CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

Informatiebijeenkomst sessie 2 7 maart 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Ondersteuning van inwoners bij geheugenproblemen en dementie32.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het percentage laag- middelhoog- en hoogopgeleide mensen per gemeente en in Nederland in 202135

Nederland

28%

Arnhem

28%

Overbetuwe

27%

Lingewaard

29%

Renkum

41%

38%

27%

35%

43% 41%

11% 0%

30%

44%

28%

Rozendaal

35%

43%

22%

Rheden

31%

31%

36% 20%

53% 40%

60%

80%

100%

Laag opgeleid (basis, vmbo, mbo1, mavo) Middelhoog opgeleid (havo, vwo, mbo) Hoog opgeleid (hbo, wo bachelor, wo master, doctor)

Dit komt overeen met de uitkomsten van de focusgroepen. Verder tonen deze uitkomsten dat er grote verschillen in behoeften zijn tussen mensen met een laag en een hoog opleidingsniveau. Laagopgeleide mensen hebben vaak veel gewerkt en willen dit terugzien in de dagactiviteiten. Migratieachtergrond Onderzoek toont aan dat dementie vaker voorkomt bij migrantenouderen, dus bij ouderen met een niet-Nederlandse achtergrond.36 De verwachting is dan ook dat deze groep mensen sneller zal stijgen dan onder ouderen met een Nederlandse achtergrond. 37,38 Dit is te verklaren doordat bepaalde risicofactoren van dementie vaker voorkomen onder mensen met een migratieachtergrond. Dit gaat bijvoorbeeld om een lagere sociaaleconomische status, de kans op hart- en vaatziekten en het hebben van overgewicht en/of diabetes type II.39 In de focusgroepen met de casemanagers dementie kwam naar voren dat weliswaar in de gemeente Arnhem veel mensen wonen meteen migratieachtergrond, maar dat dit niet terug te zien is in de caseload. In Arnhem heeft 1 op de 3 inwoners een migratieachtergrond tegenover 1 op de 4 op landelijk niveau en 1 op de 7 in de andere vijf gemeenten. De casemanagers gaven in de focusgroepen op verschillende manieren duiding aan de lage vertegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de caseload. Zij gaven aan dat 34 35 36 37 38

39

In Rozendaal is 53% hoogopgeleid. CBS Statline (2021). Volksgezondheid Toekomst Verkenning (z.d.). Volksgezondheid Toekomst Verkenning (z.d.). Met name onder ouderen met een Marokkaanse, Turkse en of Surinaams-Hindoestaanse achtergrond komt dementie verhoudingsgewijs meer voor dan onder ouderen met een Nederlandse achtergrond. Volksgezondheid Toekomst Verkenning (z.d.). Van den Broeke, C., Smits, C., & Noorlander, L. (2019).

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

20

mensen met een Marokkaanse of Turkse achtergrond veel binnen de familie regelen en een beperktere toegang ervaren tot zorg. Een drietal punten werd in de focusgroepen genoemd die van invloed zijn op de ervaren beperkte toegang tot zorg: een taalbarrière, beperkte kennis van het zorgsysteem en de cultuur om de zorgen binnen de familie op te lossen. Hierdoor ontbreekt een vroegtijdige signalering van dementie en toewijzing van een casemanager. 3.3.2 Fase van dementie tijdens aanmelding Om het ziekteproces van dementie te omschrijven, zijn vier fasen vastgesteld die mensen met dementie doorlopen. De eerste fase, de niet-pluisfase, beschrijft de aanwezigheid van symptomen die wijzen op mogelijke dementie, maar in deze fase wordt nog geen diagnose gesteld. De beginnende fase beschrijft het zichtbaar worden van kleine veranderingen in het gedrag of de capaciteiten van de persoon met dementie. Vanaf deze fase wordt wel een diagnose gesteld. De gevorderde, derde fase van dementie beschrijft dat veranderingen in het gedrag of de capaciteiten van de persoon met dementie duidelijk zichtbaar zijn. De laatste fase is de vergevorderde fase. In deze fase is de persoon met dementie afhankelijk van anderen en hulpbehoevend. De diagnose dementie wordt veelal gesteld door de huisarts of de geriater, die de patiënt vervolgens via de website van het NDAO aanmeldt bij een casemanager.

Ook mantelzorgers of anderen betrokkenen kunnen cliënten met cognitieve problemen aanmelden via de website van het NDAO. In de figuur hieronder tonen wij de fasen van dementie waarin mensen zich bevinden op het moment dat de verwijzer de diagnose stelt en hen aanmeldt bij een casemanager. Figuur 3.6

Fase van dementie tijdens aanmelding in percentages per gemeente (2021).40.41 13% Arnhem

57%

26%

4% 21% Overbetuwe

47%

24%

8% 10% Lingewaard

52%

31%

7%

31% Renkum

56%

12%

1%

31%

Rheden/Rozendaal 1% 0%

54%

14% 10%

20%

30%

40%

50%

60%

Niet pluis fase Beginnende fase Gevorderde fase Vergevorderde fase

Op het moment van aanmelden bij het NDAO bevindt gemiddeld iets meer dan de helft van de mensen zich in de beginnende fase van dementie. Uit de figuur blijkt dat het aandeel gevorderden met dementie bij aanmelden in Renkum en Rheden/Rozendaal lager ligt dan in de andere drie 40 41

NDAO Factsheet (2021). Vaak worden de gemeenten Rheden en Rozendaal samengenomen omdat Rozendaal weinig inwoners telt. In Figuur 3.6 nemen wij die gemeenten ook samen.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

21

gemeenten. Dat komt doordat mensen in die drie gemeenten pas in een latere fase worden doorverwezen. Het relatief hoge percentage aanmeldingen in de niet-pluis fase in Rheden kan onder andere verklaard worden doordat in Rheden inwoners in de niet-pluisfase – zonder dat er een diagnose dementie door de huisarts gesteld is – gebruik kunnen maken van een casemanager. In de gemeente Rheden is ervoor gekozen om de casemanagers als een vorm van onafhankelijke cliëntondersteuning in te zetten. De casemanager is vrij toegankelijke zorg en wordt door de gemeente Rheden vergoed uit de Wmo. Inwoners kunnen in Rheden dus op een laagdrempelige manier gebruik maken van een casemanager zonder dat er een traject met de huisarts aan vooraf gaat. Inwoners in de niet-pluisfase zijn daarom mogelijk sneller in beeld. Daarnaast helpen de afspraken die in Rheden en Renkum met geriaters en andere specialisten in de regio gemaakt zijn over vroegtijdig doorverwijzen om inwoners in de niet-pluisfase al in beeld te krijgen. Alzheimer Nederland en Zorgstandaard Dementie beschrijven dat vroegtijdige signalering van dementie, dus in de niet-pluisfase, verschillende voordelen heeft. Het zorgt ervoor dat een ander ziektebeeld vroegtijdig wordt uitgesloten, dementie-vertragende behandeling zo snel mogelijk wordt gestart en hulp en ondersteuning vroegtijdig wordt geboden.

Dit geeft opluchting en problemen in de thuissituatie worden hierdoor tijdig gesignaleerd. Dit versterkt de autonomie en biedt ruimte om zelf keuzes te maken. Mensen kunnen zich zo langer voorbereiden op wat komen gaat, erover praten en zich vooral erkend voelen in hun klachten.42 Met andere woorden, vroegtijdige signalering van dementie is essentieel en de inzet van de casemanager als onafhankelijke cliëntondersteuner én goede afspraken met huisartsen, geriaters en andere specialisten over vroegtijdig doorverwijzen kunnen helpen om inwoners al eerder te bereiken en hulp te bieden. Het kan van toegevoegde waarde zijn wanneer de andere gemeenten in de regio hier lering uit trekken en onderdelen van deze aanpak in de eigen gemeente gaan toepassen. 3.3.3 Fase van dementie op het tweejaarlijkse telmoment door casemanagers dementie Voor het aanbod aan dagactiviteiten is het belangrijk om te weten in welke fase het merendeel van de mensen met dementie zich momenteel bevindt. Het aanbod moet namelijk een weerspiegeling vormen van de behoeften van mensen met dementie en deze behoefte hangt onder andere af van de fase waarin iemand zich bevindt.

42

Zorgstandaard Dementie (2020).

