Bijlage Handreiking BRW NL Bluswatervoorziening (2012)
Tekst van het document
Nederland
Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid
NVBR
Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding
Nederland
Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid
3
Voorwoord
Voor u ligt de nieuwe editie van Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. Het bestaat uit twee op zichzelf staande delen, te weten de ‘Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid’ en de ‘Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid’. Beide delen kunnen los van elkaar gebruikt worden. De ‘Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid’ vervangt de Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid uit 2003. Deze handreiking kunt u gebruiken bij het geven van specificaties voor bluswatervoorziening en bereikbaarheid bij vergunning- en adviesaanvragen. Daarnaast is de handreiking bruikbaar bij toezicht en handhaving in het kader van de activiteiten bouwen, gebruik en milieu. De ‘Handreiking Opstellen Bluswaterbeleid’ bevat de nodige informatie om per gemeente of per veiligheidsregio, bluswaterbeleid op te kunnen stellen. Met deze handreiking kan worden afgewogen aan welke eisen de benodigde bluswatervoorziening voor een bepaald verzorgingsgebied moet voldoen, in relatie tot de specifieke risico’s in dat gebied en de mogelijkheden van de repressieve organisatie. Ik bedank de leden van de projectgroep Bluswater van Brandweer Nederland voor hun deskundige inzet en enthousiasme. Dankzij hen liggen er heldere documenten waar de brandweerkorpsen in Nederland veel aan zullen hebben in hun dagelijkse werk.
Tevens gaat mijn dank uit naar het ministerie van Veiligheid en Justitie die de totstandkoming financieel mogelijk heeft gemaakt. Ik wens u veel leesplezier! Namens Brandweer Nederland, Stephan Wevers, voorzitter Raad van Brandweercommandanten
Nederland
Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid
6
Inhoud Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid
Voorwoord ............................................................................................................................... 3 Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid.................................................. 5 Inhoud ....................................................................................................................................... 6 De status en het gebruik van de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid .................................................................................................................. 7 Leeswijzer ................................................................................................................................. 8 1
Scenariogroep Woningen ...................................................................................................... 9
1.1
Nieuwbouw (woningen ontworpen en gebouwd volgens bouwbesluit 2003 en later) .......10
1.2
Naoorlogse bouw (woningen gebouwd tussen 1945-2003) ...................................................10
1.3
Vooroorlogse bouw (woningen gebouwd voor 1945).............................................................11
2
Scenariogroep Utiliteitsgebouwen ................................................................................... 14
2.1
Utiliteitsgebouwen ....................................................................................................................14
2.2
Agrarische inrichtingen, natuurgebieden en buitengebied ....................................................18
3
Scenariogroep Ongevallen met Gevaarlijke Stoffen (OGS) en Transport ................. 20
3.1
Algemene inleiding ....................................................................................................................20
3.2
Uitwerking scenario’s wegvervoer ........................................................................................20
3.3
Uitwerking scenario’s spoorvervoer .....................................................................................24
4
Bereikbaarheid ...................................................................................................................... 30
4.1
Inleiding ......................................................................................................................................30
4.2
Uitwerking ..................................................................................................................................30
BIJ LAG E 1
Standaard inzetstrategie .................................................................................................... 37
BIJ LAG E 2
Wet- en regelgeving ............................................................................................................. 40
BIJ LAG E 3
Literatuur ............................................................................................................................... 44
BIJ LAG E 4
Verklarende woordenlijst ................................................................................................... 45 Colofon ................................................................................................................................... 47
7
De status en het gebruik van de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid De Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid vervangt de Handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid uit 2003. In deze nieuwe handreiking wordt per voorbeeldscenario aangegeven hoeveel bluswater benodigd is bij een standaardinzet. De bluswaterhoeveelheden zijn bepaald op basis van een ‘deskundigenoordeel’ door de projectgroep van Brandweer Nederland (zie colofon). Bij de bepaling zijn vuistregels voor incidentbestrijdingstactieken en praktijkervaring meegenomen, vanwege de relatie tussen bluswater en alarmering, uitruk- en inzetprocedures. Tevens beschrijft deze handreiking de eisen ten aanzien van de bereikbaarheid van incidentlocaties en bluswatervoorzieningen. De combinatie van een goede bereikbaarheid en een adequate bluswatervoorziening is noodzakelijk om incidentbestrijding mogelijk te maken. Deze handreiking is bedoeld om naar te verwijzen bij het geven van specificaties voor bluswatervoorziening en bereikbaarheid bij vergunning- en adviesaanvragen en toezicht en handhaving in het kader van de activiteiten bouwen, gebruik en milieu. Voor de eisen t.a.v. bluswatervoorziening en bereikbaarheid is het Bouwbesluit 2012 het uitgangspunt. De nieuwe Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid voorziet in een praktische uitwerking van de wet- en regelgeving.
Namens Brandweer Nederland, Stephan Wevers Voorzitter Raad van Brandweercommandanten
8
Leeswijzer
In deze handreiking wordt de benodigde hoeveelheid bluswater per scenario weergegeven. De scenario’s zijn ingedeeld in drie groepen, te weten Woningen (hoofdstuk 1), Utiliteitsgebouwen (hoofdstuk 2) en Ongevallen met gevaarlijke stoffen en transport (hoofdstuk 3). Deze scenariogroepen zijn vervolgens ook weer onderverdeeld in subcategorieën. De achterliggende gedachte voor sub-categorisering komt bij de betreffende scenariogroep ter sprake. In hoofdstuk 4 worden de eisen ten aanzien van bereikbaarheid beschreven. De benodigde hoeveelheid bluswater is gerelateerd aan een standaard inzetstrategie. Dit is de inzet die doorgaans door de brandweer gehanteerd wordt. In bijlage 1 wordt de standaard inzetstrategie nader toegelicht. De wet- en regelgeving met betrekking tot de verantwoordelijkheidstoedeling van de zorg voor bluswater en bereikbaarheid wordt nader toegelicht in bijlage 2. In bijlage 3 wordt de geraadpleegde literatuur vermeld. Tot slot is in bijlage 4 een verklarende woordenlijst opgenomen.
9
1 Scenariogroep Woningen Uitwerking scenario-indeling in bouwperioden en woningtypen
Bouwperioden Voor de uitwerking van de scenariogroep Woningen is er voor gekozen om een nadere verdeling in drie categorieën te maken, gebaseerd op de periode waarin de woning is gebouwd. De keuze voor deze periode hangt samen met de toegepaste bouwwijze, bouwmaterialen en de mate waarin preventieve voorzieningen in de woning zijn aangebracht. Een belangrijke grens is de invoering van het ‘Bouwbesluit’ in 2003. Op basis hiervan werden brandpreventieve voorzieningen verbeterd, en landelijk geüniformeerd toegepast. Daarnaast kan er een onderscheid aangebracht worden tussen naoorlogse en vooroorlogse woningen. In vooroorlogse woningen bestaat een groter risico op instortingsgevaar en deze woningen beschikken nauwelijks over enige vorm van weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Alhoewel naoorlogse woningen niet zo goed preventief zijn toegerust als nieuwbouwwoningen, is dit toch aanmerkelijk beter dan in vooroorlogse woningen1. Op basis van deze overwegingen is er besloten tot een indeling in drie perioden, namelijk:
. Nieuwbouw (tabel 1A: woningen ontworpen en gebouwd volgens Bouwbesluit 2003 en later); . Naoorlogse bouw (tabel 1B: woningen gebouwd tussen 1945-2003); . Vooroorlogse bouw (tabel 1C: woningen gebouwd voor 1945). Deze perioden brengen elk hun eigen profiel aan bluswaterbehoefte met zich mee. Woningtypen Naast de bouwperiode kan ook het type woning invloed hebben op de behoefte aan bluswater. Deze behoefte wordt primair beïnvloed door de hoogte van en/of de inzetdiepte in het gebouw. Bij de subcategorieën Nieuwbouw en Naoorlogse bouw is gekozen voor een indeling in:
. Woning . Gestapelde bouw (< 20 m) . Hoogbouw (20-70 m)/inzetdiepte> 60 m
Bouwwerken hoger dan 70 meter en ondergrondse bouw worden in deze handreiking niet nader besproken. Wanneer hoger dan 70 meter of ondergronds gebouwd wordt, vereist weten regelgeving dat speciale voorzieningen t.a.v. bluswater worden getroffen. Maatwerk is dan geboden. Bij Vooroorlogse bouw is ingedeeld in de categorieën:
. Rijtjeswoning/winkels . Gestapelde bouw (< 20 m) . Oude binnensteden Presentatieformat en tabellen kengetallen
1
Voor een duidelijk overzicht van de bluswaterbehoefte worden de kengetallen gepresenteerd in tabelvorm (zie tabellen). De eerste kolom toont de geanticipeerde, totale capaciteit uit alle bluswatervoorzieningen (kolom 1), uitgaande van de behoefte bij dat scenario, waarbij de capaciteiten van de afzonderlijke bluswatervoorzieningen bij elkaar zijn opgeteld. De capaciteit van de primaire/secundaire/tertiaire bluswatervoorzieningen wordt getoond in respectievelijk kolom 3, 5 en 7. Daarnaast worden de maximale afstand object-opstelplaats (kolom 2) en de afstand bluswatervoorziening-opstelplaats (zowel voor primair als secundair en tertiair) getoond (kolom 4, 6 en 8). Deze gegevens worden in de tabelrijen per woningtype gepresenteerd.
