkoming van bodem- en / of grondwaterverontreiniging moeten uitlogende en verontreinigende materiaaltoepassingen vermeden worden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal de exacte uitwerking van de riolerings- en/of afkoppelmaatregelen afgestemd worden. Ad 4 Watervoorziening Het gehele plangebied ligt in een Kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. Voorliggend initiatief maakt geen ontwikkeling mogelijk wat invloed heeft op de watervoorziening in het gebied. Ad 6 Bodemdaling In het plangebied bestaat de ondergrond mogelijk (plaatselijk) uit rivierklei, klei- of keileemlagen, (diepere) veenlagen. Bij verlaging van de natuurlijke grondwaterstand kunnen zettingen optreden. Functies met verlaagde grondwaterstand moeten in deze gebieden worden voorkómen.

Uit onderzoek is gebleken dat met de volgende maatregelen bebouwing wel mogelijk is:  toepassing van een geschikte (zettingsbestendige) fundering,  kruipruimteloos of waterbestendig bouwen. Maatregelen zijn afhankelijk van bouwplan en nader bodemonderzoek. Dit volgt bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Ad 7 Grondwateroverlast In het gebied is mogelijk sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond omdat het gebied een voormalig overstromingsgebied van de IJssel betreft. Het grondwater bevindt zich op een diepte van 2,2 m-mv. Eventuele maatregelen zijn afhankelijk van bouwplan. Dit volgt bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Digitale watertoets Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlage 5. Hieruit blijkt dat er geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen in het plangebied liggen. Het realiseren van nieuwe watergangen is tevens niet aan de orde, binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.6

Ontplofbare oorlogsresten

Kader Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ook in de gemeente Rheden diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Door werkzaamheden kunnen deze een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers van de realisatie van voorliggend initiatief en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet daarom voor de ingreep worden nagegaan of ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. Op zich raakt dit niet aan de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, het haakt vooral aan bij het bieden van een veilige werkomgeving en op de veiligheid voor de omgeving bij het werk. Reden om het in dit plan te benoemen is dan ook vooral als invulling van een signaalfunctie.

32

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Aan de hand van informatie uit de Tweede Wereldoorlog en gegevens van ruimingen daarna is in 2017 een historisch vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten verricht. De conclusie ervan staat op de Risicokaart Explosieven. De risicokaart geeft een overzicht van de gebieden waar nog explosieven aanwezig kunnen zijn. Dit zijn de verdachte gebieden. Beoordeling Uit de Risicokaart explosieven van de gemeente Rheden is op te maken dat het plangebied niet binnen een van ontplofbare oorlogsresten verdacht gebied ligt. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ontplofbare oorlogsresten.

4.7

Externe veiligheid

Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:  het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);  het Registratiebesluit externe veiligheid;  het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);  het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:  het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);  de Regeling basisnet;  de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

 Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Beoordeling Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

33

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Uit voorgaande kaart is op te maken dat in de omgeving van het plangebied transport/vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over o.a. de rivier de IJssel, (auto)snelweg A348, het spoor Arnhem-Zutphen en via aardgastransportleidingen. Er kunnen daarbij incidentscenario's als explosie, fakkelbrand, plasbrand en toxische wolk optreden. De kans daarop is echter klein. Buisleidingen Ten noorden van het plangebied, op circa 660 meter, loopt de gastransportleiding N-559-20. De buisleiding heeft een 100%-letaliteitscontour gelegen op 50 meter van de leiding en de 1%-letaliteitscontour ligt op 95 meter. Het plangebied ligt ruim buiten de veiligheidsafstand van de buisleiding. Transportroutes Ten noorden van het plangebied loopt de spoorlijn Arnhem-Zutphen, hierover vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied bedraagt 4.000 meter en is gelegen over het plangebied. Daarnaast ligt het plangebied op ca. 3.410 meter ten noorden van de snelweg A12. Het invloedsgebied van deze transportroute bedraagt ook 4.000 meter en is gelegen over het plangebied. Het plangebied ligt buiten de 200 meter-zone van de transportroutes. Daarom kan volstaan worden met een beperkte verantwoordingsplicht. Binnen het Basisnet water is de IJssel als zwarte route (frequent transport) aangemerkt. Het invloedsgebied bedraagt 35 meter. Dit is op grote afstand (ca. 450 m) van het plangebied.

