CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Handreiking BRW NL Bluswatervoorziening (2012)

Raadsvergadering 26 april 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Overeenkomsten Harderwijkerweg 5-7, Priensnitzalaan 2-2a te Laag-Soeren37.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Koornstra et al., SWOV 1992 ‘Handboek wegontwerp (Publicatie 164 a t/m d)’; CROW 2002 ‘Hulpdiensten snel op weg (Publicatie 165)’; CROW 2002 ‘Concept-Leidraad repressieve brandweerzorg’; NVBR 2008 ‘Bronnenboek natuurbrandbeheersing’; NVBR 2011

45

BIJLAGE 4 Verklarende woordenlijst

AGS adviseur gevaarlijke stoffen BHV bedrijfshulpverlening BLEVE boiling liquid expanding vapour explosion BR BLEVE-resistent BRZO besluit risico’s zware ongevallen CAFS compressed air foam system LD lagedruk (stralen) HD hogedruk (stralen) NFPA national fire protection association OGS ongevallen met gevaarlijke stoffen PREVAP preventie-activiteiten plan RV redvoertuig (hoogwerker) SBV schuimblusvoertuig SVM schuimvormend middel TS tankautospuit VAB volautomatische autobergingen WBDBO weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag WK waterkanon WTS watertransportsysteem

47

Colofon Dit is een uitgave van Brandweer Nederland adres Kemperbergerweg 783 6816 RW Arnhem post Postbus 7010 6801 HA Arnhem t (026) 355 24 55 f (026) 351 50 51 e info@brandweernederland.nl i www.brandweernederland.nl

projectleider Mevrouw dr. G.J. (Gerda) Bouma projectgroep dr. G.J. (Gerda) Bouma Veiligheidsregio Utrecht De heer ing. M.A.G. (Marc) Bus Veiligheidsregio Twente; Netwerk Repressie De heer ing. R.T.J. (Ronald) van Miltenburg Veiligheidsregio Gooi & Vechtstreek; Netwerk Risicobeheersing, sector Milieu en Industrie De heer ing. M. (Marcel) Nijssen Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond; Netwerk Risicobeheersing, sector Milieu en Industrie De heer ir. M. (Marcel) Reefhuis Veiligheidsregio Twente; Netwerk Risicobeheersing, sector Externe Veiligheid De heer B. (Bert) Vis Veiligheidsregio Haaglanden De heer W. (Wout) Werensteijn Veiligheidsregio Utrecht De heer ing. M. (Maikel) van der Hulst Veiligheidsregio Flevoland De heer ing. D. (Dick) Arentsen, MSc CSP RVK NVBR Landelijke vakgroep OGS De heer drs. J. (Jop) Perrée Veiligheidsregio Utrecht illustraties bereikbaarheid De heer N. (Nick) Naber Veiligheidsregio Flevoland vormgeving HSTOTAAL Communicatie & Design, Haarlem © Brandweer Nederland november 2012

Nederland

Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid

50

Inhoud Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid

Inhoud ..................................................................................................................................... 50 De status en het gebruik van de Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid............... 51 Inleiding.................................................................................................................................. 53 1

Scenariogroep Woningen .................................................................................................... 55

1.1

Nieuwbouw (woningen ontworpen en gebouwd volgens bouwbesluit 2003 en later) .......56

1.2

Naoorlogse bouw (woningen gebouwd tussen 1945-2003) ...................................................58

1.3

Vooroorlogse bouw (woningen gebouwd voor 1945).............................................................59

2

Scenariogroep Utiliteitsgebouwen ................................................................................... 65

2.1

Utiliteitsgebouwen ....................................................................................................................65

2.2

Agrarische inrichtingen, natuurgebieden en buitengebied ....................................................70

3

Scenariogroep Ongevallen met Gevaarlijke Stoffen (OGS) en Transport ................. 72

3.1

Algemene inleiding ....................................................................................................................72

3.2

Uitwerking scenario’s wegvervoer ........................................................................................72

3.3

Uitwerking scenario’s spoorvervoer .....................................................................................76

BIJ L AG E 1

Standaard inzetstrategie .................................................................................................... 82

BIJ L AG E 2

Wet- en regelgeving ............................................................................................................. 85

BIJ L AG E 3

Gedachtenraamwerk aanleg en aanwijzing bluswatervoorzieningen ...................... 89

BIJ L AG E 4

Literatuur ............................................................................................................................... 91

BIJ L AG E 5

Verklarende woordenlijst ................................................................................................... 92 Colofon ................................................................................................................................... 93

51

De status en het gebruik van de Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid De ‘Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid’ is bedoeld als handreiking om per gemeente of per veiligheidsregio, bluswaterbeleid op te stellen. Met dit document kan worden afgewogen aan welke eisen de benodigde bluswatervoorziening voor een bepaald verzorgingsgebied zou moeten voldoen, in relatie tot de specifieke risico’s in dat gebied en de mogelijkheden van de repressieve organisatie. Uiteindelijk zal elke veiligheidsregio of elk brandweerkorps voor zijn eigen verzorgingsgebied de vraag moeten beantwoorden: ‘Waar heb ik welke bluswaterbehoefte en hoe kan ik in die behoefte voorzien?’ De bluswaterbehoefte moet worden afgewogen in relatie tot de specifieke risico’s in een verzorgingsgebied. In deze handreiking worden daarom voorbeeldscenario’s beschreven, zodat inzichtelijk wordt welke risico-scenario’s welke bluswaterbehoefte kennen. De bluswaterbehoefte is ook gerelateerd aan de inzetstrategie van de brandweer en daarmee aan de mogelijkheden van de repressieve organisatie (zie bijlage 1, ‘Standaard inzetstrategie’). De gemeente is verantwoordelijk voor een adequate bluswatervoorziening. Ook met de komst van de Wet op de veiligheidsregio’s (Wvr) is de gemeente voor bluswatervoorziening verantwoordelijk gebleven (zie bijlage 2, ‘Wet- en regelgeving’).

Bij het opstellen van bluswaterbeleid moet de gemeente dan ook altijd betrokken worden. Deze handreiking kan gebruikt worden als hulpmiddel bij het maken van beleid rond bluswatervoorziening en bereikbaarheid. De veiligheidsregio of brandweerkorps moet in samenspraak met de gemeenten het bluswaterbeleid vormgeven. De gemeente is verantwoordelijk voor het realiseren van de bluswatervoorzieningen binnen haar gemeentegrenzen en de kosten die daaruit voortvloeien. Voor gemeentegrens overschrijdende bluswatervoorzieningen moeten door gemeenten onderling nadere afspraken worden gemaakt. Deze handreiking kan daarom ook als gedachtenraamwerk dienen voor gemeenten m.b.t. de planning van de aanleg en aanwijzingen van bluswatervoorzieningen. Een nadere toelichting hierop wordt gegeven in bijlage 3. Deze handreiking betreft een deskundigen-richtlijn aan de hand waarvan de gebruiker zelf afgewogen keuzen kan maken. Het gedeelte over verwacht bluswatergebruik is beoordeeld door (ervarings)deskundigen, welke tevens voorgelegd zijn aan relevante netwerken en vakgroepen van Brandweer Nederland. De beoordelingen gaan niet over de uitzonderingsgevallen, maar richten zich op een verwacht gemiddelde.

