Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 versie 2.2 (21.13)
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOUW JONGVEESTAL FRATERWAARD 2 ELLECOM
INITIATIEFNEMER E. Uenk Fraterwaard 2 6955 JH ELLECOM
LOCATIE BEDRIJF Fraterwaard 2 6955 JH ELLECOM
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
1
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOUW LIGBOXENSTAL FRATERWAARD 2 ELLECOM
Initiatieflocatie:
Fraterwaard 2 6955 JH ELLECOM
Initiatiefnemer:
E.Uenk
Adviseur/contact:
FarmConsult Sluisstraat 24 7491 GA Delden farmconsult@forfarmers.eu Projectleider Jan Oude Hengel 0573-288872 han.gelevert@forfarmers.eu Opsteller Han Gelevert 0573-288954 han.gelevert@forfarmers.eu
Datum: Versie:
januari 2018, herzien januari 2021 2.2
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
2
INHOUDSOPGAVE ........................................................................................................................................................................ 1 INHOUDSOPGAVE ............................................................................................................................................ 3 HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................................................................. 5 HOOFDSTUK 2 PROJECTOMSCHRIJVING ........................................................................................................... 6 2.1
GEGEVENS INITIATIEFNEMER ............................................................................................................... 6
2.2
LIGGING VAN DE LOCATIE .................................................................................................................... 6
2.3
BESTAANDE SITUATIE .......................................................................................................................... 7
2.4
AANLEIDING EN BESCHRIJVING UITBREIDING ...................................................................................... 8
HOOFDSTUK 3 PLANOLOGISCH TOETSINGSKADER ......................................................................................... 10 3.1
RIJKSBELEID ....................................................................................................................................... 10 3.1.1 3.1.2
3.2
PROVINCIAAL BELEID ......................................................................................................................... 11 3.2.1 3.2.2
3.3
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte .......................................................................................... 10 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................................. 10
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland .................................................................................................... 12 Omgevingsverordening gelderland ................................................................................................. 14
GEMEENTELIJKE BELEID ..................................................................................................................... 15 3.3.1 3.3.3 3.3.4 3.3.5
Omgevingsvisie buitengebied .......................................................................................................... 15 Erfgoednota/erfgoedplan ................................................................................................................ 16 Bestemmingsplan landelijk gebied .................................................................................................. 17 Bestemmingsplan parapluplan archeologie .................................................................................... 18
HOOFDSTUK 4 RUIMTELIJKE ASPECTEN .......................................................................................................... 20 4.1
NATUUR: GEBIEDSBESCHERMING ...................................................................................................... 20 4.1.1 4.1.2 4.1.3
Natura 2000 .................................................................................................................................... 20 NNN/GNN ........................................................................................................................................ 21 Kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij ...................................................................... 22
4.2
WET NATUURBESCHERMING: SOORTENBESCHERMING..................................................................... 23
4.3
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ......................................................................................................... 24
4.4
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ................................................................................................ 25
4.5
PARKEREN EN ONTSLUITING .............................................................................................................. 26
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN .................................................................................................................... 28 5.1
BODEM .............................................................................................................................................. 28
5.2
EXTERNE VEILIGHEID ......................................................................................................................... 29
5.3
GELUIDHINDER .................................................................................................................................. 29
5.4
GEUR ................................................................................................................................................. 30
5.5
LUCHTKWALITEIT ............................................................................................................................... 31
5.6
WATER ............................................................................................................................................... 33
5.7
GEZONDHEID ..................................................................................................................................... 33
5.8
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 34
HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID ................................................................................................................. 36
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
3
6.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ........................................................................................... 36
6.2
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................................................................... 36
HOOFDSTUK 7 CONCLUSIE ............................................................................................................................. 38 BIJLAGE 1: ONDERBOUWING GRONDGEBONDEN VEEHOUDERIJ .................................................................... 39 BIJLAGE 2: VIGERENDE WNB VERGUNNING ................................................................................................... 40 BIJLAGE 3: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ...................................................................................................... 41 BIJLAGE 4: LANDSCHAPPELIJKE INPASSING .................................................................................................... 42 BIJLAGE 5: ARCHEOLOGISCH ONDERZOEKSRAPPORT ..................................................................................... 43 BIJLAGE 6: DEFINTIEVE VVGB ......................................................................................................................... 44
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
4
HOOFDSTUK Algemeen
Uitbreiding in strijd met bestemmingsplan
Keuze voor de procedure
Leeswijzer
1 INLEIDING E. Uenk (hierna: de initiatiefnemer) heeft een melkveehouderij aan de Fraterwaard 2 te Ellecom. De initiatiefnemer is van plan om het bedrijf uit te breiden. Daartoe zal een nieuwe jongveestal opgericht worden. Op de bedrijfslocatie is het vigerende planologische kader het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van de gemeente Rheden (hierna: de gemeente) van toepassing. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 27 januari 2009. Op 4 juni 2012 heeft de gemeente Rheden een wijzigingsplan Landelijk Gebied, locatie Fraterwaard 2 vastgesteld voor de realisatie van een ligboxenstal. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestemmingsplan, aangezien zij betrekking heeft op een locatie waar volgens de bestemmingplanregels niet gebouwd mag worden. Om de planologische inpassing van de voorgenomen uitbreiding mogelijk te maken, is in overleg met de gemeente gekozen voor een omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Deze wijze van planologische inpassing duiden we hierna aan als een projectafwijkingsbesluit. Voorwaarde voor het verlenen van een projectafwijkingsbesluit is dat via een ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit rapport voorziet daarin.