De rijksweg A348 is niet aangemerkt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Verantwoordingsplicht Het plan leidt tot een (beperkte) toename van het aantal aanwezigen. Op grond van het bovenstaande kan worden volstaan met een beperkte verantwoordingsplicht. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden verricht worden:  Conform de motivatie onderdelen van het Bevt (artikel 7 en 9) moet het groepsrisico beperkt verantwoord worden voor de aanwezige risicobronnen;  Er moet advies worden aangevraagd bij de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM).

34

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en dat van toxische vloeistoffen/gassen ligt, zijn een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De brandweer heeft t.a.v. van het woonwagenkamp het volgende aangegeven: om de bereikbaarheid van het woonwagenkamp te borgen dient de verbindingsweg op het terrein te voldoen aan de volgende eisen:  een breedte van ten minste 4,5 meter;  een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;  een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter, en  een doeltreffende afwatering. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer.

De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De Veiligheids- en Gezondheidsregio heeft in haar advies van 8 augustus 2023 aangegeven in het kader van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid het volgende te ondernemen bij de uitwerking van de plannen:  (Technische) maatregelen treffen om het gebouw van de werkvoorziening en de te realiseren woonwagens luchtdicht af te kunnen sluiten om een veilige schuilmogelijkheid te creëren ingeval van een toxische wolk;  Toekomstige bewoners en gebruikers (cliënten en begeleiders van de werkvoorziening) te informeren over de risico's van een incident met gevaarlijke stoffen waarbij het scenario toxische wolk zich voordoet en het bijbehorende handelingsperspectief. Risicocommunicatie draagt bij aan de mate van zelfredzaamheid. Bereikbaarheid Het plangebied is bereikbaar via de Brinkweg. Dit is een relatief smalle landweg, die in oostelijke richting aansluit op de Haverweg en de IJsselsingel en in westelijke richting op de Roggeweg. Doordat het plangebied van twee zijden is te benaderen is sprake van een voldoende bereikbaarheid. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident.

Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Het ligt in de verwachting dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen door bescherming te zoeken, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- of richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor de

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

35

realisatie van het plan. De Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden heeft advies gegeven over het voorgenomen plan. Dit advies is opgenomen in bijlage 4. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.8

Natuur en Landschap

Kader De bescherming van gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming en in de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Waardevol open gebied, Nationaal landschap). Voor de bescherming van soorten geldt alleen de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn speciale beschermings- zones aangewezen. Samen vormen zij Natura 2000, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. De Veluwe en de Rijntakken zijn aangewezen als Natura 2000-gebieden. Binnen deze gebieden mag de kwaliteit van de natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen soorten niet verslechteren en mogen er geen storende factoren optreden die een significant negatief effect hebben. Dit geldt niet alleen voor de activiteiten en ingrepen in het gebied zelf, maar ook voor activiteiten en ingrepen daar buiten die invloed kunnen hebben op het gebied. Het landelijke Natuurnetwerk Nederland, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is binnen de provincie beschermd. Veel natuurgebieden en voor planten en dieren waardevolle cultuurlandschappen maken onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone.

Het Gelders Natuurnetwerk wordt gevormd door de bestaande natuurgebieden uit de voormalige Ecologische Hoofdstructuur. De gebieden in de Groene Ontwikkelingszone zijn waardevol voor de natuur maar hebben daarnaast tevens een andere functie. Veel kleinschalige cultuurlandschappen met landschapselementen zijn aangewezen als Groene ontwikkelingszone. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening beschermd het Waardevol open gebied en het Nationaal landschap. Beoordeling Natura 2000 In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura2000-gebieden. Op circa 350 m afstand ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gezien de aard, omvang, het effectbereik en de grote afstand, worden er geen significante nadelige effecten op dit Natura 2000-gebied verwacht als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke. Stikstofdepositie kan tot op grotere afstand verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. In het kader van voorliggend plan is een Voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage en de Aeriusberekeningen zijn opgenomen in bijlage 6.

In de voortoets wordt geconcludeerd dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd de stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000gebieden in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet toe neemt. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.

