CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Welstandsnota 2004.pdf

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Nota Ruimtelijke Kwaliteit - deel Buitengebied27.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hiervoor kunnen uiteenlopend redenen zijn, zoals een politieke keuze voor minder regels, op zichzelf staande gebieden die geen of nauwelijks invloed hebben op de omgeving, een experiment naar “wild wonen” of een functie van een gebied die geen welstandsregulering verdraagt. Het kan gaan om bestaande gebieden of nieuw te ontwikkelen gebieden die bijvoorbeeld in het kader van een stedenbouwkundig experiment welstandsvrij worden verklaard. Op dit moment zijn in de gemeente Reusel-De Mierden geen gebieden voorhanden die onder deze categorie vallen.

Tabel welstandsniveaus

Aspectgroepen

Beoordelingsaspecten

plaatsing I situering Massavorm A hoofdaspecten

Gevelopbouw materiaal (hoofdvlakken) kleur (hoofdvlakken) Compositie massaonderdelen

B deelaspecten

Gevelindeling vormgeving gevelelementen

versie

14-06-04

20

materialen (onderdelen) kleuren (onderdelen)

C detailaspecten

detaillering (onderdelen)

Bijzonder:

Alle beoordelingsaspecten van deze aspectgroep moeten voldoen aan de criteria die onder 3.4 beschreven zijn. Afwijkingen van deze criteria zijn slechts mogelijk wanneer het plan een overduidelijke meerwaarde voor de omgeving krijgt. Een afwijking _____________behoeft een zorgvuldige motivering van de welstandscommissie. regulier:

De meeste beoordelingsaspecten van deze aspectgroep moeten voldoen aan de criteria die onder 3.4 beschreven zijn. Afwijkingen van deze criteria zijn mogelijk mits goed gemotiveerd en mits er geen afbreuk aan de kwaliteit van de omgeving _____________wordt gedaan._____________________________ licht:

Enkele beoordelingsaspecten van deze aspectgroep moeten voldoen aan de criteria die onder 3.4 beschreven zijn. Er wordt een basiskwaliteit gevraagd. Afwijkingen van deze criteria zijn mogelijk wanneer deze in dienst staan van het plan zelf.

vrij:

Het plan wordt op geen enkel beoordelingsaspect van deze aspectgroep preventief getoetst. Alleen bij excessen kan repressief getoetst worden.

Opmerking: de verschillende “vrijheidsgraden” hebben alleen betrekking op de welstandstoetsing. Afmetingen e.d. zijn nog steeds strikt in een bestemmingsplan vastgelegd.

Tabel beoordelingsaspecten A. Hoofdaspecten Plaatsing en situering

* * *

* Massavorm

* * * * m

« Gevelopbouw

« *

* * *

versie

14-06-04

Afstemming van de plaats van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de plaats van het object op de kavel met de ruimtelijk-functionele en architectonische opzet van het object; Wanneer sprake is van meerdere bouwdelen: overeenstemming van de situering van de bouwdelen onderling met de ruimtelijk-functionele en architectonische opzet van het object; Afwijkingen dienen een positieve bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Bij afwijkingen zal een positief welstandsadvies voorzien moeten zijn van een motivatie. Afstemming van de massavorm van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de massavorm van het object op die van de belendingen; Een evenwichtige compositie van de massavorm van het object; Wanneer sprake is van meerdere bouwdelen: een evenwichtige en samenhangende compositie van de bouwdelen onderling; Schaal- en maatverhoudingen (bijvoorbeeld tussen gevelvlak en dakvlak), horizontaliteit, verticaliteit, nokrichting en oriëntatie, kapvorm en dakhellingshoek, profielvorm; Afwijkingen dienen een positieve bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Bij afwijkingen zal een positief welstandsadvies voorzien moeten zijn van een motivatie.

Afstemming van de gevelopbouw van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de gevelopbouw van het object op die van de belendingen; Een evenwichtige compositie van de gevelopbouw; Verhouding tussen verschillende gevelvlakken, open-dicht verhouding Afwijkingen dienen een positieve bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Bij afwijkingen zal een positief welstandsadvies voorzien moeten zijn van een motivatie.

21

Materialen en kleuren hoofdvlakken

Afstemming van de materialen en kleuren van de hoofd vlakken op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken op die van belendingen; Consistente toepassing van materialen en kleuren van de hoofdvlakken in dienst van de architectonische expressie van massavorm en gevelopbouw; Evenwicht en samenhang in de materiaal- en kleurtoepassing op zich. Afwijkingen dienen een positieve bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Bij afwijkingen zal een positief welstandsadvies voorzien moeten zijn van een motivatie.________________

B. Deelaspecten Compositie massaonderdel en

* * " “ *

Afstemming van de compositie van de massaonderdel en op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de compositie van de massaonderdelen op de belendingen; Evenwichtige verhouding van massaonderdelen tot de hoofdmassavormen; Evenwicht en samenhang in compositie van massaonderdelen; Structurele verwantschap (kenmerkende massaverhoudingen en hiërarchie), schaal en maat.

m

Gevelindeling

m

* " *

Vormgeving gevelelementen

* * * *

Afstemming van de gevelindeling op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de gevelindeling op de belendingen; Evenwicht in samenhang in de gevelindeling op zich; Plaatsing van gevelelementen in het vlak, open-dicht verhouding, verticaliteit-horizontaliteit, hiërarchische verhoudingen tussen gevelelementen onderling. Afstemming van de vormgeving van de gevelelementen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de vormgeving van de gevelelementen op de belendingen; Vormgeving van de gevelelementen in dienst van de architectonische expressie van het gevelvlak; Evenwicht en samenhang in vormgeving gevelelementen op zich.

