CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Handreiking BRW NL Bluswatervoorziening (2012)

Raadsvergadering 26 april 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Overeenkomsten Harderwijkerweg 5-7, Priensnitzalaan 2-2a te Laag-Soeren37.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

> 10**

*1

5

Industriefunctie

14

Gebruik o.b.v. brandbeveiligingsverordening

14110

Kampeerterrein/jachthaven

50-100

4

5110

Fabrieken

50-250

3

14120

Kampeerterrein/jachthaven

100-250

3

5120

Fabrieken

250-500

2

14130

Kampeerterrein/jachthaven

> 250

2

5130

Fabrieken

> 500

1

6

14200

Markt

14300

Tijdelijke bouwsels

> 50

4

PM

Overige objecten/gebr.functies

> 50

Kantoorfunctie

6110

Kantoren

50-250

4

6110

Kantoren

250-500

3

6130

Kantoren

> 500

1

16

NIVF (2009) Handleiding PREVAP 2009

* De met een * gemarkeerde gebruiksfuncties zijn gebruiksvergunningsplichtig en hebben dus een behandelingsplicht. ** Dit aantal is in de gemeentelijke bouwverordening aan te passen.

4

69

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Tabel 2C: Scenario utiliteitsgebouwen: voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen bij standaardinzet

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

1945>2003 2003

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

19451945>2003 2003 2003

>2003

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

19451945>2003 2003 2003

>2003

Enkellaags

1.000 500

40

500

40-100 4

500

0

300 5

0

0

0

0

0

Gestapelde bouw (< 20 m) 1

2.000 500

20

500

40-100 4

1.500

0

200 6

0

0

0

0

0

Hoogbouw (20-70 m) 1 /inzetdiepte (> 60 m) 2

2.000 500

15 3

500

20

1.500

0

200 6

0

0

0

0

0

Hoogbouw > 70 m

Maatwerk NB Per wijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4 5 6

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Idealiter is de primaire bluswatervoorziening zo strategisch mogelijk gesitueerd, dat wil zeggen het dichtst bij de grootste risico objecten in een bepaalde wijk (40 meter). De maximale afstand bedraagt 100 meter bij een leiding van 5 slanglengten (acceptabel qua inzettijd/drukverlies bij een maximale capaciteit van 500 liter per minuut). Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.

GeantiTabel 2D: Scenario cipeerd utiliteitsgebouwen: totaal uit voorzieningen voor alle voorbluswatergebruik bij zieningen verschillende object(l/min) typen bij alternatieve inzet met gereduceerd 1945bluswater >2003

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

19451945>2003 2003 2003

2003

>2003

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

19451945>2003 2003 2003

>2003

Enkellaags

750

250

40

250

100 4

500

0

300 5

0

0

0

0

0

Gestapelde bouw (< 20 m) 1

1.750

250

20

250

100 4

1.500

0

200 6

0

0

0

0

0

Hoogbouw (20-70 m) 1 /inzetdiepte (> 60 m) 2

2.000 500

15 3

500

20

1.500

0

200 6

0

0

0

0

0

Hoogbouw > 70 m

Maatwerk NB Per wijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4 5 6

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Een leiding van 5 slanglengten is acceptabel qua inzettijd/drukverlies bij een maximale capaciteit van 500 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.

70

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Tabel 2E: Scenario utiliteitsgebouwen: voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen bij alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

1945>2003 2003

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

19451945>2003 2003 2003

>2003

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

19451945>2003 2003 2003

>2003

Enkellaags

500

0

40

Inhoud TS

0

500

0

300 8,9

0

0

0

0

0

Gestapelde bouw (< 20 m) 1

500

04

20

Inhoud TS

0

500

0

300 8,9

0

0

0

0

0

Hoogbouw (20-70 m) 1,2 /inzetdiepte (> 60 m) 1,2,3

500/ 500

0/ 250

15 5

Inhoud TS 6 /250 7

0/20

500 /250

0

300 8,9

0

0

0

0

0

Hoogbouw > 70 m

Maatwerk NB Per wijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Bij kans op overslag buitenlangs wordt gekozen voor uitsluitend defensieve inzet voor behoud van scheiding met 2xHD. In het geval van brandwerendheid op de buitengevel. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Alleen mogelijk indien hoge druk blusleidingen (momenteel nog niet genormeerd) aanwezig zijn. Bij toepassing standaard lage druk blusleiding wordt met 1xLD geblust. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Onder voorwaarde van gelijktijdig aanrijden 2de TS.

2.2 Agrarische inrichtingen, natuurgebieden en buitengebied Agrarische Onder agrarische inrichtingen worden boerderijen en stallen verstaan. Een offensieve inzet zal inrichtingen met 1 à 2xHD, aangevuld met 2xLD uitgevoerd worden (250-750 liter per minuut). De aanrijtijd bij agrarische inrichtingen is meestal vrij lang. De praktijk is dan ook dat een brand vaak al dusdanig geëscaleerd is dat alleen nog een defensieve inzet gedaan kan worden om de belendende percelen te behouden en overslag naar de omgeving te voorkomen. Hiervoor wordt 1xWK en 2xLD ingezet (2000 liter per minuut). Agrarische inrichtingen zijn vaak geïsoleerd gelegen. Een primaire bluswatervoorziening in de vorm van een brandkraan is dan geen realistische optie17. Gezocht zal moeten worden naar alternatieve (primaire) bluswatervoorzieningen (zowel openbaar als op eigen terrein), zoals een combinatie met een beregeningsbron, een tankwagen met water die mee uitrukt of een geboorde put (zie hiervoor ook NVBR-rapport ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’)18 . Zo kan bij aanwezigheid van een bluswatervoorziening in de directe omgeving van de inrichting ‘tijd worden gekocht’ om een tijds- en arbeidsintensief groot watertransportsysteem vanaf een tertiaire voorziening aan te leggen.

Vanwege de geïsoleerde ligging en de daarmee gepaard gaande lange aanrijtijden is het des te belangrijker te investeren in brandpreventieve voorzieningen. Bij het tijdig ontdekken van een brand, zal de brand mogelijk nog onder controle te krijgen zijn met een beperkte bluswaterbehoefte, waar bijvoorbeeld een beregeningsbron in kan voorzien. NB Zeer grote veeteelt inrichtingen (de zogenaamde megastallen) moeten worden beschouwd als industriële inrichtingen. Voor de bluswatervoorziening wordt verwezen naar het BrandweerBRZO-scenarioboek (Landelijk Expertise Centrum BrandweerBRZO, 2009).

