Inspraakbijdrage K3 - bijlage
Tekst van het document
Scenariostudie grondstoffenwinning Een prognose voor de vraag naar oppervlaktedelfstoffen voor de bouw in Nederland in 2030 en 2050
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 28 november 2023
Project Opdrachtgever
Document
Status Datum Referentie
Scenariostudie grondstoffenwinning Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Een prognose voor de vraag naar oppervlaktedelfstoffen voor de bouw in Nederland in 2030 en 2050 Definitief 28 november 2023 136760/23-018.971
Projectcode
136760
Projectleider
Bescherming persoonlijke l
Projectdirecteur
Bescherming persoonlijke levenssfeer
Auteur(s)
Bescherming persoonlijke levenssfe
Gecontroleerd door
Bescherming persoonlijke l
Goedgekeurd door
Bescherming persoonlijke l
(W+B) (W+B)
(W+B), Bescherming persoonlijk (EIB), Bescherming persoonlijke levenssfeer (EIB)
(W+B) (W+B)
Bescherming persoonlijke lev
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
VOORWOORD Met genoegen presenteren wij deze scenariostudie voor de vraag naar bouwgrondstoffen in Nederland tot 2030 en 2050. Deze studie zou niet mogelijk zijn geweest zonder de bijdragen van verschillende belanghebbenden en deskundigen die wij hebben mogen interviewen en die deel uitmaakten van onze klankbordgroep. Ten eerste willen wij de leden van de klankbordgroep bedanken voor hun tijd, kennis en kritische beoordeling van dit rapport: Bescherming persoonlijke leven (Ministerie van BZK), Bescherming persoonlijke leve (Transitieteam Circulaire Bouweconomie), Bescherming persoonlijke levenssfeer (Cascade), Bescherming persoonlijke (NVLB), Bescherming persoonl jke le (NVTB), Bescherming persoonlijke levenssf (VERAS), Bescherming persoo (Ballast Nedam), Bescherming persoonlijke (Building Balance). Daarnaast willen wij alle geïnterviewde partijen bedanken voor hun tijd, kennis, informatie en visies die wij als input hebben kunnen gebruiken in onze studie. Hartelijk dank aan de volgende partijen: KNB, CE Delft, RWS, Waterschap Noorderzijlvest, Betonhuis, Cement & betoncentrum, N.V. Niba Beheer, BRBS, VKN, Sibelco en het Rijksvastgoedbedrijf. Ten slotte willen bij onze opdrachtgever, het Ministerie van IenW, bedanken voor het vertrouwen in ons en onze prettige samenwerking.
Dit rapport is bedoeld om een bijdrage te leveren aan de gesprekken over de toekomst van bouwgrondstoffen in Nederland. Wij hopen dat de bevindingen en aanbevelingen in dit rapport kunnen bijdragen aan beleidsvorming en besluitvorming op dit belangrijke terrein. (W+B) (W+B) Bescherming persoonlijke (EIB) Bescherming persoonlijke levenssfeer (EIB) Bescherming persoonlijke lev Bescherming persoonlijke
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD
3
1
INLEIDING
6
1.1
Doel
6
1.2
Scope
6
1.3
Leeswijzer
7
2
METHODE
8
2.1
Aanpak
8
2.2
Uitgangspunten behoedzaam en dynamisch scenario
9
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5
10 11 11 12 12
Bevolkingsgroei Huishoudensgroei Beroepsbevolking BBP-groei Productiecijfers in b&u en gww
3
GRONDSTOFGEBRUIK IN 2019
13
3.1
Toepassing en oorsprong per grondstof
13
3.2
Materiaalstromen in 2019
14
3.3
Kwaliteit van beschikbare data
15
4
PRODUCTIECIJFERS
16
4.1
Productiecijfers Burgerlijke & Utiliteitsbouw
16
4.1.1 4.1.2
16 18
4.2
5
Productie woningbouw Utiliteitsbouw
Grond-, Weg- en Waterbouw productiecijfers
23
4.2.1 4.2.2 4.2.3
23 26 28
Uitbreidingsnieuwbouw Vervangende nieuwbouw Reconstructie
TRENDS IN BEHOEDZAME EN DYNAMISCHE SCENARIO
30
5.1
Ophoogzand
30
5.2
Metselzand, betonzand en grind
31
5.3
Kalkzandsteenzand
34
5.4
Klei
34
5.5
Niet meegenomen trends
34
6
PROGNOSES VOOR BEIDE SCENARIO’S
36
6.1
Prognoses kalkzandsteenzand, ophoogzand en beton- en metselzand, welke deels in IJsselmeergebied worden gewonnen
36
6.2
Prognoses grind, asfaltzand, brekerzand, klei en vrijkomende granulaten
39
6.3
Samenvatting van resultaten
46
6.4
Rol van export
47
7
GEVOELIGHEIDSANALYSE TRENDS
48
7.1
Gevoeligheidsanalyse: houtbouw
48
7.2
Gevoeligheidsanalyse: hergebruik betongranulaat
51
7.3
Gevoeligheidsanalyse: Effecten van zeespiegelstijging
52
8
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
56
8.1
Conclusies
56
8.2
Aanbevelingen
57
BIBLIOGRAFIE Laatste pagina
Bijlage(n) I II III IV
b&u Productiecijfers gww Productiecijfers Toelichting grondstofstromen In 2019 Interviews
58 59 Aantal pagina's 11 11 10 1
1 INLEIDING Rondom de oppervlaktedelfstoffenwinning in Nederland zijn zorgen ontstaan over de toekomstige beschikbaarheid van grondstoffen voor bouwmaterialen vanwege stagnatie van de vergunningsverlening voor (nieuwe) winprojecten. Dit blijkt onder andere uit gestelde Kamervragen in 20221. De markt en lokale overheden hebben de laatste 15 jaar de ruimte gekregen om nieuwe winprojecten in maatwerk te ontwikkelen. Hiermee is de regie van het Rijk op de oppervlaktedelfstoffen grotendeels losgelaten. Om goed onderbouwde afwegingen te maken over het beleid rondom de winning van oppervlaktedelfstoffen, heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) behoefte aan inzicht in de lange termijn vraagontwikkeling naar bouwstoffen. Deze vraagontwikkeling is complex van aard, omdat het afhankelijk is van verschillende maatschappelijke ontwikkelingen. Enerzijds speelt de toenemende vraag naar grondstoffen een grote rol, maar ook de groei van hergebruik en alternatieve bouwmaterialen om de milieu impact in de bouw te verlagen, zijn van belang om te kunnen bepalen waar en hoeveel oppervlaktedelfstoffen in Nederland kunnen worden gewonnen. Daarnaast hebben factoren zoals de zeespiegelstijging en mate van import of export een effect op de toekomstige behoefte. Deze effecten zijn meegenomen in een scenariostudie die in dit rapport wordt beschreven.
1.1
Doel
Het doel van dit onderzoek is het geven van inzicht in de behoefte aan oppervlaktedelfstoffen in Nederland tot 2050. De analyse dient als basis voor integrale afweging van het beleid van overheden (Rijk, provincies en gemeenten) over de grondstoffenwinning. Daarnaast wordt specifiek het belang van het IJsselmeergebied uitgelicht. Deze informatie kan gebruikt worden voor de PlanMER die momenteel voor de Zandwinstrategie IJsselmeergebied 2025-2050 wordt opgesteld.
1.2
Scope
In deze studie wordt een prognose gemaakt voor de vraag naar de volgende delfstoffen in Nederland: ophoogzand, industriezand (beton- en metsel- en asfaltzand), grind, steenslag, brekerzand, rivierklei, zilverzand en kalksteen. Hiervoor worden de zichtjaren 2030 en 2050 gehanteerd. Voor de prognose worden twee scenario’s bekeken: een behoedzaam scenario en een dynamisch scenario. Deze verschillen in demografische en economische groei, maar ook in trends in bijvoorbeeld circulariteit. Als uitgangspunt voor deze trends is het huidige beleid in Nederland genomen, en is gekeken hoe deze trends zijn ontwikkeld in de voorgaande jaren. Deze worden verder beschreven in Hoofdstuk 2. Daarnaast wordt in een gevoeligheidsanalyse de impact van een drietal aannames in de scenario’s getoetst: zeespiegelstijging, houtbouw en hergebruik van betongranulaat. Ten slotte wordt ingezoomd op het IJsselmeergebied. Hierbij wordt gekeken naar het belang van de winning van delfstoffen in het IJsselmeergebied (ophoogzand, industriezand en kalkzandsteenzand). Dit rapport zal geen beleidsadviezen voorschrijven, maar dient als informatie voor een beleidsproces.