36

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt in de Groene ontwikkelingszone in het deelgebied 'Biljoen, Middachten en Hof te Dieren'. In paragraaf 3.2 is beschreven op welke wijze voorliggend plan bijdraagt aan de versterking van de ecologische kernkwaliteiten ter plekke. Soortenbescherming Ook de bescherming van soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Bij nieuwe ontwikkelingen moet onderzocht worden welke gevolgen dit heeft voor de aanwezige beschermde soorten en/of hun leefomgeving. Als een plan (in)direct kan leiden tot de verstoring van een beschermde soort of vernietiging van het leefgebied, een vaste rust- of verblijfplaats, kan het project strijdig zijn met de Wnb. Deze wet kent drie verschillende beschermingsregimes:  Alle van nature in het wild levende vogels: de bescherming is gebaseerd op de bepalingen uit de Vogelrichtlijn;  Soorten opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn: de bescherming is gebaseerd op de bepalingen uit de Habitatrichtlijn;  Ander soorten genoemd in bijlage A van de Wnb: de bescherming van deze soorten, die veelal op de rode lijst staan, is iets minder stringent dan die van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

De provincie heeft in de Omgevingsverordening aangegeven voor welke algemeen voorkomende soorten een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen Beoordeling Voor het plan is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 7). Het volgende wordt geconcludeerd:  Tijdens het broedseizoen (globaal maart t/m augustus) dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van algemene broedvogels. Als werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden, moet voorafgaand een broedvogelcheck plaatsvinden. Buiten het broedseizoen is er vanuit deze soortgroep geen belemmering voor het uitvoeren van werkzaamheden.  Mogelijk zijn er binnen het plangebied verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig. Met name de houtsingel in het westen van het plangebied is hiervoor geschikt. Ook de ringslang overwintert hier mogelijk. Als dit leefgebied wordt aangetast, is er nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van bunzing, wezel en hermelijn en van de ringslang. Dat geldt ook voor de betekenis van het plangebied als foerageergebied van de das.  Omdat de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het bestaande gebouw niet kan worden uitgesloten, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen gestart. Dit onderzoek is ten tijde van het opstellen van dit plan nog gaande. Een rapportage met tussentijdse resultaten is opgenomen in bijlage 8.

In de regels van voorliggend bestemmingsplan (artikel 9.1 onder d) is geborgd dat voorafgaand aan de sloop van de bebouwing ontheffing van de Wet natuurbescherming moet zijn verkregen indien uit vervolgonderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Brinkweg 1 te Rheden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Daarnaast is middels een voorwaardelijke verplichting is in de regels geborgd dat er voldoende natuurinclusieve maatregelen worden gerealiseerd. Conclusie De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

37

4.9

Archeologie

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beoordeling Binnen het geldende bestemmingsplan gelden voor het plangebied dubbelbestemmingen ter bescherming van mogelijke archeologisch waarden in de bodem. In het kader van voorliggend plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is toegevoegd in bijlage 11. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er in verband met een hoge archeologische verwachting voorafgaand aan de graafwerkzaamheden een vervolgonderzoek uitgevoerd dient te worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor dit onderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld door een archeologisch bedrijf, wat goedgekeurd en beoordeeld wordt door de bevoegde overheid. Het proefsleuvenonderzoek kan pas starten nadat het PvE door de gemeente is geaccordeerd.

Het omschreven onderzoek kan leiden tot de volgende uitkomsten: nader onderzoek blijkt niet nodig; een aanpassing van de ontwikkeling waardoor de archeologie behouden kan blijven; de verplichting werkzaamheden verder te laten onderzoeken in de vorm van een opgraving en/of een archeologische begeleiding conform de KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie). Naar aanleiding van het archeologisch vooronderzoek krijgt het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden in de bodem. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect archeologie.

4.10

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Beoordeling Voorliggend plangebied kent een rijke geschiedenis, nader uiteengezet in paragraaf 2.1. Binnen het plangebied is sinds oudsher bebouwing aanwezig geweest. Typerend in dit gebied zijn daarnaast de smalle wegen, meidoornhagen, een boomgaard, solitaire oude bomen en de met singels beplantte langgerekte kavelstructuren. Het realiseren van een gebouw op deze locatie waarbij de langgerekte kavelstructuur intact blijft en het geheel landschappelijk wordt ingepast met o.a. hagen en bomen is goed passend bij de cultuurhistorie van deze locatie. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.

