Inspraakbijdrage K3 - bijlage
Tekst van het document
In het Betonakkoord wordt gestreefd 100% hoogwaardig hergebruik van het vrijkomende beton, echter komt er onvoldoende beton vrij uit sloop om in de vraag naar nieuw beton 100 % te kunnen voldoen, en is de markt momenteel behoudend in het toepassen van betongranulaat, zoals blijkt uit de alinea hierboven. De huidige aanname is om in het behoedzame scenario de hoeveelheid betongranulaat in nieuw beton te verhogen naar 3 % in 2030 en 5 % in 2050. Verondersteld is dat hiermee de vraag naar grind evenredig daalt en dat voor de rest de samenstelling hierdoor niet verandert. Voor het dynamische scenario wordt een hergebruik van 4 % in 2030 en 10 % in 2050 aangenomen. Wanneer het hergebruik van betongranulaat in beton stijgt, daalt hiermee het beschikbare betongranulaat voor wegfunderingen. Dit tweede orde effect is niet meegenomen in de prognoses, omdat onbekend is op welke manier dit zal doorwerken. De ontwikkeling van hergebruik van betongranulaat is moeilijk te voorspellen op basis van beschikbare gegevens, en hangt van meerdere factoren af. De aannames in dit rapport brengen dus een zekere onzekerheid met zich mee. Daarom wordt de invloed van deze aannames getoetst met een gevoeligheidsanalyse, gegeven in paragraaf. 7.2. Ontwikkeling van betonmortel naar betonproducten Op basis van ontwikkelingen in het verleden is een trend zichtbaar van betonmortel naar betonproducten.
Een belangrijke verklaring hiervoor is de toename van het gebruik van prefab betonelementen. Het aandeel van betonmortel (binnen de betonachtige producten waar ook verschillende soorten species onder vallen) lijkt tussen 2011 en 2020 te zijn afgenomen van 55 % in 2011 naar 50 % in 2020, terwijl het aandeel van betonproducten is toegenomen van 35 % in 2011 naar 40 % in 2020 [19]. Dit beeld lijkt ook overeen te komen met een LCA van CE Delft voor beton [18], waarbij cijfers van 2010 en 2017 zijn gebruikt. Voor het behoedzame scenario is nu verondersteld dat het aandeel van betonmortel in 2030 uitkomt op 45 % en in 2050 op 40 % en dat dit verschuift naar betonproducten.
31 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Voor het dynamische scenario is verondersteld dat deze ontwikkeling sterker doorzet, maar dat dit uiteindelijk niet meer te verhogen is doordat overblijvende betonmortelconstructies (zoals funderingen en betonwegen) steeds lastiger te vervangen zullen zijn met prefab beton. Aangenomen is dat in het dynamische scenario het aandeel mortel rond de 35 % ligt vanaf 2040, via een tussenstap van 40 % in 2030. Houtbouw In deze studie wordt alleen houtbouw in woningbouw en utiliteitsbouw meegenomen. Andere ontwikkelingen in biobased bouwen zijn niet meegenomen, omdat hiervoor geen trends gemaakt konden worden op basis van beschikbare gegevens. Houtbouw staat de laatste jaren in sterk in de belangstelling en er zijn veel ambities, ontwikkelingen en initiatieven op de vlak. De Metropoolregio Amsterdam heeft bijvoorbeeld de ambitie om 20 procent van de woningproductie in houtbouw te laten plaatsvinden in 2025, oplopend tot 50 procent in 2050. De ambities worden ondersteund in de Green Deal Convenant Houtbouw. Ondanks deze ambities is de groei in houtbouw nog niet terug te zien in de cijfers. Op basis van een artikel van Cobouw1 uit 2022 is bekend dat het aandeel houtskeletbouw in de woningbouw is toegenomen van 1,6 % in 2017 naar bijna 3 % in 2023 (prognose). In een recenter artikel van ING wordt geschat dat in 2018 circa 2% van de woningbouw in Nederland in houtbouw is uitgevoerd [20].
Houtbouw wordt voornamelijk bij vrijstaande woningen gebruikt en nog maar vrij beperkt bij appartementen, omdat houtbouw hier met de geldende regelgeving (zoals op het gebied van geluid) relatief duurder is dan meer traditionele bouwmethoden. Qua materialisatie is verondersteld dat bij houtbouw alle dragende delen en een belangrijk deel van de niet-dragende delen door hout worden vervangen. Belangrijke uitzondering zijn funderingen die van beton blijven. Daarnaast wordt een deel van de houten woningen nu nog met dakpannen uitgevoerd. Hierbij is verondersteld dat dit bij de helft van de houtbouw ook in de toekomst zo zal zijn, en dat voor de andere helft de dakpannen vervangen worden door andere (biobased) materialen, die geen invloed hebben op de bouwgrondstoffen die in dit rapport worden behandeld. Ook zijn er nog enkele kleine stromen die niet vervangen worden. Bovenstaande betekent dat hout een deel van de vraag naar beton, kalkzandsteen, gebakken metselstenen/dakpannen en gips (niet relevant voor vraag naar primaire grondstoffen) vervangt. Bij de utiliteitsbouw is meer onzekerheid over de toepassing van houtbouw in de praktijk, al lijkt het minder waarschijnlijk dat houtbouw bij bedrijfsruimten en logistieke gebouwen wordt toegepast. Voor nu is ingeschat dat 0,5 % van de bedrijfsruimten en logistieke gebouwen en 1 % van de andere utiliteitsgebouwen van hout wordt gemaakt.
Tabel 5.1 geeft het huidige aandeel houtbouw en de gehanteerde aannames voor beide scenario’s in 2030 en 2050. De aannames rondom houtbouw brengen grote onzekerheid met zich mee, daarom wordt de invloed van deze aannames getoetst met een gevoeligheidsanalyse in paragraaf 7.1.
Tabel 5.1 Aandeel houtbouw per sector voor beide scenario’s.
Woningbouw
Bedrijfsruimten en logistieke gebouwen
Andere utiliteitsgebouwen
3%
0,5 %
1,0 %
2030
5%
1,5 %
2,5 %
2050
10 %
3%
5%
2030
6%
2%
4%
2050
15 %
4%
10 %
2023 (huidig) Behoedzaam
Dynamisch
1
Houtskeletbouw is in 5 jaar tijd amper toegenomen (cobouw.nl)
32 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Asfalt Wegbedekking Voor de vraag naar materialen is het van belang om een inschatting te maken van ontwikkeling van type wegbedekking bij wegen. Bij zowel rijkswegen als provinciale wegen is en blijft dit naar verwachting bijna uitsluitend asfalt. Voor zowel gemeentelijke wegen als fietspaden wordt een grotere diversiteit aan wegbedekking gebruikt. Onderstaande tabel toont de aannames van de materiaalstromen studie uit 2022 [1] voor uitbreidingsnieuwbouw (bij vervanging werd verondersteld dat dit dezelfde wegbedekking bleef). Deze aannames worden ook in deze studie gehanteerd.
Tabel 5.2 Voorraad en uitbreiding van gemeentewegen en fietspaden in 2019 en 2050. Aandelen van verschillende type wegbedekking 2050, behoedzaam
2019
2050, dynamisch
Voorraad
Uitbreiding
Uitbreiding
Uitbreiding
asfalt
45 %
50 %
45 %
40 %
gebakken klinkers
9%
15 %
30 %
40 %
betonklinkers
23 %
25 %
15 %
10 %
betonwegen
1%
1,5 %
1,5 %
1,5 %
-overig
21 %
8,5 %
8,5 %
8,5 %
asfalt
68 %
60 %
60 %
60 %
betonwegen
10 %
15 %
15 %
15 %
overig
22 %
25 %
25 %
25 %
Gemeentewegen
Fietspaden
De belangrijkste ontwikkeling is het verschuiven van betonklinker en asfalt naar gebakken klinker, vanwege langere levensduur en duurzaamheid van gebakken klinkers. Deze klinkers zijn duurder in de aanschaf, waardoor beperkt is ingerekend (uitbreiding van 30 % in het behoedzame scenario, zoals in de materiaalstromenstudie [1]). Voor het dynamisch scenario wordt deze versterkt doorgezet. Hierin vindt een uitbreiding van 40 % voor gebakken klinkers plaats in 2050, wat evenredig ten koste gaat van betonklinkers en asfalt. Asfalttypen Naast bovenstaande ontwikkelingen zijn er binnen asfalt ontwikkelingen aangaande de verschillende typen deklagen. Hierbij zijn de belangrijkste ontwikkelingen zichtbaar bij gemeentewegen en fietspaden (er is ook ontwikkeling bij Rijkswegen, maar dit is minder relevant voor de grondstoffenvraag, omdat verschillen tussen de samenstelling van verschillende soorten ZOAB qua primaire grondstoffen sterk op elkaar lijken). Bij de inschatting van het gebruik van asfalttypen werken kwaliteitseisen en levensduur tegen elkaar in. Zo lijkt er volgens het onderzoek ‘volumebalans asfalt’ [12] een ontwikkeling gaande dat een deel van het bestaande AC-surf asfalt vervangen wordt door stillere typen asfalt (SMA en DGD). Deze typen hebben een kortere levensduur dan AC-Surf.