17 18

Bij clustering van boerderijen kan een brandkraan wel een optie zijn, mits deze strategisch gesitueerd wordt. Daarnaast moet het leidingnetwerk ter plaatse nog voldoende capaciteit kunnen leveren (in buitengebied ook veelal eindleidingen). ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’; NVBR 2009

71

Natuurgebieden Voor natuurbrandbestrijding is momenteel een bronnenboek beschikbaar*. Hier wordt ook de bluswaterbehoefte in behandeld. De bluswaterbehoefte bij een ontwikkelde natuurbrand is enorm. Als kengetal voor een defensieve inzet kan een getal van 2000 liter per minuut per 50 meter vuurfront worden aangehouden. Natuurgebieden overschrijden vaak gemeentelijke en regionale grenzen. De aanleg van nieuwe bluswatervoorzieningen (reservoirs, geboorde putten) of de preparatie van natuurlijke voorzieningen (open water met geprepareerde opstelplaats) of het pendelen met bijvoorbeeld tankwagens, waterwagens of giertanks zal dan ook in (boven)regionaal verband moeten worden afgestemd. Maatregelen om een beginnende brand of brandhaarden op te sporen, bijv. d.m.v. verkenningsvluchten zijn noodzakelijk om incidentbestrijding mogelijk te maken, voordat de brand volledig geëscaleerd is. Dan wordt ook meer tijd gecreëerd om bezoekers van het natuurgebied te kunnen evacueren. Buitengebied De bluswaterbehoefte voor woningen, bedrijven en andere bouwwerken (bijv. conferentieoorden, hotels) in het buitengebied, kan bepaald worden naar analogie van de scenariogroep woningen. Onderscheiden moet dan worden de aard van het gebouw (vergelijkbaar met eengezinswoningen, gestapelde bouw, grote inzetdiepte of hoger dan 20 meter) en de bouwperiode (na 2003, na- of vooroorlogs).

De keus voor een bepaalde inzetstrategie (standaard of alternatieve inzet met gereduceerd bluswater of voorkant veiligheidsketen) kan de bluswaterbehoefte nog verder beïnvloeden. Voor gebouwen en bouwwerken in het buitengebied is het noodzakelijk dat een aparte bluswatervoorziening wordt aangelegd, aangezien algemene openbare bluswatervoorziening in het buitengebied geen realistische optie is. Wel is het mogelijk een gezamenlijke bluswatervoorziening te realiseren met meerdere gebruikers/objecten in het buitengebied. Voor objecten in buitengebieden gelden echter wel inzetbeperkingen i.v.m. lange aanrijtijden. Daarom verdient het aanbeveling hier (extra) brandpreventieve voorzieningen te realiseren, zodat alle aanwezigen het gebouw of bouwwerk tijdig kunnen verlaten en de brand beheersbaar blijft. Om een beginnende brand beheersbaar te houden en overslag naar belendende percelen of natuurgebieden te voorkomen, kunnen bijvoorbeeld sprinklers worden aangebracht of kunnen zo veel mogelijk onbrandbare bouwmaterialen in de constructie (isolatiemateriaal) en inrichting worden toegepast. In geval van buitendijkse gebieden is men qua brandbestrijding aangewezen op preventieve voorzieningen, zoals bijv. (woning)sprinklers. Conventionele incidentbestrijding kan namelijk bij een incident in dergelijke gebieden problematisch zijn i.v.m. een slechte bereikbaarheid van de objecten.

Het kan moeilijk zijn om een object te bereiken (omdat de wegverharding niet toereikend is of afmetingen van de weg niet geschikt zijn voor brandweervoertuigen) of om een geschikte opstelplaats nabij het object te creëren (i.v.m. zetting grond, of een te slappe ondergrond). Daarnaast kennen dergelijke locaties doorgaans een aanzienlijke aanrijtijd, zodat er zonder preventieve maatregelen een groot risico is op een reeds geëscaleerde brand. Ook voor bijvoorbeeld objecten als steigerwoningen geldt dat zij niet bereikbaar zijn voor een repressieve inzet. Preventieve voorzieningen (extra) treffen, is ook hier het devies. Een speciale categorie vormen nog de terreinen voor niet-permanente bewoning. Hieronder vallen o.a. kampeerterreinen, recreatieparken en volkstuincomplexen. Hiervoor geldt ook dat een openbare bluswatervoorziening geen realistische optie is. Het is bij een dergelijk terrein daarom wenselijk dat een bluswatervoorziening op eigen terrein wordt aangelegd. De inzet zal gericht zijn op het voorkomen van overslag naar belendende gebouwen of bouwwerken en natuurgebieden. Een inzet van 2xLD (500 liter per minuut) zou in eerste instantie moeten volstaan. Het is dan wel een aanbeveling om brandpreventieve voorzieningen te treffen, zodat de kans op het ontstaan van brand verkleind wordt.

Een van de te nemen brandpreventieve maatregelen betreft bouwwerken op voldoende afstand van elkaar te plaatsen, om overslag zoveel mogelijk te voorkomen. *

‘Bronnenboek natuurbrandbeheersing’; NVBR 2011.

72

3 Scenariogroep Ongevallen met Gevaarlijke Stoffen (OGS) en Transport 3.1 Algemene toelichting Modaliteiten Voor de uitwerking van deze scenariogroep is er onderscheid gemaakt tussen weg- en spoortransport. Binnen dit kader worden ook scenario’s betreffende ongevallen met gevaarlijke stoffen (OGS) behandeld. Voor incidenten bij transport over water wordt gebruik gemaakt van de reeds aanwezige bluswatervoorziening bij de inrichting (haven, overslagstation) of maakt men gebruik van de waterweg als (tertiaire) bluswatervoorziening. Watertransport komt verder niet aan bod binnen het kader van deze Handreiking. Dit geldt ook voor de modaliteit buisleidingen. Voor de scenariogroep OGS en Transport, geldt dat kengetallen gepresenteerd worden voor wegtransport (tabel 3A) en voor spoortransport (tabel 3B). Inzetstrategie De inzetstrategie wordt grotendeels bepaald door de omgeving waarin het incident plaatsvindt. Zie hiervoor ook tabel 3C, waarin de invloed van de omgeving op de bluswatervoorziening is opgenomen. Aangezien veel transportroutes door landelijk gebied lopen zal de primaire bluswatervoorziening hier minimaal zijn en moet men ‘geluk’ hebben met de plaats van het incident wil er sprake zijn van beschikbaarheid en bereikbaarheid van primaire, secundaire of tertiaire bluswatervoorzieningen.

In het algemeen wordt er bij de transportscenario’s van uitgegaan dat geen aanvullende bluswatervoorziening benodigd is voor ondersteuning bij redding van slachtoffers. In geval van escalatie zal men ter bescherming van de omgeving wel moeten beschikken over bluswatervoorzieningen. Deze bescherming kan bestaan uit het blussen van brand of het koelen van bijvoorbeeld de aangestraalde kwetsbare bebouwing, tankwagen of ketelwagon, om uitbreiding naar de omgeving te voorkomen. Bij OGS-incidenten kan men proberen de emissie neer te slaan (offensief). In het geval van instantane emissie, waarbij in één keer de inhoud van een tankwagen of ketelwagon vrijkomt, is dit maar beperkt haalbaar, omdat de brandweer vaak pas op de locatie zal aankomen als de wolk al verwaaid is. Voor het beschermen van de omgeving kan men inzetten op het benedenwinds plaatsen van waterschermen om de wolk met gevaarlijke stoffen te verdunnen (d.m.v. opmengen of oplossen), het indammen van een toxische of corrosieve vloeistof plas of het opnemen in inert absorptiemateriaal en het afdekken van de plas met schuim. Incidentscenario’s Binnen de scenariogroep OGS en Transport wordt onderscheid gemaakt in verschillende incidentscenario’s.

