CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Evaluatie Jeugdaanpak gemeente Rheden 2022 (2303)

Raadsvergadering 31 januari 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Integraal veiligheidsbeleid 2023-2026 (23.03)26.940 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vooralsnog zijn er volgens de procesregisseur geen bijzonder‐ heden geconstateerd: ‘de surveillances zijn conform de afspraak afgebouwd, maar de locatie wordt nog wel re‐ gulier meegenomen in de surveillance.’

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 21

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

Soms wordt ook gekeken of er gebruik gemaakt kan worden van camerabeelden, zoals in de omgeving van sta‐ tion Dieren, en moet eerst worden uitgezocht van wie het terrein is waarop de vermeende overlast plaatsvindt. Op een aantal plekken in de gemeente heeft de politie een ‘tag’ op laten hangen. Een van de jeugdagenten zegt hierover: ‘Ik denk dat wat we nu doen, met dat monitoren, dat dat wel werkt. Door ergens zo’n tag op te hangen. Je moet de auto uit en komt dan ook in gesprek. Je spreekt dan de vijf jongeren in plaats van de je alleen vijf jongeren ziet voetballen. En je spreekt ze ook gelijk aan op afval weggooien bijvoorbeeld.’ Een collega vult aan: door die tag kunnen we precies laten zien wat we hebben gezien en aangetroffen. Daaruit blijkt dat er vooral voetballende jeugd is die gebruikt maakt van de faciliteiten. Dat kun je dan ook weer teruggeven aan melders.’

Het beoordelen van meldingen ‘In het verleden kregen we wel eens meldingen van mensen. “Ze zitten in auto’s, met muziek aan” zeiden ze dan. Maar als we dan doorvroegen, bleek dat ze geen overlast veroorzaakten en de muziek ook niet te hard hadden staan. Het feit dat er een groep is, is vaak al een dreiging voor mensen.’ Bron: Procesregisseur Gemeente Rheden (2022)

De procesregisseur benadrukt dat het Pak(je)Kans‐overleg ook preventief van aard is: ‘Het doel is niet alleen om het de jongeren lastig te maken, maar ook om ze te helpen. Contact maken kan ook een doel zijn. Wij kennen hen, zij kennen ons.’ De jongerenwerker beaamt dit: ‘Het is voor ons belangrijk dat wij jongeren vroegtijdig leren kennen en zij ons, zodat wij wanneer nodig passende ondersteuning kunnen bieden.’ We horen hier min of meer een beschrijving van de zogeheten ‘verkennersrol’ die tot 2017 bij de straatcoaches was belegd. Belangrijk daar‐ bij zijn onder meer de signalen van de scholen, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van spijbelen. Soms is ook ‘baldadigheid of hinderlijke aanwezigheid bij evenementen, zoals de kermis’, een eerste teken, aldus een van de jeugdagenten. ALTIJD MAATWERK BIEDEN Wat dan precies de gewenste of benodigde inzet moet zijn als er sprake is van (beginnende) overlast, volgt uit de bespreking in het Pak(je)Kans overleg. De gemeente Rheden heeft geen overzicht van mogelijke interventies of een standaardroute die gevolgd moet worden bij een bepaalde situatie, maar kan uiteraard wel buigen op ervaringen en inzichten uit het verleden. Een van de BOA’s zegt hierover: ‘Het is zo ontstaan. Ieder heeft z’n eigen expertise en soms vraag je elkaar om het op te pakken of elkaar te ondersteunen.’ Er is altijd sprake van maatwerk.

Zo kan het voorkomen dat niet altijd de meest voor de hand liggende partij het contact legt, maar in sommige gevallen degene die het beste contact heeft. Een uitkomst van intensiever bezoeken van een bepaalde locatie, eventueel aangevuld met andere informatie, kan er overigens ook toe leiden dat een locatie juist niet meer besproken wordt. ‘Als in de lijst met locaties iets lang op groen blijft, gaan we ook bespreken of ie er nog wel op moet blijven staan’, aldus een van de jeugdagen‐ ten. Een andere jeugdagent zegt het volgende over een overzicht van mogelijke interventies: ‘Nee, daar we heb‐ ben het nu niet over, want het is nu niet aan de orde. Maar het is misschien niet zo gek. Als we nu iets hebben, komen we bij elkaar en spreken we af wat we gaan doen. (…) Zoals het nu gaat werkt het goed, de korte lijntjes zijn belangrijk.’ In navolging van de beoordeling van de situatie wordt in het Pak(je)Kans‐overleg ook bekeken of en hoe er wordt teruggekoppeld naar de melders. ‘Ik leg [melders] uit dat we ook kijken naar de politiecijfers en naar hoeveel meldingen er komen en van wie. Er komen bijvoorbeeld ook wel eens een heleboel meldingen van een persoon,

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 22

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

dus het aantal meldingen alleen zegt ook niet altijd alles. En soms kun je dan de wijkagent vragen om gesprekken te voeren met de melders’, aldus de procesregisseur.

Onderling contact via Whatsapp

VAN GROEPEN NAAR INDIVIDUEN In hoofdstuk 3 haalden we de Nota Integrale Veiligheid 2017‐2020 aan (Gemeente Rheden, 2016a), waarin werd gesproken van een ‘verleg‐ ging van de focus van de sluitende aanpak, naar de individuele aanpak van problematische jeugd: dit betekent verbeteren van de verbinding tussen onder andere zorg, werk en inkomen, scholen en veiligheid’. Een eerste aanzet daartoe vanuit Pak(je)Kans is het initiatief om in koppels de scholen in de verschillende kernen te bezoeken. ‘We zijn begonnen met een rondje scholen. Helaas is dat door Corona niet van de grond gekomen. Dat doe ik samen met de jeugdagent van het be‐ treffende dorp’, zo vertelt de jeugdboa. Aanleiding was dat er een tijdje sprake was van overlast bij De Wensvogel in Dieren. ‘Toen dach‐ ten we: “laten we het eens wat vaker gaan doen”, ook als er wel iets speelt, maar we geen meldingen krijgen.’ De partners willen dit voor‐ nemen snel weer oppakken, maar lopen in de praktijk vaak tegen niet overeenkomende dienstroosters aan. De waarde van deze bezoeken kunnen we daardoor op dit moment nog niet vaststellen. De procesregisseur ziet meer mogelijkheden om te bewegen naar een individuele aanpak: ‘we kunnen dat ook waarmaken. Signalen vanuit school, sport en dergelijke kun je dan ook [beter] meenemen.

Met een individuele jeugdaanpak kun je in preventieve zin iets meer doen met het oog op groepen op straat en kun je jongeren met problemen ook [beter] helpen.’ Een dergelijke verschuiving zou onder meer kunnen betekenen dat er meer partijen worden betrokken bij Pak(je)Kans, bij‐ voorbeeld een leerplichtambtenaar. Ook kan het leiden tot een an‐ dere manier van kijken naar (groepen) jongeren op straat en naar de plekken waar contact wordt gemaakt. Zo is er bijvoorbeeld gesproken over het bezoeken van scholen en sportverenigingen. We komen hier op terug in paragraaf 5.5. 5.4 INFORMATIE‐UITWISSELING METHODE STRAATCONTACT Een belangrijke voorwaarde voor goed samenwerken is dat iedereen over de juiste en benodigde informatie kan beschikken. Op papier heeft de gemeente Rheden hiervoor de beschikking over de app van Straatcontact. In de praktijk blijkt echter dat veel kernpartners dit on‐ handig vinden en is het gebruik van de app al na een tijdje verwaterd. De kernpartners zijn eensgezind over het gemak waarmee de app er weer bij gepakt kan worden. Vrijwel allemaal denken ze dat dit zo weer in te voeren is op het moment dat ze dat nodig achten.

