Welstandsnota 2004.pdf
Tekst van het document
Gemeente
Reusel-De Mierden
NAAR EEN ANDER WELSTANDSBELEID IN REUSEL- DE MIERDEN
Behoort bij bąsluit van de gemeenteraad van 7 juni 2004 , nummer 04-036, mij bekend, \ De griffier,
NAAR EEN ANDER WELSTANDSBELEID IN REUSEL- DE MIERDEN
esluit van de gemeenteraad van 7 juni 2004, nummer 04-036, Behjoort mi] bekend De griffier,
versie
14-06-04
Inhoudsopgave 1. Welstand op nieuwe leest 1.1 Inleiding 1.2 Programma van eisen voor het welstandsbeleid 1.3 De nieuwe systematiek op hoofdlijnen 1.4 Gemeentelijke beleidsruimte
blz. 3 3 4 6
De organisatie van het welstandstoezicht 2. Welstandstoezicht bij lichte aanvraag bouwvergunning 2.1 Inleiding 2.2 Beleidsbepalende factoren 2.3 Strategie welstandstoezicht 2.4 Uitgangspunten welstandstoezicht 2.5 Sneltoetscriteria
7 7 8 8 8
3. Welstandstoezicht bij reguliere aanvraag bouwvergunning 3.1 Inleiding 3.2 Strategie welstandstoezicht 3.3 De welstandsorganisatie 3.4 Het aanvragen van welstandsadvies 3.5 Het welstandsadvies 3.6 Openbaarheid 3.7 Verantwoording
9 9 9 11 11 12 12
4. Welstandstoezicht bij overige producten 4.1 Inleiding 4.2 Het schetsplan 4.3 Aanvraag monumentenvergunning 4.4 Vergunningvrije bouwwerken
13 13 13 13
5. Welstandstoezicht en handhaven 5.1 Inleiding 5.2 Afwijken van welstandsadvies 5.3 Inspectie, toezicht en handhaving
15 15 16
De ínhoud van het welstandstoezicht 6. Sneltoetscriteria
17
7. Gebiedscriteria 7.1 De gebiedsindeling 7.2 De welstandsniveaus
18 18
8. Algemene criteria 8.1 Inleiding 8.2 Toepassing 8.3 Beoordelingsaspecten en criteria
23 23 23
BIJLAGEN: Bijlage 1: Lijst beeldbepalende panden en Rijksmonumenten Reusel-De Mierden Bijlage 2: Nota sneltoetscriteria Bijlage 3: Gebiedscriteria gemeente Reusel-De Mierden. Bijlage 4: Gebiedskaarten
versie
14-06-04
2
1. Welstand op nieuwe leest 1.1. Inleiding Plannen voor het bouwen, verbouwen en in sommige gevallen slopen van bouwwerken moeten worden beoordeeld op redelijke eisen van welstand. Op grond van de Woningwet oefent de gemeente toezicht uit op de aanvaardbaarheid van het uiterlijk van afzonderlijke bouwwerken. Het bestaansrecht van dit toezicht is gebaseerd op een tweetal redenen, namelijk: ' Het streven naar ruimtelijke kwaliteit en samenhang. ‘ Het reguleren en voorkomen van (potentiële) conflicten over bouwinitiatieven. Burgemeester en Wethouders zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor het welstandstoezicht. Het welstandstoezicht vindt plaats tijdens de behandeling van bouwvergunningsaanvragen door de gemeente. De toetsing aan redelijke eisen van welstand is één van de criteria waarop aanvragen worden beoordeeld. De afgelopen járen is er forse kritiek geweest op het beoordelen van plannen op redelijke eisen van welstand. Er is onmiskenbaar sprake, op landelijk niveau, van een slecht imago van het welstandstoezicht. Er is ergernis over onder meer de eindeloze procedures, inconsistenties, achterkamertjes gedoe en de gedetailleerde mate van bemoeienis. Deze maatschappelijke ergernis was aanleiding om het project ‘Welstand op nieuwe leest’ te starten.
In dit project zijn de ervaringen met het welstandstoezicht in kaart gebracht en zijn voorstellen voor een nieuwe systematiek geformuleerd. Deze voorstellen zijn overgenomen in de wijziging van de Woningwet, die per 1 januari 2003 van kracht is geworden. Via de nieuwe systematiek wil men komen tot: 1. Het plaatsen van de welstandsadvisering binnen een inhoudelijk kader; 2. Het inrichten van de mogelijkheden voor rechtszekerheid biedend overleg; 3. Het verhogen van de kwaliteit van de advisering; 4. Het scheppen van efficiënte en transparante procedures. 1.2. Programma van eisen voor het welstandsbeleid. De Woningwet vraagt om een welstandsbeleid met zo concreet mogelijke criteria, gedifferentieerd naar gebieden en objecten. Om te komen tot een welstandsbeleid zal de gemeenteraad in eerste aanleg moeten bepalen wat de grote lijnen zijn van het te voeren welstandsbeleid en met welke gegevens rekening moet worden gehouden. Vooropgesteld moet worden dat de uitgangspunten die aan het huidige welstandstoezicht ten grondslag liggen helemaal zo slecht nog niet zijn, maar dat deze eenvoudigweg niet goed tot hun recht komen. Het beantwoorden van de vraag welke de grote lijnen van het welstandsbeleid zijn dient als eerste te gebeuren voor met het beleid verder kan worden gegaan.
Deze grote lijnen hebben mede de bedoeling de uitgangspunten voor het welstandsbeleid beter tot zijn recht te laten komen. In de vergadering van 15 december 2003 heeft de gemeenteraad de navolgende eisen geformuleerd die opgenomen moeten worden in de welstandsnota: a. de inzet van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Te denken valt hierbij aan zaken zoals het behoud en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande bebouwde kommen en het buitengebied en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit bij de herontwikkeling van de bebouwde omgeving. b. de in te zetten instrumenten Hierbij kan gedacht worden aan de het huidige welstandsbeleid, de in verschillende bestemmingsplannen opgenomen beeldkwaliteitsplannen, de lijst van beeldbepalende panden en monumenten, luchtfoto’s van de gemeente Reusel-De Mierden en de sneltoetscriteria voor veel voorkomende bouwplannen c. de te behouden ruimtelijke en qebouwelijke karakteristieken in de gemeente. Als voorbeeld worden hierbij genoemd natuur-en bosgebieden, zoals de Moeren, het Zwartven en het Beleven en cultuurhistorisch waardevolle deelgebieden, bijvoorbeeld historische dorpslinten zoals Vloeieind/Draaiboom/Gijsestraat en een deel van de Lensheuvel en gemeentelijke en Rijksmonumenten en beeldbepalende panden
versie
14-06-04
3
d. de zorgen voor de toekomst. Aandacht hierbij vragen de grootschaligheid van agrarische bedrijfsgebouwen, het dichtslibben van bedrijfsterreinen, de verstening van hoeksituaties in woonwijken door gemetselde erfscheidingen en bijvoorbeeld het verdwijnen van streekeigen beplanting rond agrarische bebouwing. e. gebiedsgerichte differentiatie van de welstandscriteria In de welstandsnota zullen gebieden worden aangewezen, beschreven en gewaardeerd op grond van waardevolle elementen en de te verwachten ontwikkelingen. Voor het welstandstoezicht op die gebieden kan uw raad onderscheid gaan maken in welstandsvrije gebieden, lichte welstandsgebieden, reguliere welstandsgebieden en bijzondere welstandsgebieden. Welstandsvrije gebieden kunnen bijvoorbeeld gebieden zijn met een bepaalde functie (bijvoorbeeld bedrijventerreinen). Het kunnen ook nieuw te ontwikkelen gebieden zijn waar gekozen wordt voor ‘het wilde wonen’ of ‘het wilde werken'. Het overgrote deel van de gemeente (in ieder geval het buitengebied) zal vallen onder regulier welstandstoezicht. Bij gebieden die extra aandacht vragen voor de ruimtelijke kwaliteit kan gesproken worden van bijzondere welstandsgebieden. Er is dan vaak sprake van bijzondere cultuurhistorische of stedenbouwkundige karakteristieken waarbij het beleid is gericht op behoud of herstel van waardevolle elementen. f.