C. Detailaspecten Materialen en onderdelen

* * * *

B Kleuren onderdelen

« " * *

Detaillering onderdelen

* * *

versie

14-06-04

Afstemming van de materiaalkeuze voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de materiaalkeuze voor onderdelen op die van de belendingen; Consistente materiaalkeuze voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object; Evenwicht en samenhang in de materiaalkeuze voor onderdelen op zich. Afstemming van de kleurkeuze voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de kleurkeuze voor onderdelen op die van de belendingen; Consistente kleurkeuze voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object; Evenwicht en samenhang in de kleurkeuze voor onderdelen op zich. Afstemming van de detaillering van onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen; Afstemming van de detaillering van onderdelen op die van de belendingen, consistente detaillering van onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object; Evenwicht en samenhang in de detaillering van onderdelen op zich.

22

8. Algemene criteria 8.1. Inleiding De algemene welstandscriteria die in dit hoofdstuk worden genoemd, richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling. De algemene criteria bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten waarmee kwaliteit (of het gebrek aan kwaliteit) kan worden omschreven. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel “Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid”. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. 8.2. Toepassing In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan slaafs de gebiedsgerichte beschrijvingen en gebiedsgerichte welstandscriteria volgt zonder daar enige inspiratie aan te ontlenen. Een dergelijk bouwplan voegt weinig toe aan die omgeving.

Het is alleen meer van hetzelfde en het bouwwerk zelf blijft zo onder de maat dat het zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan Burgemeester en Wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schríftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.

8.3. Beoordelingsaspecten en criteria 8.3.1. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft_________________________ Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context.

Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

versie

14-06-04

23

8.3.2. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.

8.3.3. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht.

De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. 8.3.4.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare

versie

U-06-04

24

maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.

8.3.5. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden ven/vacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie.

Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

8.3.6. Materiaal, textuur, kleuren licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.____________________ Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

versie

14-06-04

25

Bijlage 1

Beeldbepalende panden en Rijksmonumenten ReuselDe Mierden Beeldbepalende panden Reusel-De Mierden Lijst vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2001 Reusel 1. Hondsbos 21 2. Turnhoutseweg 54-a 3. Turnhoutseweg 56 4. Turnhoutseweg 9 5. Turnhoutseweg 11 6. Turnhoutseweg 13 7. Turnhoutseweg 17 8. Turnhoutseweg 19 9. Turnhoutseweg 21 10. Turnhoutseweg 23 11. Kerkplein 1 (kerk) 12. Kerkstraat 1 (pastorie) 13. Voort 13 14. Wilhelminalaan 31 15. Lensheuvel 54 16. Lensheuvel 56 17. Turnhoutseweg 27 18. Turnhoutseweg 49 19. Wilhelminalaan 28 20. Wilhelminalaan 34 Lage Mierde 1. Bernardusweg 1 2. Bernardusweg 3 3. Bernardusweg 5 4. Hoogemierdseweg 13 5. Kloosterstraat 11 6. Vloeieind 9 7. Hoosemansstraat 4 8. Dorpsplein 13 9. Dorpsplein 27 10. Braakhoek3 11. Braakhoek 5 12. Dorpsplein 11 13. Draaiboom 56 14. Vloeieind 8 15. Vloeieind 12 16. Mispeleind 3 17. Draaiboom 1

beeldbepalende panden

Hooge Mierde 1. Smidsstraat 7 2. Smidsstraat 13 3. Schoolstraat 13 4. Schoolstraat 13-a 5. Sint Cornelisstraat 12 6. Hoogstraat 14 7. Hoogstraat 14-a 8. Hoogstraat 27 9. Kuilenrode 9 10. Smidsstraat 19 11. Hoogstraat 2 12. Prins Hendriklaan 2 Hulsel 1. 2. 3.

Kerkweg 2 Willibrordlaan 27 Willibrordlaan 23

Rijksmonumenten 1. Dorpsplein 1 Lage Mierde (kerktoren en kerk) 2. Wellenseind 6 Lage Mierde (boerderij) 3. Kloosterstraat 41 Lage Mierde (woonhuis) 4. De Luther 15 Hooge Mierde (boerderij 5. Prins Hendriklaan 1 Hooge Mierde (helft van boerderij) 6. Prins Hendriklaan 3 Hooge Mierde (helft van boerderij) 7. Prins Hendriklaan 5 Hooge Mierde (arbeiderswoning) 8. Schoolstraat 9 Hooge Mierde (kerktoren en kerk) 9. Torendreef 1 Hooge Mierde (pastorie) 10. Turnhoutseweg 22 Reusel ( sigarenfabriek) 11. Turnhoutseweg 52 Reusel (woning en tramremise) 12. Willibrordlaan 21 Hulsel (kerk)

beeldbepalende panden

2

BIJLAGE 2

SNELTOETSCRITERIA voor veel voorkomende kleine bouwplannen gemeente Reusel-De Mierden