Ook is het denkbaar dat met waterbesparende methoden en technieken de bluswaterbehoefte omlaag kan worden gebracht, maar aangezien dergelijke methoden en technieken nog volop in ontwikkeling zijn, wordt dit niet in detail uitgewerkt. ‘Bluswaterbehoefte’ gaat over de vraag hoeveel water de brandweer in totaal en hoeveel water de brandweer per tijdseenheid (debiet) nodig heeft om een brand te kunnen blussen. Voor de onderbouwing van de bluswaterbehoefte is eerst geprobeerd om deze te relateren aan internationale kengetallen, zoals bijvoorbeeld verwoord door de NFPA.1 Er is echter gebleken dat de daar genoemde kengetallen zeer specifiek zijn voor bepaalde scenario’s, gerelateerd aan een specifieke bestrijdingswijze. Zowel scenario’s als bestrijdingswijzen bleken niet zonder meer naar de Nederlandse situatie geëxtrapoleerd te kunnen worden. Dit is te wijten aan o.a. verschillen in bouwwijzen en repressiestrategieën. De huidige 1

NFPA 1142.

52

handreiking beargumenteert daarom de bluswaterbehoefte aan de hand van Nederlandse scenario’s en inzetstrategieën. Praktijkcijfers die deze schattingen kunnen onderbouwen zijn slechts in zeer beperkte mate voorhanden. De gemeenten Apeldoorn en Epe vormen hierop een uitzondering2 . Voor het onderbouwen van de verwachte bluswaterbehoefte bij bepaalde scenario’s, zou (prospectief) het bluswatergebruik in de praktijk gemeten moeten worden. In bijlage 4 is de geraadpleegde literatuur vermeld en in bijlage 5 is een verklarende woordenlijst opgenomen.

2

H. Koopman (2011) Onderzoek en resultaten bluswater Apeldoorn/Epe. NVBR, www.brandweerkennisnet.nl.

53

Inleiding

Sinds het in werking treden van de Drinkwaterwet staat de beschikbaarheid van brandkranen als een eerste bron van bluswater steeds meer onder druk. In deze nieuwe handreiking wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om het gebruik van bluswater te beperken. Tevens worden in deze handreiking ook alternatieve manieren om bluswater ter plaatse te krijgen, besproken. Een verminderde beschikbaarheid van bluswater, of een verminderde beschikbaarheid van brandkranen, heeft in het algemeen consequenties voor de te hanteren inzetstrategie door de brandweer. In deze handreiking worden meerdere voorbeeldscenario’s geschetst. Per voorbeeldscenario worden inzetstrategieën beschreven. Hieraan wordt gerelateerd op welke hoeveelheid bluswater gerekend zou moeten kunnen worden. Voorbeeldscenario’s In deze Handreiking zijn de scenario’s ingedeeld in 3 groepen, te weten: Woningen, Utiliteitsgebouwen, Ongevallen met gevaarlijke stoffen (OGS) en transport.

. . .

Deze scenariogroepen zijn vervolgens ook weer onderverdeeld in subcategorieën. Als voorbeeld kan men de scenariogroep Woningen nemen die is onderverdeeld in nieuwbouw, naoorlogse bouw en vooroorlogse bouw. De achterliggende gedachte voor subcategorisering komt bij de betreffende scenariogroep ter sprake. De scenario’s zijn uitgewerkt in de hoofdstukken 1, 2 en 3. Inzetstrategieën In deze handreiking worden drie typen inzetstrategieën onderscheiden, te weten: I Standaardinzet II Alternatieve inzetstrategie waarbij geanticipeerd wordt op verminderde beschikbaarheid van bluswater. III Alternatieve inzetstrategie met als filosofie dat blussing slechts een van de middelen is om branduitbreiding te voorkomen. Ad I De standaard inzetstrategie is de inzet die doorgaans door de brandweer gehanteerd wordt. In bijlage 1 wordt de standaard inzetstrategie nader toegelicht. Ad II Bij deze alternatieve manier van inzet wordt er vooraf van uitgegaan dat niet gerekend kan worden op de hoeveelheden bluswater die vroeger gebruikelijk waren. In bijlage 2 wordt deze problematiek nader toegelicht en wordt een link gelegd met de wet- en regelgeving. In deze handreiking is bepaald wat de minimale hoeveelheid bluswater zou kunnen zijn, waarbij toch nog een realistische inzet mogelijk is. Het is echter wel aannemelijk, dat hiervoor standaard brandbestrijdingsprotocollen moeten worden aangepast.

Zo kan het noodzakelijk zijn dat er bijvoorbeeld met 2 TS’en aangereden wordt, terwijl aanrijden met 1 TS gebruikelijk is. Aanrijden met 2 TS’en kan namelijk noodzakelijk zijn, wanneer waterwinning over grotere afstanden moet worden opgebouwd. Een ander voorbeeld van aanpassing van het standaard brandbestrijdingsprotocol kan zijn dat met elke uitruk een tankwagen met bluswater mee uitrukt. Dit kan noodzakelijk zijn wanneer in een bepaald gebied niet op de beschikbaarheid of capaciteit van brandkranen kan worden gerekend3. 3

De regio Drenthe gaat voortaan standaard met tankwagens uitrukken. Dit is opgenomen in het regionaal beleidsplan m.b.t. bluswaterbeleid. Hierin is ook een afbouw voorzien van de brandkranen in de regio.

54

Nog een ander voorbeeld is het toepassen van nieuwe typen bluswatervoorzieningen. In sommige steden zijn bijvoorbeeld hogedruk blusleidingen al heel gebruikelijk. Hierdoor hoeft de primaire bluswatervoorziening minder groot gedimensioneerd te zijn, dan bij de standaard lagedruk blusleidingen. De repressieve organisatie moet hiervoor wel aanpassingen doen aan de bepakking van de TS en daarnaast bekend zijn met deze inzettactiek. Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat vermindering van bluswater soms kan betekenen dat de primaire bluswatervoorziening gereduceerd is terwijl de secundaire voorziening meer de nadruk krijgt in de inzetstrategie4 . Kortheidshalve wordt in de handreiking naar deze strategie verwezen met de term ‘alternatieve inzet gereduceerd bluswater’. Ad III Deze inzetstrategie gaat uit van de filosofie dat blussing slechts een van de maatregelen is om branduitbreiding te voorkomen. In deze filosofie zijn andere maatregelen minstens zo belangrijk. Deze maatregelen zijn bijvoorbeeld brandpreventieve voorzieningen van bouwkundige, installatietechnische of organisatorische aard. Hierbij valt onder andere te denken aan de toepassing van onbrandbare of slecht brandbare materialen in de bouw (waaronder dakbedekking), verdergaande compartimentering dan die het bouwbesluit voorschrijft of onbrandbare (of slecht brandbare) bouwconstructies.

Qua installatietechnische voorzieningen kan gedacht worden aan (woning)sprinklers, rooken warmteafvoerinstallaties en BLEVE-resistente coating. Organisatorische maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een ruimer bemeten BHVorganisatie, toepassing van rookmelders en kleine blusmiddelen of een brandmeldinstallatie om snellere ontvluchting mogelijk te maken en brand eerder te kunnen lokaliseren en de toepassing van brandvertragers of onbrandbare materialen in de inrichtingselementen van gebouwen. Ook kan ingezet worden op het geven van voorlichting om het ontstaan van brand te voorkomen of de kans daarop te beperken. En onmisbaar voor het naleven én borgen van brandveiligheid zijn toezicht- en handhavingstrajecten door de brandweer. Het doel van deze voorzieningen is om een brand zoveel mogelijk te voorkomen, of in ieder geval beheersbaar te houden. Vroege detectie verkleint de kans op een ontwikkelde brand en vergroot de kans op succesvolle incidentbestrijding. Er wordt dan van uitgegaan dat de bluswaterbehoefte sterk kan worden beperkt, doordat weinig water benodigd is voor blussing of voorkomen van branduitbreiding. Naar deze inzetstrategie wordt in de handreiking kortheidshalve verwezen met de term ‘alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen’.