welstandszorq tot nu toe; verbeterpunten. De welstandscriteria die in Reusel-De Mierden worden gehanteerd zijn vastgelegd in de bouwverordening. In het kort gezegd wordt de aanvaardbaarheid van een bouwwerk uit een oogpunt van welstand getoetst in relatie tot de aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap en de stedenbouwkundige context, waarbij massa, maat en schaal, kleur- en materiaalkeuze een rol spelen. Het welstandstoezicht wordt uitgeoefend door Welstandszorg Noord-Brabant te ’s-Hertogenbosch. q. de openbaarheid van de welstandsverqaderinqen De Woningwet stelt alleen dat de vergaderingen openbaar zijn. Op welke wijze aan deze openbaarheid vorm moet worden gegeven zal in de welstandsnota nader moeten worden uitgewerkt, bijvoorbeeld door middel van publicatie van de vergaderingen en de ínhoud van de agenda. 1.3. De nieuwe systematiek op hoofdlijnen De nieuwe systematiek van het welstandstoezicht, die de vorenstaande uitgangspunten beter tot hun recht moet laten komen, is gebaseerd op het aanbrengen van enerzijds inhoudelijke en anderzijds organisatorische verbeteringen. De basis voor de nieuwe systematiek is terug te vinden in artikel 8 lid 6 en artikel 12, 12a, 12b en 12c van de herziene Woningwet. 1.3.1.
Inhoudelijke aspecten welstandstoezicht In de nieuwe wet- en regelgeving dient ten behoeve van de toets aan redelijke eisen van welstand beleid door de gemeente te worden opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad in de vorm van een welstandsnota. Deze welstandsnota dient binnen 18 maanden (in casu vóór 1 juli 2004) na inwerkingtreding van de nieuwe wet van kracht te zijn, waarbij in de procedure voldoende ruimte moet zijn geweest voor derde belanghebbenden om in te spreken. Tot op heden was de bouwverordening het instrument om welstandscriteria in op te nemen. Deze mogelijkheid komt te vervallen. Het beleid moet worden geconcretiseerd en geobjectiveerd door het formuleren van criteria. Deze criteria dienen zoveel mogelijk toegesneden te worden op categorieën bouwwerken en standplaatsen. Criteria kunnen ook verschillen al naargelang de plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen. Dit heeft er toe geleid dat ten behoeve van het op te stellen welstandsbeleid diverse soorten criteria worden onderscheiden, namelijk: * Algemene welstandscriteria. » Objectgebonden criteria. « Gebiedscriteria. « Criteria voor specifieke bouwwerken.
versie
14-06-04
4
De criteria moeten uitsluitsel geven over: a Of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. « Of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. In het beleid kan de gemeenteraad besluiten welstandsvrije gebieden en I of welstandsvrije categorieën bouwwerken of standplaatsen aan te wijzen. In de herziene Woningwet wordt overigens in artikel 43 aangegeven dat vergunningvrije bouwwerken niet aan redelijke eisen hoeven te worden getoetst, in artikel 45 is aangegeven dat dit ook niet hoeft voor tijdelijke bouwwerken. Vergunningvrije bouwwerken worden, zoals reeds aangegeven, niet getoetst aan relevante wet- en regelgeving. In het beleid moet echter conform artikel 19 van de nieuwe Woningwet aandacht worden geschonken aan een excessenregeling: de wijze waarop de gemeente omgaat met vergunningvrije bouwwerken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De wet biedt dus de mogelijkheid om repressief bij vergunningvrije bouwwerken in te grijpen.
1.3.2.Organisatorische aspecten welstandstoezicht Naast de wijzigingen van inhoudelijke aard worden in de nieuwe systematiek aan de organisatie van de welstandsbeoordeling de nodige eisen gesteld. Het vertrekpunt voor de organisatie van het welstandstoezicht is hetgeen gesteld wordt in artikel 48 van de herziene Woningwet over de behandeling van aanvragen. Burgemeester en Wethouders: « Moeten een aanvraag voor reguliere vergunning altijd voorleggen aan een onafhankelijk adviesorgaan tenzij de bouwvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd dan wegens het in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. » Kunnen een aanvraag voor lichte bouwvergunning voor advies aan een onafhankelijk orgaan voorleggen. De gemeente moet dus een keuze maken hoe zij het welstandstoezicht gaat organiseren. Daarbij zal zij een onafhankelijk orgaan om advies moeten vragen. Volgens de herziene Woningwet kan dit adviesorgaan een welstandscommissie of stadsbouwmeester zijn. In Reusel-De Mierden is dit de welstandscommissie. Essentieel is dat ten aanzien van dit adviesorgaan allerlei zaken geregeld moeten worden. Genoemd kunnen worden: > De rol en afbakening in algemene zin van het adviesorgaan. > De taakomschrijving van de leden. > De samenstelling. > De benoeming van leden. > Een eventuele mandatering.
De Woningwet legt aan het functioneren van het adviesorgaan bovendien een aantal wettelijke eisen op: ♦ř De advisering vindt plaats op basis van de reeds eerder genoemde gemeentelijke welstandsnota. * De adviezen zijn openbaar. * De commissie brengt een advies waarbij een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand schríftelijk uit en motiveert het advies deugdelijk. *İ» De vergaderingen zijn in principe openbaar. * De commissie brengt eenmaal per jaar een verslag uit aan de gemeenteraad van verrichte werkzaamheden en wijze waarop de commissie toepassing heeft gegeven aan de criteria. * De benoeming van leden kan ten hoogste voor een termijn van driejaar plaatsvinden. Leden zijn eenmaal herbenoembaar in dezelfde commissie voor een termijn van ten hoogste driejaar. In de bouwverordening kunnen voorschriften omtrent samenstelling, inrichting en werkwijze van het adviesorgaan worden opgenomen. Voorts kan de bouwverordening nadere voorschriften bevatten over de verantwoordingsverslagen aangaande welstand. Niet alleen aan het adviesorgaan verbindt de herziene Woningwet allerlei voorschriften, maar ook aan de relatie tussen het welstandstoezicht en Burgemeester en Wethouders. Reeds eerder is aangegeven dat Burgemeester en Wethouders ten aanzien van lichte aanvragen om bouwvergunning de keuze hebben om ze wel of niet voor te leggen aan een adviesorgaan. versie
14-06-04
5
Andere wijzigingen zijn: " Om zwaar wegende redenen kunnen Burgemeester en Wethouders afwijken van het advies van de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Dit moet bij de bekendmaking schríftelijk worden vermeld. » Eenmaal per jaar wordt door Burgemeester en Wethouders een verslag aan de gemeenteraad uitgebracht waarin tenminste zijn opgenomen: m Op welke wijze is omgegaan met de adviezen van de welstandscommissie of stadsbouwmeester. 1 Welke aanvragen voor lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie dan wei stadsbouwmeester zijn voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de criteria. « In welke situaties zij tot aanschrijving op grond van artikel 19 zijn overgegaan, of daarbij gebruik is gemaakt van bestuursdwang en of daarbij de keuze is gelaten tot het al dan niet slopen van bouwwerk of standplaats. 1.4. Gemeentelijke beleidsruimte Binnen de geschetste uitgangspunten van het welstandstoezicht en de voorschriften genoemd in de herziene Woningwet moet de gemeente vorm en Ínhoud geven aan het welstandstoezicht. Hoe de gemeente Reusel-De Mierden met de invulling van de nieuwe welstandssystematiek denkt om te gaan is vastgelegd in de welstandsnota, die uit een aantal verschillende onderdelen bestaat. In deze nota worden de contouren van het nieuwe welstandstoezicht gepresenteerd.
