CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 versie 2.2 (21.13)

Raadsvergadering 30 maart 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Fraterwaard 2, Ellecom (21.13)25.142 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

30

De geuremissie uit de dierenverblijven wordt berekend op basis van vastgestelde geuremissiefactoren per diercategorie die zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderijen. De wet geeft maximale waarden voor de geurbelasting die de veehouderij op een gevoelig object mag veroorzaken. In artikel 3.115 van het Activiteitenbesluit wordt aangegeven wat de maximale geurbelasting in odour units per kubieke meter lucht mag bedragen op de geurgevoelige objecten in de omgeving. Voor wat betreft de geurbelasting gelden de volgende normen, rekening houdend met het feit dat de projectlocatie buiten een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom ligt:  voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een maximale geurbelasting van 2,0 odour units per kubieke meter lucht;  voor de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een maximale geurbelasting van 8,0 odour units per kubieke meter lucht;  in afwijking van het voorgaande geldt op grond van artikel 3.116 van het Activiteitenbesluit in het geval van een geurgevoelig object bij een (voormalige) veehouderij in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter tot het emissiepunt.

Op grond van artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit bedraagt de afstand tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgelegd, buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter. Artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit bepaalt dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter is. Op grond van artikel 6 van de Wgv (in samenhang gelezen met artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit) kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden van toepassing zijn dan zoals voorgeschreven.De gemeente Rheden beschikt niet over een dergelijke verordening. Voor de in de nieuw op te richten jongveestal te houden dieren zijn geen geuremississiefactoren vastgesteld. Derhalve geldt op grond artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit een vaste afstand van ten minste 50 meter, aangezien het dichtstbijzijnde geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De afstand van de nieuw te bouwen ligboxenstal tot omliggende geurgevoelige objecten is ca. 278 meter en voldoet daarmee ruimschoots aan de eisen van het Activiteitenbesluit.

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

De VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” houdt bedrijven waar rundvee gehouden wordt voor geur een richtafstand aan van 100 meter. Het dichtsbijzinde geurgevoelige object in de omgeving bevindt zich op een afstand van ongeveer 278 meter. Voor wat betreft de geursituatie ter plaatse van het project is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie: er zijn geen belemmeringen op het gebied van geur die aan de voorgenomen uitbreiding in de weg staan.

5.5

LUCHTKWALITEIT Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is titel 5.2 (‘Luchtkwaliteitseisen’) van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) van belang. De kern van deze

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

31

wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm Zo wordt ook de vaststelling van een bestemmingsplan genoemd. In beginsel moet dus onderzocht worden wat de invloed is van ieder afzonderlijk bestemmingsplan op de luchtkwaliteit. Deze hoofdregel leidt uitzondering als:  een project in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen;  of als een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht. Het voorgenomen plan is niet opgenomen in de NSL. Eveneens is er in beginsel geen sprake van een project zoals genoemd in de Regeling niet in betekenende mate (Regeling NIBM). Derhalve dient het plan te worden getoetst aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wm. Grenswaarden bijlage 2 Wet milieubeheer

Bij de beoordeling van een voornemen met betrekking tot een veehouderij gaat het om de emissie van fijn stof. Door veehouderijen wordt fijn stof in de vorm van PM10 uitgestoten. De grenswaarden voor fijn stof in de vorm van PM10 zijn als volgt vastgelegd in bijlage 2 van de Wm:  jaargemiddelde concentratie: 40 µg per kuub;  daggemiddelde concentratie: 50 µg per kuub;  aantal toegestane overschrijdingen van daggemiddelde: maximaal 35 keer. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBMgrens, dus van na de inwerkingtreding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft.

Dit kan door de hoeveelheid nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de emissiefactor en deze te vergelijken met de waarden uit de tabel. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM. Er zal een berekening met ISL3a uitgevoerd moeten worden om aan te tonen dat geen grenswaarden worden overschreden ofwel de uitbreiding bij precieze berekening toch NIBM blijkt te zijn.

Tabel 5.1 Normen NIBM emissie fijn stof

Uit bovenstaand tekstfragment volgt dat de totale toename in fijn stof emissie moet worden berekend door het aantal nieuwe dieren te

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

32

vermenigvuldigen met de vastgestelde fijn stof emissiefactor. De voorgenomen situatie betreft een toename van de emissie van fijn stof (zie tabel 5.2). Tabel 5.2 Uitbreiding emissie fijn stof voornemen

Omschrijving

Gram/sec

Gr/jaar

Bestaande vergunning

0,000322806

10180

Aangevraagde vergunning

0,000417047

13152

Toename

0,000094242

2972

In het geval van de voorgenomen ontwikkeling is de toename van de fijn stof emissie 2.972 gram per jaar. Omdat de gevoelige objecten op ca. 278 meter van het emissiepunt van zijn gelegen, kan op basis van de daarbij behorende NIBM-bovengrens uit tabel 5.1 geconcludeerd worden dat de toename NIBM is. Gezien de afstand van 278 meter tot de dichtstbijzijnde woning, kan eveneens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd voor wat betreft de stofhinder vanwege het houden van rundvee. Immers, de VNG-publicatie houdt daarvoor een richtafstand aan van 30 meter. Conclusie: de conclusie luidt dat dit plan in overeenstemming is met de luchtkwaliteitseisen.

5.6

WATER Op grond van artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht (Bor) juncto artikel 3.1.6, eerste lid, onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)dient in het kader van een projectafwijkingsbesluit te worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het project voor de waterhuishoudkundige situatie. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van Rijkswaterstaat. Met Rijkswaterstaat is contact over de waterhuishoudkundige aspecten van de voorgenomen ontwikkeling. De waterhuishoudkundige gevolgen van het project zijn door Rijkswaterstaat beoordeeld in het kader van de verleende watervergunning (zie bijlage 7). Hieruit volgt dat het project vanuit waterhuishoudkundig oogpunt inpasbaar is. Conclusie: vanuit het oogpunt van de waterhuishouding zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het project.