Het is echter aannemelijk dat de levensduur van deze typen in de tijd toe zal nemen door technische vooruitgang, , waardoor per saldo de levensduur naar verwachting ongeveer constant blijft. Voor het behoudende scenario is nu aangenomen dat het aandeel AC surf met 3 % lager is in 2050 dan in 2019, en dat dit aandeel bij SMA en DGD evenredig er bijkomt. Voor het dynamische scenario is deze verschuiving twee keer zo hoog ingerekend. Hergebruik asfaltgranulaat in nieuw asfalt In het rapport ‘De markt voor freesasfalt tot 2030’ [21] zijn in twee scenario’s aannames gemaakt met betrekking tot de hoeveelheid freesasfalt in nieuw asfalt die ook voor deze studie zijn aangehouden. Voor het behoedzame scenario is aangehouden dat in 2050 het niveau wordt bereikt wat in het dynamische scenario (uit het rapport ‘De markt voor freesasfalt tot 2030’) in 2030 wordt gehaald. Voor het dynamische
33 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
scenario wordt aangenomen dat in 2050 al het vrijkomende asfalt in nieuw asfalt wordt gebruikt voor zover mogelijk. Hierbij komt het verbruik van asfaltgranulaat bij zijn theoretische maximum (maximaal 95 % hergebruik vanwege verlies bij frezen), behalve als dit geïmporteerd wordt (hier wordt niet vanuit gegaan). De toename na 2030 is alleen mogelijk door meer vrijkomende asfaltgranulaat en zal naar verwachting door gemeenten gebruikt worden, omdat deze overheidslaag achterloopt op de andere opdrachtgevers en de meeste potentie nog hebben om het hergebruik te vergroten. Bij hogere hergebruikpercentages is in Nederland onvoldoende asfaltgranulaat beschikbaar om aan de vraag te voldoen en zou bij hoge eisen aan hergebruik zelfs kunnen leiden tot een aanzuigende werking van asfaltgranulaat uit ons omringende landen. In onze omringende landen is het beeld dat het hergebruik van asfaltgranulaat nog een stuk beperkter is. [22].
Tabel 5.3 Hergebruik van asfaltgranulaat in 2020, en 2030 en 2050 in het behoedzame en dynamische scenario.
Hergebruik 2020
Hergebruik behoedzaam 2030
Hergebruik behoedzaam 2050
Hergebruik dynamisch 2030
Hergebruik dynamisch vanaf 2040
rijkswegen
20 %
40 %
60 %
60 %
60 %
provinciale wegen
15 %
30 %
40 %
40 %
40 %
gemeente wegen en fietspaden
5%
20 %
30 %
30 %
40 %
tussen en onderlagen
55 %
65 %
75 %
75 %
75 %
Deklagen
5.3
Kalkzandsteenzand
Kalkzandsteen wordt veelal gebruikt voor binnenwanden in gebouwen, in de vorm van stenen, blokken of elementen. Voor beide scenario’s wordt het huidige gebruik van kalkzandsteen doorgetrokken, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het gebruik van kalkzandsteen in de afgelopen jaren is toegenomen ten koste van bijvoorbeeld beton. Het gebruik van kalkzandsteen zou in de toekomst toe kunnen nemen vanwege de lagere MKI ten opzichte van beton. Het lijkt echter waarschijnlijker dat een eventuele aanscherping van de MPG niet direct leidt tot een relatieve toename van kalkzandsteen; er is geen financieel economische reden bekend waarom dit aantrekkelijker zou zijn dan alternatieven. Een verschuiving van kalkzandsteen naar hout is wel meegenomen vanwege de verwachting dat houtbouw een groter aandeel in de markt krijgt, en dit de vraag naar kalkzandsteen zal drukken voor de gebouwen waarbij hout wordt gebruikt.
5.4
Klei
Rivierklei wordt toegepast bij ophoging en versterking van dijken. Dit zal in de toekomst ook zo blijven, wat is aangegeven in paragraaf 4.2.1. Verdere eventuele trends in grofkeramische producten zijn niet meegenomen, behalve dat houtbouw grofkeramische producten zoals metselstenen en dakpannen deels zal vervangen.
5.5
Niet meegenomen trends
In beide scenario’s zijn enkele mogelijke trends nog niet verwerkt, omdat hier nog geen onderbouwde aannames voor gemaakt konden worden. Dit zijn met name trends in circulariteit, waardoor de vraag naar primaire grondstoffen zal dalen. Hieronder worden deze trends toegelicht. Ten eerste zijn circulaire trends rondom kalkzandsteen niet meegenomen. Technisch gezien kan kalkzandsteen goed gerecycled worden, echter zijn de kosten hiervoor hoger dan voor primair kalkzandsteen. Apart scheiden van kalkzandsteen bij de sloop brengt kosten met zich mee, en is het
34 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
transport naar de kalkzandsteenfabriek vaak langer, omdat de fabrieken veelal naast de wingebieden staan [23]. Voor beton is het 1-op-1 hergebruik van betonelementen niet meegenomen. Momenteel wordt onderzocht in hoeverre bijvoorbeeld liggers losgemaakt kunnen worden voor hergebruik [24], en in de toekomst zal hier ook op ontworpen kunnen worden. Dit zal de vraag naar primaire betongrondstoffen drukken, maar de omvang hangt af van wat er hergebruikt zou kunnen worden. Voor liggers is de impact op de totale vraag naar grondstoffen zeer beperkt. Deze trend is niet meegenomen in de scenario’s. Verder is er onzekerheid of in de toekomst gekozen zal worden om meer stalen bruggen te vervangen voor betonnen bruggen. Hiervoor is onlangs gekozen bij de A27, vanwege lagere onderhoudskosten en minder geluidsoverlast. Onbekend is echter of dit in de toekomst vaker zal voorkomen. Dit zou de vraag naar beton iets kunnen verhogen, echter zal dit beperkt zijn op het geheel, omdat voor de funderingen alsnog beton toegepast zal worden. Ook composietbruggen zijn in opkomst, echter de potentie hiervan is nog lastig in te schatten en is daarom in de prognoses niet meegenomen. Voor keramische toepassingen van rivierklei zijn geen circulaire trends doorgerekend.
Uit het interview met de Vereniging Koninklijke Nederlandse Bouwkeramiek werd aangegeven dat ingezet wordt op materiaalreductie door slanker te ontwerpen, en dat de samenstelling naar de toekomst kan veranderen, door meer gebruik van geïmporteerd Eiffelklei uit Duitsland. Deze trends zullen de vraag naar rivierklei drukken, maar zijn niet verwerkt in de prognoses, omdat de daadwerkelijke reductie moeilijk te duiden of onderbouwen is, en de impact naar verwachting niet substantieel zal zijn.
35 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
6 PROGNOSES VOOR BEIDE SCENARIO’S In dit hoofdstuk worden de prognoses per grondstof voor beide scenario’s weergegeven. Voor elke grondstof wordt de gemiddelde jaarlijkse vraag uitgedrukt in kilotonnen, in 2019, tussen 2023 en 2030, tussen 2030 en 2040 en tussen 2040 en 2050. De grafieken laten de grondstofvraag binnen Nederland zien, export wordt hier dus niet weergegeven, hoewel bekend is dat in 2019 enkele grondstoffen deels werden geëxporteerd. Dit is niet meegenomen in de prognoses, omdat de ontwikkeling van toekomstige export moeilijk te duiden is. De gevoeligheid hiervan wordt beschreven in paragraaf 6.4. Ten eerste worden de grondstoffen belicht die in het IJsselmeergebied worden gewonnen (kalkzandsteen, ophoogzand en industriezand), en vervolgens de overige grondstoffen.