38

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

4.11

Verkeer en parkeren

Kader In het gemeentelijke Verkeerscirculatieplan Overige dorpen VVP uit 2000 wordt een wegcategorisering beschreven bestaande uit stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en verblijfsgebieden. Verblijfsgebieden zijn of worden ingericht als 30 km of 60 km zone. Gebiedsontsluitingswegen zijn de wegen binnen de bebouwde kom die hoofdzakelijk een doorstroom karakter hebben en waar een snelheidslimiet van 50 km geldt. De Brinkweg is onderdeel van verblijfsgebied buiten de bebouwde kom waar een snelheidslimiet van 60 km/u geldt. Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de gemeentelijke 'Nota parkeernormen Rheden 2015'. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. De gemeente Rheden valt binnen de categorie 'matig stedelijk´. In de regels is verwezen naar de 'Nota parkeernormen Rheden 2015' en deze is als bijlage opgenomen.

Indien de parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen. Dit heet een dynamische verwijzing. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bepaald (ECLI:NL:RVS:2018:1578) dat voor uitsluitend een gebruikswijziging geen dynamische verwijzing in de regels opgenomen mag worden. In de regels is dan ook een onderscheid gemaakt in uitsluitend gebruik (Nota parkeernormen Rheden 2015 is van toepassing) en in activiteiten bouwen of bouwen in combinatie met gebruik (Nota parkeernormen Rheden 2015 is van toepassing of diens opvolger). Beoordeling Parkeren Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van een sociaal activiteitencentrum en maximaal vier woonwagenstandplaatsen. In de Nota Parkeernormen Rheden 2015 is onder de hoofdfunctie Onderwijs een parkeernorm opgenomen voor een sociale werkvoorziening, waar in onderhavige situatie op kan worden aangesloten. Het activiteitencentrum heeft plaats voor maximaal 5 werknemers/begeleiders op het totaal van 45 bezoekers. Per werknemer dient conform het gemeentelijke beleid 0,7 parkeerplaats aangelegd te worden per maximaal gelijktijdig aanwezig personeel (excl. Kiss & Ride), waarmee de totale parkeerbehoefte uitkomt op 4 parkeerplaatsen (5 x 0,7).

Om in de parkeerbehoefte van andere bezoekers of in exceptionele gevallen te voorzien kan gebruik worden gemaakt van de bestaande grote parkeerterrein aan de IJsselsingel. Ten behoeve van de bereikbaarheid van het plangebied wordt een voetpad aangelegd vanaf dit parkeerterrein naar het terrein van het activiteitencentrum. Op het terrein wordt daarnaast voorzien in 4 parkeerplekken voor personeel. Tevens is bij de inrichting van het plangebied rekening gehouden met het brengen en halen van cliënten met taxibusjes. Het woonwagenkamp wordt uitgebreid met maximaal vier standplaatsen. Op basis van de Nota Parkeernormen geldt voor de toevoeging van woningen een parkeernorm van 1,40 per woonruimte. De totale parkeerbehoefte van de maximaal vier nieuw te realiseren woonwagenstandplaatsen komt uit op 5,6 parkeerplaatsen. Het parkeren zal conform gemeentelijk beleid worden opgelost op eigen terrein.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

39

Verkeer Het plangebied is en blijft ontsloten vanaf de Brinkweg. Vanaf de Brinkweg loopt een onverharde weg in zuidelijke richting, onder meer naar het scoutinggebouw. Vanaf deze weg kan een tweede, informele, inrit worden gerealiseerd ten behoeve van het laden en lossen. Het woonwagenkamp zal bereikbaar zijn via een eigen inrit. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.

4.12

Milieueffectrapportage

Kader De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Beoordeling Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is. Er geldt geen m.e.r-(beoordelings)plicht en er hoeft geen aanmeldnotitie m.e.r. te worden opgesteld. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht (zie hoofdstuk 4). Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in dit bestemmingsplan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Conclusie Het Besluit milieueffectrapportage is niet van toepassing. Er hoeft geen beoordelingsnotitie m.e.r. te worden opgesteld.