In deze ruimtelijke onderbouwing worden de ruimtelijke consequenties van het project in beeld gebracht. Daarbij worden de volgende deelaspecten beschreven: in hoofdstuk 2 komt de aanleiding van het project en de huidige en gewenste situatie aan bod; hoofdstuk 3 gaat in op het vigerende ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Rheden; in hoofdstuk 4 worden de ruimtelijke aspecten van de voorgenomen uitbreiding beschreven, waaronder de gevolgen voor natuur, landschap, cultuur/archeologie en verkeer; hoofdstuk 5 behandelt de milieuaspecten van de voorgenomen uitbreiding, onder andere met betrekking tot de gevolgen voor bodem, geluid, geur en water; in hoofdstuk 6 staan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid centraal; tot besluit geven we in hoofdstuk 7 een beknopte conclusie en samenvatting van deze ruimtelijke onderbouwing.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
5
HOOFDSTUK 2.1
2 PROJECTOMSCHRIJVING GEGEVENS INITIATIEFNEMER Naam: Inrichtingsadres: Postcode en plaats: Tel: Kadastraal bekend:
2.2
E. Uenk Fraterwaard 2 6955 JH Ellecom 0313-416344 sectie S Nummer: 1089, 1404, 1405 kadastrale gemeente Dieren
LIGGING VAN DE LOCATIE
Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van de gemeente Rheden aan de Fraterwaard 2 in de uiterwaarden van de IJssel. Door de verhoogde ligging van de huiskavel is het bedrijf beschermd tegen hoog water. De IJssel ligt op circa 950 meter. De directe omgeving van het bedrijf bestaat overwegend uit grasland. Op grotere afstand liggen verspreid een aantal agrarische bedrijven. De kern Dieren bevindt zich op ruim 1.700 meter ten noorden van het bedrijf. Ellecom ligt op 1,7 kilomter westwaards. Aan de andere kant van de IJssel, op ongeveer 1,5 kilometer afstand, zijn twee campings (’T Hofke en Dorado Beach) gelegen.
Figuur 2.1: Topografische ligging bedrijfslocatie, incl. voorgenomen uitbreiding (Bron: Atlas Gelderland)
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
6
Figuur 2.2: Ligging bedrijfslocatie in Gelderland (Bron: Google Maps)
2.3
BESTAANDE SITUATIE De voorgenomen uitbreidingslocatie (zie onderstaande figuur) is op dit moment overwegend in gebruik als grasland. Zij wordt aan de westkant begrensd door bestaande bebouwing en aan de noordkant door een erfpad.
Figuur 2.3: Luchtfoto bedrijf met voorgenomen uitbreidingslocatie (Bron: Atlas Gelderland)
Te bouwen jongveestal
Op de huidige bedrijfslocatie wordt een melkveehouderij geëxploiteerd. Het huidige agrarische bouwvlak heeft een omvang van ca. 0,9 ha. Vanwege de ligging in de uiterwaarden van de IJssel is het erf verhoogd aangelegd (terp).
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
7
Volgens de milieuvergunning die op 4 oktober 2012 is verleend, kunnen de volgende dieren worden gehouden: Tabel 2.1: Vergunde situatie dieraantallen
2.4 Economische noodzaak
Diercategorie
Diersoort
Aantal dieren
A 1.10
Melkkoeien
70
A 3.100
Vrouwelijk jongvee
35
A 7.100
Fokstieren en overig rundvee > 2 jaar
27
AANLEIDING EN BESCHRIJVING UITBREIDING Op dit moment is sprake van een aantal tekortkomingen in de bedrijfsvoering die afbreuk doen aan de toekomstendigheid van het bedrijf: de bestaande huisvesting voor jongvee voldoet bouwtechnisch gezien nog wel, maar voldoet op een aantal punten niet meer aan de (welzijns)eisen van deze tijd. Dit gaat ten koste van het welzijn van de dieren, waardoor zij niet optimaal functioneren, hetgeen zich ook direct doorvertaalt in het rendement (o.a. minder groei, meer kosten medicijngebruik); de verouderde gebouwen voldoen niet meer voor de huidige machines en goederen; het bedrijf heeft een tekort aan mestopslagmogelijkheden; mede op basis door voorgaande aspecten is de arbeidsefficiëntie niet optimaal. Om de continuïteit van het bedrijf te borgen is optimalisatie van de huidige bedrijfsvoering noodzakelijk. De bouw van de nieuwe jongveestalstal biedt de mogelijkheid om dit op meerdere fronten te bewerkstelligen. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot de volgende situatie in dieraantallen:
Tabel 2.2: Aangevraagde situatie dieraantallen
Diercategorie
Diersoort
Aantal dieren
A 1.100
Melkkoeien
26
A 1.10
Melkkoeien
70
A 3.100
Jongvee
48
Momenteel zitten in de bestaande ligboxenstal melkkoeien. De initiatiefnemer wil het jongvee grotendeels in de nieuwe jongveestal huisvesten. Daarnaast zal een 8-tal stuks ouder jongvee in de ligboxenstal bij de melkkoeien worden gehouden. Vergeleken met de huidige situatie is dus sprake van een toename met 26 melkoeien en 13 stuks jongvee. Verbetering dierenwelzijn
De voorgenomen ontwikkeling heeft op de eerste plaats positieve gevolgen voor het dierenwelzijn: de ligboxenstal is welzijnsvriendelijk uitgevoerd. Het betreft een zogenaamde Groen Label-stal (code BWL 2010.31.V4) met roostervloer voorzien van een bolle rubber toplaag met mestschuif. Daardoor lopen de koeien niet op een betonnen vloer, maar op een rubberen ondergrond, hetgeen bevordelijk is voor de klauwgezondheid van de dieren; door de uitbreiding ontstaat er een betere huisvestingssituatie voor het jongvee. Op dit moment is de huisvesting voor verbetering vatbaar (boxafmetingen, donker, tocht). Met de realisatie van de nieuwe jongveestal wordt het grootste gedeelte van het jongvee verplaatst naar deze stal, die ruimer en lichter is. .
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
8
Verbeteren mestopslag
Met de nieuwe jongveestal kan intiatiefnemer voorts het huidige tekort aan mestopslagruimte wegnemen: de nieuwe stal wordt in zijn geheel voorzien van een mestkelder en er is vooraan in de nieuwe stal plaats voor strohokken.
Andere aanpassingen op het bedrijf
De geplande nieuwbouw heeft een omvang van 221 m². De nokhoogte en goothoogte bedragen respectievelijk 6,35 meter en 4,5 meter(hoogste goot). Om de bouw mogelijk te maken is geen uitbreiding van de bestaande terp nodig.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
9
HOOFDSTUK
3 PLANOLOGISCH TOETSINGSKADER In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijk beleid beschreven dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. We gaan in op hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot het ruimtelijk beleid van achtereenvolgens de landelijke overheid, de provincie en de gemeente.