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

22

Figuur 3.7

De fase waarin inwoners met dementie zich bevinden op het moment van tellen uitgedrukt in percentages 6% 30%

Arnhem

50% 14% 9% 31%

Overbetuwe

41% 8% 5% 32%

Lingewaard

39% 24% 21% 37% 35%

Renkum 7% 22%

38%

Rheden/Rozendaal

33% 7% 0%

Niet-pluisfase

10%

20%

Beginnende fase

30%

40%

Gevorderde fase

50%

60%

Vergevorderde fase

Figuur 3.7 toont de fase waarin mensen zich bevinden per gemeente in 2021.43 In alle gemeenten bevindt het merendeel van de cliënten zich in de middelste twee fasen: de beginnende en de gevorderde fase van dementie. Het merendeel zit in de gevorderde fase van dementie. De figuur onderstreept het belang om vooral in te zetten op activiteiten die aansluiten bij de behoeften van mensen in de beginnende en gevorderde fase van dementie. In de gemeenten Renkum en Rheden/Rozendaal geldt dit dus ook voor de niet-pluisfase. Eerder onderzoek toont aan dat mensen in de niet-pluisfase veel behoefte aan autonomie hebben en het voortzetten van hun leven zoals zij dit altijd hebben gedaan. Dit betekent dat mensen nog veel behoefte hebben aan bewegen of het ondernemen van activiteiten die bij hun werk of hobby’s aansluiten. In de beginnende fase van dementie zijn mensen iets ‘verdwaalder’ en behoeven meer begeleiding. In plaats van dat zij heel erg losgelaten willen worden, kan ondersteuning in het bewegen of muziek maken voor een positieve stemming zorgen. In de gevorderde en vergevorderde fasen van dementie hebben mensen in tegenstelling tot de eerste fasen meer behoefte aan passieve dan actieve activiteiten.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan zitten en luisteren om rust te creëren.44 3.3.4 Financieringsbron casemanager Casemanagers staan als onafhankelijke professional naast iemand met dementie en zijn of haar naaste(n). Zoals beschreven in hoofdstuk 2 wordt een casemanager vanuit de Zvw of de Wlz betaald. In Rheden wordt een casemanager als OCO ook vanuit de Wmo betaald. Wanneer de casemanager vanuit de Zvw betaald wordt, dan betekent dit dat de cliënt thuis zorg ontvangt net zoals de wijkverpleging. Deze cliënten bevinden zich veelal in de beginnende of gevorderde fasen van dementie. Als de casemanager vanuit de Wlz wordt betaald heeft de cliënt een Wlz-indicatie en dus intensievere en langdurige zorg thuis nodig voor onbepaalde tijd (gevorderde of vergevorderde fase). De Figuur hieronder toont de financieringsbron van de casemanagers in de regio Arnhem en omstreken.

43 44

NDAO Factsheet (2021). Kennisplein Zorg voor Beter. (2022, 21 juli). Stichting Philadelphia Zorg (z.d.).

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

23

Figuur 3.8

De financieringsbron van de casemanagers in de vijf gemeenten uitgedrukt in percentages

140% 120% 23% 100% 80%

41%

52%

56%

48%

44%

Overbetuwe

Lingewaard

39%

38%

61%

62%

Renkum

Rheden/Rozendaal

60% 40% 59% 20% 0% Arnhem

Zvw

Wlz

OCO

Figuur 3.8 laat zien dat mensen met dementie in de gemeenten Renkum en Rheden/Rozendaal in een mildere en dus meer beginnende fase van dementie zitten omdat de casemanagers hoofdzakelijk uit de Zvw betaald worden. Dit komt ook overeen met de vorige paragraaf waarin wij concludeerden dat de gemeenten Renkum en Rheden/Rozendaal dementie tijdiger signaleren in vergelijking tot de andere drie gemeenten. In Rheden/Rozendaal tellen de percentages op tot 123% in plaats van tot 100% zoals in de andere gemeenten. Dit komt omdat de casemanager in de gemeente Rheden in één jaar als OCO vanuit de Wmo betaald wordt maar diezelfde casemanager kan op een later moment in dat jaar vanuit de Zvw betaald worden wanneer zijn of haar cliënt een Zvw-indicatie krijgt. 3.3.5 Mantelzorgers In Nederland wordt 79% van de mensen met dementie verzorgd door een mantelzorger, een naaste uit de familie en/of directe omgeving.45 Dit betekent dat er in Nederland ruim 800.000 mantelzorgers zijn van mensen met dementie. De ervaren belasting van mantelzorgers is relatief hoog. Daarom is het van belang een aanbod te creëren voor de mantelzorgers met als doel ontspanning. Nederland

Arnhem

Lingewaard

Overbetuwe

Renkum

Rheden

Rozendaal

14%

13%

15%

15%

16%

15%

17%

Mantelzorger

De tabel hierboven toont het percentage algemene mantelzorgers in Nederland en in de zes gemeenten. Het laat zien dat meer dan 1 op de 10 mensen de zorg voor een naaste op zich neemt. In Rozendaal is dit zelfs op bijna 1 op de 5. 3.3.6 Tussenconclusie Het is allereerst van belang dat gemeenten, samenwerkende zorgorganisaties en huisartsen inzetten op het vroegtijdig signaleren en bereiken van mensen dementie om de ziekte te signaleren. In de zes gemeenten wordt dementie door huisartsen vaak pas in de beginnende fase ontdekt en in Arnhem, Overbetuwe en Lingewaard bevindt een groot deel zich zelfs in de gevorderde fase van dementie. Vroegtijdige doorverwijzing is essentieel om tijdig de juiste

45

Alzheimer Nederland (z.d.).

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

24

begeleiding te zoeken voor iemand met dementie en diens naasten. De inzet van de casemanager als onafhankelijke cliëntondersteuner én goede afspraken met huisartsen, geriaters en andere specialisten over vroegtijdig doorverwijzen helpen om inwoners al eerder te bereiken en hulp te bieden. Het is belangrijk dat het aanbod aan activiteiten aansluit bij mensen die zich in de beginnende en gevorderde fase van dementie bevinden. Dit betekent dat passende begeleiding bij activiteiten nodig is en er niet altijd behoefte is aan zeer actieve activiteiten. Het is echter belangrijk om de activiteiten toegankelijk te houden voor alle fasen van dementie en zowel de eerste als de laatste fase niet uit het oog te verliezen.

3.4

Conclusie In alle zes gemeenten zal het aantal mensen met dementie – als gevolg van de vergrijzing toenemen in de periode tot en met 2030. De gemeenten, huisartsen en samenwerkende zorgpartners moeten in hun beleid rekening houden met deze toenemende groep chronisch zieken in de vorm van passende begeleiding, zorg en dagbesteding. Er is een aantal knoppen – of beïnvloedbare factoren – waar gemeenten en samenwerkende partners aan kunnen draaien om een toename van het aantal mensen met dementie te verminderen en hun kwaliteit van leven te bevorderen. Partijen zouden meer moeten inzetten op het bevorderen van positieve gezondheid/leefstijl. Het helpt als gemeenten en samenwerkende partners hun beleid vanuit (positieve) gezondheid en minder vanuit zorg formuleren en uitvoeren. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld tijdens het keukentafelgesprek als onderdeel van een Wmoaanvraag al met inwoners spreken over gezondheid, wat iemand kan, belangrijk vindt en wil veranderen. Ook kunnen partners gezamenlijk een campagne opzetten gericht op bevorderen van een gezonde leefstijl en (positieve) gezondheid bij ouderen. Ditzelfde geldt als het gaat om sociale en emotionele eenzaamheid en het hebben van sociale contacten, waar gemeenten en zorgaanbieders veel in kunnen betekenen.

Wanneer mensen dreigen gevoelens van eenzaamheid te ontwikkelen kunnen locaties voor dagbesteding en ontmoeting fungeren als plek om eenzaamheid te voorkomen. Juist ook als wijkcoaches, Wmoconsulenten, casemanagers of andere zorgprofessionals bij mensen thuiskomen bijvoorbeeld vanwege een Wmo-aanvraag kunnen zij al uitvragen of mensen zich eenzaam voelen. Als dit het geval is kunnen zij tijdig sociale ondersteuning zoeken voor deze mensen. Daarnaast adviseren we gemeenten, in samenwerking met huisartsen en zorgpartners, meer werk te maken van het vroegtijdig signaleren en bereiken van inwoners met dementie. Vroegtijdige doorverwijzing is essentieel om tijdig de juiste begeleiding te zoeken voor iemand met dementie en diens naasten. De inzet van de casemanager als onafhankelijke cliëntondersteuner én goede afspraken met huisartsen, geriaters en andere specialisten over vroegtijdig doorverwijzen kunnen helpen om inwoners al eerder te bereiken en hulp te bieden.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

25

4

Behoefte van thuiswonende inwoners met dementie in Arnhem en omstreken

In dit hoofdstuk beschrijven we de behoefte aan dagactiviteiten van thuiswonende inwoners met dementie in de regio Arnhem en omstreken. De resultaten uit dit hoofdstuk zijn gebaseerd op een enquête onder 104 thuiswonenden inwoners met dementie.