40

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Algemeen

Een bestemmingsplan is een juridisch instrument waarbij de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de grond en de opstallen zijn vastgelegd. Het plan is voor iedereen juridisch bindend: burger, bedrijf en overheid. In de digitale omgeving zijn de bestemming en de daarbij geldende regels reeds gekoppeld. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van een verbeelding op papier. Nadat op de verbeelding de locatie is opgezocht waarover informatie wordt gewenst, kan in de regels worden nagelezen welke mogelijkheden zijn vastgelegd. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat wordt toegelaten. De digitale versie is bindend bij een verschil met de papieren versie. De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt en vervat de resultaten van het overleg met gemeenten, waterschappen en diensten van de provincie en rijk wiens belangen in het plan in geding zijn.

5.2

Procedure bestemmingsplan

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit, moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, evenals belanghebbenden die niet kunnen worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de wijzigingen die bij de vaststelling in het bestemmingsplan zijn aangebracht, kan iedere belanghebbende beroep instellen. De herziening treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld. Is wel beroep ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroepschrift.

5.3

Verbeelding en regels

De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. Ze moeten in samenhang worden bezien en toegepast. De wijze waarop een bestemmingsplan vorm krijgt, is vastgelegd in landelijke standaarden. 5.3.1 Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Ter nadere invulling c.q. verbijzondering van deze bestemmingen is de verbeelding voorzien van aanduidingen. Op basis van de aanduidingen worden functies aan de bestemming toegevoegd of verwijderd, of worden aanwijzingen gegeven ten aanzien van aantallen of maatvoeringen. De verbeelding moet worden bezien in samenhang met de regels. Voor de verdere uitleg hiervan wordt verwezen naar onderstaande uitleg onder 6.3.2. Voor de beschrijving van het bestemmingsplan wordt verwezen naar Hoofdstuk 5. 5.3.2 Regels De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken. Deze worden kort beschreven. Daarna volgt een toelichting op de planregels.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

41

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2). Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Eerst de bestemmingsregels en vervolgens de dubbelbestemmingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend worden de (eventuele) afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van het bouwen en het gebruik omschreven. Daarna de specifieke gebruiksregels en de vergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde (aanlegvergunningenstelsel), voor zover dit aan de orde is. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Denk aan de anti-dubbeltelregel en de regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen.

Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is, zoals het woord het al zegt, een mogelijkheid in het bestemmingsplan zelf om af te wijken van de regels uit datzelfde bestemmingsplan. Dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingsmogelijkheden. De (bestemmings)regels moeten altijd in samenhang met de algemene regels worden gelezen vóórdat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. In dit hoofdstuk worden ook regels gegeven over het ondergronds bouwen. Daarbij zal in voorkomende gevallen door middel van een geohydrologisch onderzoek aangetoond moeten worden dat grondwaterstromen niet worden verstoord. De oppervlakte van een ondergrondse ruimte wordt niet meegeteld indien een maximum is gesteld. Ten aanzien van de vereiste parkeergelegenheid op het bijbehorende terrein, wordt verwezen naar de bijlage Parkeernormen bij onderhavig plan. Wat voldoende is, wordt op basis van deze normen niet alleen bepaald bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, maar ook bij een wijziging in het gebruik. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Toelichting regels Voor zover relevant worden de regels artikelsgewijs nader toegelicht. De voor dit bestemmingsplan relevante bestemmingen en aanduidingen zijn reeds nader toegelicht in paragraaf 2.3.

Begrippen Voor een goede uitleg van de regels moeten de begripsbepalingen correct worden toegepast. Zij bieden uitsluitsel over de gebruikte termen en zijn doorslaggevend bij de interpretatie van de regels. Ten aanzien van het begrip 1.13 bijgebouw kan nog worden opgemerkt dat expliciet niet is gekozen voor de term 'bijbehorend bouwwerk' waar in de Wabo van wordt gesproken. Dit vloeit voort uit de keuze om in beginsel geen functieonderscheid voor te schrijven tussen hoofd- en bijgebouw. Opgemerkt wordt dat een carport onder het begrip overkapping valt.