Een gezamenlijke Whats‐ appgroep van gemeente, politie, jongerenwerk en jeugdboa’s zorgt dat de kernpartners, buiten de maandelijkse overleggen en de één‐op‐één contac‐ ten, contact met elkaar kunnen onderhouden. De partners delen infor‐ matie over locaties en overlastsituaties. De partners bevragen el‐ kaar op signalen en infor‐ matie. De partners doen een be‐ roep op elkaar voor on‐ dersteuning en/of overne‐ men van werkzaamheden. De partners doen een be‐ roep op elkaar voor het bezoeken van bepaalde locaties. De procesregisseur leest mee en vraagt soms om een gerichte reactie van een of meerdere partners. Bron: Interviews met kernpartners Pak(je)Kans (2022)

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 23

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

Een inhoudelijke verklaring voor het feit dat de app nu niet gebruikt wordt, is dat er de laatste tijd geen groepen meer besproken zijn en dat het gebruik van Straatcontact eigenlijk alleen nodig is wanneer er daadwerkelijk groepen worden besproken. ‘Het is hier niet echt nodig, we hebben hier geen grote groepen, waar we de indivi‐ duen niet kennen. In Velp hadden we tien tot vijftien man, vaak in verschillende samenstelling, maar die kenden we vrij snel’, aldus een van de jeugdagenten. Zolang er geen groepen worden gedefinieerd waarbij sprake is van onbekende individuen, volstaat volgens de kernparters de groepsapp via Whatsapp, waarin informatie over lo‐ caties wordt gedeeld zonder dat daarbij persoonsgegevens hoeven te worden vermeld (zie kader ‘Onderling con‐ tact via Whatsapp’). Een tweede verklaring is dat de komst van strengere Privacywetgeving veel ‘gedoe’ met zich meebracht. Een van de BOA’s legt uit: ‘het idee is heel goed, maar (…) toen de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)7 kwam opzetten was er veel weerstand bij ons en onze partners, want je moest elke keer iemand toestemming vragen om hem/haar te bespreken. En je moest een omschrijving geven in plaats van een naam noemen, bij‐ voorbeeld “die jongen met die blauwe ogen”.

Zeker als je veel jongeren wilt bespreken, is dat een hoop gedoe en daarom is het toen losgelaten.’ De jongerenwerker vult aan: bij het doorlopen van stappen als in kaart bren‐ gen van de jeugd, in gesprek gaan en de groep ontleden ‘helpt het dan ook als je foto’s hebt. Maar met de AVG is dat haast niet te doen, dan moet je jongeren gaan melden dat je ze gaat bespreken.’ En tot slot zien we bij sommige partners ook praktische bezwaren. ‘Het was omslachtig met inlogcodes. Er moes‐ ten steeds weer accounts bijkomen als er nieuwe collega’s kwamen. Dat maakte het ook kostbaar’, aldus een van de jeugdagenten. Uit de gesprekken wordt niet duidelijk of deze bezwaren een specifiek Rhedense interpre‐ tatie zijn ‐alle gemeenten hebben immers met deze wetgeving te maken‐ of dat dit overal speelt. Daarvoor heb‐ ben de kernpartners volgens eigen zeggen te weinig kennis van de aanpak en ervaringen in andere gemeenten. Ondanks de bezwaren ziet een deel van de kernpartners wel het voordeel in van de app van Straatcontact en de onderliggende methodiek. Een van de jeugdagenten stelt: ‘de methodiek is niet per se nodig’, maar wel handig. ‘Je kunt wel allemaal op dezelfde manier kijken naar de groepen, maar niet naar de individuele jongeren.

Het zijn vaak 3, 4 personen die we allemaal kennen en daaromheen andere jongeren.’ Door informatie over een groep bij elkaar te brengen in de app ontstaat, met andere woorden, een beter en vollediger beeld. Ook het gebruik van foto’s die op verschillende manieren worden verzameld, helpt de professionals bij het inzichtelijk maken van een groep. Anderen zijn minder enthousiast, waaronder de procesregisseur van de gemeente: ‘Ik ken [de Plus Min Mee Methodiek] niet zo goed, heb er wel eens over gelezen. Het plussen of minnen is naar mijn idee niet objectief. Het onderbuikgevoel van de professionals is erg belangrijk, maar als je iemand in een hokje gaat zetten, moet je dat doen op basis van feiten en niet op basis van gevoel.’ Een van de jeugdagenten ziet nog een ander nadeel: ‘Jongeren zitten soms in meerdere groepen, maar dan moet je kiezen waar iemand bij hoort.’ BORGING EN INFORMATIEDELING Om met elkaar informatie te kunnen delen, maken de kernpartners gebruik van het Convenant & Privacyregle‐ ment (Gemeente Rheden, 2018a). Het is opvallend dat geen van de geïnterviewden precies weet wat dit conve‐ nant inhoudt en of het nog actueel is. De uitspraak ‘Als het goed is ligt er een convenant’ is wat betreft veelzeg‐ gend en exemplarisch voor de meeste reacties die we kregen toen we hier in de interviews naar vroegen.

Ken‐ nelijk is het voor de partijen in de uitvoering voldoende om te weten dat ze informatie mogen delen en

7

Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/privacy‐en‐persoonsgegevens/voldoen‐aan‐de‐avg. ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 24

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

ondervinden ze werkenderwijs welke informatie wel en niet gedeeld mag worden en onder welke voorwaarden, bijvoorbeeld op het moment dat ze zelf tegen onduidelijkheden aanlopen. Het registreren en delen van informatie gebeurt veelal naar eigen inzicht. Zo vertelt de jeugdboa: ‘Soms is “niks aangetroffen” wel een registratie waard, meestal ook niet. Wat je precies schrijft is eigen inzicht.’ Datzelfde geldt ook voor registraties door de partners. De jongerenwerker heeft op dit punt een bijzondere positie, omdat deze zowel een vertrouwensrelatie met de jongeren heeft als een signalerende rol vanuit Pak(je)Kans. Hij legt uit: ‘Ik bepaal zelf wat ik deel en wat ik niet deel. Dat is afhankelijk van de informatie en de positie waarin ik me bevind. Heb ik het nodig om iemand te kunnen helpen? Is het licht, is het zwaar wat ik hoor?’ Omdat het delen van specifieke informatie kan leiden tot een interventie, is vertrouwen in de netwerkpartners heel belangrijk: ‘Je wilt dan ook graag dat het in overleg gaat, ingrijpen zonder dat het ten koste gaat van je informatiepositie.’ Wanneer er sprake is van ernstige strafbare feiten, wordt de informatie altijd gedeeld met de politie. Soms is dat heel vanzelfsprekend. Een van de BOA’s geeft bijvoorbeeld aan dat zij niet bevoegd zijn voor de opiumwet, dus als zij ergens zien dat er drugs gedeald wordt, gaat het direct naar de politie.

Een ander voorbeeld, waarbij het wat ingewikkelder lag en wat bovendien niet direct met overlast van jeugd op straat te maken heeft, was toen de jongerenwerker een vermoeden van een zedendelict had. De politie was blij dat die informatie tijdig met hen werd gedeeld, zodat ze konden ingrijpen. Een van de jeugdagenten zegt daarover: ‘Je maakt dan zeker afspraken. Ter bescherming van de jongerenwerker in dit geval. We doen wat we kunnen, maar soms kan het niet, is het urgent.’ Daarmee geeft hij aan de vertrouwenspositie van de jongerenwerker uiteindelijk maar tot op zekere hoogte gewaarborgd kan worden. Soms spoort de politie de jongerenwerker ook aan: ‘Ik geef de jongerenwerkers wel eens aan dat ze soms wél moeten delen.’ ‘De Politie doet dat over het algemeen ook, maar deelt minder uit zichzelf en minder in detail, want dat kunnen en mogen ze niet altijd’, aldus een van de BOA’s. De jongerenwerker stelt: ‘Dat is ook logisch, aangezien zij een andere functie hebben en het nodig is om hun beroep goed uit te kunnen voeren’. Niettemin hebben de partners daar soms last van. ‘Soms zou het wel handig zijn als we bij een adres komen en zouden weten wat er speelt’, aldus een van de BOA’s. Het gaat dan vooral om informatie over personen. Informatie over locaties wordt ‘eigenlijk altijd’ gedeeld.

ALTERNATIEVEN Gegeven het feit dat de app Straatcontact best kostbaar is en in het dagelijks gebruik soms ook als omslachtig wordt ervaren, vindt de gemeente Rheden het belangrijk om ook eventuele alternatieven in beeld te krijgen. De uitkomst van de gesprekken met alle betrokkenen is eenduidig: die zijn bij hen niet bekend. Een deel van de kernpartners heeft in het verleden ook in andere gemeenten gewerkt en ervaring met een anders vormgegeven jeugdaanpak, maar dat was voor 2018, dus voor de AVG werd ingevoerd. Hun vermoeden is dat het ook daar lastiger is geworden met de komst van deze wet. In hoofdstuk 6 komen we hierop terug, wanneer we naar de ervaringen van andere gemeenten kijken. 5.5 SAMENWERKING TEVREDENHEID OVER DE SAMENWERKING De kernpartners zijn tevreden over de samenwerking zoals die nu is georganiseerd onder de noemer Pak(je)Kans. Het beeld dat naar voren komt uit de interviews is dat van een goed sluitend netwerk van bekwame professionals die met dezelfde ideeën en verwachtingen deelnemen aan de samenwerking. Er is sprake van een wij‐gevoel, wat komt ‘doordat de lijntjes heel kort zijn’, zo stelt een van de jeugdagenten en volgens de jongerenwerker is het vanzelfsprekend, want ‘we hebben allemaal de overtuiging dat we de jongeren willen helpen.’