Hierbij kan men denken aan een cabinebrand (personenwagens, bussen en vrachtwagens voor wegvervoer en locomotieven voor spoorvervoer), een ladingbrand, het (instantaan of continu) vrijkomen van gevaarlijke stoffen (met of zonder brand) en het ontstaan van een Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion (BLEVE) in tankwagen of ketelwagon.

3.2 Uitwerking scenario’s wegvervoer Hieronder worden de scenario’s voor wegvervoer nader gespecificeerd. Zie ook tabel 3A. Scenario Een incident in de cabine van een voertuig (personenwagen/bus/vrachtwagen) zal men over cabinebrand het algemeen met de inhoud van een TS kunnen blussen, eventueel met toepassing van schuim door bijvoorbeeld de hosemaster. In geval van een brand die is overgeslagen naar de omgeving dient men de beschikking te hebben over meer bluswater. De benodigde bluswater-

73

capaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Hierbij wordt ingezet met bijvoorbeeld een waterkanon (1xWK, 1500 l/min) en lagedruk (2xLD, 500 l/min). In totaal komt men dan op 2000 liter per minuut uit een secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Deze secundaire of tertiaire bluswatervoorziening zou zich op maximaal 200 meter van de opstelplaats moeten bevinden om inzet met 1 TS mogelijk te maken, met een opbrengst van 2000 liter per minuut. Bevindt de bluswatervoorziening zich op maximaal 500 meter, dan kan de gelijktijdige inzet van een tweede TS uitkomst bieden. Deze tweede TS wordt dan speciaal op de waterwinning ingezet en overbrugt 300 meter. Driehonderd meter is de maximale afstand die met de slanglengten van 1 TS te overbruggen is. Er kan dan echter maximaal 1250 liter per minuut geleverd worden, vanwege beperkingen ten gevolge van drukverliezen. Bij incidenten op de weg is het waarschijnlijk dat de secundaire of tertiaire bluswatervoorziening zelfs niet binnen 500 meter van het incident beschikbaar is. In die gevallen kan er uitgerukt worden met een schuimblusvoertuig of tankwagen om in de eerste bluswaterbehoefte te voorzien. Daarna kan groot watertransport of een pendelsysteem worden opgezet, om een capaciteit van 2000 liter per minuut te kunnen genereren.

Scenario Voor het blussen van een ladingbrand zal men direct over een debiet van 1000-2000 liter per ladingbrand minuut moeten beschikken om een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min) mogelijk te maken. Bluswater kan afkomstig zijn uit een secundaire of tertiaire voorziening. Wanneer deze voorziening op 200 meter afstand ligt, kan de inzet eventueel met 1TS gedaan worden. Bij een bluswatervoorziening op maximaal 500 meter dient direct een tweede TS mee uit te rukken, om de resterende afstand te overbruggen en de eerste TS te voeden. Waarschijnlijk is het echter praktischer en sneller om standaard een schuimblusvoertuig of tankwagen mee uit te laten rukken. Het schuimblus-voertuig of de tankwagen wordt dan gebruikt als een alternatief voor primaire bluswatervoorziening. Bij overslag naar de omgeving is de benodigde bluswatercapaciteit afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Een bluswatercapaciteit van 2000 liter per minuut zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving (inzet met 1xWK=1500 l/min en 2xLD=500 l/min). Wanneer uitgerukt wordt met schuimblusvoertuig of tankwagen moet dan alsnog aanvullende bluswatervoorziening worden opgebouwd om continuïteit van blussing te garanderen.

Inmiddels zijn of worden ook in het wegvervoer preventieve voorzieningen getroffen die de kans op brand verkleinen of beheersbaar houden. Deze voorzieningen betreffen bijvoorbeeld mogelijkheden om de accu uit te schakelen (kan inmiddels ook al automatisch), compartimentering van lading (zodat niet de hele lading in één keer in brand vliegt), ophanging van de tank binnen het chassis, botsingsbestendige brandstoftanks (o.a. betere bevestiging van dieseltanks) en signaleringsapparatuur die de chauffeur waarschuwt bij een dreigende botsing. Ook kunnen nood-afsluitmechanismen zijn aangebracht die in werking treden bij beschadiging of verhitting, zodat geen gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Scenario Een ander scenario wordt gevormd door brand met aanstraling van een tankwagen. Bij dit voorkomen scenario is er bij aanstraling van de tankwagen door een forse brand (bijvoorbeeld brand van BLEVE 19 de lading van een vrachtwagen) kans op een BLEVE van die tankwagen20. Hierin kunnen twee situaties worden onderscheiden, namelijk wanneer de tankwagen wel of niet is voorzien van een BLEVE-resistente coating (BR). In Nederland worden sinds kort tankwagens met LPG/autogas voorzien van een BR-coating. Treedt brand op nabij een BR-gecoate tankwagen, dan kan men volstaan met blussing van de brand. Hiervoor dient 1000-2000 liter per minuut beschikbaar te zijn, voor inzet met lage19 20

Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Het betreft hier een tankwagen met als inhoud tot vloeistof verdicht gas (zoals bijvoorbeeld LPG/autogas of propaan). LPG/autogas tankwagens hebben doorgaans een inhoud van 50 m³ en tankwagens met propaan meestal van 20 m³.

74

druk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min). De BR-coating heeft een brandwerendheid van ruim een uur. Is de verwachting dat de brand niet binnen dat uur bestreden kan zijn (wat bijna ondenkbaar is), dan dient tevens watervoorziening voor koeling van de tankwagen (zie hieronder) opgebouwd te worden. In de andere situatie beschikt de tankwagen daarentegen niet over een BR coating. Dit is het geval voor het overgrote deel van de (buitenlandse) tankwagens. Alle buitenlandse LPG/ autogas-tankwagens en alle tankwagens met propaan, beschikken niet over een BR-coating. Men dient dan zo snel mogelijk te beginnen met zowel het blussen van de brand, als met het koelen van de aangestraalde tankwagen. Voor blussen is 1000-2000 liter per minuut nodig om een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min) mogelijk te maken. Voor koeling is benodigd 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak per minuut, in het geval van een tot vloeistof verdicht gas21. Dit komt neer op een capaciteit van 1000 liter per minuut. In totaal (blussing + koeling) komt men uit op 2000-3000 liter per minuut. Wanneer men uitsluitend onbemand wil blussen en koelen dienen 2 waterkanonnen te worden ingezet.

Hiervoor is dan een capaciteit van 3000 liter per minuut benodigd (2xWK; 1500 l/min). Mede met het oog op het risico van een BLEVE verdient het aanbeveling om zo snel mogelijk voor ruim voldoende bluswater te zorgen. Gezien de benodigde hoeveelheden is het raadzaam direct met een schuimblusvoertuig of tankwagen uit te rukken. Vervolgens dient zo snel mogelijk aanvullende bluswatervoorziening uit secundaire of tertiaire voorzieningen opgebouwd te worden om continuïteit van blussing en koeling te garanderen. Overigens geldt ook hier dat in geval van uitbreiding van de brand naar de omgeving er bluswater beschikbaar moet zijn voor blussing. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Scenario Bij een plasbrand kan men een offensieve inzet met schuim uitvoeren. De grootte van de branplasbrand dende plas is onder andere afhankelijk van de grootte van het compartiment dat leegstroomt (bij instantaan vrijkomen, of bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage), de aard van de brandende vloeistof, de aard van het wegoppervlak en de omgeving en meteorologische invloeden. Naar verwachting zal de grootte van de brandende plas tussen de 300 en 700 m2 liggen.

