CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Handreiking BRW NL Bluswatervoorziening (2012)

Raadsvergadering 26 april 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Overeenkomsten Harderwijkerweg 5-7, Priensnitzalaan 2-2a te Laag-Soeren37.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bijvoorbeeld CAFS (compressed air foam system) of One-Seven.

24

Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem20. Voor het genereren van waterschermen worden meestal waterkanonnen gebruikt, die benedenwinds van het incident worden opgesteld. Uit de praktijk is gebleken dat een nog beter effect wordt bereikt wanneer waterschermen in een cascade-opstelling (achtereenvolgend op elkaar) geplaatst worden. Dit houdt in dat minimaal twee tot drie waterkanonnen moeten worden ingezet. De bluswaterbehoefte is dan 3000-4500 liter water per minuut. De hierboven beschreven kengetallen zijn afhankelijk van diverse variabelen, zoals o.a. de aard van de gevaarlijke stof, de ondergrond waarboven de lekkage plaatsvindt (zakt het weg of blijft het liggen), de mogelijkheid om de stoffen in te dammen of op te nemen in absorptiemateriaal, de weersomstandigheden en de eventuele aanwezigheid van preventieve maatregelen, zoals afvoergoten, een gescheiden rioolstelsel, vloeistof-kerende ondergrond of opvangbassins.

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Primair (l/min)

Afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair/ tertiair (l/min)

Afstand 2/3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Cabinebrand1

2.000

Inhoud TS

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Ladingbrand 2

2.000

0

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

2.000-3.000

0

n.v.t.

2.000-3.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Plasbrand 4,5

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Vrijkomen gevaarlijke lading 6,7

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Tabel 3A: Voorzieningen voor bluswatergebruik voor OGS en Transport: Wegvervoer

Voorkomen BLEVE 3

1 2 3

4 5 6 7

De inhoud van de TS volstaat voor blussing van de voertuigbrand waarbij een secundaire/tertiaire bluswatervoorziening van 2000 liter per minuut nodig is voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van de lading is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk. De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van een brand om een BLEVE te voorkomen is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk; tevens kan het nodig zijn om zo snel mogelijk aan te vangen met het koelen van de tankwagen (minimaal 1000 liter per minuut) Voor onbemande blussing en koeling wordt uitgegaan van 3000 liter per minuut (inzet 2xWK). De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m2 . Voor blussing van de plasbrand is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten volstaan voor het beschermen van de omgeving. Tevens benodigd 4100 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m2 ). Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m2 . Voor afdekken van de vloeistofplas is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. De bluswatervoorziening volstaat ook voor bescherming van de omgeving. Tevens benodigd 2050 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m2 )

3.3 Uitwerking scenario’s spoorvervoer Hieronder worden de scenario’s voor spoorvervoer nader gespecificeerd. Zie hiervoor ook tabel 3B. NB Bij blussen dient men altijd voorzorgen te nemen ter voorkoming van elektrocutie. Hiervoor bestaat de procedure ‘Ruim Uitschakelen’ wanneer binnen 7 meter van de bovenleiding geblust moet worden. Ook zijn speciale schakelingen mogelijk, voor specifieke trajecten. Scenario Incidenten in een locomotief kunnen over het algemeen met de inhoud van de tank van de locomotiefbrand TS geblust worden, eventueel met toepassing van schuim door bijvoorbeeld de hosemaster. In geval van een brand die is overgeslagen naar de omgeving dient men de beschikking te hebben over meer bluswater. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van 20

Bijvoorbeeld CAFS (compressed air foam system) of One-Seven.

25

de omgeving en de grootte van het effectgebied. Hierbij wordt ingezet met bijvoorbeeld een waterkanon (WK, 1500 l/min) en lagedruk (2xLD, 500 l/min). In totaal komt men dan op 2000 liter per minuut uit een secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Deze secundaire of tertiaire bluswatervoorziening zou zich op maximaal 200 meter van de opstelplaats moeten bevinden om inzet met 1 TS mogelijk te maken, met een opbrengst van 2000 liter per minuut. Bevindt de bluswatervoorziening zich op maximaal 500 meter, dan kan de gelijktijdige inzet van een tweede TS uitkomst bieden. Deze tweede TS wordt dan speciaal op de waterwinning ingezet en overbrugt 300 meter. Driehonderd meter is de maximale afstand die met de slanglengten van 1 TS te overbruggen is. Er kan dan echter maximaal 1250 liter per minuut geleverd worden vanwege beperkingen ten gevolge van drukverliezen. Aangezien het incident op het spoor plaatsvindt, ligt de aanwezigheid van een secundaire of tertiaire bluswatervoorziening in de directe omgeving niet voor de hand. Daarom verdient het aanbeveling in die gevallen standaard een schuimblusvoertuig of tankwagen mee uit te laten rukken. Zo kan in de eerste bluswaterbehoefte worden voorzien. Vervolgens dient groot watertransport of een pendelsysteem te worden opgezet, om een capaciteit van 2000 liter per minuut te kunnen genereren.

Scenario ladingbrand Voor het blussen van een ladingbrand zal men direct over een debiet van 1000-2000 liter per minuut moeten beschikken om een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min) mogelijk te maken. Bluswater kan afkomstig zijn uit een secundaire of tertiaire voorziening. Wanneer deze voorziening op 200 meter afstand ligt, kan de inzet eventueel met 1 TS gedaan worden. Bij een bluswatervoorziening op maximaal 500 meter dient direct een tweede TS mee uit te rukken, om de resterende afstand te overbruggen en de eerste TS te voeden. Waarschijnlijk is het echter praktischer en sneller om standaard een schuimblusvoertuig of tankwagen mee uit te laten rukken. Het schuimblus-voertuig of de tankwagen wordt dan gebruikt als een alternatief voor primaire bluswatervoorziening. Bij overslag naar de omgeving is de benodigde bluswatercapaciteit afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Een bluswatercapaciteit van 2000 liter per minuut zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving (inzet met 1xWK=1500 l/min en 2xLD=500 l/min). Wanneer uitgerukt wordt met schuimblusvoertuig of tankwagen moet dan alsnog aanvullende bluswatervoorziening worden opgebouwd om continuïteit van blussing te garanderen.

Inmiddels zijn of worden in het spoorvervoer preventieve voorzieningen getroffen die de kans op het optreden van brand beperken of beheersbaar houden. Deze voorzieningen betreffen bijvoorbeeld de toepassing van automatische stroomonderbrekers of botsingsbestendige brandstoftanks (bij diesellocomotieven). Verder kan compartimentering in wagons of sprinklers in het ladingcompartiment aangebracht zijn, zodat niet alle lading in één keer bij het incident betrokken raakt. Ook kunnen nood-afsluitmechanismen zijn aangebracht die in werking treden bij beschadiging of verhitting, zodat geen gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Scenario Een ander scenario wordt gevormd door brand met aanstraling van een ketelwagon, gevuld voorkomen met tot vloeistof verdicht gas. Bij dit scenario is er, bij een forse brand van bijvoorbeeld brandBLEVE 21 bare lading, kans op een BLEVE. Men dient dan zo snel mogelijk te beginnen met blussing van de brand en zo snel mogelijk met koeling van de aangestraalde ketelwagon. Voor blussing van de brand is 1000-2000 liter per minuut benodigd voor een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/ min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min). Voor koeling is benodigd 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak per minuut, in het geval van een tot vloeistof verdicht gas 22 . Dit komt neer op een capaciteit van 1500 liter per minuut.

Voor een effectieve koeling zal men echter over twee waterkanonnen moeten beschikken (koeling vanaf twee zijden). Hiervoor zal men over een debiet van 3000 liter per minuut 21 22

Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Voor de koeling van een tankwagen met vloeistof, niet zijnde tot vloeistof verdicht gas, wordt een lager kengetal van 2 l/m²/min aangehouden.