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 25

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

De regierol van de gemeente wordt als prettig ervaren. De beleidsondersteuner faciliteert het overleg door de agenda op te stellen en het overzicht van locaties bij te houden en de procesregisseur kijkt vooral naar wat er nodig is en wie er nodig is. Als opdrachtgever van het jongerenwerk en als werkgever van de boa’s kan de ge‐ meente tot op zekere hoogte sturen, maar de besluiten worden eigenlijk altijd in gezamenlijkheid genomen. De procesregisseur licht toe: ‘Op papier ben ik degene die er een klap op geeft, maar ik probeer het altijd in overleg te doen.’ De kernpartners kunnen hier niet altijd gehoor aan geven. De jeugdboa legt uit: ‘ook dan is het altijd de vraag of de dienst het toelaat. Er gebeurt vaak wel iets, waardoor het anders loopt dan gepland.’ De jongerenwerker heeft een bredere opdracht dan alleen het ambulante deel waarvoor hij bij Pak(je)Kans zit. Dat zorgt soms voor dilemma’s: ‘Ik wil graag dat iedereen tevreden is met onze inzet. Dus ik ga daar als het kan wel in mee. In zo’n situatie [refererend aan de vermeende overlast bij het Biljoenbad] kan ik ook zeggen: “het heeft geen prioriteit”, maar dat doe ik niet. Ik ga er heen en kijk wat er aan de hand is, maak filmpjes en koppel terug.

Dat doe ik dan later op de avond.’ De jongerenwerker vraagt af en toe ook een collega om mee de straat op te gaan, zodat zij weten wat er speelt en het over kunnen nemen bij ziekte of verlof.

De waarde van preventie ‘Het is belangrijk om tijdig in kaart te brengen wat er speelt. Je wilt niet dat je te laat bent. Dat komt denk ik meer voor dan we met z’n allen weten.’ Bron: Jeugdagent Gemeente Rheden (2022)

Wanneer er geen bijzonderheden zijn, werken de kernpartners niet op basis van vooraf gemaakte afspraken. Wel stemmen ze hun roosters en inzet zo goed mogelijk op elkaar af. Ze informeren bijvoorbeeld geregeld naar el‐ kaars dienst, zodat ze daar rekening mee kunnen houden. Een van de jeugdagenten zegt hierover: ‘We maken geen rooster, maar kennen de tijdstippen en proberen het dan tijdens de dienst mee te pakken.’ Een situatie dat verschillende partners elkaar onverwacht tegenkwamen op dezelfde locatie heeft zich (mede daardoor) nog niet voorgedaan. ‘Maar we hoorden wel eens dat er net al een BOA was geweest.’ Op de vraag of samen optrekken wellicht ook een meerwaarde kan hebben, wordt ontkennend gereageerd. Een van de jeugdagenten legt uit: ‘Ik heb in het verleden wel eens met de BOA samen een dienst gedaan.

Maar je hebt natuurlijk niet continu jeugdoverlast, dus dan zit je al gauw met andere belangen en dat is dan eerder lastig dan handig.’ Met het oog op contact maken met de jeugd en zichtbaar zijn, spreekt de politie soms wel af met de jongerenwerker, zoals een van de jeugdagenten aangeeft: ‘Soms hoor ik ook dat er iets georganiseerd wordt door de jongerenwerkers en kun je ook af en toe even aanrijden.’ In het geval in het Pak(je)Kans wordt overeengekomen om extra inzet te plegen op een specifieke locatie, zoals in het geval van het Biljoenbad, wordt in gezamenlijkheid bekeken of er op zoveel mogelijk relevante momenten iemand langs kan gaan, bijvoorbeeld door de avonden te verdelen waarop de partners die week werken. Een van de BOA’s vat het mooi samen: ‘We zijn redelijk flexibel, maar uiteraard wel gebonden aan tijden.’ Daarbij komt dat de BOA’s in de avonden en weekenden verplicht zijn om in duo’s de straat op te gaan. Kijkend naar de huidige samenwerking, dient gezegd te worden dat zich binnen de huidige samenstelling nog geen noemenswaardige meningsverschillen hebben voorgedaan, waardoor het bijvoorbeeld nodig was te esca‐ leren naar de managers of op een andere manier extra inspanningen te verrichten om te zorgen dat een vraag‐ stuk adequaat kon worden aangepakt.

In het verleden speelde dit bijvoorbeeld wel eens rond het registreren en delen van informatie en moest de gemeente alles uit de kast trekken om ervoor te zorgen dat alle partijen weer op een lijn kwamen (Van Marissing, 2018). Het is de vraag hoe sterk het wij‐gevoel is op het moment dat er wel

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 26

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

onenigheid ontstaat of wanneer de partners tegen capaciteitsproblemen aan gaan lopen, waardoor zij kritischer moeten zijn op wat ze wel en niet kunnen doen. SAMENSTELLING KERNTEAM Het merendeel van de kernpartners vindt de huidige samenstelling passend. Geen van de partijen geeft er blijk van dat de verkennersrol, zoals die in het verleden bij de straatcoaches was ondergebracht, wordt gemist. Het is niet duidelijk of dit volledig is toe te schrijven aan de onderlinge rolverdeling van de huidige kernpartners en er dus sprake is van de sluitende aanpak, zoals we in beleidsdocumenten tegenkomen (zie Hoofdstuk 3), of dat het (mede) te maken heeft met het feit dat het momenteel rustig op straat is en er weinig inspanning hoeft te worden geleverd met betrekking tot het signaleren en in kaart brengen van groepen. Toen de straatcoaches werden vervangen door jeugdboa’s bestond bij sommige politici de angst dat de speci‐ fieke verkennersrol ook zou verdwijnen en dat het contact met de jeugd zou veranderen (Roelofs, 2017). Naar eigen zeggen hebben de BOA’s geen moeite ondervonden bij het leggen van contact, ondanks hun bevoegdhe‐ den en hun uniform.

Een nieuw gezicht in de wijk ‘In Velp heb ik eerst een uur bij een groepje gezeten en daarna gingen ze wel praten. Het uniform was geen issue. Voor mij was het ook heel normaal. Onder het uniform zit gewoon een persoon die het gesprek aanging.’ Bron: Senior BOA Pak(je)Kans (2022)

De verkennersrol is op dit moment vooral belegd bij de jongerenwerker. Hij is primair verantwoordelijk voor het maken van contact en het signaleren van problemen en hulpvragen: ‘Ja, wij spreken de jongeren het meest en kennen ze het best. (…) Soms was er ook ruzie en gingen ze uit elkaar in meerdere groepjes. Soms had je wisse‐ lende groepjes, soms ook verplaatsende groepjes. Ik ga overal langs, op alle plekken die ik ken, spreek met de jongeren. En als er meldingen binnenkomen van overlast ga ik op onderzoek uit: om wie gaat het, wat is het verhaal, hoe zien ze het zelf, zijn ze zich ervan bewust?’ In de huidige situatie waarin er weinig sprake is van overlast, is deze rol goed in te vullen. We kunnen ons echter voorstellen dat er op enig moment weer een groep ontstaat die wat ernstiger gedrag vertoont. Op dat moment zou de dubbele rol van de jongerenwerker in het geding kunnen komen, vanwege zijn positie binnen Pak(je)Kans. Vrijwel alle geïnterviewden menen dat het goed is om een paar keer per jaar wat bredere vergaderingen te houden, waarbij andere professionals kunnen aansluiten. Incidenteel worden op agenda al wel anderen uitge‐ nodigd, zoals iemand van het Team Wonen en Leefomgeving of een jeugdconsulent.

