CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

ontwerp bestemmingsplan Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Landelijk gebied, Havikerwaard 8a en omgeving21.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Buitengebied In oktober 2019 heeft de gemeente Rheden de Omgevingsvisie Buitengebied vastgesteld. Deze omgevingsvisie is een integrale visie voor de fysieke leefomgeving. Het bevat de strategische hoofdkeuze van het beleid voor de lange termijn. De visie heeft drie werkdoelen. Ten eerste gebruikt de gemeente de visie om initiatieven te beoordelen en te begeleiden. Daarnaast wordt het gebruikt om het gemeentelijk beleid te coördineren. Ten derde is het bedoeld als inspiratie- én kennisdocument. In de Omgevingsvisie is het plangebied opgedeeld in vier gebieden met elk een eigen ontwikkelrichting. 34 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Plangebied Op de visiekaart is het plangebied gelegen binnen het gebiedsdeel De Steeg - Dieren en aangeduid als 'Landgoederen verbinden'. De landgoederen zijn een duurzaam verbindende schakel in recreatieve en economische opgaven. Hierin zijn de historische en natuurlijke kwaliteiten van Veluwe tot IJssel sturend. De schaal van de uiterwaarden ziet de gemeente als geschikt gebied voor robuuste groene en blauwe opgaven. Tussen De Steeg en Dieren ziet de gemeente vooral de duurzame continuïteit van een landgoedlandschap als richting. Het gebied ontwikkelt zich naar een goed voorbeeld van een ‘duurzaam buitengebied’ zoals we dat in Nederland graag willen hebben. Financieel duurzaam, ‘natuurinclusief’, maatschappelijk duurzaam, veilig en circulair (gesloten productie- en consumptieketens). Het beleid is hier gericht op het realiseren van waterveiligheid en ruimtelijke kwaliteit. Beoordeling en conclusie Voorliggend plan voorziet in de realisatie van natuur en een optimalisatie van het bedrijventerrein uit rivierkundig oogpunt. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de doelstellingen uit de Omgevingsvisie. Het plan is passend binnen de Omgevingsvisie.

3.3.2 Beleidsnota Biodiversiteitsplan 2022-2023 De gemeente Rheden heeft in 2022 de Beleidsnota Biodiversiteitsplan 2022-2023 vastgesteld. In dit plan is uitgewerkt hoe de gemeente invulling geeft aan haar ambitie op het gebied van biodiversiteit. De gemeente wil dat iedere ruimtelijke ontwikkeling een bijdrage gaat leveren aan de biodiversiteit. Beschreven moet worden wat er nu aan biodiversiteit aanwezig is, hoe deze zoveel mogelijk behouden blijft en hoe deze versterkt kan worden. Natuurinclusief bouwen en ontwerpen wordt gestimuleerd. Beoordeling plan en conclusie Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe natuur, waarin kansen ontstaan voor de biodiversiteit in het gebied. In paragraaf 2.3 Toekomstige situatie en paragraaf 4.8 Ecologie - Natuur komt dit onderwerp uitgebreider aan bod. Tevens is een nadere toelichting gegeven in de Landschappelijke notitie in bijlage 2. Het plan is passend binnen de Beleidsnota Biodiversiteitsplan 2022-2023.

3.3.3 Waterplan Rheden Rozendaal De gemeente Rheden en de gemeente Rozendaal hebben in 2005 een gezamenlijk waterplan opgesteld, met behulp van de waterschappen Rijn en IJssel en Veluwe. De aanleiding voor het waterplan zijn de knelpunten, ontwikkelingen en kansen op watergebied waar gemeenten in de 21e eeuw mee geconfronteerd worden. Het waterplan is opgesteld op basis van de volgende thema's: beperken verdroging; tegengaan wateroverlast; verbeteren oppervlaktewaterkwaliteit; zuinig omgaan met grondwater (kwaliteit en kwantiteit); beleven van water; adequate inzameling en transport afvalwater;

35 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

ecologisch gezond water en natte landnatuur; water bij ruimtelijke inrichting.

Plangebied Voor het plangebied zijn de onderdelen 'tegengaan wateroverlast' en 'ecologisch gezond water en natte landnatuur' van belang. Beoordeling en conclusie Het project voorziet in de realisatie van nieuwe natuur waarmee het bergend vermogen van het gebied wordt vergroot. Derhalve wordt er bijgedragen aan het tegengaan van wateroverlast. Met de uitvoering van het project wordt het oppervlakte natte natuur uitgebreid en daarmee wordt bijgedragen aan het gemeentelijke doel om ecologisch gezond water en natte landnatuur te realiseren en te behouden.

36 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

De gevolgen voor milieu- en omgevingsaspecten vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, of wijzigingen daaraan. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling onderbouwd aan de hand van de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten.

4.1

Geluid Wet en regelgeving Weg- en railverkeerslawaai Weg- en railverkeerslawaai kan de leefomgevingskwaliteit van een gebied beïnvloeden. Langs alle (spoor)wegen, met uitzondering van 30 km/h wegen en woonerven, bevinden zich geluidszones, waarbinnen het verplicht is onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Tevens stelt de Wet geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Geluidsgevoelige bestemmingen zijn: Woningen; Onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven; Ziekenhuizen en verpleeghuizen; Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen).

Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Bij het planologisch toestaan van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken tot aan de maximale grenswaarde. De maximale grenswaarde is de absolute grens. Industrielawaai Ook industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied beïnvloeden. Ook de zonering van industrielawaai is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Het gaat hier om het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. In tegenstelling tot weg- en railverkeerslawaai is de grootte van de zone niet in de wet vastgelegd of een daaraan gekoppeld besluit. Een zone wordt in een bestemmingsplan vastgelegd rond een industrieterrein waar volgens dat bestemmingsplan (deels) de vestiging van "grote lawaaimakers" mogelijk is. In onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht is vastgelegd welke typen inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein gevestigd moeten zijn. Daarbij geldt dat buiten deze zone de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Binnen de zone gelden er beperkingen voor het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen.

