t_NL.IMRO.1667.BPBnete0079-ON01.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
21
• • • •
Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.
Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die het in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Gemeente In het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Reusel-De Mierden 2017-2021’ (VGRP) wordt de kwaliteitstoestand en het functioneren van het rioolsysteem in beeld gebracht om nut en noodzaak van benodigde investeringen te kunnen bepalen. Hiermee wil de gemeente laten zien dat men in dit beheer vooruit kijkt en met respect voor het verleden bouwt aan een robuust en flexibel systeem. Er wordt gestreefd naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren.
Om ook in de toekomst droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hergebruik of infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locatie met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In deze specifieke situatie is het tevens van belang dat het bouwpeil van de locatie hoog genoeg moet zijn om droge voeten te houden. Door de aanwezigheid van de Raamsloop ten noorden van het plangebied worden de woningen aan de rand van een beekdalgebied gesitueerd. Het beekdalgebied zou onder water zou kunnen komen te staan bij hoge waterstanden. Bij de bouw van de woningen is het dus van belang dat in ogenschouw wordt genomen dat het bouwpeil voldoende hoog.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande situatie betreft het plangebied onbebouwde percelen in gebruik als weiland. Het hemelwater kan direct infiltreren in de bodem of in de aanliggende perceelsloot lopen. Er vinden verder geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe doen leiden dat (gevaarlijke/verontreinigde) stoffen in aanraking komen met het oppervlaktewater en bodemwater. Conform informatie van het Waterschap De Dommel ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van het plangebied op 40 tot 80 centimeter onder het maaiveld.
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie worden twee Ruimte-voor-Ruimte kavels mogelijk gemaakt waarop op iedere kavel één Ruimte-voor-Ruimte woning gerealiseerd kan worden. In beide woningen zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor worden de benodigde voorzieningen aangebracht en worden de nieuwe woningen aangesloten op de gemeentelijke pers- en drukriolering. Het is enkel toegestaan om hier
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
22
het vuilwater op te lozen, lozen van hemelwater op het vuilwaterriool is dus niet toegestaan. In plaats daarvan zal het hemelwater infiltreren in de bodem Bij de nieuwbouw zal gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.) Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden (op 1 april 2021 gewijzigd). Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie ligt in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. De planlocatie ligt in attentiegebied.
Gezien het feit dat het plangebied gelegen is in attentiegebied, moet voor de toename aan verhard oppervlak compensatie getroffen worden. Bij bovengenoemde geldt steeds dat het om een toename van het verhard oppervlak gaat na de datum van de inwerkingtreding van de Keur 2009 (22-12-2009). Opgemerkt dient te worden dat de precieze afmetingen van de Ruimte-voor-Ruimte woningen nog nader te bepalen zijn. In de beoogde situatie is uitgegaan van een afmeting per woning van 15 bij 10 meter, dus 150 m2. Tevens moet opgemerkt worden dat per woning een bijgebouw met een maximale oppervlakte van 240 m2 mogelijk is. Het komt er dus op neer dat de maximale oppervlakte aan bebouwing per Ruimte-voor-Ruimte kavel 390 m2 zal zijn. In dit stadium is het nog niet exact bekend hoeveel erfverharding er rondom de woningen ben bijgebouwen wordt aangelegd. Tevens kan deze erfverharding ook middels half-verharding worden uitgevoerd, waarbij water nog wel kan zakken en infiltreren in de bodem. Voor een inschatting wordt er vanuit gegaan dat er circa 60 m2 aan (gesloten) erfverharding binnen iedere woonkavel zal worden aangelegd. Voor de twee Ruimte-voorRuimte kavels bedraagt de toename aan verhard oppervlak dus in totaal 1.000 m2.
Afbeelding 11: Uitsnede keurkaart Waterschap de Dommel In de beoogde situatie is er een toename van maximaal 780 m2 verhard oppervlak. De toename verhard oppervlak bestaat uit de twee woningen en eventuele bijgebouwen. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
23
nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m)
m3)
=
toename
verhard
oppervlak
(m2)
x
De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 12 blijkt is er voor de locatie aan de Neterselsedijk een gevoeligheidsfactor 1 (Hoog) van toepassing.
Afbeelding 12: Uitsnede Keurkaart Waterschap de Dommel gevoeligheidsfactor De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 1.000 m2 x 1 x 0,06 = 60 m3 Met de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woningen zullen compensatievoorzieningen aangelegd worden. In dit geval kunnen bij de woningen grindkoffers worden aangelegd. Met een grondkoffer of grindstrook kan het regenwater afkomstig van het verhard oppervlak/de bebouwing wegzakken in de grond. Ook is het mogelijk om een kleine poel aan te leggen waar het regenwater van het verhard oppervlak/de bebouwing kan afstromen. In een kleine poel kan het water op een natuurlijke wijze infiltreren in de bodem. Het is hierbij wel van belang dat de diepte van de poel zodanig wordt aangelegd dat deze boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand is.