3.1
RIJKSBELEID Bij het ruimtelijk beleid op Rijksniveau onderscheiden we de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
3.1.1
STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012. De Structuurvisie is de opvolger van onder meer de voormalige Nota Ruimte. In de SVIR legt het Rijk de ambities voor Nederland in 2040 vast door aan te geven waar het land in dat jaar moet staan. Daarbij streeft het Rijk naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Dit betekent onder andere dat het Rijk een aantrekkelijk vestigingsklimaat wil ontwikkelen, waarbij de concurrentiekracht voor internationale bedrijven en een economische ontwikkeling wordt versterkt. Naast deze ambities voor de lange termijn kiest het Rijk tevens voor drie concrete doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028), te weten: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Hierbij maakt het Rijk gebruik van verschillende nationale belangen, waarvoor zij verantwoordelijk is en resultaten wil boeken. Onderhavig project ligt de nationale hoofdstructuur ‘hoofdwatersysteem’.
Hier hoort het volgende nationale belang bij: ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Dit nationale belang richt zich op waterveiligheid en de beschikbaarheid van voldoende zoet water. Het Rijk is verantwoordelijk voor het integrale beheer van het hoofdwatersysteem. Samen met de waterschappen is het Rijk verantwoordelijk voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen. Conclusie: een in de SVIR nagestreefde nationaal belang is aan de orde bij het project.
3.1.2
BESLUIT ALGEMENE REGELS RUIMTELIJKE ORDE NING Om de nationale belangen uit de SVIR juridisch te borgen, heeft het Rijk het Barro vastgesteld. Het Barro bevat algemene planologische regels van het Rijk met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen alsmede projectafwijkingsbesluiten, zodat de nationale belangen beschermd worden. Het project is gelegen in een rivierbed en een stroomvoerend deel van het rivierbed (zie onderstaand figuur).
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
10
Figuur 3.1: Uitsnede kaart Barro: grote rivieren (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Ligging in rivierbed Volgens artikel 2.4.3 van het Barro zijn nieuwe bestemmingen in een rivierbed toegestaan, als sprake is van: een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Tevens dient te worden vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd. Het projectafwijkingsbesluit maakt geen nieuwe bestemming in het rivierbed mogelijk (zie ook paragraaf 3.3.2): de projectlocatie blijft immers een agrarische functie houden. Er zal ook niet buiten het agrarisch bouwvlak gebouwd worden. Ligging in stroomvoerend deel rivierbed Door de ligging in een stroomvoerend deel van het rivierbed is daarnaast artikel 2.4.4 van het Barro van toepassing. Op grond van dit artikel zijn onder andere activiteiten toegestaan van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd.
Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar paragraaf 2.4. Conclusie: het project is in overeenstemming met het Barro.
3.2
PROVINCIAAL BELEID
Voor wat betreft het provinciaal ruimtelijk beleid zijn met name de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland van belang. Zij komen hieronder aan bod, waarbij beoordeeld wordt of het project daarmee in overeenstemming is.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
11
3.2.1
OMGEVINGSVISIE GAAF GELDERLAND Het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving is opgenomen in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Dit beleid werkt via de Omgevingsverordening Gelderland door in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Recent zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening integraal geactualiseerd en geformuleerd in de geest van de toekomstige Omgevingswet. Deze wijziging is op 1 maart 2019 in werking getreden. Landbouw De omgevingsvisie faciliteert de land- en tuinbouw en biedt individuele ondernemers ontwikkelingsruimte om economisch concurrerend en duurzaam te produceren, bijvoorbeeld op het gebied van vergroting van agrarische bouwpercelen. Deze ontwikkelingen moeten volgens de omgevingsvisie duurzaam vorm krijgen. Bedrijven die voldoen aan maatschappelijke eisen op het vlak van dier- en volksgezondheid, milieu, dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit kunnen rekenen op maatschappelijk draagvlak en verdienen ruimte. De mogelijkheden voor ontwikkelingen van individuele bedrijven worden vooral bepaald door de ligging van het bedrijf en de aanwezige kwaliteiten en opgaven in dat gebied. Om grondgebonden bedrijven als functionele dragers van het Gelders platteland te behouden en versterken, biedt de provincie ruimte voor groene groei en verbreding. Deze veehouderijbedrijven mogen groeien op voorwaarde dat de productie grondgebonden blijft.
Dat wil zeggen dat het bedrijf beschikt over cultuurgrond om de dieren op het bedrijf voor meer dan 50% in de ruwvoerbehoefte te kunnen voorzien. De provincie stelt geen grens aan de bedrijfsomvang. Bij een groot bedrijf een groot erf met stallen - hoort een passende 'open ruimte' in de vorm van agrarische cultuurgrond. Bedrijven die willen groeien moeten die ontwikkelruimte 'verdienen'. De uitbreiding moet ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Zowel op de schaal van het gebouw, het erf en de inpassing van het erf in het landschap dient aandacht te zijn voor de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen uitbreiding is landschappelijk ingepast via een landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 4.3). Natuur De projectlocatie ligt zowel in de Groene Ontwikkelingszone (GO) als in een Ganzenfourageergebied (zie onderstaande figuur).
Groene Ontwikkelingszone
Het gebied is aangeduid als 'Groene ontwikkelingszone'. De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
12
Het onderhavige plangebied is aangeduid als Groene Ontwikkelingszone. Tot de kernkwaliteiten voor natuur en landschap van de Groene Ontwikkelingszone in de Havikerwaard en Fraterwaard behoren onder andere: openheid, leefgebied das en steenuil en andere beschermde soorten, rust, ruimte en donkerte. Deze kwaliteiten dienen per saldo te worden verbeterd. In het kader van onderhavig plan wordt voorzien in de ontwikkeling van een jongveestal binnen het bouwvlak van een reeds bestaand grondgebonden bedrijf. Door de bouw binnen het bouwvlak worden de kernkwaliteiten niet of nauwelijks aangetast. Bovendien worden in lijn met de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 4.3) de kernkwaliteiten verbeterd voor wat betreft het leefgebied van de beschermde soorten met betrekking tot rust, ruimte en donkerte in de Havikerwaard en Fraterwaard.