4.1

De behoefte van thuiswonende inwoners met dementie

4.1.1 De respondenten In totaal hebben 104 thuiswonende inwoners met dementie de vragenlijst ingevuld46. Van deze groep hebben 59 inwoners (57%) op het moment van invullen de maand ervoor deelgenomen aan een dagactiviteit en 45 inwoners (43%) hebben dat niet gedaan. Van de totale groep hebben 31 inwoners aangegeven gebruik te maken van dagbesteding vanuit de Wmo en achttien inwoners maken gebruik van dagbesteding vanuit de Wlz. Daarnaast heeft 1 respondent aangegeven gebruik te maken van de Zvw en acht inwoners wisten de vraag niet te beantwoorden. De andere respondenten (22) maken gebruik van particuliere of ontmoetingsactiviteiten in het dorp (4) of maken helemaal geen gebruik van dagactiviteiten (18). 4.1.2 Tevredenheid over het huidige aanbod Uit de vragenlijst onder thuiswonende inwoners met dementie blijkt dat voor 52% van de respondenten geldt dat het huidige aanbod aan dagactiviteiten aansluit bij hun wensen. Voor 48% sluit het huidige aanbod niet aan. In figuur 4.1 zijn de antwoorden weergegeven. Daarbij is onderscheid gemaakt in reacties van inwoners die de afgelopen maand wel of niet hebben deelgenomen aan een dagactiviteit. Van de inwoners die de afgelopen maand niet hebben deelgenomen, is 86% niet tevreden met het huidige aanbod.

Van de inwoners die de afgelopen maand wel hebben deelgenomen aan dagactiviteiten is 74% tevreden over het huidige aanbod, maar voor ruim een kwart van deze groep sluit het aanbod echter niet aan bij hun wensen.

46

De vragenlijst is te lezen in bijlage 1.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

26

Figuur 4.1 Aansluiting het huidige aanbod van dagactiviteiten bij de wensen van de respondenten, uitgesplitst naar of zij de afgelopen maand hebben deelgenomen een dagactiviteit en uitgedrukt in percentages

Heeft de afgelopen maand...

Sluit het huidige aanbod dagactiviteiten aan bij uw wensen?

Niet deelgenomen aan een dagactiviteit

14%

86%

Deelgenomen aan een dagactiviteit

74%

0%

Ja

20%

26%

40%

60%

80%

100%

Nee

N wel deelgenomen aan een dagactiviteit = 53, niet deelgenomen aan een dagactiviteit = 29

In de resultaten is ook het verschil in tevredenheid zichtbaar te maken, uitgesplitst naar de woonplaats van de respondenten. Dit is in figuur 4.2 weergeven. In Overbetuwe vindt bijna drie kwart (73%) van de respondenten dat het aanbod aansluit bij zijn/haar wensen. In de andere gemeenten ligt dit percentage fors lager, namelijk tussen de 36% en 44%. Figuur 4.2

Aansluiting van het huidige aanbod van dagactiviteiten bij de wensen van de respondenten, uitgesplitst naar gemeente en uitgedrukt in percentages

Sluit het huidige aanbod dagactiviteiten aan bij uw wensen?

Renkum

36%

Overbetuwe

64%

73%

Lingewaard

27%

40%

Arnhem

60%

44% 0%

20%

56% 40% Ja

60%

80%

100%

Nee

N Arnhem = 27, Lingewaard = 15, Overbetuwe = 22, Renkum = 14

Tot slot is er ook verschil tussen de antwoorden van inwoners die gebruik maken van dagbesteding vanuit de Wmo of de Wlz. Van de inwoners die gebruik maken van Wlz-dagbesteding is 78% tevreden over het aanbod en 22% niet. Bij 60% van de inwoners die gebruikmaken van Wmodagbesteding sluit het aanbod aan bij hun wensen en bij 40% van deze groep niet.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

27

4.1.3 Redenen om niet of juist wel deel te nemen Redenen om niet deel te nemen Aan de respondenten is gevraagd waarom zij (soms) niet naar dagactiviteiten toe gaan. De antwoorden daarop zijn in figuur 4.3 weergeven. Figuur 4.3

Redenen om soms niet naar dagactiviteiten te gaan, uitgedrukt in percentages

De reden dat ik (soms) niet naar een dagactiviteit ga is omdat: (n = 70) Ik niet (altijd) geassocieerd wil worden met de ziekte dementie Ik iets dat nieuw is spannend vind en liever bij het bekende blijf Ik geen behoefte heb om mij onder andere mensen met dementie te bevinden Er geen activiteit wordt wordt aangeboden die aansluit bij mijn wensen Het mij mentaal niet lukt om naar een dagopvang te gaan of deel te nemen Ik het idee heb dat ik veel moet. Mijn vrijheid wordt beperkt door dagactiviteiten Het mij fysiek niet lukt om naar een dagopvang te gaan of deel te nemen

46% 41% 39% 30% 29% 24% 19%

Ik niet genoeg zelfvertrouwen heb om deel te nemen

17%

Er geen begeleiding of vervoer is om naar een activiteit toe te gaan

14%

Ik buitenshuis al een druk leven heb

10%

Ik financieel niet in staat ben om deel te nemen

9% 0%

20%

40%

60%

Niet (altijd) geassocieerd willen worden met de ziekte dementie Bijna de helft van de respondenten heeft aangegeven dat zij (soms) niet gaan omdat zij niet geassocieerd willen worden met de ziekte dementie. Dit speelt voor meer respondenten in de leeftijdsklassen 40 tot 75 jaar, waarvan ruim 60% van de respondenten dit antwoord heeft gegeven. Onder respondenten van 75 jaar en ouder heeft 40% dit aangegeven. Dit is ook een reden voor 67% van de inwoners die de afgelopen maand niet deelnamen aan een dagactiviteit. Voor respondenten die gebruik maken van dagbesteding vanuit de Wmo geldt dit voor bijna de helft van hen (48%). Voor gebruik makers van de Wlz geldt dit voor twee van de respondenten (14%). Tot slot is er ook verschil tussen gemeenten zichtbaar. In de gemeenten Arnhem en Lingewaard is dit punt relevant voor 67% van de respondenten die daar wonen. Dit speelt voor minder respondenten uit de gemeenten Renkum (29%) en Overbetuwe (11%). Het verschilt per persoon in hoeverre mensen met dementie zich bewust zijn van hun ziekte47. Het niet geassocieerd willen worden met de ziekte dementie kan hier ook uit voorkomen. Sommige mensen ontkennen hun ziekte en vinden het moeilijk bepaalde maatregelen te accepteren. Daarnaast kan bij mensen met dementie die het ziekte-inzicht wel hebben juist angst heersen over de gevolgen van een ziekte.

Voor mensen met dezelfde ziekte, maar in een verder gevorderd stadium, is ontmoeten dan ook heel confronterend. Iets nieuws is spannend Bij een analyse van de respondenten die het spannend vinden om naar een nieuwe activiteit te gaan, en liever bij het bekende blijven, vallen twee dingen op. Ten eerste heeft 60% van de

47

Alzheimer Nederland (2022, 21 juni).

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

28

respondenten tussen de 40-65 jaar dit aangegeven, ten opzichte van 46% van de respondenten tussen de 65-75 jaar en 38% van respondenten ouder dan 75 jaar. Daarnaast speelt dit voor meer respondenten uit de gemeente Lingewaard dan uit de andere gemeenten. Namelijk 60% van de respondenten woonachtig in de gemeente Lingewaard heeft dit aangegeven. In de gemeenten Arnhem, Overbetuwe en Renkum gaat het respectievelijk om 43%, 26% en 36%. Geen behoefte aan omgang met andere inwoners met dementie 39% van de respondenten heeft aangegeven (soms) niet naar dagactiviteiten te gaan omdat zij geen behoefte hebben aan omgang met andere inwoners met dementie. Dit geldt meer dan gemiddeld voor respondenten tussen de 40-65 jaar (60%), dan voor respondenten tussen de 6575 jaar (46%) of 75 jaar en ouder (36%). Daarnaast is in de analyse te zien dat dit antwoord vaker is gegeven door respondenten die de afgelopen maand niet deelnamen aan een dagactiviteit (67%), dan door respondenten die de afgelopen maand wel deelnamen (27%). Tot slot was er van de groep inwoners die gebruik maakt van dagbesteding vanuit de Wlz slechts één respondent die dit als reden benoemde. Activiteiten sluiten niet aan bij de behoeften In totaal gaf 30% van de respondenten aan soms niet naar dagactiviteiten te gaan, omdat het niet aansluit bij hun behoefte.