Binnen de regels van het bestemmingsplan zal geborgd worden dat ten alle tijden, met de realisatie van de woningen, voldoende retentievoorzieningen binnen het plangebied aanwezig zijn. De wijze waarop de retentie plaatsvindt is afhankelijk van de specifieke wensen van de toekomstige bewoners. Binnen het plangebied is ruimschoots de ruimte om de retentievoorzieningen te kunnen realiseren.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
24
Bij deze retentievoorzieningen is het verder van belang om te vermelden dat er op deze voorziening voor de opslag van hemelwater een overloop moet worden gemaakt. Deze overloop moet worden aangesloten op een sloot/oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van het plangebied. De retentievoorziening zal in elk geval niet worden aangesloten op de riolering. Tot slot wordt op adviseren van het waterschap nog een aanvulling voor de toekomstige bouw van de woningen gedaan. Zoals in de bestaande situatie is beschreven ligt de GHG tussen 40-80 centimeter onder maaiveld. Het waterschap adviseert om minimaal 70 cm boven de GHG te bouwen om eventuele wateroverlast te voorkomen. Daarbij moet rekening gehouden worden met de hemelwaterafvoer van omliggende percelen en dat de realisatie van deze twee woningen dit niet belemmerd. Ten tijden van de benodigde vergunningen voor de bouw van de woningen is dit dus nog een belangrijk aspect wat in ogenschouw genomen dient te worden. Het peil van de woningen zal gelijk met het peil van de Neterselsedijk worden uitgevoerd. Vervolgens kan het hemelwater dan afvloeien naar het achtergelegen landbouwperceel. Initiatiefnemer is ook eigenaar van het achtergelegen perceel.
4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in Interim omgevingsverordening. Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
25
Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘stiltegebieden en natuur’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 13. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Wel is binnen het plangebied de aanduiding ‘attentiezone waterhuishouding gelegen’, deze aanduiding is echter nader toegelicht in paragraaf 4.2.
Afbeelding 13: Uitsnede kaart ‘natuur en stiltegebieden’ van de Iov Tevens kan worden opgemerkt dat met dit plan direct ook de realisatie van nieuwe natuur in Natuur Netwerk Brabant mogelijk wordt gemaakt. Zoals al eerder benoemd in deze toelichting heeft enkele landbouwgronden langs de Raamsloop in bezit die de provincie wil herontwikkelen naar nieuwe natuur. In ruil voor de verkoop van deze gronden en waarbij dus de mogelijkheid wordt gecreëerd tot het realiseren van nieuwe natuur, wordt de realisatie van deze Ruimte-voor-Ruimte kavels mogelijk gemaakt.
4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
26
beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 800 meter ligt. Met de bouw van de woningen en het gebruik van de woningen kan sprake zijn van de uitstoot van stikstof. Deze uitstoot van stikstof kan gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Depositie van stikstof kan namelijk zorgen voor verzuring en vermesting. Voor de bouw van de Ruimte-voor-Ruimte woningen en het gebruik van de woningen zijn AERIUSberekeningen uitgevoerd. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000-gebieden. Zodoende kan bepaald worden of er (negatieve) effecten zijn door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De berekeningen, inclusief onderbouwing en invoergegevens, zijn toegevoegd in Bijlage 2 van deze toelichting. Uit beide berekeningen (realisatiefase en bouw/aanleg-fase) blijkt dat er geen sprake is van depositie op Natura 2000gebieden. Derhalve zijn er voor wat betreft de bouw en het gebruik van de woningen geen negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden door stikstofuitstoot.
Overige storingsfactoren Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling leidt de ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
27
Gelet op de aard van het initiatief aan de Neterselsedijk ongenummerd, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige gebruik van het plangebied, dit betreft op dit moment een weiland zonder bomen, struwelen, kruidenrijke vegetatie of andere waardevolle ecologische elementen, is de aanwezigheid van beschermde soorten niet te verwachten. Er zijn verder geen biotopen aanwezig. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘woning bouwen’, ‘bijbehorend bouwwerk bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
28
Afbeelding 14: Uitsnede kaart 'Effectenindicator soorten' Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet Natuurbescherming. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied ligt, zie Afbeelding 15. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 15: Uitsnede kaart met cultuurhistorische waarden Iov Zoals eerder beschreven in deze toelichting betreft de Neterselsedijk in combinatie met het buurtschap ‘Mispeleind’ een historisch bebouwingslint en historisch buurtschap. In Afbeelding 16 is een historische kaart van 1900 weergegeven. Hier is te zien dat ten oosten van het plangebied, in het buurtschap Mispeileind, al diverse gebouwen waren gesitueerd. Ter plaatse en ten oosten van het plangebied was nog sprake van cultuurgronden. Deze gronden maak(ten) deel uit van het Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
29
beekdallandschap van de Raamsloop. Omstreeks 1940 zijn de gebouwen aan de Neterselsedijk 3 gebouwd. De laatste jaren/decennia is dit gebied in transformatie en zijn er niet-agrarische functies in het gebied bijgekomen.