Binnen de naoorlogse periode is niet nog een scheiding aangebracht, van bijvoorbeeld voor en na 1970. Vanaf de jaren ’70 werd betonbouw steeds gangbaarder. De toepassing van beton betekende een aanmerkelijke verbetering van de brandveiligheid. De toepassing van betonbouw gaf echter toen nog niet altijd garantie voor brandveiligheid. Een voorbeeld hiervan zijn de woningenmet-platte-daken, waar (recent) ontdekt werd dat de scheidingswanden niet tot aan het dak waren doorgetrokken (VROM (2009) Inspectiesignaal brandwerendheid woningscheidende constructies ).
10
1.1 Nieuwbouw (woningen ontworpen en gebouwd volgens bouwbesluit 2003 en later) Algemeen Bij een beginnende brand in een woning of gestapelde bouw wordt een inzet doorgaans uit(zie hiervoor gevoerd door middel van 1 of 2 stralen hogedruk (HD) met de inhoud van de tank van de TS. ook Bijlage 1) Er wordt hier uitgegaan van een offensieve binneninzet, dan wel buiteninzet. Bij een volledig ontwikkelde brand in een kleine woning/gestapelde bouw kan er een defensieve binnen- dan wel buiteninzet worden gedaan met 2xLD of 2xHD, uitgaande van optimale brandscheidingen. Het risico op overslag via gestapelde bouwlagen blijft aanwezig maar kan worden beperkt door de inzet van 1xLD. Aangezien de inhoud van de watertank van de TS niet voldoende is voor een defensieve inzet met LD, dient er een aanvullende primaire bluswatervoorziening beschikbaar te zijn, die minimaal 500 liter per minuut levert. In gebouwen met een hoogte van 20-70 meter, waarin een droge blusleiding is vereist en aangebracht of gebouwen die een mogelijk grote inzetdiepte vereisen is er direct aanvullende bluswatervoorziening nodig. Dit heeft te maken met het feit dat eerst blusleidingen en slangen gevuld moeten worden voordat er geblust kan worden; de tankinhoud van een TS is eenvoudigweg niet voldoende voor zowel blussen als vullen2 .
Voor hoogbouw/grote inzetdiepte waarbij standaard een lagedruk droge blusleiding is aangelegd, dient de bluswatervoorziening 500 liter per minuut te kunnen leveren. Deze voorziening is ontworpen voor aansluiting op LD. Hiermee kan brandbestrijding met maximaal 2xLD plaatsvinden. Uitzondering Voor gebouwen hoger dan 70 meter zal op het gebied van bluswatervoorziening maatwerk geleverd moeten worden. Standaardinzet Bij een standaardinzet (tabel 1A) zal men voor alle woningtypen over een voorziening van 500 liter per minuut moeten beschikken (voor 2xHD offensief of 2xLD/HD defensief). Een dergelijk debiet is zonder noemenswaardig drukverlies te verplaatsen over een afstand van 100 meter. Het betreft hier een enkele slangleiding van maximaal 5 slanglengten à 20 meter. De benodigde opbouw van de slangleiding kan binnen 3 minuten plaatsvinden. NB: het is noodzakelijk om per woonwijk over een strategisch gekozen bluswatervoorziening te beschikken, om in te kunnen spelen op een eventuele escalatie van het incident. Deze bluswatervoorziening moet aan de eisen van een secundaire bluswatervoorziening voldoen. Hiermee kan in de waterbehoefte (voor bijvoorbeeld een waterkanon of torenstraal) worden voorzien om de effecten te beperken indien de brand escaleert.
1.2 Naoorlogse bouw (woningen gebouwd tussen 1945-2003) Algemeen Vroege detectie van een woningbrand is minder waarschijnlijk dan in het geval van nieuwbouw, vanwege het ontbreken van voorzieningen zoals verplichte rookmelders. Redding van bewoners zal vaak ondersteund moeten worden door blussing. Een ontwikkelde woningbrand brengt een verhoogd risico op doorslag en overslag t.g.v. niet-optimale brandscheidingen met zich mee. In principe wordt er in eerste instantie ingezet met 2xHD. Bij verdere ontwikkeling van de brand wordt deze inzet aangevuld met 2xLD en 1xWK of torenstraal. Het betreft hier een inzet van 2 TS’en en een RV. Qua bluswatervoorziening is voor een dergelijke inzet een TS met als primaire aanvulling 500 liter per minuut en als secundaire aanvulling 1500 liter per minuut noodzakelijk. Aanvullende bluswatervoorziening is nodig voor het vullen van leidingen en slangen in gebouwen hoger dan 20 meter. Daarnaast moet bij hoge vuurlast, grote uitbreidingsnelheid of hoge vermogensdichtheid (bijv. woningen boven winkels) een primaire voorziening in een behoefte van 500 liter per minuut kunnen voorzien, wat voldoende is voor een inzet met 2xLD/4xHD. 2
In het gunstigste geval blijft er (na vulling) nog 900 liter over waarmee men maximaal 4 minuten kan blussen met 1 LD-straal
11
Een secundaire voorziening op maximaal 200 meter afstand kan in de water-behoefte (WK of torenstraal 1500 liter per minuut) voorzien voor effectreductie in geval van escalatie. Standaardinzet Bij een standaardinzet (tabel 1B) in een woning zal men over een voorziening van 1000 liter per minuut (primair of secundair) moeten beschikken. Bij een dergelijke inzet houdt men al bij voorbaat rekening met escalatie van de brand. De standaardinzet gaat uit van 2xHD, aangevuld met 2xLD (door de 2e TS) of in totaal 4xLD. Voor de afstand tussen de primaire bluswatervoorziening van 500 liter per minuut en de opstelplaats wordt 40 meter tot maximaal 100 meter aangehouden. Idealiter bevindt de primaire bluswatervoorziening zich zo dicht mogelijk bij de grootste risico objecten in een woonwijk. Met andere woorden: een primaire bluswatervoorziening zoals een brandkraan, wordt zo strategisch mogelijk geplaatst. Bevinden zich in de woonwijk geen noemenswaardige risico objecten, dan kan de afstand tussen de primaire bluswatervoorziening en opstelplaats maximaal 100 meter bedragen. Een afstand van 100 meter is namelijk de maximale afstand waarbij een debiet van 500 liter per minuut te verplaatsen is zonder noemenswaardig drukverlies met een nog acceptabele opbouwtijd3 (voor een nadere toelichting, zie bijlage 1: Standaard inzetstrategie).