Bij analyse van deze respondenten valt op dat 56% van de inwoners die een opleiding hebben afgerond op het hoger beroepsonderwijs dit antwoord hebben ingevuld. Dit is een hoger percentage dan bij andere opleidingsniveaus, waarbij de percentages onder de 35% liggen. Daarnaast hebben beide respondenten uit de Nederlandse Cariben dit antwoord gegeven. Tot slot heeft 31% van de inwoners die gebruik maken van dagbesteding vanuit het Wmo aangegeven soms niet te gaan omdat de activiteiten niet aansluiten bij hun behoefte. Dit geldt voor 7% van de respondenten die gebruik maken van dagbesteding vanuit de Wlz. Financieel niet in staat om deel te nemen In totaal hebben slechts zes respondenten aangegeven soms niet naar dagactiviteiten te gaan omdat zij daar financieel niet in staat toe zijn. Bij verdieping in deze respondenten valt het op dat vijf van hen in de gemeente Arnhem wonen. Redenen om wel deel te nemen Er is de respondenten ook gevraagd naar waarom zij wel deelnemen aan dagactiviteiten. De antwoorden daarop zijn in figuur 4.4 weergeven.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

29

Figuur 4.4

Redenen om deel te nemen aan dagactiviteiten, uitgedrukt in percentages

Ik neem deel aan een dagactiviteit om… (n = 88) Mensen te ontmoeten

74%

Te voorkomen dat mijn geheugen en kennis achteruit gaan

72%

Te voorkomen dat ik fysiek achteruit ga

63%

Mijn geheugen en kennis te ontwikkelen

55%

Mij nuttig te voelen of een steentje bij te dragen

52%

Mij fysiek te ontwikkelen

39%

Iets te leren

31%

Mij creatief te ontwikkelen

29% 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Mensen ontmoeten De meest voorkomende reden voor respondenten om deel te nemen aan dagactiviteiten is om mensen te ontmoeten. Deze reden geldt ook voor het grootste deel van de respondenten met een ander geboorteland dan Nederland. Namelijk voor beide respondenten uit de Nederlandse Cariben, de respondent uit Turkije en de helft van de respondenten uit Indonesië. Voorkomen dat geheugen en kennis achteruitgaan 82% van de respondenten die 75 jaar en ouder zijn hebben aangegeven dat zij deelnemen om te voorkomen dat hun geheugen en kennis achteruit gaan. Binnen de leeftijdsklassen 40-65 jaar (57%) en 65-75 jaar (44%) komt dit minder voor. Nuttig voelen en een steentje bijdragen Voor ruim de helft van de respondenten geldt dat zij deelnemen aan dagactiviteiten om zich nuttig te voelen of een steentje bij te dragen. Binnen deze groep respondenten valt op dat dit voor 86% van de respondenten tussen de 40-65 jaar geldt. Dit is beduidend meer dan bij de andere leeftijdsklassen 65-75 jaar (44%) en 75 jaar en ouder (51%). Daarnaast zijn de percentages van respondenten voor wie dit geldt hoger bij afronding van het lager onderwijs (73%), lager beroepsonderwijs (61%) en middelbaar beroepsonderwijs (57%), dan bij afronding van het hoger beroepsonderwijs (38%) en wetenschappelijk onderwijs (0%).

Verschil in redenen bij Wmo en Wlz dagbesteding Bij de respondenten die gebruik maken van Wmo dagbesteding zien we andere redenen naar voor komen dan bij respondenten die gebruik maken van Wlz dagbesteding. Dit verschil is in figuur 4.5 weergeven. Daarin is zichtbaar dat bijvoorbeeld 48% van de respondenten die aangeeft gebruik te maken van dagbesteding vanuit de Wmo deelneemt aan een dagactiviteit om iets te leren en zich creatief te ontwikkelen. Dit geldt echter voor slechts 22% van de respondenten die eerder aangaven gebruik te maken van dagbesteding vanuit de Wlz.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

30

Figuur 4.5

Redenen voor respondenten die gebruik maken van dagactiviteit vanuit de Wmo of Wlz om deel te nemen aan dagactiviteiten, uitgedrukt in percentages

Ik neem deel aan een dagactiviteit om… 100%

90% 89%

87% 89% 78%

80%

67% 62%

66% 56%

60%

48%

48%

66% 52% 44%

40% 22% 20%

17%

0% Mensen te Mij nuttig te Iets te leren Mij creatief Mijn Mij fysiek te Te Te ontmoeten voelen of te geheugen ontwikkelen voorkomen voorkomen een steentje ontwikkelen en kennis te dat mijn dat ik fysiek bij te ontwikkelen geheugen achteruit ga dragen en kennis achteruit gaan

Wmo

Wlz

N Wmo = 31, Wlz = 18

4.1.4 Belangrijke aspecten van dagactiviteiten In tabel 4.1 is een overzicht van bepaalde aspecten van dagactiviteiten weergeven en in hoeverre de respondenten deze belangrijk vinden bij dagactiviteiten. Het percentage toont het aandeel respondenten dat heeft aangegeven dat zij dit aspect belangrijk vinden. De andere antwoordopties waren ‘nee’ of ‘maakt niet uit’. Onder de tabel zijn bepaalde aspecten verder toegelicht, omdat daar interessante analyses naar voren kwamen. Tabel 4.1

Het belang van aspecten van dagactiviteiten, uitgedrukt in percentages

Aspect

% (n = 69)

De sfeer en veiligheid op de locatie waar de dagactiviteit plaatsvindt

97%

De mate waarin het personeel of de vrijwilligers met mij communiceren

97%

Er zorgprofessionals aanwezig zijn

90%

De mate van communicatie door de organisatie over de dagactiviteit

87%

Er van tevoren afspraken zijn gemaakt over de tijden waarop ik aanwezig dien te zijn

84%

bij de activiteit Er een ‘gevoel van zorg’ om de activiteit heen hangt

81%

Het type dagactiviteit

80%

De wijze waarop het vervoer is geregeld naar de dagactiviteit

80%

De grootte van de groep die aan de dagactiviteit deelneemt

78%

De groep bestaat uit mensen die dezelfde taal spreken

78%

De reisafstand naar de locatie waar de dagactiviteit plaatsvindt

72%

De mate van fysieke inspanning die vereist is tijdens de dagactiviteit

69%

Het uiterlijk van de locatie waar de dagactiviteit plaatsvindt

66%

De mate van mentale inspanning die vereist is tijdens de dagactiviteit

65%

De groep altijd bestaat uit dezelfde mensen

55%

Een volledige vergoeding van de dagactiviteit

39%

De activiteiten worden bedacht door de deelnemers van de activiteit zelf

38%

Er een actieve rol van mantelzorgers is

34%

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

31

Aspect

% (n = 69)

Ik zonder mij aan te melden bij een activiteit binnen kan lopen

34%

Er ter plekke activiteiten worden bedacht in plaats van dat gekozen mag worden uit

31%

vooraf bedachte activiteiten Deze alleen toegankelijk zijn voor mensen die zich in hetzelfde stadium dementie

26%

bevinden als ik Deze alleen toegankelijk zijn voor mensen met dementie

19%

De groep altijd bestaat uit mensen die dezelfde culturele achtergrond hebben als ik

15%

Deze alleen toegankelijk zijn voor mensen die even oud zijn als ik

10%

De reacties van mensen met dementie op bovenstaande punten laten zien aan welke aspecten zij wel of geen belang hechten. De sfeer en veiligheid van de locatie en de manier van communiceren vinden bijvoorbeeld bijna alle respondenten van belang. Daarnaast zijn aspecten zoals de aanwezigheid van zorgprofessionals en structuur aan de activiteit door middel van vastgezette tijden van belang. Dit zijn onderdelen waar gemeenten en zorgaanbieders dus rekening mee zouden moeten houden, want dit is wat mensen met dementie belangrijk vinden. Gevoel van zorg 81% van de respondenten heeft aangegeven dat zij het belangrijk vinden dat er een ‘gevoel van zorg’ om de activiteit heen hangt. Bij een analyse van deze respondenten is het opvallend dat alle respondenten woonachtig in de gemeente Renkum (20) hebben aangegeven dat zij dit belangrijk vinden. Daarnaast hebben ook alle respondenten die gebruik maken van dagbesteding vanuit de Wlz aangegeven dit belangrijk te vinden. Er is ook een verdiepende vraag gesteld over thema’s die respondenten plezierig vinden. De resultaten daarvan zijn hieronder weergeven. Figuur 4.6