37 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Beoordeling plan Het plangebied maakt geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk. Nader akoestisch onderzoek naar de gevolgen van weg- en railverkeerslawaai is dan ook niet nodig. Binnen voorliggend bestemmingsplan zijn wel zogenaamde 'grote lawaaimakers' toegestaan. Hiervoor is reeds in 1990 een geluidzone - industrie vastgesteld. Deze geluidzone is al opgenomen in de voorgaande bestemmingsplannen. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe industriële lawaaimakers mogelijk. Er vindt alleen een reconstructie plaats. Ten behoeve van de reconstructie van het bedrijventerrein Havikerwaard 8a, inclusief de aanpassing van het verondiepingsproject, wat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, heeft LBPSIGHT heeft een geluidsonderzoek uitgevoerd. Dit geluidsonderzoek dient tevens voor de revisievergunning. Het rapport hiervan d.d. 1 december 2021 is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. In het onderzoek van LBPSIGHT richten zij zich op de inrichting voor een zand- en grind en de productie van betonwaren. De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein ‘Havikerwaard’ in de Steeg, gemeente Rheden. De geluidzone is op 14 augustus 1990 vastgesteld door de Kroon.

De activiteiten behorende bij het Bbk-verondiepingsproject en de daaraan gerelateerde geluidbronnen van dit project zijn, voor zover deze geluidbronnen liggen binnen de (toekomstige) inrichtingsgrens van Havikerwaard 8A, meegenomen in het onderzoek. Naar aanleiding van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat de geluidzone - industrie niet aangepast hoeft te worden. Daarnaast nemen de MTG-waarden (maximaal toelaatbare grenswaarden) op omliggende woningen niet toe. Wel dient een aantal mitigerende maatregelen genomen te worden. Uit het verrichte onderzoek blijkt dat: De zone door alle bedrijven op het gezoneerde industrieterrein inclusief de activiteiten behorende bij het Bbk-project niet wordt overschreden, mits de breker wordt voorzien van een geluidsisolerende omkasting en wordt geïnvesteerd in een stille loskraan(en) bij de haven (LW = 106 dB(A). De vastgestelde MTG-waarden (Maximaal Toelaatbare Grenswaarden) bij de woningen door alle bedrijven op het gezoneerde industrieterrein, inclusief de activiteiten behorende bij het Bbk, niet overschreden worden. Op de vergunningspunten aan de overzijde van de IJssel (VP01 en VP02) van de inrichting Havikerwaard 8A inclusief de Bbk-activiteiten aan de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

Bij de woningen achter de vergunningspunten VP03 en VP04 niet voldaan kan worden aan de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT zijn echter niet hoger dan de richtwaarde (rustige woonwijk) van 45/40/35 dB(A), zoals opgenomen in de Handreiking van 1998. De woning achter VP05 op het gezoneerde industrieterrein ligt. Bij deze woning wordt exclusief en inclusief de geluidbijdrage van de overige bedrijven op het gezoneerde industrieterrein een geluidbelasting berekend van 49/46/39 dB(A) gedurende de dag/avond/nacht. Aan de cumulatieve streefwaarde van 65/60/55 dB(A) (dag/avond/nacht), zoals opgenomen in de Handreiking van 1998, kan ruimschoots voldaan worden. 38 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

De inrichting Havikerwaard 8A, inclusief de Bbk-activiteiten, niet kan voldoen aan de in vergunning opgenomen grenswaarden voor de maximale geluidniveaus LAmax. Wel kan ten aanzien van de maximale geluidniveaus LAmax voldaan worden aan de grenswaarde van 70/65/60 dB(A) (dag/avond/nacht), zoals opgenomen in de Handreiking van 1998. Voorwaarde is dat er in de nachtperiode geen grind wordt verladen vanaf de laadbrug in het schip.

Ten aanzien van de twee grindzeven van de grindstraat wordt er vanuit gegaan dat deze geen hogere bronsterkte hebben dan 107 dB(A). Mocht dit op basis van controlemetingen toch hoger zijn, dan moet langs deze zeven alsnog een geluidscherm geplaatst worden. Alhoewel deze schermen op basis van het verrichte onderzoek niet nodig zijn, wordt bij het ontwerp van de staalconstructie toch rekening gehouden met de montage van een geluidscherm. Tot slot wordt de bestaande grindstraat gedemonteerd als de nieuwe grindstraat in werking kan worden gesteld. De nieuwe grindstraat bestaat dan uit nieuwe dan wel volledig gereviseerde componenten. Overschrijding geluidszone De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft op basis van bovenstaand onderzoek door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. een zonetoets laten uitvoeren of de beoogde bedrijfsactiviteiten inpasbaar zijn binnen de geluidruimte van het industrieterrein. DGMR heeft geconstateerd dat op basis van het geïmplementeerde rekenmodel “RBS LAr,LT model Havikerwaard inclusief voorafscheider na MR 1” de zone ten noordwesten van de inrichting wordt overschreden. Uit een door DGMR toegevoegd rekenpunt blijkt dat in de avondperiode een LAr,LT wordt berekend van 45,7 dB(A). Gedurende de dag- en nachtperiode wordt de zone gerespecteerd.

Om de overschrijding op het toegevoegde punt teniet te doen is onderzocht welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden om de overschrijding in de avondperiode teniet te doen. Uit de berekeningen blijkt dat de loskraan met een bronsterkte van 106 dB(A) een relevante geluidbijdrage levert. Mogelijke maatregelen die direct genomen kunnen worden is het opwerpen van een extra depot ten noordwesten van de loskraan. Na deze maatregel wordt geen hoger LAr,LT berekend dan 45,14 dB(A) afgerond 45 dB(A). Het depot met een hoogte van minimaal 4 meter behoeft alleen aanwezig te zijn als de loskraan met de oorspronkelijk bronsterkte van LW= 106 dB(A) in de avondperiode ook daadwerkelijk met een bedrijfstijd van 3,2 uur (zoals aangevraagd) wordt ingezet. Of anders geredeneerd het depot behoeft alleen aanwezig te zijn als de kraan met een bronsterkte van LW= 106 dB(A) langer dan 2 uur in de avondperiode wordt ingezet. Deze maatregel zal worden genomen. Conclusie Het verplaatsen van het Bbk-verondiepingsproject en de rivierkundige optimalisatie door de reconstructie van het hoogwatervrije bedrijventerrein heeft geen negatieve invloed op het aspect geluid. De geluidzone hoeft niet aangepast te worden.