Het kengetal voor een offensieve inzet met schuim komt uit de Operationele Handreiking Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen22 . Het kengetal is een bewerking van de kengetallen uit de NFPA11. Zie voor de achtergronden van de kengetallen de rapportage “Schuim als blusmiddel”23. Er wordt gerekend met de volgende formule: V=Oxaxtxf waarbij V = de hoeveelheid schuimvormend middel (SVM) in liters O = de oppervlakte van de brandende plas in m2 a = de applicatiesnelheid, op gemiddeld 6.5 l/min/m2 t = de tijdsduur die benodigd is om een stabiele schuimlaag aan te brengen, waarvoor 15 minuten wordt gerekend f = de fractie schuimvormend middel, d.w.z. het bijmengpercentage van 3%. Dit houdt in dat voor een plasbrand van 300 m2 gedurende de eerste 15 minuten 875 liter schuimvormend middel (SVM) benodigd is en 2000 liter water per minuut. Voor 700 m2 zijn 21 22 23

Voor de koeling van een tankwagen met vloeistof, niet zijnde tot vloeistof verdicht gas, wordt een lager kengetal van 2 l/m?/min aangehouden. NVBR Vakgroep OGS (2012) Operationele Handreiking 2012 Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen. Arnhem: Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding. Tolsma P.J.A. en Arentsen D.(2008) Schuim als blusmiddel. Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid Nibra

75

gedurende de eerste 15 minuten de kengetallen: 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Na het aanbrengen van een stabiele schuimlaag moet deze onderhouden worden. De brand zorgt er namelijk voor dat het schuim ook afgebroken wordt. Daarom moeten minimaal nog een kwartier lang dezelfde hoeveelheden schuim opgebracht worden. De totale hoeveelheid svm komt dan voor een plas van 300 m2 op 1750 liter en voor 700 m2 op 4100 liter. Is de plasbrand na een half uur nog niet onder controle, dan moet doorgegaan worden met het aanbrengen van de schuimlaag met de hoeveelheden svm en water zoals hierboven beschreven. Wanneer de brand wel onder controle is, is het aan te bevelen om de schuimlaag in stand te houden om verdere verdamping van de plas te voorkomen. Hiervoor is 5-10% van de hierboven genoemde hoeveelheden svm en water benodigd. Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem23. In aanvulling op de hierboven genoemde hoeveelheden bluswater dient bluswater beschikbaar te zijn voor het koelen/afschermen van de omgeving. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied.

De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Bij een defensieve inzet (omdat de plas bijvoorbeeld al weggelopen is in het wegdek of de omgeving) kan men zich beperken tot het beschermen van de omgeving waarvoor een debiet van 2000 liter per minuut volstaat (1xWK en 2xLD). Mocht zich het scenario voordoen van een plasbrand die een tankwagen aanstraalt, dan zal men ook moeten overwegen om bluswater voor koeling in te zetten. Zie hiervoor voorgaande paragraaf ‘Scenario voorkomen BLEVE’. Scenario vrijkomen Een ander scenario betreft het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij instantaan leeglopen of gevaarlijke lading bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage. Het kan hier gaan om brandbare, oxiderende, giftige (toxische), bijtende (corrosieve), radioactieve of explosieve stoffen. Deze stoffen kunnen vereenvoudigd gezegd vrijkomen als gassen, vloeistoffen of vaste stoffen. Voor de specifieke bestrijding van een dergelijk incident dient een adviseur gevaarlijke stoffen (AGS) te worden geraadpleegd. Deze paragraaf gaat over de hoeveelheden bluswater en schuim die benodigd zijn wanneer geen brand ontstaat. Bluswater kan namelijk ingezet worden voor het aanbrengen van een schuimdeken om de vloeistofplas van gevaarlijke stoffen af te dekken. Ook kan bluswater ingezet worden ter bescherming van de omgeving.

Er kunnen dan waterschermen gegenereerd worden die gevaarlijke gassen of dampen kunnen neerslaan, verdunnen, opmengen of oplossen. De kengetallen voor het aanbrengen van een schuimdeken kunnen uit de voorgaande paragraaf (scenario plasbrand) worden overgenomen. De stabiele schuimlaag kan al binnen een kwartier zijn aangebracht. Hierna moet de schuimlaag worden onderhouden. Nu kan met 5-10 % van de hoeveelheden schuimvormend middel (SVM) en water worden volstaan, omdat dan alleen nog sprake is van afdekking van de vloeistofplas. Steeds moet gecontroleerd worden of de schuimlaag in stand blijft. Sommige gevaarlijke stoffen kunnen de schuimlaag namelijk afbreken. Is dat het geval, dan dient de schuimlaag weer te worden aangevuld. Dit houdt in dat voor een vloeistofplas van 300 m2 voor het aanbrengen van een schuimlaag ongeveer 875 liter SVM en 2000 liter water per minuut benodigd is en voor het in stand houden 85 liter SVM en 250 liter water per minuut. Voor een vloeistofplas van 700 m2 zijn de getallen voor het aanbrengen van de schuimdeken 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Voor het in stand houden is 200 liter SVM en 500 liter water per minuut benodigd.

23

Bijvoorbeeld CAFS (compressed air foam system) of One-Seven.

76

Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem24 . Voor het genereren van waterschermen worden meestal waterkanonnen gebruikt, die benedenwinds van het incident worden opgesteld. Uit de praktijk is gebleken dat een nog beter effect wordt bereikt wanneer waterschermen in een cascade-opstelling (achtereenvolgend op elkaar) geplaatst worden. Dit houdt in dat minimaal twee tot drie waterkanonnen moeten worden ingezet. De bluswaterbehoefte is dan 3000-4500 liter water per minuut. De hierboven beschreven kengetallen zijn afhankelijk van diverse variabelen, zoals o.a. de aard van de gevaarlijke stof, de ondergrond waarboven de lekkage plaatsvindt (zakt het weg of blijft het liggen), de mogelijkheid om de stoffen in te dammen of op te nemen in absorptiemateriaal, de weersomstandigheden en de eventuele aanwezigheid van preventieve maatregelen, zoals afvoergoten, een gescheiden rioolstelsel, vloeistof-kerende ondergrond of opvangbassins.

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Primair (l/min)

Afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair/ tertiair (l/min)

Afstand 2/3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Cabinebrand1

2.000

Inhoud TS

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Ladingbrand 2

2.000

0

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

2.000-3.000

0

n.v.t.