Plezierige thema's van dagactiviteiten, uitgedrukt in percentages

Ik vind het plezierig als de dagactiviteit draait om het thema: (n = 84) Muziek Natuur Sport/bewegen Planten Spel Handarbeid Dieren Anders Kunst Theater Dans Koken ICT

72% 72% 68% 58% 51% 46% 42% 39% 37% 35% 29% 23% 6% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

Groepsgrootte De groepsgrootte is een belangrijk aspect van de dagactiviteiten, in ieder geval volgens 78% van de respondenten. In een verdiepende vraag heeft daarnaast 53% aangegeven behoefte te hebben aan één-op-één activiteiten. Inwoners die middelbaar en hoger beroepsonderwijs hebben afgerond hebben dit vaker aangegeven dan respondenten met andere opleidingsniveaus.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

32

Er is ook gevraagd naar de voorkeur van de respondenten wat betreft groepsgrootte. De resultaten daarvan zijn in figuur 4.7 weergeven. Daaruit blijkt dat de meeste respondenten een voorkeur hebben voor een groepsgrootte van 2 tot 6 personen. Uit de resultaten blijkt ook dat respondenten uit de leeftijdsklasse 40-65 jaar, namelijk 60% binnen deze groep, vaker de voorkeur hebben voor individuele begeleiding dan respondenten uit de leeftijdsklassen 65-75 jaar (50%) en 75 jaar of ouder (21%). Figuur 4.7

Voorkeur voor groepsgrootte, uitgedrukt in percentages

Welke groepsgrootte bij uw favoriete dagactiviteiten heeft uw voorkeur? (n = 73)

11-16 personen

11%

7-10 personen

18%

2-6 personen

42%

Individueel met een maatje

29%

0%

10%

20%

30%

40%

50%

Vervoer en reisafstand De wijze waarop het vervoer naar de dagactiviteit is geregeld is voor 80% van de respondenten belangrijk. Opvallend is dat dit alle respondenten uit de leeftijdsklasse 40-65 jaar betreft én 100% van de respondenten met een ander geboorteland dan Nederland (6). In een verdiepende vraag is ook gevraagd door welke organisatie het vervoer het liefst geregeld zou moeten zijn. Hieruit blijkt dat de respondenten vooral een verantwoordelijkheid zien voor de gemeente en de organisatie van dagactiviteiten, in plaats van voor hun naasten of zichzelf. Figuur 4.8

Voorkeur voor organisatie van het vervoer, uitgedrukt in percentages

Het vervoer naar dagactiviteiten zou geregeld moeten zijn door (n = 67)

Gemeente/regio

88%

De organisatie van de dagactiviteit

74%

Vrijwilligers

57%

Naasten van de mensen met dementie

34%

De mensen met dementie zelf

3% 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

33

Tot slot is het opvallend dat de respondenten uit alle gemeenten vinden dat het de rol en verantwoordelijkheid van de gemeente is om het vervoer naar dagactiviteiten te regelen, behalve respondenten uit de gemeente Arnhem. Van de respondenten woonachtig in Arnhem hebben de meeste de voorkeur voor dat de organisatie van dagactiviteit ook het vervoer regelt (74%). Dit is 6%-punt meer dan het aandeel inwoners met de voorkeur dat de gemeenten het vervoer regelt. Reisafstand In het algemeen geeft 72% van alle respondenten aan dat de reisafstand een belangrijk aspect is van de dagactiviteit. Alle respondenten (6) met een ander geboorteland dan Nederland vinden dit belangrijk. In een verdiepende vraag is ook door gevraagd naar de gewenste maximale reisafstand voor de favoriete dagactiviteiten van respondenten. De resultaten daarvan zijn in figuur 4.9 weergeven. De meerderheid wenst tussen de 5 en 15 minuten te reizen. 30 minuten is de maximum reisafstand. Figuur 4.9

Voorkeur voor maximale reisafstand, uitgedrukt in percentages

Gewenste maximale reisafstand om naar favoriete dagactiviteiten te gaan (n = 74)

4%0% 18% 27%

5 minuten reistijd 5-10 minuten reistijd 10-15 minuten reistijd 23%

15-30 minuten reistijd 30-45 minuten reistijd 45-60 minuten reistijd

28%

Binnen deze cijfers valt ook een uitsplitsing te maken naar de woonplaats van de respondenten. De resultaten daarvan zijn in figuur 4.10 weergeven. Daaruit blijkt onder andere dat de maximale reisafstand voor inwoners uit de gemeente Renkum hoger ligt dan voor inwoners uit de andere gemeenten.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

34

Figuur 4.10 Voorkeur voor maximale reisafstand, uitgedrukt in percentages, uitgesplitst naar gemeente

Gewenste maximale reisafstand om naar favoriete dagactiviteiten te gaan 50% 41% 40%

40%

36% 29%

30%

25%

25% 20%

20%

23%

14% 14%

27%

25%

20%

18% 14%

13%

10%

5%

7%

5% 0%

0% 5 minuten reistijd

5-10 minuten reistijd

Arnhem

10-15 minuten reistijd

Lingewaard

15-30 minuten reistijd

Overbetuwe

30-45 minuten reistijd

Renkum

N Arnhem = 20, Lingwaard = 14, Overbetuwe = 22, Renkum = 15

Tussen inwoners die gebruik maken van de Wmo en Wlz dagbesteding is geen verschil te zien wat betreft de gewenste maximale reisafstand. Dezelfde taal Voor 78% van alle respondenten is het van belang dat de groep deelnemers van de dagactiviteiten bestaat uit inwoners die dezelfde taal spreken. Daarbij is het interessant om te kijken naar verschillen tussen respondenten met verschillende geboortelanden. Dit aspect is van belang voor 76% van de respondenten die in Nederland zijn geboren. Daarnaast vinden alle respondenten (100%) met een ander geboorteland dan Nederland het belangrijk dat inwoners dezelfde taal spreken. Fysieke en mentale inspanning De mate van fysieke inspanning is voor 69% van de respondenten een belangrijk aspect van de dagactiviteit. Voor het aspect van mentale inspanning betreft dat 65%. Binnen de groep respondenten die fysieke inspanning belangrijk vinden valt het op dat dit voor alle respondenten (4) geldt die tussen de 40-65 jaar zijn. Dit is meer dan in de andere leeftijdsklassen waarin dat gemiddeld voor 66% geldt. Daarnaast is er ook verschil zichtbaar in reacties tussen mannen en vrouwen. Zo vindt 74% van de mannen fysieke inspanning een belangrijk aspect en geldt dit in mindere mate voor 62% van de vrouwen.

Tot slot is dit aspect met 11%-punt voor meer respondenten belangrijk die gebruik maken van de Wlz (81%) dan respondenten die gebruik maken van de Wmo (70%). Bij de respondenten die mentale inspanning belangrijk vinden is verschil zichtbaar tussen leeftijdscategorieën. Dit aspect is voor minder respondenten belangrijk van 75 jaar of ouder (62%) dan voor respondenten tussen de 40-65 jaar (75%) en 65-75 jaar (73%). Daarnaast is dit aspect voor meer respondenten woonachtig in de gemeente Overbetuwe (76%) belangrijk dan in de gemeenten Arnhem (56%), Lingewaard (69%) en Renkum (64%).Tot slot lijkt dit aspect ook belangrijk voor meer respondenten met als hoogste opleidingsniveau lager onderwijs (75%) dan respondenten met andere opleidingsniveaus waarbij dit voor circa 64% belangrijk is. Tot slot is aan de respondenten gevraagd of zij tijdens hun favoriete dagactiviteiten behoefte hebben aan veel fysieke en/of mentale inspanning. De resultaten daarvan zijn in figuur 4.11.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

35

Figuur 4.11 Behoefte aan veel fysieke of mentale inspanning, uitgedrukt in percentages

Heeft u tijdens uw favoriete dagactiviteiten behoefte aan veel fysieke inspanning? (n = 73)

Heeft u tijdens uw favoriete dagactiviteiten behoefte aan veel mentale inspanning? (n = 73)