39 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Daar waar aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om een voldoende woon- en leefklimaat te garanderen worden deze maatregelen ook genomen. De volgende maatregelen worden in ieder geval genomen: De breker wordt voorzien van een geluidsisolerende omkasting en er wordt geïnvesteerd in een stille loskraan(en) bij de haven (LW = 106 dB(A). In de nachtperiode wordt geen grind verladen vanaf de laadbrug in het schip. Er wordt een depot gerealiseerd van 4 meter ten noordwesten van de loskraan op het moment dat de kraan langer dan 2 uur in de avondperiode in gebruik is.

4.2

Archeologie en Cultuurhistorie

4.2.1 Archeologie Wet- en regelgeving Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Gemeenten hebben de plicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met geconstateerde of te verwachten archeologische waarden. De gemeente Rheden heeft haar archeologisch beleid vastgelegd in het (paraplu)bestemmingsplan Archeologie. Plangebied Het plangebied heeft in het bestemmingsplan Archeologie verschillende dubbelbestemmingen. Het deel van het plangebied wat in de bestaande situatie bestaat uit water en natuur heeft de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2, ofwel een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Het deel van het plangebied wat in de bestaande situatie bestaat uit bedrijventerrein heeft de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3, ofwel een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor deze gronden gelden regels met betrekking tot het oprichten van bebouwing en het uitvoeren van werken.

Voor de gronden met een middelhoge verwachtingswaarde geldt dat er niet zonder meer (bouw)werkzaamheden mogen plaatsvinden over een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm. Voor de gronden met een lage verwachtingswaarde geldt dat er niet zonder meer (bouw)werkzaamheden mogen plaatsvinden over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm. Het overleggen van een archeologisch rapport waarin de archeologische waarden van de gronden zijn vastgesteld is noodzakelijk. Beoordeling plan De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats in gebieden met een middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarde. Grontmij (thans: Sweco) heeft in 2012 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de Havikerwaard (gemeente Rheden). Op afbeelding 4.1 is weergegeven welk gebied toen is onderzocht.

40 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Afbeelding 4.1: Plangebied archeologisch onderzoek 2012 Uit dat bureauonderzoek volgde dat voor het noordelijke gedeelte van dat plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt. Dit gebied ligt echter buiten het projectgebied van onderhavig plan. Voor het overige terrein is de archeologische verwachting laag. De achtergebleven en teruggebrachte sedimenten zijn verstoord. De kans op archeologische waarden in de zandondergrond van het deelgebied direct ten noorden van de huidige zandwinning is klein. De top van de zandondergrond en daarmee de eventueel aanwezige archeologische waarden zijn verspoeld. De oeverafzettingen erboven zijn intact. Hiervoor blijft de hoge archeologische verwachtingswaarde gehandhaafd. Er zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (2012) is de archeologische verwachtingswaarde voor het grootste gedeelte van het plangebied toen naar laag bijgesteld. Daarom wordt voor deze gebieden geen vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen in deze gebieden zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Hiervoor is dan ook geen dubbelbestemming Waarde - Archeologie meer opgenomen.

Het deel van het (thans bestaande) bedrijventerrein dat met dit bestemmingsplan een natuurbestemming krijgt is destijds niet onderzocht op archeologische waarden. Voor dit gedeelte van het plangebied is dan ook de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 3' gehandhaafd. Het aspect 'archeologie' is daarmee geborgd in dit bestemmingsplan.

41 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

4.2.2 Cultuurhistorie Wet- en regelgeving In het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat bestemmingsplannen een analyse van cultuurhistorische waarden moeten bevatten. In bestemmingsplannen dient een beschrijving te zijn opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Beoordeling plan Voor de beschrijving van effecten op de cultuurhistorie is voor voorliggend plan gebruik gemaakt van de volgende criteria: Effect op de cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatronen; Effect op de aanwezige oude linten en ontsluitingsassen; Effect op cultuurhistorische waardevolle elementen, w.o. monumenten. Het verkavelingspatroon is sterk gebonden aan en verwijst naar oude verdwenen rivierbeddingen. Deze karakteristieke waarde blijft, weliswaar enigszins anders, in het voorliggende plan herkenbaar. Ook leidt het plan niet tot aantasting van oude linten en ontsluitingsassen. Bebouwing in specifieke nederzettingspatronen komt in het plangebied niet voor. Tenslotte vindt evenmin aantasting plaats van overige cultuurhistorisch waardevolle elementen. Beschermde monumenten komen in het plangebied niet voor, terwijl het initiatief geen effect heeft op de monumenten in de omgeving van het plangebied.

De totale ontwikkeling staat in het teken van het realiseren van waardevolle natuur, het is een natuurontwikkeling. In het inrichtingsplan 'Aanpassing verondiepingsproject BBK zuidoever Plas Bingerden Havikerwaard' (Adri Voorwinden Ruimtelijke Vormgeving & Landschap, 2019), zoals opgenomen in bijlage 1 van deze Toelichting, wordt onderbouwd hoe de ontwikkeling landschappelijk optimaal kan worden ingepast, mede afgestemd en ondersteunend op de cultuurhistorische waarden in het gebied. Uit dat inrichtingsplan blijkt dat de optimalisatie van de gebiedsontwikkeling en daarmee ook de verplaatsing van het Bbk-verondiepingsproject aansluit op de totaalvisie van gebiedsontwikkeling Havikerpoort. Uit het inrichtingsplan blijkt dat er geen effecten op de cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatronen of op de aanwezige oude linten en ontsluitingsassen in de omgeving van de planlocatie of op nabijgelegen cultuurhistorische waardevolle elementen, waaronder monumenten zijn. Het verplaatsen van het Bbk-verondiepingsproject en de rivierkundige optimalisatie door de reconstructie van het hoogwatervrije bedrijventerrein hebben geen negatieve invloed op aanwezige en cultuurhistorische waarden en op de totaalvisie gebiedsontwikkeling Havikerpoort.