De uitwerking van het beleid is daarbij gekoppeld aan de verschillende producten die onderwerp van welstandstoezicht zijn. In de hoofdstukken 2 tot en met 5 wordt ingegaan op de organisatorische kant van het welstandstoezicht. Hoofdstuk 2 bespreekt de lichte aanvraag bouwvergunning, hoofdstuk 3 gaat in op de reguliere bouwvergunning, terwijl in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de overige producten. Het organisatorische deel wordt afgesloten met een hoofdstuk over het afwijken van c.q. bezwaar hebben tegen een welstandsadvies. De hoofdstukken 6 tot en met 8 gaan in op de inhoudelijke kant van het welstandstoezicht en bespreken de diverse criteria die van belang zijn voor het toetsen van aanvragen. Bij de hoofdstukken wordt de volgorde gehanteerd van het organisatorische deel. In hoofdstuk 6 wordt de opzet van de sneltoetscriteria gepresenteerd voor de lichte aanvraag bouwvergunning. Voor de andere producten gelden gebiedsgerichte criteria. De opzet hiervan wordt in hoofdstuk 7 besproken. Hoofdstuk 8 bespreekt de algemene welstandscriteria. In bijzondere situaties wanneer de overige welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Vandaar dat deze criteria dan ook aan het eind van het inhoudelijke deel worden besproken.
Naast dit hoofdrapport is een aantal bijlagen aanwezig, die als een verdere uitwerking van dit hoofdrapport kunnen worden beschouwd. In bijlage 1 is de lijst van beeldbepalende panden en Rijksmonumenten in Reusel-De Mierden opgenomen. In bijlage 2 zijn de sneltoetscriteria uitgewerkt. In bijlage 3 zijn de specifieke gebiedscriteria voor Reusel-De Mierden verder uitgewerkt. Bijlage 4 wordt gevormd door kaarten van het totale grondgebied en de bebouwde kommen. Op deze kaarten is aangegeven welk welstandstoezicht wordt toegepast in de onderscheiden gebieden. In bijlage 4 zijn de gebiedscriteria verder uitgewerkt. Er is voor gekozen deze criteria in afzonderlijke notities in bijlagen op te nemen, omdat deze criteria het meest zullen worden geraadpleegd bij bijvoorbeeld het informeren van klanten en het beoordelen van aanvragen.
versie
14-06-04
6
De organisatie van het welstandstoezicht
2. Welstandstoezicht bij lichte aanvraag bouwvergunning 2.1. Inleiding De lichte aanvraag bouwvergunning is een nieuw fenomeen in de herziene Woningwet. Naast de lichte aanvragen worden vergunningvrije bouwwerken en reguliere aanvragen bouwvergunning onderscheiden. In artikel 48 van de herziene Woningwet wordt gesteld dat Burgemeester en Wethouders een aanvraag voor lichte bouwvergunning voor advies aan een onafhankelijk orgaan kunnen voorleggen. De wijze waarop de gemeente met deze beleidsruimte omgaat wordt in dit hoofdstuk uiteengezet. 2.2. Beleidsbepalende factoren Het invullen van de beleidsruimte wordt bepaald door een combinatie van een aantal factoren. 2.2.1. De achtergrond van de lichte aanvraag bouwvergunning De eerste factor heeft te maken met het waarom van de invoering van de lichte aanvraag. De achtergrond voor het instellen van de lichte categorie kan als volgt worden omschreven: voor een reeks eenvoudige(re) plannen moeten beslissingen op vergunningsaanvragen sneller worden genomen zodat de klant eerder weet waaraan hij toe is zonder dat het afbreukrisico van de plannen waarop deze aanvragen betrekking hebben uit het oog wordt verloren. Een korte toelichting.
Bepalend bij de beantwoording van de vraag of een type bouwwerk vergunningsvrij dan wel lichtvergunningplichtig wordt, is met name: » Of in redelijkheid onaanvaardbare risico's ten aanzien van de constructieve veiligheid van een type bouwwerk te verwachten zijn (zo nee, dan kan het vergunningsvrij worden), en » Of in redelijkheid onaanvaardbare effecten zijn te verwachten op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving van zo'n bouwwerk (met name de openbare ruimte), die niet tot aanvaardbare proporties kunnen worden teruggebracht door in de algemene maatregel van bestuur ruimtelijke randvoorwaarden te stellen (zo nee, dan kan het vergunningsvrij worden). Ten aanzien van aanvragen voor licht-vergunningplichtige bouwwerken moet de gemeente binnen 6 weken na indiening van de aanvraag een beslissing hierop hebben genomen. Voor diverse bouwwerken betekent dit een verkorting van de doorlooptijd met 7 weken ten opzichte van de huidige situatie. De diepgang van vooral de technische beoordeling neemt daarbij tegelijkertijd af. 2.2.2. De huidige praktijk van welstandstoezicht De tweede factor is terug te voeren op de ervaringen met de huidige welstandsorganisatie. Op dit moment moeten alle aanvragen om bouwvergunning aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Dit is de welstandszorg Noord Brabant.
De ervaringen laten zien dat: » De behandelend ambtenaren bij kleinere bouwwerken het advies van de welstandscommissie goed kunnen voorspellen. » Het aanvragen van advies aan de welstandscommissie voor kleine plannen veel (door)tijd en capaciteit vergt. » De welstandscommissie reeds heeft aangegeven dat zij niet steeds op de kleine bouwplannen zit te wachten gezien de geringe meerwaarde die zij hier heeft.
versie
14-06-04
7
2.3. Strategie welstandstoezicht Wanneer beide factoren worden gecombineerd leidt dit tot het gemeentelijk standpunt dat lichte aanvragen om bouwvergunning, zoals vastgesteld in de Algemene Maatregel van Bestuur (hierna te noemen: AMvB) vergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken voor de toets aan redelijke eisen van welstand niet worden voorgelegd aan een onafhankelijk adviesorgaan in de vorm van een welstandscommissie. De meerwaarde hiervan wordt niet gezien, terwijl het voorleggen aan een dergelijk orgaan wel relatief veel (doorloop)tijd en energie vergt. Doorlooptijd, waarmee gezien de nieuwe kortere termijnen voorzichtig moet worden omgesprongen. Zonder toezicht van een onafhankelijk adviesorgaan kunnen de risico’s ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit goed worden beheerst, zeker ook wanneer de uitgangspunten van het welstandstoezicht genoemd in hoofdstuk 1 hierbij worden betrokken. 2.4. Uitgangspunten welstandstoezicht Voorgesteld wordt het welstandstoezicht voor lichte aanvragen om bouwvergunning binnen de geschetste kaders van de nieuwe systematiek op hoofdlijnen als volgt te gaan organiseren. In de bouwverordening zullen de procedurele aspecten van deze hoofdlijnen verder vorm en ínhoud worden gegeven. 1.