In geval van gestapelde bouw of hoogbouw/grote inzetdiepte moet deze voorziening uitgebreid worden tot 2000 liter per minuut (primair 500 liter per minuut op 40-100 meter, secundair 1500 liter per minuut op maximaal 200 meter), mede met het oog op redding. Bij hoogbouw/grote inzetdiepte wordt uitgegaan van een eerste inzet met 2xLD.
1.3 Vooroorlogse bouw (woningen gebouwd voor 1945) Algemeen Vooroorlogse bouw wordt gekenmerkt door een minder doordacht ontwerp m.b.t. het voorkomen en beheersen van brand zodat men niet uit kan gaan van enige vorm van brandscheiding of compartimentering. Hierdoor bestaat er een verhoogd risico op branduitbreiding, branddoorslag en brandoverslag bij een ontwikkelde brand. Dit risico wordt ook nog eens verhoogd aangezien vroege detectie geen zekerheid is. Ook komt men vaker bouwwerken (gecombineerde winkel/woningen, oude binnensteden) tegen met een hoge vuurbelasting waardoor een brand zich snel kan uitbreiden. Daarnaast is in oude binnensteden met nauwe straatjes bereikbaarheid vaak problematisch, zodat men ook nog eens risico loopt op een vertraagde opkomst. Mogelijk wordt er in eerste instantie offensief ingezet (zeker als redding van bewoners ondersteund moet worden) maar over het algemeen zal er defensief ingezet worden waarbij men een afbrandscenario probeert te vermijden. Aangezien een dergelijke inzet mogelijk met meerdere waterkanonnen of torenstralen uitgevoerd moet worden dient men over primaire, secundaire of tertiaire voorzieningen met een voldoende debiet te beschikken. Uitzondering Voor monumentale bouwwerken dient de bluswatervoorziening via maatwerk te worden geregeld.
Standaardinzet Bij een standaardinzet (tabel 1C) in een rijtjeswoning/winkel dient men te beschikken over een bluswatervoorziening van 1000 liter per minuut (primair 500 liter per minuut op 40 meter en secundair 500 liter/minuut op maximaal 200 meter, of een primaire voorziening van 1000 liter per minuut). Bij een dergelijke inzet houdt men al bij voorbaat rekening met escalatie van de brand. De standaardinzet gaat uit van 2xHD, aangevuld met 2xLD, of in totaal 4xLD. Bij vooroorlogse bouw is het noodzakelijk dat de primaire bluswatervoorziening, bijvoorbeeld een brandkraan, zo strategisch mogelijk geplaatst is. Dat wil zeggen: de brandkraan ligt zo dicht mogelijk bij de meest risicovolle objecten in de wijk. Slechts wanneer de risico’s op 3
Het betreft hier een enkele slangleiding van maximaal 5 slanglengten à 20 meter. De opbouw van de benodigde slangleiding kan binnen 3 minuten plaatsvinden.
12
brand-uitbreiding zeer beperkt geacht worden, kan de afstand tussen primaire bluswatervoorziening en opstelplaats vergroot worden tot maximaal 100 meter. Een debiet van 500 liter per minuut kan nog door 1 TS over een afstand van 100 meter worden getransporteerd zonder noemenswaardig drukverlies 4 . Bij gestapelde bouw dient men te beschikken over een secundaire bluswatervoorziening van 1500 liter per minuut om inzet met waterkanon of torenstraal mogelijk te maken. In oude binnensteden moet daarnaast ook nog een tertiaire bluswatervoorziening beschikbaar zijn (minimaal 2000 liter per minuut op maximaal 1000 meter). In oude binnensteden is het ook noodzakelijk om met minimaal 2 TS’en aan te rijden om snel waterwinning te kunnen opbouwen. Mocht een redding (offensief) ondersteund moeten worden, dan volstaan de kengetallen zoals vermeld voor defensieve inzet ruimschoots.
Tabel 1A: Scenario woningbranden (> 2003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen
Woning Gestapelde bouw (< 20 m) 1 1/
Hoogbouw (20-70 m) inzetdiepte (> 60 m) 2
Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)
Maximale afstand objectopstelplaats (m)
Primair (l/min)
Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Secundair (l/min)
500
40
500
100 4
-
0
500
20
500
100 4
-
0
500
15 3
500
20
-
0
Hoogbouw > 70 m
Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Tertiair (l/min)
Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Maatwerk NB Per woonwijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4
Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Een leiding van 5 slanglengten is acceptabel qua inzettijd/drukverlies bij een maximale capaciteit van 500 liter per minuut.
Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)
Maximale afstand objectopstelplaats (m)
Primair (l/min)
Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Secundair (l/min)
Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Tertiair (l/min)
Woning
1.000
40
500
40-100
500
300 4
0
Gestapelde bouw (< 20 m) 1
2.000
20
500
40-100
1.500
200 5
0
Hoogbouw (20-70 m) 1 / inzetdiepte (> 60 m) 2
2.000
15 3
500
20
1.500
200 5
0
Tabel 1B: Scenario woningbranden (19452003): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen
Hoogbouw > 70 m
Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Maatwerk 1 2 3 4 5
4
Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.
Het betreft hier een enkele slangleiding van maximaal 5 slanglengten à 20 meter. De opbouw van de benodigde slangleiding kan binnen 3 minuten plaatsvinden.
13
Tabel 1C: Scenario woningbranden (vooroorlogs): voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen
Rijtjeswoning/winkels Gestapelde bouw 1 (< 20 m) 2
Oude binnensteden 3 Hoogbouw > 70 m
Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)
Maximale afstand objectopstelplaats (m)
Primair (l/min)
Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Secundair (l/min)
Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
Tertiair (l/min)
Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
1.000
40
500
40-100 4
500
300 5
0
0
2.000
20
500
40-100 4
1.500
200 6
0
0
4.500
40
1.000
40
1.500
200 6
2.000
1.000
Maatwerk 1 2 3 4 5 6
Hieronder vallen ook de portiekwoningen. Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Standaard afstand is 40 meter. Afstand mag alleen vergroot worden tot 100 meter bij geringe kans op branduitbreiding (laag risicoprofi el). Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.
14
2 Scenariogroep Utiliteitsgebouwen
2.1 Utiliteitsgebouwen Onder utiliteitsgebouwen worden bouwwerken verstaan welke voor algemeen nut gebruikt worden, en die niet privaat bewoond worden.
. . . .
De indeling in verschillende typen utiliteitsgebouwen is gebaseerd op de PREVAP lijst5. In de PREVAP zijn gebouwen en objecten ingedeeld naar gebruiksfuncties. De indeling is vrij gedetailleerd en biedt voor deze handreiking een goede basis voor nadere specificatie van utiliteitsgebouwen. Ten behoeve van deze handreiking zijn PREVAP categorieën bij elkaar gegroepeerd wat resulteert in de volgende indeling in utiliteitstypen: Utiliteit zelfredzaam Utiliteit met aanwezigheid verminderd zelfredzamen Utiliteit groot Utiliteit diversen In tabel 2A is voor elk utiliteitstype beschreven welke PREVAP categorieën hierbij horen 6 . Voor elk utiliteitstype wordt de bluswaterbehoefte besproken tegen de achtergrond van de behoefte voor de scenariogroep Woningen (zie hoofdstuk 1)7.
Uitwerking scenario’s: De uitwerking van de scenariogroep Utiliteitsgebouwen is opgezet conform de systematiek indeling in bouw- van de scenariogroep Woningen (hoofdstuk 1). Daar zijn de kengetallen onderscheiden naar perioden, utiliteits- bouwperiode (nieuwbouw, naoorlogs, vooroorlogs) en woningtypen. typen en objecttypen Voor utiliteitsgebouwen zijn met name de bouwperioden nieuwbouw en naoorlogs relevant. Vooroorlogse utiliteitsgebouwen komen niet vaak meer voor en worden daarom in deze handreiking verder buiten beschouwing gelaten.
. . .