1
https://open.overheid.nl/documenten/ronl-ddb9f52a0fe191c47b5e61fa226cb79d5704efa9/pdf
6 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de methodiek van de prognoses beschreven. Ook achterliggende vertrekpunten en uitgangspunten worden benoemd voor de twee scenario’s, zoals demografische en economische groei. In de figuren in dit rapport wordt met blauwe kleuren het behoedzame scenario aangegeven, en het dynamische scenario in rood-oranje kleuren. In hoofdstuk 3 worden de grondstofstromen in het basisjaar 2019 beschreven. Het verbruik, oorsprong en toepassingen worden hierbij in kaart gebracht, die als uitgangspunt gelden voor de prognoses tot 2030 en 2050. Hoofdstuk 4 geeft de productiecijfers in de gww en b&u weer tot 2050 voor beide scenario’s. In hoofdstuk 5 wordt per grondstof beschreven welke trends gehanteerd worden die invloed hebben op de grondstoffenvraag, waarbij uitgegaan wordt van staand beleid. Hoofdstuk 6 geeft voor beide scenario’s de vraag naar grondstoffen tot 2050, waarbij ook specifiek aandacht wordt besteed aan de rol van het IJsselmeergebied. In hoofdstuk 7 worden deze bediscussieerd, en worden de gevoeligheden in aannames zoals zeespiegelstijging, hergebruik van betongranulaat en houtbouw getoetst. Ten slotte worden de conclusies uit de studie gegeven in hoofdstuk 8, waarin ook aanbevelingen worden gegeven. In de bijlages staan verder uitgewerkte achtergrondinformatie over de grondstofstromen en de geïnterviewde partijen.
7 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
2 METHODE 2.1
Aanpak
Om prognoses te maken voor de vraag naar bouwgrondstoffen tot 2030 en 2050, zijn meerdere stappen doorlopen die visueel zijn weergegeven in afbeelding 2.1. Deze stappen worden hieronder verder toegelicht.
Afbeelding 2.1 Visualisatie van de stappen om tot een grondstoffenprognose te komen
Ten eerste is voor het basisjaar 2019 bepaald hoeveel van elke bouwgrondstof is verbruikt, en waar deze is toegepast. Hierbij is ook naar de jaren rondom 2019 gekeken, om te bepalen of 2019 een representatief jaar is geweest. Wanneer dit niet het geval was, zijn andere aannames gedaan, bijvoorbeeld gemiddeldes over meerdere jaren. Aan de hand van de productiecijfers en materiaalprofielen van wegen, assets en gebouwen is bepaald hoeveel van een bepaalde grondstof in het basisjaar is gebruikt. Dit wordt de ‘bottom-up’ methode genoemd. De methode werkt als volgt: per asset of gebouw is bekend of berekend hoeveel ervan is geproduceerd in het basisjaar. Verder is per asset bekend uit welke grondstoffen het bestaat (materiaalprofiel). Door deze cijfers te combineren worden de materiaalstromen in beeld gebracht. Hierbij worden nieuwbouw, vervangingen, renovatie en sloop meegenomen. De vraag- en aanbodstromen van de bouwgrondstoffen van het basisjaar 2019 worden als vertrekpunt genomen. Hiervoor worden reeds
8 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
beschikbare gegevens genomen uit het EIB-rapport ‘Materiaalstromen in de bouw en Infra’ [1]. Hierbij is gekeken naar de materiaalstromen in de woning- en utiliteitsbouw (b&u) en grond-, weg- en waterbouw (gww). De resulterende cijfers uit de bottom-up benadering worden vervolgens gekoppeld aan top-down cijfers. Dit zijn totaalcijfers uit sectorrapporten. Er is bijvoorbeeld bekend hoeveel beton er gebruikt en vrijgekomen is in Nederland in 2019, hier is alleen niet van bekend waarvoor het beton is gebruikt. Discrepanties tussen de bottom-up en top-down benaderingen zijn door expert opinies gelijkgetrokken, en getoetst in interviews. Dit resulteert in een benadering die aansluit op de sectorrapporten, en vormt de basis om prognoses mee te maken. Vervolgens wordt de economische en demografische groei in kaart gebracht tot 2030 en 2050, met name op basis van CBS-cijfers en interne expertise en studies van het EIB. Deze economische en demografische groei vertaalt zich in een vraag naar nieuwe assets in de gww en b&u. Ook vervangingen en renovaties worden hierin meegenomen. Hiermee is in kaart gebracht hoeveel assets tot 2030 en 2050 gebouwd, vervangen en gerenoveerd dienen te worden. Omdat de materiaalprofielen van deze assets in kaart zijn gebracht, kan hiermee ook de vraag naar bouwgrondstoffen in kaart gebracht worden.
Hiermee wordt echter aangenomen dat tot 2030 en 2050 de materiaalprofielen, en daarmee de manier van bouwen, hetzelfde blijft als in 2019. Dit wordt gecorrigeerd door verschillende bouwtrends en trends rondom hergebruik en circulariteit mee te nemen. Deze trends zijn afhankelijk van de demografische en economische groei, bij een sterkere economie zal naar verwachting meer ruimte zijn voor investeringen in circulariteit. De trends zijn getoetst met interviewpartners. Als uitgangspunt voor deze trends is het huidige beleid in Nederland genomen, en is gekeken hoe deze trends zijn ontwikkeld in de voorgaande jaren. De demografische en economische groei en ook de toekomstige trends rondom bouwen en circulariteit brengen onzekerheid met zich mee. Daarom zijn twee scenario’s gedefinieerd, een behoedzaam en dynamisch scenario, die leiden tot twee verschillende prognoses tot 2030 en 2050. Deze worden beschreven in de volgende paragraaf. Interviews en klankbordgroep Diverse uitgangspunten zijn getoetst door middel van interviews met relevante marktpartijen en experts. Dit zijn met name uitgangspunten op het gebied van huidig grondstofgebruik en de trends die in de toekomst de vraag naar bouwgrondstoffen beïnvloeden. Bijlage IV geeft de geïnterviewde partijen en besproken onderwerpen weer.
Daarnaast is ook een klankbordgroep betrokken geweest bij het opstellen van dit rapport, bij de kick-off, tussenrapportage en eindrapportage. De samenstelling van de klankbordgroep is ook te vinden in bijlage IV.
2.2
Uitgangspunten behoedzaam en dynamisch scenario
De behoefte aan primaire (bouw)grondstoffen in de toekomst wordt in belangrijke mate bepaald door investeringen in woningen, utiliteitsgebouwen en infrastructuur. Hierbij gaat het zowel om investeringen in nieuw te bouwen gebouwen als herstel en verbouwactiviteiten, waaronder verduurzaming. De vraag naar woningen, utiliteitsgebouwen en infrastructuur hangt op langere termijn voornamelijk samen met demografische en economische ontwikkelingen. De relatie tussen deze variabelen en de productie op langere termijn past het EIB regelmatig toe in scenariostudies, bijvoorbeeld in het lange termijnscenario-studie ‘Investeren in Nederland’ [2] en in het rapport ‘Materiaalstromen in de bouw en infra’ [1]. Bij deze studies is het verband tussen demografische en economische ontwikkelingen en de productiegroei vastgesteld. De belangrijkste factoren die van invloed zijn op de bouwproductie, zijn de bevolkingsontwikkeling, de ontwikkeling van het aantal huishoudens, de ontwikkeling van de beroepsbevolking en de economische groei. De uitbreiding van de woning nieuwbouw hangt bijvoorbeeld in belangrijke mate samen met de huishoudensontwikkeling, die op haar beurt mede afhankelijk is van de bevolkingsontwikkeling. De omvang en ontwikkeling van de bevolking naar leeftijd is belangrijk voor de behoefte aan tal van voorzieningen,
9 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
zoals scholen en zorggebouwen. De ontwikkeling van de beroepsbevolking is relevant voor de benodigde capaciteit op wegen en de productie van bijvoorbeeld kantoren. De hoogte van economische groei bepaalt in grote mate de bedrijvigheid en de mate waarin er financiële ruimte is voor innovatie, verduurzaming en kwaliteitsverbetering. Bij een hogere economische groei (dynamisch scenario) worden deze factoren sterker meegerekend. Aangezien er onzekerheid bestaat over hoe de factoren zich in de toekomst zullen ontwikkelen, is ervoor gekozen om te werken met twee scenario’s waarin de belangrijkste factoren van elkaar verschillen. In het behoedzame scenario is sprake van gematigde economische en demografische groei, waarin geïdentificeerde (circulaire) trends naar de toekomst worden doorgetrokken, maar waarin een verdere versnelling van deze trends vanwege beperkte economische groei lastiger zal zijn. Het dynamische scenario kenmerkt zich daarentegen door relatief hoge economische en demografische groei, waardoor enerzijds meer gebouwd zal worden en de vraag naar bouwgrondstoffen toeneemt en er zijn meer financiële mogelijkheden om (circulaire) trends versneld door te zetten. Hieronder worden de economische en demografische uitgangspunten voor beide scenario’s toegelicht. Deze vertalen zich door in productiecijfers in de b&u en gww.