De toets aan redelijke eisen van welstand wordt uitgevoerd door de ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht, die de lichte aanvraag om bouwvergunning in behandeling heeft. Voor twee uitzonderingen gaat de lichte vergunning naar de welstandscommissie (aan- en uitbouw aan de voorkant, geen erker zijnde; bijgebouw of overkapping op het voorerf). De ambtenaren worden gemandateerd door Burgemeester en Wethouders. 2. Bij “niet akkoord” wordt de aanvraag voorgelegd aan Welstandszorg Noord Brabant. 3. De toets aan redelijke eisen van welstand vindt plaats op basis van een aanvraag die ontvankelijk is verklaard op basis van de AMvB indieningsvereisten. Aanvullende bescheiden kunnen niet worden opgevraagd door de behandelend ambtenaar of welstandscommissie. 4. De toets aan redelijke eisen van welstand wordt uitgevoerd aan de hand van sneltoetscriteria. 5. De sneltoetscriteria zijn gekoppeld aan de indeling van bouwwerken genoemd in de AMvB bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Er vindt geen differentiatie naar gebied plaats. 6. Bij hantering van de sneltoetscriteria wordt gekeken naar het welstandsniveau van het gebied waarin de aanvraag is gelegen. Hoe hoger het welstandsniveau van het gebied hoe smaller de marges zijn om de sneltoetscriteria te interpreteren. In gebieden met welstandsniveau 1 worden plannen altijd voorgelegd aan de welstandscommissie.
De welstandsniveaus worden toegelicht in hoofdstuk 7. 7. De sneltoetscriteria hebben alleen betrekking op het uiterlijk van bouwwerken. In de criteria zijn geen aanvullende stedenbouwkundige of andere aspecten verwerkt. 8. De sneltoetscriteria zijn voor klanten en andere geïnteresseerden bij de balie van Bouw- en Woningtoezicht kosteloos beschikbaar en ook op de internetsite van de gemeente. Bij de informatievoorziening aan de balie zal actief op deze criteria worden gewezen. 9. Bouw- en Woningtoezicht houdt een register bij van lichte aanvragen bouwvergunning die zijn behandelend door de welstandscommissie en de resultaten van de advisering. De gegevens in het register worden gebruikt als basismateriaal voor de jaarlijkse verantwoording van Burgemeester en Wethouders aan de gemeenteraad. 10. De aanvrager ontvangt bij een negatief advies van de welstandscommissie een schríftelijk gemotiveerd advies. De gevraagde aanpassingen zijn eenduidig en helder geformuleerd. Hetzelfde geldt als sprake is van “niet akkoord, tenzij”. 2.5. Sneltoetscriteria De opzet van de sneltoetscriteria voor het beoordelen van lichte aanvragen bouwvergunning is in hoofdstuk 6 terug te vinden. De criteria zelf zijn terug te vinden in bijlage 2.
versie
14-06-04
8
3. Welstandstoezicht bij reguliere aanvraag bouwvergunning 3.1. Inleiding Onder de reguliere aanvraag bouwvergunning vallen per 1 januari 2003 de aanvragen voor bouwwerken, die niet in de AMvB vergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken worden genoemd. Het zijn voornamelijk grotere verbouw- en nieuwbouwplannen. De reguliere aanvraag komt in twee vormen voor. Bij beide vormen is sprake van welstandstoezicht: > De niet gefaseerde reguliere aanvraag, waarbij de aanvrager in één keer de vergunning voor het bouwwerk aanvraagt. > De gefaseerde reguliere aanvraag, waarbij de aanvrager eerst de ruimtelijke vergunning (fase 1) aanvraagt en op een later tijdstip de technische vergunning (fase 2). Het welstandstoezicht vindt plaats in het kader van het afgeven van de ruimtelijke vergunning. Wanneer de aanvraag om de technische vergunning aanleiding is om opnieuw naar de toetsingsgronden voor de ruimtelijke vergunning te kijken kan het welstandstoezicht eventueel nogmaals plaatsvinden. 3.2. Strategie welstandstoezicht Artikel 48 van de herziene Woningwet geeft aan dat reguliere aanvragen om bouwvergunning door Burgemeester en Wethouders ten aanzien van de toets aan redelijke eisen van welstand moeten worden voorgelegd aan een onafhankelijk adviesorgaan. In tegenstelling tot bij de lichte aanvraag bouwvergunning is er voor de gemeente in dit opzicht dus geen beleidsruimte.
Deze beleidsruimte is er wel ten aanzien van het adviesorgaan met alle ins en outs dat wordt ingeschakeld. De gemeente heeft het voornemen om ten aanzien van dit adviesorgaan de huidige constructie, in geoptimaliseerde vorm, voort te zetten. Dat wil zeggen dat de gemeente de Welstandszorg Noord Brabant als adviesorgaan zal aanwijzen en met haar een samenwerkingverband in de vorm van een contract zal aangaan. De gemeenteraad heeft met de vaststelling van de Gemeenschappelijke Regeling Welstandszorg Noord-Brabant in het verleden hieraan reeds vorm en ínhoud gegeven. Welstandszorg Noord Brabant heeft in haar raamnota welstandsbeleid haar visie op de nieuwe welstandsmethodiek uiteengezet. Deze visie ligt in het verlengde van de visie van de gemeente. De belangrijkste zaken in verband met de organisatie van dit welstandstoezicht zullen in de volgende paragrafen worden samengevat. Hierbij zal voor zover mogelijk steeds de relatie worden gelegd naar de voorschriften, die de grondslag vormen voor de nieuwe methodiek. Bij de welstandsadvisering door de Welstandszorg Noord Brabant zal met name gebruik gemaakt geworden van gebiedsgerichte criteria. De opzet hiervan is terug te vinden in hoofdstuk 7. In de bouwverordening (achtste serie wijzigingen) zullen de procedurele aspecten verder worden uitgewerkt. 3.3.