5.7

GEZONDHEID Effecten op de volksgezondheid betreffen niet alleen dierziekten en zoönosen, maar ook geurhinder en fijn stofbelasting. In de voorgaande hoofdstukken en paragrafen is ingegaan op de omgeving van het bedrijf en op geur en fijn stof. Daaruit volgt onder meer dat het bedrijf in een dun bevolkt buitengebied ligt, op een afstand van ruim 1 kilometer van de dichtsbijgelegen woonkern. Tevens is daaruit gebleken dat de afstand van het bedrijf tot omliggende bebouwing dusdanig is, dat wordt voldaan aan de geldende normen en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Momenteel is zijn er geen wettelijke afstandsvereisten of normeringen vastgesteld door de overheid, omdat de onderzoeksresultaten hiervoor nog geen aanleiding geven. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet milieubeheer bevat hoogstens een aanvullend

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

33

toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor volksgezondheid zijn geregeld. Ten aanzien van gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijbedrijven heeft de gezondheidsraad het advies “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen” opgesteld (30 november 2012). Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Daarom is er niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Afstanden, meteorologische omstandigheden en de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn op de gezondheidsrisico’s. Op basis van de beschikbare kennis acht de gezondheidsraad het te vroeg om een uitspraak te kunnen doen over de eventuele negatieve gezondheidseffecten van zulke beduidend lagere blootstellingniveaus. De Afdeling hanteert de lijn dat de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Tegelijkertijd stelt de Afdeling dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.

Wel dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onderzocht te worden of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat dit onvoldoende gewaarborgd is.1 Conclusie: in de voorgaande paragrafen is ingegaan op geur en fijn stof. Gezien de daarin al geconstateerde afstand van de inrichting tot omliggende gevoelige objecten en de bijbehorende (daling) van de emissie, is het risico voor de volksgezondheid vanwege dit plan verwaarloosbaar, als er daarmee al een verband gelegd kan worden. Mede gezien de daarin al geconstateerde afstand van de inrichting tot omliggende gevoelige objecten, is het risico voor de volksgezondheid vanwege dit project verwaarloosbaar.

5.8

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De MER-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. Bij het bestaan van een MER-plicht mag de vergunningsaanvraag pas in procedure worden gebracht als de voorafgaande MER-procedure is afgerond. De MER geeft een beeld wat de milieugevolgen bij een gewenste oprichting zijn. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een bestemmingsplan een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van

1

Zie ABRvS 9 februari 2011, zaaknummer 200907470/1/R3 en ABRvS 30 april 2014, zaaknummer 201206940/1/R3.

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

34

toepassing is. Daaruit volgt dat er een m.e.r-(beoordelings)plicht geldt voor een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren als deze boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt. Deze drempelwaarden zijn voor de onderdelen C en D in onderstaande tabellen weergegeven. Tabel 5.3 Onderdeel C Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-plicht

Het project heeft geen betrekking op diercategorieën die in onderdeel C zijn genoemd. Tabel 5.4 Onderdeel D Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-beoordelingsplicht

Gelet op de voorgenomen uitbreiding worden de drempelwaarden van onderdeel D niet overschreden. Er bestaat op grond daarvan voor dit project dus geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Ondanks dat de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden worden, dient het bevoegd gezag te beoordelen of de voorgenomen situatie wel of niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen. De voorgenomen ontwikkeling is immers vermeld in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Op grond artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. moeten voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en die beneden de drempelwaarde vallen, een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten, een zogenoemde “vormvrije m.e.r. beoordeling”. Deze zal voor afgaand aan de proceduer om omgevingsvergunning worden doorlopen. Conclusie: aangezien dit plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten, geldt er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

35

HOOFDSTUK

6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.

6.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Inspraakmogelijkheden

De ontwerp-omgevingsvergunning is zes weken ter inzage gelegd, samen met de ontwerp verklaringen van geen bedenkingen. Er zijn geen zienswijzen ingediend gedurende deze termijn. Na het afgeving van de verklaringen van geen bedenkingen kan de omgevingsvergunning definitief worden verleend door het college van burgemeester en wethouders. De defintieve verklaring van geen bedenkingen van de provincie vanwege de Wet natuurbescherming is afgegeven op 6 januari 2021. De omgevingsvergunning wordt eveneens zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de terinzagelegging kan beroep tegen de omgevingsvergunning worden ingesteld bij de rechtbank. Dit kan uitsluitend worden gedaan door personen die ook tijdig een zienswijze tegen het ontwerp hebben ingediend.

6.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. Dit wordt enerzijds bepaald door de financiële haalbaarheid van het plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

De opdrachtgever fungeert als de financiële drager van het onderhavige plan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initatief, waarvoor reeds de benodigde financiële middelen zijn gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en draagt geen financiële risico’s voor de realisatie.

Grondexploitatie

Op grond van afdeling 6.4 van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Artikel 6.12, eerste lid van de Wro bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. De betreffende algemene maatregel is het Bro. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Bro. Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan onder ander wordt verstaan de bouw van hoofdgebouwen van een oppervlak van 1.000 m² of meer. Bij onderhavig project is sprake van een dergelijk bouwplan. De te verhalen kosten worden limitatief opgesomd in artikelen in de kostensoorten lijst (art. 6.2.4 Bro). Artikel 6.12, tweede lid van de Wro bepaalt dat een exploitatieplan achterwege kan blijven, indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is;  geen fasering noodzakelijk is;

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

36

het stellen van eisen in de zin van artikel 6.13, tweede lid, onder b, c of d Wro niet noodzakelijk is.

Het verhaal van eventuele grondexploitatiekosten is verzekerd via een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro tussen de gemeente en initiatiefnemer. Aangezien de voorgenomen uitbreiding ineens plaatsvindt, is een fasering niet aan de orde. Voor de gemeente is er voorts geen aanleiding om eisen te stellen in de zin van artikel 6.13, tweede lid, onder b, c of d Wro. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan dus worden afgezien.

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

37

HOOFDSTUK

7 CONCLUSIE De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van een ligboxenstal op het adres Fraterwaard 2 te Ellecom. Dit plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan “Landelijjk Gebied”. Er is in dit kader voor gekozen de beoogde ontwikkeling in te passen via een projectafwijkingsbesluit. Voorwaarde is dat via een ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorgenomen ontwikkeling vindt plaats met inachtneming van het rijks-, provinciaal en gemeentelijk planologisch kader. Ten aanzien van de betreffende milieutechnische en ruimtelijke aspecten is de ontwikkeling getoetst aan het vigerend beleid en wetgeving en is in beeld gebracht welke effecten deze ontwikkeling heeft op het projectgebied en de omgeving en omgekeerd. Door een juiste inpassing van de voorgenomen uitbreiding in het landschap blijft de omgevingskwaliteit behouden. De voorgenomen uitbreiding leidt niet tot onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke (o.a. flora en fauna) en cultuurhistorische waarden. Gegarandeerd kan worden dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling inpasbaar is in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