2.000-3.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Plasbrand 4,5

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Vrijkomen gevaarlijke lading 6,7

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Tabel 3A: Voorzieningen voor bluswatergebruik voor OGS en Transport: Wegvervoer

Voorkomen BLEVE 3

1 2 3

4 5 6 7

De inhoud van de TS volstaat voor blussing van de voertuigbrand waarbij een secundaire/tertiaire bluswatervoorziening van 2000 liter per minuut nodig is voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van de lading is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk. De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van een brand om een BLEVE te voorkomen is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk; tevens kan het nodig zijn om zo snel mogelijk aan te vangen met het koelen van de tankwagen (minimaal 1000 liter per minuut) Voor onbemande blussing en koeling wordt uitgegaan van 3000 liter per minuut (inzet 2xWK). De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Voor blussing van de plasbrand is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten volstaan voor het beschermen van de omgeving. Tevens benodigd 4100 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m 2 ). Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Voor afdekken van de vloeistofplas is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. De bluswatervoorziening volstaat ook voor bescherming van de omgeving. Tevens benodigd 2050 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m 2 )

3.3 Uitwerking scenario’s spoorvervoer Hieronder worden de scenario’s voor spoorvervoer nader gespecificeerd. Zie ook tabel 3B. NB Bij blussen dient men altijd voorzorgen te nemen ter voorkoming van elektrocutie. Hiervoor bestaat de procedure ‘Ruim Uitschakelen’ wanneer binnen 7 meter van de bovenleiding geblust moet worden. Ook zijn speciale schakelingen mogelijk, voor specifieke trajecten. Scenario Incidenten in een locomotief kunnen over het algemeen met de inhoud van de tank van de locomotiefbrand TS geblust worden, eventueel met toepassing van schuim door bijvoorbeeld de hosemaster. In geval van een brand die is overgeslagen naar de omgeving dient men de beschikking te hebben over meer bluswater. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Hierbij wordt ingezet met bijvoorbeeld een 24

Bijvoorbeeld CAFS (compressed air foam system) of One-Seven.

77

waterkanon (WK, 1500 l/min) en lagedruk (2xLD, 500 l/min). In totaal komt men dan op 2000 liter per minuut uit een secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Deze secundaire of tertiaire bluswatervoorziening zou zich op maximaal 200 meter van de opstelplaats moeten bevinden om inzet met 1 TS mogelijk te maken, met een opbrengst van 2000 liter per minuut. Bevindt de bluswatervoorziening zich op maximaal 500 meter, dan kan de gelijktijdige inzet van een tweede TS uitkomst bieden. Deze tweede TS wordt dan speciaal op de waterwinning ingezet en overbrugt 300 meter. Driehonderd meter is de maximale afstand die met de slanglengten van 1 TS te overbruggen is. Er kan dan echter maximaal 1250 lier per minuut geleverd worden vanwege beperkingen ten gevolge van drukverliezen. Aangezien het incident op het spoor plaatsvindt, ligt de aanwezigheid van een secundaire of tertiaire bluswatervoorziening in de directe omgeving niet voor de hand. Daarom verdient het aanbeveling in die gevallen standaard een schuimblusvoertuig of tankwagen mee uit te laten rukken. Zo kan in de eerste bluswaterbehoefte worden voorzien. Vervolgens dient groot watertransport of een pendelsysteem te worden opgezet, om een capaciteit van 2000 liter per minuut te kunnen genereren.

Scenario Voor het blussen van een ladingbrand zal men direct over een debiet van 1000-2000 liter per ladingbrand minuut moeten beschikken om een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min) mogelijk te maken. Bluswater kan afkomstig zijn uit een secundaire of tertiaire voorziening. Wanneer deze voorziening op 200 meter afstand ligt, kan de inzet eventueel met 1 TS gedaan worden. Bij een bluswatervoorziening op maximaal 500 meter dient direct een tweede TS mee uit te rukken, om de resterende afstand te overbruggen en de eerste TS te voeden. Waarschijnlijk is het echter praktischer en sneller om standaard een schuimblusvoertuig of tankwagen mee uit te laten rukken. Het schuimblus-voertuig of de tankwagen wordt dan gebruikt als een alternatief voor primaire bluswatervoorziening. Bij overslag naar de omgeving is de benodigde bluswatercapaciteit afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Een bluswatercapaciteit van 2000 liter per minuut zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving (inzet met 1xWK=1500 l/min en 2xLD=500 l/min). Wanneer uitgerukt wordt met schuimblusvoertuig of tankwagen moet dan alsnog aanvullende bluswatervoorziening worden opgebouwd om continuïteit van blussing te garanderen.

Inmiddels zijn of worden in het spoorvervoer preventieve voorzieningen getroffen die de kans op het optreden van brand beperken of beheersbaar houden. Deze voorzieningen betreffen bijvoorbeeld de toepassing van automatische stroomonderbrekers of botsingsbestendige brandstoftanks (bij diesellocomotieven). Verder kan compartimentering in wagons of sprinklers in het ladingcompartiment aangebracht zijn, zodat niet alle lading in één keer bij het incident betrokken raakt. Ook kunnen nood-afsluitmechanismen zijn aangebracht die in werking treden bij beschadiging of verhitting, zodat geen gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Scenario Een ander scenario wordt gevormd door brand met aanstraling van een ketelwagon, gevuld voorkomen met tot vloeistof verdicht gas. Bij dit scenario is er, bij een forse brand van bijvoorbeeld brandBLEVE 25 bare lading, kans op een BLEVE. Men dient dan zo snel mogelijk te beginnen met blussing van de brand en zo snel mogelijk met koeling van de aangestraalde ketelwagon. Voor blussing van de brand is 1000-2000 liter per minuut benodigd voor een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min). Voor koeling is benodigd 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak per minuut, in het geval van een tot vloeistof verdicht gas26 . Dit komt neer op een capaciteit van 1500 liter per minuut.

Voor een effectieve koeling zal men echter over twee waterkanonnen moeten beschikken (koeling vanaf twee zijden). Hiervoor zal men over een debiet van 3000 liter per

25 26

Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Voor de koeling van een tankwagen met vloeistof, niet zijnde tot vloeistof verdicht gas, wordt een lager kengetal van 2 l/m²/min aangehouden.

78

minuut moeten beschikken. In totaal (blussing + koeling) komt men dan uit op 4000-5000 liter per minuut. Wanneer men uitsluitend onbemand wil blussen en koelen dienen 4 waterkanonnen te worden ingezet. Hiervoor is dan een capaciteit van 6000 liter per minuut benodigd (4xWK). Mede met het oog op het risico van een BLEVE verdient het aanbeveling om zo snel mogelijk voor ruim voldoende bluswater te zorgen. Gezien de benodigde bluswater hoeveelheden is het raadzaam direct met een schuimblusvoertuig of tankwagen uit te rukken. Vervolgens dient zo snel mogelijk watertransport vanaf secundaire of tertiaire bluswatervoorzieningen gerealiseerd te worden, om continuïteit van blussing en koeling te garanderen. Overigens geldt ook hier dat in geval van uitbreiding van de brand naar de omgeving er bluswater beschikbaar moet zijn voor blussing. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Om een BLEVE te voorkomen wordt er nu ook gereden met zogenaamde bloktreinen die alleen bestaan uit wagons met LPG. Zo wordt voorkomen dat een wagon met zeer brandbare vloeistof toevallig gekoppeld wordt aan een wagon met tot vloeistof verdicht gas.