26

moeten beschikken. In totaal (blussing + koeling) komt men dan uit op 4000-5000 liter per minuut. Wanneer men uitsluitend onbemand wil blussen en koelen dienen 4 waterkanonnen te worden ingezet. Hiervoor is dan een capaciteit van 6000 liter per minuut benodigd (4xWK). Mede met het oog op het risico van een BLEVE verdient het aanbeveling om zo snel mogelijk voor ruim voldoende bluswater te zorgen. Gezien de benodigde bluswater hoeveelheden is het raadzaam direct met een schuimblusvoertuig of tankwagen uit te rukken. Vervolgens dient zo snel mogelijk watertransport vanaf secundaire of tertiaire bluswatervoorzieningen gerealiseerd te worden, om continuïteit van blussing en koeling te garanderen. Overigens geldt ook hier dat in geval van uitbreiding van de brand naar de omgeving er bluswater beschikbaar moet zijn voor blussing. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Om een BLEVE te voorkomen wordt er nu ook gereden met zogenaamde bloktreinen die alleen bestaan uit wagons met LPG. Zo wordt voorkomen dat een wagon met zeer brandbare vloeistof toevallig gekoppeld wordt aan een wagon met tot vloeistof verdicht gas.

Ook kan de trein zo ingedeeld zijn dat wagons met tot vloeistof verdicht gas alleen gecombineerd worden met wagons zonder brandbare lading, of dat er een ruime afstand wordt aangehouden tot wagons met zeer brandbare vloeistoffen. Scenario Bij een plasbrand kan men een offensieve inzet met schuim uitvoeren. De grootte van de plasbrand brandende plas is onder andere afhankelijk van de grootte van het compartiment dat leegstroomt (bij instantaan vrijkomen, of bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage), de aard van de brandende vloeistof, de aard van het spoorbed en de omgeving en meteorologische invloeden. Naar verwachting zal de grootte van de brandende plas tussen de 300 en 700 m2 zijn23. Het kengetal voor een offensieve inzet met schuim komt uit de Operationele Handreiking Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen24 . Het kengetal is een bewerking van de kengetallen uit de NFPA11. Zie voor de achtergronden van de kengetallen de rapportage ‘Schuim als blusmiddel’25. Er wordt gerekend met de volgende formule: V=Oxaxtxf waarbij V = de hoeveelheid schuimvormend middel (SVM) in liters O = de oppervlakte van de brandende plas in m2 a = de applicatiesnelheid, op gemiddeld 6.5 l/min/m2 t = de tijdsduur die benodigd is om een stabiele schuimlaag aan te brengen, waarvoor 15 minuten wordt gerekend f = de fractie schuimvormend middel, d.w.z. het bijmengpercentage van 3%.

Dit houdt in dat voor een plasbrand van 300 m2 gedurende de eerste 15 minuten 875 liter schuimvormend middel (SVM) benodigd is en 2000 liter water per minuut. Voor 700 m2 zijn gedurende de eerste 15 minuten de kengetallen: 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Na het aanbrengen van een stabiele schuimlaag moet deze onderhouden worden. De brand zorgt er namelijk voor dat het schuim ook afgebroken wordt. Daarom moeten minimaal nog een kwartier lang dezelfde hoeveelheden schuim opgebracht worden. De totale hoeveelheid SVM komt dan voor een plas van 300 m2 op 1750 liter en voor 700 m2 op 4100 liter. Is de plasbrand na een half uur nog niet onder controle, dan moet doorgegaan worden met het aanbrengen van de schuimlaag met de hoeveelheden SVM en water zoals hierboven be-

23 24 25

De verwachte plasgrootte is vergelijkbaar voor spoorvervoer en wegvervoer, ondanks het feit dat een ketelwagon doorgaans een grotere inhoud heeft dan een tankwagen. De reden hiervoor is dat het spoorbed meestal direct een hoop vloeistof opneemt, in tegenstelling tot een standaard wegdek. NVBR Vakgroep OGS (2012) Operationele Handreiking Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen. Arnhem: Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding. Tolsma P.J.A. en Arentsen D.(2008) Schuim als blusmiddel. Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid Nibra

27

schreven. Wanneer de brand wel onder controle is, is het aan te bevelen om de schuimlaag in stand te houden om verdere verdamping van de plas te voorkomen. Hiervoor is 5-10% van de hierboven genoemde hoeveelheden SVM en water benodigd. Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem26 . In aanvulling op de hierboven genoemde hoeveelheden bluswater dient bluswater beschikbaar te zijn voor het koelen/afschermen van de omgeving. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Bij een defensieve inzet (omdat de plas bijvoorbeeld al weggelopen is in het spoorbed of de omgeving) kan men zich beperken tot het beschermen van de omgeving waarvoor een debiet van 2000 liter per minuut volstaat (1xWK en 2xLD). Mocht zich het scenario voordoen van een plasbrand die een ketelwagon met tot vloeistof verdicht gas aanstraalt, dan zal men ook moeten overwegen om bluswater voor koeling in te zetten. Zie hiervoor voorgaande paragraaf ‘Scenario voorkomen BLEVE’.

Scenario vrijkomen Een ander scenario betreft het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij instantaan leeglopen gevaarlijke lading of bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage. Het kan hier gaan om brandbare, oxiderende, giftige (toxische), bijtende (corrosieve), radioactieve of explosieve stoffen. Deze stoffen kunnen vereenvoudigd gezegd vrijkomen als gassen, vloeistoffen of vaste stoffen. Voor de specifieke bestrijding van een dergelijk incident dient een adviseur gevaarlijke stoffen (AGS) te worden geraadpleegd. Deze paragraaf gaat over de hoeveelheden bluswater en schuim die benodigd zijn wanneer geen brand ontstaat. Bluswater kan namelijk ingezet worden voor het aanbrengen van een schuimdeken om de vloeistofplas van gevaarlijke stoffen af te dekken. Ook kan bluswater ingezet worden ter bescherming van de omgeving. Er kunnen dan waterschermen gegenereerd worden die gevaarlijke gassen of dampen kunnen neerslaan, verdunnen, opmengen of oplossen. De kengetallen voor het aanbrengen van een schuimdeken kunnen uit de voorgaande paragraaf (scenario plasbrand) worden overgenomen. De stabiele schuimlaag kan al binnen een kwartier zijn aangebracht. Hierna moet de schuimlaag worden onderhouden. Nu kan met 5-10 % van de hoeveelheden schuimvormend middel (SVM) en water worden volstaan, omdat dan alleen nog sprake is van afdekking van de vloeistofplas.

Steeds moet gecontroleerd worden of de schuimlaag in stand blijft. Sommige gevaarlijke stoffen kunnen de schuimlaag namelijk afbreken. Is dat het geval, dan dient de schuimlaag weer te worden aangevuld. Dit houdt in dat voor een vloeistofplas van 300 m2 voor het aanbrengen van een schuimlaag ongeveer 875 liter SVM en 2000 liter water per minuut benodigd is en voor het in stand houden 85 liter SVM en 250 liter water per minuut. Voor een vloeistofplas van 700 m2 zijn de getallen voor het aanbrengen van de schuimdeken 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Voor het in stand houden is 200 liter SVM en 500 liter water per minuut benodigd. Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem27. Voor het genereren van waterschermen worden meestal waterkanonnen gebruikt, die benedenwinds van het incident worden opgesteld. Uit de praktijk is gebleken dat een nog beter effect wordt bereikt wanneer waterschermen in een cascade-opstelling (achtereenvolgend op elkaar) geplaatst worden. Dit houdt in dat minimaal twee tot drie waterkanonnen moeten worden ingezet. De bluswaterbehoefte is dan 3000-4500 liter water per minuut. 26, 27

Bijvoorbeeld CAFS (compressed air foam system) of One-Seven.