De objecttypen bij nieuwbouw en naoorlogse bouw zijn ‘enkellaags’, ‘gestapelde bouw< 20 m’ en ‘hoogbouw (20-70 m)/grote inzetdiepte> 60 m’. Deze nadere typering is ook voor utiliteitsgebouwen relevant. De nadere indeling wordt dan als volgt benoemd: Enkellaags Gestapelde bouw< 20 m Hoogbouw (20-70 m)/grote inzetdiepte> 60 m Utiliteitsgebouwen hoger dan 70 meter worden in deze handreiking niet nader besproken. Wanneer hoger dan 70 meter gebouwd wordt, vereist wet- en regelgeving dat speciale voorzieningen t.a.v. bluswater worden getroffen. Maatwerk is dan geboden8 . Voor deze PREVAP-categorieën geldt dat zij kunnen voorkomen in verschillende objecttypen. Als voorbeeld: een kantoorgebouw kan gehuisvest zijn in een woning, in een pand dat bestaat uit meerdere bouwlagen of in een pand dat hoger is dan 20 meter of dat een grote inzetdiepte heeft. Voor de bluswaterbehoefte kan dan gerekend worden met dezelfde kengetallen als voor woningen. En, net als bij woningen, is er meer bluswater vereist voor utiliteitsgebouwen uit de naoorlogse bouwperiode, vergeleken met de bouwperiode na 2003 (tabel 2C).
5 6 7 8
Zie tabel 2B. PREVAP staat voor ‘Preventie Activiteiten Plan’, zie NIFV (2009) Handleiding PREVAP 2009. NB: De indeling in utiliteitstypen betreft een grove categorisering. Indien wenselijk is het mogelijk naar eigen interpretatie de indeling voor een specifi ek gebouw of bouwwerk aan te passen. Bluswaterbehoefte is gerelateerd aan een bepaald scenario, bij een bepaald utiliteitstype. Dit houdt in dat wijziging van gebruiksfunctie of herbestemming van een utiliteitsgebouw, ook kan leiden tot een ander utiliteitstype en daarmee tot wijziging van de bluswaterbehoefte. Maatwerk is ook geboden voor ondergrondse bouw.
15
1 Utiliteit zelfredzaam Deze systematiek is van toepassing op alle categorieën, met als kenmerk dat ze gebruikt worden door (in principe) zelfredzame personen. De brandpreventieve voorzieningen die conform wet- en regelgeving geëist worden, zijn afgestemd op het type gebouw. Met toepassing van de brandpreventieve voorzieningen is het in principe mogelijk dat de aanwezigen in een dergelijk gebouw bij brand het pand tijdig kunnen verlaten. De beschreven bluswatercapaciteit wordt aangewend om de brand te bestrijden en zou niet ingezet hoeven te worden om redding te ondersteunen. 2 Utiliteit met aanwezigheid verminderd zelfredzamen Al de gebouwen uit deze categorie worden gebruikt door verminderd zelfredzame personen. Of er zijn maatregelen getroffen, zoals bij gevangenissen, waardoor de personen zich niet zelf in veiligheid kunnen brengen. Voor deze gebouwen zijn brandpreventieve voorzieningen verplicht, conform wet- en regelgeving. Deze zijn over het algemeen zwaarder dan bij het utiliteitstype ‘Utiliteit zelfredzaam’. De brandpreventieve voorzieningen moeten het namelijk mogelijk maken dat een brand niet alleen beperkt blijft tot een bepaald compartiment, maar dat de aanwezige BHV-organisatie ook nog in staat moet zijn om mensen te evacueren. De BHV-organisatie moet minimaal ontruiming van het brandcompartiment naar het naastgelegen brandcompartiment uit kunnen voeren.
De bluswatercapaciteit zal dan altijd voldoende moeten zijn om de brand beheersbaar te houden en de redding te ondersteunen. 3 Utiliteit groot Kenmerk van dit utiliteitstype is dat er mensen in verblijven die zelfredzaam zijn en dat de gebouwen groot van omvang zijn. Voor deze gebouwen worden ook brandpreventieve voorzieningen geëist. Qua bluswaterbehoefte kan dit utiliteitstype worden ingedeeld naar analogie van de scenariogroep woningen voor wat betreft de woningtypen hoogbouw (20-70 meter) of grote inzetdiepte (> 60 meter). Uiteraard moet ook weer het bouwjaar (na 2003 of naoorlogs) in acht genomen worden. 4 Utiliteit diversen Hieronder worden nog een aantal utiliteitstypen uitgelicht. Industriefunctie In deze handreiking wordt de industriefunctie verder niet specifiek behandeld, omdat hier (PREVAP-categorie maatwerk vereist is. Voor de bepaling van de bluswaterbehoefte kan gebruik gemaakt wor5110 t/m 5130) den van het BrandweerBRZO-scenarioboek (Landelijk Expertise Centrum BrandweerBRZO, 2009). Voor de algemene bluswaterbehoefte, zie hieronder bij bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen Voor bedrijventerreinen geldt dat er een vergroot risico op een geëscaleerde brand kan bestaan, i.v.m. een mogelijk late detectie van een brand. In een dergelijke setting is vaak sprake van grote brandcompartimenten. Er kan mogelijk een verhoogde vuurbelasting bestaan t.g.v.
de opslag van goederen. Tevens kan door leegstand ook eerder een brandgevaarlijke situatie ontstaan die vervolgens ook weer laat wordt ontdekt. De inzet zal er op gericht zijn om belendende percelen te behouden, terwijl het pand zelf waarschijnlijk verloren zal gaan. Voor dit type inzet is al gauw 4xLD benodigd (1000 liter per minuut). Wanneer men te maken heeft met een geëscaleerde brand, kan de inzet van waterkanonnen en torenstralen overwogen worden (elk met een capaciteit van 1500 liter per minuut, totaal 4500-6000 liter per minuut). In dat geval is tertiaire bluswatervoorziening in combinatie met grootschalig watertransport (WTS) benodigd om een defensieve inzet mogelijk te maken9. Als alternatief kunnen bedrijven ook een collectieve bluswatervoorziening aanleggen, gedimensioneerd op de omvang van het bedrijventerrein en specifieke aspecten van de inrichtingen. De bovenstaande overwegingen gelden ook voor loodsen, vemen of opslagplaatsen (PREVAPcategorie 13120). Afhankelijk van het regio-specifieke escalatierisico kan maatwerk nodig zijn.
9
Als kengetal voor een defensieve inzet kan een getal van 2000 liter per minuut per 50 meter vuurfront worden aangehouden.
16
Parkeergarages Bij brand wordt er van uitgegaan dat het incident-object zich bevindt te midden van andere (PREVAP-categorie voertuigen. De eerste inzet vindt plaats met 1xHD. Om escalatie te voorkomen, zal mogelijk 13220) ingezet moeten worden met 2xLD (500 liter per minuut). De benodigde bluswaterbehoefte is dan 500 liter per minuut, te leveren door een primaire bluswatervoorziening10. Voor volautomatische autobergingen (VAB) wordt geadviseerd te kiezen voor een afbrandscenario van de VAB, met het oog op de veiligheid van de incidentbestrijders. In een VAB zijn standaard geen mensen aanwezig zodat geen reddingen hoeven te worden uitgevoerd. Het ontbreken van afscheidingen in VAB’s, in combinatie met slecht zicht als gevolg van rookontwikkeling, maken echter het risico dat incidentbestrijders een of meer verdiepingen naar beneden vallen zeer reëel.