38

BIJLAGE

1: ONDERBOUWING GRONDGEBONDEN

VEEHOUDERIJ

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

39

Droge stofopname ruwvoer per dier per dag 14 6

Aantal dieren Diersoort Melkkoeien 97 Jongvee 48 Totale ds opname uit ruwvoer

Aantal ha 10 40 Totaal

% ruwvoer voorziening

Status pacht/eigendom pacht/eigendom

Gewas Mais Gras

ruwvoer opname per dag 1358 288

Ruwvoer opname per jaar 495670 105120 600790

Opbrengst per ha Totale (kg ds) opbrengst 15500 155000 11800 472000 627000

104,36%

BIJLAGE

2: VIGERENDE WNB VERGUNNING

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

40

BESCHIKKING D.D. 12 JULI 2013 - ZAAKNUMMER 2013-003708 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Natuurbeschermingswet 1998 Drempelwaarden op grond van beleidsregels stikstof Gelderland 2013-003708 - gemeente Rheden - het legaliseren van de bestaande milieuvergunning van september 2008 van een melkrundveehouderij aan Fraterwaard 2, 6955 JH Ellecom Verlenen vergunning

Aanvraag en procesverloop Op 25 februari 2013 heeft E.Uenk, Fraterwaard 2 te Ellecom, hierna te noemen aanvrager, een aanvraag ingediend om een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998, hierna de Nbw 1998. De aanvraag voorziet in de legalisering van de vigerende milieuvergunning van 2 september 2008. De inrichting is gelegen op 10 meter van het Natura 2000-gebied Uietrwaarden IJssel, op 2.200 meter van het Natura 2000-gebied Veluwe en op 7.700 meter van het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Voor de beoordeling van de aanvraag zijn de volgende stukken gebruikt: - Aanvraagformulier Nbw 1998 agrarische bedrijven inclusief bijlagen, d.d. 25 februari 2013. Het ontwerpbesluit heeft in de periode van 25 maart 2013 tot 6 mei 2013 ter inzage gelegen. Het ontwerpbesluit is tevens toegezonden aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rheden en aan de Gelderse Natuur en Milieufederatie waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Wij hebben geen zienswijzen ontvangen. Op 27 februari 2013 hebben wij van de aanvrager aanvullende stukken ontvangen waarom wij bij brief van 27 februari 2013 hebben verzocht. Op deze vergunningaanvraag is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard.

Besluit Gedeputeerde Staten van Gelderland; Gelet op de artikelen 10a, 16, 19d, 19e Nbw 1998 en artikel 3 lid 1 sub I en artikel 4 lid 1 sub a van de Beleidsregels Stikstof en Natura 2000 Gelderland; HEBBEN BESLOTEN E. Uenk een vergunning conform de beschrijving in de aanvraag te verlenen onder het volgende voorschrift: 1

Indien de inrichting binnen 3 jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden niet volledig is voltooid en in werking gebracht conform de aanvraag, vervalt de vergunning voor die onderdelen welke binnen die termijn niet zijn benut.

Voor intern gebruik: Documentnummer(s). inzagestukken: 01584456; 01586320

Beoordeling van de aanvraag Op 15 oktober 2011 zijn de beleidsregels Stikstof en Natura 2000 Gelderland in werking getreden die op deze procedure van toepassing zijn. De artikelen 3 lid 1 sub I en artikel 4 lid 1 sub a van de beleidsregels bepalen, voor zover van belang voor deze procedure, dat een vergunning kan worden verleend indien de geldende drempelwaarden niet worden overschreden. Voor de gebieden Uiterwaarden IJssel, Gelderse Poort, Uiterwaarden Neder-Rijn, Uiterwaarden Waal en Loevestein is de drempelwaarde 1% van de kritische depositiewaarde van de stikstofgevoelige habitattypen. Voor de andere gebieden is de drempelwaarde 0,5% van de kritische depositiewaarde van de stikstofgevoelige habitattypen. De mogelijk schadelijke effecten op de instandhoudingsdoelstellingen worden in deze procedure uitsluitend veroorzaakt door stikstofdepositie. In tabel 1 is de gewenste veebezetting van het bedrijf weergegeven. De berekeningen van de stikstofdepositie zijn opgenomen in de bijlage. Tabel 1 Aangevraagde veebezetting Diersoort Melk- en kalfkoeien > 2 jaar Vrouwelijk jongvee < 2 jaar

Rav-code / BWL A1.100.1 A3

Aantal 75 35

Uit het vergelijken van bijlage 1 (AAgro-Stacksberekening) met bijlage 2 (drempelwaarden) blijkt dat de totale stikstofdepositie van de gewenste veebezetting niet tot gevolg heeft dat de drempelwaarden worden overschreden. De aanvraag valt daarmee binnen het beleidskader. Een dergelijke toename achten wij vanwege de dalende achtergronddepositie en de afroming van 70% op de in te trekken milieuvergunningen c.q. meldingen, welke in de salderingsbank worden opgenomen, marginaal. Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen achten wij in deze situatie op voorhand uitgesloten. Aangezien voor dit bedrijf niet eerder een vergunning of een verklaring van geen bedenkingen op grond van de Nbw 1998 is verleend, is verlening van de vergunning mogelijk voor zover vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale belangen zich hier niet tegen verzetten. Niet is gebleken dat deze belangen vergunningverlening in de weg staan. Conclusie Op grond van het vorenstaande hebben wij de zekerheid verkregen dat het project geen significant negatieve effecten heeft. Nu tevens de belangen zoals vermeld in artikel 19 e sub c Nbw 1998 niet aan de orde zijn, kan de vergunning worden verleend. namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,

mr. H. Boerdam teammanager Vergunningverlening Water Ontgrondingen en Natuur

2

Beroep Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd hiertegen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage). Zij die partij zijn in de hoofdzaak kunnen bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een verzoek indienen om een voorlopige voorziening te treffen. Voor het behandelen van het beroepschrift en voor het behandelen van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Over de hoogte en de wijze van betaling van het griffierecht kunt u informatie verkrijgen bij de Raad van State, telefoonnummer (070) 426 44 26.

bijlagen: Berekening aangevraagde situatie Kritische depositiewaardes en grenswaardes habitattypes

3

BIJLAGE 1: Berekening aangevraagde situatie Naam van de berekening: E. Uenk aangevraagde situatie Gemaakt op: 15-03-2013 10:27:22 Zwaartepunt X: 205,000 Y: 448,900 Cluster naam: Uenk, Fraterwaard 2, 6955 JH Ellecom Berekende ruwheid: 0,29 m

Emissie Punten: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

Hoogte

1 2 3

Stal 6 Stal 2 Stal 3

205 038 204 986 205 005

448 851 448 851 448 849

1,5 1,5 1,5

Gem.geb. hoogte 1,5 1,5 1,5

Diam.