6.1
Prognoses kalkzandsteenzand, ophoogzand en beton- en metselzand, welke deels in IJsselmeergebied worden gewonnen
Momenteel wordt gewerkt aan een Zandwinstrategie IJsselmeergebied 2025-2050, vanwege een toenemende druk op de grondstoffenwinning in het IJsselmeergebied. Voor de PlanMER van deze strategie is inzicht gewenst naar de toekomstige vraag van grondstoffen die in het IJsselmeergebied gewonnen zouden moeten worden. Dit betreft kalkzandsteenzand, ophoogzand en een beperkte hoeveelheid industriezand. De prognoses van beide scenario’s voor deze grondstoffen worden apart uitgelicht in deze paragraaf. Ophoogzand In afbeelding 6.1 staat de jaarlijkse vraag naar ophoogzand in 2019, 2030, 2040 en 2050 voor het beide scenario’s. Hier is export (5.400 kiloton in 2019) niet meegenomen. Afbeelding 6.1 Vraag naar ophoogzand in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts).
36 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
De vraag naar suppletiezand tot 2050 zal in beide scenario’s toenemen vanwege de stijgende zeespiegel., . In het behoedzame scenario neemt de vraag naar ophoogzand (inclusief domeinvrij zand) in de gww en b&u licht af door iets lagere nieuwbouwproductiecijfers. In het dynamische scenario neemt de vraag naar ophoogzand in de wegenbouw wat toe, terwijl dit voor de b&u min of meer constant blijft. Zoals in bijlage I.1 is aangegeven, is geschat dat in 2019 14.200 kiloton domeinvrij zand is gewonnen. Hiervan is de verhouding ten opzichte van de hoeveelheid ‘overig ophoogzand’ in 2019 bepaald (34 %), en het domeinvrij zand is met dit percentage doorgetrokken tot 2050. Er zit namelijk een behoorlijke overlap in de activiteiten waarvoor ‘overige ophoogzand’ en domeinzand voor wordt gebruikt en het lijkt aannemelijk dat deze ontwikkelingen elkaar in grote lijnen volgen. In het behoedzame scenario blijft dit echter stabiel. Cumulatief is tot 2050 tussen de 640.000 en 850.000 kiloton suppletiezand nodig, en 1.611.000 tot 1.937.000 kiloton ophoogzand (inclusief domeinvrij), afhankelijk van het scenario. De zandsuppletie zal voornamelijk uit de Noordzee gewonnen worden. Om transport van ophoogzand te beperken, zal ophoogzand dichtbij de toekomstige toepassingen gezocht worden.
De behoefte naar ophoogzand uit het IJsselmeergebied is daarom onder andere afhankelijk van lokale behoefte rondom het IJsselmeergebied. Verder is het afhankelijk van het aanbod uit andere gebieden. Zowel de lokale behoefte als het aanbod uit andere gebieden zijn niet in kaart gebracht. Wel is bekend dat in 2019 33 % van het ophoogzand (dus zonder suppletiezand of domeinvrij zand) uit het IJsselmeergebied werd gewonnen. Ten opzichte van de jaren 2010-2018 is dit een stijging, die jaren werd gemiddeld 22 % uit het IJsselmeergebied gewonnen [19]. Dit heeft onder andere te maken met de afbouw van ophoogzandwinning in de Waddenzee, Eems en Dollardgebied, en de rivieren Waal, Lek en Merwede. Inmiddels is de winning uit deze gebieden gestopt, wat de druk op het IJsselmeergebied kan laten toenemen [19] [9]. Verder is bijna al het domeinvrije zand in 2019 gewonnen uit het IJsselmeergebied, uit de Noordzee is de hoeveelheid gewonnen domeinvrij zand (buiten suppletiezand en zand voor de Maasvlakte) zeer beperkt. Van het domeinplichtige en domeinvrije zand samen (exclusief suppletiezand) is in 2019 50 % uit het IJsselmeergebied gewonnen. Als dit aandeel gelijk blijft richting 2050, en aangenomen wordt dat al het suppletiezand wordt gewonnen op de Noordzee, is de cumulatieve vraag naar ophoogzand uit het IJsselmeergebied tussen de 805.000 en 969.000 kiloton, afhankelijk van het scenario.
Of dit aandeel in de toekomst gelijk blijft, hangt af van zowel lokale behoefte als van het aanbod uit andere bronnen, zoals in de alinea hierboven is beschreven. De ontwikkelingen in het verbruik van ophoogzand wordt voor een groot deel bepaald door de ontwikkelingen in kustverdediging waar ook de meeste onzekerheid mee samenhangt. De aannames in relatie tot zeespiegelstijging worden getoetst in een gevoeligheidsanalyse in paragraaf 7.3. Kalkzandsteenzand Afbeelding 6.2 laat de vraag naar kalkzandsteenzand zien, die geheel uit de vraag naar kalkzandsteen komt. De jaarlijkse vraag zal in beide scenario’s afnemen tot 2050, door een afname van de nieuwbouwproductie in de b&u, bij met name de woningbouw.
37 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 6.2 Vraag naar kalkzandsteenzand in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts).
Dat het verbruik van kalkzandsteenzand in het behoedzame scenario sterker afneemt, komt enerzijds door een sterkere daling van de woning nieuwbouw, maar ook doordat in dit scenario naar verhouding meer meergezinswoningen worden gebouwd, terwijl in het dynamische scenario dit aandeel ten opzichte van 2019 minder sterk toeneemt. Het gebruik van kalkzandsteen is meer gebruikelijk bij eengezinswoningen dan bij meergezinswoningen. Ook het aandeel woningen dat van hout of andere materialen wordt gebouwd, heeft invloed op de vraag naar kalkzandsteen maar dit effect lijkt relatief beperkt (zie paragraaf 7.2). Deze prognoses laten zien dat cumulatief tot 2050 22.000-28.000 kiloton kalkzandsteenzand benodigd is, afhankelijk van het scenario. In 2019 werd 27 % van dit zand gewonnen in het IJsselmeergebied. Als dit aandeel gelijk blijft, betekent dit dat er tot 2050 in totaal circa 6.000-7.500 kiloton kalkzandsteenzand uit het IJsselmeergebied wordt gevraagd. Kalkzandsteen kan ook op andere locaties gewonnen worden, waaronder de Noordzee, maar de transportafstanden naar de fabrieken en klanten tellen zwaar mee in de kosten en milieukosten van kalkzandsteen. De huidige positionering van fabrieken van de kalkzandsteenindustrie is deels gericht op winning vanuit het IJsselmeergebied.
Verplaatsing van winning van kalkzandsteenzand kan leiden tot toe name van transportafstanden of verplaatsen van fabrieken [23]. Beton- en metselzand Binnen de betonachtige materialen gaat het meeste industriezand naar betonmortel en betonproducten en een kleiner deel loopt via gww-aannemers en handelaren of wordt gebruikt in droge mortel. De b&u heeft een groter aandeel (65%) dan de gww, waarbij de woningbouw een iets groter aandeel heeft dan de utiliteitsbouw. Bij zowel de b&u als de gww gaat het voornamelijk om nieuwbouwactiviteit en in beperktere mate om herstel en verbouwactiviteiten. Beton- en metselzand zijn hier samengenomen. De vraag hiernaar is weergegeven in afbeelding 6.3, waarin een onderverdeling is gemaakt waar het zand naartoe gaan. In 2019 werd rond de 5.000 kiloton industriezand geëxporteerd, dit ging om fijnkorrelig industriezand, wat bijvoorbeeld in België schaars is. Dit is niet weergegeven in de figuur, en is ook niet meegenomen in de prognoses.
38 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 6.3 Vraag naar beton- en metselzand in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts).
In beide scenario’s neemt de vraag naar industriezand af, waarbij dit in het dynamische scenario pas na 2030 plaatsvindt. De belangrijkste verklaring hiervoor is een afnemende woning nieuwbouw, welke in het dynamische scenario later wordt ingezet en minder sterk is. Tegenover deze daling in de b&u staat een stabiele vraag naar beton in de gww in het behoedzame scenario, en een toenemende vraag in de gww in het dynamische scenario (waardoor de totale hoeveelheid beton een stuk beperkter afneemt). Deze afwijkende vraag in de gww komt voornamelijk door een toename van de vervanging- en renovatieopgave bij zowel kunstwerken als de meeste andere assets en een beperkter belang van uitbreiding in de gww dan in de b&u. Verder is te zien is dat de vraag naar betonmortel in beide scenario’s sterk daalt, terwijl dit minder het geval is voor betonproducten. Dit is te verklaren door een verschuiving van mortel naar prefab betonproducten, wat is toegelicht in paragraaf 5.2. In 2019 werd circa 2 % van het industriezand gewonnen uit het IJsselmeergebied. Momenteel lijkt dit aandeel niet te groeien in de toekomst, het industriezand is er echter wel beschikbaar.