NB Wanneer onverhoopt alle voorzieningen falen en de branduitbreiding zich toch ontwikkelt, zal de brandweer terug moeten kunnen vallen op haar standaard inzetstrategie. Hiervoor kan dan een bluswatervoorziening in de omgeving van het object benodigd zijn.

4

De regio Zeeland heeft de nadere onderverdeling in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorziening losgelaten. Standaard wordt een bluswatercapaciteit van 500 liter per minuut geëist, waarbij de leveringsbron bespreekbaar is gemaakt.

55

1 Scenariogroep Woningen

In dit hoofdstuk worden scenario’s m.b.t. woningbranden geschetst. Per voorbeeldscenario worden inzetstrategieën beschreven. Hieraan wordt gerelateerd op welke hoeveelheid bluswater gerekend zou moeten kunnen worden. De voorbeeldscenario’s worden nader gespecificeerd naar bouwperiode en naar woningtype. Hieronder wordt dat nader toegelicht. Bouwperioden Voor de uitwerking van de scenariogroep Woningen is er voor gekozen een nadere indeling in drie categorieën te maken, gebaseerd op de periode waarin de woning is gebouwd. De keuze voor deze periode hangt samen met de toegepaste bouwwijze, bouwmaterialen en de mate waarin preventieve voorzieningen in de woning zijn aangebracht. Een belangrijke grens is de invoering van het ‘Bouwbesluit’ in 2003. Op basis hiervan werden brandpreventieve voorzieningen verbeterd, en landelijk geüniformeerd toegepast. Daarnaast kan er een onderscheid aangebracht worden tussen naoorlogse en vooroorlogse woningen. In vooroorlogse woningen bestaat een groter risico op instortingsgevaar en deze woningen beschikken nauwelijks over enige vorm van weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Alhoewel naoorlogse woningen niet zo goed preventief zijn toegerust als nieuwbouwwoningen, is dit toch aanmerkelijk beter dan in vooroorlogse woningen 5. Op basis van deze overwegingen is er besloten tot een indeling in drie perioden, namelijk:

. Nieuwbouw (woningen ontworpen en gebouwd volgens Bouwbesluit 2003 en later); . Naoorlogse bouw (woningen gebouwd tussen 1945-2003); . Vooroorlogse bouw (woningen gebouwd voor 1945). Deze perioden brengen elk hun eigen profiel aan bluswaterbehoefte met zich mee.

Woningtypen Naast de bouwperiode kan ook het type woning invloed hebben op de behoefte aan bluswater. Deze behoefte wordt primair beïnvloed door de hoogte van en/of de inzetdiepte in het gebouw. Bij de subcategorieën Nieuwbouw en Naoorlogse bouw is gekozen voor een indeling in:

. Woning . Gestapelde bouw (< 20 m) . Hoogbouw (20-70 m)/inzetdiepte> 60 m

Bouwwerken hoger dan 70 meter en ondergrondse bouw worden in deze handreiking niet nader besproken. Wanneer hoger dan 70 meter of ondergronds gebouwd wordt, vereist weten regelgeving dat speciale voorzieningen t.a.v. bluswater worden getroffen. Maatwerk is dan geboden. Bij Vooroorlogse bouw is ingedeeld in de categorieën:

. Rijtjeswoning/winkels . Gestapelde bouw (< 20 m) . Oude binnensteden

Per bouwperiode wordt de bluswater behoefte gerelateerd aan één van de drie inzetstrategieën. Deze inzetstrategieën zijn toegelicht in de inleiding van deze handreiking. Kortheidshalve worden de drie inzetstrategieën benoemd als: 5

Binnen de naoorlogse periode is niet nog een scheiding aangebracht, van bijvoorbeeld voor en na 1970. Vanaf de jaren ’70 werd betonbouw steeds gangbaarder. De toepassing van beton betekende een aanmerkelijke verbetering van de brandveiligheid. De toepassing van betonbouw gaf echter toen nog niet altijd garantie voor brandveiligheid. Een voorbeeld hiervan zijn de woningenmet-platte-daken, waar (recent) ontdekt werd dat de scheidingswanden niet tot aan het dak waren doorgetrokken (VROM (2009) Inspectiesignaal brandwerendheid woningscheidende constructies ).

56

. Standaardinzet . Alternatieve inzet gereduceerd bluswater . Alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen Presentatieformat en Voor een overzicht van de bluswaterbehoefte worden de kengetallen gepresenteerd in tabeltabellen kengetallen vorm (zie tabellen). De eerste kolom toont de geanticipeerde, totale capaciteit uit alle bluswatervoorzieningen (kolom 1), uitgaande van de behoefte bij dat scenario, waarbij de capaciteiten van de afzonderlijke bluswatervoorzieningen bij elkaar zijn opgeteld. De capaciteit van de primaire/secundaire/tertiaire bluswatervoorzieningen wordt getoond in respectievelijk kolom 3, 5 en 7. Daarnaast worden de maximale afstand object-opstelplaats (kolom 2) en de afstand bluswatervoorziening-opstelplaats (zowel voor primair als secundair en tertiair) getoond (kolom 4, 6 en 8). Deze gegevens worden in de tabelrijen per woningtype gepresenteerd. Per bouwperiode wordt nu een overzicht gegeven van de capaciteit van en de afstand tot primaire, secundaire of tertiaire bluswatervoorzieningen bij verschillende woningtypen in relatie tot de drie inzetstrategieën.

1.1 Nieuwbouw (woningen ontworpen en gebouwd volgens bouwbesluit 2003 en later) Algemeen Bij een beginnende brand in een woning of gestapelde bouw wordt een inzet doorgaans uit(zie hiervoor gevoerd door middel van 1 of 2 stralen hogedruk (HD) met de inhoud van de tank van de TS. ook Bijlage 1) Er wordt hier uitgegaan van een offensieve binneninzet, dan wel buiteninzet. Bij een volledig ontwikkelde brand in een kleine woning/gestapelde bouw kan er een defensieve binnen- dan wel buiteninzet worden gedaan met 2xLD of 2xHD, uitgaande van optimale brandscheidingen. Het risico op overslag via gestapelde bouwlagen blijft aanwezig maar kan worden beperkt door de inzet van 1xLD. Aangezien de inhoud van de watertank van de TS niet voldoende is voor een defensieve inzet met LD, dient er een aanvullende primaire bluswatervoorziening beschikbaar te zijn, die minimaal 500 liter per minuut levert. In gebouwen met een hoogte van 20-70 m, waarin een droge blusleiding is vereist en aangebracht of gebouwen die een mogelijk grote inzetdiepte vereisen is er direct aanvullende bluswatervoorziening nodig. Dit heeft te maken met het feit dat eerst blusleidingen en slangen gevuld moeten worden voordat er geblust kan worden; de tankinhoud van een TS is eenvoudigweg niet voldoende voor zowel blussen als vullen6 .