UITBREIDING VAN HET KERNTEAM Over een eventuele uitbreiding van het kernteam met bijvoorbeeld een leerplichtambtenaar of een HALT‐mede‐ werker zijn de meningen verdeeld. Sommigen menen dat Pak(je)Kans vooral gericht is op groepen en locaties en dat genoemde professionals zich vooral op individuen richten en het dus niet van meerwaarde is als zij structu‐ reel deelnemen aan het overleg en bijvoorbeeld ook toegang hebben tot de groepsapp. Ook de historie speelt daarbij mee. Enkele professionals verwijzen bijvoorbeeld naar de aanpak in Doesburg, waar het al jaren wel zo is dat de leerplicht met enig regelmaat aanschuift. Anderen zien juist wel een meerwaarde, met name als het gaat om de leerplichtambtenaar. Voor Bureau HALT volstaat onregelmatig contact. Dat gaat bovendien niet zozeer over jongeren die deel uitmaken van groepen,

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 27

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

maar over algemene onderwerpen. Een voorbeeld is de jaarlijkse vuurwerkvoorlichting. Ook ‘opfrissen is altijd goed’, zo stelt de jeugdboa. ‘Welke stappen zet je voor een verwijzing? HALT komt wel weer meer in beeld mis‐ schien, want de feestjes en kermissen komen weer wat terug. De Dierense kermis bijvoorbeeld.’ Een van de jeugdagenten meent dat het misschien goed is om eerst eens te verkennen of het nut en de noodzaak er zijn: ‘Ik weet niet zo goed wat de meerwaarde is van HALT, maar het is altijd goed om de koppen bij elkaar te steken. En je kunt ook tot de conclusie komen dat het geen meerwaarde heeft.’ Aanwezigheid van de leerplichtambtenaar is iets meer gewenst: ‘Ik denk wel dat het handig is als er een leer‐ plichtambtenaar of iets dergelijks bij zit. Zo iemand hoort er eigenlijk wel bij te zitten. (…) Weten wat er speelt, weten welke generaties er (kunnen) oppoppen. En andersom: wij monitoren op straat, we hebben mensen soms ook in beeld. En dat kan voor de leerplichtambtenaar ook weer extra inzicht geven’, aldus een van de jeugdagen‐ ten. Een andere jeugdagent merkt op dat de leerplichtambtenaar in eerste instantie vaak contact hebben met de wijkagenten, omdat de gegevens van de jeugdagenten niet op de website van de politie vermeld staan.

Ook een collega die in een andere kern werkt, vindt deze korte lijnen belangrijk en pleit daarmee voor toetreding van de leerplichtambtenaar tot het overleg: ‘Dan kun je meteen bepalen wie er iets kan doen. Anders moet het eerst weer via via. (…) Ik mis de leerplichtambtenaar heel erg. In Rheden zitten jongeren met problemen thuis met de rolluiken dicht, dan zie je ze juist niet, daar waar ze in andere kernen misschien juist meer op straat gaan hangen als het niet goed gaat. Ik zou het daarom goed vinden als de leerplichtambtenaar bijvoorbeeld eens in de drie maanden zou kunnen aansluiten.’

De betekenis van Pak(je)Kans voor de leerplichtambtenaar ‘Ik heb bijvoorbeeld een jongere die het heeft over een groepje van 7 of 8 jongeren waar hij mee hangt. Alleen ik heb geen idee waar die rondhangen en of anderen hem ook wel eens zien.’ Bron: Leerplichtambtenaar Rheden (2022)

De HALT‐medewerker, die in de hele gemeente Rheden werkzaam is, ziet zelf wel een toegevoegde waarde van meer contact met het kernteam. ‘Ik denk dat het goed is om trends te weten, informatie over bepaalde scholen te hebben. Daar kunnen we echt op inspelen. Dat mis ik soms wel en dan zie ik eigenlijk alleen jongeren in een HALT‐straf. Het zou juist mooi zijn om een stap daarvoor erbij te kunnen zijn. (…) Wij hebben ook groepsaanpak‐ ken van jongeren die nog niet bij ons zijn aangemeld, maar wel de verkeerde kant op dreigen te gaan. Je kunt dan denken aan gesprekken met ouders, een bewustwordingsgesprek over het eigen gedrag.’ De HALT‐medewerker kent een aantal kernpartners van Pak(je)Kans wel van naam en heeft daar af en toe ook een‐op‐een contact mee, maar zou graag aansluiten bij het jeugdoverleg. Ze zou het prettig vinden iets meer te weten over de sociale omgeving van de jongeren die bij HALT worden aangemeld: wie zien de jongeren op straat? Op die manier kunnen ze gerichter interventies inzetten. Pak(je)Kans is bij uitstek de plek om inzicht te krijgen in welke jongeren elkaar zien, op welke plek en op welke manier.

Een structurele deelname is niet nodig, aansluiten op agenda is voldoende: ‘Vooral doen wat moet, niet overmatig aansluiten.’ De leerplichtambtenaar richt zich op kinderen tot 18 jaar en wordt ingeschakeld wanneer er sprake is van meer dan 16 uur ongeoorloofd verzuim. Opvallend is dat in Rheden en Dieren niet alleen de scholen, maar ook de ouders zelf vaak contact zoeken. Ook voor haar is Pak(je)Kans een goede plek om informatie te toetsen of een casus te delen. ‘Ik weet sommige dingen bijvoorbeeld soms nog eerder dan de politie. Ik hoor wel veel, maar ik kan het niet altijd kwijt. Ik weet niet wie er verantwoordelijk is om even te overleggen, bijvoorbeeld als er een jongere vaak op straat loopt met drank op.’

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 28

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

Anders dan de HALT‐medewerker kent de leerplichtambtenaar nog niet alle kernpartners. ‘Ik ken de scholen wel, maar de partners van de jeugdaanpak niet. (…) Wat ik mis is dat ze ons in Rheden ook als partij zien. Want we kunnen wel degelijk van toegevoegde waarde zijn. Als je bijvoorbeeld geen hulp in een gezin krijgt, kun je op basis van verzuim nog kijken of je iets kunt doen en kun je soms alsnog binnenkomen in dat gezin. En ik kan ook jeugdreclassering opleggen. Het is dus niet alleen zenden, vanuit mij, maar ook iets bieden.’ Dat is belangrijk, want ´als een situatie waarbij je elkaar nodig hebt zich aandient, is het goed als je elkaar al kent. Ook als een jongere bij hen niet bekend is. Soms hoor je bijvoorbeeld van de politie dat een jongere geen overlast geeft op straat. Dat is dan ook informatie waar ik iets aan heb.´ FORMATIE: ZIJN WE MET GENOEG? Uit de interviews komt naar voren dat de huidige formatie (1 jeugdboa vergezeld van een collega, 3 jeugdagenten en 1 ambulant jongerenwerker) redelijk aansluit op de situatie op straat. Wel wordt duidelijk dat de inzet kwets‐ baar is. De jeugdboa heeft een taakaccent en kan dus tijdens een dienst ook op andere prioriteiten stuiten. Bo‐ vendien is deze in de avonden en de weekenden afhankelijk van de beschikbaarheid van een collega, omdat de leiding hen verplicht op die momenten in duo’s te opereren.

De jongerenwerker is maar alleen en moet zijn inzet daardoor constant prioriteren. In het geval van het gezamenlijk oppakken van een situatie als die bij het Biljoen‐ bad (zie 5.3), betekent dit dat er geschoven moet worden met de planning en kan het verzoek om deze locatie op bepaalde dagen en tijden aan te doen ten koste gaan van andere geplande inspanningen. De jeugdagenten, tot slot, worden vaak ook voor andere zaken ingezet, zoals noodhulp.

Taakaccent jeugd ‘Het taakaccent jeugd houdt in: we draaien op donderdag, vrijdag, zaterdag avonddiensten. Ik werk zelf niet elke week. Je draait het normale werk, maar je bent het aanspreekpunt voor jeugd. En ook het bijwonen van overleggen over jeugd hoort daarbij.’ Bron: Jeugdboa Pak(je)Kans (2022)

Gevraagd naar een situatie waarin er opeens weer meer groepen ontstaan en er meer inzet van de kernpartners wordt gevraagd, reageren de meesten redelijk nuchter: ‘mocht er een groep ontstaan, dan zullen we het snel genoeg bespreken’, aldus de jeudboa. De procesregisseur is het hier mee eens: ‘als het in de toekomst echt spannend wordt, kunnen we bijvoorbeeld vaker bij elkaar komen, maar dat is nu niet aan de orde. Er wordt snel gereageerd op berichten in de app.’ En een van de jeugdagenten reageert ronduit nuchter: ‘Wij zijn altijd met meer.’ Hij legt uit: ‘Of het nu 3 of 10 groepen zijn, dat zou niet moeten uitmaken. Het in kaart brengen zelf is niet heel veel meer werk. Het gaat vooral om de aanpak, die vraagt in zo’n geval extra inzet.’ Van een uitbreiding van de formatie is op dit moment geen sprake: ‘meer jeugdboa’s is hier ook geen oplossing, want je hebt ook hele rustige avonden. Als je hier fulltime twee jeugdboa’s neer zou zetten, zouden ze niks te doen hebben’, aldus de jeugdboa. De jongerenwerker is het daarmee eens: ‘onze opdracht is fors, ‐we zijn er ook voor de sociale basis‐, maar een extra jeugdboa maakt voor mij denk ik geen verschil. Het gaat mij erom dat het contact goed is en dat ik afspraken met hem of haar kan maken.’ Voor zijn eigen inzet betekent een toename van groepen die aandacht vragen om nog scherper keuzes maken.