Voorwoord Deze notitie biedt gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen, als basis voor het ge­ meentelijk welstandsbeleid ten aanzien van deze kleine bouw­ plannen. Daarmee wordt de mogelijkheid geschapen voor ambtelijke afhandeling van licht-vergunningplichtige bouwwer­ ken. De notitie is daarmee een uitwerking van de bij algemene maatregel van bestuur verplicht gestelde “loketcriteria”. Door middel van een voorzichtige standaardisering van de advieslijn ten aanzien van veel voorkomende kleine bouwplan­ nen wordt helderheid en consistentie nagestreefd voor de aan­ vrager, de gemeente en de welstandscommissie. Getracht is een consensus te bereiken die na opmerkingen van diverse partijen uiteindelijk heeft geleid tot een ‘grote gemene deler’. Op deze manier is een verzameling gestandaardiseerde crite­ ria ontstaan, waarop in principe elke gemeente haar wel­ standsbeleid kan baseren. De samenstellers hebben de voorkeur gegeven aan de term “sneltoetscriteria” boven “loketcriteria” omdat de term “loket­ criteria” ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat aan het loket van bouw- en woningtoezicht op basis van deze criteria stante pede een vergunning kan worden afgegeven. Ze zijn echter wel “dermate concreet dat een aspirant-bouwer als het ware aan het loket van de gemeente zelf al kan zien of zijn bouwplan voldoet aan die criteria".

De criteria voldoen daar­ mee aan de eisen die de wetgever in het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken stelt.

Inhoudsopgave

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Voorwoord Inhoudsopgave

3 4

1. Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Toepassingen en gebruik 1.3 Uitgangspunten 1.4 Precedentwerking

5 7 9 13

2. Sneltoetscriteria 2.1 Algemeen 2.2 Aan-en uitbouwen 2.3 Bijgebouwen en overkappingen 2.4 Kozijn- en gevelwijzigingen 2.5 Dakkapellen 2.6 Erfafscheidingen 2.7 Overige licht-vergunningplichtige bouwwerken 2.8 Rolhekken, luiken en rolluiken

15 17 24 30 34 42 45 46

Bijlage: 1. 2.

4

Begrippenlijst Bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (AMvB 12-07-2002)

48

61

1. Inleiding 1.1 Algemeen De nieuwe Woningwet 2001 (in werking getreden op 1 januari 2003) geeft enkele kaders waarbinnen het welstandstoezicht dient plaats te vinden. Een van die kaders is de verplichting tot het opstellen van een welstandsnota met gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. Aangezien de welstandsnota tot doel heeft het welstandsbeleid inzichtelijk en bespreekbaar te ma­ ken is het wenselijk de regelgeving ten aanzien van het wel­ standstoezicht openbaar te maken in een welstandsnota en te plaatsen in een begrijpelijke context. In veruit de meeste gevallen komen mensen via de bouwvergunningsaanvraag of in het voortraject daarvan met welstand in aanraking. Met de nieuwe Woningwet 2001 is ook de bouwvergunningsprocedure voor een gedeelte veranderd. In de nieuwe Woningwet 2001 bestaan alleen nog vergunningsvrije en vergunningplichtige bouwwerken. Daarnaast is er een lichte en een reguliere procedure geïntroduceerd. Per Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is een lijst opge­ steld van bouwvergunningvrije bouwwerken en bouwwerk­ zaamheden waarvoor een lichte bouwvergunningsprocedure gaat gelden. Bouwvergunningsaanvragen voor bouwwerken die niet behoren tot de categorie bouwvergunningvrije of lichtvergunningplichtige bouwwerken vallen onder de reguliere bouwvergunningsprocedure.

De afhandeling van de bouwaanvraag bij reguliere vergunningplicht duurt maximaal 12 weken met de mogelijkheid tot verdaging van ten hoogste nog eens 6 weken als burgemeester en wethouders daar toe besluit en goedkeuring heeft gekregen van de gemeenteraad.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

De reguliere bouwvergunning kan op aanvraag (verzoek) ook in twee fases worden verleend. Bij de lichte procedure mag de afhandeling maximaal 6 weken duren. Bij overschrijding van deze termijn wordt een vergun­ ning van rechtswege verleend. Het betreffen hier kleine veel­ voorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, aan- en uitbou­ wen, bijgebouwen en dergelijke, binnen de ruimtelijke eisen die gesteld zijn in de AMvB. Ten behoeve van de toetsing van de­ ze licht-vergunningplichtige bouwplannen zijn zogenaamde sneltoetscriteria geformuleerd. Het gaat hier om objectieve welstandscriteria die de planindiener vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dient te geven. De sneltoetscriteria kunnen gezien worden als een verzameling standaardoplossingen die in elk geval geen bezwaren zullen oproepen. Wanneer een bouwplan niet strijdig is met de sneltoetscriteria kan de vergunning bin­ nen zeer korte termijn worden verleend.

