CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Welstandsnota 2004.pdf

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Nota Ruimtelijke Kwaliteit - deel Buitengebied27.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

voorboeldkozijn wederopbouw

voorboeldkozijn vanaf circa 1920

bestaand (of vergelijkbaar) vereenvouding invulling door mot weglaten van het glas-in-lood behoud van relatief smalle profielen

32

bestaand (of vergelijkbaar)

acceptabele vervanging vereenvoudiging van profilering door borstweringspaneel op te nemen in kozijn zonder eigen raamhout

bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in over­ eenstemming met op de vormentaal van andere in de ge­ vel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aan­ wezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw stalen kozijn- en raamprofielen vervangen door aluminium renovatieprofielen, alleen aluminium kan de dimensionering en profilering van staal benaderen zeer terughoudend met de toepassing van kunststof bij vervanging van houten kozijnen, en zo ja, verdiept of oor­ spronkelijk profiel van houten kozijn toepassen geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik

33

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

2.5 Dakkapellen Omschrijving en uitgangspunten Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Later toegevoegde dakkapellen zijn zelden een verrijking van het straatbeeld. Wanneer het mogelijk is zal de welstands­ commissie dan ook adviseren de dakka­ pel aan de achterkant van de woning aan te fig. 12 te hoog op het dak, profiel van brengen, (op het de woning wordt aangetast achter- of zijdakvlak als het zijerf of- gevel niet gekeerd is naar de weg of het open­ baar groen) vSff///'*w/W''* fig. 13 vormgeving sluit niet aan op stijl van woning

fig. 14 te hoog, te gesloten

fig. 15 evenwichtig van plaatsing.

34

Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domi­ neren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakka-

pel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. In plaats van een dakkapel kunnen ook dakramen worden aan­ gebracht. Deze zijn minder dominant in het straatbeeld. Ook voor dakramen geldt het streven naar herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een hori­ zontale lijn.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Welstandscriteria voor dakkapellen aan de voorkant Een dakkapel aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscom­ missie om advies worden gevraagd.

dakkapellen aan de voorkant algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakka­ pellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw plaatsing en aantal: bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmati­ ge rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dak­ vlak of gelijk aan geleding voorgevel minimaal 1.00 m. dakvlak boven, onder en aan weerszij­ den van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bo­ venzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak maatvoering: hoogte maximaal 50o7o van de in het verticale vlak ge­ projecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.35 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim breedte in totaal maximaal 30o7o van de breedte van het dakvlak met een maximum van 2.00 m.

gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels ge­ meten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)

36

vormgeving: plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdge­ bouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden over­ stek, boeiboord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glas­ vlakken zijwanden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Welstandscriteria voor dakkapellen aan de achterkant (voor zover niet vergunningsvrij) Een dakkapel aan de achterkant (voor zover niet vergunnings­ vrij) is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorps­ gezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden ge­ vraagd. dakkapellen aan de achterkant (voor zover niet vergun­ ningsvrij) algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria, de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakka­ pellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw plaatsing en aantal: bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmati­ ge rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel minimaal 0.50 m.

dakvlak boven, onder en aan weerszij­ den van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bo­ venzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) bij plaatsing op een zijdakvlak afstand tot het voorerf (meestal de voorgevelrooilijn) minimaal 1.00 m bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1.00 m. niet meer dan twee dakkapellen per woning op het betref­ fende dakvlak

maatvoering: plat afgedekte dakkapellen:

38

hoogte maximaal 5007o van de in het verticale vlak ge­ projecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim breedte in totaal maximaal 50o7o van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m. gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels ge­ meten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) aangekapte dakkapellen: afstand tussen de voet van de dakkapel en de gootlijn van de dakkapel maximaal 90 cm, totale hoogte maximaal 50o7o van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak breedte in totaal maximaal 50o7o van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m. gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels ge­ meten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)

vormgeving: plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45Q desge­ wenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhel­ ling van 25Q gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdge­ bouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden over­ stek, boeiboord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakka­ pel gelijk aan kap hoofdgebouw voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen zijwanden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm Bij een aantal afwijkende kapvormen zijn naast bovenstaande sneltoetscriteria voor de voor- en achterkant een aantal aan­ vullende welstandscriteria van toepassing. In geval van combi­ naties van verschillende dakvormen zal door de welstands­ commissie per situatie een afweging gemaakt worden van de toelaatbare uitbreidingen. Zadeldak met hellingshoek ^O0 Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast, daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30o wel­ standshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is hier dus niet goed mogelijk. Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter be­ draagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Plaatsing valt dan onder een reguliere vergunningsprocedure en zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Zadeldak met hellingshoek ^ 30o De algemene sneltoetscriteria voor dakkapellen zijn hier van toepassing. Hiervoor gelden dus geen aanvullende sneltoets­ criteria.

Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoe­ gingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en die­ nen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden. Dakopbouwen zijn daarom niet gewenst.

bij flauwe kaphelling (000) geen dakkapel doordat bovenzijde dakkapel gelijk loopt met nok, waardoor silhouet van het gebouw wordt aangetast

geen dakkapel op wolfseind, maar op zljdakvlak

40

Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op dakvlak.

geen dakkapel ter hoogte van vliering, maar onder in het dakvlak situeren

bij schilddak rondom dakkapel minimaal 1 meter dakvlak aan weerszijde behouden

bij mansardekap de dakkapel In het

Schild-, tent- of piramidedak Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakka­ pel. Bij situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel. Mansardedak Een daktoevoeging aan de achterkant is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid ge­ maakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaan­ sluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden. Lessenaardak Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uit­ gangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30o is een dakkapel wel­ standshalve niet wenselijk. Bij een hoek kleiner dan 45“ is een dakkapel aanvaardbaar wanneer de vrije hoogte onder de nok meer dan 2.70 m meet, zodat de dakkapel voldoende ver onder de nok zal blijven.

onderste deel van het dakvlak situei

Asymmetrisch dak Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak.

bij asymmetrische kap dakkapel niet boven in het dakvlak maar onder in het dakvlak of op het andere korte dakvlak

In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toe­ gepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld. Door de hoogte van het dakvlak is hier een dakkapel met een inwendige hoogte tot de verdie­ pingsvloer voorstelbaar.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

2.6 Erfafscheidingen Omschrijving en uitgangspunten Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfaf­ scheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfaf­ scheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste járen nog niet volgroeid is.

mm

, iţ*@-

fig. 16 te hoog, inferieure materialen

Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omge­ ving. In het buitengebied bijvoorbeeld zijn dichte, gebouwde erfafscheidingen bijna altijd storend. Hier dient bij voorkeur te worden gewerkt met hagen en windsingels, eventueel in com­ binatie met onopvallend open gaaswerk zonder puntdraad. In sommige gevallen is een open hekwerk ook voorstelbaar, zoals bijvoorbeeld bij landgoederen. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhou­ den schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling.

ir ■rTľ

*'

fig. 17 geen afstemming op omgeving, grof materiaal

rntm

fig. 18 onsamenhangend materiaal- en kleurgebruik

Í* 'ti -ŕ.r;

L

‘ m«i

fig. 19 de beste oplossing heeft geen vergunning nodig

42

Welstandscriteria voor erfafscheidingen Het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande snel­ toetscriteria wordt voldaan. Voldoet een erf- of perceelafschei­ ding niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorps­ gezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden ge­ vraagd. algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau 1 gelden afwijken­ de (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die ge­ bieden worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria. maatvoering: hoogte maximaal 1.00 m. als erfafscheiding wordt ge­ plaatst voor of op minder dan 1 meter afstand tot het voor­ erf hoogte maximaal 2.00 m.

als erfafscheiding wordt ge­ plaatst op minimaal 1 meter afstand tot het voorerf vormgeving: vormgeving afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde sneltoetscriteria voor erf- en perceelafscheidingen volledig te begroeien gazen hekwerken, als drager voor beplanting geleding houten erfafscheiding afgestemd op erfafschei­ ding van belendend perceel of reeds bestaande erfaf­ scheiding in de omgeving rechte vormgeving, geen toogvormen materiaal en kleur: terughoudend materiaal- en kleurgebruik: vermijden van contrast met bebouwing in omgeving kleur en materiaal aansluitend op erfafscheiding van nabu­ rig perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde sneltoetscriteria voor erf- en perceelafscheidingen houtwerk om en om aangebracht wanneer geplaatst achter de voorgevelrooilijn op de zij- of achtererfgrens als deze niet gekeerd is naar de weg of openbaar groen metselwerk conform het hoofdgebouw, waarboven mogelijk metalen stijlen in donkere kleur of schotten van houten planken tussen gemetselde penanten

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

geen toepassing van beton, kunststof, staal, golfplaat, damwandprofielen, rietmatten of vlechtschermen geen felle contrasterende kleuren

44

2.7 Overige licht-vergunningplichtige bouwwerken Sneltoetscriteria zijn, conform art. 7 van de AMvB, alleen ver­ plicht voor de categorieën bouwwerken die hiervoor zijn be­ handeld. Aanvullend daarop heeft de gemeente tevens snel­ toetscriteria vastgesteld voor rolhekken, luiken en rolluiken. Voor alle overige categorieën licht-vergunningplichtig bouwen acht de gemeente steeds een afweging per geval noodzakelijk De vergunningsvrije mogelijkheden voor toepassing van dak­ ramen, spriet- staaf- en schotelantennes of zonnepanelen zijn reeds zo ruim dat een overschrijding van die mogelijkheden in vrijwel alle gevallen op ernstige bezwaren zal stuiten. Een eventueel positief advies op een dergelijk bouwwerk vergt dan ook altijd een deugdelijke en goed onderbouwde motivatie.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

2.8 Rolhekken, luiken en rolluiken Omschrijving en uitgangspunten Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving echter ook een onherberg­ zaam aanzien geven, hetgeen verloedering juist in de hand werkt. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rol­ luiken vergunningsvrij gesteld. Voor gebouwen anders dan woningen en woongebouwen echter niet. Juist in winkelgebie­ den zijn de problemen met deze anti-inbraak en -vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden. Welstandscriteria voor rolhekken of (rol)luiken Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een rolhek, luik of rolluik niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscom­ missie om advies worden gevraagd. algemeen: voor de gebieden met welstandsniveau gelden afwijkende (gebiedsgerichte) welstandscriteria. Plannen in die gebie­ den worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst op de gebiedsgerichte criteria.

plaatsing: minimaal 2.00 meter teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui) aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstruc­ tie (pui), mits: - voor minimaal 70oZo bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen

46 geplaatst voor de pui en voor 90o7o

-

ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel aan de buitengevel, mits: plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is - voor minimaal 900Zo bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel

Bijlage 1: Begrippenlijst

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

A Aanbouwen: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Aangekapt: Met kap bevestigd aan dakvlak. Achterkant: De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen Afdak: Hellend of vlak dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschut­ ting te dienen. Afstemmen: In overeenstemming brengen met. Antennedrager: Antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. Antenne-installatie: Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behoren­ de bevestigingsconstructie. Asymmetrisch dak: Zadeldak met twee verschillende goothoogtes en/of dakhellingen. Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origi­ neel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk. B Band: Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materi­ aal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen Bebouwing: Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken. Beschot: Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.