Tabel 2A Indeling in utiliteitstypen op basis van PREVAP Utiliteit zelfredzaam
Utiliteit met aanwezigheid verminderd zelfredzamen
Utiliteit groot
Utiliteit diversen
Kloosters/abdijen (1200)
Tehuizen (1100)
Bijeenkomstgebouwen > 500 personen (2330, 2430, 2730, 2930)
Industriefunctie (5110 t/m 5130)
Woongebouwen met inpandige gangen (1300)
Woning niet-zelfredzame bewoner (1600)
Gebouwen voor middelbaar /hoger onderwijs > 500 personen (8230)
Loods, veem, opslagplaats (13120)
Woning met zorg (1500)
Bejaardenoorden/verzorgingshuizen (1700)
Gebouwen met sportfunctie > 1000 personen (9230)
Parkeergarages (13220)
Kamerverhuur (1800)
Kinderdagverblijf/peuterspeelzaal (2100/2200)
Winkelgebouwen > 1000 personen (10140)
Kampeerterreinen (14110 t/m 14130) (zie 2.2)
Bijeenkomstgebouwen < 500 personen (2300 t/m 2999)
Gevangenissen (3100)
Gezondheidsdiensten (4100)
Gezondheidszorggebouwen (4200 t/m 4400)
Kantoorgebouwen (6110 t/m 6130)
Gebouwen met een logiesfunctie (7110 t/m 7320)
Gebouwen voor middelbaar/ hoger onderwijs< 500 personen (8210/8220)
Gebouwen voor basisonderwijs (8100)
Gebouwen met sportfunctie < 1000 personen (9100 t/m 9220) Winkelgebouwen < 1000 personen (10110 t/m 10130) Studio’s (11100) Stationsgebouwen (11210 t/m 11230) Bouwwerk geen gebouw zijnde (12) Markt (14200)
10
Afhankelijk van de hoogte van het gebouw zullen blusleidingen moeten worden toegepast.
Bedrijventerreinen (geen PREVAP)
17
Tabel 2B PREVAP-indeling11 PREVAPOmschrijving nummer
1
Aantal Priopersonen riteit*
Gebouwen met een woonfunctie
1100
Tehuizen
PREVAPOmschrijving nummer
7
> 10**
*1
7110
Aantal Priopersonen riteit*
Gebouwen met een logiesfunctie
Hotel
10-50
*2
1200
Kloosters/abdijen
2
7120
Hotel
> 50
*1
1300
Woongeb’w met inpandige gangen
3
7210
Pension/Nachtverblijf
10-50
*2
1500
Woningen met zorg
3
7220
Pension/Nachtverblijf
> 50
*1
1600
Woningen (bedrijfsm./complexen) niet zelfredzame bewoners
> 10**
7310
Dagverblijf (kinderen/gehandicapten
10-50
*3
7320
Dagverblijf (kinderen/gehandicapten
> 50
*2
1700
Bejaardenoorden/verzorgingshuizen
> 10**
*1
1800
Kamerverhuur
> 14
2
> 10
*2
2
2100
*2
Gebouwen met een bijeenkomstfunctie
Kinderdagverblijf
8
Gebouwen met een onderwijsfunctie
8100
School (leerlingen < 12 jaar)
8210
School (leerlingen > 12 jaar)
50-250
3
> 10
*2
8220
School (leerlingen > 12 jaar)
250-500
2
8230
School (leerlingen > 12 jaar)
> 500
1
2200
Peuterspeelzaal
> 10
*3
2310
Theater, schouwburg, bioscoop, aula
50-250
3
2320
Theater, schouwburg, bioscoop, aula
250-500
2
9
Gebouwen met een sportfunctie
2330
Theater, schouwburg, bioscoop, aula
> 500
1
9100
Gymzaal, studio (ballet bv.)
> 50
4
2410
Museum, bibliotheek
50-250
4
9210
Sporthal, stadion
50-250
3
2420
Museum, bibliotheek
250-500
2
9220
Sporthal, stadion
250-1000
2
2430
Museum, bibliotheek
> 500
1
9230
Sporthal, stadion
> 1000
1
9300
Zwembad
10
Gebouwen met een winkelfunctie
2510
Buurthuis, ontm.centrum, wijkcentr.
50-250
3
2520
Buurthuis, ontm.centrum, wijkcentr.
> 250
2
2610
Gebedshuis
50-250
3
2
2620
Gebedshuis
> 250
2
10110
Winkelgebouwen
50-250
4
2710
Tentoonstellingsgebouwen
50-250
4
10120
Winkelgebouwen
250-500
3
2720
Tentoonstellingsgebouwen
250-500
2
10130
Winkelgebouwen
500-1000
2
2730
Tentoonstellingsgebouwen
> 500
1
10140
Winkelgebouwen
> 1000
1
2800
Kantine, eetzaal
> 50
3
2910
Cafe’s, discotheek, restaurant
50-250
3
11
Overige gebruiksfuncties
2920
Cafe’s, discotheek, restaurant
250-500
2
11100
Studio’s (opname bv. TV)
2930
Cafe’s, discotheek, restaurant
> 500
1
2999
Overige gb’n met bijeenk.functie
> 50
3
3100 4
Gebouwen met een celfunctie
Gevangenissen
> 10**
2
11210
Stationsgebouwen
50-250
4
11220
Stationsgebouwen
250-500
2
11230
Stationsgebouwen
> 500
1
11999
Overige gebruiksfunctie
> 50
*1 12
Bouwwerk geen gebouw zijnde Gebouwen met gelijkwaardigheid
Gebouwen met een gezondheidszorgfunctie
4100
Gezondheidsdiensten
> 50
3
13
4200
Klinieken (poli-, psychiatr., ...)
> 10**
*1
13120
Loods, veem, opslagplaats
> 1000m2
4300
Ziekenhuis
> 10**
*1
13220
Verpleegtehuizen
> 1000m2
4400
Verpleegtehuizen
> 10**
*1
5
Industriefunctie
14
Gebruik o.b.v. brandbeveiligingsverordening
14110
Kampeerterrein/jachthaven
50-100
4
5110
Fabrieken
50-250
3
14120
Kampeerterrein/jachthaven
100-250
3
5120
Fabrieken
250-500
2
14130
Kampeerterrein/jachthaven
> 250
2
5130
Fabrieken
> 500
1
6
14200
Markt
14300
Tijdelijke bouwsels
> 50
4
PM
Overige objecten/gebr.functies
> 50
Kantoorfunctie
6110
Kantoren
50-250
4
6110
Kantoren
250-500
3
6130
Kantoren
> 500
1
11
NIVF (2009) Handleiding PREVAP 2009
* De met een * gemarkeerde gebruiksfuncties zijn gebruiksvergunningsplichtig en hebben dus een behandelingsplicht. ** Dit aantal is in de gemeentelijke bouwverordening aan te passen.
4
18
Geanticipeerd totaal uit alle voorzieningen (l/min)
Tabel 2C: Scenario utiliteitsgebouwen: voorzieningen voor bluswatergebruik bij verschillende objecttypen bij standaardinzet
Maximale afstand objectopstelplaats (m)
Primair (l/min)
Maximale afstand 1ste bluswatervoorziening opstelplaats (m)
1945>2003 2003
Secundair (l/min)
Maximale afstand 2de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
19451945>2003 2003 2003
>2003
Tertiair (l/min)
Maximale afstand 3de bluswatervoorziening opstelplaats (m)
19451945>2003 2003 2003
>2003
Enkellaags
1.000 500
40
500
40-100 4
500
0
300 5
0
0
0
0
0
Gestapelde bouw (< 20 m) 1
2.000 500
20
500
40-100 4
1.500
0
200 6
0
0
0
0
0
Hoogbouw (20-70 m) 1 /inzetdiepte (> 60 m) 2
2.000 500
15 3
500
20
1.500
0
200 6
0
0
0
0
0
Hoogbouw > 70 m
Maatwerk NB Per wijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk in geval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. De afstand tussen bluswatervoorziening en incident is afhankelijk van het repressieve arsenaal binnen de betreffende regio of gemeente. 1 2 3 4 5 6
Betreft hoogste verdiepingsvloer. Wanneer de inzetdiepte van 60 m wordt overschreden moet hetzij de afstand object-opstelplaats worden verminderd of een aanpassing aan het bouwwerk plaatsvinden. Dit betreft de afstand tussen voedingspunt en opstelplaats. Idealiter is de primaire bluswatervoorziening zo strategisch mogelijk gesitueerd, dat wil zeggen het dichtst bij de grootste risico objecten in een bepaalde wijk (40 meter). De maximale afstand bedraagt 100 meter bij een leiding van 5 slanglengten (acceptabel qua inzettijd/drukverlies bij een maximale capaciteit van 500 liter per minuut). Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden om de eerste TS te voeden, bij een capaciteit van maximaal 1000 liter per minuut. Maximale afstand aan slanglengte die met 1 TS overbrugd kan worden, bij een capaciteit van maximaal 2000 liter per minuut, om een waterkanon en/of lagedruk stralen in te zetten. NB: het is dan wel noodzakelijk om 75 mm slangen te gebruiken van de 1ste TS.