Ook kan de trein zo ingedeeld zijn dat wagons met tot vloeistof verdicht gas alleen gecombineerd worden met wagons zonder brandbare lading, of dat er een ruime afstand wordt aangehouden tot wagons met zeer brandbare vloeistoffen. Scenario Bij een plasbrand kan men een offensieve inzet met schuim uitvoeren. De grootte van de plasbrand brandende plas is onder andere afhankelijk van de grootte van het compartiment dat leegstroomt (bij instantaan vrijkomen, of bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage), de aard van de brandende vloeistof, de aard van het spoorbed en de omgeving en meteorologische invloeden. Naar verwachting zal de grootte van de brandende plas tussen de 300 en 700 m2 zijn27. Het kengetal voor een offensieve inzet met schuim komt uit de Operationele Handreiking Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen28 . Het kengetal is een bewerking van de kengetallen uit de NFPA11. Zie voor de achtergronden van de kengetallen de rapportage ‘Schuim als blusmiddel’29. Er wordt gerekend met de volgende formule: V=Oxaxtxf waarbij V = de hoeveelheid schuimvormend middel (SVM) in liters O = de oppervlakte van de brandende plas in m2 a = de applicatiesnelheid, op gemiddeld 6.5 l/min/m2 t = de tijdsduur die benodigd is om een stabiele schuimlaag aan te brengen, waarvoor 15 minuten wordt gerekend f = de fractie schuimvormend middel, d.w.z. het bijmengpercentage van 3%.

Dit houdt in dat voor een plasbrand van 300 m2 gedurende de eerste 15 minuten 875 liter schuimvormend middel (SVM) benodigd is en 2000 liter water per minuut. Voor 700 m2 zijn gedurende de eerste 15 minuten de kengetallen: 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Na het aanbrengen van een stabiele schuimlaag moet deze onderhouden worden. De brand zorgt er namelijk voor dat het schuim ook afgebroken wordt. Daarom moeten minimaal nog een kwartier lang dezelfde hoeveelheden schuim opgebracht worden. De totale hoeveelheid SVM komt dan voor een plas van 300 m2 op 1750 liter en voor 700 m2 op 4100 liter. Is de plasbrand na een half uur nog niet onder controle, dan moet doorgegaan worden met het aanbrengen van de schuimlaag met de hoeveelheden SVM en water zoals hierboven

27 28 29

De verwachte plasgrootte is vergelijkbaar voor spoorvervoer en wegvervoer, ondanks het feit dat een ketelwagon doorgaans een grotere inhoud heeft dan een tankwagen. De reden hiervoor is dat het spoorbed meestal direct een hoop vloeistof opneemt, in tegenstelling tot een standaard wegdek. NVBR Vakgroep OGS (2012) Operationele Handreiking Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen. Arnhem: Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding. Tolsma P.J.A. en Arentsen D.(2008) Schuim als blusmiddel. Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid Nibra

79

beschreven. Wanneer de brand wel onder controle is, is het aan te bevelen om de schuimlaag in stand te houden om verdere verdamping van de plas te voorkomen. Hiervoor is 5-10% van de hierboven genoemde hoeveelheden SVM en water benodigd. Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem30. In aanvulling op de hierboven genoemde hoeveelheden bluswater dient bluswater beschikbaar te zijn voor het koelen/afschermen van de omgeving. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Bij een defensieve inzet (omdat de plas bijvoorbeeld al weggelopen is in het spoorbed of de omgeving) kan men zich beperken tot het beschermen van de omgeving waarvoor een debiet van 2000 liter per minuut volstaat (1xWK en 2xLD). Mocht zich het scenario voordoen van een plasbrand die een ketelwagon met tot vloeistof verdicht gas aanstraalt, dan zal men ook moeten overwegen om bluswater voor koeling in te zetten. Zie hiervoor voorgaande paragraaf ‘Scenario voorkomen BLEVE’.

Scenario vrijkomen Een ander scenario betreft het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij instantaan leeglopen of gevaarlijke lading bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage. Het kan hier gaan om brandbare, oxiderende, giftige (toxische), bijtende (corrosieve), radioactieve of explosieve stoffen. Deze stoffen kunnen vereenvoudigd gezegd vrijkomen als gassen, vloeistoffen of vaste stoffen. Voor de specifieke bestrijding van een dergelijk incident dient een adviseur gevaarlijke stoffen (AGS) te worden geraadpleegd. Deze paragraaf gaat over de hoeveelheden bluswater en schuim die benodigd zijn wanneer geen brand ontstaat. Bluswater kan namelijk ingezet worden voor het aanbrengen van een schuimdeken om de vloeistofplas van gevaarlijke stoffen af te dekken. Ook kan bluswater ingezet worden ter bescherming van de omgeving. Er kunnen dan waterschermen gegenereerd worden die gevaarlijke gassen of dampen kunnen neerslaan, verdunnen, opmengen of oplossen. De kengetallen voor het aanbrengen van een schuimdeken kunnen uit de voorgaande paragraaf (scenario plasbrand) worden overgenomen. De stabiele schuimlaag kan al binnen een kwartier zijn aangebracht. Hierna moet de schuimlaag worden onderhouden. Nu kan met 5-10 % van de hoeveelheden schuimvormend middel (SVM) en water worden volstaan, omdat dan alleen nog sprake is van afdekking van de vloeistofplas.

Steeds moet gecontroleerd worden of de schuimlaag in stand blijft. Sommige gevaarlijke stoffen kunnen de schuimlaag namelijk afbreken. Is dat het geval, dan dient de schuimlaag weer te worden aangevuld. Dit houdt in dat voor een vloeistofplas van 300 m2 voor het aanbrengen van een schuimlaag ongeveer 875 liter SVM en 2000 liter water per minuut benodigd is en voor het in stand houden 85 liter SVM en 250 liter water per minuut. Voor een vloeistofplas van 700 m2 zijn de getallen voor het aanbrengen van de schuimdeken 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Voor het in stand houden is 200 liter SVM en 500 liter water per minuut benodigd. Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem31. Voor het genereren van waterschermen worden meestal waterkanonnen gebruikt, die benedenwinds van het incident worden opgesteld. Uit de praktijk is gebleken dat een nog beter effect wordt bereikt wanneer waterschermen in een cascade-opstelling (achtereenvolgend op elkaar) geplaatst worden. Dit houdt in dat minimaal twee tot drie waterkanonnen moeten worden ingezet. De bluswaterbehoefte is dan 3000-4500 liter water per minuut. 30, 31

Bijvoorbeeld CAFS (compressed air foam system) of One-Seven.

80

De hierboven beschreven kengetallen zijn afhankelijk van diverse variabelen, zoals de aard van de gevaarlijke stof, de doorlatendheid van het spoorbed, de mogelijkheid om de stoffen in te dammen of op te nemen in absorptiemateriaal, de weersomstandigheden en de eventuele aanwezigheid van preventieve maatregelen, zoals afvoergoten, een gescheiden rioolstelsel of opvangbassins. Spoorweg- De hiervoor beschreven scenario’s kunnen zich ook voordoen op spoorwegemplacementen. emplacementen Op emplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen, kan zich het qua bluswaterbehoefte worst-case scenario voordoen van aanstraling van een ketelwagon met tot vloeistof-verdicht gas met risico op BLEVE. Er moet dan worden ingezet op onbemande blussing en koeling. Hiervoor worden 4xWK gebruikt (elk met een debiet van 1500 liter per minuut) voor 2-zijdige koeling van de ketelwagons en bestrijding van de brand. Hiervoor is in totaal 6000 liter per minuut benodigd. Preventief, om verdere escalatie te voorkomen, kunnen mogelijk wagons met gevaarlijke stoffen vroegtijdig weggerangeerd worden. Gezien de benodigde bluswater hoeveelheden is het raadzaam direct met een schuimblusvoertuig of tankwagen uit te rukken. Vervolgens dient zo snel mogelijk aanvullende bluswatervoorziening uit secundaire of tertiaire voorzieningen opgebouwd te worden om continuïteit van blussing en koeling te garanderen.