Ganzenfourageergebied
De Ganzenfoerageergebieden zijn een bijzonder onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. De provincie wil invulling geven aan de internationale verplichting tot duurzame instandhouding van de ganzenpopulatie. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. De voorgenomen uitbreiding wordt binnen de bestaande bedrijfskavel gerealiseerd. Zodoende wordt de openheid en rust – en daarmee het ganzenfourageergebied – niet aangetast. Figuur 3.2: Uitsnede kaart Omgevingsvisie: natuur (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Landschap De projectlocatie ligt binnen het Nationaal Landschap “De Veluwe” en wel in het deelgebied “IJsseluiterwaarden”. De kernkwaliteiten van dit deelgebied zijn: enige nog breed meanderende rivier, leesbaar rivierenlandschap;
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
13
gaaf microreliëf van lage rivierduinen, complexen van richels en geulen (kronkelwaarden) en dergelijke; grote openheid van de uiterwaarden met nauwelijks bebouwing; steile en gave gradiënt van beboste stuwwallen van de Zuid-Veluwe en Hattem naar uiterwaarden; bedijking ontbreekt daar; zicht op Veluwemassief, fraaie stadsgezichten bij Kampen, Zwolle, Deventer, Zutphen, Doesburg; weidse vergezichten over de rivier; rust, ruimte en donkerte m.u.v. de omgeving van stedelijke gebieden.
De voorgenomen uitbreiding is landschappelijk ingepast via een landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 4.3) waarbij onder meer rekening is gehouden met de kernkwaliteiten van de “IJsseluiterwaarden”. Conclusie: onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand grondgebonden bedrijf. Dit betekent dat het plussenbeleid niet van toepassing is. Wel dient met onderhavige ontwikkeling worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing, zie paragraaf 4.3. Met onderhavige ontwikkeling binnen het bouwvlak en de bijbehorende landschappelijke inpassing worden de kernkwaliteiten van de IJsseluiterwaarden gerespecteerd en wordt de rust en openheid van de omgeving niet negatief beïnvloedt. Kortom, het planvoornemen is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2
OMGEVINGSVERORDENING GELDERLAND In de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de omgevingsverordening) vindt de juridische verankering plaats van de omgevingsvisie. De omgevingsverordening bevat planologische regels van de provincie Gelderland waarmee bestemmingsplannen in overeenstemming moeten zijn. Omdat projectafwijkingsbesluit in de omgevingsverordening gelijkgesteld wordt met een bestemmingsplan, zijn de regels ook op onderhavig project van toepassing. Landbouw Artikel 2.5.2.2 uit de omgevingsverordening geeft voorschriften omtrent de uitbreidingsmogelijkheden van een grondgebonden veehouderij. Volgens de definitie uit de verordening is er sprake van een grondgebonden veehouderij als dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf kan beschikken. In de bijlage bij deze onderbouwing is een berekening gevoegd welke aantoond dat het bedrijf op het gebied van het voorzien in eigen ruwvoerbehoefte, de te beweiden percelen evenals de mestafzet als grondgebonden kan worden aangemerkt. Een dergelijke uitbreiding is verder alleen toegestaan, indien de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en voorziet in een goede landschappelijke inpassing. Uit het vervolg van deze onderbouwing blijkt dat de uitbreiding ruimtelijk op een aanvaardbare wijze inpasbaar is.
Voor de voorgenomen uitbreiding is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 4.3). Voor een grondgebonden (melk)rundveehouderij gelden daarnaast dat er geen sprake mag zijn van omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderijtak. Daar is hier ook geen sprake van.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
14
Natuur Aan de uitbreiding van een grondgebonden veehouderij binnen de Groene Ontwikkelingszone wordt ingevolge artikel 2.7.2.2., tweede lid van de omgevingsverordening geen maximum verbonden, mits: uit ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en deze inpassing planologisch is verankerd. In het landschappelijk inpassingsplan wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de “IJsseluiterwaarden” (zie paragraaf 4.3). De uitvoering van de landschappelijke inpassing is verzekerd via een voorschrift bij het projectafwijkingsbesluit. Landschap De voorgenomen uitbreiding ligt binnen het Nationaal Landschap “Veluwe”. Een deel van de uitbreiding bevindt zich buiten Groene Ontwikkelingszone. Ook hier geldt op grond van artikel 2.7.4.2 van de omgevingsverordening dat alleen bestemmingen mogelijk zijn die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of versterken. De op de projectlocatie aan de orde zijnde kernkwaliteiten zijn in paragraaf 3.2.1 reeds opgesomd. Middels de landschappelijke inpassing is daar bij de voorgenomen uitbreiding rekening mee gehouden (zie paragraaf 4.3).
Tevens is als bijlage 2 een rapport opgenomen waaruit blijkt dat bij de voorgenomen uitbreiding vanwege de kernkwaliteit ‘donkerte’ rekening is gehouden met de lichtuitstraling uit de stal. Conclusie:het bedrijf voldoet aan de eisen c.q. voorwaarden die de omgevingsverordening stelt aan de uitbreiding van een grondgebonden (melk)rundveehouderij op de projectlocatie. In het landschappelijke inpassingsplan (zie paragraaf 4.3) is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van “IJsseluiterwaarden”. Het project is gelet op voorgaande in overeenstemming met de omgevingsverordening.
3.3
GEMEENTELIJKE BELEID
3.3.1
OMGEVINGSVISIE BUITE NGEBIED
Bij de beschrijving van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wordt ingegaan op de Structuurvisie 2006, het Landschapsontwikkelingsplan, de Erfgoednota en op de geldende bestemmingsplannen “Landelijk Gebied” en “Parapluplan Archeologie Rheden 2013”.