Voor hoogbouw/grote inzetdiepte waarbij standaard een lagedruk droge blusleiding is aangelegd, dient de bluswatervoorziening 500 liter per minuut te kunnen leveren. Deze voorziening is ontworpen voor aansluiting op LD. Hiermee kan brandbestrijding met maximaal 2xLD plaatsvinden. Uitzondering Voor gebouwen hoger dan 70 m zal op het gebied van bluswatervoorziening maatwerk geleverd moeten worden. Standaardinzet Bij een standaardinzet (tabel 1A) zal men voor alle woningtypen over een voorziening van 500 liter per minuut moeten beschikken (voor 2xHD offensief of 2xLD/HD defensief). Een dergelijk debiet is zonder noemenswaardig drukverlies te verplaatsen over een afstand van 100 meter. Het betreft hier een enkele slangleiding van maximaal 5 slanglengten à 20 meter. De benodigde opbouw van de slangleiding kan binnen 3 minuten plaatsvinden. NB Het is noodzakelijk om per woonwijk over een strategisch gekozen bluswatervoorziening te beschikken, om in te kunnen spelen op een eventuele escalatie van het incident. Deze bluswatervoorziening moet aan de eisen van een secundaire bluswatervoorziening voldoen. Hiermee kan in de waterbehoefte (voor bijvoorbeeld een waterkanon of torenstraal) worden voorzien om de effecten te beperken indien de brand escaleert. 6

In het gunstigste geval blijft er (na vulling) nog 900 l over waarmee men maximaal 4 min kan blussen met 1 LD-straal

57

Alternatieve inzet Bij deze alternatieve manier van inzet (tabel 1B) wordt er vooraf van uitgegaan dat niet geremet gereduceerd kend kan worden op de hoeveelheden bluswater die vroeger gebruikelijk waren. Hieronder is bluswater bepaald wat de minimale hoeveelheid bluswater zou moeten zijn waarbij toch een realistische inzet mogelijk is. Voor alternatieve inzetstrategie wordt de aanname gedaan dat een brandcompartiment mag uitbranden, terwijl omliggende brandcompartimenten van die woning en omliggende woningen gespaard moeten blijven. In dat geval volstaat een offensieve blussing (binneninzet) met 2xHD. Een dergelijke inzet is conform de dagelijkse praktijk van brandbestrijding in nieuwbouwwijken. Onderzoek in Apeldoorn en Epe7 laat zien dat voor het grootste gedeelte van de woningbranden de inhoud van de watertank van de TS voldoende is om een offensieve inzet te doen. Eventuele aanvullende waterbehoefte kan geleverd worden door een brandkraan of een tweede TS (of tankwagen). Voor een dergelijke inzet is een capaciteit van 250 liter per minuut voldoende. Voor hoogbouw/grote inzetdiepte waarbij standaard een lagedruk droge blusleiding is aangelegd, dient de bluswatervoorziening 500 liter per minuut te kunnen leveren. Deze voorziening is ontworpen voor aansluiting op LD. Hiermee kan brandbestrijding met maximaal 2xLD plaatsvinden.

NB Het is noodzakelijk om per woonwijk over een strategisch gekozen bluswatervoorziening te beschikken, om in te kunnen spelen op een eventuele escalatie van het incident. Deze bluswatervoorziening moet aan de eisen van een secundaire bluswatervoorziening voldoen. Alternatieve inzet Deze inzetstrategie (tabel 1C) gaat uit van de filosofie dat blussing slechts één van de maatvoorkant veiligheids- regelen is om branduitbreiding te voorkomen. Andere maatregelen als brandpreventieve keten voorzieningen van bouwkundige, installatietechnische en organisatorische aard zijn minstens zo belangrijk (zie voor een nadere beschrijving van deze maatregelen de inleiding). Deze voorzieningen kunnen een brand mogelijk voorkomen of in ieder geval beheersbaar houden. Er zal dan weinig water benodigd zijn voor blussing of het voorkomen van branduitbreiding, of ondersteuning van redding. Bij toepassing van onderstaande brandpreventieve voorzieningen zou volstaan moeten kunnen worden met de inhoud van de TS voor bluswatervoorziening. Hieruit kan ingezet worden met 2xHD. Voor woningen wordt er hier van uitgegaan dat rookmelders zijn aangebracht en dat eventuele brandcompartimenten in woningen en de woningen zelf van elkaar brandwerend gescheiden zijn.

Voor gestapelde bouw geldt aanvullend als bouwkundige voorziening dat de buitengevel brandwerend is uitgevoerd, zodat brandoverslag buitenlangs wordt voorkomen. Voor hoogbouw en grote inzetdiepte geldt dat bij toepassing van een standaard lagedruk droge blusleiding een debiet van 250 liter per minuut volstaat om met 1xLD te kunnen blussen. Wanneer een hogedruk blusleiding wordt toegepast volstaat de inhoud van een TS (dergelijke blusleidingen zijn nu nog niet genormeerd maar worden wel al in Nederland toegepast). NB Wanneer onverhoopt alle voorzieningen falen en de brand toch escaleert, zal de brandweer terug moeten vallen op haar standaard inzetstrategie. Dit is mogelijk wanneer de woonwijk over een strategisch gekozen secundaire bluswatervoorziening beschikt.

7

‘Onderzoek en resultaten bluswater Apeldoorn/Epe’; H. Koopman, www.brandweerkennisnet.nl, NVBR 2011.

58

1.2 Naoorlogse bouw (woningen gebouwd tussen 1945-2003) Algemeen Vroege detectie van een woningbrand is minder waarschijnlijk dan in het geval van nieuwbouw, vanwege het ontbreken van voorzieningen zoals verplichte rookmelders. Redding van bewoners zal vaak ondersteund moeten worden door blussing. Een ontwikkelde woningbrand brengt een verhoogd risico op doorslag en overslag t.g.v. niet-optimale brandscheidingen met zich mee. In principe wordt er in eerste instantie ingezet met 2xHD. Bij verdere ontwikkeling van de brand wordt deze inzet aangevuld met 2xLD en 1xWK of torenstraal. Het betreft hier een inzet van 2 TS’en en een RV. Aanvullende bluswatervoorziening is nodig voor het vullen van leidingen en slangen in gebouwen hoger dan 20 meter. Daarnaast moet bij hoge vuurlast, grote uitbreidingsnelheid of hoge vermogensdichtheid (bijv. woningen boven winkels) een primaire voorziening in een behoefte van 500 liter per minuut kunnen voorzien, wat voldoende is voor een inzet met 2xLD/4xHD. Een secundaire voorziening op maximaal 200 meter afstand kan in de water-behoefte (WK of torenstraal 1500 liter per minuut) voorzien voor effectreductie in geval van escalatie. Standaardinzet Bij een standaardinzet (tabel 1D) in een woning zal men over een voorziening van 1000 liter per minuut (primair of secundair) moeten beschikken.

Bij een dergelijke inzet houdt men al bij voorbaat rekening met escalatie van de brand. De standaardinzet gaat uit van 2xHD, aangevuld met 2xLD (door de 2e TS) of in totaal 4xLD. Voor de afstand tussen de primaire bluswatervoorziening van 500 liter per minuut en de opstelplaats wordt 40 meter tot maximaal 100 meter aangehouden. Idealiter bevindt de primaire bluswatervoorziening zich zo dicht mogelijk bij de grootste risico objecten in een woonwijk. Met andere woorden: een primaire bluswatervoorziening zoals een brandkraan, wordt zo strategisch mogelijk geplaatst. Bevinden zich in de woonwijk geen noemenswaardige risico objecten, dan kan de afstand tussen de primaire bluswatervoorziening en opstelplaats maximaal 100 meter bedragen. Een afstand van 100 meter is namelijk de maximale afstand waarbij een debiet van 500 liter per minuut te verplaatsen is zonder noemenswaardig drukverlies met een nog acceptabele opbouwtijd 8 (voor een nadere toelichting, zie bijlage 1: standaard inzetstrategie). In geval van gestapelde bouw of hoogbouw/grote inzetdiepte moet deze voorziening uitgebreid worden tot 2000 liter per minuut (primair 500 liter per minuut op maximaal 100 meter, secundair 1500 liter per minuut op maximaal 200 meter), mede met het oog op redding. Bij hoogbouw/grote inzetdiepte wordt uitgegaan van een eerste inzet met 2xLD.