48

Bedrijfsbebouwing: Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter. Behouden: handhaven, bewaren, in stand houden. Belendende: Naastgelegen, (direct) grenzend aan. Bijgebouwen: Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage. Blinde wand, muur of gevel: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Boerderij: Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspron­ kelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis. Borstwering: Lage dichte muur. Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing. Bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, ver­ nieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Bouwlaag: Horizontale reeks ruimten in een gebouw. Bouwvergunning: Vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid van de Woningwet. Bouwperceel: Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende be­ bouwing is toegestaan. Bouwwerk: Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten, zoals genoemd in de begripsomschrijving in de bouwverordening.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Bovenbouw: Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstel­ ling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament. Bungalow: Meestaal vrijstaande woning waarvan alle vertrek­ ken op de begane grond zijn gesitueerd. C Carport: Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning. Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl. Conformeren: Zich voegen naar, gelijkvorming maken, aan­ passen aan, afstemmen op. Context: Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelij­ ke kenmerken. Contrasteren: Een tegenstelling vormen. D Dak: Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, be­ staande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak. Dakafdekking: Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht. Dakhelling: De hoek van het dakvlak. Dakkapel: Ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Daknok: Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Dakraam: Raam in een dak.

50

Daktrim: Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van wa­ terkering. Dakvlak: Een vlak van het dak/kap. Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Damwandprofiel: Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering. Detail: Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam. Detaillering: Uitwerking, weergave van de verschillende on­ derdelen c.q. aansluitingen. Diversiteit: Verscheidenheid, afwisseling, variatie. Drager en invulling: De drager is de constructie van een ge­ bouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de járen vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden). E Ensemble: Architectonisch en stedenbouwkundig composito­ risch geheel. Erf: al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feítelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt. Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het ge­ bouw is gelegen Eerste verdieping: Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begre­ pen.

Erker: Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitge­ voerd in metselwerk, hout en glas.

52

F Flat: Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd. G Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toe­ gang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouw: Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Gepotdekseld: Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken). Gevel: Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen. (Gevel)geleding: Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, versprin­ gingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen. Gevelmakelaar: Decoratieve bekroning van een geveltop. Goot: Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak. Goothoogte: de hoogte vanaf het peil tot aan de druiplijn, de bovenkant van de goot, het boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing blijven Gootklos: Zie klossen. Gootlijn: Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen. H Hoekaanbouw: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw. Hoek- en kilkeper: snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Hoofdgebouw: Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken I Industriebebouwing: Bebouwing met een industriële bestem­ ming. Installatie: set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aan­ brengen van technische toestellen (montage) en/of deze toe­ stellen zelf K Kap: Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt. Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid. Keper: Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. Kern: Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad. Klossen: Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. Kop: In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw. L Lak: Afwerklaag van schilderwerk. Landschappelijke waarde: De aan een gebied toegekende waar­ de, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur. Latei: Draagbalk boven gevelopening. Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.

54

Lichtkoepel: Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel. Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekro­ ning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst. Lineair: Rechtlijnig, langgerekt. Lint(bebouwing): Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding. Luifel: afdak buiten tegen de muur van een gebouw aange­ bracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui. M Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk om­ geeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning. Mansardekap: Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak. Markies: Opvouwbaar zonnescherm. Massa: Zichtbaar volume van bebouwing. Metselverband: Het zichtbare patroon van metsei Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn. Monument: Aangewezen onroerend goed als bedoeld in arti­ kel 3 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan. Muurdam: Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.

S neltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

N Natuurlijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onder­ linge samenhang. Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn. O Ondergeschikt: Voert niet de boventoon. Onderbouw: Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen. Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een ter­ rein. Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek. Oorspronkelijke gevel: Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat. Openbaar groen: Met het openbaar groen wordt bedoeld het­ geen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen. Orthogonaal: Rechthoekig. Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw. Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

56

p Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting. Penant: Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen. Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen. Plaatmateriaal: Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding. Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw. Profiel: omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan Profilering: aangebrachte vorm en maatvoering van profiel Portiek: Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terug­ springende ruimte voor de straat- of toegangsdeur. R Raamdorpel: Horizontal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd. Raamhout: Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijs­ ting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt in­ gesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van ko­ zijn/post. Referentiekader: Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden. Renovatie: Vernieuwing. Respecteren: Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarde­ ren. Rijenwoningen: Geschakelde eengezinswoningen in een rij.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Risaliet: Gevelvoorsprong, vooruitspringende partij van een bouwlichaam, messtal in het midden of op de hoeken Ritmiek: Regelmatige herhaling. Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. Rooilijn: Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden en die, behoudens toegelaten afwijkingen, aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden S Schilddak: Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. Slagenlandschap: Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten. Situering: Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. Speklaag: lichte natuurstenen band als afwisseling in bak­ steenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen. Stijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. T Tactiel: Met de tastzin verbonden. Tent-, punt- of piramidedak: Dak gevormd door vier driehoe­ kige dakschilden die in één punt bijeenkomen. Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voeg­ werk).