28

De hiervoor beschreven kengetallen zijn afhankelijk van diverse variabelen, zoals de aard van de gevaarlijke stof, de doorlatendheid van het spoorbed, de mogelijkheid om de stoffen in te dammen of op te nemen in absorptiemateriaal, de weersomstandigheden en de eventuele aanwezigheid van preventieve maatregelen, zoals afvoergoten, een gescheiden rioolstelsel of opvangbassins. Spoorweg- De hiervoor beschreven scenario’s kunnen zich ook voordoen op spoorwegemplacementen. emplacementen Op emplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen, kan zich het qua bluswaterbehoefte worst-case scenario voordoen van aanstraling van een ketelwagon met tot vloeistof-verdicht gas met risico op BLEVE. Er moet dan worden ingezet op onbemande blussing en koeling. Hiervoor worden 4xWK gebruikt (elk met een debiet van 1500 liter per minuut) voor 2-zijdige koeling van de ketelwagons en bestrijding van de brand. Hiervoor is in totaal 6000 liter per minuut benodigd. Preventief, om verdere escalatie te voorkomen, kunnen mogelijk wagons met gevaarlijke stoffen vroegtijdig weggerangeerd worden. Gezien de benodigde bluswater hoeveelheden is het raadzaam direct met een schuimblusvoertuig of tankwagen uit te rukken. Vervolgens dient zo snel mogelijk aanvullende bluswatervoorziening uit secundaire of tertiaire voorzieningen opgebouwd te worden om continuïteit van blussing en koeling te garanderen.

Overigens geldt ook hier dat in geval van uitbreiding van de brand naar de omgeving er bluswater beschikbaar moet zijn voor blussing. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving.

Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)

Primair (l/min)

Afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Secundair/ tertiair (l/min)

Afstand 2/3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)

Locomotiefbrand1

2.000

Inhoud TS

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Ladingbrand 2

2.000

0

n.v.t.

2.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

4.000-5.000

0

n.v.t.

4.000-5.000

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Plasbrand 4,5

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Vrijkomen gevaarlijke lading 6,7

4.500

0

n.v.t.

4.500

200 of SBV/tankwagen/grootwater-transport/pendelsysteem

Tabel 3B: Voorzieningen voor bluswatergebruik voor OGS en Transport: Spoorvervoer

Voorkomen BLEVE 3

1 2 3

4 5 6 7

De inhoud van de TS volstaat voor blussing van de locomotiefbrand waarbij een secundaire bluswatervoorziening van 2000 liter per minuut nodig is voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van de lading is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk. De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Voor blussing van een brand om een BLEVE te voorkomen is een bluswatervoorziening van 1000-2000 liter per minuut noodzakelijk; tevens kan het nodig zijn om zo snel mogelijk aan te vangen met het koelen van de ketelwagon (3000 liter per minuut). Voor onbemande blussing en koeling wordt uitgegaan van de inzet van 4 waterkanonnen (6000 liter per minuut). De bluswatervoorziening volstaat ook voor het beschermen van de omgeving. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Voor blussing van de plasbrand is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten volstaan voor bescherming omgeving. Tevens benodigd 4100 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m 2 ). Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Voor afdekken van de vloeistofplas is een bluswatervoorziening van 4500 liter per minuut noodzakelijk. Deze bluswatervoorziening volstaat ook voor bescherming van de omgeving. Tevens benodigd 2050 liter SVM (bij een plasoppervlak van 700 m 2 ).

Bescherming van De in dit hoofdstuk beschreven scenario’s hebben zowel bij een offensieve als defensieve inzet de omgeving een aanzienlijke bluswaterbehoefte. Een risico op overslag naar de omgeving is aanwezig. Daarom moet men bij een inzet terdege rekening houden met bescherming van de omgeving. In de voorgaande paragrafen is de bluswaterbehoefte met name bepaald vanuit de optiek van het bestrijden van het incident zelf. In deze paragraaf hanteren wij een andere benaderingswijze: nu bekijken we de totale bluswaterbehoefte juist vanuit het perspectief van de omgeving.

29

De prioriteit van het blussen van het object waarin het incident is opgetreden, moet worden afgewogen in relatie tot de bescherming van de omgeving. De inzet bestaat dan voornamelijk uit het koelen van de omgeving ter voorkoming van overslag, het optreden van een BLEVE of het voorkomen van verspreiding van gevaarlijke vloeistoffen, dampen of gassen. Omgevingstypen als bebouwing (kwetsbare objecten) of kwetsbare natuur, of domino-effecten als aanstraling van tankwagens of ketelwagons met tot vloeistof verdicht gas, behoeven daarbij een groter debiet dan een omgeving als een rijksweg of spoor in landelijk gebied. In de tabellen 3C Wegvervoer en 3C Spoorvervoer is de totale bluswaterbehoefte voor verschillende omgevingstypen per scenario weergegeven. Tabel 3C Bluswaterbehoefte bij scenario’s in verhouding tot verschillende omgevingen.

Om de omgeving bij een incident te beschermen kunnen ook preventieve maatregelen getroffen worden in de zin van het aanbrengen van een ‘bufferzone’. Door de afstand te vergroten tussen (snel)weg of spoor en de kwetsbare omgeving, wordt het risico van overslag naar de omgeving beperkt. Deze maatregelen kunnen in groter verband worden getroffen in samenspraak tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid (zie ook bijlage 3).

Wegvervoer Omgeving Object

Cabinebrand Ladingbrand Voorkomen BLEVE Plasbrand 3 Vrijkomen gevaarlijke lading 1 2 3 4 5

Bluswater profiel1

Rijksweg

Vrachtwagen

Tankwagen

Bebouwing (kwetsbare objecten)

Natuur

Stalling 2

I

0

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

II/III

0

0

0

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

2.000-3.000

2.000-3.000

2.000-3.000

2.000-3.000

I

04

04

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

4.500

4.500

4.500

4.500

I

0

0

0

0

0

0

II/III

05

05

05

3.000-4.500

3.000-4.500

3.000-4.500

I: primaire bluswatervoorziening; II/III: secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Er wordt van uitgegaan dat het incident-object zich bevindt temidden van andere vrachtwagens, gestald op een buitenterrein, waarbij ook vrachtwagens met gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Wanneer er verder geen gevaar is voor de omgeving op de snelweg of bij een vrachtwagen zonder gevaarlijke stoffen, kan offensieve blussing achterwege blijven (de plas is al weggelopen in het wegdek/de berm). Geen inzet voor omgeving nodig, wanneer geen gevaar van inhalatie of neerslag aanwezig is (snelweg is ontruimd).

Spoorvervoer Omgeving Object

Cabinebrand Ladingbrand Voorkomen BLEVE Plasbrand 3 Vrijkomen gevaarlijke lading 1 2 3 4 5

Bluswater profiel1

Spoor in landelijk gebied

Spoorwagon

Ketelwagon

Bebouwing

Natuur

Emplacement, waar gevaarlijke stoffen gerangeerd worden 2

I

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

Inhoud TS

II/III

0

0

2.000

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

I

0

0

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

4.000-5.000

4.000-5.000

4.000-5.000

4.000-6.000

I

04

04

0

0

0

0

II/III

2.000

2.000

4.500

4.500

4.500

4.500

I

0

0

0

0

0

0

II/III

5

05

05

3.000-4.500

3.000-4.500

3.000-4.500

0

I: primaire bluswatervoorziening; II/III: secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Er wordt van uitgegaan dat het incident-object zich bevindt temidden van andere ketelwagons met gevaarlijke stoffen. Er is uitgegaan van een plasoppervlak van 700 m 2 . Wanneer er verder geen gevaar is voor de omgeving van het spoor of bij een spoorwagon zonder gevaarlijke stoffen, kan offensieve blussing achterwege blijven (de plas is al weggelopen in het spoorbed). Geen inzet voor omgeving nodig, wanneer geen gevaar van inhalatie of neerslag aanwezig is.