De welstandsorganisatie De Welstandszorg Noord Brabant heeft ten behoeve van haar advieswerkzaamheden de provincie in een aantal regio’s I rayons ingedeeld. Het uitbrengen van een welstandsadvies vindt daarbij plaats in maximaal twee stappen, namelijk via een kleine en een grote commissie. 3.3.1. De kleine commissie De eerste beoordeling van een reguliere aanvraag bouwvergunning vindt plaats in de kleine commissie. Deze commissie wordt gevormd door twee rayonarchitecten van Welstandszorg NoordBrabant. De coördinerend ambtenaar Bouw en Woningtoezicht legt de plannen ter advisering voor aan de kleine commissie en geeft indien nodig een toelichting. De kleine commissie is gemandateerd om in alle gevallen waarin de mening van de grote commissie als bekend kan worden verondersteld adviezen over bouwplannen uit te brengen. Plannen die afwijken van de welstandscriteria, maar die niettemin op zich een architectonische waarde bezitten worden in ieder geval in de grote commissie behandeld. Dit zal ook gebeuren indien het advies van de grote commissie vooraf door de kleine commissie niet met voldoende zekerheid is in te schatten. 3.3.2. De grote commissie
versie
14-06-04
9
Aanvragen die niet door de kleine commissie van een advies kunnen worden voorzien worden door de grote commissie behandeld. Deze welstandscommissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter en drie stemhebbende leden. De rayonarchitect van het bureau is één van de stemhebbende leden en fungeert tevens als secretaris-deskundige van de commissie, terwijl de overige leden van buiten het bureau worden benoemd. Behalve de rayonarchitect zijn tenminste twee commissieleden deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw, monumentenzorg en aanverwante vakgebieden. De grote commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen van het bureau of daarbuiten. Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. De commissie is als collectief deskundig en onafhankelijk. Zij komt in onafhankelijkheid tot een advies. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. 3.3.3. De voorzitter De voorzitter van de grote commissie is in principe gekozen uit de kring van gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.
De voorzitter leidt de discussie en zorgt ervoor dat alle commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven op basis waarvan de rayonarchitect het schríftelijke advies kan opstellen. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda en treedt op als gastheerAvrouw voor de aanwezige opdrachtgevers, architecten en overige belangstellenden. Bij het overleg met de gemeenten (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. Op deze wijze vervult hij/zij een belangrijke rol als dagelijks aanspreekpunt, maar ook bij de bevordering van het imago van de commissie 3.3.4. De rayonarchitect De rayonarchitect heeft een spilfunctie bij het verwerken van de adviesaanvragen uit de gemeente. De plannen waarvoor de rayonarchitect een mandaat heeft, worden door hem/haar in de kleine commissies van een advies voorzien. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de welstandscommissie de eerste gesprekken met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de grote commissie voor.
Hij stelt de agenda van de grote commissie op aan de hand van de plannen die in de kleine commissie zijn aangemeld en eventueel nagekomen aanvragen voor gesprekken of behandeling van grote plannen. Tijdens de commissievergadering introduceert de rayonarchitect de bouwplannen. Na afloop van de beraadslaging en de samenvatting van de voorzitter werkt hij I zij de conceptadviezen uit tot gemotiveerde definitieve adviezen. 3.3.5. Externe deskundigen In de grote commissie wordt de dagelijkse praktijk van het vakgebied 'ruimtelijke kwaliteit' vertegenwoordigd door twee externe deskundigen op het gebied van de architectuur en stedenbouw. De deskundigen geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op het moment dat een extern commissielid op de een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan meldt hij dit aan de voorzitter en onthoudt hij zich van advisering over dit plan. 3.3.6. Burgerleden in de commissie De gemeente heeft afgezien van de mogelijkheid om burgerleden aan de commissie toe te voegen. Met de openbaarheid van de vergaderingen en de te hanteren criteria zijn voldoende mogelijkheden aanwezig voor een maatschappelijke betrokkenheid.
3.3.7. Benoeming van de commissieleden
versie
14-06-04
10
De welstandscommissie is volgens de herziene Woningwet een door de gemeenteraad benoemde commissie van onafhankelijke deskundigen. De gemeenteraad heeft met de vaststelling van de Gemeenschappelijke Regeling Welstandszorg Noord-Brabant deze bevoegdheid opgedragen aan het Dagelijks Bestuur van Welstandszorg Noord-Brabant. De externe leden van de welstandscommissie worden benoemd voor een periode van driejaar, met de mogelijkheid van verlenging van nog eens drie jaar. Alvorens een extern architectlid in de commissie wordt benoemd, heeft hij als plaatsvervangend lid kennis kunnen maken met het welstandswerk. Plaatsvervangende leden worden voor onbepaalde tijd benoemd. Bij de benoeming van een plaatsvervangend lid tot vast commissielid gaat de eerste benoemingstermijn van drie jaar in. 3.4. Het aanvragen van welstandsadvies Welstandszorg Noord Brabant zal een welstandsadvies uitbrengen op verzoek van de gemeente. De gemeente zal hiervoor het benodigde materiaal aanleveren. Ten aanzien van de indieningsvereisten voor reguliere aanvragen bouwvergunning gelden landelijke richtlijnen in de vorm van een AMvB. Het uitgangspunt is dat met de in deze AMvB genoemde bescheiden het welstandstoezicht kan plaatsvinden.
Met andere woorden, als er op basis van de AMvB sprake is van een ontvankelijke aanvraag kan voor het welstandstoezicht niet om extra aanvullende gegevens worden gevraagd, wel om specifieke toelichtingen. 3.5. Het welstandsadvies Het advies van de welstandscommissie aan burgemeester en wethouders wordt altijd schríftelijk uitgebracht. Het geeft aan of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan' (art. 12 lid 1 Woningwet), niet is strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Alle adviezen, behoudens het positieve advies, worden schríftelijk gemotiveerd. De positieve adviezen worden op verzoek van het college gemotiveerd of indien daar vanuit andere overwegingen aanleiding toe is. Een behandeling van een plan in de grote of kleine commissie kan de volgende uitkomst hebben: Aanhouden De welstandscommissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper gewenst of noodzakelijk is. Bouw-en woningtoezicht geeft aan hoelang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningstermijn.
Voldoet De welstandscommissie adviseert positief aan burgemeester en wethouders omdat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria voldoet aan redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schríftelijk. Eventueel geeft de commissie nog suggesties om het plan te verbeteren. Formeel gezien is het bouwplan dan echter akkoord. Voldoet mits Een “voldoet mits” houdt in dat het plan niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden zoals de welstandscommissie die heeft geformuleerd. De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen. Indien het advies van de welstandscommissie duidelijk is weergegeven is het ook mogelijk dat de ambtenaar bouw- en woningtoezicht het aangepaste bouwplan beoordeelt. De voorwaarden van het welstandsadvies kunnen ook worden opgenomen in de bouwvergunning. Voldoet in principe Een “voldoet in principe” houdt in dat de hoofdopzet van de bouwmassavorm en de plaatsing voldoen aan redelijke eisen van welstand. Het plan vraagt nog om een nadere uitwerking of tegen de voorgelegde uitwerking bestaan op grond van de criteria nog bezwaren. Na een “voldoet in principe” wordt een gewijzigd of nader uitgewerkt bouwplan opnieuw aan de welstandscommissie voorgelegd.
versie
14-06-04
11
Voldoet niet De commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schríftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten. 3.6. Openbaarheid Openbaar en transparantie zijn twee sleutelbegrippen in de nieuwe systematiek van het welstandstoezicht. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe Welstandszorg Noord Brabant hiermee om wil gaan. Welstandzorg Noord Brabant wil de volgende voorzieningen treffen om een bijdrage te leveren aan de gewenste vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Het streven is om de huidige passieve openbaarheid te veranderen in een meer actieve openbaarheid. Daartoe worden de volgende stappan ondernomen: 1. Zowel de grote als de kleine commissievergadering (beraadslagingen en beoordeling) vindt in openbaarheid plaats, tenzij op verzoek van de aanvrager en de gemeente hiervan om redenen die in de Wet Openbaarheid van Bestuur, artikel 10 vermeld staan, van moet worden afgeweken.