58

Tympaan: Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan. U Uitbouw: Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat recht­ streeks vanuit het gebouw toegankelijk is. V Verdieping: bouwlaag Volant: Strook stof als afronding en versiering van zonne­ scherm of markies. Voorgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voor­ gevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. Voorgevelrooilijn: Voorgevelrooilijn als bedoeld in het be­ stemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening. Voorkant: De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dak­ vlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijde­ lings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. W Weg: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Windveer: Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept. Woning: Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. Wolfdak/wolfeinden: Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Z Zadeldak: Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelgren­ zen.

60

Bijlage 2: bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichte bouw­ werken (AMvB 12-07-2002) De hierna aangegeven ruimtelijke eisen omtrent vergunningsvrije of licht-vergunningplichtige bouwwerken zijn onder voor­ behoud. Aan eventuele tekstuele of illustratieve fouten kunnen geen rechten worden ontleend. Tenzij anders is aangegeven, worden de afstanden loodrecht en maten buitenwerks (buiten­ zijde gebouw) gemeten. Vergunningsvrije en vergunningplichtige aan- en uitbou­ wen Een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan. plaatsing en aantal: niet aan voorgevel of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel bij plaatsing aan oorspronkelijke achtergevel afstand tot de weg of het openbaar groen minimaal 1.00 m. bij plaatsing aan oorspronkelijke zijgevel afstand tot voor­ erf minimaal 1.00 m. terugliggend bij plaatsing aan oorspronkelijke zijgevel afstand tot het naburig erf minimaal 1.00 m. maatvoering: oppervlakte tot in totaal maximaal 5007o van het oppervlak van het achter- of zijerf is bebouwd hoogte in ieder geval niet hoger dan: - 4.00 m. gemeten vanaf aansluitend terrein - 0.25 m.

boven vloer 1ste verdieping - het oorspronkelijk hoofdgebouw breedte binnen de breedte van de gevel diepte maximaal 2.50 m. haaks gemeten vanaf oorspron­ kelijke gevel overige: de aan- of uitbouw wordt niet gebouwd aan een be­ schermd monument of in een beschermd stads- of dorps­ gezicht de aan- of uitbouw wordt niet gebouwd aan een bouwwerk van tijdelijke aard (zoals bedoeld in artikel 45 van de Wo­ ningwet) of aan een niet voor permanente bewoning be­ stemde woning Voor aan- of uitbouwen die niet vergunningsvrij zijn is een lichte bouwvergunning vereist, mits;

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein niet meer is dan 5 meter. In alle andere gevallen moet een reguliere bouwvergunning worden aangevraagd.

voorkant

"rnaz. 2 5tn max. 0 25 m boven vloer eerste vccdM max. 50S van oppervtakt ÉÉİC of zijerf

voorkant (zijkant aan wog of openbaar groen)

achterkant aan weg of openbaar groen

voorkant

''max. 2 Stn. max. 0.25 m. boven vloer eerste vet max. 50S van oppervlaktr ^Mtier - of zijerf

voorkant (zijkant aan weg of openbaar groen;

aan wea of ooenbaar oroen

voorkant

gehele breedte

achterkant (zijkant niet aan weg of openbaar groen)

achterkant niet aan weg of openbaar groen

voorkant

max 0.2S m beven ļ vloer eerste verdieping

max. 50S van oppervlakte achter- of zijert

achterkant niet aan wog of openbaar groen

62

achterkant (zijkant niet aan weg of openbaar groen)

Vergunningsvrije en vergunningplichtige bijgebouwen en overkappingen Een op de grond staand bijgebouw of een overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt vol­ daan. plaatsing en aantal: niet op voorerf of op een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijerf bij plaatsing op achtererf afstand tot de weg of het open­ baar groen minimaal 1.00 m. bij plaatsing op zijerf afstand tot voorerf minimaal 1.00 m. terugliggend bij een oppervlakte van meer dan 10 m2 afstand tot het naburig erf minimaal 1.00 m. maatvoering: totale bruto-oppervlakte van op het erf staande bouwvergunningvrije bijgebouwen en overkappingen maximaal 30 „2 m oppervlakte tot in totaal maximaal 500Zo van het oppervlak van het achter- of zijerf is bebouwd (nok)hoogte maximaal 3.00 m.

gemeten vanaf het aan­ sluitend terrein overige: bijgebouw of overkapping wordt niet gebouwd bij een be­ schermd monument of in een beschermd stads- of dorps­ gezicht bijgebouw of overkapping wordt niet gebouwd bij een bouwwerk van tijdelijke aard (zoals bedoeld in artikel 45 van de Woningwet) of bij een niet voor permanente bewo­ ning bestemde woning Voor bijgebouwen en overkappingen die niet vergunningsvrij zijn is een lichte bouwvergunning vereist, mits; de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein niet meer is dan 5 meter, en/of; de bruto-oppervlakte niet meer is dan 50 m2. In alle andere gevallen moet een reguliere bouwvergunning worden aangevraagd.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Vergunningsvrije en vergunningplichtige kozijn- of gevelwijzigingen Het veranderen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel van een bestaande woning, bestaand woongebouw of een bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw beho­ rende bijgebouw is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan.