30

4 Bereikbaarheid

4.1 Inleiding Onder bereikbaarheid wordt in het algemeen verstaan, de mate waarin een bepaald doel snel en/of eenvoudig te bereiken is. Er kan dus sprake zijn van een goede of slechte bereikbaarheid en zelfs van onbereikbaarheid. Bij de brandweer gaat het om het goed kunnen bereiken van het incidentadres door het eigen materieel, de middelen en het personeel. Deze handreiking beschrijft welke eisen gesteld kunnen worden aan een goede bereikbaarheid. Deze handreiking sluit zoveel mogelijk aan op de terminologie van het programma Duurzaam Veilig28 . Dit programma kent een zogenaamde categorisering van wegen: grofweg kunnen we spreken over verkeersaders (stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen) en verblijfsgebieden29 (erftoegangswegen en erven)(30 km/uur zone). De inrichting hiervan heeft een directe invloed op de bereikbaarheid. Getracht is om structuur aan te brengen in de eisen betreffende bereikbaarheid. Hierbij wordt gewerkt van grof naar fijn (zie afbeelding 4.1). De eerste eis spreekt over de weg van de kazerne tot incidentlocatie (de gehele route) in relatie tot het brandweervoertuig. De tweede eis gaat over de inrichting van de verkeersaders. De derde eis gaat over de inrichting van het verblijfsgebied. De vierde eis betreft de inrichting van een incidentlocatie. De vijfde eis gaat specifiek over de objecten die op een grote afstand liggen vanaf de openbare weg.

Tenslotte komen een aantal overige speciale situaties aan de orde.

2 verkeersader 3 verblijfsgebied 1 brandweervoertuig

4 incidentlocatie

Afbeelding 4.1 Schematische weergave van de eisen

5 eigen perceel

4.2 Uitwerking In de paragraaf 1 t/m 5 zijn de vijf eisen nader uitgewerkt. Hierbij moet in acht worden genomen dat een specifieke eis over een specifiek wegdeel gaat. Eerste eis Een weg is alleen door de brandweer te gebruiken wanneer die recht doet aan de specifi eke kenmerken van brandweervoertuigen Een openbare weg is veelal ontworpen conform CROW30 publicatie 164 a t/m d met als aanvulling CROW publicatie 165 ‘Hulpdiensten snel op weg’. Wanneer deze publicatie gehanteerd wordt, voldoet de weg aan de specifieke kenmerken van brandweervoertuigen. 28 29 30

Het concept van Duurzaam Veilig is ontwikkeld door de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), 1992; zie ook de literatuurlijst. Verblijfsgebied zoals genoemd in het programma Duurzaam Veilig. http://www.crow.nl/nl/Publicaties; zie ook de literatuurlijst.

31

Een incidentlocatie is bereikbaar als er een beschikbare route is vanaf een kazerne tot een bij de incidentlocatie gelegen opstelplaats (een bepaalde opstelplaats of een opstelplaats samenvallend met de openbare weg) en als de normtijden zoals gesteld in het besluit veiligheidsregio’s door een basis brandweereenheid worden gehaald (zie Wet veiligheidsregio’s/Besluit veiligheidsregio’s). Brandweervoertuigen kennen specifieke afmetingen, waardoor wegen aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. De geformuleerde voorwaarden zijn voor de brandweervoertuigen het minimum. Om te kunnen spreken van een goede bereikbaarheid, worden in de meeste gevallen ook aanvullende eisen gesteld. Lokaal kan er maatwerk plaatsvinden volgens het risicoprofiel als er bijvoorbeeld met specifieke voertuigen wordt gewerkt. Aan de volgende aspecten moeten voorwaarden worden gesteld (zie ook afbeelding 4.2). De minimale beschikbare rijstrookbreedte kan variëren per wegkenmerk, maar is minimaal voor 3.25 meter verhard. Daarnaast moet de doorgangshoogte minimaal 4.2 meter zijn. Ook moet er rekening gehouden worden met de draaicirkel: een bochtstraal moet berijdbaar zijn voor de brandweervoertuigen (bijvoorbeeld door het intekenen van rijcurves of sleeplijnen). Hierbij zijn sleeplijnen gebaseerd op snelheid; bochtstralen zijn minimale eisen om een bocht te kunnen nemen.

Daarnaast is er ook een maximum aan de belasting van een weg. De openbare weg zal in de regel geschikt zijn voor een brandweervoertuig. Enige verharding is al snel berijdbaar maar geeft veel problemen in het beheer als hier frequent een brandweervoertuig overheen rijdt. Als richtlijn voor verharding geldt een asbelasting van 10 ton en een totaal gewicht van 30 ton. Dit valt samen met verkeersklasse 30. Dit is met name belangrijk voor hoofdroutes (verkeersaders) en kunstwerken. Als hier niet aan voldaan wordt, bijvoorbeeld op fietspaden, zal het beheer toenemen.

3.5m 10t

30t BRANDWEER

Afbeelding 4.2 Specifieke kenmerken van brandweervoertuigen

4.2m

> 3.0m verharding

R10

bochtstraal R5.5

Tweede eis Verkeersaders bieden aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde en betrouwbare doorgang Op de verkeersaders is de snelheid van hulpverleningsdiensten meestal vergelijkbaar en soms zelfs hoger dan de snelheid van het overige verkeer. De ervaring leert dat het overige verkeer snelheid terugneemt om plaats te maken voor hulpverleningsvoertuigen. Dit houdt in dat er voor de hulpverleningsdiensten de ruimte moet zijn om het verkeer op dezelfde baan te kunnen passeren en het eventueel tegemoetkomende verkeer te kunnen ontwijken. Tevens moeten verkeeraders altijd bruikbaar zijn en blijven, of er dient hiervoor minimaal een alternatief te worden gezocht. Wanneer dit niet gebeurt bestaat namelijk de kans dat delen van het verzorgingsgebied niet bereikt kunnen worden omdat een verkeersader niet beschikbaar is. Een onbelemmerde doorgang kan overigens worden bevorderd door verkeers-

32

. . .

management, bijvoorbeeld door het toepassen van verkeerslichtbeïnvloeding of het aangeven van gewenst gedrag middels borden. Wegwerkzaamheden kunnen een reden zijn voor het zoeken naar een alternatief. Vormen van alternatieven kunnen zijn: wegomleidingen; parallelbaan; route door het werkvak. Snelheidsremmende en verkeerswerende elementen daarentegen zijn in tegenspraak met een onbelemmerde doorgang. Deze dienen in overleg te worden geplaatst om te voorkomen dat de opkomsttijd onevenredig lang wordt. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het totaal aantal snelheidsremmende en verkeerswerende elementen op de gehele route beperkt moet blijven. Tevens dienen er goede zichtlijnen voor de bestuurder te zijn nabij kruisingen om snel en veilig het kruispunt te kunnen oversteken. Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden in de vastgestelde primaire uitrukroutes, verkeersaders en gebiedsontsluitingswegen mogen uitsluitend door middel van op afstand bedienbare dynamische voorzieningen worden afgesloten. Deze dienen vanuit het hulpverleningsvoertuig bediend te kunnen worden (bijvoorbeeld door een actieve transponder). Afsluitingen in secundaire uitrukroutes mogen eventueel afgesloten worden met een verwijderbare afsluiting, bijvoorbeeld een klap-paal of een uitneembare paal.

De afsluiting mag enkel worden toegepast als de afsluiting regionaal is afgestemd en uniform is vormgegeven. De afsluiting moet te bedienen zijn door alle hulpdiensten.

Derde eis Verblijfsgebieden kennen een zodanige samenhang dat een willekeurig adres in een verblijfsgebied binnen een gestelde tijd bereikbaar is

. . .

Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat verblijfsgebieden goed ontsloten zijn. De eis dat een willekeurig adres vanaf een verkeersader binnen een gestelde tijd bereikbaar moet zijn, draagt daaraan bij. Uitgaande van de normtijden in het Besluit veiligheidsregio’s31 is een tijd van één à twee minuten aan de orde. De eis om de ontsluitingstijd voor een verblijfsgebied op ten hoogste twee minuten te stellen, moet er toe leiden dat: een erftoegangsweg niet onacceptabel lang mag zijn; een erftoegangsweg binnen beperkte grenzen met vertragende verkeersobstakels mag zijn ingericht de ontsluitingen van een verblijfsgebied op strategische punten worden gepland. In veel gemeenten zal de vastgestelde categorisering (Duurzaam Veilig) niet voldoen aan deze eis. Een optie is om in dergelijke gevallen een gemeentelijk convenant voor ‘hulpverleningsroutes’ vast te stellen en daaraan inrichtingseisen te verbinden. Dergelijke hulpverleningsroutes zijn vaak de grotere wegen binnen een verblijfsgebied, waarvoor een 30 km/u regime geldt. Bij een aangepaste inrichting, bijvoorbeeld met voertuigvriendelijke elementen of een ruimere wegbreedte, kunnen deze wegen door de hulpverleningsdiensten toch worden beschouwd als een onbelemmerde en betrouwbare doorgang. Deze dienen in samenspraak met de veiligheidsregio bepaald te worden.

Om de tijdseis in een afstandseis om te zetten, moet aan het volgende worden gedacht. De gemiddelde snelheid van een hulpverleningsvoertuig ligt binnen de bebouwde kom over het algemeen lager dan de maximale snelheid. In verblijfsgebieden, zeker wanneer die met veel snelheidsremmende maatregelen zijn ingericht, ligt de gemiddelde snelheid nog lager. Waar de snelheid via de normale erftoegangswegen niet afdoende is, kan er gekeken worden naar alternatieve mogelijkheden, bijvoorbeeld via een stuk fietspad of een calamiteitendoorgang (zie ook afbeelding 4.3).

31

De normtijden in het besluit zijn ontleend aan de handleiding Brandweerzorg inclusief de Technische Aanvulling en de conceptLeidraad Repressieve Basisbrandweerzorg.

33

4.5m

vrachtwagen 4.2m

BRANDWEER

auto

auto

Erftoegangsweg > 3.25m Afbeelding 4.3 Wegbreedte op basis van functie en verkeer

Eenrichtingsverkeer > 5.50m Tweerichtingsverkeer > 8.00m

Naast de voorkeursroute moet een willekeurig adres vanaf een doorgaande verkeersader, in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar zijn. Dit is noodzakelijk, omdat niet gegarandeerd kan worden dat de voor de hand liggende route altijd bruikbaar is. Wegwerkzaamheden, opstoppingen, fout geparkeerde voertuigen en dergelijke kunnen een goede bereikbaarheid in de weg staan. Als het niet anders mogelijk is kan dit ook worden opgelost met alternatieve mogelijkheden. Deze tweede onafhankelijke route mag eventueel afgesloten worden met een verwijderbare afsluiting om sluipverkeer tegen te gaan. De afsluiting mag enkel worden toegepast als de afsluiting regionaal is afgestemd en uniform is vormgegeven. De afsluiting moet te bedienen zijn door alle hulpdiensten. Doodlopende wegen Een doodlopende weg is een weg die maar op één manier in en uit te rijden is. Dit betekent dat per definitie niet voldaan kan worden aan de eis van een tweede onafhankelijke route. In afbeelding 4.4 worden verschillende typen wegen beschreven. In situatie 1 is niet sprake van een doodlopende route. De totale wegbreedte dient hier (zie ook de eerste eis) minimaal 3.5 meter te zijn.

> 4.5m

> 5.0m

1

2

3

< 4.5m

eis 4

> 3.5m

Afbeelding 4.4 Doodlopende wegen

4

5

In situatie twee is er wel sprake van een doodlopende route. Dit is toegestaan mits de wegbreedte minimaal 4.5 meter bedraagt en er een keermogelijkheid aanwezig is. Bestaat er geen keermogelijkheid zoals in situatie 3 dan is er minimaal 5 meter wegbreedte nodig. Kan er niet aan deze eisen voldaan worden dan geldt er een maximale afstand van 40 meter volgens de vierde eis. Een doodlopende weg met aftakkingen, situatie 5, is qua bereikbaarheid simpelweg onvoldoende.

34

Wegopbrekingen In het kader van wegopbrekingen wordt verwezen naar de bovenstaande afbeelding doodlopende wegen (afbeelding 4.4). Een minimale bereikbaarheid moet geborgd blijven volgens de vierde eis, zoals in situatie 4. In het geval van woningen kan er worden gesteld dat de afstand ten gevolge van opbrekingen maximaal 2 x 40 meter = 80 meter bedraagt. De continuïteit van toegang tot overige gebouwen zal redelijkerwijs geregeld moeten worden.

Vierde eis De afstand en overbrugging vanaf een opstelplaats tot objecten en bluswatervoorzieningen doen recht aan de middelen en mogelijkheid van een brandweereenheid Elke incidentlocatie kent een opstelplaats: een veilige, doelmatige en goed bereikbare plaats voor brandweervoertuigen van waaruit de inzet kan plaatsvinden. Deze opstelplaats kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg. Specifieke locaties als natuurgebieden en infrastructuur vragen maatwerk. De afstand van de opstelplaats tot de incidentlocatie is aan een functioneel maximum gebonden. De eerste inzet zal in de regel plaatsvinden met een HD straal van 60 meter32 , wat de maximale inzetdiepte is. Voor een eengezinswoning is de verwachting dat 20 meter HD straal binnen voldoende zal zijn. Daarom mag er een maximale afstand zijn van 40 meter tussen de opstelplaats en een eengezinswoning. Voor andere gebouwtypen wordt er een maximale afstand van 10 meter aangehouden, waarna er 50 meter rest aan inzetdiepte (zie ook afbeelding 4.5).

<10m

Afbeelding 4.5 Incidentlocaties

<40m

hoge druk straal 60m

Naast de bovengenoemde functionele afstand geldt er ook een strategische ligging. Een opstelplaats voor een blusvoertuig mag niet zodanig ten opzichte van een gebouw, bouwwerk of opslag zijn gesitueerd dat binnen 30 minuten na het ontstaan van een brand of ongeval het opgestelde voertuig gevaar of schade kan oplopen door de gevolgen van de brand of het fysieke ongeval. Een strategisch gelegen opstelplaats bevindt zich dus buiten het invloedsgebied van het incident. Voor het bestrijden van incidenten dienen er ook bluswatervoorzieningen voorhanden te zijn. Voor deze voorzieningen geldt een minimale benaderbaarheid, in die zin dat een brandweervoertuig de voorziening tot op een minimale afstand kan benaderen. Deze hoeft niet altijd een relatie te hebben met de opstelplaats omdat er vaak gekozen wordt dicht bij de toegang van een incidentlocatie op te stellen en terug te werken naar de bluswatervoorziening en niet andersom. De functionele relatie tussen de bluswatervoorziening en het brandweervoertuig is veelal gebaseerd op een brandslang van 20 meter. Zodoende is de minimale benaderbaarheid van een

<15m B

Afbeelding 4.6 Blusvoorzieningen

32

brandslang 20m

60 meter is gebaseerd op de gegarandeerde inzet lengte van een hogedruk straal, in de regel zijn nieuwe hogedruk stralen 90 meter.

35

brandkraan 15 meter (zie ook afbeelding 4.6). Dat geldt tevens voor een droge blusleiding. Voorzieningen als een opstelplaats, open water of een bluswaterriool vragen maatwerk. Opstelplaats Voor een tankautospuit kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een tankautospuit opstelplaats (deze kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg, zie ook afbeelding 4.7): een breedte van 4 meter, een lengte van 10 meter, een vrije doorgangshoogte van 4,2 meter, bestand tegen een aslast van 10 ton, bestand tegen een totaal gewicht van 15 ton.

. . . . .