30%

34%

Ja

70%

66%

Nee

Ja Nee

Uiterlijk van de locatie Het uiterlijk van de locatie is voor 66% van de respondenten een belangrijk aspect. Dit is belangrijk voor meer respondenten uit de leeftijdsklasse 40-65 jaar (100%) dan voor respondenten uit de andere leeftijdsklassen (64%). Daarnaast is er verschil zichtbaar tussen de groep respondenten die de afgelopen maand wel hebben deelgenomen aan dagactiviteiten en de groep die dat niet heeft gedaan. Het aandeel inwoners die dit belangrijk vinden binnen de groep respondenten die de afgelopen maand deelnamen (72%) is groter dan het aandeel dat niet deelnam (52%). Tot slot is het voor een groter aandeel inwoners belangrijk die gebruik maken van dagbesteding vanuit de Wlz (82%) dan voor inwoners die gebruik maken van de Wmo (72%). Vergoeding van de activiteit Minder dan de helft van de respondenten (39%) vindt een volledige vergoeding van de dagactiviteit belangrijk. Bij de analyse van de respondenten die dit belangrijk vinden is er wel verschil te zien in leeftijdsklassen. Binnen de groep 40-65 jaar vindt 75% dit belangrijk, tegenover 55% tussen de 6575 jaar en 33% van de groep 75 jaar en ouder. Daarnaast is aan de respondenten ook gevraagd of zij financieel zouden willen en kunnen bijdragen aan de dagactiviteiten. De resultaten daarvan zijn in figuur 4.12 weergeven.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

36

Figuur 4.12 Mogelijkheid tot financieel bijdragen, uitgedrukt in percentages

Zou u financieel willen en kunnen bijdragen aan de dagactiviteiten? (n = 70)

34%

Ja Nee 66%

In de analyse van de antwoorden is een aantal opvallende resultaten te zien. Ten eerste blijkt dat hoe ouder de leeftijdsklasse, hoe meer respondenten financieel willen en kunnen bijdragen. In de groep 40-65 jaar beantwoordde 20% van de respondenten deze vraag met ja, ten opzichte van 55% van de respondenten tussen de 65-75 jaar en 72% van de respondenten van 75 jaar en ouder. Ten tweede is er ook verschil zichtbaar op basis van opleidingsniveau. Het percentage respondenten dat deze vraag met ja beantwoordden is als volgt binnen de opleidingsniveaus: lager onderwijs (63%), lager beroepsonderwijs (59%), middelbaar beroepsonderwijs (50%), hoger beroepsonderwijs (80%) en wetenschappelijke onderwijs (100%). Tot slot werd deze vraag ook verschillend beantwoord op basis van de gemeente waar iemand woonachtig is. Deze uitsplitsing is hieronder in figuur 4.13 weergeven. Figuur 4.13 Mogelijkheid tot financieel bijdragen, uitgesplitst naar gemeente en uitgedrukt in percentages

Ja, ik zou financieel willen en kunnen bijdragen aan de dagactiviteiten 100% 77%

80%

67% 60%

58%

57%

40%

20%

0% Arnhem

Lingewaard

Overbetuwe

Renkum

N Arnhem = 19, Lingewaard = 13, Overbetuwe = 21, Renkum = 14

Activiteiten bedacht door de deelnemers 38% van de deelnemers vindt het belangrijk dat de activiteiten worden bedacht door de deelnemers van de activiteit zelf. Het is opvallend dat dit vooral geldt binnen de groep van 40-65 jaar waarin

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

37

75% aangeeft dit belangrijk te vinden, ten opzichte van 36% in de andere leeftijdscategorieën. Respondenten woonachtig in de gemeente Arnhem springen met 50% die dit belangrijk vindt ook boven de andere gemeenten uit waarin 38% (Lingewaard en Overbetuwe) of 23% (Renkum) dit belangrijk vindt. Tot slot vinden ook meer respondenten met opleidingsniveau wetenschappelijk onderwijs (67%) dit belangrijk dan respondenten met andere opleidingsniveaus. Actieve rol van mantelzorgers Een actieve rol van mantelzorgers vindt 34% van de respondenten belangrijk. Binnen de leeftijdsklasse van 65-75 jaar vinden meer respondenten dit belangrijk, namelijk 45%, dan in de andere leeftijdsklassen waarin minder dan één derde van de respondenten dit belangrijk vindt. Daarnaast is er, afhankelijk van de gemeente waarin respondenten wonen, verschillend gereageerd op deze vraag. In onderstaand figuur 4.14 is per gemeente aangegeven hoeveel procent van de respondenten dit aspect belangrijk vindt. Figuur 4.14 Belang van actieve rol van mantelzorgers, uitgesplitst naar gemeente en uitgedrukt in percentages

Ik vind een actieve rol van mantelzorgers belangrijk 60% 54% 50% 50% 40% 30% 19%

20% 8%

10%

0% Arnhem

Lingewaard

Overbetuwe

Renkum

N Arnhem = 18, Lingwaard = 13, Overbetuwe = 21, Renkum = 13

Vrije inloop In totaal vindt 34% van de respondenten het belangrijk dat zij zonder zich aan te melden bij een dagactiviteit naar binnen kunnen lopen. Dit geldt voor meer dan de helft (57%) van de groep respondenten dat heeft aangegeven de afgelopen maand niet te hebben deelgenomen aan een dagactiviteit. Voor de groep deelnemers die aangeven gebruik te maken van dagbesteding vanuit de Wlz heeft 24% aangegeven dat zij het belangrijk vinden om zonder aanmelden naar binnen te kunnen lopen en binnen de groep Wmo gebruikers is dit 37%. Ter plekke activiteiten bedenken Minder dan één derde van de respondenten vindt het belangrijk dat er ter plekke activiteiten worden bedacht, in plaats van dat enkel gekozen mag worden uit vooraf bedachte activiteiten. Dit is minder dan de 38% van de respondenten dat eerder aangaf het belangrijk te vinden dat de activiteiten überhaupt worden bedacht door de deelnemers. De mogelijkheid om ter plekke activiteiten te bedenken heeft met name de voorkeur van jonge inwoners met dementie (40-65 jaar), waarvan 75% aangeeft dit belangrijk te vinden. In andere leeftijdscategorieën geeft circa 28% van de respondenten dit aan.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

38

Tot slot is het verschil in reacties tussen respondenten die gebruik maken van dagactiviteiten vanuit de Wlz of Wmo interessant. Deze uitsplitsing is hieronder in figuur 4.15 weergeven. Figuur 4.15 Belang van mogelijkheid om ter plekke activiteiten te bedenken, uitsplitst naar Wlz en Wmo gebruik en uitgedrukt in percentages

Is het belangrijk dat er ter plekke activiteiten worden bedacht, in plaats van dat gekozen mag worden uit vooraf bedachte activiteiten?

Wlz

35%

Wmo

33%

0%

53%

17%

20%

40% Ja

Nee

12%

50%

60%

80%

100%

Maakt niet uit

N Wmo = 30, Wlz = 17

Focus op (fase van) dementie Voor 26% van de respondenten is het van belang dat de activiteiten alleen toegankelijk zijn voor inwoners die zich in hetzelfde stadium van dementie bevinden als zichzelf en 19% vindt het belangrijk dat de activiteit überhaupt alleen toegankelijk is voor inwoners met dementie. Vooral binnen de gemeente Lingewaard vinden respondenten deze aspecten belangrijk. Dit is in onderstaande figuur 4.16 zichtbaar gemaakt. Figuur 4.16 Belang van toegankelijkheid van activiteiten voor mensen met dementie en mensen die zich in hetzelfde stadium van dementie bevinden, uitgesplitst naar gemeente en uitgedrukt in percentages 60%

54%

40%

36% 31% 21%

20%

17% 17%

14% 14%

0% Arnhem

Lingewaard

Overbetuwe

Renkum

Ja, het is van belang dat activiteiten alleen toegankelijk zijn voor mensen met dementie Ja, het is van belang dat dagactiviteiten alleen toegankelijk zijn voor mensen die zich in hetzelfde stadium van dementie bevinden N Arnhem = 18, Lingewaard = 13, Overbetuwe = 21, Renkum = 14

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

39

Bij de analyse van een andere vraag komt naar voren dat maar liefst driekwart van alle respondenten van mening is dat er bij de dagactiviteiten rekening wordt gehouden met verschillen in fase van dementie. Er is bij deze vraag verschil zichtbaar in de respons per gemeente. Dit is in onderstaand figuur 4.17 weergeven. Figuur 4.17 Het belang van rekening houden met verschillen in fasen van dementie, uitgesplitst naar gemeente en uitgedrukt in percentage

Ik vind het belangrijk dat binnen dagactiviteiten rekening gehouden wordt met verschillen in fasen van dementie 100%

92% 80%

80%

74% 58%

60%

40%

20%

0% Arnhem

Lingewaard

Overbetuwe

Renkum

N Arnhem = 19, Lingewaard = 13, Overbetuwe = 19, Renkum = 15

4.1.5 Verbeterpunten vanuit thuiswonende mensen met dementie Aan de respondenten is ook gevraagd naar verbeterpunten die zij zien voor het huidige aanbod van dagactiviteiten. Onderstaande uitgewerkte punten zijn niet toe te schrijven aan een gemeente, omdat deze punten bij alle gemeenten naar voren kwamen. In de kern blijkt dat inwoners met dementie vooral behoefte hebben aan een plek waar ze even zichzelf kunnen zijn en kunnen ontspannen. Dit blijkt onder andere uit de volgende quote: “Ik wil graag iets doen zonder dat het opvalt dat ik minder kan, dus bijvoorbeeld sporten met gelijkgezinden en dan met meer begeleiding erbij. (…) dat het niet voelt of ik naar een dagopvang ga, maar dat ik mezelf ben en dan erna een kopje koffie.”