plaatsing en aantal: niet aan voorgevel of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel vormgeving: de verandering leidt niet tot wijziging van een bestaande gevelopening overige: de wijziging heeft geen betrekking op een beschermd mo­ nument of een pand in een beschermd stads- of dorpsge­ zicht In alle andere gevallen moet een lichte bouwvergunning wor­ den aangevraagd. Vergunningsvrije en vergunningplichtige dakkapellen Een dakkapel op een bestaand gebouw is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan. min. 0.51

plaatsing en aantal: niet op voordakvlak of een naar de weg of het openbaargroen gekeerde zijdakvlak afstand tot nok en zijkant dakvlak (midden bouwmuur of gevel) minimaal 0.50 m. afstand tot goot/dakvoet minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m.

bij plaatsing op zijdakvlak: minimaal 1.00 m. vanaf voorgevel(lijn)

geen vurgunninj dakkapellen mo]

achterkant aan weg of openbaar groen

voorkant (zijkant aan weg of openbaar groen)

maatvoering: hoogte maximaal 1.50 m. vanaf de voet van de dakkapel vormgeving: plat dak

voorkant

materiaal en kleur: zijwanden dakkapel ondoorzichtig

achterkant aan weg of openbaar groen

64

voorkant (zijkant aan weg of openbaar groen)

overige: de dakkapel wordt niet gebouwd op een beschermd mo­ nument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht de dakkapel wordt niet gebouwd op een bouwwerk van tijdelijke aard (zoals bedoeld in artikel 45 van de Woning­ wet) of op een niet voor permanente bewoning bestemde woning In alle andere gevallen moet een lichte bouwvergunning wor­ den aangevraagd. Voor een dakopbouw (nok- of gootverhoging) moet altijd een reguliere bouwvergunning worden aange­ vraagd.

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Vergunningsvrije en vergunningplichtige erfafscheidingen Het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt vol­ daan. maatvoering: hoogte maximaal 1.00 m. hoogte maximaal 2.00 m. mits: - gebouwd op erf of perceel waar reeds een gebouw staat - minimaal 1.00 m. achter de voorgevelrooilijn wordt ge­ bouwd minimaal 1.00 meter van de weg of het openbaar groen

voorkant (zijkant aan weg of openbaar groen) achterkant aan of openbaar groen

overige: de erfafscheiding wordt niet gebouwd bij een beschermd monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht In alle andere gevallen moet een lichte bouwvergunning wor­ den aangevraagd. Vergunningsvrije en vergunningplichtige dakramen Een dakraam in een bestaand gebouw is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan.

voorkant (zijkant aan weg of openbaar groen achterkant aan weg of openbaar groen

plaatsing en aantal: afstand tot nok, goot/dakvoet en zijkant dakvlak (midden bouwmuur of eindgevel) minimaal 0.50 m. overige: het dakraam wordt niet gebouwd aan een beschermd mo­ nument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht

vóórkant

In alle andere gevallen moet een lichte bouwvergunning wor­ den aangevraagd.

achterkant (zijkant niet aan weg of openbaar gro«

achterkant niet aan weg of openbaar groen

66

Vergunningsvrije en vergunningplichtige zonnepanelen en -collectoren Het plaatsen van een energieopwekkend zonnepaneel of een collector voor warmteopwekking aan of op een bouwwerk ten behoeve van electriciteit- respectievelijk warmtevoorziening van dat bouwwerk of andere op hetzelfde perceel gelegen bouwwerken, is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan. plaatsing en aantal: op schuine daken: in of direct op en geheel binnen het dakvlak en de hellingshoek gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. op plat dakvlak: afstand tot dakrand minimaal gelijk aan hoogte paneel met een hellinghoek van maximaal 35“

voorkant

plaatsing achter voorerf

voorkant (zijkant aan wog of openbaar groen)

vormgeving: paneel/collector vormt een geheel met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektrici­ teit, zo niet, dan is de installatie in het bouwwerk geplaatst overige: paneel/collector wordt niet gebouwd aan een beschermd monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht In alle andere gevallen moet een lichte bouwvergunning wor­ den aangevraagd.

achterkant aan weg of openbaar groen

Vergunningsvrije en vergunningplichtige antennes Het plaatsen van een antenne aan of bij een bouwwerk is ver­ gunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan. plaatsing en aantal: achter het voorerf (voorgevellijn) geplaatst max. 5 m. vanaf dakvlak

voorkant

plaatsing achter voorerf

max. 3 m vanaf

htarkant (zijkant niet aan weg of openbaar groen)

achterkant niet aan weg of openbaar groen

maatvoering: hoogte van spriet- of staafantenne en eventuele drager maximaal 5.00 m. gemeten vanaf de voet van de antenne of antennedrager, of indien aan de gevel bevestigd geme­ ten vanaf het snijpunt met het aansluitende dak hoogte schotelantenne en eventuele drager maximaal 3.00 m. gemeten vanaf de voet van de antenne(drager) doorsnede schotelantenne maximaal 2.00 m. overige: de antenne wordt niet gebouwd aan een beschermd mo­ nument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht

Sneltoetscriteria voor veel voorkom ende kleine bouwplannen

Voor spriet- en staafantennes die niet vergunningsvrij zijn is een lichte bouwvergunning vereist, mits de hoogte, gemeten vanaf het aansluitende terrein, niet meer is dan 40 meter. In alle andere gevallen moet een reguliere bouwvergunning wor­ den aangevraagd.