Uittr. snelheid

0,5 0,5 0,5

0,40 0,40 0,40

Emissie 713 51 86

Gevoelige locaties: Volgnummer 1 2 3 4 5 6 7 8

Naam Uiterwaarden IJssel H91E0A Zachthoutooibossen Veluwe H9120 Beuken- eikenbossen met hulst H9190 Oude eikenbossen H4030 Droge heiden H2310 Zandverstuivingen met struikhei H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwakgebufferde vennen Landgoederen Brummen

X coordinaat

Y coordinaat

206 750

453 126

0,58

203 240 202 444 199 491 199 240 196 792 198 154 204 845

450 260 453 203 448 604 451 642 449 368 451 472 456 618

0,96 0,32 0,16 0,18 0,09 0,13 0,22

Details van Emissie Punt: Stal 6 (1760) Volgnr. 1

Code A1.100.1

Type Melk- en kalfkoeien > 2 jaar

Aantal 75

Emissie 9.5

Totaal 712.5

Details van Emissie Punt: Stal 2 (1761) Volgnr. 1

Code A3

Type Vrouwelijk jongvee < 2 jaar

Aantal 13

Emissie 3.9

Details van Emissie Punt: Stal 3 (1762) Volgnr. 1

Code A3

Type Vrouwelijk jongvee

Aantal 22

Emissie 3.9

4

Totaal 85.8

Totaal 50.7

Depositie

5

BIJLAGE 2: Kritische depositiewaardes en grenswaardes habitattypes Code

Naam

mol/ha/jr

0,5% waarde

1,0% waarde

H2310 H2320

Stuifzandheiden met struikhei

1071

5,4

10,7

Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

1071

5,4

10,7

H2330

Zandverstuivingen

714

3,6

7,1

H3130

Zwakgebufferde vennen

571

2,9

5,7

>2400

12,0

24,0

>2400

12,0

24,0

2143

10,7

21,4

714

3,6

7,1

H3140az

Kranswierwateren (in afgesloten zeearmen) Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150az (in afgesloten zeearmen) Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150baz (buiten afgesloten zeearmen) H3160

Zure vennen

H3260A

Beken met waterplanten

>2400

12,0

24,0

H3260B

Rivieren met waterplanten

>2400

12,0

24,0

H3270

Slikkige rivieroevers

>2400

12,0

24,0

H4010A

Vochtige heiden op zandgronden

1214

6,1

12,1

H4010B

Vochtige heiden, Moerasheide

786

3,9

7,9

H4030

Droge heiden

1071

5,4

10,7

H5130

Jeneverbesstruwelen

1071

5,4

10,7

H6120

Stroomdalgraslanden

1286

6,4

12,9

H6230vka Heischrale graslanden (vochtig kalkarm)

714

3,6

7,1

H6410

Blauwgraslanden

1071

5,4

10,7

H6430A

Ruigten en zomen, nat zoet, laagdynamisch

>2400

12,0

24,0

H6430B

Ruigten en zomen, nat en dynamisch

>2400

12,0

24,0

H6430C

Ruigten en zomen, droog

1857

9,3

18,6

H6510A

Glanshaverhooilanden

1429

7,1

14,3

H6510B

Vossenstaartgrasland

1571

7,9

15,7

H7110B

Actief hoogveen (heideveentjes)

786

3,9

7,9

H7120ah

Herstellende hoogvenen (actief hoogveen)

500

2,5

5,0

H7140A

Trilvenen

1214

6,1

12,1

H7140B

Veenmosrietland

714

3,6

7,1

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

1429

7,1

14,3

H7210

Galigaanmoerassen

1571

7,9

15,7

H7230

Kalkmoerassen/ Alkalisch laagveen

1143

5,7

11,4

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

1429

7,1

14,3

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen

1429

7,1

14,3

H9190

Oude eikenbossen

1071

5,4

10,7

H91D0

Hoogveenbossen

1786

8,9

17,9

H91E0A

Rivierbegeleidende zachthoutooibossen

2429

12,1

24,3

H91E0B H91E0C

Rivierbegeleidende essen-iepenbossen Beekbegeleidende alluviale bossen

2000 1857

10,0 9,3

20,0 18,6

H91F0

Droge hardhoutooibossen

2071

10,4

20,7

6

BIJLAGE

3: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA

Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom

41

Fopma NatuurAdvies Natuurtoets voor de locatie Fraterwaard 2 te Ellecom

Rapport: 2019-287

Natuurtoets voor de locatie Fraterwaard 2 te Ellecom Colofon © 2019

Fopma NatuurAdvies, Rollestraat 6, 7983 KJ Wapse

Tekst, samenstelling:

Albert Fopma, Fopma NatuurAdvies

Opdrachtgever:

Jan Oude Hengel

Wijze van citeren:

Fopma, A, 2019. Natuurtoets voor de locatie Fraterwaard 2 te Ellecom; Fopma NatuurAdvies Rapport 2019-287, Wapse.

Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Fopma NatuurAdvies. Ook mag het zonder een dergelijke toestemming niet worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Fopma NatuurAdvies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Fopma NatuurAdvies. De opdrachtgever vrijwaart Fopma NatuurAdvies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Fopma NatuurAdvies is lid van het Netwerk Groene Bureaus.

De informatie in dit rapport is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. 2

Natuurtoets 22 januari 2019

Inhoudsopgave 1 INLEIDING ........................................................................................................................................................... 5 1.1 ACHTERGROND .................................................................................................................................................. 5 1.2 AANLEIDING ...................................................................................................................................................... 7 1.2.1 Soortbescherming .................................................................................................................................. 7 1.2.2 Gebiedsbescherming ............................................................................................................................. 7 1.3 PROBLEEMSTELLING / DOELSTELLING ...................................................................................................................... 7 2

SOORTBESCHERMING – WET NATUURBESCHERMING ................................................................................... 8 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

3

BESCHERMINGSREGIME SOORTEN VOGELRICHTLIJN ................................................................................................... 8 BESCHERMINGSREGIME SOORTEN HABITATRICHTLIJN................................................................................................. 8 BESCHERMINGSREGIME ANDERE SOORTEN............................................................................................................... 8 ZORGPLICHT ...................................................................................................................................................... 8 PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING GELDERLAND (POV) ................................................................................... 8

LIGGING ONDERZOEKSGEBIED EN ONDERZOEKSOPZET ................................................................................. 9 3.1 LIGGING ONDERZOEKSGEBIED ............................................................................................................................... 9 3.2 ONDERZOEKSMETHODE ....................................................................................................................................... 9 3.2.1 Bronnenonderzoek................................................................................................................................. 9 3.2.2 Veldbezoek ............................................................................................................................................ 9

4

INVENTARISATIE NATUURWAARDEN ........................................................................................................... 10 4.1 VOGELS (WNB § 3.1) ....................................................................................................................................... 10 4.1.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen ................................................................................................. 10 4.1.2 Gegevens uit veldbezoek (vogels) ........................................................................................................ 11 4.2 VLEERMUIZEN (WNB § 3.2) ............................................................................................................................... 11 4.2.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen ................................................................................................. 11 4.2.2 Gegevens uit veldbezoek (vleermuizen)............................................................................................... 12 4.3 OVERIGE GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN ............................................................................................................. 12 4.3.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen .................................................................................................