Daarnaast kwamen verschillende aspecten uit de antwoorden naar voren. Deze worden hieronder nader toegelicht. Ten eerste is door zeven respondenten benoemd dat zij meer behoefte hebben aan fysieke activiteiten, naast wandelen. Zij zouden meer willen sporten. De inwoners die dit antwoord hebben gegeven verschillen van leeftijd, dus dit speelt onder alle leeftijdsklassen (40 t/m 75+ jaar). Daarnaast hebben drie inwoners aangegeven dat zij graag meer naar buiten willen voor activiteiten en dat het tempo omhoog mag. Zij willen graag wat nuttigs doen. “Het tempo is voor oude mensen.”

Ten tweede hebben zeven inwoners ook aangegeven dat de groepsgrootte van de activiteiten te druk voor hen is. Een voorbeeld daarvan is bingo voor de wijk in Arnhem. Twee respondenten benoemen dat zij zich überhaupt niet prettig voelen in een groep en behoefte hebben aan aanbod voor individuen. Ten derde hebben vijf inwoners benoemd dat zij meer handarbeid zouden willen doen. Zij willen graag iets creatiefs maken en met kunst aan de slag.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

40

De variatie in de activiteiten mag ook breder volgens vier respondenten. Er is behoefte aan meer afwisseling van onderwerpen en type activiteiten. Respondenten hadden ook de mogelijkheid om dagactiviteiten die zij missen te benoemen. Zo geeft een respondent aan dat er activiteiten waar ruimte is voor intelligente discussies met diepgang ontbreken. Daarnaast kwam viermaal naar voren dat inwoners het leuk zouden vinden om dagjes erop uit te gaan naar een externe locatie. Als voorbeelden werden voetbalwedstrijden, dierentuin, musea, bioscoop of een openlucht museum benoemd. Andere activiteiten die nu ontbreken zijn onder andere: activiteiten met interactie met dieren, werken in de tuin, een koor, informatieve lezingen en meer aanbod voor mannen waar inwoners met techniek aan de gang kunnen. Tot slot is door drie respondenten benoemd dat zij graag vaker naar dagactiviteiten willen gaan, dus dat de frequentie omhoog mag.

4.2

Wensen en behoefte van mantelzorgers van thuiswonende inwoners met dementie In de survey zijn vragen gesteld om de wensen en behoeften van mantelzorgers met betrekking tot dagactiviteiten voor mensen met dementie in beeld te krijgen. De resultaten hiervan zijn hieronder in figuur 4.18 weergeven. Figuur 4.18 Behoeften van mantelzorgers, uitgedrukt in percentages

Behoeften van mantelzorgers (n = 55) Ik heb (meer) behoefte aan tijd voor mezelf om bij te komen van mijn zorgtaken en om op te laden.

64%

Ik vind het nuttig om handvatten te krijgen bij het zorgen voor iemand met dementie.

58%

Ik vind het prettig om mijn ervaringen te delen met anderen die zorg dragen voor iemand met dementie.

35%

Ik vind het prettig om mijn ervaringen te delen met andere mantelzorgers / naasten.

29%

Ik voel mij schuldig wanneer ik mijn naaste onderbreng bij een dagactiviteit.

7%

Ik heb behoefte om deel te nemen aan activiteiten met mijn naaste.

5% 0%

20%

40%

60%

80%

100%

De grootste behoefte die bij de mantelzorgers naar voren komt is de behoefte aan tijd voor zichzelf om bij te komen van hun zorgtaken en om op te laden. In de toekomst neemt de druk op mantelzorgers alleen maar toe48, waardoor het belang van voldoen aan deze behoefte nog belangrijker wordt. Er is daarentegen minder behoefte om zelf ook deel te nemen aan de activiteiten met hun naasten. 95% van de respondenten heeft daar geen behoefte aan. 93% voelt zich er ook niet schuldig over als zij hun naaste onderbrengen bij een dagactiviteit.

48

MantelzorgNL (2019, 8 november).

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

41

Figuur 4.19 Behoeften van mantelzorgers en/of hun naasten, uitgedrukt in percentages

Behoeften van mantelzorgers en/of hun naasten aan ontmoetingsplekken in de buurt waar: (n = 55) U andere mantelzorgers/naasten ontmoet en ervaringen specifiek over dementie kunt uitwisselen, samen met uw 6% naaste U andere mantelzorgers/naasten ontmoet en ervaringen kunt uitwisselen

15%

18%

54%

18%

U samen met een groep vanuit de ontmoetingsplek activiteiten onderneemt om deel uit te blijven maken van de maatschappij (bijv. een bioscoop- of museumbezoek)

6%

31%

Uw naaste en uzelf samen gezellig andere mensen kunnen ontmoeten

9%

24%

U andere mantelzorgers/naasten ontmoet en ervaringen specifiek over dementie kunt uitwisselen, zonder de aanwezigheid van uw naaste Uw naaste, wanneer hij of zij maar wil, even naar binnen kan lopen voor koffie of thee (ook zonder jou als mantelzorger)

17%

7%

Uw naaste andere mensen met dementie kan treffen

20%

36%

43%

19%

15%

44%

17%

38%

21%

35%

19%

22%

37%

25%

15%

28%

23%

Uw naaste en/of u praktische informatie krijgt over leven met dementie

26%

30%

22%

17%

Uw naaste kan deelnemen aan zinvolle activiteiten zonder verplichtingen

22%

35%

24%

15%

Uw naaste met dementie hulp krijgt om, om te gaan met dementie

24%

31%

29%

11%

0% Ja, bezoeken we al

Ja, zouden we wel bezoeken

100% Nee, geen interesse

Weet ik niet

Al met al, komt er uit de data naar voren dat er vooral behoefte is aan dat degene met dementie kan deelnemen aan zinvolle activiteiten, zonder verplichtingen. Er is veel minder behoefte aan ontmoetingsplekken waar de mantelzorger terecht kan. Dit is in lijn met de figuur 4.18 over de behoeften van de mantelzorger waarin slechts 5% aangaf behoefte te hebben om deel te nemen aan activiteiten met zijn / haar naaste.

4.3

Aandachtspunten om dagbesteding zinvol te maken voor inwoners met dementie Om een volledig beeld te krijgen van wat er nodig is om dagbesteding zinvol te maken voor thuiswonende inwoners met dementie zijn er twee focusgroepen georganiseerd met casemanagers uit de regio49. Daarbij kwamen onderstaande aandachtspunten naar voren. Zorg voor het individu De casemanagers zien dat er bij hun cliënten veel vooroordelen heersen over dagbesteding. Zo zou het kinderachtig zijn. Het is daarom belangrijk om de drempel tot dagbesteding te verlagen. “Het belangrijkste is dat er naar de mens wordt gekeken in plaats van naar het ritme van de dagactiviteit.”