10m 644

10t

Afbeelding 4.7 Opstelplaats tankautospuit

4m

15t

Opstelplaats Bewoners van een bouwwerk dat een vloerhoogte heeft van meer dan 6 meter en waar een redvoertuig tweede vluchtweg ontbreekt, zijn voor redding bij brand aangewezen op een redvoertuig. Wanneer de vloerhoogte van een gebouw hoger is dan 6 meter, is redding door middel van een schuifladder onmogelijk. Dit betekent dat redding alleen plaats kan vinden met behulp van een redvoertuig33. Bij de inrichting van een opstelplaats voor het redvoertuig moet om die reden rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten: de vlucht van het redvoertuig (voldoende manoeuvreerruimte voor de arm; balkons, ramen, etc. bereikbaar) afstempelmogelijkheden en de stempeldruk (de maximale hoogte van de stoepranden is 20 cm), de bereikbaarheid van de opstelplaats (zie ook de derde eis).

. . . . . . . .

Voor een redvoertuig kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats (zie ook afbeelding 4.8): een breedte van 5 meter, een lengte van 10 meter, bestand tegen een aslast van 10 ton, bestand tegen een totaal gewicht van 25 ton, bestand tegen een stempeldruk van 100 kN/m2 .

10m 10t 100Kn 5m Afbeelding 4.8 Opstelplaats redvoertuig

25t

7%

Vijfde eis Voor incidentlocaties die niet middels de openbare weg bereikbaar zijn gelden de bovenstaande eisen onverminderd In veel gevallen zal de openbare weg aan de eisen 1 tot 4 kunnen voldoen. In sommige gevallen staat een object te ver van de openbare weg om aan de vierde eis te voldoen, bijvoorbeeld een kantoor op een groot eigen perceel. De weg dient dan door te lopen op eigen terrein tot voldaan wordt aan de vierde eis. Daarbij gelden de andere eisen onverminderd en zal de weg dus moeten voldoen aan de kenmerken voor een brandweervoertuig volgens de eerste eis. 33

Korfbelasting 180 kg.

36

Speciale situaties Bij natuurgebieden en transportwegen (spoor- en wegvervoer) is het geen gegeven dat aan de genoemde eisen wordt voldaan. Zodoende worden hier voor deze categorieën aanwijzingen voor een goede bereikbaarheid gegeven. Natuurgebieden Bij een incident in een natuurgebied geldt dat de incidentlocatie bereikt moet kunnen worden binnen de tijd die genoemd is in het regionale dekkingsplan. Hiervoor dienen natuurgebieden vrij toegankelijk te zijn voor de hulpdiensten. Daarnaast dienen de hoofdroutes binnen een natuurgebied geschikt te zijn voor de inzet van brandweervoertuigen. Tenslotte moeten de waterwinpunten over een goede bereikbaarheid beschikken en voorzien zijn van voldoende ruimte voor waterinname door meerdere TS-en en eventuele andere watertransport-voertuigen. Knelpunten m.b.t. bluswater, bereikbaarheid en inzetdiepte binnen natuurgebieden vereisen maatwerk en zullen (inter)regionaal moeten worden afgestemd. Transportwegen In de meeste gevallen worden transportwegen gebruikt om incidenten te kunnen bereiken. In sommige gevallen vindt het incident op een dergelijke transportweg plaats. Zodoende is het ook hier belangrijk dat, al naar gelang de intensiteit van het gebruik, de hulpdiensten tijdig ter plaatse kunnen komen. Auto(snel)wegen De meest intensief gebruikte fysieke infrastructuur is de weg.

Locale wegen zullen in de meeste gevallen onder de eerder genoemde eisen vallen en zodoende voldoende bereikbaar zijn. Auto(snel)wegen hebben echter gescheiden rijbanen en zijn maar vanaf enkele toe- en afritten bereikbaar die soms ver uit elkaar liggen. Voldoende toegang tot de wegvakken van auto(snel)wegen kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld: calamiteiten doorsteken; calamiteiten toegangen; deuren in geluidschermen.

. . .

Voldoende doorgang op de auto(snel)wegen kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld:

. gebruik vrije vluchtstrook; . halfverharding; . het middendoor rijden door hulpdiensten; . incident management afstemming. Spoorwegen

Spoorwegen kunnen bereikbaar zijn door:

. wegen, halfverharde wegen of fietspaden; . speciaal aangelegde bereikbaarheidswegen (Betuweroute, HSL en emplacementen in het algemeen); . toegangs-/vluchtdeuren en deuren in geluidschermen. Geluidsschermen en andere objecten rondom spoorwegen kunnen een knelpunt vormen voor goede bereikbaarheid, aanvoer van bluswater en voldoende inzetdiepte. Toegangs-/vluchtdeuren, calamiteitendoorsteken in geluidsschermen, slangdoorvoeringen door vluchtdeuren en strategisch gekozen opstelplaatsen kunnen een dergelijk knelpunt mogelijk (gedeeltelijk) wegnemen. Spoorinfrastructuur in niet-stedelijke gebieden bevindt zich over het algemeen tussen weilanden of in natuurgebieden welke niet zijn ingericht op bereikbaarheid door hulpverleningsvoertuigen. De eisen voor bereikbaarheid in deze setting zijn afhankelijk van het risico op en de aard van een eventueel incident en kunnen niet in algemene richtlijnen gevat worden; maatwerk is hier het devies.

37

BIJLAGE 1 Standaard inzetstrategie

De brandweer beschikt primair over twee inzettactieken bij een incident, te weten offensieve en defensieve brandbestrijding. In deze handreiking wordt uitgegaan van een standaard 6-persoons bezetting van een tankautospuit (TS). Offensief Bij offensieve bestrijding (op de plaats of omgeving van het ontstaan van de brand) is er versus defensief sprake van een kleinschalige, beginnende brand (in slechts 1 of 2 ruimten) die aan de hand van een binnen-/buiteninzet met 1 of 2 hogedruk stralen (HD) bestreden wordt (kengetal voor offensieve brandbestrijding is 10 liter per minuut per vierkante meter brandoppervlak). Bij een grote ontwikkelde brand in meerdere ruimten zal men echter mogelijk moeten terugvallen op defensieve brandbestrijding. Deze tactiek heeft als belangrijkste doel het voorkomen van branduitbreiding op een gekozen scheiding met een ander gebouw of ruimte. Deze tactiek wordt uitgevoerd in de vorm van een buiten- of binneninzet met lagedruk stralen (LD) of waterkanon (WK) (kengetal voor defensieve brandbestrijding is 2-6 liter per minuut per vierkante meter brandoppervlak 34). Ingezet wordt op die brandscheidingen waarvan ingeschat wordt dat deze te behouden zijn met het beschikbare materieel en bluswater.

Voor een defensieve inzet is in de meeste gevallen aanvullende bluswatervoorziening nodig, afkomstig uit die bronnen die voldoende waterdebiet geven om de gestelde doelen te bereiken, namelijk het beschermen van de brandscheidingen. Voor de meeste objecten geldt dat zij 4 zijden hebben die moeten worden beschermd35. Overigens is het aantal te beschermen brandscheidingen meer afhankelijk van de belendingen, en niet direct van de dimensie van het incident. De gekozen defensieve grenzen moeten worden afgestemd op de beschikbare middelen en benodigde tijd om de juiste hoeveelheid bluswater ter plaatse te kunnen krijgen. Een offensieve buiteninzet waarbij met water wordt geblust, vereist doorgaans een grotere bluswaterbehoefte dan een offensieve binneninzet. Bij een defensieve inzet, of deze nu ‘binnen’ of ‘buiten’ wordt toegepast, zal de hoeveelheid bluswater vergelijkbaar zijn. Er wordt nu gewerkt aan een nieuwe inzetdoctrine voor de brandweer. De nieuwe doctrine is ingegeven vanuit de zorg voor de veiligheid van het brandweerpersoneel na incidenten waarbij de brandweer mensen heeft verloren na het uitvoeren van een binneninzet terwijl er binnen geen slachtoffers meer te redden waren. Vereenvoudigd gezegd komt de nieuwe doctrine er op neer dat de brandweer niet per definitie een binneninzet uitvoert.