42 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

4.3

Bedrijfshinder Wet- en regelgeving Zowel het ruimtelijke ordeningsbeleid als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreatie anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinder veroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als maatgevend beschouwd. Bovenstaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of de ontwikkelingen veroorzaker zijn van hinder naar een gevoelige omgeving en anderzijds wordt bekeken of de ontwikkeling kwetsbaar is voor hinder.

Beoordeling plan De ontwikkeling van natuur en het aanleggen van de geulen betreffen geen ontwikkelingen die hindergevoelig zijn. De ontwikkeling van natuur en de aanleg van de geulen veroorzaken geen hinder, zoals bedoeld in de VNG publicatie. Andere aspecten, zoals geur en stof zijn conform de richtlijnen van de VNG hier niet relevant. Derhalve zijn er geen belemmeringen voor voorliggend project vanuit het aspect bedrijfshinder. Gelet op de milieucategorie van de milieuhinderlijke functie en de afstand tot bestaande milieugevoelige functies zijn er vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de verplaatsing van het Bbk-verondiepingsproject en de rivierkundige optimalisatie door de reconstructie van het hoogwatervrije bedrijventerrein. In paragraaf 4.1 is reeds gemotiveerd wat de akoestische gevolgen van de reconstructie van het bedrijventerrein op gevoelige bestemmingen zijn.

43 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

4.4

Bodem Wet- en regelgeving Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventuele aanwezige bodemverontreiniging van belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan dient dan ook een motivering te bevatten over de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming(en)/functie(s). De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). De milieuhygiënische randvoorwaarden voor de toepassing van grond en baggerspecie zijn geregeld in: het Besluit bodemkwaliteit; de Regeling bodemkwaliteit; de Circulaire herinrichting diepe plassen; de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen. In de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen wordt onderscheid gemaakt in een generiek kader en een gebiedsspecifiek kader. Indien aan de voorwaarden van het generieke kader wordt voldaan, is het verondiepen met verontreinigd materiaal milieuhygiënisch zondermeer verantwoord.

Bij het gebiedsspecifieke kader is dit niet het geval en dienen locatie specifieke omstandigheden in ogenschouw te worden genomen op basis waarvan bepaald kan worden tot welke verontreinigingsgraad materiaal in een plas kan worden toegepast. Op basis van deze kaders is het mogelijk om zowel klasse B als klasse A (afdekking) in te zetten ten behoeve van de verondieping. Beoordeling plan In het zuiden van het plangebied wordt een functie Natuur toegevoegd op een plek waar in voorgaand bestemmingsplan nog een bedrijfsfunctie mogelijk (én aanwezig) was. Dit is een evidente functiewijziging, waarbij aangetoond moet worden dat de voormalige bedrijfslocatie niet zodanig verontreinigd is geraakt dat de nieuwe functie (natuur) niet gerealiseerd kan worden. Op dit zuidelijke gedeelte wordt alleen verharding weggehaald, waarna er 30 tot 50 cm leeflaag teruggebracht wordt conform de door Sweco opgestelde Nota bodembeheer (bijlage 5). Er vindt hier geen verder grondverzet plaats. De kwaliteit van de grond (leeflaag) zal van kwaliteitsklasse A (ofwel herverontreinigingsniveau Rijntakken) zijn. De grond komt overeen met de bestaande klasse van de grond in het gebied. Nader bodemonderzoek is daarmee niet nodig. Bovendien zou het aanbrengen van schone(re) grond in deze specifieke situatie weinig zinvol zijn vanwege de mogelijkheid van overstroming/hoogwater in dit zuidelijke deel.

Alle uiterwaarden hebben kwaliteitsklasse A, dus bij eventuele overstroming en/of hoogwater zou eventuele schone(re) grond vanzelf weer minder schoon (kwaliteitsklasse A) worden.

44 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Het noordoostelijke deel van het plangebied heeft momenteel een bestemming 'Water' en krijgt een bestemming 'Bedrijf'. Hier wordt 600.000 m3 ophoogzand gebruikt om het terrein te herinrichten. 400.000 m3 bestaat uit extern toe te passen materiaal. Ten behoeve hiervan wordt onderzocht of er kan worden aangesloten bij de bestaande Nota bodembeheer, of dat er een nieuwe moet worden vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Circulaire herinrichting van diepe plassen zijn de aanvoermogelijkheden van grond en van klasse B waterbodems in diepe plassen per 24 december 2010 beperkt. Dit heeft voor gebiedsontwikkeling Havikerwaard Zuid tot gevolg dat in het generieke kader alleen klasse B waterbodems van Rijkswateren van het stroomgebied van de Rijntakken (Rijn en IJssel) en grond tot maximaal klasse Wonen mag worden toegepast. Hierdoor kan het risico ontstaan dat de voor herinrichting van Havikerwaard Zuid benodigde hoeveelheid specie niet tijdig beschikbaar is. Gelet op de fasering die in het bestemmingsplan en de Nb-vergunning is opgenomen, is het voorhanden hebben van voldoende specie van cruciaal belang voor de voortgang van het project. Daarom is het wenselijk bij gebiedsontwikkeling Havikerwaard Zuid verruiming te bieden voor de mogelijkheden van het toepassen van herbruikbare grond en waterbodems.

Conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) dient dit geregeld te worden via gebiedsspecifiek beleid met een Nota bodembeheer waarin lokale maximale waarden worden vastgelegd die als toetsingskader dienen. Met de Nota bodembeheer wordt het gebiedsspecifieke beleid voor gebiedsontwikkeling Havikerwaard Zuid onderbouwd en vastgelegd. Het rapport hiervan d.d. 5 januari 2021 is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. De conclusie uit de rapportage omvat dat er geen kwetsbare objecten in de nabijheid van plangebied Havikerwaard Zuid aanwezig zijn. Bovendien is vanuit de geohydrologie sprake van een veilige situatie. Met de Nota bodembeheer worden de wensen/eisen van de omgeving voldoende gewaarborgd en kan het project conform de vergunde situatie op een transparante manier worden voortgezet vanuit het Besluit bodemkwaliteit. Tevens is een geactualiseerd inrichtingsplan opgesteld, waarin de voor het Bbk-verondiepingsproject en de optimalisatie van het bedrijventerrein relevante projectinformatie is samengevat. Met het inrichtingsplan wordt voldaan aan de zorgplicht van het Besluit bodemkwaliteit. Het inrichtingsplan zal worden ingediend bij de eerste Bbk-melding van toe te passen specie die van elders wordt aangevoerd. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Externe veiligheid Beleid en regelgeving Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient, indien relevant, aandacht te worden geschonken aan het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi), worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Beoordeling plan 45

Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Via de risicokaart.nl heeft er een inventarisatie van risicobronnen plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat er geen risicobronnen in de omgeving zijn. Tevens worden er in onderhavig plan ook geen kwetsbare objecten toegevoegd.

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart Een risico-inventarisatie heeft plaats gevonden. Bij de geplande aanpassing van de ontwikkeling/inrichting is het aspect externe veiligheid niet relevant. De wijziging van de bedrijfsbestemming ligt niet binnen het invloedsgebied van de IJssel (35 meter). Er zijn door de aanpassingen van de ontwikkeling/inrichting daarmee geen negatieve effecten op kwetsbare objecten te verwachten. Het plan is vanuit het aspect externe veiligheid uitvoerbaar. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6

Luchtkwaliteit Wet- en regelgeving Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). In titel 5.2 van de wet zijn de bepalingen ten behoeve van luchtkwaliteit opgenomen. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft overeenkomstig artikel 5.12 van de Wm het NSL vastgesteld. Op 1 augustus 2009 is het NSL vervolgens in werking getreden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor

46 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Beoordeling plan In het voorgaande bestemmingsplan voor de (bedrijfs-)locatie Havikerwaard 8a is destijds door Witjes Milieuadvies B.V. een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit rondom de locatie Valewaard BV en IJsselbeton CV. Aanleiding voor dit onderzoek was de aanvraag van een revisievergunning Wet milieubeheer. Uit dit onderzoek met kenmerk 10301 van 27 januari 2010 blijkt dat voldaan wordt aan de luchtkwaliteitsnormen. Deze conclusie is bevestigd in de actualisatie van het onderzoek (rapportnummer 12517, 1 oktober 2012) van Witjes Milieuadvies ten behoeve van het voorgaande bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, Locatie Havikerwaard 8a' (NL.IMRO.0275.BPLG11-VA01), zoals opgenomen in dat plan.

Uit de gemaakte berekeningen van de effecten op de luchtkwaliteit veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten kunnen de volgende conclusies worden getrokken: de grenswaarde (40 ìg/m3) voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide wordt in 2012 op de inrichtingsgrens niet overschreden. de grenswaarde (200 ìg/m3) voor de uurgemiddelde concentratie van stikstofdioxide wordt in 2012 op de inrichtingsgrens niet overschreden. de grenswaarde (40 ìg/m3) voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof wordt in 2012 op de inrichtingsgrens niet overschreden. de grenswaarde (50 ìg/m3) voor de daggemiddelde (24-uursgemiddelde) concentratie van fijn stof wordt in 2012 op de inrichtingsgrens niet vaker dan 35 keer overschreden. de jaargemiddelde concentratie fijn stof is op het hoogst belaste punt op de grens van de inrichting 0,69 ìg/m3. Deze concentratie fijn stof, en dus ook de toename ten opzichte van de vergunde situatie, is minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 ìg/m3). De bijdrage kan daarmee worden gezien als een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. De toetsing heeft plaatsgevonden op de grens van de inrichting en zonder zeezoutcorrectie. Hiermee is toen een worstcase situatie berekend. Uit de conclusie volgt dat er sprake is van een niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit.

Met voorliggend plan worden geen nieuwe inrichtingen of nieuwe bestemmingen mogelijk gemaakt. Er vindt alleen een verplaatsing plaats van diverse bestemmingen. Er is geen sprake van (veel) extra voertuigbewegingen die de luchtkwaliteit in betekenende mate beïnvloeden. Nieuw onderzoek naar het aspect 'luchtkwaliteit' is dan ook niet nodig en de conclusies uit 2012 zijn nog steeds representatief. Als gevolg van de activiteiten in de Havikerwaard vinden voor de luchtkwaliteit geen overschrijdingen van grenswaarden plaats buiten de inrichtingsgrens. Dit geldt zowel voor de huidige als de toekomstige situatie, na verplaatsing van het Bbk-verondiepingsproject en de rivierkundige optimalisatie door de reconstructie van het hoogwatervrije bedrijventerrein. Aangezien naar de toekomst toe de concentraties aan NOx en PM10 afnemen, wordt ook naar de toekomst toe voldaan aan de 47 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

grenswaarden. Het project draagt niet in betekenende mate bij. Het plan is vanuit het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

4.7

Landschap In bijlage 2 "Landschappelijke notitie Havikerwaard 8a" is een nadere toelichting en onderbouwing gegeven van de landschappelijke inpassing. Daarnaast is in paragraaf 2.3 Toekomstige situatie reeds ingegaan op de landschappelijke inrichtingsmaatregelen. In bijlage 3 is het beplantingsplan opgenomen die tevens als voorwaardelijke verplichting in de regels is vastgelegd.