Vergunningsvrije en vergunningplichtige rolhekken of (rol)luiken Het plaatsen van een rolhek, luik of rolluik bij andere gebou­ wen dan woningen en woongebouwen is vergunningsvrij als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan. plaatsing en aantal: plaatsing aan de binnenzijde van de uitwendige schei­ dingsconstructie (pui) vormgeving: voor tenminste 9007o bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen overige: rolhek, luik of rolluik wordt niet gebouwd aan een be­ schermd monument of in een beschermd stads- of dorps­ gezicht In alle andere gevallen moet een lichte bouwvergunning wor­ den aangevraagd.

68

geplaatst achter de pui en voor 90o7o glasheldere doorkijkopeningen

BIJLAGE 3 RUIMTELIJKE KARAKTERISTIEKEN GEMEENTE REUSEL- DE MIERDEN 1.

INLEIDING

1.1. Welstandsbeleid De herziening van de Woningwet heeft onder meer als doel het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen om bouwvergunning en schetsplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling betreft: * Het bouwplan op zichzelf; * Het bouwplan in zijn omgeving; 4 Het bouwplan met het oog op de toekomstige ontwikkeling. De gemeenteraad stelt de welstandsnota vast met de criteria voor die welstandstoetsing. De reden voor dit nieuwe welstandsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid. De formulering luidt, dat het plan moet voldoen ‘aan redelijke eisen van welstand’. Thans is het al lang niet meer zo, dat op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken; eerst wordt de aanvraag of het schetsplan al getoetst aan het bestemmingsplan; in nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. Wat ‘redelijk’ is voor welstand hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst. De voorliggende bijlage beoogt samenhang te brengen in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en deze overzichtelijk te presenteren. Allereerst worden de drie niveaus, waarop de welstandsbeoordeling in de toekomst plaatsvindt, nog eens kort onderscheiden. Zoals reeds aangegeven in de nota in hoofdstuk 7 onder 7.2. zijn er in Reusel-De Mierden geen welstandsvrije gebieden.

Vervolgens worden de ruimtelijke kenmerken van de kernen beschreven. Dan wordt de systematiek van de ‘bouwstenen’, zoals ze onder 6 worden genoemd, uiteengezet en het daarbij toe te passen welstandstoezicht. 1.2. Welstandscriteria In beginsel zijn er bij de beoordeling van bouwplannen drie typen criteria te onderscheiden: 4 Algemene criteria, die zijn ontleend aan goed vakmanschap en aan het vak van de architect en aan algemeen aanvaarde normen van fatsoen; 4 Gebiedscriteria, ontleend aan beoordelingskaders per gebied; » Objectgebonden criteria, ontleend aan een bepaald type bouwwerk of deel daarvan. Dit kunnen ook criteria zijn voor kleine plannen. 1.3. Welstandsniveaus De gemeente stelt - als kader voor de beoordeling door de commissie - het ambitieniveau vast, dat voor het betreffende gebied geldt, casu quo in de toekomst gehanteerd wordt. Deze niveaus worden bepaald aan de hand van een waardestelling van een bepaald gebied ofwel aan de hand van een beeldkwaliteitkader dat voor een plan gehanteerd wordt.

De volgende niveaus worden onderscheiden: Niveau 1: bijzondere toetsing Voor gebieden die van een cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de dorpen en het landschap of gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde Niveau 2: reguliere toetsing Gebieden die vanuit het perspectief van de gehele gemeente geen bijzondere toetsing nodig hebben, maar waar wel aanleiding is om alert te blijven op de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Niveau 3: lichte toetsing Gebieden met een beperkte betekenis voor de openbare ruimte die zonder al te veel problemen afwijkingen kunnen verdragen Versie 14-06-04

1

2. GEBIEDSCRITERIA De gebiedsgerichte criteria bestaan uit een beschrijving van de beeldkarakteristiek van de verschillende gebieden in de gemeente Reusel-De Mierden, een waardebepaling daarvan en, daaraan gekoppeld, een vaststelling van het welstandsniveau. De beeldkarakteristiek wordt per kenmerkend deelgebied beschreven. In de waardebepaling wordt aangegeven welke gebiedsgebonden kenmerken zodanig waardevol zijn dat ze dienen te worden gerespecteerd of beschermd. Het welstandsniveau geeft aan hoe intensief er door de welstandscommissie in een bepaald gebied getoetst wordt. Het zal duidelijk zijn dat in een historisch waardevolle omgeving een hoger welstandsniveau zal worden vastgesteld dan in een omgeving zonder duidelijk waardevolle bebouwingskarakteristiek. 2.1. Gebiedscriteria en welstandsniveau Criteria De waarden van het gebied zijn beschreven, en aangegeven is in hoeverre deze bescherming behoeven. Ook storende elementen zijn omschreven. Uit deze waardebepaling volgt het vaststellen van de gebiedsgerichte criteria voor nieuw- en verbouw in dit gebied. Welstandsniveau Van elk gebied is op basis van de aanwezige kwaliteit het gewenste welstandsniveau vastgesteld en op kaarten aangegeven (bijlage 4). Alle plannen in dat gebied zullen op het vastgestelde niveau aan de gebiedsgerichte criteria worden getoetst.