Eerst wordt een afweging gemaakt of de risico’s voor het brandweerpersoneel opwegen tegen het nut van een binneninzet. Of er al dan niet nog slachtoffers binnen zijn, speelt in die afweging een belangrijke rol. De nieuwe inzetdoctrine denkt meer ‘van buiten naar binnen’ en weegt achtereenvolgens af: defensieve buiteninzet, offensieve buiteninzet, defensieve binneninzet en als laatste de offensieve binneninzet. Hogedruk Bij offensieve of defensieve brandbestrijding wordt gebruik gemaakt van blussing d.m.v. hogeversus lagedruk druk (HD) met een laag debiet, middendruk (MD) of lagedruk (LD) met een hoog debiet:

34 35

NB: per 50 meter vuurfront is voor een defensieve inzet 2000 liter per minuut benodigd. W. Taks Zakboek grootschalig optreden . Koninklijke Vermande NB: Dit doet overigens niets af aan het feit dat voordat ‘brandmeester’ kan worden gegeven, conform de kubus-benadering alles moet zijn gecontroleerd.

38

. hogedruk (HD): De Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid uit 2003 gaat voor een HD-straal uit van een debiet van 100 liter per minuut. Moderne hogedrukstraalpijpen kennen echter een variatie in debiet van 20 tot 150 liter per minuut 36 . In deze Handreiking wordt voor een HD-straal gerekend met een debiet van 125 liter per minuut.

. lagedruk (LD): wanneer blussen met hogedruk niet toereikend is, kan overgestapt worden

op lagedruk. Voor lagedruk worden in de literatuur twee maatstaven gebruikt: 220 liter per minuut en 250 liter per minuut. In deze Handreiking wordt een debiet van 250 liter per minuut aangehouden.

. verschillende korpsen in Nederland maken naast HD en LD ook gebruik van middendruk (MD). Aangezien dit geen standaard praktijk is, wordt blussing door middel van middendruk hier buiten beschouwing gelaten.

. naast de inzet van handstralen (HD, LD en eventueel MD), kan de brandweer ook waterka-

nonnen (WK) inzetten. Waterkannonnen kennen een variatie in debiet van ca. 500 tot 3000 liter per minuut 37. In deze handreiking wordt gerekend met een standaard van 1500 liter per minuut. Ook voor een torenstraal (bijvoorbeeld bediend vanaf een ladderwagen) wordt een capaciteit van 1500 liter per minuut aangehouden.

. in deze handreiking wordt uitgegaan van een standaardbestek van een TS met een tankinhoud van 1500 liter.

Deze uitgangspunten zitten aan de ruime kant. In de praktijk wordt er namelijk zelden continu met maximale capaciteit geblust. Zeker bij het blussen met een HD-straal wordt meestal niet continu en veelal pulserend geblust, en meestal niet met vol vermogen. Voor het berekenen van het benodigde debiet moet er echter van uitgegaan worden dat alle in te zetten stralen op enig moment op volle capaciteit moeten kunnen functioneren. Debiet en De capaciteit van een TS is maximaal 2000 liter per minuut. De standaardbepakking van een transportafstand TS bestaat uit 16 slangen van 20 meter met een grote diameter van 75 mm. Daarnaast heeft een TS ook nog 12 slangen van 20 meter met een diameter van 52 mm. Slangen met een diameter van 75 mm worden gebruikt voor watertransport, of voor het voeden van een waterkanon met een capaciteit van gemiddeld 1500 liter per minuut. Slangen met een diameter van 52 mm zijn de zogenaamde lagedruk stralen. Bij een capaciteit van 500 liter per minuut kan de afstand tussen de opstelplaats van de TS en de primaire bluswatervoorziening maximaal 100 meter bedragen. Dit is de maximale afstand die met één enkele slangleiding van vijf 75 mm slangen binnen drie minuten kan worden opgebouwd. Bij een capaciteit van 500 liter per minuut vindt dan nauwelijks drukverlies plaats.

Wanneer de inzettijd niet direct een beperkende factor is, kan de maximale afstand tussen opstelplaats en bluswatervoorziening vergroot worden. Bij een capaciteit van 500-1000 liter per minuut kunnen alle 75 mm slangen (16 stuks à 20 meter) worden ingezet zonder noemenswaardig drukverlies. De maximale afstand wordt dan 320 meter; gerekend wordt met een getal van 300 meter. Wanneer het de bedoeling is met twee lagedruk stralen vanaf de TS in te zetten, kan de afstand tussen het object en de opstelplaats zes 52 mm slangen à 20 meter, in totaal 120 meter, bedragen. Wanneer het de bedoeling is met 4 lagedruk stralen in te zetten is een dubbele transportleiding benodigd. Hiermee worden 2 verdeelstukken gevoed, waar op elk vervolgens 2 lage druk stralen kunnen worden aangesloten. De afstand tussen opstelplaats en bluswatervoorziening is dan maximaal acht 75 mm slangen à 20 meter is 160 meter. De afstand tussen opstelplaats en object kan maximaal 3 slanglengten à 20 meter van 52 mm slangen bedragen, oftewel 60 meter. Wanneer vanaf een TS met een waterkanon en/of lagedruk stralen wordt ingezet, is een grotere capaciteit van 1500 tot 2000 liter per minuut benodigd. Hiervoor is een dubbele trans36 37

Zie Een nieuwe kijk op straalpijpvoering (NIFV, Arnhem 2008) p. 56. Zie ook BRZO Handboek: Mobiele en stationaire installaties.

39

portleiding van 75 mm nodig (maximale afstand 160 meter). Daarnaast heeft een waterkanon een worplengte van minstens 40 meter, zodat een totale afstand van 200 meter kan worden bereikt. Het is dan wel noodzakelijk extra 75 mm slangen (om het waterkanon te voeden) van een andere TS te betrekken. De tijd die verstrijkt voordat men operationeel is, kan variëren tussen de 3 en 40 minuten. Dit is mede afhankelijk van de afstand tot het object, de opkomsttijd van een tweede TS, eventuele geografische bijzonderheden en de benodigde tijdsduur voor het opbouwen van het watertransportsysteem. Bij afstanden van 500 tot 2500 m en een debiet boven de 2000 liter per minuut, is het echter noodzakelijk om gebruik te maken van bluswatervoorzieningen met onbeperkte waterlevering en dompelpompen met 150 mm slangen, waarbij de inzettijd kan oplopen tot 60 minuten. Hiervoor zijn watertransportsystemen (WTS 1000 en WTS 2500) benodigd. Primaire, secundaire In deze Handreiking wordt de oorspronkelijke definitie van primaire, secundaire en tertiaire en tertiaire blus- bluswatervoorzieningen38 aangepast. watervoorzieningen Hieronder volgen de nieuwe definities: Primaire bluswater- De bluswatervoorziening kan binnen 3 minuten worden opgebouwd en operationeel zijn.

voorziening De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat continuïteit van blussing gegarandeerd is voor tenminste 1 uur. Bluswater wordt geleverd door brandkranen39 of alternatieve voorzieningen (zie hiervoor ook het rapport ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’ 40). In deze filosofie kan een tankwagen of tankautospuit ook als primaire bluswatervoorziening beschouwd worden. Er moet dan wel gezorgd worden voor aanvulling van de watervoorraad, zodat continuïteit van blussing voor tenminste 1 uur gegarandeerd wordt. Secundaire blus- De bluswatervoorziening kan binnen een half uur worden opgebouwd en operationeel zijn. watervoorziening De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat continuïteit van blussing gegarandeerd is voor tenminste 4 uur. De minimale bluswatercapaciteit die uit de bluswatervoorziening te onttrekken is, bedraagt 90 kubieke meter per uur, oftewel 1500 liter per minuut. Tertiaire bluswater- De bluswatervoorziening kan binnen een uur worden opgebouwd en operationeel zijn. voorziening De brandweer beschikt over materieel en middelen (zoals bijvoorbeeld grootschalige watertransportsystemen) om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat continuïteit van blussing gegarandeerd is voor onbepaalde tijd.