2.2.1
Bevolkingsgroei
De bevolkingsgroei in Nederland heeft de CBS bevolkingsprognose als basis [3], waarbij de ondergrens van het 67 % interval is gehanteerd als uitgangspunt voor het behoedzame scenario en de bovengrens van het 67 % interval als uitgangspunt voor het dynamische scenario. Hierbij zijn een aantal aanpassingen gemaakt ten opzichte van de CBS-raming. In het behoedzame scenario gaan wij uit van een relatief lage migratie (gemiddeld 35.000 per jaar tussen 2023 en 2050). Dit saldo komt ongeveer overeen met het gemiddelde in de periode 2000-2021. In het dynamische scenario is van meer migratie uitgegaan (gemiddeld 79.000 per jaar). Dit komt ongeveer overeen met de relatief hoge immigratie in de periode 2016-2021. De resulterende bevolkingsgroei is hierop aangepast. Het verloop van de bevolking over tijd in de twee scenario’s is weergegeven in afbeelding 2.2.
Afbeelding 2.2 Bevolkingsprognose scenario’s 2022-2050, aantal
10 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
2.2.2
Huishoudensgroei
Voor de huishoudensgroei is naast de bevolkingsprognose ook gebruikt gemaakt van de verwachte huishoudensverdunning. Dit is gebaseerd op de laatste verwachting van het CBS [4] over het aantal huishoudens per 1.000 inwoners van elke leeftijdsgroep (5-jaarsgroepen) in de toekomst (per 5 jaar in het middenscenario, als gedefinieerd door het CBS). De gemiddelde huishoudensgroei is per tijdvak van 5 jaar berekend. De huishoudensgroei voor beide scenario’s is gegeven in afbeelding 2.3. De verschillen zijn direct te relateren aan de verschillen in de bevolkingsgroei, wat in de vorige paragraaf is aangegeven.
Afbeelding 2.3 Huishoudensgroei scenario’s 2022-2050, aantal
2.2.3
Beroepsbevolking
Voor de ontwikkeling van de beroepsbevolking is uitgegaan van de ontwikkeling van de leeftijdsgroep 20 tot 65-jarigen in de tijd en de geschatte toename van de arbeidsparticipatie door bijvoorbeeld latere pensionering. Aan de ontwikkeling van 20 tot 65-jarigen ligt de meest recente CBS-prognose ten grondslag [3]. De groep van 20 tot 65 jaar vormt de hoofdmoot van de werkenden, maar voor de arbeidsparticipatie is ook de bredere ontwikkeling van 15 tot 75-jarigen van belang. De grondslag voor de stijgende arbeidsparticipatie hangt samen met zowel latere pensionering als met cohorteffecten: jongere vrouwen hebben bijvoorbeeld een hogere arbeidsparticipatie dan oudere vrouwen. In het behoedzame scenario is uitgegaan van een groei van de arbeidsparticipatie van 73,5 % in 2021 naar 76 % in 2050. In het dynamische scenario is uitgegaan van een sterkere groei van de arbeidsparticipatie van 15 tot 75-jarigen (73,5 % in 2021 naar 78 % in 2050). Beide getallen komen in grote lijnen overeen met een CPB-studie die een prognose tot 2060 maakt [5]. In beide scenario’s vindt de groei van de arbeidsparticipatie grotendeels voor 2040 plaats. In beide scenario’s is daarnaast een sterkere groei van de beroepsbevolking vanaf 2040 zichtbaar door groei van de leeftijdsgroep 20-65 jaar (zie afbeelding 2.4).
11 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 2.4 Beroepsbevolking scenario’s 2022-2050, index (2022=100)
2.2.4
BBP-groei
De BBP-groei is gebaseerd op de historische ontwikkeling zoals door het CBS wordt gerapporteerd. Om de BBP-groei in de verschillende scenario’s te kunnen vaststellen, moet de ontwikkeling van de verschillende componenten die het BBP bepalen, worden vastgesteld. De BBP-groei kan worden samengesteld op basis van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling in de gehele economie en van de beroepsbevolking. In het behoedzame scenario wordt uitgegaan van een productiviteitsontwikkeling die gelijk is aan het gemiddelde van deze eeuw (0,75 % per jaar) [6]. Wanneer wij ook rekening houden met de groei van de beroepsbevolking, is de resulterende BBP-groei gemiddeld 0,8 % per jaar. In het dynamische scenario is uitgegaan van een arbeidsproductiviteitsgroei van gemiddeld 1,25 % per jaar, waardoor de gemiddelde BBP-groei uitkomt rond de 1,6 % per jaar. Dit is vergelijkbaar met de hogere groei in de periode 2000 - 2008. De genoemde arbeidsproductiviteitsgroei is een aanname, die bijvoorbeeld uitgaat van een verdergaande technologische ontwikkeling, zoals ook in het verleden is gezien.
2.2.5
Productiecijfers in b&u en gww
Bovengenoemde demografische en economische groeicijfers bepalen de toekomstige productiecijfers in de b&u en gww. De productie in de periode tot en met 2027 is grotendeels gebaseerd op een recent uitgevoerde scenariostudie van het EIB [7], omdat ontwikkelingen op korte termijn met meer zekerheid kunnen worden geraamd en ze kunnen afwijken van langjarige trends. Hierbij is het scenario ‘herstel’ uit dat rapport gebruikt voor het dynamische scenario en het scenario ‘stagnatie’ voor het behoedzame scenario. Vanaf 2027 wordt overgegaan op de productieontwikkelingen op basis van de eerder genoemde structurele factoren, eventueel met een inloopperiode. De productiecijfers voor beide scenario’s worden gegeven in hoofdstuk 4.
12 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
3 GRONDSTOFGEBRUIK IN 2019 Zoals in paragraaf 2.1 is beschreven, is het jaar 2019 als vertrekpunt genomen. Hierbij is ook naar de jaren rondom 2019 gekeken, om te bepalen of 2019 een representatief jaar is geweest. Wanneer dit niet het geval was, zijn andere aannames genomen, bijvoorbeeld gemiddeldes over meerdere jaren. In bijlage I staat een uitgebreide analyse per bouwstof, inclusief technische informatie, toepassing en oorsprong. Dit is verder visueel weergegeven in Sankey diagrammen in dezelfde bijlage. Hieronder worden de resultaten uit deze analyse samengevat.
3.1
Toepassing en oorsprong per grondstof
Ophoogzand Ophoogzand is fijnkorrelig (0,1-0,3 mm) en wordt ongebonden toegepast voor onder andere kustsuppletie, als ophoogmateriaal in bouwwerken, grondverbetering, zettingsopvang, natuurwerken en voor landaanwinning. Ophoogzand wordt met name uit de Noordzee gewonnen, dit wordt voornamelijk als suppletiezand gebruikt, en in beperkte mate voor bijvoorbeeld aanleg van sluizen [8]. Verder wordt uit het IJsselmeergebied ophoogzand gewonnen, wat voor de andere bovengenoemde toepassingen wordt gebruikt. Ten slotte wordt ophoogzand gewonnen als bijvangst bij de winning van grind en industriezand. Een klein aandeel wordt geëxporteerd naar België. Hoewel jaarlijks wordt bijgehouden hoeveel ophoogzand wordt gewonnen, geldt dit niet voor domeinvrij zand (exclusief suppletiezand). Dit wordt voornamelijk uit het IJsselmeergebied gewonnen. De hoeveelheden gewonnen domeinvrij zand zijn gebaseerd op een rapportage van het NVLB [9] en beschikbare data van het Rijksvastgoedbedrijf [8]. Industriezand Industriezand kent diverse toepassingen, afhankelijk van de korrelgrootte. Korrels van 0,1-2 mm worden toegepast als metselzand, 0,1-7 mm wordt in beton en asfalt verwerkt. Dit zand wordt gewonnen in rivierafzettingen, en zeer beperkt uit het IJsselmeergebied. Grof industriezand wordt ook deels geïmporteerd uit Duitsland en België.