Alternatieve inzet Wanneer vooraf bekend is dat bluswater beperkt voorhanden is, moeten voor een alternamet gereduceerd tieve inzetstrategie (tabel 1E) de volgende afwegingen worden gemaakt: bluswater Bij een woningbrand volstaat doorgaans een blussing met 1x of 2xHD. Bij naoorlogse bouw zijn de brandscheidingen echter niet optimaal. Dat houdt in dat de brandweer ook rekening moet houden met een inzet gericht op het behouden van de brandscheidingen, met 2xLD. Er is dan minimaal bluswater benodigd met een capaciteit van 750 liter per minuut (2xHD + 2xLD). Primair moet dan 250 liter per minuut (2xHD) beschikbaar zijn, terwijl de aanvullende 500 liter per minuut van een watervoorziening betrokken moet worden die op maximaal 300 meter afstand van het object ligt. Driehonderd meter is de maximale afstand die met de slanglengten van 1 TS te overbruggen is. Bij gestapelde bouw volstaat ook een primaire voorziening van 250 liter per minuut. Bij twijfel of brandscheidingen behouden kunnen worden is direct veel meer aanvullende bluswatervoorziening nodig om bijvoorbeeld een waterkanon of torenstraal in te kunnen zetten 8

Het betreft hier een enkele slangleiding van maximaal 5 slanglengten à 20 meter. De opbouw van de benodigde slangleiding kan binnen 3 minuten plaatsvinden.

59

(1xWK; 1500 l/min); deze secundaire voorziening kan maximaal op 200 meter afstand van het object liggen. Bij hoogbouw en grote inzetdiepte is direct 500 liter per minuut nodig om de blusleidingen te kunnen vullen, aanvullend is net als bij gestapelde bouw 1500 liter per minuut noodzakelijk uit een secundaire bluswatervoorziening op maximaal 200 meter afstand. Alternatieve inzet Bij deze inzetstrategie (tabel 1F) wordt er van uitgegaan dat brandpreventieve voorzieningen voorkant veiligheids- zijn ingezet, die een brand mogelijk kunnen voorkomen of beheersbaar kunnen houden. keten Bij naoorlogse bouw zal echter slechts in een beperkt aantal gevallen sprake zijn van zulke brandpreventieve voorzieningen, dat een brand beperkt zal blijven tot een brandcompartiment. Met branduitbreiding zal dus rekening moeten worden gehouden. Wel is het mogelijk dat rookmelders zijn aangebracht, zodat het aannemelijk is dat bewoners zich bij een brand in veiligheid zullen hebben gebracht. Voor woningen kan in die gevallen worden volstaan met de inzet van 2xHD vanuit de TS. Aanvullend is dan een (secundaire) voorziening benodigd voor een defensieve inzet om brandscheidingen te behouden, zodat branduitbreiding naar omliggende panden wordt voorkomen (2xLD=500 l/min). De secundaire bluswatervoorziening mag zich op een afstand van maximaal 300 meter bevinden.

Wanneer de maximale afstand van 300 meter wordt aangehouden, dient wel standaard een tweede TS mee uit te rukken om een snelle overbrugging van de afstand tot de secundaire bluswatervoorziening mogelijk te maken. Voor hoogbouw/ grote inzetdiepte dient men wel direct te kunnen beschikken over een primaire capaciteit van 250 liter per minuut, met het oog op het vullen van slangen en blusleidingen.

1.3 Vooroorlogse bouw (woningen gebouwd voor 1945) Vooroorlogse bouw wordt gekenmerkt door een minder doordacht ontwerp m.b.t. het voorkomen en beheersen van brand zodat men niet uit kan gaan van enige vorm van brandscheiding of compartimentering. Hierdoor bestaat er een verhoogd risico op branduitbreiding, branddoorslag en brandoverslag bij een ontwikkelde brand. Dit risico wordt ook nog eens verhoogd aangezien vroege detectie geen zekerheid is. Ook komt men vaker bouwwerken (gecombineerde winkel/woningen, oude binnensteden) tegen met een hoge vuurbelasting waardoor een brand zich snel kan uitbreiden. Daarnaast is in oude binnensteden met nauwe straatjes bereikbaarheid vaak problematisch, zodat men ook nog eens risico loopt op een vertraagde opkomst. Mogelijk wordt er in eerste instantie offensief ingezet (zeker als redding van bewoners ondersteund moet worden) maar over het algemeen zal er defensief ingezet worden waarbij men een afbrandscenario probeert te vermijden. Aangezien een dergelijke inzet mogelijk met meerdere waterkanonnen of torenstralen uitgevoerd moet worden dient men over primaire, secundaire en tertiaire voorzieningen met een voldoende debiet te beschikken. Uitzondering Voor monumentale bouwwerken dient de bluswatervoorziening via maatwerk te worden geregeld.

Standaardinzet Bij een standaardinzet (tabel 1G) in een rijtjeswoning/winkel dient men te beschikken over een bluswatervoorziening van 1000 liter per minuut (primair 500 liter per minuut op 40 meter, secundair 500 liter per minuut op maximaal 200 meter), of een primaire voorziening van 1000 liter per minuut). Bij een dergelijke inzet houdt men al bij voorbaat rekening met escalatie van de brand. De standaardinzet gaat uit van 2xHD, aangevuld met 2xLD, of in totaal 4xLD. Bij vooroorlogse bouw is het noodzakelijk dat de primaire bluswatervoorziening, bijvoorbeeld een brandkraan, zo strategisch mogelijk geplaatst is. Dat wil zeggen: de brandkraan ligt zo dicht mogelijk bij de meest risicovolle objecten in de wijk. Slechts wanneer de risico’s op brand-

60

uitbreiding zeer beperkt geacht worden, kan de afstand tussen primaire bluswatervoorziening en opstelplaats vergroot worden tot maximaal 100 meter. Een debiet van 500 liter per minuut kan nog door 1 TS over 100 meter worden getransporteerd zonder noemenswaardig drukverlies9. Bij gestapelde bouw dient men te kunnen beschikken over een secundaire bluswatervoorziening van 1500 liter per minuut, om inzet met waterkanon of torenstraal mogelijk te maken. In oude binnensteden moet daarnaast ook nog een tertiaire bluswatervoorziening beschikbaar zijn (minimaal 2000 liter per minuut op maximaal 1000 m). In oude binnensteden is het ook noodzakelijk om met minimaal 2 TS’en aan te rijden om snel waterwinning te kunnen opbouwen. Mocht een redding (offensief) ondersteund moeten worden, dan volstaan de kengetallen zoals vermeld voor defensieve inzet ruimschoots. Alternatieve inzet Wanneer bluswater beperkt voorhanden is, moeten voor een alternatieve inzetstrategie met gereduceerd (tabel 1H) de volgende afwegingen worden gemaakt: bluswater Bij een woningbrand volstaat doorgaans een blussing met 1x of 2xHD. Hier moet direct op worden ingezet. Hiervoor is qua bluswater 250 liter per minuut benodigd, vanuit een primaire voorziening. Tegelijkertijd zal direct begonnen moeten worden met het opbouwen van een bluswatervoorziening om branduitbreiding naar omliggende panden te voorkomen.

Voor woningen bedraagt deze capaciteit minimaal 500 liter per minuut (inzet 2xLD) en voor gestapelde bouw moet minimaal 1500 liter per minuut kunnen worden geleverd (voor inzet waterkanon of torenstraal). Voor oude binnensteden moet minimaal direct kunnen worden ingezet met 2xHD en 1xLD. Hiervoor is 500 liter per minuut primair benodigd. Vanwege het escalatierisico van een brand in een oude binnenstad zijn minimaal secundaire en tertiaire voorzieningen nodig van respectievelijk 1500 liter per minuut op maximaal 200 meter en 2000 liter per minuut op maximaal 1000 m. Tevens dienen minimaal 2 TS’en direct aan te rijden. Alternatieve inzet Bij deze inzetstrategie wordt er van uitgegaan dat brandpreventieve voorzieningen zijn ingevoorkant veiligheids- zet, die een brand mogelijk kunnen voorkomen of beheersbaar kunnen houden. keten Qua voorzieningen zou het dan kunnen gaan om rookmelders, een zekere mate van brandcompartimentering en een beperkte vuurlast/vermogensdichtheid. In de praktijk zullen deze voorzieningen echter zelden getroffen zijn, en dan nog alleen in rijtjeswoningen/winkels. Voor het scenario Brand in vooroorlogse bouw zien wij dan ook geen mogelijkheid voor een alternatieve inzetstrategie die nog minder bluswater vereist dan de hierboven beschreven “Alternatieve inzet met gereduceerd bluswater”.