De te onttrekken bluswatercapaciteit bedraagt minimaal 120 kubieke meter per uur, oftewel 2000 liter per minuut, en het bluswater is onbeperkt leverbaar. Maateenheden De brandweer drukt bluswaterdebieten doorgaans in liters per minuut (l/min) uit. Andere organisaties rekenen echter in het aantal kubieke meters per uur (m3 /uur). Het omrekenen van liter per minuut naar kubieke meter per uur is vrij eenvoudig, namelijk: delen door 1.000 (om van liters naar kubieke meter te gaan) en vermenigvuldigen met 60 (om van minuten naar uren te gaan). In tabel 1 is dit voor de meest gangbare debieten gedaan.

Tabel 1 Van liter per minuut naar m 3 per uur

38 39 40

liter per minuut

125

250

500

1.000

1.500

2.000

2.500

3.000

3.500

4.000

4.500

m 3 per uur

7,5

15

30

60

90

120

150

180

210

240

270

“Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”; uitgave NVBR, 2003. Om de juiste hoeveelheid bluswater op de plaats van het incident te kunnen krijgen is het waterleidingnet over het algemeen niet toereikend (C max 1000 l/min): brandkranen in een sternet of leegloopnet hebben beperkingen en meestal is het niet mogelijk om meer dan één brandkraan gelijktijdig te gebruiken zonder capaciteitsverlies. ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’; uitgave NVBR, 2009

40

BIJLAGE 2 Wet- en regelgeving

De vanzelfsprekend- De afgelopen decennia vormde het drinkwaterleidingnet met de daarop aanwezige brandheid voorbij kranen op de meeste plekken in Nederland een welhaast vanzelfsprekende en gegarandeerde bron van bluswater. In bebouwde gebieden kon de brandweer er meestal vanuit gaan dat er binnen veertig meter vanaf een opstelplaats (80 m onderling) een brandkraan geplaatst was die een debiet leverde van honderden liters per minuut. Deze vanzelfsprekendheid staat meer en meer onder druk. Om verschillende redenen zijn waterleidingmaatschappijen steeds minder genegen om de beschikbaarheid van brandkranen en grote leidingdiameters als een vanzelfsprekendheid te beschouwen. Waterleidingmaatschappijen hebben sinds de komst van de Drinkwaterwet geen verplichting meer tot het leveren van bluswater. Door sanering zullen alle waterleidingnetten worden omgebouwd tot ‘leegloopnetten’. In de praktijk heeft dit consequenties voor de capaciteit en positie van de brandkranen. Een gevolg hiervan is dat het debiet afneemt en het aantal locaties voor afname van bluswater vermindert. Als consequentie kan een verminderde beschikbaarheid van bluswater ontstaan, door bijvoorbeeld een afname in aantallen brandkranen of een vermindering van de capaciteit van brandkranen.

De noodzaak tot het hebben van brandkranen met een bepaald debiet op een bepaalde locatie zal dan ook beargumenteerd moeten worden. In deze handreiking komen ook andere manieren aan de orde om voldoende bluswater ter plaatse te krijgen. Hierbij speelt ook een tijdsaspect. Voor een nog uitgebreider overzicht van alternatieven voor de brandkraan, verwijzen wij naar de NVBR-publicatie ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’ 41. Wet- en regelgeving De zorg voor bereikbaarheid en (openbare) bluswatervoorziening ligt hoofdzakelijk bij de gemeente. Volgens de Wet veiligheidsregio’s zijn burgemeester en wethouders namelijk belast met de organisatie van de brandweerzorg (artikel 2). Impliciet betekent dit ook dat zij de zorg hebben voor de voorwaarden om een brand te kunnen bestrijden. Hierbij hoort ook de zorg voor bereikbaarheid en bluswatervoorziening42 . Voor de eisen t.a.v. bluswatervoorziening en bereikbaarheid is het Bouwbesluit 2012 het uitgangspunt. De nieuwe ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” voorziet in een praktische uitwerking van de weten regelgeving. Bovendien zijn bereikbaarheid en bluswater thema’s die een directe relatie hebben met ruimtelijke ordening. Daarom zijn bestemmingsplannen bij uitstek documenten waarin deze thema’s aan bod kunnen komen.

Voor het handhaven van de bereikbaarheid, bieden de Wegenverkeerswet (en in sommige gevallen een Algemene Plaatselijke Verordening) en de notitie Duurzaam Veilig (zie het hoofdstuk ‘Bereikbaarheid’) aanknopingspunten. Naast het feit dat de gemeente de zorg heeft voor de openbare bluswatervoorziening, kan de gemeente in specifieke gevallen (zie Bouwbesluit 43) een niet-openbare bluswatervoorziening op eigen terrein eisen. Deze eis kan gesteld worden als de openbare bluswatervoorziening niet voldoet voor het benodigde specifieke gebruik. Dit is het geval, wanneer het gebruik een verhoogd risico oplevert ten opzichte van het gemiddelde van het bestemmingsplan. Het onderhouden van die voorziening wordt ook geëist via het Bouwbesluit. Wanneer een niet-

41 42 43

‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’; uitgave NVBR, 2009. Brief van de Minister van Veiligheid en Justitie aan het Bureau Veiligheidsberaad, d.d. 22 oktober 2010, opgenomen als Bijlage 2. Bouwbesluit 2012.

41

openbare bluswatervoorziening op eigen terrein geëist wordt, kan eventueel ook de mogelijkheid van publiek-private samenwerking onderzocht worden.

Wet veiligheidsregio’s Artikel 2 Verantwoordelijkheid College B&W Artikel 3 Artikel 3 Brandweerzorg

Relevante selectie uit bouwbesluit 2012 Artikel 6.27 Aansturingsartikel Artikel 6.27 Brandslanghaspels Artikel 6.29 Droge blusleiding Artikel 6.30 Bluswatervoorziening Artikel 6.31 Blustoestellen Artikel 6.32 Automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem Artikel 6.33 Aanduiding blusmiddelen Artikel 6.34 Tijdelijke bouw Artikel 6.35 Aansturingsartikel Artikel 6.36 Brandweeringang Artikel 6.37 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten Artikel 6.38 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen Artikel 6.39 Brandweerlift Artikel 6.40 Mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten

Brief van de Minister van Veiligheid en Justitie aan het Veiligheidsberaad Zie pagina 42 en 43.

42

43

44

BIJLAGE 3 Literatuur

‘Inspectiesignaal brandwerendheid woningscheidende constructies’; Ministerie van VROM 2009 ‘De brandweer over morgen: strategische reis als basis voor vernieuwing’; NVBR 2010 ‘Bouwbesluit 2012’; Ministerie van BZK 2011 ‘Besluit transportroutes externe veiligheid’; Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2012 ‘NFPA 1142: Standard on Water Supplies for Suburban and Rural Fire Fighting’; National Fire Protection Association (United States) 2012 ‘Een nieuwe kijk op straalpijpvoering’; NIFV 2008 ‘Mobiele en stationaire blusinstallaties’; Landelijk Expertisecentrum BrandweerBRZO (LECBRZO) 2009 ‘BrandweerBRZO - Scenarioboek’; Landelijk Expertisecentrum BrandweerBRZO (LECBRZO) 2009 ‘Zakboek grootschalig optreden’; W. Tates, Koninklijke Vermande 2002 ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’; NVBR 2003 ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’; NVBR 2009 ‘Onderzoek en resultaten bluswater Apeldoorn/Epe’; H. Koopman, www.brandweerkennisnet.nl, 2011 ‘Handleiding PREVAP 2009’; NIFV 2009 ‘Operationele Handreiking Ongevalsbestrijding Gevaarlijke Stoffen’; NVBR Vakgroep OGS 2012 ‘Naar een duurzaam veilig wegverkeer. Nationale Verkeersveiligheidverkenning voor de jaren 1990/2010’; M.J.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=a62064c4-da2a-46aa-a35d-fe155a16371c