Kalkzandsteenzand Kalkzandsteenzand (0,15 - 0,42 mm) wordt voor 27 % uit het IJsselmeergebied gewonnen, de overige 73 % als landwinning uit provincies [10]. Hiervan wordt al het zand toegepast in de b&u voor kalkzandsteen. Zilverzand Zilverzand heeft een diameter tussen 0-0,5 mm, en bestaat voornamelijk uit kwarts. Zilverzand wordt toegepast in de glasindustrie en andere industrieën zoals de chemische industrie, chipindustrie en fijn keramische industrie. Momenteel zijn de import- en exportcijfers nog niet bekend, waardoor het totaalverbruik onbekend is en dus ook geen prognoses gemaakt kunnen worden. Brekerzand Brekerzand is zand dat is vrijgekomen bij verwerken van natuursteen. Het wordt met name verwerkt in verschillende typen asfalt. Verder wordt het bij straatwerk als voegvulmateriaal gebruikt, dit aandeel is echter
13 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
beperkt. Hoewel dit volledig geïmporteerd wordt en dus niet wordt gewonnen in Nederland, is het een belangrijke grondstof in de Nederlandse bouwsector. Grind en steenslag Grind heeft een diameter van 4-32 mm, en wordt met name toegepast als toeslagmateriaal voor beton of asfalt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen rond grind en steenslag. Rond grind wordt vrijwel uitsluitend in betonproducten toegepast, waar steenslag zowel in beton als asfalt wordt gebruikt. Daarnaast wordt steenslag ook ongebonden gebruikt in de spoor-, wegen- en waterbouw. Grind wordt gewonnen op landlocaties in midden- en zuid Limburg, en deels geïmporteerd. Steenslag wordt alleen geïmporteerd en niet gewonnen in Nederland. Kalksteen Kalksteen werd van oudsher als mergel gewonnen in Limburg. Deze groeves zijn echter sinds 2018 gesloten, en momenteel wordt alleen een zeer beperkte hoeveelheid kalksteen gewonnen in Winterswijk. Ook de cementfabriek van ENCI in Maastricht is gesloten. Kalksteen wordt gebruikt voor klinkerproductie, een halffabricaat voor cement, wat weer in betonproducten wordt gebruikt. Klinker wordt nu als zodanig geïmporteerd. Kalksteen wordt verder als vulstof in asfalt en kalkzandsteen toegepast, ook dit wordt geïmporteerd. Verder heeft kalksteen nog andere toepassing buiten de bouwsector, bijvoorbeeld in de chemische industrie.
Omdat Nederland bijna geheel afhankelijk is van kalksteen uit het buitenland, en de materiaalstromen ver buiten alleen de bouwsector reiken, is in samenspraak met het Ministerie van IenW besloten om voor deze grondstof geen prognose te maken. Klei Klei wordt in Nederland uitsluitend in rivieren gewonnen. Dit type wordt rivierklei genoemd. Dit wordt, samen met Eiffel- of Westerwaldklei gebruikt voor de productie van bakstenen, dakpannen, tegels en andere grof keramische producten. Eiffel/Westerwaldklei wordt geïmporteerd uit Duitsland, en bedraagt voor 80 % het aandeel in grof keramische producten. Rivierklei wordt ook gebruikt in ongebonden vorm, bijvoorbeeld voor dijkversterking. Dit klei heeft echter lagere kwaliteitseisen dan voor de keramische industrie, en concurreert hier dus niet mee. Ongebonden klei wordt ook geëxporteerd. De hoeveelheid gewonnen klei voor toepassing in dijken is onzeker, omdat dit niet secuur bijgehouden wordt. Porseleinklei wordt niet in Nederland gewonnen of geïmporteerd, er bestaat geen porseleinproductie (zoals sanitaire producten) in Nederland. Asfalt- en menggranulaten Belangrijke reststromen zijn beton/menggranulaat1 en asfaltgranulaat.
De oorsprong bevindt zich dus in de sloop van bouwwerken en asfalt, en de granulaten worden toegepast als funderingsmateriaal of worden weer gebruikt in betonproducten (betongranulaat), asfalt (asfaltgranulaat) of andere bouwmaterialen (zoals kalkzandsteen). Voor menggranulaat geldt dat het bijna geheel als funderingsmateriaal onder de wegen wordt toegepast, en het hergebruik van betongranulaat in betonproducten nog beperkt is (2,5 % van input mortel en betonproducten bestond in 2019 uit granulaat). Voor asfaltgranulaat ligt het hergebruik in asfaltproducten hoger, circa 80 %, met name in de onderlagen van asfalt. Andere reststromen die in de Nederlandse bouw worden toepast, zoals AVI- en staalslakken, zijn niet in beeld gebracht in deze studie en ontwikkelingen rondom deze stromen worden ook niet meegenomen in de prognoses.
3.2
Materiaalstromen in 2019
Voor 2019 zijn de materiaalstromen in kaart gebracht in afbeelding 3.1. Hierbij zijn aan de linkerkant de bouwgrondstoffen gegeven, in het midden de sector waar deze worden gebruikt, en vervolgens een onderverdeling van deze sector. In de figuur wordt niet aangegeven wat de oorsprong van de grondstoffen is, dit is wel toegelicht per grondstof in bijlage I.
1
Menggranulaat bertreft hier alle puinfracties die vrijkomen bij sloopwerkzaamheden. Naast betongranulaat kan dit bijvoorbeeld ook reststromen hout, metselstenen en glas bevatten.
14 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 3.1 Materiaalstromen oppervlaktedelfstoffen en meng- en asfaltgranulaten in kilotonnen verdeeld over de b&u en gww voor 2019. Industriezand = beton-, metsel- en asfaltzand
Ophoogzand heeft het grootste aandeel van de materiaalstromen met 80.750 kiloton, wat voornamelijk in de gww wordt gebruikt. Industriezand wordt zowel in de gww en b&u gebruikt, maar ook geëxporteerd. Ook menggranulaat is een grote stroom, hiervan wordt het merendeel in 2019 toegepast in de gww als funderingsmateriaal. Om de leesbaarheid van het diagram te bewaren, zijn de verschillende toepassingen van de grondstoffen in de b&u en gww niet weergegeven. Deze zijn terug te vinden in bijlage I.
3.3
Kwaliteit van beschikbare data
Voor sommige grondstoffen brengt de data waarop de prognoses zijn gebaseerd onzekerheid met zich mee. Zo wordt de hoeveelheid vrijkomende en toegepaste menggranulaten nu niet landelijk bijgehouden, waardoor deze getallen voor 2019 onzeker zijn. Verder kon de materiaalstroom voor zilverzand niet volledig in beeld gebracht worden, waardoor het totaalverbruik in 2019 niet bekend was, en geen prognoses gemaakt konden worden. Daarnaast geldt voor ophoogzand dat de vraag hiernaar sterk fluctueert. Grote infrastructurele werken en landaanwinningsprojecten hebben een zeer grote invloed op de totale vraag naar ophoogzand. Zo werd voor de aanleg van de Maasvlakte maar liefst 367.000 kiloton zand gebruikt, zo’n 6 keer de jaarlijkse vraag naar ophoogzand. Dit soort projecten zijn niet meegenomen in de scenario’s omdat hier geen zicht op is voor de toekomst. Verder is de hoeveelheid gewonnen domeinvrij zand gebaseerd op een inschatting, deze hoeveelheden worden niet structureel bijgehouden, daarom brengen deze getallen grote onzekerheid met zich mee. Ten slotte is de benodigde hoeveelheid voor suppletiezand sterk afhankelijk van de relatieve zeespiegelstijging, die zelf ook onzeker is. Deze klimaatafhankelijkheid geldt ook voor dijkenklei, de gevoeligheid hiervan wordt later getoetst in Hoofdstuk 7.