4.8

Ecologie - Natuur Wet- en regelgeving Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de natuur. De Wet natuurbescherming bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het project op de beschermde natuurwaarden. Soortenbescherming De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogelen vleermuissoorten. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft.

Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet

48 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als zij het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening of de duurzam opwekking van energie, voor zover dit een significante bijdrage levert aan de regionale, provinciale of landelijke energiedoelstelling). Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd. Stikstofdepositie Met de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd door het formuleren van instandhoudingsdoelen voor deze gebieden. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een landelijke gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename (t.o.v. de referentiesituatie) van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatiefase en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan deze stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden worden berekend. Indien uit de berekeningen met AERIUS blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar), kunnen significante effecten ten gevolge van stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Voor het onderdeel stikstofdepositie geldt dan geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. De toename die relevant is (in het planspoor) gaat om de toename t.o.v. de referentiesituatie (feitelijk en planologisch legaal gebruik).

Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar), maar wordt er voldaan aan één van onderstaande voorwaarden, geldt ook geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming: Verslechtering van stikstofgevoelige habitattypen of habitats van soorten kan, ondanks een toename van depositie, volledig uitgesloten worden in een ecologische beoordeling (voortoets); Na intern salderen is de toename van de stikstofdepositie niet groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Indien uit de berekening blijkt dat sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan één van bovenstaande voorwaarden 49 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

wordt voldaan, is sprake van een vergunningplicht op grond van de Wnb. Een vergunning kan worden verleend als uit een passende beoordeling, eventueel inclusief extern salderen, en eventueel het succesvol doorlopen van de ADC-toets, blijkt dat er geen risico's bestaan voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Een bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden, ten opzichte van de huidige feitelijke en planologische legale situatie. Effecten ten gevolge van een plan op de stikstofdepositie kunnen ontstaan in de realisatiefase (aanlegfase) of gebruiksfase. Beoordeling plan Voor voorliggend plan is een natuurtoets uitgevoerd door Kurstjens Ecologisch Adviesbureau (2022). De notitie van deze natuurtoets is in bijlage 6 van deze Toelichting opgenomen. De notitie is gebaseerd op de ecologische monitoring van beschermde soorten gedurende de periode 2019-2023, een ecologische inspectie op 27 november 2018 t.b.v. een aanvraag voor verlening van een vergunning in het kader van de voormalige Flora- en faunawet in 2019, eerdere natuurtoetsen t.b.v. het nabijgelegen en lopende project Havikerwaard-Zuid en literatuuronderzoek.

Uit deze toets volgt dat er geen negatieve significante effecten ontstaan. De conclusies uit de notitie zijn hieronder opgenomen: Gebiedsbescherming - Bbk-verondiepingsproject In de notitie is geanalyseerd of de voorgenomen wijziging van de vergunde locatie van het Bbk-project binnen de Gebiedsontwikkeling Havikerwaard-Zuid tot een andere conclusie leidt m.b.t. de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het verplaatsen van de moeraszone van de zuidoever naar de zone tussen de geul en de plas en rondom het nieuwe bedrijfsterrein leidt niet tot andere conclusies m.b.t. doelsoorten in het kader van de gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming. Bovendien neemt de hoeveelheid moeras zelfs wat toe (0,6 ha extra) t.o.v. het oorspronkelijke Bbk-project. Dit is gunstig voor tal van niet-broedvogels. Er is dus geen sprake van significant negatieve effecten op beschermde vogelsoorten. Gebiedsbescherming - Reconstructie bedrijfsterrein (voor zover binnen de contouren van Natura 2000-gebied) Op de locaties waar de optimalisatie/compensatie van het industrieterrein is voorzien (ca. 3 ha), is nu diep water dat is gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Overwinterende watervogels maken gebruik van dit water.

Echter, omdat er door de (totale) Gebiedsontwikkeling Havikerwaard-Zuid circa 65 ha nieuw diep water wordt gerealiseerd is er geen sprake van significant negatieve effecten op vogels waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming is er dan ook geen belemmering om een wijziging van het bestemmingsplan door te voeren. Voorgesteld wordt om een aanpassing van de begrenzing van het GNN door te voeren bij de Provincie Gelderland, waarbij het areaal natuurgebied netto zelfs wat groter wordt (met ca. 0,6 ha). Daarbij wordt diep water ingeruild voor extensief beheerd 50 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

hoogwatervrij grasland (overwinteringsgebied voor de beschermde Rugstreeppad). Soortbescherming - Bbk-verondiepingsproject In het plangebied van de verondieping komt momenteel alleen de beschermde soort bever voor. De voorgenomen wijziging heeft geen negatief effect op deze soort. Het aanwezige beverhol op de zuidoever van de plas Bingerden (Kurstjens, 2019) blijft door de wijziging behouden. Er is dus geen ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortbescherming - Reconstructie bedrijfsterrein In de zone waar omvorming van industrieterrein naar extensief grasland is voorzien, is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten. In de bomen en struiken die dienen te verdwijnen, zijn geen nesten aanwezig van jaarrond beschermde vogelsoorten (Kurstjens, 2019). Burchten van das en bever zijn afwezig in deze zone. Ook zijn er geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen (Kurstjens, 2019; Tuitert, 2016). Wel is het bekend dat Rugstreeppadden zich in sommige jaren (o.a. in 2020 en 2021, zie Kurstjens & Hylkema, 2020; 2021) voortplanten op het terrein in ondiepe tijdelijke plasjes en dat het gebied naar alle waarschijnlijkheid in gebruik is als overwinteringslocatie voor deze soort. Hoewel een amfibiesoort, overwintert de Rugstreeppad op het land en in het rivierengebied dan bij voorkeur op een hoogwatervrije locatie.