12 4.3.2 Gegevens uit veldbezoeken (overige zoogdieren) ............................................................................... 13 4.4 AMFIBIEËN, VISSEN EN REPTIELEN ........................................................................................................................ 13 4.4.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen ................................................................................................. 13 4.4.2 Gegevens uit veldbezoek (amfibieën, vissen en reptielen) .................................................................. 14 4.5 VLINDERS, LIBELLEN, JUFFERS EN INSECTEN ............................................................................................................ 14 4.5.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen ................................................................................................. 14 4.5.2 Gegevens uit veldbezoek (vlinders, libellen, juffers en insecten) ......................................................... 14 4.6 VAATPLANTEN ................................................................................................................................................. 14 4.6.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen .................................................................................................

14 4.6.2 Gegevens uit veldbezoek (vaatplanten) .............................................................................................. 14

5

BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING (SOORTEN) ............................................................................. 15 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

VOGELS .......................................................................................................................................................... 15 VLEERMUIZEN.................................................................................................................................................. 15 OVERIGE GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN ............................................................................................................. 15 REPTIELEN, AMFIBIEËN EN VISSEN ........................................................................................................................ 15 VLINDERS, LIBELLEN EN JUFFERS .......................................................................................................................... 16 VAATPLANTEN ................................................................................................................................................. 16

GEBIEDSBESCHERMING ................................................................................................................................ 17 6.1 GELDERS NATUURNETWERK / GROENE ONTWIKKELINGSZONE................................................................................... 17 6.2 WET NATUURBESCHERMING - NATURA 2000 GEBIEDEN - VOORTOETS ....................................................................... 18 6.2.1 Doelen Rijntakken ................................................................................................................................ 18 6.2.2 Mogelijke effecten sloop en bouw op habitattypen ............................................................................ 19

3

Natuurtoets 22 januari 2019

6.2.3 6.2.4 6.2.5 7

CONCLUSIES ................................................................................................................................................. 21 7.1 7.2 7.3

8

Mogelijke effecten aanleg sloop en bouw op Habitatrichtlijnsoorten................................................. 19 Mogelijke effecten aanleg sloop en bouw op EU-Vogelrichtlijnsoorten .............................................. 20 Natura 2000-beheerplan Rijntakken ................................................................................................... 20

CONCLUSIE WET NATUURBESCHERMING (SOORTEN) ............................................................................................... 21 CONCLUSIE GELDERS NATUURNETWERK / GROENE ONTWIKKELINGSZONE ................................................................... 21 CONCLUSIE WET NATUURBESCHERMING (GEBIEDEN) ............................................................................................... 21

BRONNEN .................................................................................................................................................... 22 8.1 8.2

LITERATUUR .................................................................................................................................................... 22 GERAADPLEEGDE WEBSITES ................................................................................................................................ 22

BIJLAGE 1

ALGEMENE VERBODSBEPALINGEN WNB ....................................................................................... 23

BIJLAGE 2

PROCES BEOORDELING ONTHEFFING WNB ................................................................................... 24

BIJLAGE 3

JAARROND BESCHERMDE VOGELS ................................................................................................ 25

BIJLAGE 4

SAMENVATTING NDFF .................................................................................................................. 27

BIJLAGE 5

POV GELDERLAND......................................................................................................................... 28

4

Natuurtoets 22 januari 2019

1 Inleiding 1.1

Achtergrond

De opdrachtgever wil een nieuwe jongveestal laten bouwen op het bouwkavel behorende bij de locatie aan de Fraterwaard 2 te Ellecom. Hiervoor dient een oude stal gesloopt te worden. In deze Natuurtoets (QuickScan / Voortoets) wordt gekeken of er voor de realisering van de plannen nog een ontheffing (soorten) op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Ook kan uitsluitsel gegeven worden of de gemeente bij een Omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen moet aanvragen. Het rapport kan tevens gebruikt worden bij de bestemmingsplanprocedure. In hoofdstuk 7 staan de conclusies van de natuurtoets. De te toetsen activiteit betreft: • Sloop stal. • Bouw nieuwe jongveestal

Figuur 1.

5

Luchtfoto met ligging onderzoeksgebied zwarte kader en plangebied rode pijl (Bron: NDFF).

Natuurtoets 22 januari 2019

Figuur 2.

6

Plantekening met de locatie van de nieuwe stal, waar nu nog de oude staat (Bron: ForFarmers).

Natuurtoets 22 januari 2019

Figuur 3.

1.2

Foto plangebied.

Aanleiding

De aanleiding voor het maken van een natuurtoets is de noodzaak en de wens om vooraf uit te sluiten dat door het project natuurwaarden aangetast kunnen worden.

1.2.1 Soortbescherming Realisatie van de voorgenomen plannen kan invloed hebben op de bepalingen in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van planten- en diersoorten in Nederland. Overtreding van de verbodsbepalingen (bijlage 1) ten aanzien van streng beschermde soorten vereist mogelijk een ontheffing (zie hoofdstukken 2 t/m 5 en 7).

1.2.2 Gebiedsbescherming In deze Natuurtoets is tevens gekeken of er door de uitvoering van het voorgenomen plan sprake kan zijn van externe werking op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden vallen eveneens onder de Wet natuurbescherming. Bij effecten op Natura 2000-instandhoudingsdoelen is mogelijk een vergunning vereist (zie hoofdstukken 2, 6 en 7).

1.3

Probleemstelling / doelstelling

De natuurtoets geeft antwoord op onderstaande vragen: 1. Komen er natuurwaarden voor, waarvoor het noodzakelijk is om een uitgebreide natuurtoets met mitigatieplan te laten uitvoeren om te beoordelen in hoeverre het project handelingen bevat die in strijd zijn met de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (soortbescherming). 2. Zijn er mogelijke effecten op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen waardoor er een passende beoordeling gemaakt moet worden (gebiedsbescherming/ Wet natuurbescherming).

7

Natuurtoets 22 januari 2019

2

Soortbescherming – Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor het soortenbeleid deelt de Wet natuurbescherming de soorten in drie beschermingsregimes, namelijk vogels (EU-Vogelrichtlijn), soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten.

2.1

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn

Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). De lijst met jaarrond beschermde vogels staat in bijlage 3.