6.2
Prognoses grind, asfaltzand, brekerzand, klei en vrijkomende granulaten
Het merendeel van de onderstaande grondstoffen laat een dalende trend zien in hun vraag tot 2030 en 2050. Hierbij is deze daling in het behoedzame scenario altijd sterker dan in het dynamische scenario. Op grote lijnen is dit te herleiden aan de verwachte demografische en economische groei in het behoedzame scenario, wat leidt tot ook een afname in nieuw te bouwen assets in de gww en b&u. Deze afname is sterker in het behoedzame scenario dan in het dynamische scenario. Hieronder wordt dit per grondstof toegelicht. Grind De vraag naar grind volgt dezelfde trend als beton- en metselzand, omdat ook grind voornamelijk in beton wordt toegepast. De vraag per jaar is gegeven in afbeelding 6.4.
39 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 6.4 Vraag naar grind in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts)
Ten eerste neemt de vraag in beide scenario’s af door een dalende behoefte aan beton, wat het sterkste effect heeft in het behoedzame scenario. Verder wordt de daling in vraag naar grind versterkt door een verschuiving van mortel naar prefab producten in de betonindustrie. In betonproducten is namelijk het aandeel van grind kleiner doordat hier vaker steenslag voor wordt gebruikt. Deze trend is sterker in het dynamische scenario. De gevoeligheid van hergebruik van betongranulaat is getoetst in paragraaf 7.2. Verder wordt grind ongebonden toegepast, bijvoorbeeld op daken, als halfverharding bij wegen of in de waterbouw. Hier is een zeer lichte daling in te zien.
40 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Asfalt- en brekerzand Afbeelding 6.5 geeft de vraag naar asfalt- en brekerzand, welke voor asfalt worden gebruikt.
Afbeelding 6.5 Vraag naar asfalt- en brekerzand in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts)
Duidelijk is dat de vraag naar asfaltzand daalt, dit komt met name doordat het aandeel hergebruikt asfaltgranulaat stijgt, wat het asfaltzand vervangt (zie paragraaf 5.2). In het behoedzame scenario blijft de vraag naar brekerzand gelijk, omdat de vraag naar asfalt tot 2050 in dit scenario nagenoeg gelijk blijft (meer onderhoud, maar minder uitbreiding), en brekerzand relatief beperkt vervangen wordt door asfaltgranulaat bij lagere hergebruikpercentages. Bij het dynamische scenario is ondanks een behoorlijke toename van de vraag naar asfalt (+15 % tussen 2040-2050 ten opzichte van 2019) een lichte daling van de vraag naar brekerzand. Belangrijkste verklaring hiervoor is dat de samenstelling naar type asfalt verschuift naar asfalttypen met een lager gehalte aan brekerzand, zoals ZOAB (vanwege een groter aandeel asfalt voor Rijkswegen) en SMA en DGD.
41 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Steenslag De vraag naar steenslag wordt gegeven in afbeelding 6.6. Hierbij worden ook ongebonden stromen weergegeven. Dit bestaat grotendeels uit toepassing van steenslag als ballast in de spoorbouw.
Afbeelding 6.6 Vraag naar steenslag in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts)
De afname van steenslag in het behoedzame scenario’s komt in belangrijke mate door een hoger hergebruik van asfaltgranulaat, terwijl de vraag naar asfalt stabiel blijft. In het behoedzame scenario neemt de vraag naar asfalt toe, maar wordt met een hoger percentage asfalthergebruik gerekend, waardoor de vraag naar steenslag stabiel blijft. Tegenover een daling van de vraag naar steenslag voor asfalt, is er wel een toenemende vraag naar steenslag voor de spoorbouw in beide scenario’s door meer reconstructie en nieuwbouw dan in het basisjaar (er heeft weinig uitbreiding plaatsgevonden in het basisjaar). Ook is er in het dynamische scenario meer vraag naar steenslag in beton vanwege een verschuiving van betonmortel naar betonproducten. Hierdoor is in totaal maar een beperkte daling in vraag naar steenslag te zien in het dynamische scenario, terwijl deze wel duidelijk te zien is in het behoedzame scenario. In het behoedzame scenario vindt ook een verschuiving van mortel naar betonproducten plaats, maar in mindere mate.
42 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
In afbeelding 6.8 wordt de jaarlijkse hoeveelheid vrijkomend asfaltgranulaat gegeven. Hierin is een duidelijke stijging terug te zien, veroorzaakt door een toename in vervangingen en reconstructies in de gww (paragraaf 4.2.2).
Afbeelding 6.8 Vrijkomend asfaltgranulaat in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts)
Afbeelding 6.9 hieronder weergeeft het jaarlijks verbruik van en vrijkomende menggranulaat voor beide scenario’s. Menggranulaat is hier gedefinieerd als al de vrijkomende puinfractie bij de sloop in de b&u en gww. Dit betekent dat naast beton, hier ook andere puinstromen zoals bakstenen en kalkzandsteen onderdeel van uit maken.
44 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 6.9 Verbruik van en vrijkomend menggranulaat in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts)
De vrijkomende stroom neemt in beide scenario’s toe door meer sloop en reconstructie in zowel de b&u als de gww. De vraagontwikkeling loopt echter niet gelijk op met het aanbod in beide scenario’s. In het behoedzame scenario komt er namelijk na 2030 meer vrij dan er vraag naar is, omdat de vraag naar menggranulaat in de wegenbouw stagneert (uitbreiding en vervanging houden elkaar in evenwicht). In de realiteit zal het toegepaste en vrijkomende menggranulaat echter altijd gelijk zijn. Dit kan gelijk getrokken worden door bijvoorbeeld een toename in gebruik van betongranulaten in de betonindustrie, nieuwe toepassingen van menggranulaat of export. Welke van deze varianten het wordt, is afhankelijk van meerdere factoren en is met de huidige kennis niet te voorspellen. In het dynamische scenario is er daarentegen een tekort aan menggranulaat tot 2040 om aan de totale vraag aan menggranulaat te voldoen, waarna het aanbod de vraag ook in dit scenario vanaf 2040 overstijgt. Het tekort tot 2040 komt door een combinatie van een hogere vraag vanuit de wegenbouw door meer nieuwbouw en een hogere vraag naar betongranulaat voor nieuw beton.
De betekenis van dit resultaat kan zijn dat er menggranulaat wordt geïmporteerd, dat er een op een alternatieve manier de fundatie onder de wegen wordt opgelost, bijvoorbeeld door meer asfaltgebruik, of dat er minder betongranulaat in beton wordt hergebruikt. De vrijkomende stromen zijn een ruwe inschatting op basis van de veronderstelde ontwikkelingen en samenhang (op basis van de productieveronderstellingen in deze studie samen met de opgehoogde geschatte vrijkomende materiaalstromen uit de vorige materiaalstromenstudie [1]) van vervanging en reconstructie van verschillende onderdelen van de bouw. Dit geeft een relatief wat grotere onzekerheidsmarge, waarbij het wel zeker is dat er in de toekomst meer materiaal vrijkomt dan nu.
45 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
6.3
Samenvatting van resultaten
In deze paragraaf wordt de vraag naar alle bouwgrondstoffen samengevat in één figuur (Afbeelding 6.10). Hierin wordt de relatieve vraag uitgedrukt in procenten ten opzichte van 2019 (welke als basisjaar is genomen in deze studie), voor beide scenario’s in 2030 en 2050. Dit overzicht is gegeven exclusief export van grondstoffen, omdat de toekomstcijfers van export grote onzekerheid met zich meebrengen. Ook zijn brekerzand en steenslag hierin weergegeven om een volledig beeld te geven. Deze worden geheel geïmporteerd, maar hangen nauw samen met de vraag naar beton en asfalt.
Afbeelding 6.10 Relatieve stijging/daling in de vraag naar bouwgrondstoffen ten opzichte van 2019 voor het behoedzame en dynamische scenario in 2030 en 2050.