42

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe dient te worden gemeten. Bij het toepassen van de betreffende regels (zoals opgenomen in de algemene aanduidingsregels van dit plan) dient dus te worden gemeten conform de aangegeven meetmethodiek. Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze zou zich kunnen voordoen indien een deel van een bouwperceel dat al bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken wederom bij een dergelijke berekening, doch nu ten behoeve van een ander bouwperceel wordt betrokken. Algemene bouwregels Voor diverse geringe bouwonderdelen geldt, dat deze bij de toets aan de planregels als zodanig buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast is een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen. Hoofdregel is, dat hetgeen bovengronds is toegestaan, ook ondergronds kan worden toegestaan. Daarnaast zijn enkele verbijzonderingen opgenomen. De tekst van de regeling volgt uit het Bro. Algemene gebruiksregels Voor de redactie van dit artikel is de algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In beginsel is de bestemmingsomschrijving van de betreffende bestemming bepalend. Verder wordt nog voorzien in een regeling ten aanzien van het parkeren en de parkeernormen.

De parkeernormen zijn voor alle bestemmingen van toepassing. Zij zijn als bijlage bij de regels opgenomen en maken als zodanig onderdeel uit van de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels Aan burgemeester en wethouders wordt hier de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de bestemmingsregels. Evident is dat niet alle afwijkingsregels op alle bestemmingen van toepassing zijn. Voorts is van belang dat het bestaan van de bevoegdheid niet mag leiden tot een automatisme in het afwijken: conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten burgemeester en wethouders de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Overigens is de bevoegdheid beperkt in die zin dat geen omgevingsvergunning voor afwijken mag worden verleend indien onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een aantal met name genoemde belangen. Algemene procedureregels Op het stellen van nadere eisen zijn de algemene procedureregels van toepassing. Het is nodig deze in het bestemmingsplan te regelen omdat de Awb hierin niet voorziet. Overgangsrecht De redactie van dit recht volgt uit het Bro. Bij het overgangsrecht wordt onderscheid gemaakt naar bouwwerken en gebruik. Bij bouwwerken gaat het er om of ze op de peildatum in enigerlei opzicht afwijken van het plan. Doorgaans betreffen die afwijkingen de bouwregels.

Ze mogen gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of na een calamiteit worden herbouwd, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot. Bij de vraag of de afwijking wordt vergroot kan ook het gebruik relevant zijn. Van de mogelijkheid tot gedeeltelijke vernieuwing of verandering zijn uitgesloten de illegale bouwwerken. Daaronder worden verstaan de bouwwerken die zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning - voor zover vereist - zijn gebouwd in strijd met het toen geldende bestemmingsplan.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

43

Voor een vergroting van de inhoud van een bouwwerk met niet meer dan 5% kan met een omgevingsvergunning eenmalig worden afgeweken. Peildatum voor bouwwerken is het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Ten aanzien van het gebruik is bepaald dat bestaand, met het plan strijdig gebruik mag worden voortgezet. Een uitsluitingsclausule is opgenomen voor gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Deze regel laat de wrakingsjurisprudentie onverlet.

5.4

Reikwijdte bestemmingsplan

Om te beoordelen of een ontwikkeling kan worden gerealiseerd, is het soms niet voldoende om alleen af te gaan op de inhoud van het bestemmingsplan. Ook indien het bestemmingsplan een ontwikkeling toestaat, kan het voorkomen dat andere regelgeving of dat gesloten verdragen de daadwerkelijke uitvoering verhinderen of pas na bijvoorbeeld vergunningverlening of onderzoek mogelijk maken. De kaders die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van nieuwe bouwmogelijk- heden/bouwplaninitiatieven, bieden geen garantie voor de te verlenen omgevings- vergunning voor het bouwen. Bouwplannen zullen naast de toets aan onderhavig bestemmingsplan tevens worden getoetst aan, en dienen te voldoen aan, zowel het landelijke Bouwbesluit als de bouwverordening (vastgesteld door de gemeenteraad). Waarbij de (onafhankelijke) welstandscommissie adviseert of het bouwplan op basis van de Welstandsnota (vastgesteld door de gemeenteraad) voldoet aan redelijke eisen van welstand.

5.5

Handhaving

Het bestemmingsplan maakt op een eenvoudige wijze duidelijk wat is toegelaten en is daarmee goed handhaafbaar. Burgemeester en wethouders kunnen bestuursrechtelijk optreden tegen activiteiten die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Daartoe is beleid vastgesteld. Daarnaast kan ook via de strafrechtelijke weg worden opgetreden. Een overtreding van de regels is een strafbaar feit waarop de Wet op de Economische Delicten van toepassing is.