2.2

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Het Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn is ten aanzien van verstoren strikter dan het Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Mogelijk zijn de in de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn genoemde vogels strikter beschermd dan soorten die van nature in Nederland voorkomen en niet in deze bijlagen staan. Grotendeels betreffen het in Nederland zeldzame en doortrekkende soorten of dwaalgasten. Een aantal soorten zoals bijvoorbeeld de pimpelmees zijn algemeen in Nederland.

2.3

Beschermingsregime andere soorten

Dit zijn de in de bijlage van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Het gaat hier om de bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 – 3.11 Wet natuurbescherming). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te beschermen. Omdat er ook veel algemene soorten in staan genoemd is de verwachting dat er weer een verdeling komt van meer en minder strikt beschermde soorten (vergelijkbaar met de tabellen 1, 2 en 3 van de Flora- en faunawet). Deze kan echter per provincie verschillen (zie bijlage 5).

2.4

Zorgplicht

Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

2.5

Provinciale Omgevingsverordening Gelderland (POV)

Artikel 3.7.2.3 Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. 1) In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de wet is het toegestaan de soorten genoemd in bijlage 28 (zie bijlage 5 in dit rapport) Vrijstelling soorten inzake ruimtelijke inrichting (link) te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen in verband met handelingen genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g van de wet. 2) De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt voor het in bijlage 28 (zie bijlage 5 in dit rapport) genoemde gebied. 3) De in het eerste lid genoemde vrijstelling voor het vangen geldt alleen onder gebruik van de in bijlage 28 (zie bijlage 5 in dit rapport) genoemde middelen. 4) De met toepassing van het eerste lid gevangen dieren dienen zo snel mogelijk in de directe omgeving op een voor de betreffende soort geschikte plek te worden losgelaten.

8

Natuurtoets 22 januari 2019

3

Ligging onderzoeksgebied en onderzoeksopzet

3.1

Ligging onderzoeksgebied

Het onderzoeksgebied voor de Wet natuurbescherming beperkt zich tot de percelen waarop de ingreep plaatsvindt en de directe omgeving (zie figuur 1). Voor de effecten op Natura 2000-gebieden is in hoofdstuk 6 ook gekeken naar het aspect externe werking.

3.2

Onderzoeksmethode

Deze natuurtoets is gebaseerd op bronnenonderzoek en een bureauanalyse. Aan de hand van expert judgement door een ecoloog (Ir. A. Fopma van Fopma NatuurAdvies) is ingeschat wat de beschermde natuurwaarden zijn en de te verwachten effecten.

3.2.1 Bronnenonderzoek Gekeken is naar de volgende bronnen: • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, zie ook bijlage 4). • Literatuur (zie hoofdstuk 8).

3.2.2 Veldbezoek Er heeft 1 veldbezoek op de planlocatie en de naaste omgeving plaatsgevonden. Datum: Tijdstip: Weersbeeld: Temperatuur:

9 januari 2019 middag droog, bewolkt. 7o Celsius.

Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de potenties van het plangebied voor beschermde diersoorten en de mogelijke functies. Op basis van expert judgement is een inschatting gemaakt wat de mogelijke effecten zijn van de ingreep op beschermde soorten.

9

Natuurtoets 22 januari 2019

4

Inventarisatie natuurwaarden

4.1

Vogels (Wnb § 3.1)

4.1.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In het onderzoeksgebied (figuur 1) zijn 1.572 waarnemingen van vogels geregistreerd, verdeeld over 137 soorten. Hierbij zijn 12 ‘jaarrond’ beschermde vogelsoorten. Zijnde: 1. Boomvalk

Eén waarneming (2017) met broedindicatie in het onderzoeksgebied. In het bosje Schuttewaard ten zuiden van de N317. Twee waarnemingen (2013 en 2015) met broedindicatie in het onderzoekgebied. In het bosje op oever van de oostzijde van de IJssel en in bosje langs de Dierensche Hank. Drie waarnemingen (2014 t/m 2016) met broedindicatie in het onderzoekgebied in bebouwde kom Doesburg. Geen waarnemingen met broedindicatie in het onderzoeksgebied. Acht waarnemingen (2014 t/m 2016) met broedindicatie met 1-15 individuen in het onderzoeksgebied in bebouwde kom Doesburg. Geen waarnemingen met broedindicatie in het onderzoeksgebied. Geen waarnemingen met broedindicatie in het onderzoeksgebied. Geen waarnemingen met broedindicatie in het onderzoeksgebied. Twee waarnemingen (2015 en 2016) met broedindicatie in het onderzoekgebied in bebouwde kom Doesburg. Geen waarnemingen met broedindicatie in het onderzoeksgebied. Eén waarneming (2013) met broedindicatie in het onderzoeksgebied in bebouwde kom Doesburg (Koepoortdijk). Geen waarnemingen met broedindicatie in het onderzoeksgebied.

2. Buizerd

3. Gierzwaluw 4. Havik 5. Huismus 6. 7. 8. 9.

Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek

10. Slechtvalk 11. Sperwer 12. Steenuil Tabel 1.

Waargenomen vogelsoorten in onderzoeksgebied. Vet en cursief zijn de jaarrond beschermde soorten (zie bijlage 3) (Bron: NDFF)