Door de kap van bomen en struiken uit te voeren buiten het broedseizoen (winterhalfjaar) zijn negatieve effecten op nestelende vogels uit te sluiten. In uiterwaarden komen doorgaans de kleine marterachtigen bunzing en wezel voor, hermelijn is langs de Rijntakken tegenwoordig een zeldzaamheid en de aanwezigheid hangt sterk samen met een goede konijnenstand. In de Havikerwaard zijn geen directe waarnemingen van wezel en bunzing bekend, maar in de ruimere omgeving (rest uiterwaard en omgeving kasteel Middachten) wel. De afgelopen tien jaar zijn twee waarnemingen bekend van wezel en drie van bunzing. Drie van de vijf waarnemingen betreffen verkeersslachtoffers op de A348. Hermelijn is niet gemeld. Bij de ingreep ten behoeve van het bedrijfsterrein verdwijnt ooibos maar komt schraal grasland terug. In potentie verdwijnt habitat voor de bunzing, maar komt er habitat voor de wezel (woelmuizen in grasland) voor terug. Bunzingen houden zich graag op in moeras(bos)gebiedjes zoals het Paradijs en langs de oever van water omdat ze onder meer zijn gespecialiseerd in amfibieën. De bunzing kan aan de andere kant weer profijt hebben van de moeraszone die tussen beide plassen wordt ontwikkeld in het kader van het verondiepingsproject. Ook profiteert de bunzing van boscompensatie die al is uitgevoerd aan de nabijgelegen noordwestoever van de plas Havikerwaard-Zuid.

Het potentiële habitat voor de bunzing wordt dus voldoende gecompenseerd, ook tijdens de uitvoeringsfase. Geconcludeerd kan worden dat bij de omvorming van het industrieterrein rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van de beschermde Rugstreeppad. De uitvoering dient te gebeuren buiten de voortplantingsperiode van de soort (april-juli). Bij de herinrichting van het gebied dienen zoveel mogelijk open zandige bodems te worden blootgelegd. Een extensief begrazingsbeheer van het gebied (bijv. door paarden) is gunstig voor de Rugstreeppad. Aanvullende bemesting van de gronden dient niet te worden toegepast. Er hoeft geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming (onderdeel 51 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

soortbescherming) te worden aangevraagd. Monitoring 2023 Aanvullend vindt er met enige regelmaat een monitoring plaats binnen het projectgebied Havikerwaard-Zuid naar beschermde soorten. De rapportage van de meest recente monitoring (juni 2023) is opgenomen in bijlage 7. Binnen het plangebied, op het fabrieksterrein, zijn rugstreeppadden, grote larven en uitkruipende juvenielen aangetroffen. Bij de omvorming van het industrieterrein dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van deze soort. De uitvoering dient te gebeuren buiten de voortplantingsperiode van de soort (april-juli). Bij de herinrichting van het gebied dienen zoveel mogelijk open zandige bodems te worden blootgelegd. In het zuidelijk deel van het plangebied (wat omgevormd wordt tot grasland) zijn geen nesten aanwezig van jaarrond beschermde vogelsoorten. In tegenstelling tot 2022 is er geen zangpost van de nachtegaal vastgesteld, wel een cluster van drie erbuiten. Burchten van das en bever zijn afwezig in deze zone. Stikstofdepositie Als onderdeel van de vergunningaanvraag Wet natuurbescherming voor dit project heeft Sweco in februari 2023 een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 8. In deze rapportage zijn de effecten van de beoogde situatie onderzocht op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Voor de referentiesituatie is uitgegaan van de laagst toegestane stikstofdepositie sinds de vroegste referentiedatum van aanwijzing Natura 2000-gebied (24 maart 2000), ofwel het jaar 2010. Dit is de referentiesituatie in het projectspoor (ofwel de referentiesituatie van de activiteiten). De referentiesituatie van een bestemmingsplan is echter de huidige feitelijke en planologisch legale situatie. In voorliggend geval is de referentiesituatie uit 2010 hetzelfde als de huidige feitelijke en planologisch legale situatie. De vergunning wordt namelijk momenteel maximaal benut. In de beoogde situatie is de maximale stikstofdepositie 5,71 mol N/ha/jaar. Na intern salderen met de referentiesituatie (2010), is de maximale toename van de stikstofdepositie in de beoogde situatie niet hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee kunnen significante effecten ten gevolge van de stikstofdepositie worden uitgesloten. Voor dit plan is daarnaast op 20 juli 2023 een positieve weigering afgegeven door de provincie. Zie hetvoor het besluit met kenmerk: 2020-014955. Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.9

Vormvrije m.e.r beoordeling Wet- en regelgeving Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een

52 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld.

Beoordeling plan en conclusie Sweco heeft een Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld ten aanzien van de geplande verplaatsing van het BbK-inrichtingsproject en de rivierkundige optimalisatie door de reconstructie van het hoogwatervrije bedrijventerrein. Het rapport hiervan d.d. 27-11-2023 is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. De onderhavige ontwikkeling betreft twee verschillende activiteiten uit het Besluit m.e.r. (zie tabel 3.1): 3. de realisatie van een natuurgebied door middel van verondiepen van een deel van de pas, wat als activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D9; 4. de uitbreiding van een bedrijventerrein, wat als activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D11.3. (In dit geval gaat het overigens over de verplaatsing van een bedrijventerrein en niet over een uitbreiding in m2.) In de aanmeldingsnotitie is de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen en is ingegaan op de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit. Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uit te sluiten.

53 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

4.10 Rivierkunde Wet- en regelgeving Voor ingrepen in de grote rivieren geldt het Rivierkundig Beoordelingskader van Rijkswaterstaat. Hierin staat beschreven hoe Rijkswaterstaat bij de vergunningverlening rivierkundige effecten van voorgenomen ingrepen in de rivier bepaalt en beoordeelt. Het Rivierkundig Beoordelingskader is nodig als er een vergunning in het kader van de Waterwet moet worden aangevraagd, een projectplan Waterwet wordt opgesteld, in opdracht van een vergunningaanvrager berekeningen worden uitgevoerd, of als het bevoegd gezag een vergunningaanvraag op rivierkundige effecten moet beoordelen. Het toepassingsgebied van het Rivierkundig Beoordelingskader betreft de grote rivieren in Nederland welke in beheer zijn van het Rijk, zoals weergegeven in de kaarten bij de Waterregeling. Beoordeling plan en conclusie WSP Nederland B.V. heeft in mei 2021 een rivierkundige analyse uitgevoerd met betrekking tot de geplande aanpassing van de ontwikkeling/inrichting. Het rapport is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Deze rivierkundige beoordeling heeft als doel de hydraulische en morfologische effecten van de gewijzigde situatie van Havikerwaard 8a en het verlegde Bbk-verondiepingsproject inzichtelijk te maken en te toetsen aan de criteria uit het Rivierkundig Beoordelingskader 4.0.