Op hoofdlijnen kan geconcludeerd worden dat ten opzichte van 2019 de vraag naar ophoogzand en rivierklei tot 2050 zal stijgen in beide scenario’s. Dit heeft te maken met klimaatadaptatie; suppletiezand voor kustbescherming en klei voor dijkversterkingen. Voor de andere grondstoffen geldt dat de vraag daalt of redelijk stabiel blijft ten opzichte van 2019. De voornaamste oorzaak hiervan is dat de demografische groei op den duur afneemt in beide scenario’s, en daarmee ook de vraag naar nieuwbouw van assets in de gww en b&u. Doordat de nieuwbouw afneemt,
46 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
neemt ook de vraag naar bouwgrondstoffen af. De afname in het behoedzame scenario is sterker dan in het dynamische scenario, wat komt door lagere productiecijfers in zowel de gww en b&u, wat weer gerelateerd is aan een lagere demografische groei in het behoedzame scenario. Hoewel voor de meeste grondstoffen de vraag afneemt ten opzichte van 2019, neemt de totale vraag naar bouwgrondstoffen (dus de som van alle behandelde bouwgrondstoffen) maar beperkt af in het behoedzame scenario, en neemt deze in het dynamische scenario fors toe (in 2050 is de vraag naar bouwgrondstoffen 30% hoger dan in 2019). Dit komt doordat in absolute getallen ophoogzand verreweg het grootste aandeel heeft in de grondstoffen (zie ook afbeelding 3.1u), en hier de vraag juist naar stijgt. In bijlage II wordt de vraag naar bouwgrondstoffen in absolute getallen gegeven, als jaargemiddelde en als totaal tot 2050.
6.4
Rol van export
In de bovenstaande paragrafen is export van grondstoffen op producten niet meegenomen in de analyses, omdat de ontwikkeling van exportcijfers tot 2050 lastig te duiden is en ook afhankelijk is van buitenlandse ontwikkelingen. In 2019 was het aandeel export van klei en industriezand significant ten opzichte van de totale winning van deze grondstoffen. Zo werd 27 % van het gewonnen industriezand, het fijnkorrelige industriezand, geëxporteerd. Van de gewonnen klei werd 34 % geëxporteerd, waarvan de helft ongeveer als ongebonden klei, en de andere helft als metselstenen. Voor de toekomstige klei- en industriezandvraag zijn dus ook de exportontwikkelingen van groot belang. Voor andere grondstoffen werd in 2019 niet of zeer beperkt geëxporteerd. In hoeverre de export van in Nederland gewonnen grondstoffen naar omringende landen toeneemt, hangt ook af van de ontwikkelingen in die landen, zoals de vraag naar en beschikbaarheid van deze grondstoffen in die landen. Ook het Nederlands beleid kan hier invloed op hebben. Hetzelfde geldt ook andersom; de import van grondstoffen naar Nederland hangt ook af van de beschikbaarheid en vraag naar deze grondstoffen in het buitenland, en van buitenlands beleid.
47 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
7 GEVOELIGHEIDSANALYSE TRENDS Vanwege de lange periode dat de prognose beslaat zijn er onzekerheden en gevoeligheden die de resultaten beïnvloeden. De belangrijkste onzekerheden die invloed hebben op de resultaten betreffen de invloed van demografie en economie op de productie, wat de reden is geweest om te werken met twee scenario’s. Ook een aantal externe factoren, zoals zeespiegelstijging beïnvloeden het grondstoffengebruik aanzienlijk en hebben grote mate van onzekerheid. Ten slotte is ook onzeker in welke mate de ambities met betrekking tot circulaire economie worden waargemaakt en de invloed hiervan op de vraag en samenstelling van bouwmaterialen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de invloed van de belangrijkste onzekerheden op de grondstoffenvraag met betrekking tot externe factoren en bouwtrends. De volgende trends worden bekeken: aandeel houtbouw in de b&u, mate van hergebruik van betongranulaat, en de aangenomen snelheid van zeespiegelstijging.
7.1
Gevoeligheidsanalyse: houtbouw
De eerste getoetste gevoeligheid in deze studie is de rol die houtbouw in de b&u gaat spelen. Het is denkbaar dat dit aandeel zowel hoger als lager kan liggen dan wat nu is gehanteerd voor beide scenario’s. Om de effecten van deze onzekerheid op de resultaten te bepalen zijn er verschillende varianten doorgerekend die zowel hoger als lager liggen dan hiervoor is gehanteerd. In Tabel 7.1 zijn de aangepaste varianten beschreven. Ook in de gww zouden verschillende assets die nu van beton gemaakt zijn door andere materialen, zoals hout of composiet, vervangen kunnen worden. De vraag naar beton in de gww zit voor een groot deel bij assets waar het bouwen met hout of composiet vooralsnog geen goed alternatief is (zoals betonwegen en klinkers) en ook voor een belangrijk deel funderingen betreft (waar hout en composiet nog geen alternatief voor zijn). Ter indicatie: als 10 % van de vraag naar beton van bruggen en viaducten door hout of composiet vervangen zou worden, dan zou dit de totale vraag naar beton in de bouw met circa 0,5 % terugdringen, wat dus de totale vraag naar primaire grondstoffen maar beperkt beïnvloedt. Om deze reden is onderstaand alleen gekeken naar de invloed van meer houtbouw in de b&u.
48 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Tabel 7.1 Gehanteerde subscenario’s voor gevoeligheidsanalyses rondom houtbouw.
Subscenario’s gevoeligheid houtbouw
Aandeel houtbouw in woningbouw in 2050
Aandeel houtbouw in bedrijfsruimten en logistieke gebouwen in 2050
Aandeel houtbouw in andere utiliteitsgebouwen in 2050
Behoedzaam, laag
3%
0,5 %
1,0 %
Behoedzaam (onveranderd)
10 %
3%
5%
-
Behoedzaam, hoog
15 %
4%
10 %
aandeel vergelijkbaar met dynamisch scenario
Dynamisch, laag
10 %
3%
5%
aandeel vergelijkbaar met behoedzaam scenario
Dynamisch (onveranderd)
15 %
4%
10 %
-
Dynamisch, hoog
20 %
7%
14 %
-
Toelichting
situatie blijft als in 2023
Voor houtbouw in de b&u geldt dat het de vraag naar de volgende producten die in deze studie relevant zijn (en daarmee grondstoffen) drukt: - beton (grind, industriezand, steenslag): vervanging van dragende- en niet dragende delen, met uitzondering van funderingen en een deel van het voegwerk; - metselstenen en dakpannen (klei): vervanging van metselmuren en dakpannen; - kalkzandsteen (kalkzandsteenzand): vervanging van kalkzandsteenmuren. Hoe hoger het aandeel houtbouw, hoe sterker de vraag naar bovenstaande grondstoffen wordt gedrukt. In afbeelding 7.1 is weergegeven voor bovenstaande grondstoffen hoe de gemiddelde vraag tussen 2040 en 2050 is veranderd ten opzichte van 2019, voor het behoedzame en dynamische scenario. Daarnaast is met error bars aangegeven wat de invloed is van de subscenario’s uit tabel 7.1, waarbij de hoge subscenario’s de vraag naar grondstoffen drukt en bij de lage subscenario’s de vraag juist toeneemt.
49 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 7.1 Gemiddelde jaarlijkse vraag naar bouwgrondstoffen ten opzichte van 2019 voor het behoedzame en dynamische scenario in 2040-2050. Met error bars is de gevoeligheid van aannames rondom houtbouw aangegeven, op basis van de subscenario’s in Tabel 7.1. Boven: klei en kalkzandsteen. Onder: industriezand, steenslag en grind.
De grafieken laten ten eerste zien dat behalve rivierklei, de vraag naar alle grondstoffen daalt ten opzichte van 2019. Dit komt door een daling in productiecijfers in de gww en b&u, terwijl er voor dijkversterking wel een grotere vraag naar klei komt. In het behoedzame scenario liggen de productiecijfers en de opgave in dijkversterking lager, waardoor hier de vraag lager is dan voor het dynamische scenario. De error bars laten zien dat de gevoeligheid rondom houtbouw beperkte invloed heeft op de resultaten. Vooral op de vraag naar steenslag is de invloed zeer beperkt, omdat deze grondstof ook veelal buiten de b&u wordt gebruikt, waar houtbouw geen invloed op heeft. De grootste invloed is op de kalkzandsteenzandvraag, waarbij 5 % meer houtbouw ten opzichte van het standaardscenario leidt tot 3,6 % en 4,2 % vraagvermindering, voor respectievelijk het dynamische en behoedzame scenario. Voor de andere grondstoffen is deze reductie dan 1-2 %.