Vogelsoorten Aalscholver

Huismus

Roodhalsgans

Appelvink

Huiszwaluw

Rotgans

Bergeend

IJsvogel

Scholekster

Blauwborst

Indische Gans

Sijs

Blauwe Reiger

Kauw

Slechtvalk

Boerenzwaluw

Keep

Slobeend

Bonte Vliegenvanger

Keizergans

Smient

Boomklever

Kemphaan

Sperwer

Boomkruiper

Kerkuil

Spotvogel

Boomvalk

Kievit

Spreeuw

Bosrietzanger

Kleine Karekiet

Sprinkhaanzanger

Braamsluiper

Kleine Plevier

Staartmees

Brandgans

Kleine Rietgans

Stadsduif

Bruine Kiekendief

Kneu

Steenuil

Buizerd

Knobbelzwaan

Stormmeeuw

Dodaars

Koekoek

Tafeleend

Dwerggans

Kokmeeuw

Tapuit

Ekster

Kolgans

Tjiftjaf

Fazant

Koolmees

Toendrarietgans

Fitis

Koperwiek

Torenvalk

Fuut

Kraanvogel

Tuinfluiter

Gaai

Krakeend

Tureluur

10

Natuurtoets 22 januari 2019

Geelgors

Kramsvogel

Turkse Tortel

Gele Kwikstaart

Kuifeend

Veldleeuwerik

Gierzwaluw

Kwak

Vink

Goudhaan

Lepelaar

Visdief

Goudplevier

Matkop

Waterhoen

Goudvink

Meerkoet

Waterpieper

Grasmus

Merel

Waterral

Graspieper

Nachtegaal

Watersnip

Grauwe Gans

Nijlgans

Wilde Eend

Groene Specht

Nonnetje

Winterkoning

Groenling

Oeverloper

Wintertaling

Groenpootruiter

Ooievaar

Witgat

Grote Bonte Specht

Paapje

Witte Kwikstaart

Grote Gele Kwikstaart

Pimpelmees

Wulp

Grote Lijster

Pontische Meeuw

Zanglijster

Grote Mantelmeeuw

Putter

Zeearend

Grote Zaagbek

Ransuil

Zilvermeeuw

Grote Zee-eend

Regenwulp

Zomertaling

Grote Zilverreiger

Rietgors

Zwarte Kraai

Grutto

Ringmus

Zwarte Mees

Havik

Roek

Zwarte Roodstaart

Heggenmus

Roerdomp

Zwarte Stern

Holenduif

Roodborst

Zwartkop

Houtduif

Roodborsttapuit

4.1.2 Gegevens uit veldbezoek (vogels) Aangetroffen soorten In tabel 2 zijn de tijdens het veldbezoek aangetroffen soorten weergegeven. Tabel 2.

Aangetroffen vogelsoorten (allen Wnb § 3.1)

Soort

Plaats

Aantal, gedrag

Brandgans

25

Perceel naast bedrijf

Grauwe gans

200

Perceel naast bedrijf

Kolgans

>500

Overvliegend

Koolmees

2

Op bedrijf

Holenduif

1

Op bedrijf

De stal die gesloopt wordt is dicht en de zolder is vol met hooi. In de stal wordt jongvee gehouden. Er is dagelijks bedrijvigheid in de stal. Tussen de hanenbalken en de pannen zit in de nok een dikke laag spinrag. In de stal waren geen vogels of sporen van vogels of nesten aanwezig.

4.2

Vleermuizen (Wnb § 3.2)

4.2.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Op basis van landelijke verspreiding (Bron: Zoogdiervereniging), zijn de volgende soorten mogelijk: • Gewone dwergvleermuis 11

Natuurtoets 22 januari 2019

• • • • • • • • • • • • •

Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Rosse vleermuis Bosvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis Watervleermuis Meervleermuis Franjestaart Baardvleermuis Bechstein’s vleermuis Brandt’s vleermuis Vale vleermuis

Volgens het NDFF zijn er in de laatste 5 jaar één waarneming van een Ruige dwergvleermuis geregistreerd in het onderzoeksgebied. Eén waarneming (augustus 2014) van foeragerende Ruige dwergvleermuis in het onderzoeksgebied op de rand bebouwde kom Doesburg (Koepoortdijk N317).

Figuur 4.

Detailfoto’s.

4.2.2 Gegevens uit veldbezoek (vleermuizen) Tijdens het veldbezoek is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes op basis van expert judgement. Verblijfplaatsen Stal:

Er is geen spouwmuur, er zijn geen luiken en er is geen schoorsteen. De te slopen stal is gesloten en vol. De zolder is laag en ligt vol hooi. Er zijn geen sporen (poepjes, vlindervleugels etc.) aangetroffen. En ook geen hangende vleermuizen gevonden. Het dak bestaat uit pannen en deze hangen aan de binnenzijde in de nok vol spinrag. Voor vleermuizen is de stal ongeschikt.

Vliegroutes Er worden door de sloop en nieuwbouw geen vliegroutes van vleermuizen aangetast. Alle lijnvormige elementen blijven intact.

4.3

Overige grondgebonden zoogdieren

4.3.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In onderstaande tabel staat een overzicht van de in het onderzoeksgebied waargenomen soorten.

12

Natuurtoets 22 januari 2019

Tabel 3.

Data NDFF.

Soort Bever

Wet natuurbescherming Wnb § 3.2

Bosmuis

Wnb § 3.31

Bruine rat

Onbeschermd

Bunzing

Wnb § 3.3

Das

Wnb § 3.3

Egel

Wnb § 3.31

Haas

Wnb § 3.31

Konijn

Wnb § 3.31

Mol

Onbeschermd

Otter

Wnb § 3.2

Ree

Wnb § 3.31

Steenmarter

Wnb § 3.3

Vos

Wnb § 3.31

Steenmarter: Otter:

Bever:

Bunzing: Das:

Betreft 4 waarnemingen (2015, 2016 en 2018) van telkens 1 individu. Alle waarnemingen zijn langs de N317. Drie van de vier waarnemingen betreft een verkeersslachtoffer. Betreft 21 waarnemingen (2014 t/m 2018) van telkens 1 individu de dichtst bij zijnde locatie zijn de vondst van sporen (prenten en uitwerpselen) bij de Lange brug ten oosten van het plangebied. Betreft 20 waarnemingen (2014 t/m 2018) van telkens 1-2 individuen de dichtst bij zijnde locaties zijn aan de overzijde van de N317 bij de slenken en plassen en in De Dierensche Hank. Betreft waarneming (2017) van 1 individu. Op de afrit N317 in Doesburg. Betreft 2 waarnemingen (2015 en 2016) van telkens 1 individu. Alle waarnemingen zijn langs de N317 betreffen een verkeersslachtoffer.

4.3.2 Gegevens uit veldbezoeken (overige zoogdieren) Tijdens de veldbezoeken zijn in het onderzoeksgebied geen grondgebonden zoogdieren waargenomen. Het plangebied is wel ‘geschikt’ voor kleine zoogdieren, zoals de Huisspitsmuis, Egel, Huismuis, Bruine rat, Bosmuis etc.

4.4

Amfibieën, vissen en reptielen

4.4.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Er zijn in het onderzoeksgebied (figuur 1) waarnemingen van amfibieën en vissen geregistreerd in het NDFF in de laatste 5 jaar. Reptielen zijn niet waargenomen. Tabel 4.

Data NDFF.

Amfibieën

Wnb

Bastaardkikker

Wnb § 3.32

Bruine kikker

Wnb § 3.32

Gewone pad

Wnb § 3.32

Kleine watersalamander

Wnb § 3.32

Poelkikker

Wnb § 3.2

Rugstreeppad

Wnb § 3.2

1 Vrijgestelde soort op grond van de POV Gelderland (zie bijlage 5). 2 Vrijgestelde soort op grond van de POV Gelderland (zie bijlage 5).

13

Natuurtoets 22 januari 2019

Poelkikker:

Betreft 1 waarneming (2018) van 1 individu ten zuiden van de Ellecomsedijk N317 Ter hoogte van hoeve De drie koningen. Betreft 1 waarneming (2018) van 3 individuen ten zuiden van de Ellecomsedijk N317 langs grote watergang ter hoogte van het plangebied.