Ontwerpen die, doelbewust of noodzakelijkerwijs, van de gebiedsgerichte criteria afwijken, zullen met behulp van de algemene criteria, beschreven in hoofdstuk 8 van de nota, beoordeeld worden als lagen zij in een gebied met welstandsniveau 1. 3. HOOFDADERS REUSEL-DE MIERDEN De hoofdwegenstructuur van de gemeente Reusel-De Mierden wordt bepaald door twee belangrijke verkeersaders, namelijk de weg Tilburg-Reusel (N 269) en de weg Eindhoven- Belgische grens (N 284). Kenmerkend voor de gemeente Reusel-De Mierden is de ligging aan de rijksgrens. Ongeveer de helft van de gemeentegrens is tevens rijksgrens met België (gemeenten Ravels, Mol en Arendonk). Reusel heeft zich sterk ontwikkeld aan de verbinding Eindhoven-Belgische grens. De kernen Hooge en Lage Mierde zijn gelegen in de nabijheid van de N 269 richting Tilburg. De kleinste kern, Hulsel, is landelijk gelegen aan de oostzijde van de gemeente. 3.1. Opbouw van het landschap Reusei- De Mierden is een relatief groene en landschappelijke grensgemeente met grote boscomplexen afgewisseld met open landschapgebieden. De ligging van Reusel-De Mierden in de hoek van de provincie is kenmerkend voor de gemeente en komt sterk tot uiting in een soort van hoefijzer van bos en natuurgebieden dat bij wijze van spreken het einde van Nederland markeert. Het grondgebied van de gemeente wordt doorsneden door twee beken: de Reusel en de Raamsloop.

4. LANDSCHAPSTYPEN Het landschap is sterk bepalend voor het beeld van de gemeente Reusel-De Mierden. Er is sprake van twee verschillende landschapstypen, met name met verschillen in openheid en beslotenheid. De landschapstypen zijn onder te verdelen in groepen: besloten landschap, halfgesloten en open en vlak landschap. 4.1. Besloten landschap Het besloten landschap bestaat veelal uit boslandschap en landgoed. Ten noorden van Lage Mierdejigt het landgoed De Utrecht. Het omringende landgoederenlandschap wordt gekenmerkt door een grote afwisseling. Verschillende bossen wisselen elkaar af, evenals meer open en meer besloten gedeelten. Naast bosbouw en park(bos) is het grondgebruik sporadisch

Versie 14-06-04

2

agrarisch. Bebouwing, in de vorm van boerderijen, staat verspreid in het gebied. Tevens liggen in het landgoed enkele grote vennen zoals de Flaes (natuurgebied),en het Panneven Ten westen van Lage Mierde ligt een gaaf en herkenbaar besloten (bos)gebied, genaamd het Zwartven. In de gemeente Reusel- De Mierden bevinden zich enkele recreatiegebieden ten behoeve van dag­ en verblijfsrecreatie. De ruimtelijke opbouw van de groene hoofdstructuur in de directe omgeving van de recreatiegebieden wordt gekenmerkt door een afwisseling van open landbouwgebiedjes en gesloten beboste gebieden. Ten zuiden van de gemeente bevindt zich het boslandschap nabij de Grote en Kleine Cirkel. Het bos bestaat voor een groot deel uit productiebos in een rationele verkaveling. Bebouwing komt er nagenoeg niet voor. Vooral uniek is het natuurreservaat in het gebied ten zuidwesten van de gemeente de Moeren genoemd. Het is een oud veengebied waar ten tijde van de laatste oorlog veel turf werd gestoken. Momenteel is het beschermd gebied waar flora en fauna in vrijheid en rust kunnen gedijen. Verder zijn er in de gemeente nog veel kleinere bos- en heideveldcomplexen verspreid in de omgeving aanwezig. Het huidige Kempische landschap wordt ook wel gekarakteriseerd als restjeslandschap.

Dit houdt in dat veel van het oorspronkelijke is verdwenen en nog slechts enkele elementen van het oorspronkelijke Kempische landschap zijn blijven bestaan. De eiken wallen, de kronkelende beekjes, de kleinschalige landbouw en de diverse vennetjes zijn mede door de ruilverkaveling verdwenen. 4.2. Halfgesloten landschap In de nabijheid van de kernen treffen we de wat oudere landbouwontginningsgebieden aan in de vorm van halfgesloten agrarische landschappen Dit gebiedstype kenmerkt zich door de afwisseling van lange en korte zichtlijnen, coulissen in de vorm van lanen en bosjes, houtwallen en geriefhoutbosjes. Kenmerkend voor de gemeente is het feit dat het landschap ten noorden van Reusel rondom Hooge Mierde en Hulsel wellicht beter halfopen genoemd kan worden dan halfgesloten. Ook tegen de bossen is er een afwisseling tussen open en gesloten gebieden. Er ontstaat hierdoor een soort van kamerstructuur. 4.3. Open en vlak landschap Het open en vlak landschap bestaat uit beekdalen, kwelgebieden en open agrarisch landschap. In de gemeente Reusel-De Mierden zijn kenmerkend de beekdalen van de Reusel en de Raamsloop. Ten westen van Reusel vormen de Belevense Loop en de Hoevensche Loop samen de Reusel. Aan de oostzijde van de kern is de Rouwenbogtloop een zijbeek van de Raamsloop. In de middenloop van beide hoofdbeken liggen waardevolle kwelgebieden.