50 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Uit deze gevoeligheidsanalyse blijkt dat de aanname rondom houtbouw een beperkte invloed heeft op de totale vraag naar grondstoffen, deze wordt met name bepaald door de productiecijfers in de gww en b&u.
7.2
Gevoeligheidsanalyse: hergebruik betongranulaat
De tweede getoetste gevoeligheid zijn de aannames rondom hergebruik van betongranulaat. Betongranulaat kan grind in betonproducten en mortel vervangen, hiervoor zijn in het behoedzame en dynamische scenario aannames gemaakt op basis van recente trends. De gevoeligheid van deze aannames is getoetst met onderstaande subscenario’s. In het hoge dynamische subscenario wordt naast grind, ook industriezand deels vervangen in beton. Dit is technologisch al mogelijk, maar wordt nog niet veel toegepast.
Tabel 7.2 Gehanteerde subscenario’s voor gevoeligheidsanalyses rondom hergebruik van betongranulaat in betonproducten. Subscenario’s gevoeligheid hergebruik betongranulaat
Percentage hergebruik betongranulaat in beton in 2050
Behoedzaam, laag
2,5 %
Toelichting situatie blijft als in 2023
Behoedzaam (onveranderd)
5%
-
Behoedzaam, hoog
10 %
aandeel vergelijkbaar met dynamisch scenario
Dynamisch, laag
5%
aandeel vergelijkbaar met behoedzaam scenario
Dynamisch (onveranderd)
10 %
-
Dynamisch, hoog
15 %
naast grind, wordt ook industriezand deels vervangen door betongranulaat
In afbeelding 7.2 is wederom de gemiddelde jaarlijkse vraag naar grondstoffen gegeven ten opzichte van 2019 voor beide scenario’s tussen 2040 en 2050. Met error bars is aangegeven wat de invloed is van de subscenario’s uit tabel 7.2. Hierbij geldt dat een hoger hergebruikpercentage leidt tot minder vraag naar grind.
51 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 7.2 Gemiddelde jaarlijkse vraag naar grind ten opzichte van 2019 voor het behoedzame en dynamische scenario in 2040-2050. Met error bars is de gevoeligheid van aannames rondom hergebruik van betongranulaat aangegeven, op basis van de subscenario’s in tabel 7.2.
De grafiek laat zien dat het percentage hergebruik van betongranulaat een significante impact heeft op de vraag naar grind. In het dynamische scenario is de vraag naar grind 3.000 kiloton (29 %) lager dan in 2019. In het lage dynamische subscenario is dit echter maar 1900 (18 %) kiloton lager, en in het hoge dynamisch subscenario juist 4.200 kiloton (39 %). In het behoedzame scenario is deze spreiding wat kleiner in absolute getallen, maar is in relatieve zin vergelijkbaar. De reductie op industriezand in het dynamisch hoge subscenario is zeer beperkt, en is daarom niet weergegeven. Wat betreft beschikbaar menggranulaat geldt dat in de meeste scenario’s, met uitzondering van het hoge dynamische subscenario, in 2050 meer menggranulaat vrijkomt dan wordt toegepast. Dit betekent dat er meer materiaal beschikbaar is om bijvoorbeeld in beton her te gebruiken. In het hoge dynamische subscenario, waar in 2050 15 % wordt hergebruikt in beton, is de vraag en aanbod naar menggranulaat naar verwachting in balans. Het verder verhogen van het hergebruik van betongranulaat in nieuw beton kan leiden tot een grotere vraag naar betongranulaat voor betonproducten, waardoor de beschikbaarheid van betongranulaat voor wegfunderingen afneemt.
De markt zal hierop reageren, wat zou kunnen leiden tot bijvoorbeeld een lager verbruik als funderingsmateriaal onder de wegen (wat mogelijk leidt tot dikkere asfaltlagen en meer ophoogzand) of dat menggranulaat geïmporteerd moet worden. Hetzelfde beeld is al eerder toegelicht in afbeelding 6.9. Uit deze gevoeligheidsanalyse blijkt dat de aanname voor het percentage hergebruik betongranulaat van sterke invloed is op de vraag naar grind. Daarnaast hangt dit ook samen met de beschikbaarheid van granulaten in Nederland. Bij hoge hergebruikpercentages kan dit leiden tot een tekort aan menggranulaat als funderingsmateriaal.
7.3
Gevoeligheidsanalyse: Effecten van zeespiegelstijging
Suppletiezand was in 2019 ruim 30% van het gewonnen ophoogzand in Nederland. De vraag naar suppletiezand is sterk afhankelijk van de toekomstige zeespiegelstijging, hiervoor zijn in beide scenario’s verschillende aannames gedaan (zie paragraaf 4.2.1). Om de gevoeligheid van deze aannames te toetsen, is hieronder geanalyseerd wat het effect zou zijn op de vraag naar ophoogzand wanneer met een andere zeespiegelstijging wordt gerekend.
52 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Kustgenese 2.0 [16] kijkt door tot 2032, tot dit jaar hanteren we de voorkeursstrategieën uit dit rapport en nemen we geen gevoeligheden mee. Vanaf 2032 hanteert het rapport meerdere mogelijke zeespiegelstijgingen, waar wij in het behoedzame scenario uitgaan van 4 mm per jaar in 2050, en in het dynamisch scenario 6 mm per jaar. In beide scenario’s is getoetst wat het effect is wanneer de zeespiegelstijging 2 mm langzamer of sneller gaat. De benodigde hoeveelheid suppletiezand in deze gevallen is overgenomen uit Kustgenese 2.0 [16]. Dit is weergegeven in afbeelding 7.3. Tot 2032 wijken de scenario’s van elkaar af, omdat hiervoor verschillende voorkeurstrategieën uit Kustgenese 2.0 [16] zijn gehanteerd. Vanaf 2032 worden de gevoeligheden binnen de scenario’s ook duidelijk.
Afbeelding 7.3 Benodigde zandsuppletie per jaar in duizend m3 voor beide scenario’s, inclusief gehanteerde onder- en bovengrens in de gevoeligheidsanalyses.
Ook de vraag naar dijkenklei is sterk afhankelijk van de toekomstige klimaatverandering. In dit rapport is uitgegaan van dat 1.500 km dijk tot 2050 versterkt moet worden, zoals aangegeven in het Deltaprogramma. Echter is deze hoeveelheid onzeker, onder andere door veranderende normen en meetmethoden. Zo is in november 2023 een nieuwe schatting uitgekomen waarin verwacht wordt dat niet 1.500 maar 2.000 kilometer versterkt zal moeten worden [25]. Echter betreft dit een eerste schatting en zal pas bij ingeplande versterkingsprojecten gekeken worden hoeveel daadwerkelijk versterkt moet worden en wat realistisch is dat ook daadwerkelijk voor 2050 plaats zal vinden. Als de versterkingsopgave inderdaad groter wordt, heeft dit een significante impact op de vraag naar klei en ophoogzand. Dit is niet meegenomen in deze gevoeligheidsanalyse. Wat wel meegenomen is in de gevoeligheidsanalyse, is een extra ophoging van dijken met 0,5 meter bij een versnelde zeespiegelstijging. Dit heeft invloed op zowel de vraag naar ophoogzand als klei. Hoe de gevoeligheid getoetst is, is aangegeven in tabel 7.3. Hierin is te zien dat alleen in de ‘hoge’ subscenario’s de ophoging van dijken is meegerekend.
Tabel 7.3 Gehanteerde subscenario’s voor gevoeligheidsanalyses rondom zeespiegelstijging. Subscenario’s gevoeligheid zeespiegelstijging
Zeespiegelstijging in mm / jaar in 2050
Extra ophoging van dijken
Behoedzaam, laag
2
-
Behoedzaam (onveranderd)
4
-
Behoedzaam, hoog
6
+0,5 m
53 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Subscenario’s gevoeligheid zeespiegelstijging
Zeespiegelstijging in mm / jaar in 2050
Extra ophoging van dijken
Dynamisch, laag
4
-
Dynamisch (onveranderd)
6
-
Dynamisch, hoog
8
+0,5 m
Wat het effect van de zeespiegelstijging is op de totale vraag naar ophoogzand, is weergegeven in afbeelding 7.4. Hierin is de jaarlijkse vraag naar ophoogzand weergegeven, waarbij met error bars is weergegeven in hoeverre de vraag kan verschillen.