15 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
4 PRODUCTIECIJFERS In dit hoofdstuk worden de productiecijfers in de b&u en gww toegelicht voor zowel het behoedzame als dynamische scenario. De productiecijfers hangen voornamelijk samen met demografische en economische ontwikkelingen, zoals beschreven in paragraaf 2.2. Hierdoor hebben de productieontwikkelingen een meer globaal karakter, wat voor het doel van dit onderzoek voldoende is om tot betrouwbare resultaten te komen 1. Per asset wordt de samenhang met economische en demografische ontwikkelingen in dit hoofdstuk toegelicht. Deze productiecijfers hebben directe gevolgen voor de vraag naar bouwgrondstoffen.
4.1
Productiecijfers Burgerlijke & Utiliteitsbouw
In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de productiecijfers in de b&u voor beide scenario’s, inclusief de bijgaande uitgangspunten. Ten eerste worden de productiecijfers in de woningbouw gegeven, vervolgens die in de utiliteitsbouw. Voor de periode tot en met 2027 zijn de cijfers gebaseerd op de recent uitgebrachte scenariostudie van het EIB [7].
4.1.1
Productie woningbouw
Nieuwbouw Voor de woningbouw nieuwbouw is de toename van het aantal huishoudens leidend in combinatie met de verwachte hoeveelheid woningen die vervangen moet worden. De ontwikkeling in het aantal te vervangen woningen en de verdeling naar type is gebaseerd op een EIB-studie [2] die sindsdien meermaals is vernieuwd. Hierbij was in deze studie een prognose van het aantal te slopen woningen gebaseerd op vervangingsfracties per type gebouw, COROP-gebied en leeftijdsklasse over tijd. Voor deze studie is verondersteld dat het aantal te slopen woningen oploopt van 12.000 per jaar in 2027 naar 15.000 in 2050 bij het behoedzame scenario en van 12.000 per jaar in 2027 naar 20.000 in 2050 bij het dynamische scenario. Het verschil komt doordat bij een hogere economische groei meer geld beschikbaar is (bij bijvoorbeeld corporaties) voor kwaliteitsimpulsen van de voorraad en één van de manieren om dit te bereiken is vervangende nieuwbouw. Voor de nieuwbouwaantallen is naast de genoemde aantallen bij het dynamische scenario ook verondersteld dat er in de periode 2028-2037 nog 50.000 woningen (ter uitbreiding) bovenop de huishoudensgroei wordt gebouwd om de krapte op de woningmarkt te verminderen2.
De afname in de krapte op de woningmarkt zal daarnaast ook door transformatie van utiliteitsgebouwen naar woningen en andere toevoegingen wat afnemen (dit is onderdeel van de herstel & verbouwproductie) en worden doorgaans ook meegeteld voor 1
Vanwege het globale karakter van de productieontwikkelingen is geen rekening gehouden met alle factoren die van invloed kunnen zijn op de productie. Indien een factor die de productie kan beïnvloeden een marginaal effect zou hebben op de productie in een tijdvak is hiervoor niet expliciet rekening gehouden. Om deze reden zou het kunnen voorkomen dat bij de toekomstige EIB-studies andere productiecijfers gehanteerd wordt op één of meerdere onderdelen in de tijd indien een meer precieze inschatting noodzakelijk zou zijn.
2
Er is niet verondersteld dat er grote veranderingen gaan plaatsvinden op het gebied van ruimtelijk ordeningsbeleid, omdat wordt uitgegaan van staand beleid. Verandering in dergelijk beleid kan de snelheid beïnvloeden waarin de krapte op de woningmarkt door extra nieuwbouw kan worden teruggedrongen.
16 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
het doel om 100.000 woningen per jaar te bouwen. In het behoedzame scenario is een hogere nieuwbouwproductie na 2027 niet nodig vanwege lagere huishoudensgroei op middellange termijn, waardoor de inhaalvraag al voor 2028 plaatsvindt. Zie afbeelding 4.1 voor het resultaat.
Afbeelding 4.1 Aantal opgeleverde nieuwbouwwoningen per jaar
Qua type bij nieuwbouw is verondersteld dat in het behoedzame scenario relatief meer meergezinswoningen worden gebouwd (circa 55 % van het totaal) dan in het dynamische scenario (circa 45 % van het totaal). Het idee hierachter is dat in het dynamische scenario meer financiële ruimte bij huishoudens is om meer woonkwaliteit te benutten (dus groter wonen) dan in het behoedzame scenario. Voor de ontwikkeling over tijd is gebruik gemaakt van de materialenstudie van EIB uit 2022 [1] (basistrend is groei aandeel meergezinswoningen). Herstel en verbouw (H&V) De herstel en verbouwinvesteringen en onderhoudsproductie is gebaseerd op de groei van de voorraad in het verleden, plus een factor die rekening houdt met kwaliteitsverbeteringen op basis van het BBP. De herstel en verbouwproductie is gebaseerd op de cijfers uit een recente EIB-studie [11]. De investeringen in herstel en verbouw in de woningbouw is weergegeven in afbeelding 4.2. Verduurzaming van woningen is hierin niet meegenomen, omdat dit een zeer beperkte invloed heeft op de behandelde grondstoffen in deze studie.
17 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 4.2 Investering in miljoen € in herstel en verbouw in de woningbouw.
Voor de herstel en verbouwproductie is uitgegaan van de groei van de woningvoorraad (in oppervlakte) met een vertraging van 15 jaar, plus groei door aangebrachte kwaliteitsverbeteringen. Onderhoud Onderhoud in de woningbouw ontwikkelt zich met dezelfde aannames als overige herstel en verbouwinvesteringen, alleen wordt uitgegaan van de groei van de woningvoorraad 10 jaar terug in plaats van 15 jaar terug, omdat onderhoudsinvesteringen al eerder na oplevering voorkomen dan herstel en verbouwinvesteringen.
4.1.2
Utiliteitsbouw
Hier volgen eerst de nieuwbouwprognoses in de utiliteitssector, waarna prognoses voor herstel en verbouw en onderhoud volgen. Aannames vervanging/sloop utiliteitsbouw Voor sloop/vervangingsfracties is bij utiliteitsgebouwen een hoger vervangingspercentage in het dynamische scenario aangehouden dan in het behoedzame scenario. Net als bij de woningbouw komt dit doordat bij een hogere economische groei meer geld beschikbaar is voor kwaliteitsimpulsen van de voorraad of dat beschikbare ruimte efficiënter wordt benut (lees vervangende nieuwbouw). Marktpartijen in de utiliteitsbouw zijn hiervoor gevoeliger dan gebouwtypen die afhankelijk zijn van (overheids)budgetten. Bij gebouwen voor marktsectoren is naar schatting de sloopfractie circa 5 % hoger bij het dynamische scenario dan in de Materiaalstromenstudie van 2022 [1] en in het behoedzaam scenario iets onder het niveau van die studie. Voor budgetsectoren is dit verschil ongeveer de helft. Bedrijfsruimten (incl. logistiek, agrarisch en combinatiehallen) De benodigde uitbreiding van bedrijfsruimten is gebaseerd op de bbp-groei, waarbij de voorraad wel minder toeneemt dan de relatieve groei van het bbp. Deze factor neemt ook over tijd af vanwege verzadigingseffecten, waardoor er dus steeds meer bbp-groei nodig is voor groei van de voorraad. De nieuwbouw en voorraad bedrijfsruimten is weergegeven in afbeelding 4.3.
18 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 4.3 Nieuwbouw bedrijfsruimten per jaar in m2 vloeroppervlakte (links) en voorraad in 1.000 m2 vloeroppervlakte (rechts).
Kantoren De groei van de kantorenvoorraad is direct gerelateerd aan de ontwikkeling van de bruto beroepsbevolking. Doordat er in beide scenario’s tegenwerkende krachten zijn op trends van gebruik van kantoren, is aangenomen dat het aandeel van kantoorwerkgelegenheid constant blijft en dat de vloeroppervlakte per werkende gelijk blijft. Dit lijkt gegeven de historie de beste schatting voor beide scenario’s. De nieuwbouw en voorraad van kantoren is weergegeven in afbeelding 4.4.
Afbeelding 4.4 Uitbreiding kantoren per jaar (links) en voorraad in m2 vloeroppervlakte (rechts).
Winkels De benodigde hoeveelheid winkels is voor de helft gebaseerd op de groei van de bevolking en voor de andere helft gebaseerd op de bbp-groei (inkomenscomponent), waarbij net als bij bedrijfsruimten de groei van de winkelvoorraad minder groot is dan de groei van de bevolking of BBP. Daarnaast is ook het effect van het verschuiven van offline naar online winkelen meegenomen als drukkende productieontwikkeling. De nieuwbouw en voorraad winkels is weergegeven in afbeelding 4.5.