De open agrarische landschappen komen vooral voor tegen de bos- en heidegebieden in het noordwesten en het zuidoosten van de gemeente en zijn in gebruik als grasland en deels als bouwland. Bebouwing ligt verspreid in het gebied langs rechte wegen. Hier en daar zijn langs en haaks op beken nog houtwallen en andere kenmerken van het landschap aanwezig. Overige beplantingselementen zijn relatief transparant, zodat grote open ruimten ontstaan. 4.4. Cultuurhistorie De gemeente Reusel-De Mierden heeft een rijke cultuurhistorie. Bij opgravingen is reeds gebleken dat er 8000 jaar geleden al mensen in de streek woonden. De paters Norbertijnen uit Postel, hebben grote invloed gehad bij het ontstaan en de groei van Reusel en omgeving. Zij waren het die hier boerderijen stichten en hielpen bij het ontginnen van de schrale Kempische zandgronden. In de oude dorpskernen is het agrarische verleden nog voelbaar. Ook in het buitengebied treft men nog boerderijen aan die op een oorspronkelijke wijze zijn gesitueerd. Verder komen er groengebieden voor met cultuurhistorische waarden, zoals het landgoed De Utrecht. Industrieel historisch erfgoed is aanwezig in de vorm van een enkel goed bewaard architectonisch bedrijfsgebouw, namelijk de Karei 1-fabriek aan de Turnhoutseweg. 4.5.

Dorpen De vier kernen van de gemeente Reusel-De Mierden hebben een agrarische oorsprong, met daaraan verwante bedrijvigheid gekoppeld. Dit is duidelijk te zien aan de opbouw van de dorpen. De woongebieden zijn op hoger gelegen gronden rondom de kerk gesitueerd. Langs de oude wegen die

Versie 14-06-04

3

vanuit de kern naar het buitengebied gaan zijn gebouwen met verschillende functies geplaatst, zoals scholen, winkels, een doktershuis en de boerderijen. In de loop van de vorige eeuw zijn de kleine dorpen langzaam uitgebreid. 4.6. Bedrijvigheid Op verschillende plaatsen in de gemeente komen we kleine bedrijventerreinen tegen. Ook al gaat het vaak om één of enkele bedrijven, deze hebben wel een grote invloed op het ruimtelijk beeld van de dorpen door de grote omvang van de gebouwen of door het contrast dat bedrijfsgebouwen vormen met de omringende huizen. Naast deze oudere bedrijventerreinen wordt voor een nieuw bedrijventerrein aan de Kleine Hoeven een plan ontworpen. 4.7. Bebouwing in het buitengebied Het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden kent her en der een aantal langgevelboerderijen. Helaas hebben in het verleden veel oude boerderijen plaats gemaakt voor moderne bedrijfswoningen binnen het agrarisch bouwblok. Het erf van deze verschillende boerderijen was vaak rechthoekig van vorm en was of direct gelegen aan de weg of via een oprijlaan vanaf de weg bereikbaar. De aanwezige schuren op het erf leken vrij willekeurig geordend te zijn. Aan de woonzijde van het erf kwam een boomgaard voor en was een ruime moestuin, omgeven door beukenhagen. Het erf was rondom voorzien van windsingels, van voornamelijk meidoorn en zwarte els, en bomen als windkering.

Aan de deelzijde van het erf stonden vaak bomen als eik en populier. Het ruimtelijk beeld van een afstand gezien werd bepaald door houtsingels en bomen, waar de daken van de boerderijen en schuren doorheen schemerden. Het beeld vanaf de weg werd bepaald door de soms aanwezige beplanting langs de perceelsgrenzen, door de singels en door de hagen. 5. RUIMTELIJKE KENMERKEN VAN DE KERNEN Dit hoofdstuk geeft een nadere beschrijving van de verschillende dorpen in de gemeente Reusei-De Mierden. Van elk dorp worden de stedenbouwkundige opzet, de specifieke kenmerken en beeldbepalende elementen beschreven. 5.1. Lage Mierde, Hulsel en Hooge Mierde In deze drie kernen is de historische kern nog duidelijk herkenbaar, evenals een aantal oude wegen die de kern verbinden met het omringende landschap. In de vier kernen staat een kerk met grote cultuurhistorische waarde en aansluitend een begraafplaats. De huidige inrichting van de openbare ruimte en pleinen rondom de kernen doet geen afbreuk aan het karakteristiek beeld van de oude kern. Bij de gevarieerdheid van de gevels past een ingetogen straatprofiel met klinkers, trottoirs en ingetogen kleuren voor het straatmeubilair. De pleinen zijn de laatste járen naar behoren heringericht. Ook de beplanting is aangepast aan het karakteristiek beeld van de oude kern.

Het woongebied bestaat uit een aantal historische linten en een aantal wijken uit de vijftiger en zestiger járen met een bebouwing van woningen met ingetogen architectuur. Lage Mierde kent een wijkje met woonerfkarakter. Deze wijk worden gekenmerkt door de ruime voortuinen, het vele openbare groen en de geknikte en gebogen straten. Verder ligt er aan de rand van de bebouwde kom van Lage Mierde een dorpse villawijk met vrijstaande huizen in verschillende architectuur. Aan de zuidkant van Lage Mierde ligt rond het Vloeieind een gebied met een grote cultuurhistorische waarde. In de loop der járen hebben er wijkuitbreidingen nabij de drie kernen plaatsgevonden van beperkte architectonische kwaliteit. Er komen verschillende typen huizen voor. Het zijn veelal vrijstaande en al dan niet geschakelde, twee onder een kap woningen met voor- en achtertuin. 5.2. Reusel Vergeleken met de andere dorpen is er in Reusel weinig bewaard gebleven van de historische kern. Wel is er nog een aantal oude wegen met karakteristieke bebouwing aanwezig, die vanuit de kern naar het buitengebied gaan. Deze wegen zijn opgenomen in de nieuwere woongebieden. Tot deze

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=9cbc285d-84c8-4fe4-be23-6009a907d606