Overigens geldt ook hier dat in geval van uitbreiding van de brand naar de omgeving er bluswater beschikbaar moet zijn voor blussing. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving.

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Primair (l/min)

Afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair/ tertiair (l/min)

Afstand 2/3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Locomotiefbrand1

2.000

Inhoud TS

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Ladingbrand 2

2.000

0

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

4.000-5.000

0

n.v.t.

4.000-5.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Plasbrand 4,5

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Vrijkomen gevaarlijke lading 6,7

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Tabel 3B: Voorzieningen voor bluswatergebruik voor OGS en Transport: Spoorvervoer

Voorkomen BLEVE 3

1 2 3

4 5 6 7

De inhoud van de TS volstaat voor blussing van de locomotiefbrand waarbij een secundaire bluswatervoorziening van 2000 liter per minuut nodig is voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van de lading is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk. De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van een brand om een BLEVE te voorkomen is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk; tevens kan het nodig zijn om zo snel mogelijk aan te vangen met het koelen van de ketelwagon (3000 liter per minuut). Voor onbemande blussing en koeling wordt uitgegaan van de inzet van 4 waterkanonnen (6000 liter per minuut). De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m2. Voor blussing van de plasbrand is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten volstaan voor bescherming omgeving. Tevens benodigd 4100 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m2). Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m2. Voor afdekken van de vloeistofplas is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. Deze bluswatervoorziening volstaat ook voor bescherming van de omgeving. Tevens benodigd 2050 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m2).

Bescherming van De in dit hoofdstuk beschreven scenario’s hebben zowel bij een offensieve als defensieve inzet de omgeving een aanzienlijke bluswaterbehoefte. Een risico op overslag naar de omgeving is aanwezig. Daarom moet men bij een inzet terdege rekening houden met bescherming van de omgeving. In de voorgaande paragrafen is de bluswaterbehoefte met name bepaald vanuit de optiek van het bestrijden van het incident zelf. In deze paragraaf hanteren wij een andere benaderingswijze: nu bekijken we de totale bluswaterbehoefte juist vanuit het perspectief van de omgeving.

81

Tabel 3C Bluswaterbehoefte bij scenario’s in verhouding tot verschillende omgevingen.

De prioriteit van het blussen van het object waarin het incident is opgetreden, moet worden afgewogen in relatie tot de bescherming van de omgeving. De inzet bestaat dan voornamelijk uit het koelen van de omgeving ter voorkoming van overslag, het optreden van een BLEVE of het voorkomen van verspreiding van gevaarlijke vloeistoffen, dampen of gassen. Omgevingstypen als bebouwing (kwetsbare objecten) of kwetsbare natuur, of domino-effecten als aanstraling van tankwagens of ketelwagons met tot vloeistof verdicht gas, behoeven daarbij een groter debiet dan een omgeving als een rijksweg of spoor in landelijk gebied. In de tabellen 3C Wegvervoer en 3C Spoorvervoer is de totale bluswaterbehoefte voor verschillende omgevingstypen per scenario weergegeven. Om de omgeving bij een incident te beschermen kunnen ook preventieve maatregelen getroffen worden in de zin van het aanbrengen van een ‘bufferzone’. Door de afstand te vergroten tussen (snel)weg of spoor en de kwetsbare omgeving, wordt het risico van overslag naar de omgeving beperkt. Deze maatregelen kunnen in groter verband worden getroffen in samenspraak tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid (zie ook bijlage 3).

Wegvervoer Omgeving Object

Cabinebrand Ladingbrand Voorkomen BLEVE Plasbrand 3 Vrijkomen gevaarlijke lading 1 2 3 4 5

Bluswater profiel1

Rijksweg

Vrachtwagen

Tankwagen

Bebouwing (kwetsbare objecten)

Natuur

Stalling 2

I

0

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

II/III

0

0

0

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

2.000-3.000

2.000-3.000

2.000-3.000

2.000-3.000

I

04

04

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

4.500

4.500

4.500

4.500

I

0

0

0

0

0

0

II/III

05

05

05

3.000-4.500

3.000-4.500

3.000-4.500

I: primaire bluswatervoorziening; II/III: secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Er wordt van uitgegaan dat het incident-object zich bevindt temidden van andere vrachtwagens, gestald op een buitenterrein, waarbij ook vrachtwagens met gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Wanneer er verder geen gevaar is voor de omgeving op de snelweg of bij een vrachtwagen zonder gevaarlijke stoffen, kan offensieve blussing achterwege blijven (de plas is al weggelopen in het wegdek/de berm). Geen inzet voor omgeving nodig, wanneer geen gevaar van inhalatie of neerslag aanwezig is (snelweg is ontruimd).

Spoorvervoer Omgeving Object

Cabinebrand Ladingbrand Voorkomen BLEVE Plasbrand 3 Vrijkomen gevaarlijke lading 1 2 3 4 5

Bluswater profiel1

Spoor in landelijk gebied

Spoorwagon

Ketelwagon

Bebouwing

Natuur

Emplacement, waar gevaarlijke stoffen gerangeerd worden 2

I

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

II/III

0

0

2.000

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

4.000-5.000

4.000-5.000

4.000-5.000

4.000-6.000

I

04

04

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

4.500

4.500

4.500

4.500

I

0

0

0

0

0

0

II/III

5

05

05

3.000-4.500

3.000-4.500

3.000-4.500

0

I: primaire bluswatervoorziening; II/III: secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Er wordt van uitgegaan dat het incident-object zich bevindt temidden van andere ketelwagons met gevaarlijke stoffen. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Wanneer er verder geen gevaar is voor de omgeving van het spoor of bij een spoorwagon zonder gevaarlijke stoffen, kan offensieve blussing achterwege blijven (de plas is al weggelopen in het spoorbed). Geen inzet voor omgeving nodig, wanneer geen gevaar van inhalatie of neerslag aanwezig is.

82

BIJLAGE 1 Standaard inzetstrategie

De brandweer beschikt primair over twee inzettactieken bij een incident, te weten offensieve en defensieve brandbestrijding. In deze handreiking wordt uitgegaan van een standaard 6-persoons bezetting van een tankautospuit (TS). Offensief Bij offensieve bestrijding (op de plaats of omgeving van het ontstaan van de brand) is er versus defensief sprake van een kleinschalige, beginnende brand (in slechts 1 of 2 ruimten) die aan de hand van een binnen-/buiteninzet met 1 of 2 hogedruk stralen (HD) bestreden wordt (kengetal voor offensieve brandbestrijding is 10 liter per minuut per vierkante meter brandoppervlak). Bij een grote ontwikkelde brand in meerdere ruimten zal men echter mogelijk moeten terugvallen op defensieve brandbestrijding. Deze tactiek heeft als belangrijkste doel het voorkomen van branduitbreiding op een gekozen scheiding met een ander gebouw of ruimte. Deze tactiek wordt uitgevoerd in de vorm van een buiten- of binneninzet met lagedruk stralen (LD) of waterkanon (WK) (kengetal voor defensieve brandbestrijding is 2-6 liter per minuut per vierkante meter brandoppervlak 32). Ingezet wordt op die brandscheidingen waarvan ingeschat wordt dat deze te behouden zijn met het beschikbare materieel en bluswater.