44

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient de economische uitvoerbaarheid te worden onderzocht in het kader van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien: a. het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, en b. het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en c. het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte en woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is, of d. één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van toepassing is, te weten: 1. het totaal der wettelijk te verhalen exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000,00, of 2. er geen verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening aan de orde zijn, of 3. de verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op de nutsvoorzieningen betreffen. De Wet ruimtelijke ordening kent voorts een regeling welke voorziet in een tegemoetkoming in schade indien deze boven het normale maatschappelijke risico uitstijgt.

Burgemeester en wethouders hebben ter zake van planschade een verordening vastgesteld. Beoordeling Het perceel is in eigendom van de gemeente. De gemeente draagt de kosten voor de bestemmingsplanherziening. De stichting die de werkplaats in gebruik zal nemen draagt de kosten van het bouwplan. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst met de stichting. Daarnaast wordt in een nadere overeenkomst de vestiging van een opstalrecht geregeld. Daarmee is het verhaal van kosten voldoende verzekerd en behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Realisatie binnen de planperiode is reëel. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de economische uitvoerbaarheid verzekerd.

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

45

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak

Kader De gemeente kent op grond van de Gemeentewet een inspraakverordening. Deze verordening verplicht niet tot het geven van inspraak bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Het geven van inspraak valt dus buiten de wettelijke procedure. Indien hiertoe aanleiding bestaat, kan in een voorkomend geval besloten worden om in aanvulling op de wettelijke procedures inspraak te geven. Beoordeling PM Conclusie Volstaan is met de wettelijke procedure zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening.

7.2

Vooroverleg

Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening wordt vooroverleg gepleegd met de besturen van de betrokken gemeenten, waterschappen en met diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor een goede ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. Van de kant van de provincie Gelderland en het rijk is bericht in welke gevallen zij vooroverleg nodig vinden. Beoordeling Er heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Gelderland vanwege de ligging in de Groene Ontwikkelingszone. Het GO-versterkingsplan is afgestemd met de provincie. Verder is er advies ontvangen van de Veiligheidsregio Gelderland-Midden. Dit advies is opgenomen in bijlage 4 en heeft geen consequenties voor het bestemmingsplan. Het plan is tevens voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel, maar daar is niet tijding een reactie van ontvangen. Conclusie Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.

7.3

Zienswijzen

P.M.

46

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlagen bij de toelichting

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

47

48

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 1

Landschaps- en erfplan

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

49

50

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

51

52

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

53

54

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 4

Advies VGGM

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

55

56

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 5

Digitale watertoets

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

57

58

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 6

Voortoets stikstof

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

59

60

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 7

Quickscan Wnb

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

61

62

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 8

Vervolgonderzoek vleermuizen

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

63

64

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 9

GO versterkingsplan

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

65

66

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 10

Biodiversiteitsmaatregelen

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

67

68

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Bijlage 11

Archeologisch onderzoek

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

69

70

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Regels

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

71

72

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Rheden 2016, locatie Brinkweg 1 met identificatienummer NL.IMRO.0275.BPRH02-ON01 van de gemeente Rheden; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aanduidingsvlak een vlak, door aanduidingsgrenzen van andere vlakken gescheiden; 1.6 achtergevel de gevel van een gebouw, die is gesitueerd tegenover de voorgevel van het betreffende gebouw; 1.7 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde; 1.8 bed and breakfast het tegen betaling bieden kortstondig toeristisch verblijf en ontbijt aan huis; 1.9 beroep aan huis een juridisch, administratief, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig, therapeutisch of (para)medisch beroep, alternatieve geneeswijzen daaronder begrepen, of daarmee gelijk te stellen activiteiten die in een woning dan wel (vrijstaand) bijgebouw worden uitgeoefend, inclusief ondergeschikte detailhandel; 1.10 bestaand zoals legaal aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan; 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.