9

Het betreft hier een enkele slangleiding van maximaal 5 slanglengten à 20 meter. De opbouw van de benodigde slangleiding kan binnen 3 minuten plaatsvinden.

61

Tabel 1A: Scenario woningbranden (> 2003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen; standaardinzet

Woning Gestapelde bouw (< 20 m) 1 1/

Hoogbouw (20-70 m) inzetdiepte (> 60 m) 2

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

500

40

500

100 4

-

-

500

20

500

100 4

-

-

500

15 3

500

20

-

-

Hoogbouw > 70 m

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Maatwerk NB Per woonwijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Een leiding van 5 slanglengten is acceptabel qua inzettijd/drukverlies bij een maximale capaciteit van 500 liter per minuut.

Tabel 1B: Scenario woningbranden (> 2003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen:alternatieve inzet met gereduceerd bluswater

Woning Gestapelde bouw (< 20 m) 1 1/

Hoogbouw (20-70 m) inzetdiepte (> 60 m) 2 Hoogbouw > 70 m

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

250

40

250

100 4

-

-

250

20

250

100 4

-

-

500

15 3

500

20

-

-

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Maatwerk NB Per woonwijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Een leiding van 5 slanglengten is acceptabel qua inzettijd/drukverlies bij een maximale capaciteit van 500 liter per minuut.

62

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Woning

0

40

Inhoud TS

0

-

-

Gestapelde bouw (< 20 m) 1

02

20

Inhoud TS

0

-

-

0/20

-

-

Tabel 1C: Scenario woningbranden (> 2003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen: alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen

Hoogbouw (20-70 m) inzetdiepte 3,4

1/

0/250

15 6

Inhoud TS 5 /250 7

Hoogbouw > 70 m

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Maatwerk NB Per woonwijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4 5 6 7

Betreft hoogste verdiepingsvloer. In het geval van brandwerendheid op de buitengevel. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Bij kans op overslag buitenlangs wordt gekozen voor uitsluitend defensieve inzet voor behoud scheiding met 2x1HD. Alleen mogelijk indien hogedruk blusleidingen (momenteel nog niet genormeerd) aanwezig zijn. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Bij toepassing standaard lagedruk blusleiding wordt met 1xLD geblust.

Tabel 1D: Scenario woningbranden (19452003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen; standaardinzet

Woning Gestapelde bouw (< 20 m) 1 1/

Hoogbouw (20-70 m) inzetdiepte (> 60 m) 2 Hoogbouw > 70 m

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

1.000

40

500

40-100

500

300 4

0

2.000

20

500

40-100

1.500

200 5

0

2.000

15 3

500

20

1.500

200 5

0

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Maatwerk 1 2 3 4 5

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1e TS.

63

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

Woning

750

40

250

100

500

300 4

0

Gestapelde bouw (< 20 m) 1

1.750

20

250

100

1.500

200 5

0

Hoogbouw (20-70 m) 1 / inzetdiepte (> 60 m) 2

2.000

15 3

500

20

1.500

200 5

0

Tabel 1E: Scenario woningbranden (19452003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen:alternatieve inzet met gereduceerd bluswater

Hoogbouw > 70 m

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Maatwerk 1 2 3 4 5

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.

GeantiTabel 1F: Scenario cipeerd woningbranden (1945totaal uit 2003): voorzieningen alle voorvoor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen: zieningen (l/min) alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/ min)

Maximale afstand 2de bluswater-voorziening opstelplaats (m)

Woning

500

40

Inhoud TS

0

500

300 3,4

Gestapelde bouw (< 20 m) 1

500

20

Inhoud TS

0

500

300 3,4

500/500

152 /15

250/ Inhoud TS

20/0

250/500

300 3,4 /300 3,4

Hoogbouw (20-70 m) 1 / inzetdiepte (> 60 m) Hoogbouw > 70 m

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Maatwerk 1 2 3 4

Betreft hoogste verdiepingsvloer. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Onder voorwaarde van gelijktijdig aanrijden van 2de TS. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut.

64

Tabel 1G: Scenario woningbranden (< 1945): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen; standaardinzet

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Rijtjeswoning/winkels 1

1.000

40

500

40-100 4

500

300 5

0

0

Gestapelde bouw1 (< 20 m) 2

2.000

20

500

40-100 4

1.500

200 6

0

0

Oude binnensteden 3

4.500

40

1.000

40

1.500

200 6

2.000

1.000

Hoogbouw > 70 m

Maatwerk 1 2 3 4 5 6

Hieronder vallen ook de portiekwoningen. Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Standaard afstand is 40 meter. Afstand mag alleen vergroot worden tot 100 meter bij geringe kans op branduitbreiding (laag risicoprofi el). Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Maximale afstand objectopstelplaats (m)

Primair (l/min)

Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair (l/min)

Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Tertiair (l/min)

Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Rijtjeswoning/winkels1

750

40

250

40-100 4

500

300 5

0

0

Gestapelde bouw1 (< 20 m) 2

1.750

20

250

40-100 4

1.500

200 6

0

0

Oude binnensteden 3

4.000

40

500

40-100 4

1.500

200 6

2.000

1.000

Tabel 1H: Scenario woningbranden (< 1945): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen:alternatieve inzet met gereduceerd bluswater

Hoogbouw > 70 m

Maatwerk 1 2 3 4 5 6

Hieronder vallen ook de portiekwoningen. Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Standaard afstand is 40 meter. Afstand mag alleen vergroot worden tot 100 meter bij geringe kans op branduitbreiding (laag risicoprofi el). Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.

65

2 Scenariogroep Utiliteitsgebouwen

2.1 Utiliteitsgebouwen Onder utiliteitsgebouwen worden bouwwerken verstaan welke voor algemeen nut gebruikt worden, en die niet privaat bewoond worden.

. . . .

De indeling in verschillende typen utiliteitsgebouwen is gebaseerd op de PREVAP lijst10. In de PREVAP zijn gebouwen en objecten ingedeeld naar gebruiksfuncties. De indeling is vrij gedetailleerd en biedt voor deze handreiking een goede basis voor nadere specificatie van utiliteitsgebouwen. Ten behoeve van deze handreiking zijn PREVAP categorieën bij elkaar gegroepeerd wat resulteert in de volgende indeling in utiliteitstypen: Utiliteit zelfredzaam Utiliteit met aanwezigheid verminderd zelfredzamen Utiliteit groot Utiliteit diversen In tabel 2A is voor elk utiliteitstype beschreven welke PREVAP categorieën hierbij horen11. Voor elk utiliteitstype wordt de bluswaterbehoefte besproken tegen de achtergrond van de behoefte voor de scenariogroep Woningen (zie hoofdstuk 1)12 .

Uitwerking scenario’s: indeling in bouwperioden, utiliteitstypen en objecttypen

. . .