Voor een defensieve inzet is in de meeste gevallen aanvullende bluswatervoorziening nodig, afkomstig uit die bronnen die voldoende waterdebiet geven om de gestelde doelen te bereiken, namelijk het beschermen van de brandscheidingen. Voor de meeste objecten geldt dat zij 4 zijden hebben die moeten worden beschermd33. Overigens is het aantal te beschermen brandscheidingen meer afhankelijk van de belendingen, en niet direct van de dimensie van het incident. De gekozen defensieve grenzen moeten worden afgestemd op de beschikbare middelen en benodigde tijd om de juiste hoeveelheid bluswater ter plaatse te kunnen krijgen. Een offensieve buiteninzet waarbij met water wordt geblust, vereist doorgaans een grotere bluswaterbehoefte dan een offensieve binneninzet. Bij een defensieve inzet, of deze nu ‘binnen’ of ‘buiten’ wordt toegepast, zal de hoeveelheid bluswater vergelijkbaar zijn. Er wordt nu gewerkt aan een nieuwe inzetdoctrine voor de brandweer. De nieuwe doctrine is ingegeven vanuit de zorg voor de veiligheid van het brandweerpersoneel na incidenten waarbij de brandweer mensen heeft verloren na het uitvoeren van een binneninzet terwijl er binnen geen slachtoffers meer te redden waren. Vereenvoudigd gezegd komt de nieuwe doctrine er op neer dat de brandweer niet per definitie een binneninzet uitvoert.

Eerst wordt een afweging gemaakt of de risico’s voor het brandweerpersoneel opwegen tegen het nut van een binneninzet. Of er al dan niet nog slachtoffers binnen zijn, speelt in die afweging een belangrijke rol. De nieuwe inzetdoctrine denkt meer ‘van buiten naar binnen’ en weegt achtereenvolgens af: defensieve buiteninzet, offensieve buiteninzet, defensieve binneninzet en als laatste de offensieve binneninzet. Hogedruk Bij offensieve of defensieve brandbestrijding wordt gebruik gemaakt van blussing d.m.v. hogeversus lagedruk druk (HD) met een laag debiet, middendruk (MD) of lagedruk (LD) met een hoog debiet:

32 33

NB: per 50 meter vuurfront is voor een defensieve inzet 2000 liter per minuut benodigd. W. Taks Zakboek grootschalig optreden . Koninklijke Vermande NB: Dit doet overigens niets af aan het feit dat voordat ‘brandmeester’ kan worden gegeven, conform de kubus-benadering alles moet zijn gecontroleerd.

83

. hogedruk (HD): De Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid uit 2003 gaat voor een HD-straal uit van een debiet van 100 liter per minuut. Moderne hogedrukstraalpijpen kennen echter een variatie in debiet van 20 tot 150 liter per minuut 34 . In deze Handreiking wordt voor een HD-straal gerekend met een debiet van 125 liter per minuut.

. lagedruk (LD): wanneer blussen met hogedruk niet toereikend is, kan overgestapt worden op lagedruk. Voor lagedruk worden in de literatuur twee maatstaven gebruikt: 220 liter per minuut en 250 liter per minuut. In deze Handreiking wordt een debiet van 250 liter per minuut aangehouden.

. verschillende korpsen in Nederland maken naast HD en LD ook gebruik van middendruk (MD). Aangezien dit geen standaard praktijk is, wordt blussing door middel van middendruk hier buiten beschouwing gelaten.

. naast de inzet van handstralen (HD, LD en eventueel MD), kan de brandweer ook waterkanonnen (WK) inzetten. Waterkannonnen kennen een variatie in debiet van ca. 500 tot 3000 liter per minuut 35. In deze handreiking wordt gerekend met een standaard van 1500 liter per minuut. Ook voor een torenstraal (bijvoorbeeld bediend vanaf een ladderwagen) wordt een capaciteit van 1500 liter per minuut aangehouden.

. in deze handreiking wordt uitgegaan van een standaardbestek van een TS met een tankinhoud van 1500 liter. Deze uitgangspunten zitten aan de ruime kant. In de praktijk wordt er namelijk zelden continu met maximale capaciteit geblust. Zeker bij het blussen met een HD-straal wordt meestal niet continu en veelal pulserend geblust, en meestal niet met vol vermogen. Voor het berekenen van het benodigde debiet moet er echter van uitgegaan worden dat alle in te zetten stralen op enig moment op volle capaciteit moeten kunnen functioneren. Debiet en De capaciteit van een TS is maximaal 2000 liter per minuut. De standaardbepakking van een transportafstand TS bestaat uit 16 slangen van 20 meter met een grote diameter van 75 mm. Daarnaast heeft een TS ook nog 12 slangen van 20 meter met een diameter van 52 mm. Slangen met een diameter van 75 mm worden gebruikt voor watertransport, of voor het voeden van een waterkanon met een capaciteit van gemiddeld 1500 liter per minuut. Slangen met een diameter van 52 mm zijn de zogenaamde lagedruk stralen. Bij een capaciteit van 500 liter per minuut kan de afstand tussen de opstelplaats van de TS en de primaire bluswatervoorziening maximaal 100 meter bedragen. Dit is de maximale afstand die met één enkele slangleiding van vijf 75 mm slangen binnen drie minuten kan worden opgebouwd.

Bij een capaciteit van 500 liter per minuut vindt dan nauwelijks drukverlies plaats. Wanneer de inzettijd niet direct een beperkende factor is, kan de maximale afstand tussen opstelplaats en bluswatervoorziening vergroot worden. Bij een capaciteit van 500-1000 liter per minuut kunnen alle 75 mm slangen (16 stuks à 20 meter) worden ingezet zonder noemenswaardig drukverlies. De maximale afstand wordt dan 320 meter; gerekend wordt met een getal van 300 meter. Wanneer het de bedoeling is met twee lagedruk stralen vanaf de TS in te zetten, kan de afstand tussen het object en de opstelplaats zes 52 mm slangen à 20 meter, in totaal 120 meter, bedragen. Wanneer het de bedoeling is met 4 lagedruk stralen in te zetten is een dubbele transportleiding benodigd. Hiermee worden 2 verdeelstukken gevoed, waar op elk vervolgens 2 lagedruk stralen kunnen worden aangesloten. De afstand tussen opstelplaats en bluswatervoorziening is dan maximaal acht 75 mm slangen à 20 meter is 160 meter. De afstand tussen opstelplaats en object kan maximaal 3 slanglengten à 20 meter van 52 mm slangen bedragen, oftewel 60 meter. 34 35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=a62064c4-da2a-46aa-a35d-fe155a16371c