2.2 Agrarische inrichtingen, natuurgebieden en buitengebied Agrarische Onder agrarische inrichtingen worden boerderijen en stallen verstaan. Een offensieve inzet zal inrichtingen met 1 à 2xHD, aangevuld met 2xLD uitgevoerd worden (250-750 liter per minuut). De aanrijtijd bij agrarische inrichtingen is meestal vrij lang. De praktijk is dan ook dat een brand vaak al dusdanig geëscaleerd is dat alleen nog een defensieve inzet gedaan kan worden om de belendende percelen te behouden en overslag naar de omgeving te voorkomen. Hiervoor wordt 1xWK en 2xLD ingezet (2000 liter per minuut). Agrarische inrichtingen zijn vaak geïsoleerd gelegen. Een primaire bluswatervoorziening in de vorm van een brandkraan is dan geen realistische optie12 . Gezocht zal moeten worden naar alternatieve (primaire) bluswatervoorzieningen (zowel openbaar als op eigen terrein), zoals een combinatie met een beregeningsbron, een tankwagen met water die mee uitrukt of een geboorde put (zie hiervoor ook NVBR-rapport ‘Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening’)13. Zo kan bij aanwezigheid van een bluswatervoorziening in de directe omgeving van de inrichting ‘tijd worden gekocht’ om een tijds- en arbeidsintensief groot watertransportsysteem vanaf een tertiaire voorziening aan te leggen.
Vanwege de geïsoleerde ligging en de daarmee gepaard gaande lange aanrijtijden is het des te belangrijker te investeren in brandpreventieve voorzieningen. Bij het tijdig ontdekken van een brand, zal de brand mogelijk nog onder controle te krijgen zijn met een beperkte bluswaterbehoefte, waar bijvoorbeeld een beregeningsbron in kan voorzien. NB Zeer grote veeteelt inrichtingen (de zogenaamde megastallen) moeten worden beschouwd als industriële inrichtingen. Voor de bluswatervoorziening wordt verwezen naar het BrandweerBRZO-scenarioboek (Landelijk Expertise Centrum BrandweerBRZO, 2009).
12 13
Bij clustering van boerderijen kan een brandkraan wel een optie zijn, mits deze strategisch gesitueerd wordt. Daarnaast moet het leidingnetwerk ter plaatse nog voldoende capaciteit kunnen leveren (in buitengebied ook veelal eindleidingen). NVBR (2009) Alternatieven voor primaire bluswatervoorziening
19
Natuurgebieden Voor natuurbrandbestrijding is momenteel een bronnenboek beschikbaar.* Hier wordt ook de bluswaterbehoefte in behandeld. De bluswaterbehoefte bij een ontwikkelde natuurbrand is enorm. Als kengetal voor een defensieve inzet kan een getal van 2000 liter per minuut per 50 meter vuurfront worden aangehouden. Natuurgebieden overschrijden vaak gemeentelijke en regionale grenzen. De aanleg van nieuwe bluswatervoorzieningen (reservoirs, geboorde putten) of de preparatie van natuurlijke voorzieningen (open water met geprepareerde opstelplaats) of het pendelen met bijvoorbeeld tankwagens, waterwagens of giertanks zal dan ook in (boven)regionaal verband moeten worden afgestemd. Maatregelen om een beginnende brand of brandhaarden op te sporen, bijv. d.m.v. verkenningsvluchten zijn noodzakelijk om incidentbestrijding mogelijk te maken, voordat de brand volledig geëscaleerd is. Dan wordt ook meer tijd gecreëerd om bezoekers van het natuurgebied te kunnen evacueren. Buitengebied De bluswaterbehoefte voor woningen, bedrijven en andere bouwwerken (bijv. conferentieoorden, hotels) in het buitengebied, kan bepaald worden naar analogie van de scenariogroep woningen. Onderscheiden moet dan worden de aard van het gebouw (vergelijkbaar met eengezinswoningen, gestapelde bouw, grote inzetdiepte of hoger dan 20 meter) en de bouwperiode (na 2003, na- of vooroorlogs).
Voor gebouwen en bouwwerken in het buitengebied is het noodzakelijk dat een aparte bluswatervoorziening wordt aangelegd, aangezien algemene openbare bluswatervoorziening in het buitengebied geen realistische optie is. Wel is het mogelijk een gezamenlijke bluswatervoorziening te realiseren met meerdere gebruikers/objecten in het buitengebied. Voor objecten in buitengebieden gelden echter wel inzetbeperkingen i.v.m. lange aanrijtijden. Daarom verdient het aanbeveling hier (extra) brandpreventieve voorzieningen te realiseren, zodat alle aanwezigen het gebouw of bouwwerk tijdig kunnen verlaten en de brand beheersbaar blijft. Om een beginnende brand beheersbaar te houden en overslag naar belendende percelen of natuurgebieden te voorkomen, kunnen bijvoorbeeld sprinklers worden aangebracht of kunnen zo veel mogelijk onbrandbare bouwmaterialen in de constructie (isolatiemateriaal) en inrichting worden toegepast. In geval van buitendijkse gebieden is men qua brandbestrijding aangewezen op preventieve voorzieningen, zoals bijv. (woning)sprinklers. Conventionele incidentbestrijding kan namelijk bij een incident in dergelijke gebieden problematisch zijn i.v.m. een slechte bereikbaarheid van de objecten.
Het kan moeilijk zijn om een object te bereiken (omdat de wegverharding niet toereikend is of afmetingen van de weg niet geschikt zijn voor brandweervoertuigen) of om een geschikte opstelplaats nabij het object te creëren (i.v.m. zetting grond, of een te slappe ondergrond). Daarnaast kennen dergelijke locaties doorgaans een aanzienlijke aanrijtijd, zodat er zonder preventieve maatregelen een groot risico is op een reeds geëscaleerde brand. Ook voor bijvoorbeeld objecten als steigerwoningen geldt dat zij niet bereikbaar zijn voor een repressieve inzet. Preventieve voorzieningen (extra) treffen, is ook hier het devies. Een speciale categorie vormen nog de terreinen voor niet-permanente bewoning. Hieronder vallen o.a. kampeerterreinen, recreatieparken en volkstuincomplexen. Hiervoor geldt ook dat een openbare bluswatervoorziening geen realistische optie is. Het is bij een dergelijk terrein daarom wenselijk dat een bluswatervoorziening op eigen terrein wordt aangelegd. De inzet zal gericht zijn op het voorkomen van overslag naar belendende gebouwen of bouwwerken en natuurgebieden. Een inzet van 2xLD (500 liter per minuut) zou in eerste instantie moeten volstaan. Het is dan wel een aanbeveling om brandpreventieve voorzieningen te treffen, zodat de kans op het ontstaan van brand verkleind wordt.
Een van de te nemen brandpreventieve maatregelen betreft bouwwerken op voldoende afstand van elkaar te plaatsen, om overslag zoveel mogelijk te voorkomen.
*
‘Bronnenboek natuurbrandbeheersing’; NVBR 2011.