Bij de politie is de wens er wel om iets meer tijd voor de jeugd te hebben: ‘als ik naar mezelf kijk, zou ik wel iets meer uren willen krijgen. Nu loopt het, is het redelijk rustig, maar je hebt niet heel veel tijd om een hele avond alleen maar lopend alle dingen af te gaan. (…) Ik zou meer contact fijn vinden om een betere informatiepositie te hebben,’ aldus een van de jeugdagenten.

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 29

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

ANTICIPEREN OP VERANDERING De dynamiek rond (groepen) jongeren in de openbare ruimte is groot. Partijen vinden het dan ook moeilijk om te voorspellen hoe de situatie in de verschillende kernen zich ontwikkelt en proberen daarom vooral zo goed mogelijk in de gaten te houden hoe kinderen en jongeren zich ontwikkelen, waar zij zich mee bezig houden en welke hulp of ondersteuning zij eventueel nodig hebben. De procesregisseur legt uit waarom er niet of nauwelijks naar demografie wordt gekeken: ‘We kijken niet echt naar leeftijdsopbouw, grootte van scholen en dergelijke. De kinderen komen namelijk ook vaak uit andere kernen. Als een ketenpartner iets signaleert, is dat voldoende. En je hoeft ook niet gelijk in actie te komen, je kunt eerst rustig kijken met wie je te maken hebt.’ Om diezelfde reden worden de maandelijkse overzichten ook niet gebruikt om conclusies aan te verbinden voor de toekomst. 5.6 DE WAARDE VAN HET MAANDELIJKSE JEUGDOVERLEG NIET VERGADEREN OM HET VERGADEREN Het overleg zoals we dat nu (weer) kennen is eigenlijk pas net weer opgestart. Tot voor kort werd er vanwege de Coronamaatregelen online vergaderd. Sommige kernpartners zijn pas zo relatief kort bij Pak(je)Kans, dat ze de oude situatie nog niet eens hebben meegemaakt.

Het fysiek vergaderen heeft voor sommigen een duidelijk voor‐ deel ten opzichte van online bij elkaar komen, zoals een van de jeugdagenten uitlegt.

Overleggen in Coronatijd ‘Voorheen hadden we echt een fysiek contactmoment, konden we dingen goed bespreken. Het is wat ver‐ waterd door de Corona, minder casussen, elkaar fysiek niet zien. Nog niet gekomen tot elkaar weer zien, ook door uitval, vakantieroosters e.d.’ De fysieke contactmomenten worden gemist: ‘Je hebt een betere interac‐ tie, durft tegen elkaar in te gaan, kunt je mening beter onder woorden brengen. Soms ook: “ik heb toch nog 1 dingetje”. En dat komt ook wel door de gezelligheid.’ Bron: Jeugdagent Pak(je)Kans (2022)

Mede als gevolg van de Coronaperiode, waarin improvisaties, onzekerheden en beperkingen domineerden, heb‐ ben de kernpartners nog geen routines en vanzelfsprekendheden met elkaar ontwikkeld. De kernpartners zijn met elkaar nog zoekende naar een goede frequentie en naar afspraken met betrekking tot het bijwonen van het overleg, zo blijkt uit de interviews. Ze staan allemaal onder tijdsdruk en zitten niet te wachten op “vergaderen om het vergaderen”. In principe is er voor het overleg 1,5 uur gereserveerd, maar in de praktijk wordt altijd gekeken of dat nodig is. ‘Soms duurt het ruim een uur, soms ben je na een half uur uitgepraat’, aldus de jeugdboa. De noodzaak om bij elkaar te komen wordt voorafgaand aan elk gepland overleg afgewogen. De jeugdboa geeft aan: ‘We bespreken vaak wel voorafgaand aan het overleg of iedereen iets heeft en of iedereen er is. En als we allemaal niks hebben, gaan we ook niet bij elkaar komen.’ Ook een van de jeugdagenten kijkt er op die manier naar: ‘Soms kun je je eigen tijd beter besteden door goede dingen te doen in plaats van te reizen naar een overleg waar je eigenlijk niks voor hebt. Daarom is het goed dat je vooraf de vraag stelt wat er te bespreken is.’ Een absolute voorwaarde is dat elk van de partijen vertegenwoordigd is. Met name de politie is er niet altijd bij, onder meer vanwege dienstroosters die niet overeen komen.

Hierdoor lukt het niet altijd om iemand af te vaar‐ digen. De jeugdboa: ‘Als de jeugdagenten er alle drie niet zijn, valt er weinig te overleggen. Bijvoorbeeld afspra‐ ken over wat je meeneemt in je ronde. Of de jongerenwerker en de jeugdagent die aangeven dat ze namen willen hebben van een opkomende groep.’ Ook de jongerenwerker, die begrip toont voor de situatie, vindt het jammer

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 30

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

dat de politie niet vaker en in een grotere bezetting aanwezig is, ondanks de eerder genoemde korte lijntjes en de goed functionerende een‐op‐een‐contacten. Tegelijkertijd komt uit de gesprekken ook naar voren dat het wij‐gevoel met name ontstaat doordat de kernpart‐ ners zich samen over een vraagstuk kunnen buigen, oplossingen kunnen bedenken en uitvoeren. De procesre‐ gisseur stelt: ‘Het is afwisselend. Soms voelt het als een verplichting, omdat het rustig is. Maar op de momenten dat het spannend wordt, doet iedereen goed mee, is iedereen enthousiast. Het zijn doeners, dus je moet niet teveel praten.’ TOEGEKENDE WAARDE DOOR DEELNEMERS Alle geïnterviewden zien de waarde van het overleg. Ze zijn tevreden met de inzet van de procesregisseur die strak voorzit en de afspraken bewaakt. Ondersteuning van een beleidsadviseur, die onder meer het overzicht van te bespreken locaties en de agenda verzorgt is belangrijk, omdat de procesregisseur slechts een deeltijdcon‐ tract heeft. De kernpartners zien het overleg dan ook niet als een verplichting, maar als de best passende manier om samen te komen, informatie te delen en afspraken te maken. Ze betreuren het dat het niet altijd lukt om aanwezig te zijn, bijvoorbeeld vanwege nachtdiensten. De meerwaarde blijkt vooral uit “wapenfeiten”: situaties die gezamenlijk zijn opgepakt en opgelost.

Een goed voorbeeld is de aanpak van de overlast bij het Guus Dijkhuizenplantsoen. Een van de jeugdagenten stelt: ‘daar hebben we met de gemeente en de jongerenwerker gesprekken met buurtbewoners kunnen organiseren. En gelukkig waren er ook wat jongeren met wie we toen konden spreken en hebben we samen een oplossing ge‐ zocht. En toen zijn er borden ontwikkeld. (…) Zonder deze samenwerking was je allemaal individuen en was je nooit tot deze oplossing gekomen.’ Figuur 5.1: Regels bij het Guus Dijkhuizenplantsoen

Foto: Incluzio (2022) Het aantal meldingen vormt ook een graadmeter: ‘je voelt het’, aldus de procesregisseur, ‘maar je merkt het ook aan de meldingen. De laatste keer in Velp zag je de meldingen teruglopen en kreeg je van bewoners terug dat er geen overlast meer was.’ 5.7 EIGEN BETROKKENHEID Gelet op hun functies en opdrachten is het niet meer dan vanzelfsprekend dat Pak(je)Kans een vertegenwoordi‐ ging kent van gemeente, BOA’s, politieagenten en jongerenwerkers. Zoals we in het voorgaande stelden, komt ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 31

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

dit ook tot uiting in het feit dat zij allen het belang van Pak(je)Kans benoemen, zowel wat betreft de overleg‐ structuur waar zij allen deel van uitmaken als wat betreft het samen werken aan het terugdringen van jeugd‐ overlast volgens gedeelde opvattingen en gezamenlijk ingezette methodieken. Ook het feit dat zij allen een deeltijdfunctie hebben of een deeltaak hebben als het gaat om jeugdoverlast, komt terug in de gesprekken. De jongerenwerker spreekt van ‘een forse opdracht als het gaat om de sociale basis’ en ook de jeugdboa relativeert de mogelijkheden: ‘Ik ben niet fulltime jeugdboa, dat heb ik in andere steden gedaan. Hier hoeft dat niet, maar ik denk zover als het in mijn huidige functie kan en in hoeverre het jeugd betreft, voel ik me betrokken.’ Een van de jeugdagenten voelt zich extra betrokken, vanwege een achtergrond in de jeugdzorg. De procesregisseur ziet vooral betrokkenheid ‘als het nodig is’. 5.8 TAAL EN TOON Een kenmerk van de jeugdaanpak die onvoldoende is vastgelegd in de beleidsdocumenten, betreft de taal en toon, zowel richting de jeugd als richting verontruste burgers. Uit de interviews komt naar voren dat de kern‐ partners zich op dit punt slechts ten dele verantwoordelijk voelen, omdat ze hierin vooral een rol voor de ge‐ meente zien weggelegd.