Omgevingsvisie Buitengebied In de omgevingsvisie worden per deelgebied gebiedsplannen geformuleerd. De voorliggende locatie is gelegen in het deelgebied ‘DE STEEG TOT DIEREN’. De landbouw is een relatief kleine sector met ongeveer 40 ondernemers. De boeren in het gebied zijn jong, er zijn weinig stoppers waardoor de gronddruk erg hoog is. Een complicerende factor in de bedrijfsvoering is dat er veel grootgrondbezit in de gemeente is waardoor er veel grond gepacht wordt. Dat maakt investeringsbeslissingen lastiger. De landbouwsector verandert sterk. In hoofdlijnen zijn er de volgende richtingen waarin een bedrijf zich kan ontwikkelen: Schaalvergroting. De ondernemer investeert in een groter grondoppervlak, het wordt fysiek een groter bedrijf. In ons gebied is dit
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
15
lastig, er zijn weinig stoppers (die grond verkopen) en een flink deel van de grond komt nooit te koop omdat dit onderdeel is van een landgoed. Waardeverhoging en ketenverlenging. De ondernemer investeert in producten die een hoger rendement opleveren (tuinbouw, biologische landbouw, bijzondere rassen), investeert in de reguliere ‘keten’ (gaat bijvoorbeeld ook verpakken) of ontwikkelt een heel eigen, lokale productketen (bijvoorbeeld een slagerij-boerderij) of productiekringloop. Als gevolg van waardeverhoging worden bouwvlakken soms complexer en uitgebreider, zijn er meer verschillende functies en vaak ook meer werknemers en verkeersbewegingen. Verbreding. De ondernemer gaat het bedrijf gebruiken als ‘decor’ voor andere economische takken van sport. Het wordt bijvoorbeeld een zorgboerderij of een manege.
Het landschap ‘De Steeg tot Dieren’
Hierbij zijn de bestaande opgaven vertrekpunt: duurzame grondgebonden landbouw, verbeteren kwaliteit en waterhuishouding van beken en natuurgebieden, robuust ecologisch verbinden van Veluwe-IJssel, ruimte voor economische dragers op landgoederen, versterken recreatieve beleving, ruimte voor dynamische riviernatuur en een veilige rivierafvoer. De voorgenomen uitbreiding is voorzien van een landschappelijke inpassing (zie paragraaf 4.3). Voor wat betreft de relatie met natuurontwikkeling wordt verwezen naar hetgeen hierover met betrekking tot het provinciaal ruimtelijk beleid wordt overwogen (zie paragraaf 3.2). Er is sprake van een duurzaam grongebonden bedrijf. Conclusie: Onderhavig plan is gericht op behoud en ontwikkeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Door de uitwerking van het plan door bebouwing binnen het bouwvlak staat het andere opgaven niet in de weg. De voorgenomen bouw van de jongveestal past binnen de kaders van de omgevingsvisie. 3.3.3
ERFGOEDNOTA/ERFGOEDPLAN De gemeente heeft haar cultuurhistorisch-/erfgoedbeleid vastgelegd in “Verbindend verleden, erfgoednota Rheden 2017-2021” (hierna: erfgoednota). In de erfgoednota is onder andere de visie van de gemeente beschreven. Samengevat is deze visie; Verbindend verleden: in ons verleden zoeken wij de basis voor onze toekomst. In het Erfgoedplan is een waardering uitgevoerd van het aanwezige erfgoed in de gemeente. De boerderij “Cabenter” is blijkens de gemeentelijke monumentenlijst aangewezen als een gemeentelijk monument. Rijks- of gemeentelijke monumenten vallen ingevolge het Erfgoedplan automatisch in de hoogste waardering. Gelet op het beleid uit de erfgoednota dient de boerderij en de schuur dus in stand te blijven. Voor het realiseren van de jongveestal is is er echter geen andere optie dan de bijbehorende monumentale schuur te slopen en op deze plaats de nieuwe jongveestal te bouwen. De gemeentelijke commissie voor cultuurhistorie had in eerste instantie negatief geadviseerd over het plan. Na meerdere overleggen heeft de commissie toch de conclusie dat er geen alternatieven zijn onderschreven. Ook de commissie voor stedenbouw en landschap is omgegaan. Conclusie: de instandhouding van de als gemeentelijk monument aangewezen boerderij “Cabenter” komt weliswaar in het geding door de
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
16
bouw van de jongveestal. Er zijn echter geen alternatieven om dit te voorkomen. Het project is zodoende in overeenstemming met het erfgoedbeleid van de gemeente. 3.3.4
BESTEMMINGSPLAN LANDELIJK GEBIED Op 27 januari 2009 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” vastgesteld. Ter plaatse van de projectlocatie geldt volgens dit bestemmingsplan de volgende planologische regeling (zie onderstaande figuur): enkelbestemming “Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden”: ter plaatse is een agrarisch bedrijf toegestaan, met uitzondering van een boomkwekerij, intensieve veeteelt of een paardenfokkerij; dubbelbestemming “Waterstaatsdoeleinden”: in het geval van graafwerkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist.
Figuur 3.4: Uitsnede plankaart wijzigingsplan Landelijk Gebied (Bron: gemeente Rheden)
Op grond van de bouwregels van de agrarische enkelbestemming zijn bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Aangezien de projectlocatie buiten het bouwvlak ligt, is het op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan om ter plaatse de ligboxenstal op te richten. Een tweede strijdigheid die zich voordoet met het geldende bestemmingsplan, is dat het bedrijf vanwege de begripsomschrijving in dit bestemmingsplan als ‘intensieve veehouderij’ moet worden aangemerkt. Volgens deze begripsomschrijving zijn intensieve veehouderijen bedrijven waar de dieren niet biologisch gehouden worden. Omdat bij initiatiefnemer het melkvee niet biologisch wordt gehouden, is er volgens het geldend bestemmingsplan dus sprake van een intensieve veehouderij. Vanwege het grondgebonden karakter van de melkveehouderij (zie bijlage 1) wenst de gemeente mee te werken aan voorgenomen uitbreiding. In overleg met de gemeente is ervoor gekozen om voorgenomen uitbreiding planologisch mogelijk te maken via een projectafwijkingsbesluit. Conclusie: de voorgenomen bouw van de jongveestal is in strijd met het de geldende bestemmingsplan“Landelijk Gebied”. Met de gemeente is
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
17
afgesproken om de voorgenomen uitbreiding planologisch in te passen op basis van een projectafwijkingsbesluit. 3.3.5
BESTEMMINGSPLAN PARAPLUPLAN ARCHEOLO GIE Op 15 april 2014 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie Rheden 2013” vastgesteld (hierna: paraplubestemmingsplan). Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het gemeentelijk archeologiebeleid. Op grond van dit paraplubestemmingsplan zijn aan de projectlocatie twee verschillende archeologische dubbelbestemmingen toegekend (zie onderstaande figuur): Waarde – Archeologie 1: binnen deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm. Tevens is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist bij een bouwplan met voornoemde afmetingen, indien gronden afgegraven worden of opgehoogd worden met meer dan 100 cm, dan wel sprake is van andersoortige aanlegactiviteiten; Waarde – Archeologie 3: binnen deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 2500 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm.