20
3 Scenariogroep Ongevallen met Gevaarlijke Stoffen (OGS) en Transport 3.1 Algemene toelichting Modaliteiten Voor de uitwerking van deze scenariogroep is er onderscheid gemaakt tussen weg- en spoortransport. Binnen dit kader worden ook scenario’s betreffende ongevallen met gevaarlijke stoffen (OGS) behandeld. Voor incidenten bij transport over water wordt gebruik gemaakt van de reeds aanwezige bluswatervoorziening bij de inrichting (haven, overslagstation) of maakt men gebruik van de waterweg als (tertiaire) bluswatervoorziening. Watertransport komt verder niet aan bod binnen het kader van deze Handreiking. Dit geldt ook voor de modaliteit buisleidingen. Voor de scenariogroep OGS en Transport, geldt dat kengetallen gepresenteerd worden voor wegtransport (tabel 3A) en voor spoortransport (tabel 3B). Inzetstrategie De inzetstrategie wordt grotendeels bepaald door de omgeving waarin het incident plaatsvindt. Zie hiervoor ook tabel 3C, waarin de invloed van de omgeving op de bluswatervoorziening is opgenomen. Aangezien veel transportroutes door landelijk gebied lopen zal de primaire bluswatervoorziening hier minimaal zijn en moet men ‘geluk’ hebben met de plaats van het incident wil er sprake zijn van beschikbaarheid en bereikbaarheid van primaire, secundaire of tertiaire bluswatervoorzieningen.
In het algemeen wordt er bij de transportscenario’s van uitgegaan dat geen aanvullende bluswatervoorziening benodigd is voor ondersteuning bij redding van slachtoffers. In geval van escalatie zal men ter bescherming van de omgeving wel moeten beschikken over bluswatervoorzieningen. Deze bescherming kan bestaan uit het blussen van brand of het koelen van bijvoorbeeld de aangestraalde kwetsbare bebouwing, tankwagen of ketelwagon, om uitbreiding naar de omgeving te voorkomen. Bij OGS-incidenten kan men proberen de emissie neer te slaan (offensief). In het geval van instantane emissie, waarbij in één keer de inhoud van een tankwagen of ketelwagon vrijkomt, is dit maar beperkt haalbaar, omdat de brandweer vaak pas op de locatie zal aankomen als de wolk al verwaaid is. Voor het beschermen van de omgeving kan men inzetten op het benedenwinds plaatsen van waterschermen om de wolk met gevaarlijke stoffen te verdunnen (d.m.v. opmengen of oplossen), het indammen van een toxische of corrosieve vloeistof plas of het opnemen in inert absorptiemateriaal en het afdekken van de plas met schuim. Incident-scenario’s Binnen de scenariogroep OGS en Transport wordt onderscheid gemaakt in verschillende incidentscenario’s.
Hierbij kan men denken aan een cabinebrand (personenwagens, bussen en vrachtwagens voor wegvervoer en locomotieven voor spoorvervoer), een ladingbrand, het (instantaan of continu) vrijkomen van gevaarlijke stoffen (met of zonder brand) en het ontstaan van een Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion (BLEVE) in tankwagen of ketelwagon.
3.2 Uitwerking scenario’s wegvervoer Hieronder worden de scenario’s voor wegvervoer nader gespecificeerd. Zie hiervoor ook tabel 3A. Scenario Een incident in de cabine van een voertuig (personenwagen/bus/vrachtwagen) zal men over cabinebrand het algemeen met de inhoud van een TS kunnen blussen, eventueel met toepassing van schuim door bijvoorbeeld de hosemaster. In geval van een brand die is overgeslagen naar de
21
omgeving dient men de beschikking te hebben over meer bluswater. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Hierbij wordt ingezet met bijvoorbeeld een waterkanon (1xWK, 1500 l/min) en lagedruk (2xLD, 500 l/min). In totaal komt men dan op 2000 liter per minuut uit een secundaire of tertiaire bluswatervoorziening. Deze secundaire of tertiaire bluswatervoorziening zou zich op maximaal 200 meter van de opstelplaats moeten bevinden om inzet met 1 TS mogelijk te maken, met een opbrengst van 2000 liter per minuut. Bevindt de bluswatervoorziening zich op maximaal 500 meter, dan kan de gelijktijdige inzet van een tweede TS uitkomst bieden. Deze tweede TS wordt dan speciaal op de waterwinning ingezet en overbrugt 300 meter. Driehonderd meter is de maximale afstand die met de slanglengten van 1 TS te overbruggen is. Er kan dan echter maximaal 1250 liter per minuut geleverd worden, vanwege beperkingen ten gevolge van drukverliezen. Bij incidenten op de weg is het waarschijnlijk dat de secundaire of tertiaire bluswatervoorziening zelfs niet binnen 500 meter van het incident beschikbaar is. In die gevallen kan er uitgerukt worden met een schuimblusvoertuig of tankwagen om in de eerste bluswaterbehoefte te voorzien.
Daarna kan groot watertransport of een pendelsysteem worden opgezet, om een capaciteit van 2000 liter per minuut te kunnen genereren. Scenario Voor het blussen van een ladingbrand zal men direct over een debiet van 1000-2000 liter per ladingbrand minuut moeten beschikken om een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min) mogelijk te maken. Bluswater kan afkomstig zijn uit een secundaire of tertiaire voorziening. Wanneer deze voorziening op 200 meter afstand ligt, kan de inzet eventueel met 1 TS gedaan worden. Bij een bluswatervoorziening op maximaal 500 meter dient direct een tweede TS mee uit te rukken, om de resterende afstand te overbruggen en de eerste TS te voeden. Waarschijnlijk is het echter praktischer en sneller om standaard een schuimblusvoertuig of tankwagen mee uit te laten rukken. Het schuimblusvoertuig of de tankwagen wordt dan gebruikt als een alternatief voor primaire bluswatervoorziening. Bij overslag naar de omgeving is de benodigde bluswatercapaciteit afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. Een bluswatercapaciteit van 2000 liter per minuut zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving (inzet met 1xWK=1500 l/min en 2xLD=500 l/min).
Wanneer uitgerukt wordt met schuimblusvoertuig of tankwagen moet dan alsnog aanvullende bluswatervoorziening worden opgebouwd om continuïteit van blussing te garanderen. Inmiddels zijn of worden ook in het wegvervoer preventieve voorzieningen getroffen die de kans op brand verkleinen of beheersbaar houden. Deze voorzieningen betreffen bijvoorbeeld mogelijkheden om de accu uit te schakelen (kan inmiddels ook al automatisch), compartimentering van lading (zodat niet de hele lading in één keer in brand vliegt), ophanging van de tank binnen het chassis, botsingsbestendige brandstoftanks (o.a. betere bevestiging van dieseltanks) en signaleringsapparatuur die de chauffeur waarschuwt bij een dreigende botsing. Ook kunnen nood-afsluitmechanismen zijn aangebracht die in werking treden bij beschadiging of verhitting, zodat geen gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Scenario Een ander scenario wordt gevormd door brand met aanstraling van een tankwagen. Bij dit voorkomen scenario is er bij aanstraling van de tankwagen door een forse brand (bijvoorbeeld brand van BLEVE14 de lading van een vrachtwagen) kans op een BLEVE van die tankwagen15. Hierin kunnen twee situaties worden onderscheiden, namelijk wanneer de tankwagen wel of niet is voorzien van een BLEVE-resistente coating (BR). In Nederland worden sinds kort tankwagens met LPG/autogas voorzien van een BR-coating.
Treedt brand op nabij een BR-gecoate tankwagen, dan kan men volstaan met blussing van de brand. Hiervoor dient 1000-2000 liter per minuut beschikbaar te zijn, voor inzet met lage14 15
Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Het betreft hier een tankwagen met als inhoud tot vloeistof verdicht gas (zoals bijvoorbeeld LPG/autogas of propaan). LPG/autogas tankwagens hebben doorgaans een inhoud van 50 m³ en tankwagens met propaan meestal van 20 m³.