Indien de openbare behandeling van een plan niet gewenst is, dan wordt dit gelijktijdig met de aanbieding van de overige plangegevens en tekeningen schríftelijk bekend gemaakt aan de rayonarchitect. 2. Belanghebbenden (aanvrager en architect) kunnen op verzoek in gelegenheid worden gesteld om in de grote commissie een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Zij kunnen hiertoe een afspraak maken via het Bouwtoezicht die deze afspraak voor de sluitingstermijn van de agenda doorgeeft aan het bureau van Welstandszorg Noord-Brabant. Voor zover er in de agenda ruimte is voor dit overleg zullen deze afspraken worden gehonoreerd. In het andere geval worden zij naar de eerstvolgende vergadering doorgeschoven. 3. Belangstellenden kunnen de vergadering van de grote commissie bijwonen op de publieke tribune. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. De welstandscommissie wordt immers gevraagd om een onafhankelijk en deskundig advies aan burgemeester en wethouders, binnen het democratisch vastgestelde kader van de welstandsnota. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de welstandscommissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling. 4.
De agenda voor de grote commissievergadering zal worden gepubliceerd en minimaal 2 dagen voor de vergadering ter inzage worden gelegd in het gemeentehuis. 5. In situaties waarbij een uitzonderlijk grote publieke belangstelling wordt verwacht, kan de gemeente verzoeken om de vergadering van de grote welstandscommissie in het eigen gemeentehuis te laten plaatsvinden. Een dergelijk verzoek wordt minimaal een week van tevoren met de rayonarchitect besproken en georganiseerd. 3.7. Verantwoording De welstandscommissie legt conform de wettelijke verplichting de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Het nu reeds gebruikelijke gemeentelijke verslag zal daartoe met statistische gegevens over de hoeveelheid uitgebrachte adviezen, ontvangen bezoekers en een beschouwing over de toepassing van de criteria worden uitgebreid. Naar aanleiding van de jaarlijkse evaluatie van het welstandsbeleid door het college en de raad, waarin tevens het jaarverslag van de commissie en het college aan de orde zijn gekomen vindt er een gesprek plaats tussen de commissie en de verantwoordelijke portefeuillehouder over deze evaluatie en de eventuele aanvullingen en aanpassingen van de welstandsnota.
versie
14-06-04
12
4. Welstandstoezicht bij overige producten 4.1. Inleiding Het welstandstoezicht speelt bij nog een aantal andere producten. In het bijzonder moeten worden genoemd het schetsplan en de aanvraag voor monumentenvergunning. De welstandsadvisering voor deze producten is gelijk aan die van de reguliere aanvraag bouwvergunning. De aanvragen I plannen worden voorgelegd aan de Welstandszorg Noord Brabant. Aangezien bij beide producten specifieke zaken spelen wordt in dit hoofdstuk een aantal aanvullende opmerkingen geplaatst. Het welstandstoezicht bij vergunningvrije bouwwerken neemt een bijzondere plaats in. Ook al hebben de vergunningvrije bouwwerken geen betrekking op gemeentelijke producten, in paragraaf 4.4 wordt wel ingegaan op de consequenties van de herziene Woningwet op dit gebied. 4.2. Het schetsplan Bij een schetsplan is sprake van een niet wettelijk product. Schetsplannen worden bij de gemeente voorafgaand aan een officiële aanvraag ingediend om de haalbaarheid op planologische gronden en qua welstand te onderzoeken. Bij een positief advies op het schetsplan kan de verdere uitwerking van het plan plaatsvinden. Het schetsplan is dus een product waarbij klant en gemeente met elkaar in overleg treden om zonder druk van fatale termijnen het plan vooral op ruimtelijke merites te beoordelen.
De aanvrager kan tussentijdse aanpassingen doorvoeren en opnieuw aan de gemeente voorleggen. Ten aanzien van het welstandstoezicht biedt de gemeente ontwerpers en planindieners via het schetsplan dus de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele bouwvergunningaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Het vooroverleg met de welstandscommissie kan pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de planologische aanvaardbaarheid van het plan. Omdat het vooroverleg diep kan ingrijpen in de planontwikkeling moet het met de nodige waarborgen worden omgeven. Ook tijdens het vooroverleg moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. Van het vooroverleg wordt middels een preadvies verslag gemaakt. Het preadvies wordt op de gebruikelijke wijze aan het college ter kennisname gebracht. In het preadvies zullen eventuele bezwaren of waarderingen een rol spelen. Indien in het vooroverleg een plan ter sprake komt dat afwijkt van de gebiedsgerichte criteria maar niettemin voldoet aan redelijke eisen van welstand volgens de algemene criteria, dan zal dit expliciet in het preadvies worden vermeld, zodat het college zich daar tijdig een zelfstandig oordeel over kan vormen.
Op verzoek van de opdrachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het Bouwtoezicht kenbaar te maken. 4.2. Aanvraag monumentenvergunning Voor verbouw- en restauratieplannen van rijksmonumenten is zowel een welstandsadvies als een monumentenvergunning van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg benodigd. In beide adviezen wordt ingegaan op vormgevingaspecten. Voordat het plan ter advisering aan de welstandscommissie wordt voorgelegd wordt eerst de verlening van de monumentenvergunning afgewacht. 4.4. Vergunningvrije bouwwerken Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan relevante wet- en regelgeving. In het beleid moet echter conform artikel 19 van de nieuwe Woningwet aandacht worden geschonken aan een excessenregeling: de wijze waarop de gemeente omgaat met vergunningvrije bouwwerken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De wet biedt dus de mogelijkheid om repressief bij vergunningvrije bouwwerken in te grijpen. De excessenregeling van de gemeente zal zijn gebaseerd op de algemene welstandscriteria genoemd in hoofdstuk 8. Door de gemeente geconstateerde vermeende excessen zullen aan Welstandszorg Noord Brabant worden voorgelegd. Welstandszorg zal daarbij gevraagd worden het vermeende exces op basis van de algemene criteria
versie
14-06-04
13
en de uitgangspunten van het welstandstoezicht te beoordelen en hierover aan het college van Burgemeester en Wethouders advies uit te brengen.
versie
14-06-04
14
5. Welstandstoezicht en handhaven 5.1. Inleiding Onder deze brede titel wordt als afsluiting van de hoofdstukken over de organisatie van het welstandstoezicht een aantal onderwerpen besproken, die te maken hebben met het handhaven van het welstandsadvies als dit op een gegeven moment is uitgebracht dan wel het handhaven van situaties die zich hebben onttrokken aan het welstandstoezicht. In een aantal gevallen kan de situatie ontstaan dat wordt afgeweken van het advies van het onafhankelijk orgaan of dat tegen dit advies bezwaar bestaat. In dit hoofdstuk wordt allereerst op deze problematiek ingegaan. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van vergunningen en adviezen op schetsplannen ligt bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie speelt daarbij een belangrijke rol. Burgemeester en Wethouders kunnen echter in bepaalde situaties afwijken van het welstandsadvies. In paragraaf 5.2. wordt hierop ingegaan. Niet alleen Burgemeester en Wethouders kunnen het niet eens zijn met een welstandsadvies. Hetzelfde geldt voor aanvragers en direct belanghebbenden. Paragraaf 5.3. gaat in op hoe zij bezwaar kunnen aantekenen tegen een welstandsadvies.