Tevens is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist bij een bouwplan met voornoemde afmetingen, indien gronden afgegraven worden of opgehoogd worden met meer dan 100 cm, dan wel sprake is van andersoortige aanlegactiviteiten;
Figuur 3.5: Uitsnede kaart paraplubestemmingsplan: archeologische dubbelbestemmingen (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Archeologie 1
Archeologie 3
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
18
Om de archeologische waarden in beeld te brengen, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.4). Daarnaast zal voor de voorgenomen uitbreiding een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden aangevraagd. Conclusie: het project wordt in overeenstemming met het paraplubestemmingsplan voorbereid en uitgevoerd.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
19
HOOFDSTUK
4 RUIMTELIJKE ASPECTEN In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke aspecten van het plan beschreven, waaronder de gevolgen voor natuur, flora en fauna, landschap, cultuur/archeologie en verkeer.
4.1
NATUUR: GEBIEDSBESCHERMING
De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. In deze paragraaf gaan we in op de gebiedsbescherming. De soortenbescherming komt in de volgende paragraaf aan bod. Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000-gebieden, Natuur Netwerk Nederland (hierna: NNN) en de zeer kwetsbare gebieden op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: Wav).
4.1.1
NATURA 2000
Natura 2000- gebieden
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de wet natuurbescherming (hierna: Nbw) beschermd. Op onderstaande kaart zijn met geel de Natura 2000-gebieden weergegeven die in de omgeving van de projectlocatie(rode stip) liggen.
Figuur: 4.1: Natura 2000gebieden in omgeving planlocatie (Bron: Atlas van Gelderland)
De Natura 2000-gebieden die in de omgeving zijn gelegen, zijn: Uiterwaarden IJssel (maakt tezamen met andere Natura 2000-gebieden onderdeel uit van ‘Rijntakken’): dit Natura 2000-gebied is per 24 maart 2000 als Vogelrichtlijngebied en per 7 december 2004 als
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
20
Habitatrichtlijngebied aangewezen. De projectlocatie ligt in dit Natura 2000-gebied; Veluwe: dit Natura 2000-gebied is per 24 maart 2000 als Vogelrichtlijngebied en per 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied aangewezen. Het bevindt zich op 2,3 kilometer afstand van de projectlocatie; Landgoederen Brummen: dit Natura 2000-gebied is per 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Het bevindt zich op 7,5 kilometer afstand van de projectlocatie. De volgende tabel geeft de ammoniakemissie weer waarvoor op 12 juli 2013 door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een vergunning in de zin van artikel 19d van de Nbw is verleend (zie bijlage 3). Daarbij komt de emissie uit op een totaal van 1.129 kilogram ammoniak. Tabel 4.1: ammoniakemissie vergunde situatie
De voorgenomen wijziging heeft een lagere ammoniakemissie- en depositie dan de emissie en depositie binnen de verleende Nbw-vergunning. Een nieuwe toestemming vanuit de Wet natuurbescherming kan daardoor verleend worden. De aanvraag is als VVGB bij de omgevingsvergunning aangevraagd. De omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan treedt dus tegelijkertijd inwerking met de VVGB in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie: voor dit project is reeds een verklaring van geen bedenkingen afgegeven door de provincie Gelderland, op 6 januari 2021 met kenmerk 2020-002376. Hieruit blijkt dat de voorgenomen uitbreiding geen significant negatieve effecten heeft voor beschermde habitats en soorten. Het project is daarmee in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving omtrent Natura 2000. 4.1.2
NNN/GNN
NNN
Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuuren bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen.
GNN
In Gelderland wordt het NNN gevormd door het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse EHS en anderzijds uit het zoekgebied van 7.300 ha voor 5.300 ha nieuwe natuur. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van het GNN. Het beleid met betrekking tot het GNN is ten eerste gericht op de bescherming en het herstel van de aanwezige natuurwaarden, ten tweede op de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden.
GO
De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit alle gebieden met een andere bestemming dan natuur binnen de voormalige Gelderse EHS. Het beleid met betrekking tot de GO is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones, waaronder landgrensoverschrijdende klimaatcorridors. De ontwikkelings-
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
21
doelstelling is tweeledig: ontwikkeling van functies in combinatie met versterking van de kernkwaliteiten natuur en landschap. Zoals uit paragraaf 3.2.2 blijkt, staat de provincie de ontwikkeling van een grondgebonden veehouderij in de GO onder voorwaarden toe. In de onderstaande figuur zijn de GNN- en GO-gebieden in de omgeving van de projectlocatie weergegeven. Daaruit volgt dat de bedrijfslocatie is gelegen in de GO, maar op een afstand van circa 50 meter van het meest dicht bij gelegen gebied dat tot het GNN behoort. Door uitbreiding van het bedrijf wordt het GNN niet aangetast cq. doorkruist. Figuur: 4.2: Uitsnede kaart Omgevingsvisie: natuur (Bron: Atlas van Gelderland)
Conclusie: het project leidt niet tot aantasting of doorkruising van het GNN. Omdat sprake is van een voorgenomen uitbreiding van een grondgebonden veehouderij en tevens wordt voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden in de GO (zie ook paragraaf 4.3), is het project in overeenstemming met het natuurbeleid van de provincie. 4.1.3
KWETSBARE GEBIED EN WET AMMONIAK EN V EEHOUDERIJ
Wav: kwetsbare gebieden
De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet beschermt onder andere zeer kwetsbare gebieden tegen de uitstoot van ammoniak van veehouderijen. Deze geldt voor vergunningplichtige bedrijven (die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben). Op grond van artikel 2 van de Wav wijst de provincie de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Het betreft alleen de voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur. In onderstaande figuur zijn de kwetsbare gebieden in de omgeving van de projectlocatie weergegeven. De locatie is niet gelegen in een 250 meter zone rondom een zeer kwetsbaar gebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Het dichtstbijzijnde zeer kwetsbaar Wav-gebied is gelegen op 2,2 km.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
22
Figuur: 4.3 Ligging zeer kwetsbare gebieden Wav (Bron: Atlas Gelderland)
Conclusie: de projectlocatie ligt niet in een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied in het kader van de Wav.