Afbeelding 7.4 Vraag naar ophoogzand in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts). Inclusief spreiding in vraag naar zandsuppletie op basis van verwachtte zeespiegelstijging.
In de periode 2023-2030 is er in het behoedzame scenario extra ophoogzand nodig voor dijkversterking, dit is een beperkt aandeel van het totaal. Tussen 2030 en 2040 is de afwijking beperkt, waarna deze versterkt van 2040-2050. In beide scenario’s is de positieve afwijking tussen 2040-2050 circa 11.000 kiloton, wat in het behoedzame scenario circa 15 % van de vraag is, en in het dynamische scenario 10 %. Hiermee heeft de snelheid van de zeespiegelstijging een sterke invloed op de totale naar vraag naar ophoogzand. Voor de extra 0,5 m dijkverhoging is naast ophoogzand ook klei vereist. Deze extra vraag is weergegeven in afbeelding 7.5. In beide scenario’s betekent de dijkophoging een extra kleivraag van 3-4 % op het totaal, waarbij het over tijd van 3 % naar 4% gaat, omdat ook de hoeveelheid dijkversterkingen toeneemt met de tijd (zie hiervoor afbeelding 4.16).
54 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 7.5 Vraag naar klei in Nederland in kilotonnen per jaar in het behoedzame (links) en dynamische scenario (rechts). Inclusief afwijking waarbij een extra 0,5m dijkverhoging is meegerekend.
55 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
8 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 8.1
Conclusies
In deze studie is een prognose gemaakt van de vraag naar bouwgrondstoffen tot 2030 en 2050 voor de volgende grondstoffen: ophoogzand, industriezand (beton- en metsel- en asfaltzand), grind, steenslag, brekerzand en rivierklei. Deze prognose is gemaakt voor twee scenario’s: een behoedzaam scenario, waarin economische en demografische groei behoedzaam is geraamd tot 2050, en een dynamisch scenario, waarin de economische en demografische groei groter is, wat leidt tot meer productie in de gww en b&u, maar ook ruimte biedt voor meer ontwikkelingen in circulariteit. Hierbij is uitgegaan van het huidige beleid in Nederland. Ook is er aandacht voor enkele belangrijke gevoeligheden in de prognoses. Ten behoeve van de PlanMER Zandwinstrategie IJsselmeergebied is de vraagontwikkeling van bouwstoffen die worden gewonnen in het IJsselmeer uitgelicht. De resultaten van de studie resulteren in de volgende conclusies: 1 bij grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand neemt de vraag over tijd af door een lagere nieuwbouwbehoefte in de toekomst, vanwege een afname in demografische groei in beide scenario’s. Hierbij is de vraag altijd lager in het behoedzame scenario, omdat hier de productiecijfers lager liggen. · In het behoedzame scenario in 2030 is de vraag naar bovengenoemde grondstoffen maximaal 10% lager dan in 2019.
In het dynamische scenario is de vraag naar deze grondstoffen in 2030 vrijwel gelijk aan de vraag in 2019; · richting 2050 daalt de vraag naar kalkzandsteenzand, industriezand en grind het sterkst in het behoedzame scenario, tot 40 % lager ten opzichte van 2019. In het dynamische scenario daalt vooral de vraag grind tot 2050, tot 30 % lager ten opzichte van 2019; 2 alleen bij ophoogzand en klei wordt een significante groei van bouwgrondstoffen verwacht vanwege klimaatadaptatie, namelijk zandsuppletie (ophoogzand) en dijkversterkingen (klei en ophoogzand): · voor ophoogzand neemt deze vraag vooral toe ná 2030 door een versnelde zeespiegelstijging, de vraag wordt richting 2050 50 % hoger ten opzichte van 2019 in het dynamische scenario. - hierbij bestaat er onzekerheid over de precieze toename, omdat dit afhankelijk is van hoe sterk de zeespiegel in de toekomst gaat ontwikkelen. Wanneer de zeespiegel 2 mm per jaar sneller stijgt in 2050 dan verwacht, verhoogt dit de behoefte aan ophoogzand met 10-15 %; · voor klei neemt de vraag in 2030 al sterk toe, met 30 % ten opzichte van 2019 in het dynamische scenario. In 2050 is de vraag 50 % hoger dan in 2019. Dit komt door de dijkversterkingsopgave waar Nederland voor staat.
De kleivraag hangt hier sterk af van het tempo waarmee de dijken versterkt worden; 3 voor de vraag naar ophoogzand en kalkzandsteenzand is het IJsselmeergebied momenteel een belangrijke bron voor Nederland, terwijl dit voor de overige grondstoffen niet of nauwelijks geldt; 4 de vraag naar de bouwgrondstoffen is vooral afhankelijk van demografische en economische ontwikkelingen, en in minder mate van trends in alternatief bouwen, bijvoorbeeld houtbouw. Een belangrijke uitzondering hierop is grind, waarvoor extra hergebruik van betongranulaat de vraag naar grind sterk zou kunnen drukken. Wanneer het aandeel betongranulaat in beton stijgt van 5 % naar 10 %, waarbij het grind wordt vervangen, zorgt dit voor een 10 % afname in de vraag naar grind; 5 uit de analyse blijkt dat in het dynamische scenario de vraag naar betongranulaat groter is dan wat er vrijkomt uit de sloop, onder andere door een hoger percentage hergebruik van betongranulaat in betonproducten. Doordat een mogelijk tekort aan menggranulaat zich in de prijs hiervan vertaalt, zal dit
56 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
6
leiden tot marktreacties, zoals substituties of extra import van menggranulaat. Wat deze tweede orde effecten zijn is nu niet goed in te schatten en is daarom niet verwerkt in de prognose.; bij enkele grondstoffen is de vraag niet alleen afhankelijk van de Nederlandse situatie, maar ook van omringende landen, omdat deze grondstoffen geïmporteerd of geëxporteerd worden. Voor beleidsmakers is het van belang om ook met de ontwikkelingen in omringende landen rekening te houden. Het gaat om de volgende grondstoffen: · import: Kalksteen, grof industriezand, Eiffelklei, grind, steenslag en brekerzand; · export: Ophoogzand, fijn industriezand en rivierklei.
8.2
Aanbevelingen
Op basis van het onderzoek doen wij de volgende aanbevelingen: - deze studie heeft een doorkijk gegeven in de vraag naar bouwgrondstoffen in Nederland tot 2050. Hierbij zijn twee bouwgrondstoffen, kalksteen en zilverzand, niet meegenomen, omdat deze naast de bouwsector ook voor ander sectoren veelal worden toegepast. Deze grondstoffen zijn echter ook van belang voor de bouwsector. We bevelen aan om voor deze grondstoffen ook de markten in beeld te krijgen, en hiervoor prognoses te maken tot 2050; - verder zijn voor grondstoffen die nu geïmporteerd en geëxporteerd worden (zie hierboven), ook de ontwikkelingen in omringende landen van belang voor het bepalen van beleid en strategie met betrekking winning van oppervlaktedelfstoffen in Nederland. We raden daarom aan om ook deze in kaart te brengen; - deze studie is uitgevoerd op nationale schaal. Echter kan de vraag naar grondstoffen regionaal verschillen. Daarom zou een regionale verdiepingsslag op deze studie belangrijke inzichten kunnen geven; - daarnaast bevelen we aan om dit soortgelijke studies periodiek uit te voeren. De scenario’s zijn namelijk gebaseerd op aannames welke kunnen afwijken van de realiteit. Door deze hierop aan te passen, ontstaan er betrouwbaardere ramingen tot 2050.
Dit geldt voor demografisch en economische groeicijfers, maar ook trends rondom materiaalgebruik en klimaatadaptatie; - deze studie richt zich alleen op de vraagkant van de behandelde bouwgrondstoffen. Verder is ook de aanbodkant van groot belang, dus de beschikbaarheid van bouwgrondstoffen in Nederland tot 2050. We bevelen aan om ook de beschikbaarheid in kaart te brengen, en naast dit rapport te leggen; - ten slotte kan met de methodiek en gegevens uit dit rapport de invloed van bepaald beleid getoetst worden. Wij zijn in dit rapport uitgegaan van het staande beleid, echter kan ook getoetst worden wat bepaalde beleidsafwegingen hebben op de grondstoffenvraag, zoals het belasten van primair beton, subsidies op houtbouw, en beperken van wingebieden.