22
druk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min). De BR-coating heeft een brandwerendheid van ruim een uur. Is de verwachting dat de brand niet binnen dat uur bestreden kan zijn (wat bijna ondenkbaar is), dan dient tevens watervoorziening voor koeling van de tankwagen (zie hieronder) opgebouwd te worden. In de andere situatie beschikt de tankwagen daarentegen niet over een BR coating. Dit is het geval voor het overgrote deel van de (buitenlandse) tankwagens. Alle buitenlandse LPG/ autogas-tankwagens en alle tankwagens met propaan, beschikken niet over een BR-coating. Men dient dan zo snel mogelijk te beginnen met zowel het blussen van de brand, als met het koelen van de aangestraalde tankwagen. Voor blussen is 1000-2000 liter per minuut nodig om een inzet met lagedruk (4xLD=1000 l/min), eventueel gecombineerd met een waterkanon (2xLD=500 l/min en 1xWK=1500 l/min) mogelijk te maken. Voor koeling is benodigd 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak per minuut, in het geval van een tot vloeistof verdicht gas16 . Dit komt neer op een capaciteit van 1000 liter per minuut. In totaal (blussing + koeling) komt men uit op 2000-3000 liter per minuut. Wanneer men uitsluitend onbemand wil blussen en koelen dienen 2 waterkanonnen te worden ingezet.
Hiervoor is dan een capaciteit van 3000 liter per minuut benodigd (2xWK; 1500 l/ min). Mede met het oog op het risico van een BLEVE verdient het aanbeveling om zo snel mogelijk voor ruim voldoende bluswater te zorgen. Gezien de benodigde hoeveelheden is het raadzaam direct met een schuimblusvoertuig of tankwagen uit te rukken. Vervolgens dient zo snel mogelijk aanvullende bluswatervoorziening uit secundaire of tertiaire voorzieningen opgebouwd te worden om continuïteit van blussing en koeling te garanderen. Overigens geldt ook hier dat in geval van uitbreiding van de brand naar de omgeving er bluswater beschikbaar moet zijn voor blussing. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Scenario plasbrand Bij een plasbrand kan men een offensieve inzet met schuim uitvoeren. De grootte van de brandende plas is onder andere afhankelijk van de grootte van het compartiment dat leegstroomt (bij instantaan vrijkomen, of bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage), de aard van de brandende vloeistof, de aard van het wegoppervlak en de omgeving en meteorologische invloeden. Naar verwachting zal de grootte van de brandende plas tussen de 300 en 700 m2 liggen.
Het kengetal voor een offensieve inzet met schuim komt uit de Operationele Handreiking Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen17. Het kengetal is een bewerking van de kengetallen uit de NFPA11. Zie voor de achtergronden van de kengetallen de rapportage ‘Schuim als blusmiddel’18 . Er wordt gerekend met de volgende formule: V=Oxaxtxf waarbij V = de hoeveelheid schuimvormend middel (SVM) in liters O = de oppervlakte van de brandende plas in m2 a = de applicatiesnelheid, gemiddeld 6.5 l/min/m2 t = de tijdsduur die benodigd is om een stabiele schuimlaag aan te brengen, waarvoor 15 minuten wordt gerekend f = de fractie schuimvormend middel, d.w.z. het bijmengpercentage van 3%.
16 17 18
Voor de koeling van een tankwagen met vloeistof, niet zijnde tot vloeistof verdicht gas, wordt een lager kengetal van 2 l/m²/min aangehouden. NVBR Vakgroep OGS (2012) Operationele Handreiking 2012 Ongevalbestrijding Gevaarlijke Stoffen. Arnhem: Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding. Tolsma P.J.A. en Arentsen D. (2008) Schuim als blusmiddel. Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid Nibra
23
Dit houdt in dat voor een plasbrand van 300 m2 gedurende de eerste 15 minuten 875 liter schuimvormend middel (SVM) benodigd is en 2000 liter water per minuut. Voor 700 m2 zijn gedurende de eerste 15 minuten de kengetallen: 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Na het aanbrengen van een stabiele schuimlaag moet deze onderhouden worden. De brand zorgt er namelijk voor dat het schuim ook afgebroken wordt. Daarom moeten minimaal nog een kwartier lang dezelfde hoeveelheden schuim opgebracht worden. De totale hoeveelheid svm komt dan voor een plas van 300 m2 op 1750 liter en voor 700 m2 op 4100 liter. Is de plasbrand na een half uur nog niet onder controle, dan moet doorgegaan worden met het aanbrengen van de schuimlaag met de hoeveelheden svm en water zoals hierboven beschreven. Wanneer de brand wel onder controle is, is het aan te bevelen om de schuimlaag in stand te houden om verdere verdamping van de plas te voorkomen. Hiervoor is 5-10% van de hierboven genoemde hoeveelheden svm en water benodigd. Het aanbrengen van de schuimlaag kan met lagedruk stralen (à 250 liter per minuut), met een schuimkanon (à gemiddeld 1500 liter per minuut), met een schuimblusvoertuig (gemiddeld 2000 liter per minuut) of met een druk-lucht-schuimsysteem19.
In aanvulling op de hierboven genoemde hoeveelheden bluswater dient bluswater beschikbaar te zijn voor het koelen/afschermen van de omgeving. De benodigde bluswatercapaciteit is afhankelijk van de aard van de omgeving en de grootte van het effectgebied. De al geraamde bluswatercapaciteit zou moeten kunnen volstaan voor bescherming van de omgeving. Bij een defensieve inzet (omdat de plas bijvoorbeeld al weggelopen is in het wegdek of de omgeving) kan men zich beperken tot het beschermen van de omgeving waarvoor een debiet van 2000 liter per minuut volstaat (1xWK en 2 LD). Mocht zich het scenario voordoen van een plasbrand die een tankwagen aanstraalt, dan zal men ook moeten overwegen om bluswater voor koeling in te zetten. Zie hiervoor voorgaande paragraaf ‘Scenario voorkomen BLEVE’. Scenario vrijkomen Een ander scenario betreft het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij instantaan leeglopen gevaarlijke lading of bij continue uitstroom ten gevolge van lekkage. Het kan hier gaan om brandbare, oxiderende, giftige (toxische), bijtende (corrosieve), radioactieve of explosieve stoffen. Deze stoffen kunnen vereenvoudigd gezegd vrijkomen als gassen, vloeistoffen of vaste stoffen. Voor de specifieke bestrijding van een dergelijk incident dient een adviseur gevaarlijke stoffen (AGS) te worden geraadpleegd.
Deze paragraaf gaat over de hoeveelheden bluswater en schuim die benodigd zijn wanneer geen brand ontstaat. Bluswater kan namelijk ingezet worden voor het aanbrengen van een schuimdeken om de vloeistofplas van gevaarlijke stoffen af te dekken. Ook kan bluswater ingezet worden ter bescherming van de omgeving. Er kunnen dan waterschermen gegenereerd worden die gevaarlijke gassen of dampen kunnen neerslaan, verdunnen, opmengen of oplossen. De kengetallen voor het aanbrengen van een schuimdeken kunnen uit de voorgaande paragraaf (scenario plasbrand) worden overgenomen. De stabiele schuimlaag kan al binnen een kwartier zijn aangebracht. Hierna moet de schuimlaag worden onderhouden. Nu kan met 5-10% van de hoeveelheden schuimvormend middel (SVM) en water worden volstaan, omdat dan alleen nog sprake is van afdekking van de vloeistofplas. Steeds moet gecontroleerd worden of de schuimlaag in stand blijft. Sommige gevaarlijke stoffen kunnen de schuimlaag namelijk afbreken. Is dat het geval, dan dient de schuimlaag weer te worden aangevuld. Dit houdt in dat voor een vloeistofplas van 300 m2 voor het aanbrengen van een schuimlaag ongeveer 875 liter SVM en 2000 liter water per minuut benodigd is en voor het in stand houden 85 liter SVM en 250 liter water per minuut.
Voor een vloeistofplas van 700 m2 zijn de getallen voor het aanbrengen van de schuimdeken 2050 liter SVM en 4500 liter water per minuut. Voor het in stand houden is 200 liter SVM en 500 liter water per minuut benodigd. 19