19 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 4.5 Nieuwbouw winkels per jaar (links) en voorraad (rechts), in m2 vloeroppervlakte.
Zorggebouwen De benodigde uitbreiding van zorggebouwen is voor een deel gebaseerd op de toename van het aantal 80plussers (ten opzichte van het basisjaar) en voor een deel op de bbp-groei (kwaliteitscomponent). Hierbij zijn er in het dynamische scenario meer zorggebouwen per inwoner en 80-plusser dan in het behoedzame scenario. De nieuwbouw en voorraad zorggebouwen is weergegeven in afbeelding 4.6.
Afbeelding 4.6 Nieuwbouw per jaar (links) en voorraad zorggebouwen, in m2 vloeroppervlakte.
Onderwijsgebouwen De uitbreidingsnieuwbouw van schoolgebouwen is gebaseerd op de geschatte benodigde hoeveelheid schoolgebouwen voor PO, VO, MBO & HBO en WO. Deze zijn op hun beurt vooral gebaseerd op de verwachte ontwikkeling van de relevante leeftijdsgroepen. Bovendien is aangenomen dat de benodigde hoeveelheid vierkante meters bij groei van leerlingaantallen minder sterk toeneemt doordat er nu in veel regio’s nog overcapaciteit is (vooral bij PO en VO) en dat een deel van de vraag hieruit kan worden opgevangen. De nieuwbouw en voorraad onderwijsgebouwen is weergegeven in afbeelding 4.7.
20 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 4.7 Nieuwbouw onderwijsgebouwen in m2 vloeroppervlakte (links) en voorraad in 1.000 m2 vloeroppervlakte (rechts).
Overige gebouwen De productie van overige gebouwen is voor twee derde afhankelijk van de bevolkingsgroei en voor een derde van de bbp-groei (inkomenscomponent), waarbij de voorraad overige gebouwen net als bij de meeste gebouwtypen naar verhouding minder sterk groeit dan de variabelen waarop het is gebaseerd. Dit is weergegeven in afbeelding 4.8.
Afbeelding 4.8 Nieuwbouw overige gebouwen in m2 vloeroppervlakte (links) en voorraad in 1.000 m2 vloeroppervlakte (rechts).
Herstel, verbouw en onderhoud De herstel en verbouwinvesteringen en onderhoudsproductie is net als bij de woningbouw gebaseerd op de groei van de voorraad in het verleden, plus een factor die rekening houdt met kwaliteitsverbeteringen op basis van het BBP. Bij het dynamische scenario is de groei iets afgezwakt in de toekomst, omdat er in dit scenario naar verhouding meer bedrijfsruimten worden gebouwd waarvoor per m2 minder herstel en verbouwactiviteiten nodig zijn. Beiden zijn weergegeven in afbeelding 4.9.
21 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 4.9 Investeringen in herstel en verbouwproductie utiliteitsbouw in miljoen €.
22 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
4.2
Grond-, Weg- en Waterbouw productiecijfers
In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de gww productiecijfers. Ten eerste wordt de uitbreidingsnieuwbouw toegelicht, en vervolgens de vervangingsnieuwbouw en reconstructie. Net als bij de b&u-productie is ook voor de gww-productie, indien mogelijk, voor de periode tot en met 2027 aangesloten bij de recent uitgebrachte scenariostudie van het EIB [7]. Doordat de assets in de gww zeer divers zijn en ook niet voor alle assets voldoende informatie is om ze mee te nemen, zijn alleen assets geprognotiseerd die een groot deel van de materiaalstroom vertegenwoordigen of waarvoor al voldoende informatie beschikbaar was. Dit betreft in ieder geval alle assets uit de voorgaande materialenstudie [1] en zijn ook betonwegen en onverharde wegen meegenomen. Door de gehanteerde methodiek worden de niet-geprognotiseerde assets wel impliciet meegenomen bij de materiaalstromen (zie paragraaf 2.1).
4.2.1
Uitbreidingsnieuwbouw
Rijkswegen De prognose van rijkswegen is tot 2030 grotendeels gebaseerd op de prognose van de studie ‘Volumebalans asfaltmengsels’ [12]. Vanaf 2028 pas lopen de scenario’s licht uit elkaar, waarbij het behoedzame scenario de prognose van de studie ‘volumebalans asfalt’ tot en met 2030 volledig volgt en bij het dynamische scenario een voorzichtig herstel is aangenomen. Op de langere termijn is aangenomen dat de wegenvoorraad met vertraging van 10 jaar de procentuele groei van de beroepsbevolking volgt (waarvan 90 % vertaalt naar extra vraag in wegen)1. Hiermee is impliciet aangenomen dat de groei van de beroepsbevolking (paragraaf 2.2.3) hetzelfde effect heeft op de benodigde wegcapaciteit als in het verleden (dus een even sterke verschuiving naar andere vervoerswijzen dan in de laatste paar decennia is gezien). Ook is er verondersteld dat in beide scenario’s er nog een zekere inhaalvraag plaatsvindt na 2027 vanwege uitgestelde projecten in het verleden en in de komende jaren vanwege de huidige stikstofproblematiek. Deze inhaalvraag is iets hoger in het dynamische scenario dan in het behoedzame scenario. In het dynamische scenario treden tot 2030 namelijk meer congestieproblemen op, vanwege een sterkere groei van de beroepsbevolking in deze periode dan in het behoedzame scenario. De uitbreiding en voorraad rijkswegen is weergegeven in afbeelding 4.10.
Afbeelding 4.10 Prognose uitbreiding (links) en voorraad (rechts) rijkswegen in m2, 2020-2050
1
Het genoemde verband is gebaseerd op de historische ontwikkeling in de afgelopen 15 jaar van het rijkswegennet en de beroepsbevolking. Zowel de cijfers met betrekking tot de omvang van het rijkswegennet als de beroepsbevolking zijn afkomstig van het CBS.
23 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Gemeentelijke wegen, riolering, rioolgemalen en voetpaden De uitbreiding van het aantal gemeentewegen is verondersteld gelijk te lopen met de uitbreidingsnieuwbouw van woningen (hierbij is een groter gewicht aan eengezinswoningen dan meergezinswoningen toegedicht, zie de paragraaf 4.1.1 voor de ontwikkeling van de woningbouw). De ontwikkeling van voetpaden, riolering en rioolgemalen volgt de ontwikkeling van gemeentewegen. De uitbreiding en voorraad gemeente en waterschapwegen is weergegeven in afbeelding 4.11.
Afbeelding 4.11 Prognose uitbreiding (links) en voorraad (rechts) gemeente en waterschapwegen in m2, 2020-2050
Provinciale wegen De uitbreiding van provinciale wegen is voor de helft op de productieontwikkeling van gemeentewegen gebaseerd en voor de andere helft op rijkswegen. In beide scenario’s is aangenomen dat provincies net als in de afgelopen jaren terughoudend zijn met uitbreiding van hun areaal, waardoor de voorraad provinciale wegen in beide scenario’s nauwelijks toeneemt en de verschillen tussen beide scenario’s voor de grondstoffenvraag van uitbreidingsnieuwbouw van wegen bijna verwaarloosbaar zijn. Fietspaden De prognose van fietspaden is, net als in de materiaalstromenstudie van EIB uit 2022 [1], grotendeels gebaseerd op een ambitiedocument [13] van fietswegen/paden en wat er nog nodig zou zijn tot 2027 en 2040. Hierbij is wel verondersteld (voor beide scenario’s) dat de genoemde ambities pas in latere jaren worden behaald en de productie daarmee gelijkmatiger over tijd is verdeeld. De behoefte aan fietspaden verschilt tussen beide scenario’s voornamelijk doordat een verschil in de groei van de (beroeps)bevolking en woningvoorraad de behoefte aan nieuwe fietspaden en het verbreden van bestaande fietspaden vergroot. Dit is in de scenario’s vertaald door het verwachte verschil in de ontwikkeling van woningbouw in beide scenario’s ten opzichte van de materiaalstromenstudie uit 2022 [1] te nemen. Het resultaat is weergegeven in afbeelding 4.12.