4.2
WET NATUURBESCHERMING: SOORTENBESCHERMING
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Deze wet regelt onder meer de bescherming van planten- en diersoorten. In de wet zijn EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtijn, Vogelrichtlijn) en het internationale CITES-verdrag voor de handel in bedreigde diersoorten. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is “nee, tenzij”. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. In het kader van de Wet natuurbescherming moet in beeld gebracht worden of het voornemen nadelige effecten heeft op aanwezige, of mogelijk aanwezige beschermde soorten. Om dit in beeld te brengen is een quick scan flora en fauna uitgevoerd door Econsultancy. Aan de hand van de resultaten van de quick scan kan worden aangegeven of nadere inventarisaties gewenst zijn of dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de effecten op aanwezige (beschermde) flora en fauna geen bedreiging opleveren en of ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet noodzakelijk zijn. De onderzoekslocatie betreft een bestaande stal en een grasperceel/weitje en een stukje tuin.
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 4.2. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
23
soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Flora- en faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.2: Quick scan flora en fauna
Uit de tabel volgt dat er voor de verschillende soorten en soortgroepen geen nader onderzoek noch een ontheffingsaanvraag nodig is. De rapportage van de quick scan is als bijlage 4 opgenomen. Voor een uitgebreide beschrijving van de bevindingen van de quick scan wordt naar dit rapport verwezen. Conclusie: gelet op de uitgevoerde quick scan is geen nader onderzoek vereist en hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
4.3
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Om de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk in te passen heeft Buro Greet Bierema een landschappelijke onderbouwing c.q. landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In onderstaande figuur is een uitsnede uit het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Voor een uitgebreide onderbouwing van dit inpassingsplan wordt naar bijlage 5 verwezen.
Figuur 4.4: Voorstel landschappelijke inpassing
Conclusie: de voorgenomen ontwikkeling is voorzien van een landschappelijke inpassing.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
24
4.4
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
Archeologie
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn, dan is vooronderzoek nodig. Om de archeologische waarden van het projectgebied in beeld te brengen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Hamaland Advies (zie bijlage 6). Omdat er op het bestaande bedrijfsperceel geen veranderingen plaatsvinden, die de archeologische waarden kunnen aantasten, bestaat de onderzoekslocatie alleen uit het deel waar de voorgenomen uitbreiding plaatsvindt (zie figuur 4.5).
Figuur 4.5: Onderzoekslocatie archeologisch onderzoek
Uit het bureauonderzoek dat in het kader van het archeologisch onderzoek is uitgevoerd, volgt dat een hoge kans op mogelijke archeologische waarden in het projectgebied zouden kunnen bevinden vanaf de Late Middeleeuwen. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek verricht in de vorm van een karterend booronderzoek. Uit de resultaten van het karterend booronderzoek blijkt dat de verwachte vondst- en/of spoorcomplexen niet in het onderzoeksgebied aanwezig zijn.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
25
Op grond van de onderzoeksresultaten van het karterend booronderzoek is gebleken dat in het projectgebied weliswaar sprake is van een intacte bodemopbouw, maar dat er sprake is van een volledig natuurlijk profielverloop zonder sporen van menselijke bewoning. Er zijn geen relevante cultuurlagen of relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Vervolgonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie
De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van art. 3.6.1, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geleid. Sindsdien moet ieder bestemmingsplan tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan of in de ruimtelijke onderbouwing dient hiertoe een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de eventueel in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens historisch (stede)bouwkundige geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden, en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan. In de rapportage van het archeologisch onderzoek wordt ingegaan op de (cultuur)historische ontwikkelingen op de projectlocatie (zie paragraaf 2.2. van de rapportage). Daaruit volgt dat het projectgebied ver buiten de oorspronkelijke middeleeuwse woonterp ligt waarop het erf Noordingsbebouwing aanwezig is. De huidige boerderij is een 19e eeuwse opvolger van de oorspronkelijke boerderij. Het projectgebied is voor zover te herleiden valt altijd onbebouwd geweest en sinds de Nieuwe Tijd in gebruik als akkerland en weidegebied.
De boerderij “Cabenter” is blijkens de gemeentelijke monumenten-lijst aangewezen als een gemeentelijk monument. De voorgenomen bouw van de jongveestal en de daarmee samenhangende sloop van de bestaande monumentale schuur doet weliswaar afbreuk aan de boerderij, maar vanwege het feit dat er geen andere mogelijkheid is dan het bouwen van de stal op deze plek in verband met een aanwezige gasleiding, de rijksweg en het water is het plan op deze plaats uitvoerbaar. De projectlocatie is gesitueerd aan de zuidwestkant van de bestaande stal en ligt daarmee aan de voorkant van het erf. Ook uit informatie van de provincie waarop cultuurhistorische waarden zijn weergegeven (o.a. Atlas Gelderland, provinciale Belvoirbeleid), komt naar voren dat op de projectlocatie geen bijzondere betekenis heeft op cultuurhistorisch gebied. Conclusie: het project tast geen archeologische of cultuurhistorische waarden aan en is daarmee uitvoerbaar.