Reguliere procedure

Lichte procedure (6 weken)

Als niet wordt voldaan aan

(12 + 6 weken verlenging)

de sneltoetscriteria, bij twijfel of in geval van door

Welstandstoetsing door

gemandateerde ambte-

het Rijk aangewezen be-

welstandscommissie en

naar of lid welstands-

schermde stads- of dorps-

monumentencommissie

commissie.

gezichten en bij, op of aan

Welstandstoetsing door

door het Rijk, de provincie

Toetsing aan:

In beginsel alleen toet-

of de gemeente aangewe-

-gebiedsgerichte criteria

sing aan:

zen beschermde monu-

-criteria spec, bouwwer-

-sneltoetscriteria

6

menten. Toetsing naast

ken

sneltoetscriteria ook aan

-algemene criteria

Bij verwijzing toetsing

overige in de welstands-

-criteria vastgelegd in

aan:

nota opgenomen beoorde-

plannen voortvloeiend

-aphipdsaprirhtp rritpria

lingskaders (afhandeling-

uit

1.2 Toepassingen en gebruik De sneltoetscriteria kunnen gebruikt worden voor: 1. preventieve toetsing van licht-vergunningplichtige bouw­ plannen 2. vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwplannen Voor repressieve toetsing van vergunningvrije bouwplannen zijn de sneltoetscriteria niet geschikt; daarvoor wordt verwezen naar de excessenregeling elders in de welstandsnota.

Preventieve welstandstoetsing Als een bouwplan vergunningplichtig is wordt door de AMvB (zie bijlage 2) bepaald of een lichte of reguliere procedure wordt gevolgd. Alle vergunningplichtige bouwplannen dienen in ieder geval getoetst te worden aan het bestemmingsplan, de bouwverordening, het bouwbesluit en aan redelijke eisen van welstand. Bij de lichte bouwvergunningsprocedure hebben burgemeester en wethouders de mogelijkheid om zelf te toetsen aan redelijke eisen van welstand zonder advies te vragen aan de welstands­ commissie. Het gemeentebestuur kan deze toets in haar naam door een ambtenaar van bouw- en woningtoezicht laten ver­ richten overeenkomstig het advies van haar welstandscommis­ sie en met verwijzing naar de sneltoetscriteria. Wanneer een bouwplan niet aan de sneltoetscriteria voldoet of wanneer er sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, kan het bouwplan alsnog aan de welstandscommissie of een door de commissie gemandateerd lid worden voorgelegd. De welstandscommissie zal in deze gevallen met inachtneming van de gestelde snel­ toetscriteria en met onder andere de gebiedsgerichte of de algemene welstandscriteria beoordelen of het bouwplan vol­ doet aan redelijke eisen van welstand.

Op deze manier kunnen licht-vergunningplichtige bouwwerken die in eerste instantie niet voldoen aan de sneltoetscriteria alsnog door de welstandscommissie bezien worden in relatie tot de context van het gebied waar het bouwplan geplaatst wordt.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Van een bijzondere situatie is in ieder geval altijd sprake in door het Rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezich­ ten en bij, op of aan door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten. Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De sneltoetscriteria kunnen dus ook dienen als adviserend kader.

8

1.3 Uitgangspunten Bij het opstellen van de sneltoetscriteria zijn de volgende uit­ gangspunten gehanteerd: Relatie met het bestemmingsplan In artikel 44 van de nieuwe Woningwet wordt geregeld dat een bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd als deze niet voldoet aan onder andere de bouwverordening, bestemmingplan of redelijke eisen van welstand. De welstandstoetsing dient alleen betrekking te hebben op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in ver­ band met de omgeving of de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Jurisprudentie heeft uitgewezen dat als het bestem­ mingsplan het bouwwerk toestaat deze welstandshalve niet meer afgewezen kan worden op basis van plaatsing en maat­ voering als deze reeds in het bestemmingsplan zijn vastge­ legd. Bestemmingsplanvoorschriften prevaleren dus boven welstandscriteria. Dit houdt in dat welstandscriteria in beginsel geen eisen kunnen stellen aan zaken die al geregeld zijn in het bestemmingsplan of Bouwbesluit. Wel is het mogelijk dat wel­ standscriteria een aanvullende werking hebben op het gere­ gelde in het bestemmingsplan of Bouwbesluit. Voor de opgenomen sneltoetscriteria is ervan uitgegaan dat het bestemmingsplan altijd maatgevend is.

Dat wil echter niet zeggen dat er geen sneltoetscriteria over plaatsing en maat­ voering zijn opgenomen, maar dat deze dan betrekking hebben op de visuele kwalitatieve hoedanigheid van het bouwwerk. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft functie, plaatsing en maatvoeringen van kleine bouwwerken.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Voor- en achterkant benadering (AMvB) De voor- en achterkant benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder dan het bouwen aan de achterkant. Onder voorkant wordt in dit verband verstaan de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een ge­ bouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dak­ vlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijde­ lings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Het begrip ‘weg’ wordt nader verklaard in de Wegenverkeerswet. Bij het begrip ‘openbaar groen’ moet worden uitgegaan van hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt ver­ staan, zoals parken, plantsoenen en speelveldjes, die het ge­ hele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toe­ gankelijk zijn. ’Gekeerd naar de weg of het openbaar groen' impliceert dat tussen het gebouw of het erf en de weg of het openbaar groen een directe feítelijke relatie is.