Afbeelding 4.12 Prognose uitbreiding (links) en voorraad (rechts) fietswegen/paden in m2, 2020-2050
24 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Spoor De uitbreiding van het aantal kilometer spoor is bij de trein tot en met 2027 gebaseerd op plannen in de MIRT [14] die al worden aangelegd of bijna in de aanlegfase zitten (en vervolgens over tijd verspreid), waardoor dit niet sterk verschilt tussen beide scenario’s. Bij tram en metro is dit voor 2023 en 2024 voornamelijk gebaseerd op het doortrekken van de Amstelveense lijn en is voor de periode 2025-2027 uitgegaan van een beperkte uitbreiding van de voorraad, omdat er geen grote projecten bekend zijn die in die periode spelen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit beeld verandert, aangezien grote projecten een lange aanlooptijd hebben en nu al voldoende uitgewerkt moeten zijn om in de komende jaren in de uitvoeringsfase te komen. Voor de periode 2028-2050 is vervolgens gewerkt met een gemiddelde toename per jaar, waarbij het aantal kilometers dat er in het eindjaar bij de trein moet bijkomen gebaseerd is op de groei van de beroepsbevolking. Voor nu is ervan uitgegaan dat 1 % groei van de beroepsbevolking leidt tot 1 % grotere benodigde voorraad, maar hiervan is het historische verband niet onderzocht. Voor tram en metro is uitgegaan dat dit gelijk is aan 75 % van de groei van de beroepsbevolking, en 25 % door groei van de totale bevolking (vanwege ontsluiten van nieuwe woonwijken).
Daarnaast is deze groei wat opgehoogd (circa 50 % hoger dan trein doordat de tram en metro sterker is geconcentreerd is in de Randstad, waar de beroepsbevolking naar verwachting relatief sterker toeneemt). De voorraad trein- en metrospoor tot 2050 is weergegeven in afbeelding 4.13.
Afbeelding 4.13 Prognose voorraad treinspoor (links) en metro/tramspoor (rechts) in strekkende kilometer in de periode 20202050
Bruggen, viaducten, tunnels en onderdoorgangen De uitbreiding van bruggen, viaducten, tunnels en onderdoorgangen (behalve bij beweegbare bruggen, waarvan aangenomen is dat de voorraad niet toeneemt) volgt bij de Rijksoverheid de rijkswegen (en deels de verwachtingen van een paar jaar geleden naar type kunstwerk van RWS zelf), bij ProRail de treinsporen, bij gemeenten de gemeentewegen en bij provincies de provinciale wegen. Hierbij wordt impliciet uitgegaan van de verhouding uitbreiding wegen en kunstwerken in het basisjaar. De voorraad kunstwerken neemt bij de meeste assets daardoor fors sterker toe dan de voorraad wegen/sporen, onder andere doordat bij vervanging van wegen/sporen vaker voor ongelijkvloerse kruisingen wordt gekozen of minder spoorwegovergangen (hiervoor moeten extra viaducten en onderdoorgangen bij bestaande wegen/ sporen worden aangelegd). Bij de vertaling van productie naar grondstoffen is rekening gehouden met het verschil in grootte van kunstwerken tussen soorten opdrachtgevers op basis van de studie ‘Civiele kunstwerken in Nederland’ [15]. Sluizen Op dit moment is er geen beeld hoe het aantal sluizen zich in de toekomst gaat ontwikkelen en is besloten om dit constant over tijd en scenario’s te houden. Doordat hiermee geen grote grondstofstroom gepaard gaat, lijkt dit voor de prognose geen grote invloed te hebben.
25 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Kustverdediging In het basisjaar was bekend dat er 1 kilometer primaire dijk was bijgekomen en kon niet bepaald worden of er regionale of overige dijken zijn bijgekomen (de schatting van de totale hoeveelheid regionale en overige dijken schommelde sterk over de jaren bij waterschappen, waarschijnlijk door administratieve redenen, waardoor nieuwbouw niet kon worden afgeleid). Aangenomen is dat het dijknetwerk compleet is en alleen nog versterkt wordt (zie verderop dijkversterking). Voor zandsuppletie is aangesloten bij het rapport Kustgenese 2.0 van Rijkswaterstaat uit 2020 [16]. Voor het behoedzame scenario is aangesloten bij de voorkeursstrategie uit deze rapportage ‘Ruim voortzetten van de huidige praktijk’ en voor het dynamische scenario is (vanaf 2025 lineair naar het eindniveau lopend) voor de ambitieuzere strategie ‘Robuust’ gekozen. Voor de langere termijn zijn er ook aannames nodig over de jaarlijkse zeespiegelstijging, omdat de Kustgenese 2.0 doorkijkt tot 2032. Aangenomen is dat dit wat hoger ligt in het dynamische scenario vanwege een hogere productiegroei wereldwijd (en daarmee CO2-uitstoot) dan in het behoedzaam scenario. Het resultaat is weergegeven in afbeelding 4.14.
Afbeelding 4.14 Prognose zandsuppletie in duizend m3 in de periode 2020-2050
Aangenomen is dat de zeespiegelstijging toeneemt van 2 mm per jaar in 2019 naar 4 mm per jaar in 2050 in het behoedzame scenario. Voor het dynamische scenario is een stijging van 6 mm per jaar in 2050 aangenomen. Het benodigde suppletievolume in 2050 is in het behoedzame scenario dan 18 miljoen m 3, en in het dynamische scenario 28 miljoen m3, gebaseerd op tabel 9-7 in Kustgenese 2.0 [16]. In beide scenario’s groeit de hoeveelheid van 2032 lineair door tot 2050. De gevoeligheid van deze aannames wordt getoetst in paragraaf 7.3. Rioolzuivering (RWZI) Voor rioolwaterzuivering is net als in de Materiaalstromenstudie uit 2022 [1] aangenomen dat er alleen vervanging plaatsvindt (van grotere) RWZI’s en dat dit constant is over tijd en scenario’s. Doordat hiermee geen grote grondstofstroom gepaard gaat, lijkt dit voor de prognose geen grote invloed te hebben.
4.2.2
Vervangende nieuwbouw
Vervangende nieuwbouw bij meeste assets De vervanging van de meeste assets is geschat op basis van de omvang van de voorraad en vervangingspercentages in 2030 en 2050 (aangenomen dat tussen 2019 en 2030 en 2030 en 2050 de
26 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
vervangingspercentages lineair toenemen, gezien de veroudering van de voorraad, en dus een steeds groter deel van de voorraad wordt vervangen). De vervangingspercentages komen van de materiaalstromenstudie uit 2022 [1] die in belangrijke mate berekend zijn op basis van de (geschatte) leeftijd van de voorraad en vervangingsfracties naar leeftijd van de voorraad. Er is voor gekozen om met iets hogere vervangingsfracties in het dynamische scenario te rekenen dan in de studie uit 2022 (vanwege het feit dat er meer financiële ruimte is om de kwaliteit te verbeteren en de breedte en draagkracht van bijvoorbeeld wegen en bruggen vaker niet meer voldoen door toegenomen mobiliteitsstromen) en andersom in het behoedzame scenario. Over het algemeen is de vervangingsfractie ten opzichte van de voorraad met 0,05 % per jaar verhoogd in het dynamische scenario (en andersom verlaagd in het behoedzame scenario) voor kunstwerken, riolering en gemalen en met 0,1 % per jaar verhoogd voor wegen, fiets/voetpaden en sporen. Tot 2024 ontwikkelen de vervangingspercentages zich in beide scenario’s op basis van de ontwikkeling in de vorige materialenstudie [1]. Het resultaat voor bruggen en viaducten (exclusief houten bruggen) is weergegeven in afbeelding 4.15.
Afbeelding 4.15 Prognose vervanging aantal bruggen en viaducten (exclusief hout) alle publieke opdrachtgevers, 2020-2050
Riolering In aanvulling op voorgaande methode, is er bij riolering rekening gehouden met 3 verschillende methoden om riolering te vervangen: één-op-één vervanging (hetzelfde terugplaatsen wat je er uit hebt gehaald), verbeteren (het terugplaatsen van een ander systeem dan er was, meestal apart hemelwater en afvalwater in plaats van gemengd) en renovatie (het plaatsen van een nieuwe buis in de oude buis). In de Materiaalstromenstudie uit 2022 [1] was aangenomen dat het aandeel te verbeteren over tijd afneemt, omdat een steeds groter deel van de voorraad al gescheiden riolering zal zijn Doordat de materiaalintensiteit van deze methodes verschillen, is het nuttig om dit onderscheid te maken. In de studie uit 2022 [1] nam het aandeel ‘verbeteren’ van rioleringen af van 40 % in 2019 naar 35 % in 2050. Dit is in het behoedzame scenario verlaagd naar 30 % in 2050 en in het dynamische scenario verhoogd naar 37,5 % in 2050. De ontwikkeling tussen deze jaartallen is hierbij lineair verondersteld. Dijkversterking Voor dijkversterking van primaire dijken/waterkeringen tot en met 2026 worden de verwachtingen van het Deltaprogramma aangehouden voor beide scenario’s.