De uitwerking van de scenariogroep Utiliteitsgebouwen is opgezet conform de systematiek van de scenariogroep Woningen (hoofdstuk 1). Daar zijn de kengetallen onderscheiden naar bouwperiode (nieuwbouw, naoorlogs, vooroorlogs) en woningtypen. Voor utiliteitsgebouwen zijn met name de bouwperioden nieuwbouw en naoorlogs relevant. Vooroorlogse utiliteitsgebouwen komen niet vaak meer voor en worden daarom in deze handreiking verder buiten beschouwing gelaten. De objecttypen bij nieuwbouw en naoorlogse bouw zijn ‘enkellaags’, ‘gestapelde bouw <20 m’ en ‘hoogbouw (20-70 m)/grote inzetdiepte> 60 m’. Deze nadere typering is ook voor utiliteitsgebouwen relevant. De nadere indeling wordt dan als volgt benoemd: Enkellaags Gestapelde bouw<20 m Hoogbouw (20-70 m)/grote inzetdiepte> 60 m Utiliteitsgebouwen hoger dan 70 meter worden in deze handreiking niet nader besproken. Wanneer hoger dan 70 meter gebouwd wordt, vereist wet- en regelgeving dat speciale voorzieningen t.a.v. bluswater worden getroffen. Maatwerk is dan geboden13. Voor deze PREVAP-categorieën geldt dat zij kunnen voorkomen in verschillende objecttypen. Als voorbeeld: een kantoorgebouw kan gehuisvest zijn in een woning, in een pand dat bestaat uit meerdere bouwlagen of in een pand dat hoger is dan 20 meter of dat een grote inzetdiepte heeft.

Voor de bluswaterbehoefte kan dan gerekend worden met dezelfde kengetallen als voor woningen. En, net als bij woningen, is er meer bluswater vereist voor utiliteitsgebouwen uit de naoorlogse bouwperiode, vergeleken met de bouwperiode na 2003. De bluswaterbehoefte wordt, per bouwperiode, gerelateerd aan een van de drie inzetstrategieën,

10 11 12 13

Zie tabel 2B. PREVAP staat voor “Preventie Activiteiten Plan”, zie NIFV (2009) Handleiding PREVAP 2009. NB: De indeling in utiliteitstypen betreft een grove categorisering. Indien wenselijk is het mogelijk naar eigen interpretatie de indeling voor een specifi ek gebouw of bouwwerk aan te passen. Bluswaterbehoefte is gerelateerd aan een bepaald scenario, bij een bepaald utiliteitstype. Dit houdt in dat wijziging van gebruiksfunctie of herbestemming van een utiliteitsgebouw, ook kan leiden tot een ander utiliteitstype en daarmee tot wijziging van de bluswaterbehoefte. Maatwerk is ook geboden voor ondergrondse bouw.

66

te weten I) standaardinzet (tabel 2C), II) alternatieve inzet gereduceerd bluswater (tabel 2D) en III) alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen (tabel 2E). Deze inzetstrategieën zijn toegelicht in de inleiding van deze handreiking. 1 Utiliteit zelfredzaam Deze systematiek is van toepassing op alle categorieën met als kenmerk dat ze gebruikt worden door (in principe) zelfredzame personen. De brandpreventieve voorzieningen die conform wet- en regelgeving geëist worden, zijn afgestemd op het type gebouw. Met toepassing van de brandpreventieve voorzieningen is het in principe mogelijk dat de aanwezigen in een dergelijk gebouw bij brand het pand tijdig kunnen verlaten. De beschreven bluswatercapaciteit wordt aangewend om de brand te bestrijden en zou niet ingezet hoeven te worden om redding te ondersteunen. In tabel 2C, 2D en 2E wordt de bluswaterbehoefte weergegeven voor respectievelijk de inzetstrategieën ‘standaard’, ‘alternatieve inzet gereduceerd bluswater’ en ‘alternatieve inzet voorkant veiligheidsketen’. De benodigde bluswatercapaciteit uit een primaire bluswatervoorziening is vergelijkbaar voor beide bouwperioden. Voor brandbestrijding in utiliteitsgebouwen uit de naoorlogse bouwperiode wordt met name een grotere bluswatercapaciteit vereist uit secundaire voorzieningen.

Voor de onderbouwing van de bluswaterbehoefte gerelateerd aan de inzetstrategie, verwijzen wij naar de onderbouwing bij de scenariogroep woningen. Zie hiervoor het voorgaande hoofdstuk (hoofdstuk 1). 2 Utiliteit met aanwezigheid verminderd zelfredzamen Al de gebouwen uit deze categorie worden gebruikt door verminderd zelfredzame personen. Of er zijn maatregelen getroffen, zoals bij gevangenissen, waardoor de personen zich niet zelf in veiligheid kunnen brengen. Voor deze gebouwen zijn brandpreventieve voorzieningen verplicht, conform wet- en regelgeving. Deze zijn over het algemeen zwaarder dan bij het utiliteitstype ‘Utiliteit zelfredzaam’. De brandpreventieve voorzieningen moeten het namelijk mogelijk maken dat een brand niet alleen beperkt blijft tot een bepaald compartiment, maar dat de aanwezige BHV-organisatie ook nog in staat moet zijn om mensen te evacueren. De BHV-organisatie moet minimaal ontruiming van het brandcompartiment naar het naastgelegen brandcompartiment uit kunnen voeren. De bluswatercapaciteit zal dan altijd voldoende moeten zijn om de brand beheersbaar te houden en de redding te ondersteunen. De alternatieve inzetstrategie ‘voorkant veiligheidsketen’ kan hier echter niet toegepast worden, omdat deze specificatie er op gebaseerd is dat de aanwezigen in een gebouw zelfstandig het pand kunnen verlaten.

Daar is geen sprake van bij dit utiliteitstype, omdat in de betreffende gebouwen of bouwwerken ‘verminderd zelfredzamen’ aanwezig kunnen zijn. Daarom zijn nu alleen de tabellen 2C en 2D van toepassing. 3 Utiliteit groot Kenmerk van dit utiliteitstype is dat er mensen in verblijven die zelfredzaam zijn en dat de gebouwen groot van omvang zijn. Voor deze gebouwen worden ook brandpreventieve voorzieningen geëist. Qua bluswaterbehoefte kan dit utiliteitstype worden ingedeeld naar analogie van de scenariogroep woningen voor wat betreft de woningtypen hoogbouw (20-70 meter) of grote inzetdiepte (>60 meter). Uiteraard moet ook weer het bouwjaar (na 2003 of naoorlogs) in acht genomen worden. Tabellen 2C, 2D en 2E kunnen hier van toepassing zijn. 4 Utiliteit diversen Hieronder worden nog een aantal utiliteitstypen uitgelicht. Industriefunctie In deze handreiking wordt de industriefunctie verder niet specifiek behandeld, omdat hier (PREVAP-categorie maatwerk vereist is. Voor de bepaling van de bluswaterbehoefte kan gebruik gemaakt wor5110 t/m 5130) den van het BrandweerBRZO-scenarioboek (Landelijk Expertise Centrum BrandweerBRZO, 2009). Voor de algemene bluswaterbehoefte, zie hieronder bij bedrijventerreinen.

67

Bedrijventerreinen Voor bedrijventerreinen geldt dat er een vergroot risico op een geëscaleerde brand kan bestaan, i.v.m. een mogelijk late detectie van een brand. In een dergelijke setting is vaak sprake van grote brandcompartimenten. Er kan mogelijk een verhoogde vuurbelasting bestaan t.g.v. de opslag van goederen. Tevens kan door leegstand ook eerder een brandgevaarlijke situatie ontstaan die vervolgens ook weer laat wordt ontdekt. De inzet zal er op gericht zijn om belendende percelen te behouden, terwijl het pand zelf waarschijnlijk verloren zal gaan. Voor dit type inzet is al gauw 4xLD benodigd (1000 liter per minuut). Wanneer men te maken heeft met een geëscaleerde brand, kan de inzet van waterkanonnen en torenstralen overwogen worden (elk met een capaciteit van 1500 liter per minuut, totaal 4500-6000 liter per minuut). In dat geval is tertiaire bluswatervoorziening in combinatie met grootschalig watertransport (WTS) benodigd om een defensieve inzet mogelijk te maken14 . Als alternatief kunnen bedrijven ook een collectieve bluswatervoorziening aanleggen, gedimensioneerd op de omvang van het bedrijventerrein en specifieke aspecten van de inrichtingen. De bovenstaande overwegingen gelden ook voor loodsen, vemen of opslagplaatsen (PREVAPcategorie 13120). Afhankelijk van het regio-specifieke escalatierisico kan maatwerk benodigd zijn.