Het welstandsadvies maakt onderdeel uit van het proces van vergunningverlening. Na afgifte van de vergunning zullen werkzaamheden tot uitvoering worden gebracht. Inspectie zal moeten plaatsvinden om na te gaan of conform de vergunning wordt gewerkt. Bij afwijkingen zal moeten worden opgetreden. Optreden is ook nodig als bouwwerken zonder vergunning zijn geplaatst en zich op die manier aan het welstandstoezicht hebben onttrokken. Paragraaf 5.4 gaat op deze onderwerpen in. 5.2. Afwijken van welstandsadvies Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden: 5.1.1. Afwijken van het advies op inhoudelijke grond I second-opinion: Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast.
Indien burgemeester en wethouders bij een reguliere bouwvergunningaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie, dan vragen zij voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen, maar binnen de daarvoor geldige afhandelingtermijn, een second-opinion aan bij één van de andere adviescommissies van Welstandszorg Noord-Brabant. Het advies van deze commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. 5.1.2. Afwijken van het advies om andere redenen Burgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 44 lid 1 d Woningwet de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de bouwvergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.
versie
14-06-04
15
5.1.3. Afwijken van de criteria (hardheidsclausule) Burgemeester en Wethouders kunnen op advies van de welstandscommissie afwijken van het welstandsbeleid zelf. Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij plannen die weliswaar niet voldoen aan enige gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria maar wel aan redelijke eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de welstandscommissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het beleid, zal zij het college van Burgemeester en wethouders in haar advies daarover informeren. 5.3. Inspectie, toezicht en handhaving De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Zij heeft hiertoe drie instrumenten tot haar beschikking: inspectie, toezicht en handhaving. Inspectie vormt in het productieproces bij Bouwtoezicht met informatievoorziening en vergunningverlening een drie-eenheid. Het effect dat zij nastreven kan worden omschreven als het realiseren, instandhouden en slopen van bouwwerken conform de ruimtelijke en overige wettelijke kaders. Onder deze kaders valt ook het welstandstoezicht.
Tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden zal de gemeente dan ook via inspecties letten op het feit of er wordt gewerkt conform de vergunning en de eventueel daarin gestelde voorwaarden. Zonder inspectie heeft het welstandstoezicht geen zin: een advies op papier dat niet wordt gerealiseerd, kan net zo goed niet worden uitgebracht. Het welstandstoezicht is er namelijk op gericht iets buiten het gemeentehuis gerealiseerd te zien. Bij bouwen in afwijking van de vergunning zal als volgt te werk worden gegaan. «
Bij kleine wijzigingen gedurende het werk laat Bouw- en woningtoezicht de afwijkingen door de vergunninghouder en I of de uitvoerders op tekening zetten. Onder kleine aanpassingen worden verstaan aanpassingen die vallen binnen de welstandsrichtlijnen, met andere woorden: bij opnieuw aanvragen zouden de aanpassingen niet leiden tot problemen;
»
Onder voorwaarden kan sprake zijn van de legalisering van de afwijking door het indienen van gewijzigde tekeningen of het indienen van een gewijzigd bouwplan. Een gewijzigd bouwplan kan alleen worden ingediend als er nog geen gereedmelding heeft plaatsgevonden en de wijzigingen qua welstand ondergeschikt zijn (niet wezenlijk anders van uiterlijk). Om dit vast te stellen kan advies worden gevraagd aan Welstandszorg Noord Brabant. Wanneer er niet wordt voldaan aan de zojuist genoemde eisen zal de aanvrager een nieuwe vergunning moeten aanvragen. Als deze bouwvergunning moet worden geweigerd vanwege een negatief welstandsadvies zal de eigenaar de situatie moeten veranderen.
«
In alle andere gevallen, namelijk wanneer gedurende het werk het aanzien van het bouwwerk wezenlijk verandert dan vergund, zullen afwijkingen leiden tot een vooraanschrijving en zal het handhavingstraject worden ingezet.
Op het gebied van toezicht en handhaving zal de gemeente geen actief beleid gaan voeren ten aanzien van de excessenregeling vergunningvrije bouwwerken genoemd in artikel 19 van de Woningwet. Het standpunt is: 'vergunningvrij = vergunningvrij’. Alleen bij klachten of toevallige constateringen zal hetgeen in paragraaf 4.4 is vermeld worden toegepast. Er wordt dus op ad-hoc basis gewerkt. Ten aanzien van het opsporen en aanpakken van illegale bouwwerken en strijdig gebruik in relatie tot deze welstandsnota zal worden aangesloten bij de huidige werkwijze ten aanzien van toezicht en handhaving. De welstandsnota is geen aanleiding om hierin wijzigingen door te voeren.
versie
14-06-04
16
De ínhoud van het welstandstoezicht 6. Sneltoetscriteria Ten aanzien van de welstandsbeoordeling van lichte aanvragen bouwvergunning is in hoofdstuk 2 aangegeven dat hiervoor sneltoetscriteria nodig zijn. In dit hoofdstuk wordt hiervoor de opzet gepresenteerd. In bijlage 2 zijn de daadwerkelijke sneltoetscriteria terug te vinden. De sneltoetscriteria zijn gekoppeld aan de indeling van bouwwerken genoemd in de AMvB bouwvergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken. Er vindt, zoals reeds eerder aangegeven, geen differentiatie naar gebied plaats. Wel wordt bij hantering van de criteria gekeken naar het welstandsniveau van het gebied waar de aanvraag is gelegen. Hoe hoger het welstandsniveau hoe smaller de marges zijn om de sneltoetscriteria te interpreteren. De sneltoetscriteria hebben alleen betrekking op het uiterlijk van bouwwerken. In de criteria zijn geen aanvullende stedenbouwkundige of andere aspecten verwerkt. Deze zijn terug te vinden in de genoemde AMvB, bestemmingsplannen en voorschriften van de bouwverordening. Er zijn voor de volgende groepen bouwwerken sneltoetscriteria opgesteld: » Aan- en uitbouwen » Bijgebouwen en overkappingen. » Veranderen kozijnen of gevelpanelen. » Dakkapellen » Erfafscheidingen. « Overige licht-vergunningplichtige bouwwerken. « Rolhek, luik of rolluiken. Per groep bouwwerken worden in bijlage 2 de sneltoetscriteria genoemd.
Deze criteria vormen een selectie van criteria die door Welstandszorg Noord Brabant zijn geformuleerd.
versie
14-06-04
17
7. Gebiedscriteria Voor de reguliere aanvragen bouwvergunning wordt het toetsingsinstrumentarium ten aanzien van het welstandstoezicht gekoppeld aan de zogenaamde gebiedscriteria. Het uitgangspunt bij deze criteria is dat de beoordeling op redelijke eisen van welstand afhankelijk wordt gesteld van waar een bouwwerk binnen de gemeente ligt. Met andere woorden, vergunningsaanvragen in een bepaald gebied worden met behulp van een beschreven gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen van een gebied, en op basis van het bij een gebied vastgestelde welstandsniveau beoordeeld. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de gemeente hiermee is omgegaan. Bijlage 3 bevat de verdere uitwerking. De systematiek van de gebiedscriteria houdt een drietal stappen in, namelijk » het onderverdelen van het grondgebied van de gemeente in een aantal logisch samenhangende gebieden en het vervolgens beschrijven van de karakteristiek van deze gebieden; » het bepalen van het ambitieniveau dat de gemeente nastreeft binnen een gebied ten aanzien van het welstandstoezicht; » het omschrijven van de beoordelingsaspecten per gebied. Deze stappen worden aansluitend kort toegelicht. 7.1. De gebiedsindeling Het werken met gebiedscriteria veronderstelt allereerst dat de gemeente in een aantal logisch te onderscheiden geografische eenheden kan worden onderverdeeld.