Die relatie is er niet wanneer zich tussen het gebouw of het erf en de weg of het openbaar groen andere begrenzende elementen aanwezig zijn, zoals het erf van de buren, bos, (bij)gebouwen of water. Dit betekent dat bijvoorbeeld bij een sloot als scheidend ele­ ment de zijkant gekeerd naar de weg of het openbaar groen een achterkant wordt in plaats van een voorkant.

weg of openbaar groen

voorkant

voorkant

voorkant

achterkant

vóórkant

weg of openbaar groen

achterkant

1o

achterkant

ėM

Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. In de sneltoetscriteria is daarom voor een aantal bouwwerken onderscheid gemaakt tussen bouwwerken aan de voorkant en aan de achterkant. Voor dakkapellen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en over­ kappingen is in de welstandcriteria onderscheid gemaakt in criteria voor de voor- en achterkant, zoals deze begrippen door de AMvB zijn vastgelegd. Opvallend is dat er een overlap is tussen voor- en achterkant. Dit heeft met name te maken met de definities van erven (deze overlappen elkaar namelijk ook). In de toelichting van de AMvB kan men lezen dat er eigenlijk alleen een definitie van voor­ kanten wordt gegeven. Dit impliceert dat de term voorkant be­ palend is. Een plan in het overlapgebied zal dus als een plan aan de voorkant moeten worden gezien. Met de in de AMvB opgenomen definities wordt overigens nog niet de vraag beantwoord welke gevels nu als voor-, achter­ en/of zijgevel moet worden aangemerkt. Voor het antwoord op die vraag is bepalend welke gevel in het concrete geval als voorgevel moet worden beschouwd. Wanneer is vastgesteld welke gevel de voorgevel is, kan vervolgens eenvoudig worden bepaald welke gevel de achtergevel is en dus ook welke gevels zijgevels zijn. Er zijn gevallen denkbaar waarin discussie kan ontstaan.

In dergelijke gevallen moet voor het bepalen welke gevel de voorgevel is, primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn, zoals die in het bestemmingsplan of in de bouwverordening is aangegeven. Als ook dan nog twijfel bestaat zal de feítelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt. Mede aan de hand van de jurisprudentie kunnen daarvoor als aanknopingspunten worden gehanteerd de systematiek van huisnummering (waar zích het huisnummer bevindt), de zijde van het gebouw waar zich de voordeur of hoofdingang bevindt, de plaats waar de brievenbus is aangebracht en de plaats waar zich de hoofdontsluiting van het perceel bevindt. Voor de goede orde wordt erop gewezen dat voor de toepas­ sing van dit besluit een gebouw slechts één voorgevel heeft. Onder verwijzing naar de jurisprudentie inzake het bouwvergunningvrij bouwen bij hoekwoningen kan dus niet gesteld

11

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

worden dat een hoekwoning, waarbij sprake is van twee voorgevelrooilijnen, ook twee voorgevels heeft. ‘Objectieve’ sneltoetscriteria De intentie van de nieuwe Woningwet is dat gemeenten een toetsbaarder, objectiever en transparanter welstandsbeleid formuleren en uitvoeren. Dit betekent dat enerzijds een grote duidelijkheid moet zijn over het welstandstoezicht, en ander­ zijds dat de criteria een bepaalde eenduidigheid moeten heb­ ben; m.a.w. ‘objectief toetsbaar moeten zijn. Dit hoeft niet te betekenen dat de sneltoetscriteria altijd 100oZo meetbaar, dus absoluut van aard, zijn. Absolute criteria leveren slechts één mogelijk resultaat op terwijl objectieve sneltoets­ criteria ook relatief van aard kunnen zijn, dus naar verhouding meer mogelijke oplossingen bieden in relatie tot omgeving, tijdsbeeld en/of gewenste ontwikkelingen. Omdat veel van de­ ze factoren locatieafhankelijk zijn, is het opstellen van absoluut meetbare criteria niet eenvoudig. Absoluut meetbare criteria met betrekking tot materiaal, kleur en detailleringen kunnen bijvoorbeeld alleen per gebied of bouwstijl geformuleerd wor­ den. Waar door de omgevingsafhankelijke factoren absoluut meetbare criteria niet mogelijk zijn, worden relatieve criteria gebruikt, waarbij veelal wordt verwezen naar vergelijkbare kenmerken van het hoofdgebouw, belendende bebouwing of bouwblok.