Rugstreeppad:

4.4.2 Gegevens uit veldbezoek (amfibieën, vissen en reptielen) Er zijn geen soorten amfibieën, vissen of reptielen aangetroffen in het plangebied. Op het erf is ook geen geschikt habitat aanwezig voor de beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld.

4.5

Vlinders, libellen, juffers en insecten

4.5.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In de tabel staat een overzicht van de in het onderzoeksgebied waargenomen soorten. Tabel 5.

Data NDFF

Dagvlinders Bont zandoogje Bruin zandoogje Citroenvlinder Dagpauwoog Gehakkelde aurelia Icarusblauwtje Klein koolwitje Koninginnenpage Oranjetipje Sleedoornpage

Sleedoornpage:

Wnb

Libellen

Wnb

Blauwe breedscheenjuffer onbeschermd onbeschermd Bloedrode heidelibel onbeschermd onbeschermd Bruine glazenmaker onbeschermd onbeschermd Bruine korenbout onbeschermd onbeschermd Gewone oeverlibel onbeschermd onbeschermd Glassnijder onbeschermd onbeschermd Grote keizerlibel onbeschermd onbeschermd Lantaarntje onbeschermd onbeschermd Paardenbijter onbeschermd onbeschermd Plasrombout Wnb § 3.3 onbeschermd Smaragdlibel onbeschermd Vroege glazenmaker onbeschermd Vuurlibel onbeschermd Weidebeekjuffer onbeschermd Betreft 1 losse waarneming van een exemplaar aan overzijde containerhaven Doesburg (2018).

4.5.2 Gegevens uit veldbezoek (vlinders, libellen, juffers en insecten) Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde vlinders, libellen, of juffers waargenomen. Effecten op beschermde dagvlinders en libellen is vanwege het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten.

4.6

Vaatplanten

4.6.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) / Natuurtoetshulp.nl In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soort op grond van de Wnb geregistreerd. Er zijn wel 456 waarnemingen van 121 onbeschermde soorten geregistreerd.

4.6.2 Gegevens uit veldbezoek (vaatplanten) Het plangebied is bijna volledig erf en deels bebouwd of bestraat. Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen. 14

Natuurtoets 22 januari 2019

5

Beoordeling Wet natuurbescherming (soorten)

5.1

Vogels

Effectenbeoordeling Er zijn geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten te verwachten. Effecten op jaarrond beschermde soorten (Cat. 1 t/m 4) zijn uitgesloten. Wel kunnen er vogels broeden in de te slopen en in de directe omgeving. Er zijn nu geen nesten aangetroffen, maar dat zegt niets over 2019. Derhalve geldt het voorzorgbeginsel. Periode werkzaamheden (voorzorgsbeginsel) Omdat geen ontheffingen worden verleend voor het verstoren van vogels en/of het vernielen van nesten wordt geadviseerd om het bouwrijp maken voor het broedseizoen (globale richtlijn3 15 maart - 15 juli) uit te voeren of te beginnen na 15 juli. Voorkom het vestigen van broedvogels op het bouwperceel door het plaatsen van wapperende zakken of enkele linten. Op deze wijze zijn effecten op vogels uitgesloten.

5.2

Vleermuizen

Effectenbeoordeling Er zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied en het gebied is ook niet geschikt als foerageergebied. Effecten op vleermuizen zijn uitgesloten.

5.3

Overige grondgebonden zoogdieren

Effectenbeoordeling Er zijn geen waarnemingen van grondgebonden zoogdieren. Er is ook geen geschikt habitat aanwezig. Effecten op zoogdieren zijn uitgesloten.

5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Effectenbeoordeling Reptielen Er zijn geen reptielen waargenomen en het habitat is er ook niet optimaal voor. Effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Effectenbeoordeling Amfibieën Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten. Effectenbeoordeling Vissen Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten.

3

Broedseizoen: Vogels worden met name beschermd tijdens het broedseizoen. Een belangrijke vraag is dus: Van wanneer tot wanneer duurt het broedseizoen? Vaak wordt als grove lijn gezegd dat het broedseizoen duurt van 15 maart tot en met 15 juli. Inderdaad broeden vogels met name in deze periode. De bescherming van vogels is echter niet gebaseerd op een datum, maar op het daadwerkelijke broedseizoen. Dat kan ook al voor 15 maart of na 15 juli zijn. Het broedseizoen begint niet pas wanneer de eieren gelegd zijn. Het broedseizoen gaat al van start met de paarvorming, territorium afbakenen en het bouwen van nesten. In deze tijdsspan worden vogels, hun nesten en eieren beschermd door de Wet natuurbescherming. Het nest mag niet verwijderd, verstoord of leeggehaald worden (Bron: Vogelbescherming Nederland). 15

Natuurtoets 22 januari 2019

5.5

Vlinders, libellen en juffers

Effectenbeoordeling Dagvlinders Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten. Effectenbeoordeling Libellen en juffers Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten.

5.6

Vaatplanten

Effectenbeoordeling In het gebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

16

Natuurtoets 22 januari 2019

6

Gebiedsbescherming

6.1

Gelders NatuurNetwerk / Groene ontwikkelingszone

Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur, wat bijdraagt aan een prettige leef- en werkomgeving. Hiertoe zetten wij in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit bereiken wij door de bestaande natuur in het Gelders NatuurNetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Een deel van het Gelders NatuurNetwerk heeft zelfs Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Maar ook buiten de Natura 2000-gebieden zijn stukken natuur die het beschermen waard zijn. Het plangebied ligt zoals uit onderstaande figuur blijkt in de volgens de Omgevingsverordening aangewezen Groene ontwikkelingszone (gebiedsnummer 154 Havikerwaard - Fraterwaard). Voor dit gebied zijn de ‘Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap Groene Ontwikkelingszone’ aangewezen.

Deze luiden: • ontwikkeling stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden • ontwikkeling waterplanten-gemeenschappen in kwelsloten en oude rivierlopen • ontwikkeling gemeenschappen van slikkige oevers • ontwikkeling hardhoutooibossen • ontwikkeling zachthoutooibossen • ontwikkeling moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden • ontwikkeling heggenlandschap • ontwikkeling populaties van water- en moerasvogels, waaronder Porseleinhoen, Kwartelkoning, Zwarte stern en IJsvogel • ontwikkelen populatie knoflookpad en kamsalamander • ontwikkeling populaties van vissen van traag stromende en stilstaande wateren, waaronder: Bittervoorn, Kleine- en Grote modderkruiper, Rivierdonderpad • ontwikkeling populatie Bevers en Otters • ontwikkeling coulisselandschap met lokaal doorzichten op stuwwallen en stadsgezichten • behoud reliëf kronkelwaarden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=0f86a652-fe1b-4061-97d8-f1dbf0274a49