De deelgebieden zijn onderscheiden op basis van: > Ontstaansgeschiedenis. > Ruimtelijke verschijningsvorm. > Bouwperiode. ^ Functie. De volgende deelgebieden zijn onderscheiden: 1. historische dorpskernen en bebouwingslinten, 2. parkachtige woongebieden, 3. vooroorlogse woningbouw en wijken uit de 60-er en 70-er járen. 4. individuele woningbouw 5. projectmatige woningbouw 6. bedrijventerreinen 7. buitengebied Reusel-De Mierden. 7.2. De welstandsniveau’s Inleiding De gemeente Reusel-De Mierden streeft naar behoud en versterking van haar fraaie leefomgeving. De zorg voor ruimtelijke kwaliteit ziet ze als een verantwoordelijkheid van gemeente en burgers samen. Daarbij richt de gemeente haar aandacht bij de uitvoering van haar welstandsbeleid primair op gebieden, structuren en onderwerpen, die bepalend zijn voor de kwaliteit van de karakteristiek van de gemeente Reusel-De Mierden als geheel. Zo geldt voor de (historische) dorpskernen en historische bebouwingslinten een bijzondere welstandstoets. In andere gebieden ligt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit primair bij de belanghebbenden in het gebied. In zulke woon- en werkgebieden wordt volstaan met een lichte welstandstoetsing. Elk gebied krijgt een ‘welstandsniveau’ toebedeeld.
Dit welstandsniveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht de gemeente aan een gebied zal geven en in welke mate de gemeente welstand zal inzetten om er de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. Ook kan een welstandsniveau gelden voor een bepaalde groep van bouwwerken of een ruimtelijke structuur. Het welstandsbeleid van de gemeente Reusel-De Mierden kent drie welstandsniveaus. De volgende paragrafen geven aan wat de welstandsniveaus ínhouden en hoe ze worden bepaald. In bijlage 4 zijn op de kaarten de gebieden aangegeven met de bijbehorende welstandsniveaus. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een bijzonder, regulier en een licht welstandsniveau, respectievelijk welstandsniveau 1,2 en 3. Welstandsniveau 4 (vrij) is niet van toepassing in de gemeente Reusel-De Mierden. versie
14-06-04
18
Historische dorpskernen en historische bebouwingslinten met een hoge cultuurhistorische waarde, beeldbepalende plekken krijgen welstandsniveau 1 toegewezen. Tot welstandsniveau 2 behoort het gehele buitengebied, dorpslinten, de projectmatige woningbouw, individuele woningbouw en gebieden waarvoor beeldkwaliteitplannen gelden. Bedrijventerreinen, woonwijken en verdere bebouwing op niet beeldbepalende plekken krijgen welstandsniveau 3 toegewezen. Welstandsniveau 1: bijzondere toetsing Dit welstandsniveau geldt voor structuren, gebieden en objecten, die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de dorpen en het landschap. Ook gebieden met bijzondere cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige karakteristieken krijgen niveau 1. In de gemeente Reusel-De Mierden vallen de volgende gebieden en structuren onder niveau 1. Een en ander is nader uitgewerkt in bijlage 3: Historische dorpskernen en historische bebouwingslinten; De cultuurhistorisch waardevolle panden en de rijksmonumenten en de directe omgeving daarvan, zoals opgenomen in bijlage 1. Waardevolle ensembles en beeldbepalende zones binnen de gemeente. Beleid Het welstandsbeleid en de -beoordeling zijn gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en de samenhang binnen het gebied of object.
In beheersituaties gebeurt dit vooral via regels en toetsing, terwijl in ontwikkelingssituaties het accent ligt op het faciliteren en stimuleren van kwaliteit. Bijzondere toetsing houdt in dat over alle plannen (lichte en reguliere bouwvergunningsaanvragen) advies wordt gevraagd aan de welstandscommissie. Bij deze beoordeling gelden de volgende aandachtsvelden (zie schema hierna): Relatie met de omgeving Het bouwplan op zichzelf De detaillering Welstandsniveau 2: reguliere toetsing Hieronder vallen gebieden, die vanuit het perspectief van de gehele gemeente geen bijzondere toetsing nodig hebben, maar waar wel aanleiding is om alert te blijven op de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. (Historische) dorpslinten anders dan genoemd onder niveau 1. Het gehele buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden. Woongebieden met bijzondere beeld- of verblijfswaarden die uitstijgen boven de gebruikswaarden van de bewoner zelf (vooroorlogse en naoorlogse woningbouw en individuele woningbouw) Gebieden waarvoor in het bestemmingsplan een beeldkwaliteitsplan is opgenomen. Beleid De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. De reguliere toetsing houdt in dat voor gefaseerde en reguliere bouwvergunningsaanvragen een welstandsadvies wordt gevraagd.
Licht vergunningsplichtige bouwplannen aan de achterzijde worden onder mandaat van de behandelend ambtenaar aan de hand van de omschreven sneltoetscriteria (bijlage 2) afgedaan. Bij deze beoordeling gelden de volgende aandachtsvelden (zie schema hierna): Relatie met omgeving. Het bouwplan op zichzelf. De detaillering (waarvan essentieel belang). Welstandsniveau 3: lichte toetsing Deze gebieden kunnen beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De gemeente stelt in deze gebieden geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en voert geen expliciet kwaliteitsbeleid. In deze gebieden zijn bewoners en eigenaren vooral zelf verantwoordelijk voor de beeld- en verblijfswaarde. In de gemeente Reusel-De Mierden vallen de volgende gebieden onder welstandsniveau 3:
versie
14-06-04
19
Gevarieerde woongebieden waar kleine ingrepen weinig invloed hebben op het straatbeeld (informele bebouwing). Woongebieden waar de beeld- en verblijfswaarde beperkt is tot het belang van de bewoners zelf. Bedrijventerreinen waarbij de beeldkwaliteit vooral een belang is voor de gevestigde bedrijven. Op zichzelf gelegen gebieden die weinig invloed uitoefenen op het silhouet of de beleving van de omgeving. Beleid Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. De basiskwaliteiten worden per type gebied benoemd en vertaald in welstandscriteria. De lichte toetsing houdt in dat zoveel mogelijk plannen onder mandaat van de welstandscommissie worden afgehandeld. In de regel zal de rayonarchitect dit mandaat uitoefenen. Licht-vergunningplichtige bouwplannen aan de achterzijde worden onder mandaat van de behandelend ambtenaar aan de hand van de omschreven sneltoetscriteria afgedaan. Bij deze beoordeling gelden de volgende aandachtsvelden (zie schema hierna): Relatie met de omgeving Het bouwplan op zichzelf (alleen indien van belang voor behoud van de bestaande kwaliteit c.q. basiskwaliteit) Welstandsniveau 4: welstandsvrij In deze gebieden wordt een preventieve welstandsbeoordeling overbodig geacht.