Helderheid en herkenbaarheid van gebouwen Een gebouw heeft vaak een herkenbare hoofdvorm, of is op­ gebouwd uit meerdere in samenhang ontworpen delen. Elk deel is meestal zelf ook weer zorgvuldig opgebouwd uit mas­ sa’s en vlakken, en die zijn vervolgens ook zelf weer in sa­ menhang met de rest ontworpen. Bij de toetsing van plannen wordt gekeken of deze samenhang en zorgvuldigheid in het plan aanwezig zijn, dan wel gerespecteerd worden. In de sneltoetscriteria is dit thema als uitgangspunt gehanteerd. Bij de sneltoetscriteria is meestal uitgegaan van een stan­ daardplan voor het betreffende bouwwerk. Alle uitzonderingen daarop verdienen extra aandacht en worden dus beoordeeld door een welstandscommissie aan redelijke eisen van wel­ stand.

12

1.4 Precedentwerking In vele gevallen wordt door de aanvrager verwezen naar eer­ der uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen. Dit levert voornamelijk bij uitgevoerde bouwwer­ ken die achteraf niet voldoen aan redelijk eisen van welstand problemen op. Hierdoor wordt de ongewenste willekeur van de welstandscommissie alleen maar versterkt. Door een gebieds­ gericht beleid te voeren kan de gemeente voor een groot deel beargumenteerd afwijken van de verwijzingen naar eerder uit­ gevoerde bouwwerken. Bouwaanvragers kunnen dan alleen nog verwijzen naar eerder uitgevoerde bouwwerken in de om­ geving. Dit sluit niet alle precedentwerking uit. Ook in de di­ recte omgeving zijn vaak voorbeelden aan te dragen die niet voldoen aan redelijk eisen van welstand. Het op deze manier uitsluiten van precedentwerking van ‘slechte’ voorbeelden is dan ook een illusie. Aanvragers zullen altijd met voorbeelden aankomen. Om hierin te sturen kunnen in het gebiedsgericht of objectgericht welstandsbeleid beleidsrichtingen worden opgenomen. Daarbij zijn drie beleidskeuzes aan te geven.

Bestaande situatie is maatgevend Nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling) Vastgelegde trendsetter is maatgevend Bestaande situatie is maatgevend Met de vaststelling dat de bestaande situatie maatgevend is kiest de gemeente ervoor dat eerder toegestane bouwwerken bepalend zijn voor welstandstoetsing. Een bouwplan voldoet dan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan: een in het betreffende bouwblok of in de betreffende straat eerder gerealiseerd exemplaar; een door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar, of; een door B&W gedoogd of bij handhaving niet aangepakt exemplaar.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Zo zullen bijvoorbeeld dakkapellen aan de voorkant die al ge­ plaatst zijn bepalend zijn voor nieuwe bouwaanvragen. Dit heeft tot gevolg dat al geplaatste bouwwerken die niet voldoen aan redelijke eisen van welstand ook bepalend zijn. Nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling) In tegenstelling tot de bestaande situatie kan de gemeente ook kiezen om het nieuwe beleid als richtinggevend vast te stellen. Eerder toegestane bouwwerken kunnen niet verwijderd worden maar zullen langzamerhand verdwijnen (uitsterven) doordat het nieuwe beleid bepalend is. Het door bouwaanvragers verwijzen naar deze eerder toegestane exemplaren gaat niet meer op, de gemeente heeft namelijk een duidelijk standpunt ingenomen. Het nieuwe beleid ten aanzien van bouwplannen dient dan wel duidelijk te worden vertaald in welstandscriteria waaraan con­ sequent getoetst dient te worden. Indien er alsnog afgeweken wordt van de opgenomen welstandscriteria dient dat goed be­ argumenteerd te worden. Deze afwijkingen zullen bovendien beschouwd worden als nieuwe uitzonderingen/mogelijkheden. Het gevaar blijft dus dat er nieuwe precedentvoorbeelden ont­ staan. Vastgelegde trendsetter is maatgevend Een tussenoplossing wordt geboden door het introduceren van zogenaamde trendsetters. Eerder door de gemeente geselec­ teerde voorbeelden zijn dan richtinggevend voor de gewenste ontwikkelingen.

Bij een bouwaanvraag dienen deze trendset­ ters als voorbeeld waarnaar verwezen kan worden. Een trend­ setter kan afwijken van de nieuwe welstandscriteria als min of meer geaccepteerde uitzonderingen. Deze oplossing vraagt om een goed beheer van eerder goedgekeurde exemplaren. Nieuwe trendsetters ontstaan meestal als een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria maar toch door de welstandscommis­ sie als acceptabel wordt goedgekeurd. Tijdens de jaarlijkse evaluatie van het welstandsbeleid kunnen dergelijke bouw­ plannen als trendsetter worden vastgelegd. Het gevaar is dat er te snel en teveel trendsetters worden vastgesteld waardoor nog steeds een bepaalde willekeur kan ontstaan.

14

2. Sneltoetscriteria

2.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden sneltoetscriteria gegeven voor, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen, rolhekken, luiken en rolluiken. Een bouwplan is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand als: Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastge­ stelde sneltoetscriteria, of; Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de ver­ vanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht, of; Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelo­ pen 3 jaar) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar (bij gelijkvormige kapvorm/woningtype), of; Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door de ge­ meente geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een woonwijk. Als er voor een bepaald type licht-vergunningplichtig bouwplan geen sneltoetscriteria zijn opgenomen zal het bouwplan door de welstandscommissie getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de gebiedsgerichte en/of de algeme­ ne welstandscriteria opgenomen in de welstandsnota.

Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorko­ men dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: “Deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzon­ dere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepas­ baarheid van de genoemde criteria”. Bij het gebruik van dit vangnet dient deugdelijk gemotiveerd te worden waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. De­ ze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op art. 4:84 Awb

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Tenzij anders is aangegeven, worden de afstanden loodrecht en maten buitenwerks (buitenzijde gebouw) gemeten.

16

2.2 Aan- en uitbouwen Omschrijving en uitgangspunten Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmings­ plan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Aan- en uitbouwen worden in grote aantallen gerealiseerd. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openba­ re ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voor­ keur gaat daarom uit naar een aan- of uitbouw aan de achter­ kant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aanen uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat. De gemeente streeft in gebieden met een samenhangende ruimtelijk-formele karakteristiek naar een herhaling van gelijk­ vormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume onderge­ schikt is aan het oorspronkelijke gebouw.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen aan de voorkant Een aan- of uitbouw aan de voorkant is niet in strijd met rede­ lijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onder­ staande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscom­ missie worden voorgelegd. In geval van een beschermd mo­ nument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

ö

fig. 1 zijaanbouw te dicht bij voorgevelrooilijn

fig. 2 zijaanbouw te hoog

fig. 3 opzichtig materiaalgebruik

fig. 4 goed geplaatst, passende vormge­ ving en materiaaltoepassing

aan- en uitbouwen aan de voorkant algemeen: voor gebieden met welstandsniveau 1 (zie bijlage 3) gel­ den afwijkende (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plan­ nen in die gebieden worden voorgelegd aan de welstands­ commissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan een bestaande aan- of uitbouw) plaatsing en aantal: afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot het voorerf minimaal 3.00 m. de aan- of uitbouw aan de voorgevel mag niet buiten de zijgevel uítsteken, geen hoekaanbouw afstand van de aan- of uitbouw aan zijgevel tot zijerfgrens minimaal 2.00 m. er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende ge­ vel aanwezig maatvoering: aan de zijgevel: hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag I vloer 1ste verdie­ ping van hoofdgebouw en minimaal 1 meter onder de gootlijn breedte maximaal 750Zo van de breedte van de oorspronke­ lijke zijgevel diepte maximaal 3.00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel oppervlakte tot in totaal maximaal 50oZo van het oorspron­ kelijk zijerf is bebouwd aan de voorgevel: hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag I vloer 1ste verdie­ ping van hoofdgebouw en minimaal 1 meter onder de gootlijn breedte maximaal 500Zo van de breedte van de oorspronke­ lijke voorgevel diepte maximaal 1.00 m.

gemeten vanaf oorspronkelijke voorgevel

vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plat­ tegrond plat afgedekt

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdge­ bouw. Bij erkers betekent dat dat de erker in het gat past van het oorspronkelijke gevelelement, zowel qua breedte als qua hoogte indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden over­ stek, boeiboord en ornamenten geen koppeling met een entreeluifel materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20oA en maximaal 750Zo openingen/glasvlak bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of m.b.v. scheidende penant

20

Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen aan de achter­ kant Een aan- of uitbouw aan de achterkant is niet in strijd met re­ delijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscri­ teria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan on­ derstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscrite­ ria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstands­ commissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.

21

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

aan- en uitbouwen aan de achterkant algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan be­ staande aan- of uitbouw) plaatsing en aantal: afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorerf minimaal 3.00 m. aan- of uitbouw aan de achtergevel mag niet buiten de zijgevel uítsteken, tenzij er sprake is van een hoekaanbouw (geen hoekaanbouw als zijerf grenst aan weg of openbaar groen) er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende ge­ vel aanwezig maatvoering: hoogte in ieder geval niet hoger dan eerste bouwlaag I vloer 1ste verdieping van hoofdgebouw breedte achteraanbouw maximaal 100oZo van de breedte oorspronkelijke achtergevel van hoofdgebouw breedte zijaanbouw maximaal 3.50 m.

gemeten vanaf oor­ spronkelijke gevel oppervlakte tot in totaal maximaal 500Zo van het oorspron­ kelijk achter- of zijerf is bebouwd vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plat­ tegrond plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, -helling en nokrichting; serres met een enkelvoudig flauw-hellend transparant dak geen doorgetrokken dakvlak van hoofdgebouw over aanof uitbouw gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdge­ bouw, behalve bij serres indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw; bij serres een regelmatige verdeling van kozijnstijlen geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden over­ stek, boeiboord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw

22

aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20oZo en maximaal 750Zo openingen/glasvlak, bij serres zijn dak en achtergevel volledig transparant bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of m.b.v. scheidende penant; serres worden op de erfgrens beëindigd met een horizontaal beëindigde, gemetselde gevel die dak en achtergevel volledig opsluit

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

2.3 Bijgebouwen en overkappingen Omschrijving en uitgangspunten Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden bouw­ werk van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als bijgebouwen en overkappingen zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voor­ keur gaat daarom uit naar een bijge­ bouw of overkap­ ping aan de achter­ kant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de fíg. 5 ,e hoog

fig. 6 geen afstemming op andere bijge­ bouwen

'üil©

fig. 7 sterk afwijkend materiaalgebruik

24

fig. 8 goede afstemming op omgeving

weg of het open­ baar groen). De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappin­ gen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume onderschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een

overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet.