49

Zie bijlage 2 voor het overzicht van deelnemende organisaties aan de focusgroepen.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

42

De omgang met de inwoners is cruciaal. De chauffeur die de cliënt komt ophalen kan daar al een belangrijke rol spelen. Diegene moet kunnen aanvoelen wat je kan doen, bijvoorbeeld een grapje maken of ze juist even laten wennen. Het belangrijkste is volgens de casemanagers dan ook niet dat er allerlei verschillende activiteiten zijn die gericht zijn op specifieke behoeftes van inwoners, maar dat er zorg is voor het individu met dementie bij een locatie. Denk daarbij aan dat inwoners naar een bepaalde plek gaan om daar gewoon ‘te zijn’. Zij hoeven dan niet per se mee te doen met spelletjes of bepaalde activiteiten, maar kunnen hun eigen ding doen in een bepaalde ruimte. Het is een utopie te denken dat er voor elke persoonlijkheid een voorziening op te zetten is. Sommige cliënten vallen ook tussen bepaalde activiteiten in als zij bijvoorbeeld niet bij verpleeghuisdagbesteding passen maar ook niet bij een zorgboerderij. Als de basis van zo’n ruimte goed is, dan is het niet nodig om aanbod specifiek op bepaalde achtergronden te richten. Over het algemeen is het bijvoorbeeld fijn als inwoners naar buiten kunnen zoals bij ‘Naar huus toe’. Dat is een huis met een grote tuin waar inwoners in de tuin kunnen werken en spelletjes kunnen spelen aan tafel. De casemanagers zien ook dat particuliere initiatieven het heel goed doen, omdat zij meer gericht zijn op het individu.

Daar wordt meer in mogelijkheden gedacht. Behoeften van subgroepen Binnen de populatie van thuiswonende inwoners met dementie zijn bepaalde subgroepen te onderscheiden zoals hoog opgeleiden, jonge inwoners met dementie en inwoners met een migratieachtergrond. Tijdens de focusgroepen is met de casemanagers gesproken over bepaalde behoeften die zij binnen deze groepen zien. Inwoners met beginnende dementie Inwoners met beginnende dementie (de zogenoemde niet pluis fase) hoeven nog niet per se naar een dagbesteding maar kunnen ook nog gebruik maken van de voorliggende voorzieningen, ofwel ontmoetingsplekken. Deze inwoners hebben vaak nog een heel eigen leven. Zij kunnen bijvoorbeeld nog naar hun gebruikelijke sportclub gaan. Hier moet goed naar gekeken worden, ook al is begeleiding op den duur wel nodig. Als zij wel naar dagbesteding willen, willen ze echter niet altijd een hele dag blijven. Het kan zijn dat iemand alleen een paar uur wil komen, maar dit kan vaak niet. Daarnaast is dagbesteding ook nooit in het weekend. Dit heeft vaak te maken met het regelen van vervoer en het tekort aan vrijwilligers. Tot slot is het voor deze groep confronterend om met inwoners met verder gevorderde dementie in een groep te zitten. Daar moet rekening mee gehouden worden.

Inwoners met ver gevorderde dementie De casemanagers geven aan dat er aanbod mist voor inwoners met zeer vergevorderde dementie. Door de grote zorgvraag van deze inwoners gaan zij niet naar dagbesteding, omdat zij vlak voor een opname zitten. Hierdoor blijven zij thuis en belanden zij in een gat als zij wel eerder dagbesteding hebben gehad. Hoger opgeleiden Hoger opgeleide cliënten hebben andere behoeftes. De casemanagers merken dat zij individueler zijn en specifieke interesses en behoeften hebben. Zij willen liever niet deelnemen aan groepsactiviteiten. Daarnaast hebben zij meer behoefte aan contact met andere hoogopgeleide inwoners

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

43

met dementie. Dit bemoeilijkt de zoektocht naar een passende dagbesteding, omdat niet altijd aan deze behoeften voldaan kan worden. Praktisch opgeleiden In het algemeen moeten inwoners met dementie wennen aan dagbesteding, omdat het niet altijd lijkt op hun hobby’s. Zij balen dan vooral van het feit dat zij hun hobby’s niet meer kunnen uitoefenen en vinden weinig aansluiting bij de dagbesteding. Sommige inwoners hebben echter geen hobby’s gehad. Vooral inwoners met een praktische opleiding hebben vooral gewerkt. Zij weten niet wat voor dagactiviteiten ze zouden willen doen en hebben vooral behoefte aan iets dat aansluit bij hun werkende leven. Als iemand altijd als timmerman gewerkt heeft kan je bijvoorbeeld zorgen dat hij of zij in een dagbesteding kan timmeren. Jonge inwoners met dementie Met jonge inwoners met dementie worden inwoners onder de 65 jaar bedoeld. Eerder is in hoofdstuk 3 beschreven dat in de regio Arnhem en omstreken 98 mensen met dementie jonger zijn dan 70 jaar. Deze groep heeft andere normen en waarden en een andere denkwijze dan de generatie van boven de 65 jaar. Zij zitten in een andere levensfase op het moment dat zij de diagnose van dementie krijgen. Zij zijn vaak nog vitaal en soms ook nog aan het werk. Er heerst binnen deze groep meer onbegrip en verdriet over datgene dat ze niet meer kunnen. Zij willen ook vaak hun kinderen niet tot last zijn.

“Deze inwoners willen hele andere dingen doen dan “aan tafel geschoven worden en Rummikubben”. Het mag voor hen wat hipper, zonder muziek uit de jaren 50. Deze groep wil cognitief uitgedaagd worden en geprikkeld worden.”

Deze groep heeft behoefte aan beweging, sporten en sociaal en geestelijk actief blijven. Het is voor hen belangrijk om veel open plekken te hebben waar individuen elkaar kunnen ontmoeten en samen iets kunnen doen. Een atelier bijvoorbeeld. Een plek waar meerdere dingen samenkomen, zoals: werkplaats, café-achtig, keuken, etc. Het aanbod voor deze groep bestaat nu vooral uit sporten en bewegen. De casemanagers geven aan dat er nu helaas vaak wachtlijsten zijn voor deze activiteiten. Inwoners met een migratieachtergrond De casemanagers geven aan dat er weinig aanbod en voorzieningen zijn voor inwoners met een migratieachtergrond, terwijl in hoofdstuk 3 eerder is beschreven dat dementie vaker voorkomt bij migranten ouderen. In Arnhem-Zuid is er bijvoorbeeld maar één dagbesteding voor inwoners met een Turkse/Marokkaanse achtergrond. Eén van de redenen dat het aanbod voor deze doelgroep beperkt is, is de taalbarrière. Er zijn wel enkele voorbeelden van dagbesteding meer gericht op inwoners met een migratieachtergrond (A&S groep Evital en Zorg en Welzijn). Bij deze dagbestedingen zijn er meer inwoners met migratie achtergrond welke dezelfde taal spreken waardoor de taalbarrière aanzienlijk verlaagd wordt. Tegelijkertijd geven de casemanagers aan dat zij weinig cliënten hebben die tot deze doelgroep behoren, ondanks dat ze er van overtuigd zijn dat deze groep er wel is.

Zij geven ook aan dat de culturele kennis onder hulpverleners beperkt is, bijvoorbeeld over het rekening houden met de mannen- en vrouwencultuur binnen bepaalde gemeenschappen. Er is vanuit de casemanagers behoefte aan scholing om cultuur sensitief te kunnen werken om deze groep te kunnen bereiken én begrijpen. Binnen het netwerk dementie Arnhem en omstreken is hier een werkgroep voor opgericht en zijn er plannen om hier scholing in te geven in relatie met de personen met dementie.

Versterking aanbod dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie

44

Casemanagers die wel ervaring hebben met het bereiken van deze doelgroep geven aan dat het belangrijk is om met het aanbod naar een doelgroep toe te gaan en niet probeert om de doelgroep naar een activiteit toe te halen. Als je echt iets wilt organiseren voor inwoners met bijvoorbeeld een Islamitische overtuiging, is het een belangrijke overweging om de activiteit binnen een Moskee aan te bieden. Daarnaast zien deze casemanagers dat eenzaamheid onder oudere vluchtelingen een groot probleem is. LHBTQIA+ Tijdens de focusgroep is ook aanbod voor de groep LHBTQIA+ ter sprake gekomen. Volgens de casemanagers is het vooral belangrijk dat inwoners van die community ook aansluiting voelen bij het aanbod van dagactiviteiten. Dat wil niet zeggen dat er aanbod moet zijn dat specifiek gericht is op deze groep, maar dat inwoners respectvol omgaan met inwoners binnen deze community. Het is belangrijk dat zij geaccepteerd worden. Op de website dementie.nl is meer informatie te vinden over homoseksualiteit en dementie. Zo wordt er verwezen naar de website Roze Zorg, waar zorginstellingen met een Roze Lopercertificaat te vinden zijn. De Roze Loper is een kwaliteitstoets die laat zien dat de organisatie bewust aandacht geeft aan seksuele- en gender diversiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=47faaffa-c378-42e9-b677-318af58acab7