CONTACT MET BEWONERS Ze geven aan dat de verwachtingen van bewoners niet altijd kloppen: ‘Mensen denken al snel dat we het wel mee kunnen nemen in onze ronde, maar dat is lang niet altijd mogelijk of wenselijk (…) ze verwachten dat we vaak komen als ze iets melden. En ze willen mijn telefoonnummer hebben. Dat is niet handig, want dan gaan ze mijn dienst invullen.’, aldus de jeugdboa. De oplossing laat zich raden: in gesprek gaan en blijven. ‘We moeten ‘vaak genoeg zeggen wat ons werk inhoudt. We tonen wel begrip, nemen het altijd serieus, en gaan proberen feiten te leveren.’ Een van de jeugdagenten legt uit dat het heel belangrijk is om uit te leggen wat overlast is en hoe de gemeente en kernpartners van Pak(je)Kans daarmee omgaan: ‘Bij veel mensen is het al overlast als ergens een groepje jongeren staat. Als je er langs moet, is dat vervelend, maar wij kunnen er niets mee. Dat probeer je ook uit te leggen aan bewoners. Als de gemeente echt iets wil met de ervaren overlast, kunnen ze bijvoorbeeld een bordje ophangen, zoals in Velp’ (zie figuur 5.1). De jongerenwerker houdt zich veel bezig met het contact met bewoners die melding maken van overlast. Hij zoekt hen op, legt uit hoe de procedures zijn rond meldingen en houdt het contact, ook als de overlastsituatie is opgelost. Hierbij speelt ook mee dat Incluzio de opdracht heeft om het aantal meldingen omlaag te brengen.

DE BOODSCHAP RICHTING DE JEUGD Van een gezamenlijke taal en toon richting de jeugd zelf is eveneens geen sprake. Dat komt volgens de proces‐ regisseur omdat ieder van de kernpartners een andere rol vervult: ‘de jongerenwerker lost het op met praten, de politie is meer degene die gaat handhaven, degene die “boos” wordt’, maar meer algemeen geldt wel: ‘jon‐ geren zijn nu niet zichtbaar. We praten nu soms over jongeren alsof ze niet gewenst zijn.’ Zijn conclusie wordt gestaafd door het feit dat er amper iets te vinden is in gemeentelijke publicaties over jeugd op straat. Wie heel goed zoekt, vindt op de website van Themanieuws een korte tekst over jeugdoverlast in Rheden. Daar lezen we: ‘iedereen mag op straat staan in groepen, zolang ze geen overlast veroorzaken’. Deze tekst is verder nergens terug te vinden. Niet in beleidsdocumenten over jeugd en veiligheid, niet op de website van de ge‐ meente zelf en niet bij partners zoals Incluzio. Net als richting bewoners, hebben de kernpartners dus ook richting de jeugd een belangrijke taak in het goed uitleggen wanneer ze ergens niet gewenst zijn of wanneer hun gedrag niet aanvaardbaar is, waarbij het niet alleen gaat om wat er wettelijk toegestaan is, maar ook om wat de invloed van hun aanwezigheid is op de omgeving.

En daarnaast zijn de professionals er natuurlijk om te luisteren naar vragen en zorgen van de jeugd en hen desgewenst door te verwijzen naar activiteiten, hulp of ondersteuning. ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 32

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

POSITIEVE BERICHTGEVING In een eerdere evaluatie concludeerden we dat positieve berichtgeving over jeugd belangrijk is en stelden we: ‘Richting de jeugd zelf adviseren we om hen meer in positieve zin te betrekken bij wat er speelt in hun omgeving. Om overlast tegen te gaan is het van belang dat zij niet alleen als overlastgevend worden gezien, maar dat be‐ woners en ondernemers ook de talenten van jongeren waarderen en aanspreken’ (Van Marissing & De Meere, 2013, p.7). En verderop in dat rapport: ‘De jeugd op straat wordt door veel bewoners en ondernemers als louter overlastgevend beschouwd. Slechts een enkeling ziet hen ook als probleemeigenaar en probeert hen te betrek‐ ken bij activiteiten of samen met hen naar een oplossing te zoeken’. We vroegen de kernpartners daarom in hoeverre dat op dit moment gebeurt of zij dat belangrijk vinden. Uit de gesprekken blijkt dat er af en toe voor positieve berichtgeving wordt gezorgd, zoals toen de jongerenwer‐ kers en de politie een voetbaltoernooi organiseerden voor en met de jeugd.

Dit soort activiteiten is volgens de jongerenwerker heel belangrijk: ‘je kunt dan contact met de jeugd opbouwen, zonder dat je naar buiten toe het beeld geeft dat je “er gewoon erbij staat”, zoals dat vaak gezegd werd en wordt over straatcoaches en jongeren‐ werkers.’ Figuur 5.2: Instagramposts Politie IJsselwaarden (Maart 2019) en wethouder Marc Budel (Februari 2022)

In Velp noemden de jongeren het bezoek van wethouder Budel. Ze zijn zelfs met een verkiezingsposter op de foto gegaan (zie figuur 5.2). De wethouder is geboren en getogen in Velp en de jongeren waarderen het dat hij een tijdje terug als portefeuillehouder bij de jongeren langs is geweest om te vertellen over het jeugdbeleid en te luisteren naar hun wensen en ideeën. De kernpartners zien concrete kansen die onbenut blijven. ‘De gemeente doet wel leuke dingen voor de jeugd, maar het is niet heel groot aangegeven. Hier in Rheden is op woensdagmiddag best wel wat te doen. Alleen daar wordt weinig aandacht aan besteed. Dat zou ook in het rondje scholen kunnen worden meegenomen’, aldus de jeugdagent. Een andere manier om meer bekendheid en begrip te krijgen, is het betrekken van de raadsleden en wethouders door hen uit te nodigen een keer mee op pad te gaan tijdens een dienst. ‘Dat heb ik wel eens in een andere gemeente gedaan, dat werkte heel goed. Net voor Corona had ik al contact opgenomen met de gemeente om samen met de wethouder te gaan fietsen. Hier stond hij voor open. Echter gooide Corona toen roet in het eten’, aldus de jongerenwerker.

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 33

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

5.9 WENSEN VOOR DE TOEKOMST VERWIJSPLEKKEN Een belangrijke wens die door veel kernpartners wordt geuit, is het bieden van voldoende geschikte verwijsplek‐ ken. Dat zijn specifiek voor jongeren bestemde plekken waar ze op gewezen kunnen worden als ze elders voor hinder of overlast zorgen. Het kan zowel gaan om inpandige voorzieningen als voorzieningen in de openbare ruimte. Die zijn nodig, want, zo stelt de jongerenwerker: ‘je kunt jongeren niet wegsturen zonder dat ze ergens heen kunnen.’ Hiernaar gevraagd, vertelt een van de BOA’s: ‘Ik ben jaloers als ik kijk naar hoe het in Doesburg gaat bij 0313. Er is een skatebaan en een basketbalveld en het is een echte ontmoetingsplaats voor jeugd van elke leeftijd.’ De procesregisseur sluit zich hierbij aan: ‘De jeugd heeft niet veel activiteiten. Ze missen een eigen plek. (…) Ik denk dat het een goed idee is al er per dorp een eigen soos zou zijn, waar de jeugd kan gamen en kan chillen.’ In Rheden is het iets ingewikkelder om iets dergelijks te faciliteren, omdat de gemeente uit meerdere kernen bestaat. Er zijn twee buurthuizen waar jongeren bij een wekelijkse inloop terecht kunnen: De Oase in Dieren en De Poort in Velp (zie Bijlage 3 voor een korte impressie). In De Oase is een wekelijke inloop op vrijdagavond en in De Poort is dat op maandagavond. Hier koken jongeren soms ook samen.