4.5
PARKEREN EN ONTSLUITING
Parkeren
Uitgangspunt van de gemeente Rheden is dat elke initiatiefnemer van bouwplannen zorgdraagt voor zijn eigen parkeeroplossing en dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken. Binnen de inrichting is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor bezoekers en medewerkers. In het geval waarin meerdere vrachtwagens tegelijkertijd het bedrijf aandoen, is er binnen het bouwblok ruimte om deze
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
26
te herbergen. Er is voldoende erfverharding aanwezig in de beoogde situatie om meerdere vrachtwagens elkaar te laten passeren. Ontsluiting
Het bedrijf ligt aan de Fraterwaard die uitkomt op de Ellecomsedijk (N317). Het verkeer dat zich op de Fraterwaard bevindt is bestemmingsverkeer, het verkeer op de Ellecomsedijk bestaat uit doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen. Het project leidt tot een uitbreiding van bedrijfsactiviteiten, maar heeft geen consequenties voor de wegenstructuur. Onderhavige ontwikkeling leidt niet tot een substantiële verhoging van de verkeersintensiteit op de Fraterwaard of wegen in de omgeving en heeft daarmee geen consequenties voor de verkeersveiligheid. Gelet op de ligging nabij de Ellecomsedijk is de locatie is goed ontsloten. Aangezien de op/-afrit naar de A348 eveneens nabij is, is het bedrijf tevens goed aangesloten op het (boven)regionale wegennet. Conclusie: het projectgebied beschikt over voldoende parkeergelegenheid en wordt goed ontsloten.
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
27
HOOFDSTUK
5 MILIEUASPECTEN In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten van het project behandeld. We gaan nader in op de gevolgen voor (achtereenvolgens) bodem, externe veiligheid, geluid, geur, luchtkwaliteit, water en gezondheid. Aan het eind wordt de beoordeling in het kader van de milieueffectrapportage besproken.
5.1
BODEM Voor de volgende bouwwerken moet de bodemkwaliteit vanuit bouwbesluit 2012 worden getoetst: bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag; voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning om te bouwen vereist is. Voor de ligboxenstal is weliswaar een omgevingsvergunning om te bouwen vereist, maar het is geen bouwwerk waarin mensen (nagenoeg) voortdurend zullen verblijven. De verblijfsduur zal uitkomen op minder dan twee uur per (werk)dag. Aldus hoeft de bodemkwaliteit niet getoetst te worden. In de huidige situatie is het projectgebied reeds sinds jaar en dag in gebruik als grasland. In het verleden zijn geen bodembedreigende activiteiten verricht. Dit volgt eens te meer uit het gegeven dat de grond in verband met de ligging in de uiterwaarden van de IJssel juist opgehoogd moet worden teneinde de ligboxenstal op een veilig niveau te brengen. Er wordt dus juist grond aangevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. Gelderland beschikt over een kaart waarop locaties getoond worden waarover bij de provincie bodemverontreinigingen bekend zijn (zie onderstaande figuur). Uit deze figuur volgt dat in de directe omgeving van het bedrijf geen verontreinigingen bekend zijn.
Figuur 5.1: Uitsnede kaart bodemverontreinigingen (Bron: Atlas Gelderland)
Conclusie: de bodemgesteldheid vormt geen belemmering voor het toekomstig gebruik van het perceel
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
28
5.2
EXTERNE VEILIGHEID Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Hiertoe worden bij risicovolle activiteiten risicocontouren aangebracht. Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Bij de realisering van dit project is geen sprake van risicovolle activiteiten. Onderstaande figuur geeft de aanwezigheid van andere risicovolle inrichtingen in de omgeving weer.
Figuur 5.2: Risicokaart omgeving plangebied (Bron: Risicokaart)
Fraterwaard 2
In directe omgeving van het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De als ‘overig’ aangeduide inrichting aan de andere kant van de IJssel die het meest in de buurt van het bedrijf ligt, betreft een camping. Verder is het projectgebied net niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels. Er ligt een hoofdleiding voor gas direct nabij het projectgebied, maar hiermee hoeft voor het bouwen van de jongveestal geen rekening mee gehouden te worden. Conclusie: in de directe omgeving van het projectgebied zijn geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid die aan de voorgenomen uitbreiding in de weg staan.
5.3
GELUIDHINDER In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving.
Geluid binnen de inrichting
Ruimtelijke onderbouwing Fraterwaard 2 Ellecom
29
In het kader van de voorgenomen uitbreiding zijn verschillende geluidsbronnen te onderscheiden die bijdragen aan de geluidsemissie. De belangrijkste hiervan zijn: laden en lossen van dieren; laden van mest; lossen van voeders; laden van kadavers; afvoeren van melk aan- en afvoerbewegingen met personenwagens; gebruik van tractor; gebruik van melkstal en koelmachine. De aan- en afvoerbewegingen vinden zo ver mogelijk plaats van geluidsgevoelige objecten. Voor de bepaling van de geluidbelasting moeten woningen van derden worden aangemerkt als geluidgevoelige objecten. De geluidshinder van de onderhavige inrichting wordt zoveel mogelijk beperkt door te zorgen dat zoveel mogelijk aan- en afvoerbewegingen plaatsvinden tijdens de dagperiode.
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 (hierna: de VNG-publicatie) blijkt dat voor bedrijven waar rundvee gehouden wordt, de richtafstand voor geluid 30 meter bedraagt. De afstand tot het dichtstbijzijnde geluidsgevoelig object bedraagt ca. 278 meter, ofwel ruim boven de richtafstand van 30 meter zoals vermeld in de VNG-publicatie. De bedrijfswoning wordt bij een dergelijke toetsing niet meegenomen. Omdat de afstand tot het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object ruim boven de richtafstand van 30 meter ligt en de activiteiten binnen inrichting niet leiden tot een onacceptabele geluidshinder, kan een goed woon- en leefklimaat voor het milieuaspect geluid worden gegarandeerd. Conclusie: er zijn geen belemmeringen op het gebied van geluid die aan de voorgenomen uitbreiding in de weg staan.
5.4
GEUR De beoordeling van geur vindt plaats aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij en het criterium van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Wet geurhinder en veehouderij Wgv
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingsskader voor inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo (hierna: omgevingsvergunning milieu). Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning milieu voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder, door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van de Wgv.
Activiteitenbesluit
Als er voor de voorgenomen ontwikkeling geen omgevingsvergunning milieu nodig is, gelden de geurvoorschriften uit paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. Voor de voorgenomen ontwikkeling is geen omgevingsvergunning vereist, maar wordt een melding in het kader van het Activiteitenbesluit (hierna: de melding) ingediend. Derhalve dient getoetst te worden aan de geurvoorschriften uit het Activiteitenbesluit.