57 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
BIBLIOGRAFIE [1] EIB, Metabolic, „Materiaalstromen in de bouw en infra: Matriaalstromen, milieu-impact en CO2emissies in 2019, 2030 en 2050,” 2022. [2] EIB, „Investeren in Nederland - Scenariostudie,” 2015. [3] CBS, „Statline - Prognose bevolking; kerncijfers, 2022-2070,” 2022. [4] CBS, „Statline - Prognose huishoudens op 1 januari; kerncijfers 2022-2070,” 2021. [5] Centraal Planbureau, „Arbeidsparticipatie en gewerkte uren tot en met 2060,” 2019. [6] CBS, „Statline - Bbp, productie en bestedingen; kwartalen, waarden, nationale rekeningen.,” 2023. [7] EIB, „Middellange termijn scenario's voor de bouw,” 2023. [8] A. M. (Rijksvastgoedbedrijf), Interviewee, Winning van domeinvrij zand in Nederland. [Interview]. 14 September 2023. [9] NVLB, „Prognose ophoogzandbehoefte uit het IJsselmeer 2025-2050,” 2023. [10] H2H advies, „Rapportage Monitoring bouwgrondstoffen 2015-2016,” 2017. [11] EIB, „Trends op de bouwarbeidsmarkt 2022-2026,” 2022. [12] EIB, „Volumebalans asfaltmengsels: ‘Een analyse van ingaande en uitgaande asfaltstromen tot 2030',” 2023. [13] Tour de Force, „Nationaal toekomstbeeld fiets op hoofdlijnen: inventarisatie van de opgave voor de schaalsprong fiets,” 2021. [14] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, „MIRT Overzicht 2023: Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport,” 2023. [15] H. Bloksma en K. Westenberg, „Civiele kunstwerken in Nederland,” 2021.
[16] Rijkswaterstaat, „Kustgenese 2.0: kennis voor een veilige kust,” 2020. [17] BRBS Recycling, „Inventarisatie secundaire toeslagmaterialen in beton,” 2019. [18] CE Delft, „Klimaatimpact van betongebruik in de Nederlandse bouw Vergelijking 1990, 2010 en 2017,” 2020. [19] Cascade; H2H Advies, „Rapportage Monitoring bouwgrondstoffen 2019-2020,” 2022. [20] ING, „Houtbouw: duurzamer, lichter en ideaal voor industrialisatie bouwproces,” 2022. [21] EIB, „De markt voor freesasfalt tot 2030,” 2022. [22] EAPA, „Asphalt in figures 2021,” 2023. [23] V. N. Kalkzandsteenplatform, Interviewee, Kalkzandsteenwinning in Nederland. [Interview]. 24 August 2023. [24] Witteveen+Bos, „Onderzoek hergebruikpotentie betonnen prefab liggers,” 2023. [25] Rijksoverheid, „Onderzoek: meer dijken moeten worden versterkt,” 8 November 2023. [Online]. Available: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/11/08/onderzoek-meer-dijken-moetenworden-versterkt. [Geopend 15 November 2023]. [26] TNO, „LCA Achtergrondrapport voor brancherepresentatieve Nederlandse asfaltmengsels 2020,” 2020. [27] Arcadis, „MER Klinker- en cementproductie,” 2009. [28] BRBS, „Inventarisatie secundaire toeslagmaterialen in beton,” 2019. [29] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, „Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030,” 2023.
[30] EIB; Metabolic, „Materiaalstromen in de bouw en infra: Materiaalstromen, milieu-impact en CO2emissies in 2019, 2030 en 2050.,” 2022. [31] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, „Mobiliteitsvisie 2050 - Hoofdlijnennotitie,” 2023. [32] NIDI; CBS, „Verkenning Bevolking 2050 - Bevolking 2050 in beeld: opleiding, arbeid, zorg en wonen.,” 2021. [33] PBL, „Ruimtelijk Verkenning 2023 - Vier scenario’s voor de inrichting van Nederland in 2050,” 2023.
58 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
[34] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, „Programma Noordzee 2022-2027,” 2022. [35] Deltares, „Sedimentbehoefte Nederlands kustsysteem bij toegenomen zeespiegelstijging,” 2023. [36] Betonakkoord, „Betonakkoord voor duurzame groei,” 2018. [37] Rijkswaterstaat, „Kustgenese 2.0: kennis voor een veilige kust,” 2020. [38] Centraal Planbureau, „Arbeidsparticipatie en gewerkte uren tot en met 2060,” 2019. [39] Vlakglas Recycling Nederland, „Productie: van scherven naar glas,” Vlakglas Recycling Nederland, 2021. [Online]. Available: https://www.vlakglasrecycling.nl/index.php?page=wat-gebeurt-er-met-descherven-nl. [Geopend 1 Augustus 2023]. [40] Planbureau voor de leefomgeving, „Circulaire economie vraagt ruimtelijke keuzes,” Planbureau voor de leefomgeving, 25 April 2023. [Online]. Available: https://www.pbl.nl/nieuws/2023/circulaire-economievraagt-ruimtelijke-keuzes. [Geopend 2 September 2023]. [41] EIB, „Volumebalans asfalt,” 2023.
59 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: TOELICHTING GRONDSTOFSTROMEN IN 2019 Hieronder wordt de technische informatie, toepassing en oorsprong per bouwgrondstof beschreven. Verder is per bouwgrondstof met een Sankey diagram de oorsprong en toepassingen aangegeven in kilotonnen voor het basisjaar 2019.
I.1
Ophoogzand
Technische informatie Naast ophoogzand worden ook veel andere (vaak afgeleide) typen zand hiermee bedoeld. Overeenkomst is dat dit al deze zandtypen in ongebonden vorm (dus direct zonder verdere bewerking) gebruikt worden. Ophoogzand zelf is het meest goedkope vorm van zand, wat niet gezeefd en gefilterd is en dus nog veel schelpen en leemdeeltjes bevat. Doordat in Nederland vooral zand met kleinere diameter (0,1-0,3 mm) veel voorkomt, zal het ophoogzand normaal gesproken meestal een kleine diameter hebben. Zandtypen met een grovere of meer hoekige korrel of met specifiek mineralen (zoals kalkzandsteenzand en zilverzand) zijn over het algemeen meer waard voor de industrie en zullen dus niet als ophoogzand worden gebruikt. Toepassing Ophoogzand kent een groot aantal toepassingen, waarbij dit vooral onder (fundering) en in bouwwerken (zoals dijken), voor zandsuppletie, natuurwerken en landwinning wordt toegepast. De precieze verdeling naar toepassingen van ophoogzand in 2019 is gebaseerd op de eerdere materiaalstromenstudie van EIB [1]. Hierin bestaat enige onzekerheid, echter lijkt het verbruik van ophoogzand voor constructieve toepassingen wel in lijn met de sectorcijfers [19]. Bij ophoogzand voor landwinning en dijkenbouw schommelt het verbruik zeer sterk op jaarbasis.
Zo werd in 2009 respectievelijk 52.600 en 132.300 kiloton aan ophoogzand gebruikt voor kustverdediging en landwinning, terwijl dit in 2013 maar respectievelijk 21.300 en 3.300 kiloton was. Rond de 5.000 kiloton ophoogzand wordt jaarlijks geëxporteerd naar België. Dit zand wordt daar of als ophoogzand gebruikt, of als fijne fractie in betonzand. Dit zand komt zowel uit de Noordzee als overschotten fijn zand na het uitzeven van industriezand. Oorsprong De oorsprongcijfers zijn gebaseerd op de monitoring van Cascade [19]. Op basis hiervan werd in 2019 circa 70 % van het ophoogzand (incl. zandsuppletie) in de Noordzee en het IJsselmeer + randmeren gewonnen. Dit aandeel lag in eerdere jaren lager, maar is van 2019-2021 zo’n 70 % geweest (getallen uit 2021 op basis van nog niet gepubliceerde data van het Rijksvastgoedbedrijf). Uit het IJsselmeergebied werd in 2019-2021 14.000-16.000 kiloton ophoogzand gewonnen, in deze studie gaan wij uit van 15.800 kiloton in 2019, de gerapporteerde hoeveelheid uit de monitoring [19]. In eerdere jaren lag deze hoeveelheid lager. De toename kan veroorzaakt zijn doordat de winning op andere bronnen is afgebouwd en inmiddels is gestopt, zoals Waddenzee, Eems-Dollardgebied, en de rivieren Waal, Lek en Merwede [9]. Alle bovengenoemde getallen zijn echter exclusief domeinvrij zand. Domeinvrij zand is gewonnen zand dat niet domeinplichtig is.