Op vrijdagavond kunnen jongeren hier terecht bij de jongerensoos. In Rheden is op dit moment geen voorziening waar vanuit het jongerenwerk activiteiten voor jongeren worden georganiseerd. De ruimte in Dieren heeft een ander karakter dan een aantal jaren terug, zo legt de jongerenwerker uit: ‘we moeten nu kale ruimtes huren. Jongeren noemen dit “een wacht‐ kamer van het ziekenhuis”. We mogen daar geen banken plaatsen, niet inrichten.’ De ruimte heet nu “vergader‐ zaal 5”.’ In de openbare ruimte staan verschillende Jongerenontmoetingsplekken (JOP). Zo is er aan de rand van het be‐ drijventerrein in Spankeren een overdekte hangplek met bankjes en een prullenbak. Sinds kort is in dezelfde zone ook een Calisthenics park en een voetbalveld te vinden. In het centrum van Dieren kunnen jongeren terecht in de JOP op het parkeerterrein achter de sporthal. Ze noemen deze zelf ‘het afdakje’ en veel meer is het ook niet. Een eerdere JOP in De Steeg die met veel bombarie werd aangekondigd, lijkt alweer uit de gratie te zijn geraakt (Rheden.nieuws.nl, 2019). Verschillende professionals vinden dat er nog (te) weinig van dit soort toegewezen plekken voor de jeugd zijn. Vanwege het eerder genoemde argument dat het lastig is om jeugd ergens weg te sturen als je hen niets te bieden hebt, maar ook vanwege het feit dat ze op deze plekken gemakkelijk contact kunnen maken met de jeugd.

‘Je hebt zicht op de jeugd, kunt ze leren kennen, te weten komen wat er speelt. Als je niks te bieden hebt, zoeken ze het elders’, aldus een van de BOA’s. Verschillende kernpartners merken op dat de balans tussen ‘straffen en belonen’ verstoord lijkt. Je kunt bijvoorbeeld ergens een JOP neerzetten en de jongeren beloven dat je daar op termijn Wi‐Fi kunt aanbieden als ze er netjes mee omgaan. De eigen verantwoordelijkheid belonen, zogezegd. Het is opvallend dat vrijwel alle geïnterviewden wel verwijzen naar voorzieningen (containers, “kjoeps”) die al geruime tijd op de gemeentewerf staan omdat er geen geschikte plek kan worden gevonden. Zelf hebben ze wel een idee: in de buurt van het Biljoenbad in Velp of aan de IJsselsingel in Rheden, in een zone waar o.a. een pumptrack en een zwembad zijn gelegen. 5.10 CONCLUSIE Samenvattend kunnen we concluderen dat de huidige manier van werken, de huidige samenstelling en de hui‐ dige formatie voldoende tot goed aansluiten op dat wat er nodig is. Wel zijn er bij enkele professionals wensen als het gaat om het betrekken van andere professionals en zouden sommigen graag nog iets meer aan preventie willen doen en iets meer naar individuele jongeren willen kijken.

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 34

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

De situatie op straat wordt in het algemeen omschreven als rustig. Dat betekent echter niet automatisch dat het bestaansrecht van Pak(je)Kans ter discussie staat. Sterker nog: het biedt kansen voor meer preventief werken, zoals dat ook in het Integraal Veiligheidsplan (gemeente Rheden 2020b) wordt beoogd. De partners zijn zich hiervan bewust en bewegen mee met wat zich aandient en zien deels ook de mogelijkheden om contact te maken en te signaleren. Tegelijkertijd lijken de kansen nog onvoldoende op waarde te worden geschat, aangezien er nadrukkelijk wordt vastgehouden aan het bespreken van groepen en locaties als basis voor het samenkomen. Het is opvallend dat er geen ‘draaiboek’ klaarligt voor het geval de overlast onverhoopt toeneemt en er meer inzet van alle partners wordt gevraagd en dat vooral wordt vertrouwd op het eigen kunnen en ervaringen uit het verleden. Sommigen lopen nu al tegen de grenzen van hun capaciteit aan. Daarnaast valt op dat de informatie die verzameld wordt, nog erg gefragmenteerd is en niet gebruikt wordt om trends te signaleren en voorspellin‐ gen te doen. Tot slot zien we kansen onbenut als het gaat om het uitdragen van de taal en toon en het verbeteren van de relatie met burgers.

Sporadisch verschijnen er wel berichten op social media of in de krant, maar er is nog geen strategisch beleid, waarbij gericht wordt gecommuniceerd richting bewoners en meer aandacht wordt gevestigd op de positieve voorbeelden, terwijl die er wel degelijk zijn. Samen met het breder uitdragen van de boodschap dat de jeugd erbij hoort en op straat mag zijn, kan dit bewoners helpen om zelf (op een betere manier) in contact te treden met jongeren als zij overlast (menen te) ervaren. In sommige situaties zou dit ertoe kunnen leiden dat de inzet van professionals dan niet (meer) nodig is, waardoor zij hun tijd aan andere zaken kunnen besteden.

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 35

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

6. HOE DOEN ZE DAT IN ANDERE GEMEENTEN? 6.1 INLEIDING Zoals we eerder schetsten, gaat de aanpak van jeugdoverlast in de gemeente Rheden terug tot 2009, toen deze in reactie op hevige overlast in Dieren ontstond. Deze werkwijze heeft zich in de loop der jaren doorontwikkeld tot de aanpak zoals we die nu kennen. De directbetrokkenen zijn grotendeels tevreden met de manier waarop zij samenwerken en jeugdoverlast weten terug te dringen, dan wel te voorkomen. Dit is ook te onderbouwen met casuïstiek en in mindere mate met statistiek. Een gevaar dat volgens Snowden & Boone (2007) in zulke situaties op de loer kan liggen, is dat er teveel op de automatische piloot wordt vertrouwd. Vertaald naar de jeugdaanpak in Rheden bestaat het risico dat de kern‐ partners teveel voortborduren op datgene wat ze al kennen en daardoor te weinig oog hebben voor relevante ontwikkelingen, waarop geanticipeerd, dan wel gereageerd moet worden. Ook een van de jeugdagenten in Rhe‐ den waarschuwt hiervoor en ziet in de wisseling van personen ook een positieve kant: ‘het is ook wel goed als er af en toe vernieuwing komt, je moet namelijk niet te makkelijk gaan denken.’

Het gevaar van ‘de automatische piloot’ “leaders are susceptible to entrained thinking, a conditioned response that occurs when people are blinded to new ways of thinking by the perspectives they acquired through past experience, training, and success. (…) When things appear to be going smoothly, leaders often become complacent. If the context changes at that point, a leader is likely to miss what is happening and react too late.” Bron: Snowden & Boone (2007)

Met het oog op het risico van te makkelijk gaan denken, vinden we het belangrijk dat we de specifieke aanpak van de gemeente Rheden kunnen vergelijken met die van andere gemeenten. We sluiten daarmee aan bij een door de gemeente zelf geuite wens, namelijk in het Integraal Veiligheidsplan 2021‐2022: De doelgroepen, waar‐ onder overlastgevende jeugd, ‘vragen een eigen aanpak. Omdat dit dossiers zijn die al langere tijd onze aandacht vragen, is de komende jaren het doel om ook vooral eens te kijken bij andere gemeenten, wat echt werkt. Wat zijn daar succesfactoren en belangrijke lessen uit de aanpak van afgelopen jaren. Concrete afspraken en innova‐ tieve maatregelen, zowel aan “de voorkant” bij de zorg, als aan de “achterkant” zou deze tot verbetering moeten leiden. In de uitvoeringsplannen wordt hier concreet uitwerking aan gegeven. (Gemeente Rheden, 2020b, p.3). We spraken daarom met vertegenwoordigers van een aantal gemeenten in de regio en elders in het land, te weten Doesburg Doetinchem, Veenendaal, Zaanstad en Zevenaar. De keuze van deze gemeenten kwam voort uit de interviews met directbetrokkenen en is vooraf besproken met de opdrachtgever. Zie Bijlage 2 voor een toelichting.