Hierbij zijn de verwachtingen voor de prognosejaren uitgemiddeld, omdat de oplevering van enkele grote projecten zoals de Afsluitdijk in één jaar was geboekt, terwijl grondstofstromen langjarig voor dergelijke projecten wordt gebruikt.
27 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Er zou volgens de ambitie nog 1.500 kilometer primaire waterkering tussen 2020 en 2050 versterkt moeten worden. Aangenomen is dat in het dynamische scenario het ambitieniveau wat hoger wordt en de doelstelling al rond 2045 wordt gehaald, waarna de productie iets terugloopt. In het behoedzame scenario wordt de doelstelling daarentegen pas in 2055 gehaald, waarbij de productie vanaf tussen 2040 en 2050 weer toeneemt vanwege het behalen van de doelstellingen nadat tussen 2030 en 2040 stabiel bleef. In beide scenario’s neemt de productie tussen 2026 en 2030 toe vanwege het behalen van de doelstelling en projecten die in de verkenningsfase of de planuitwerkingsfase zitten. De prognoses zijn weergegeven in afbeelding 4.16. Voor regionale en overige dijken is aangenomen dat in 2030 het percentage van de dijken die versterkt wordt hetzelfde is als bij primaire dijken. Doordat dit percentage bij overige en regionale dijken in 2019 al hoger ligt dan bij primaire dijken is de relatieve toename bij overige en regionale dijken tussen 2019 en 2030 minder groot.
Afbeelding 4.16 Prognose en realisatie primaire waterkeringen, in strekkende kilometer van 2014-2050.
4.2.3
Reconstructie
Algemeen Er zijn enkele specifieke reconstructieactiviteiten van de Materiaalstromenstudie uit 2022 [1] die we nu ook weer meenemen. Aangenomen is dat de vervangingspercentages in de gww over tijd in beide scenario’s hetzelfde ontwikkelen als in de Materiaalstromenstudie uit 2022 [1]. Doordat de voorraad in een ander tempo groeit, neemt de productie relatief sterker toe in het dynamische scenario dan in het behoedzame scenario. Overig reconstructie en groot onderhoud Voor overige reconstructie en groot onderhoudsinvesteringen is aangenomen dat dit hetzelfde ontwikkelt als de totale onderhoudsinvesteringen in de gww. Vanaf 2028 is aangenomen dat dit groeit met een (gewogen gemiddelde) toename van de wegenvoorraad circa 10 jaar terug plus kwaliteitsverbetering op basis van het BBP. Dit is weergegeven in afbeelding 4.17.
28 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
Afbeelding 4.17 Prognose onderhoudsproductie in de gww in miljoen €, 2020-2050
29 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
5 TRENDS IN BEHOEDZAME EN DYNAMISCHE SCENARIO De vraag naar grondstoffen wordt enerzijds bepaald door de productie van assets waarin deze grondstoffen worden toegepast, en anderzijds door trends in de materiaalprofielen van deze assets, bijvoorbeeld een toename van hergebruik van de grondstoffen. In dit hoofdstuk worden trends per grondstof uitgelicht voor beide scenario’s. Onderstaand wordt een opsomming gemaakt van de trends die van invloed zijn op het grondstoffengebruik in het behoedzame en dynamische scenario. Hierbij is aangegeven hoe deze zijn verwerkt in de grondstoffenramingen. Hierbij gaat het om drie soorten trends: - trends met betrekking tot bouwwijze; - trends met betrekking tot grondstofsamenstelling; - trends met betrekking tot klimaatadaptie (kustsuppletie, dijkversterking).
Bij de verwerking van de eerste twee trends en de bepaling van toekomstige effecten spelen een aantal variabelen een rol: - financieel-economische variabele: is een trend financieel-economisch rendabel voor marktpartijen en mag vanuit die situatie verwacht worden dat een trend zich in meer of mindere mate doorzet? - technische variabele: is een trend technisch haalbaar om op grotere schaal toe te passen en zijn er verdere technische ontwikkelingen voorzien die een hoger gebruik mogelijk maken? - welk beleid wordt gevoerd op het gebied van de beschreven trend? En in hoeverre wordt dwingend gestuurd? Waar mogelijk wordt bij de beschrijving van de trend aangegeven hoe bovenstaande variabelen inwerken op de verwachtingen. De beleidsvariabele kent hierbij veel onzekerheid: het toekomstig gevoerde beleid zelf is afhankelijk van zeer veel factoren en hangt in grote mate samen met de politieke besluitvorming. Om deze reden is in beide scenario’s gekozen voor staand beleid, en worden de verschillen tussen beide scenario’s vooral veroorzaakt door verschillen op het terrein van financieel-economische variabelen. Een overzicht van de toegepaste trends ten opzichte van 2019 is te vinden in bijlage III.
5.1
Ophoogzand
Dijkenbouw Zowel zand en klei voor dijkenbouw als suppletiezand zijn sterk afhankelijk van toekomstige zeespiegelstijging. De aannames rondom kustsuppletie en dijkversterking zijn gegeven in paragraaf 4.2.1. Deze aannames zijn echter onzeker, er bestaan veel uitlopende ramingen rondom dit thema. Daarom wordt de invloed van zeespiegelstijging extra geanalyseerd in een gevoeligheidsanalyse in paragraaf 7.3. Landaanwinning In het verleden zijn grote hoeveelheden ophoogzand gebruikt voor landaanwinningsprojecten zoals de Maasvlakte. Voor de Maasvlakte 2 is bijvoorbeeld 367.000 kiloton zand gebruikt. Deze projecten zijn incidenteel, wat betekent dat niet voorspeld kan worden hoeveel er tot 2030 of 2050 zullen plaatsvinden. Zo bestaan er ideeën voor een uitbreiding van Schiphol in zee, maar deze plannen zijn niet concreet. Ook verwachten we dat bij landaanwinningsprojecten van grote omvang sowieso aparte besluitvorming plaats zal vinden over de winning van grondstoffen. Landaanwinning is daarom buiten beschouwing gelaten in beide
30 | 59
Witteveen+Bos | 136760/23-018.971 | Definitief
scenario’s. Kleinere landwinningsprojecten, zoals de bouw van woningen op IJburg, zijn impliciet wel meegenomen in de prognose voor gebruik van ophoogzand voor ‘ophoging’.
5.2
Metselzand, betonzand en grind
Beton- en metselzand en grind vinden hun toepassingen grotendeels in beton of asfalt. Hieronder wordt toegelicht hoe de vraag naar deze delfstoffen zal veranderen door trends in zowel beton en asfaltgebruik. Beton In beton wordt zowel betonzand als grind toegepast. De vraag naar deze delfstoffen kan enerzijds gedrukt worden door het vervangen van beton met andere producten, en anderzijds door het hergebruik van beton. Hergebruik betongranulaat in nieuw beton Naar schatting werd circa 800 kiloton betongranulaat in 2019 hergebruikt in beton [17] van de totale hoeveelheid beton/menggranulaat (17.500 kiloton). Hiermee bestond in 2019 circa 2,5 % van de input van beton uit betongranulaat, in 2010 was dit nog 1,9 % [18]. Van 2010 naar 2017 is aandeel betongranulaat in betonproducten gegroeid van 2,2 % naar 3,1 %, voor betonmortel ging deze groei van 1,7 % naar 2,5 %. Bij overige betonachtige materialen zoals species, betonwegen en beton dat via handelaren wordt verkocht (dit laatste gaat om het verkopen van cement waarna particulieren en aannemers hiervan zelf beton maken) is het aandeel zo ver bekend nul. De mate waarin betongranulaten worden toegepast in nieuw beton hangt af van ontwikkelingen in regelgeving, zoals aanscherpingen in duurzaamheid- en circulariteitseisen, de gehanteerde CO2-prijs, maar ook de prijs van primaire betongrondstoffen.