Bijgebouwen of overkappingen die contrasteren met het hoofd­ gebouw zullen altijd aan de welstandscommissie worden voor­ gelegd.

25

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Welstandscriteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant Een bijgebouw of overkapping aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande snel­ toetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkap­ ping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorps­ gezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden ge­ vraagd. Een bijgebouw of overkapping op het voorerf is altijd van grote invloed op het straatbeeld. Deze bijgebouwen of overkappin­ gen zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan- , uitbouw of bijgebouw) plaatsing en aantal: geen bijgebouw of overkapping op het voorerf (voor advies naar de welstandscommissie) afstand tot voorerf minimaal 3.00 m. afstand tot erfgrens minimaal 0.50 m.

(achter erfafscheiding) tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïnte­ greerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk) afstand tot gevels hoofdgebouw minimaal 2.00 m. voor bijgebouwen niet meer dan twee bijgebouwen en/of overkappingen op het gehele erf maatvoering: hoogte maximaal 3.00 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein oppervlakte maximaal 10 m2 tot in totaal maximaal 50oZo van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd

26

vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plat­ tegrond overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open. plat afgedekt indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden over­ stek, boeiboord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metsel­ werk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen. bij integratie met erfafscheiding materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 750Zo gevelopeningen/glasvlak

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Welstandscriteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant Een bijgebouw of overkapping aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorps­ gezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden ge­ vraagd. bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan- , uitbouw of bijgebouw) plaatsing en aantal: afstand tot voorerf minimaal 3.00 m. afstand tot erfgrens minimaal 0.50 m. (achter erfafscheiding) tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïnte­ greerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk) afstand tot gevels hoofdgebouw minimaal 2.00 m. voor bijgebouwen niet meer dan twee bijgebouwen en overkappingen op het gehele erf maatvoering: hoogte maximaal 3.25 m.

gemeten vanaf het aansluitend terrein bij toepassing van zadeldak goothoogte maximaal 3.00 m. en nokhoogte maximaal 5.00 m. gemeten vanaf het aan­ sluitend terrein oppervlakte maximaal 30 m2 tot in totaal maximaal 50oZo van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plat­ tegrond overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open.

28

plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, -helling en nokrichting geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden over­ stek, boeiboord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metsel­ werk of hout). Geen betonplaten of damwandprofielen in het zicht gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 750Zo gevelopeningen/glasvlak

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

2.4 Kozijn- en gevelwijzigingen Omschrijving en uitgangspunten Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belang­ rijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwij­ zigingen zorgvuldig worden ingepast. Samenhang en ritmiek in straatwanden mogen niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijzi­ ging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen vraagt om een zorgvuldige vormge­ ving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vorm­ geving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. Het uitgangspunt van de sneltoetscriteria is dat de oorspronke­ lijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven ken­ merken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsge­ richte beoordelingskader.

Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de welstandscommis­ sie voorgelegd.

fig. 9 samenhang straatbeeld ver­ stoord door afwijkend kozijn

fig. 10 nog meer verstoring door afwij­ kend materiaal voor kozijnen en ge­ velvlak

fig. 11 bestaande indeling gerespec­ teerd bij vervanging

i

30

Welstandscriteria voor kozijn- of gevelwijzigingen Een kozijn- of gevelwijziging is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt vol­ daan. Voldoet een kozijn- of gevelwijziging niet aan onder­ staande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscom­ missie worden voorgelegd. In geval van een beschermd mo­ nument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. Wijzigingen aan de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of openbaar groen zijn altijd van grote invloed op het straatbeeld. Dergelijke kozijn- of gevelwijzigingen zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Wijzigingen aan de achterkant op de begane grond hebben zo weinig invloed op de openbare ruimte dat hiervoor geen nadere eisen hoeven te worden gesteld.

m

voorbeeldkozijn van circa 1915 - 1930

voorbeeldkozijnen voor 1900

bestaand (of vergelijkbaar)

acceptabele vervanging vereenvoudiging van invulling met behoud hoofdindeling

bestaand (of vergelijkbaar)

acceptabele vervanging vereenvoudiging van profilering door het weglaten van de decoratieve uitsparing in tusscnstljl

31

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

kozijn- of gevelwijzigingen algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, op wijzigingen aan de achterkant op de begane grond zijn onderstaande criteria niet van toepassing plaatsing en aantal: niet van toepassing maatvoering: oorspronkelijke maatvoering kozijn en ramen behouden diepte van negge gelijk aan bestaande situatie oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden vormgeving: gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architec­ tuur/tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en -indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van gevel handha­ ven samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet ver­ stoord de gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samen­ hangend de hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling indeling raamhout behouden - eventuele roedeverdeling alleen met authentieke roe­ des toegevoegde of vervangende draaiende of schuivende delen zijn mogelijk gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilder­ werk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=9cbc285d-84c8-4fe4-be23-6009a907d606