6.2 SAMENSTELLING KERNTEAM EN OVERLEGSTRUCTUREN SAMENSTELLING EN ROLLEN KERNTEAM JEUGDAANPAK De samenstelling van het kernteam dat zich bezighoudt met de jeugdaanpak, komt grotendeels overeen met hoe het in Rheden is vormgegeven. In de basis gaat het om een samenwerking tussen gemeente, politie, handhaving en jongerenwerk, met uitzondering van Zevenaar, waar (nog) geen jeudgboa of boa met taakaccent jeugd is. De omvang van het team verschilt wel. In de grotere gemeenten Zaanstad en Veenendaal zijn bijvoorbeeld meer jongerenwerkers en jeugdboa’s in dienst. ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 36

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

De verschillende rollen binnen de jeugdaanpak zijn niet overal hetzelfde belegd. Zowel in Veenendaal als Zaan‐ stad zien we bijvoorbeeld dat de verkennersrol, zoals die in Rheden tot een aantal jaren geleden door de straat‐ coaches werd ingevuld, grotendeels bij de jeugdboa’s is ondergebracht. ‘Het is prettig dat de jeugdboa is verwe‐ ven met de methodiek van jeugdboa.nl en de volledige focus op de jeugd heeft’, aldus de adviseur jeugd en veiligheid. Ook in Zaanstad worden jeugdboa’s ingezet en ook daar is die focus hard nodig, want ‘de jongeren‐ werkers hebben in sommige gebieden bijna een dagtaak aan de meldingen’, aldus de regisseur aanpak overlast‐ gevende jeugdgroepen. Gelet op de schaalgrootte en de aard en omvang van de problematiek is het logisch dat er in genoemde gemeen‐ ten een grotere formatie is en meer inzet wordt gepleegd dan in Rheden. Mede daardoor kunnen de jeugdboa’s daar ook meer de verkennersrol op zich nemen, die in Rheden toch vooral bij de jongerenwerker is belegd. Maar ook in een kleinere gemeente als Zevenaar is dat het geval. Daar werken de jongerenwerkers vooral accommo‐ datiegericht en zijn het de BOA’s die het contact met de jeugd op straat (moeten) maken.

FREQUENTIE VAN SAMENKOMEN De gemeenten in de regio, Doetinchem en Zevenaar, hebben net als de gemeente Rheden een periodiek overleg waarin de belangrijkste partijen rondom jeugd kennis en ervaringen uitwisselen, locaties bespreken en eventueel interventies vaststellen. Er zijn wel wat accentverschillen. Zo verschilt de frequentie van samenkomen. In Vee‐ nendaal en Zevenaar komen de kernpartners bijvoorbeeld elke twee weken bij elkaar, in Doetinchem is dat op dit moment eens in de maand. Anders dan in Rheden ziet men in sommige gemeenten het proces als leidend. In Doetinchem gaat het overleg altijd door, ‘dus ook als sommigen er niet bij kunnen zijn komen we bij elkaar. En we gaan ook gewoon door in de zomervakantie’, aldus de coördinator van het jeugdinterventieteam. In de grotere gemeenten als Doetinchem, Veenendaal en Zaanstad werkt men met deelgebieden, zoals dat in Rheden een aantal jaren terug ook nog gebeurde, toen er voor elk van de drie hoofdkernen een apart overleg was. In Doesburg en Zevenaar is dat niet nodig. DE JEUGD CENTRAAL De scheiding tussen groepen en individuen is in sommige gemeenten wat minder stringent, bijvoorbeeld in Doe‐ tinchem. De coördinator van het jeugdinterventieteam geeft aan dat de vraag altijd centraal staat wat er nodig is voor de jongeren.

Wanneer er sprake is van groepen, spreken ze in Doetinchem liever niet van een groepsaan‐ pak, maar van een groepsdynamische aanpak. De omvang van de groep doet er niet zoveel toe: ‘Het gaat niet om groot of klein, maar om de inhoud. We hebben nu bijvoorbeeld een groep van ongeveer 7 jongeren in een groepsdynamische aanpak. De groep is weliswaar klein, maar de integrale werkwijze is hetzelfde.’ Het werken in het belang van de jongeren is onder andere terug te zien in het feit dat de HALT‐medewerker deel uitmaakt van het jeugdoverleg. ‘Als ik geen andere informatie krijg van een jongere, moet ik er vanuit gaan dat het allemaal goed is (…) maar gelukkig weet ik dan via anderen wat er nog meer speelt. En omdat ik in Straatcon‐ tact kan, kan ik de jongere daar ook mee confronteren. (…) Stel je voor dat ik er pas bij het eindgesprek achter kom wat er nog meer speelt…’, aldus de HALT‐medewerker. Een tweede voordeel is dat de kernpartners er door de aanwezigheid van de HALT‐medewerker een extra ingang bij hebben om bij de jongere en in het gezin binnen te komen: ‘Ik zie ons als één geheel. Ik zie het ook niet als ik ben van HALT, maar als onderdeel van een groep. Je weet wie wat kan betekenen. Als een jongere niet gemotiveerd is, kun je vanuit HALT inzet doen en iets opleggen. Dat is aantrekkelijk voor andere partijen, omdat ze op vrijwillige basis vaak niet veel (meer) kunnen.’

ERIK VAN MARISSING ONDERZOEK & MEDIAPRODUCTIES 37

EVALUATIE JEUGDAANPAK GEMEENTE RHEDEN

OVERLEGSTRUCTUREN Mede vanwege de schaalgrootte en de gebiedsgerichte inzet, zijn er in sommige gemeenten meerdere overleg‐ gen of “gesprekstafels”, zoals ze dat in Veenendaal noemen. Zo is er in die gemeente een specifiek overleg waar de jeugd in beeld wordt gebracht aan de hand van de Plus Min Mee Methodiek een maandelijks preventief over‐ leg, genaamd “Jeugd in de Openbare Ruimte (JOR)”. De Adviseur Jeugd en Veiligheid legt uit: ‘Daarbij zitten bij‐ voorbeeld de beleidsmedewerker ondermijning, iemand van Sportservice, de woningbouw, wijkmanagers, etc. Iedereen die een signalerende functie heeft is met elkaar in gesprek. (…) Die breedte is heel prettig. Wat je nu bijvoorbeeld ziet is dat jongeren helemaal los gaan bij het uitgaan. En minderjarigen zijn daar gevoelig voor. Het is belangrijk om hen tijdig in het vizier te hebben en te kunnen anticiperen.’ Ook Zaanstad kent dergelijke preventieve overleggen in de deelgebieden. In Doetinchem vormt het kernteam te basis, maar kunnen soms ook gelegenheidsteams geformeerd worden, wanneer een specifieke situatie daarom vraagt. Dit noemen ze “slagvaardige teams”. Deze teams komen eens in de drie weken bij elkaar. In Veenendaal zien we een vergelijkbare opzet: ‘Als het [de problematiek] wat groter wordt, dan kun je het buiten het JOR [Jeugd in de Openbare Ruimte] halen er dieper op ingaan.

En dan kun je ook vervolgafspraken maken om het te monitoren. Zo kun je zien wat je nog kunt doen met elkaar als professionals en bespreken welke bestuurlijke maatregelen er mogelijk zijn. Controleren van de garageboxen bijvoorbeeld. Of meer verlichting. Om maar wat te noemen.’ UITNODIGEN OP AGENDA Daar waar men in Rheden nog wat terughoudend is in het op agenda uitnodigen van organisaties, is dat in andere gemeenten heel vanzelfsprekend. In Zaanstad bijvoorbeeld. De regisseur aanpak overlastgevende jeugdgroepen legt uit: ‘Soms is er ook sprake van middelengebruik, dan kan de hulpverlening erbij gevraagd worden. En zo zijn er nog meer partijen, zoals Qpido van HVO Querido.’ In Doetinchem vragen ze om Bureau HALT te laten aanslui‐ ten, wanneer ze dat nodig en wenselijk achten. Datzelfde geldt voor partijen als leerplicht en verslavingszorg: ‘Als schoolverzuim hoog is bijvoorbeeld. Of als in de dynamiek middelengebruik opvalt, dan kun je verslavings‐ zorg erbij vragen. We proberen met elkaar de vraag te beantwoorden wie we dagelijks in de groep zien, dat is onze kerngroep. Die jongeren en hun ouders informeren we met een brief, waarin staat dat de aanpak vanuit maatschappelijke zorg is ingezet, niet vanuit orde en veiligheid. Die aanpak duurt minimaal een half jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=29d3cf10-9f6a-4500-b35c-96a368a2c247