1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13 bijgebouw uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

73

1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.16 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen metaal of ander materiaal die (in)direct met de grond is verbonden hetzij (in)direct steun vindt in of op de grond en bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.21 bovenbouw een gedeelte van een hoofdgebouw dat moet passen binnen de contour die ontstaat door: a. een verticale verlenging van twee zijden van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak met 1,20 meter, gerekend vanaf de bovenkant van de onderliggende bouwlaag, gevolgd door een schuin vlak met een binnenhoek van 60 graden, en b.

een verticale verlenging van de overige zijden; en welke contour slechts mag worden doorbroken door dakkapellen. (Binnen deze contour kunnen zich mogelijk één of meer bouwlagen bevinden die niet worden meegeteld bij het aantal bouwlagen bedoeld in de artikelen in hoofdstuk 2 van deze regels); 1.22 deskundig archeoloog de beleidsmedewerker archeologie van de gemeente, de aan de gemeente verbonden regio-archeoloog of een archeologisch bedrijf dat is gecertificeerd voor het uitvoeren van archeologische handelingen overeenkomstig de bepaling van de Erfgoedwet; 1.23 diepwortelende beplanting beplanting met een wortelstelsel dat meer dan 0,5 m onder het maaiveld reikt of dat naar verwachting in de toekomst zal doen; 1.24 evenement een publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvindend in de open lucht of in tijdelijke onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, religieuze en/of sportieve, of daarmee gelijk te stellen activiteiten zoals markten, braderieën, beurzen, kermissen, festiviteiten, wedstrijden, bijeenkomsten en festival;

74

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 hoofdgebouw een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.27 huishouden een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid; 1.28 kamerverhuur het geheel of gedeeltelijk verhuren van een woning of woongebouw -niet zijnde een ruimte in een vrijstaand bijgebouw- via kameruitgifte, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken in deze kamers van de al dan niet gedeeltelijke combinatie van een kookgelegenheid, een wasgelegenheid (sanitair en/of witgoedvoorzieningen) en een toilet, en waarbij geen sprake is van voorzieningen voor verzorging en begeleiding; 1.29 kap een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden; 1.30 maaiveld de bovenkant van het aansluitende afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden; 1.31 maximum aantal wooneenheden

op de verbeelding weergegeven aanduiding welke bepalend is voor het maximum toegestane aantal woningen; 1.32 milieucategorie milieucategorie als beschreven in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, uitgave 2009; 1.33 nadere eis een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder d van de Wet ruimtelijke ordening; 1.34 nutsvoorziening een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en electriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten; 1.35 onderbouw een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven maaiveld is gelegen (en waarbinnen zich één of meer bouwlagen kunnen bevinden die niet worden meegeteld bij het aantal bouwlagen zoals bedoeld in de artikelen in hoofdstuk 2 van deze regels);

Rheden 2016, locatie Brinkweg 1

75

1.36 ondergeschikte dakkapel dakkapel welke door zijn maatvoering als ondergeschikt deel van een gebouw kan worden aangemerkt, zijnde een dakkapel welke niet breder is dan 50% van de breedte van het betreffende gebouw tot een maximale breedte van 3 m, en met een fronthoogte van niet meer dan 1,75 m gemeten vanaf voet dakkapel tot aan het hoogste punt van de dakkapel; 1.37 ondergeschikte detailhandel detailhandel die voortvloeit uit een andere ter plaatse toegelaten bedrijfs- of beroepsactiviteit en daarmee een directe relatie heeft bijvoorbeeld omdat de producten ter plaatse worden vervaardigd of gebruikt, waarbij de detailhandel in ruimtelijk, functioneel en inkomensverwervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de bedrijfs- of beroepsactiviteit die qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als zodanig herkenbaar blijft; 1.38 opslag het opbergen van goederen - inclusief (vloei)stoffen en materialen - met de bedoeling en op een dergelijke wijze, dat men later weer over de goederen kan beschikken; 1.39 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.40 overige bouwwerken bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.41 peil de bovenkant van het aansluitende afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten

wordt aangehouden; 1.42 seksinrichting een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden; onder een hiervoor bedoelde inrichting worden in elk geval verstaan: een bordeel, seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en erotische massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar; 1.43 standplaats het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel; 1.44 straatmeubiliair hieronder wordt mede verstaan: (ondergrondse) inzamelbakken voor huishoudafval, - papier, glas-, kleding en andere afvalbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen, werken van beeldende kunst, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, alsmede abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen; 1.45 tuin deel van een perceel dat vanwege zijn stedenbouwkundige, cultuurhistorische dan wel landschappelijke waarde(n) vrij van gebouwen en overkappingen dient te blijven en dat als zodanig geen deel uitmaakt van het erf bij een woning;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=d2ab6f0d-ea5a-4925-a2f0-e5aeb68f5bdc