Parkeergarages Bij brand wordt er van uitgegaan dat het incident-object zich bevindt te midden van andere (PREVAP-categorie voertuigen. De eerste inzet vindt plaats met 1xHD. Om escalatie te voorkomen, zal mogelijk 13220) ingezet moeten worden met 2xLD (500 l/min). De benodigde bluswaterbehoefte is dan 500 liter per minuut, te leveren door een primaire bluswatervoorziening15. Voor volautomatische autobergingen (VAB) wordt geadviseerd te kiezen voor een afbrandscenario van de VAB, met het oog op de veiligheid van de incidentbestrijders. In een VAB zijn standaard geen mensen aanwezig zodat geen reddingen hoeven te worden uitgevoerd. Het ontbreken van afscheidinTabel 2A gen in VAB’s, in combinatie met slecht zicht als gevolg van rookontwikkeling, maken echter Indeling in utiliteitshet risico dat incidentbestrijders een of meer verdiepingen naar beneden vallen zeer reëel. typen op basis van PREVAP Utiliteit zelfredzaam

Utiliteit met aanwezigheid verminderd zelfredzamen

Utiliteit groot

Utiliteit diversen

Kloosters/abdijen (1200)

Tehuizen (1100)

Bijeenkomstgebouwen > 500 personen (2330, 2430, 2730, 2930)

Industriefunctie (5110 t/m 5130)

Woongebouwen met inpandige gangen (1300)

Woning niet-zelfredzame bewoner (1600)

Gebouwen voor middelbaar /hoger onderwijs > 500 personen (8230)

Loods, veem, opslagplaats (13120)

Woning met zorg (1500)

Bejaardenoorden/ verzorgingshuizen (1700)

Gebouwen met sportfunctie > 1000 personen (9230)

Parkeergarages (13220)

Kamerverhuur (1800)

Kinderdagverblijf/peuterspeelzaal (2100/2200)

Winkelgebouwen > 1000 personen (10140)

Bijeenkomstgebouwen < 500 personen (2300 t/m 2999)

Gevangenissen (3100)

Kampeerterreinen (14110 t/m 14130) (zie 2.2) Bedrijventerreinen (geen PREVAP)

Gezondheidsdiensten (4100)

Gezondheidszorggebouwen (4200 t/m 4400)

Kantoorgebouwen (6110 t/m 6130)

Gebouwen met een logiesfunctie (7110 t/m 7320)

Gebouwen voor middelbaar/ hoger onderwijs< 500 personen (8210/8220)

Gebouwen voor basisonderwijs (8100)

Gebouwen met sportfunctie < 1000 personen (9100 t/m 9220) Winkelgebouwen < 1000 personen (10110 t/m 10130) Studio’s (11100) Stationsgebouwen (11210 t/m 11230) Bouwwerk geen gebouw zijnde (12) Markt (14200) 14 15

Als kengetal voor een defensieve inzet kan een getal van 2000 liter per minuut per 50 meter vuurfront worden aangehouden. Afhankelijk van de hoogte van het gebouw zullen blusleidingen moeten worden toegepast.

68

Tabel 2B PREVAP-indeling16 PREVAPOmschrijving nummer

1

Aantal Priopersonen riteit*

Gebouwen met een woonfunctie

1100

Tehuizen

PREVAPOmschrijving nummer

7

> 10**

*1

7110

Aantal Priopersonen riteit*

Gebouwen met een logiesfunctie

Hotel

10-50

*2

1200

Kloosters/abdijen

2

7120

Hotel

> 50

*1

1300

Woongeb’w met inpandige gangen

3

7210

Pension/Nachtverblijf

10-50

*2

1500

Woningen met zorg

3

7220

Pension/Nachtverblijf

> 50

*1

1600

Woningen (bedrijfsm./complexen) niet zelfredzame bewoners

> 10**

7310

Dagverblijf (kinderen/gehandicapten

10-50

*3

7320

Dagverblijf (kinderen/gehandicapten

> 50

*2

1700

Bejaardenoorden/verzorgingshuizen

> 10**

*1

1800

Kamerverhuur

> 14

2

> 10

*2

2

2100

*2

Gebouwen met een bijeenkomstfunctie

Kinderdagverblijf

8

Gebouwen met een onderwijsfunctie

8100

School (leerlingen < 12 jaar)

8210

School (leerlingen > 12 jaar)

50-250

3

> 10

*2

8220

School (leerlingen > 12 jaar)

250-500

2

8230

School (leerlingen > 12 jaar)

> 500

1

2200

Peuterspeelzaal

> 10

*3

2310

Theater, schouwburg, bioscoop, aula

50-250

3

2320

Theater, schouwburg, bioscoop, aula

250-500

2

9

Gebouwen met een sportfunctie

2330

Theater, schouwburg, bioscoop, aula

> 500

1

9100

Gymzaal, studio (ballet bv.)

> 50

4

2410

Museum, bibliotheek

50-250

4

9210

Sporthal, stadion

50-250

3

2420

Museum, bibliotheek

250-500

2

9220

Sporthal, stadion

250-1000

2

2430

Museum, bibliotheek

> 500

1

9230

Sporthal, stadion

> 1000

1

9300

Zwembad

10

Gebouwen met een winkelfunctie

2510

Buurthuis, ontm.centrum, wijkcentr.

50-250

3

2520

Buurthuis, ontm.centrum, wijkcentr.

> 250

2

2610

Gebedshuis

50-250

3

2

2620

Gebedshuis

> 250

2

10110

Winkelgebouwen

50-250

4

2710

Tentoonstellingsgebouwen

50-250

4

10120

Winkelgebouwen

250-500

3

2720

Tentoonstellingsgebouwen

250-500

2

10130

Winkelgebouwen

500-1000

2

2730

Tentoonstellingsgebouwen

> 500

1

10140

Winkelgebouwen

> 1000

1

2800

Kantine, eetzaal

> 50

3

2910

Cafe’s, discotheek, restaurant

50-250

3

11

Overige gebruiksfuncties

2920

Cafe’s, discotheek, restaurant

250-500

2

11100

Studio’s (opname bv. TV)

2930

Cafe’s, discotheek, restaurant

> 500

1

2999

Overige gb’n met bijeenk.functie

> 50

3

3100 4

Gebouwen met een celfunctie

Gevangenissen

> 10**

2

11210

Stationsgebouwen

50-250

4

11220

Stationsgebouwen

250-500

2

11230

Stationsgebouwen

> 500

1

11999

Overige gebruiksfunctie

> 50

*1 12

Bouwwerk geen gebouw zijnde Gebouwen met gelijkwaardigheid

Gebouwen met een gezondheidszorgfunctie

4100

Gezondheidsdiensten

> 50

3

13

4200

Klinieken (poli-, psychiatr., ...)

> 10**

*1

13120

Loods, veem, opslagplaats

> 1000m2

4300

Ziekenhuis

> 10**

*1

13220

Verpleegtehuizen

> 1000m2

4400

Verpleegtehuizen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=a62064c4-da2a-46aa-a35d-fe155a16371c