De rapportage dient als onderbouwing bij de wijziging van de Waterwetvergunning voor het plan. In de rapportage van de rivierkundige analyse zijn de uitgangspunten waarop de beoordeling is gebaseerd opgenomen. Uit de effectbeoordeling blijkt dat aan alle criteria van het Rivierkundig Beoordelingskader 4.0 wordt voldaan. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beoordeling.

54 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Geconcludeerd wordt dat er vanuit rivierkundig oogpunt geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van dit plan.

55 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

4.11 Verkeer Het bestaande bedrijventerrein wordt geherstructureerd. De aanpassing van het bedrijventerrein brengt geen verandering in verkeersgeneratie met zich mee ten opzichte van de huidige situatie. Verkeerskundig treedt er geen verandering op ten opzichte van de bestaande situatie. Hetzelfde geldt voor parkeren. Bovendien biedt het terrein voldoende ruimte voor parkerende voertuigen, die via de toegangspoort het terrein kunnen betreden.

4.12 Water In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht een watertoets te verrichten voor het opstellen van een bestemmingsplan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Als onderdeel hiervan dienen eventuele mitigerende en compenserende maatregelen schetsmatig te worden uitgewerkt. Sweco heeft voor voorliggend plan een watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 11 bij deze Toelichting opgenomen. Uit deze watertoets volgden de volgende conclusies: Waterveiligheid Binnen de bestemmingsplanwijziging is een primaire waterkering gelegen. De kering ligt binnen een natuur- en bedrijfsbestemming. Voor de waterkering is het waterschap het bevoegd gezag. Van belang is dat er een gesloten, van gelijke hoogte en aanwijsbare kering voor terugkomt. Gesloten: in de nieuwe variant van de kering mag geen gat of gaten ontstaan Gelijke hoogte: kerende hoogte van alternatief moet minimaal gelijk zijn aan de huidige hoogte Aanwijsbaar: een aanwijsbaar traject zodat deze ook vastgelegd kan worden in de legger van het waterschap en dat het hele nieuwe traject fysiek buiten na te lopen en te inspecteren is. Binnen het plan vindt afstemming plaats met RWS voor de creatie van een betere doorstroming van de uiterwaarde.

Binnen dit proces zal ook het waterschap worden betrokken en dient er rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de waterkering. Dit betekent dat dit aspect voldoende geborgd is in het plan. De verplaatsing van de verondieping raakt niet aan de waterkering. Verwerking van afstromend hemelwater Het huidige bedrijventerrein wordt verlegd waarbij het oppervlak van het nieuwe bedrijventerrein afneemt ten opzichte van het huidige bedrijventerrein. Dit betekent dat er geen toename in verhard oppervlak is, en er geen waterberging gerealiseerd hoeft te worden. Bij de herinrichting van het terrein dient vuilwater en hemelwater gescheiden te 56 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

worden ingezameld. Geadviseerd wordt om hemelwater niet opnieuw aan te sluiten op het vuilwaterriool (voor zover dit het geval was). Afstromend hemelwater kan worden afgevoerd naar de plassen of de IJssel. Hiervoor is RWS het bevoegd gezag, RWS heeft geen aanvullend beleid voor afstromend (schoon)hemelwater in hun watersysteem. Wel dient het afstromende hemelwater te monitoren zijn, bijvoorbeeld met een controleput. Bij de inrichting, bouw en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Waterschap Rijn en IJssel hanteert de voorkeursvolgorde "schoonhouden - scheiden schoonmaken". Onderzoek naar het nemen van bronmaatregelen ("schoonhouden") is daarom een belangrijk onderdeel. Bij de inrichting van het plangebied dient rekening te worden gehouden met de te gebruiken materialen in de te realiseren gebouwen of bouwwerken en verhardingen. Er dient gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen om schoon regenwater in het gebied te conserveren. Dit houdt in dat er geen uitlogende materialen worden toegepast (zink, lood, koper, zacht PVC). Afspoeling van stoffen vanaf het terrein naar de uiterwaarde/IJssel tijdens de aanleg- en gebruiksfase moet worden voorkomen. Hier wordt met de uitvoering van het plan rekening gehouden.

Tijdens de gebruiksfase van het plangebied verdienen onder andere de volgende zaken extra aandacht: toepassing van chemische onkruidbestrijding; afval inzamelen; opslag van materialen; regelmatig vegen; gladheidsbestrijding.

Afvalwater De verandering in de DWA afvoer van het bedrijventerrein is gering. Dit is enerzijds omdat het bedrijventerrein niet significant groter wordt, en hetzelfde type bedrijven gevestigd blijft op het terrein. In een later stadium (WHHP) dient de aansluiting van de riolering, in afstemming met de gemeente, bepaald te worden. Zwemwater De plassen hebben deels een recreatieve functie. Vanwege de grootte en de diepte (zandwinning) is er geen risico op slechte waterkwaliteit gedurende droge en warme perioden. Natuur Het plan ligt deels binnen de Natura 2000 gebieden. Onderdeel van het plan is het verbeteren van de natuurwaarden van het plangebied. Hierover vindt afstemming plaats met de bevoegde gezagen. Conclusie 57 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

58 Landelijk Gebied, herinrichting Havikerwaard 8A en omgeving (ontwerp)

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1

Standaard en plansystematiek Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=34652c3c-9c9d-4770-82ef-9457b3a675f5