Plangebied
Afbeelding 16: Uitsnede historische kaart omstreeks 1900
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie zijn de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is gelegen in de regio ‘Kempen’. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van deze regio zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Daarnaast ligt het plangebied in het archeologisch landschap ‘Kempenland’. Het plangebied is tevens gelegen in het cultuurhistorisch landschap Kempenland. Het Kempenland landschap omvat een groot deel van het relatief hoog gelegen zandlandschap ten zuidwesten van Eindhoven. Het landschap wordt doorsneden door verschillende beken en zijbeken. Met de aanwezigheid van de Raamsloop is dit dus ter plaatse van het plangebied ook het geval. Zoals eerder is aangegeven in deze toelichting verkoopt initiatiefnemer enkele gronden langs de Raamsloop. De provincie Noord-Brabant zal hier nieuwe natuur creëren. Dit zal gepaard gaan met het versterken van het beekdallandschap.
Hierdoor kan worden geconcludeerd dat dit initiatief (indirect) bijdraagt aan het versterken van het cultuurhistorisch waardvol karakter van het gebied.
4.4.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
30
Het plangebied is in de archeologische beleidskaart aangeduid als ‘categorie 5: gebied met middelhoge verwachting’, zie Afbeelding 17. Ter plaatse van de gronden in categorie 5 geldt dat een archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2.500 m2 én dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdek of agrarisch bestemde gronden.. In de beoogde situatie worden twee Ruimte-voor-Ruimte kavels mogelijk gemaakt waarop per kavel de bouw van één Ruimte-voor-Ruimte woning mogelijk zal zijn. Het gehele plangebied in het kader van dit bestemmingsplan heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2. Zoals al eerder in deze toelichting is benoemd is uitgegaan van een afmeting per woning van 15 bij 10 meter, dus 150 m 2. Tevens moet opgemerkt worden dat per woning een bijgebouw met een maximale oppervlakte van 240 m 2 mogelijk is. Het komt er dus op neer dat de maximale oppervlakte aan bebouwing per Ruimte-voor-Ruimtekavel 390 m2 zal zijn. Voor de twee Ruimte-voor-Ruimte kavels bedraagt de maximale oppervlakte dus 780 m2. Gelet op vorengaande kan dus worden gesteld dat zowel de maximale oppervlakte aan bebouwing als de totale oppervlakte van het plangebied onder de ondergrenzen blijft voor een onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarden.
Verder onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarden is dus niet noodzakelijk.
Afbeelding 17: Uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied met rood aangegeven 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
31
De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. Er is sprake van lintbebouwing en het buurtschap Mispeleind. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a.
veehouderijen, overige agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijfsbestemmingen. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de afstanden met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-veehouderij is gelegen aan de Neterselsedijk 9. Dit betreft een akkerbouwbedrijf dat behoort tot milieucategorie 2. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. Het bedrijf ligt op circa 38 meter van het plangebied. Het dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijf is gelegen aan Mispeleind 10. Op deze locatie is een bedrijf toegestaan conform milieucategorie 1 of 2. In de ‘worstcase situatie’ geldt hierbij dus ook een richtafstand van 10 meter. Deze bedrijfslocatie ligt op een afstand van circa 133 meter van de beoogde Ruimte-voor-Ruimte kavels. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden en dat het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar is. 4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan.
De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Met dit initiatief worden twee Ruimte-voor-Ruimte kavels mogelijk gemaakt waarop per kavel ieder één Ruimte-voor-Ruimte woning gerealiseerd kan worden. De oprichting van deze twee woningen aan de Neterselsedijk ongenummerd betreft de toevoeging van nieuwe geurgevoelige objecten. Voor dit bestemmingsplan dient te worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De rechtspositie van betrokkenen dient hierbij gehandhaafd te worden. Hierbij dienen de volgende aspecten in ogenschouw te worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van omliggende veehouderijen? • Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?
4.6.1
Omgekeerde werking
Nieuwe geurgevoelige objecten mogen niet belemmerend zijn in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
32
acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkveehouderijen, gelden vaste afstanden. In deze kunnen de nieuwe woningen nooit belemmerend zijn voor de veehouderijen daar andere geurgevoelige objecten (woningen) dichterbij zijn gelegen. In dit geval zijn er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen, dan de beoogde Ruimtevoor-Ruimte kavels. Hierdoor zullen de bestaande geurgevoelige objecten de omliggende veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied zullen doen. Dit betreffen in ieder geval al de adressen Mispeleind 1 en 2, Neterselsedijk 2, 4, 7, 9, 9a , 11 en 13. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving.
4.6.2
Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten. De Ruimte-voor-Ruimtewoningen betreffen geurgevoelige objecten. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de Ruimte-voor-Ruimtekavels te kunnen beoordelen wordt in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De dichtstbijzijnde veehouderijen ten opzichte van de beoogde ruimte-voor-ruimte kavels zijn gelegen aan de Mispeleind 4 op een afstand van circa 138 meter, Mispeleind 6 op een afstand van circa 130 meter, Mispeleind 10 op een afstand van circa 230 meter en Dunsedijk 1 op een afstand van circa 196 meter. Het bedrijf aan Mispeleind 4 betreft een kleinschalige varkenshouderij waarvoor gelet op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter in ‘gemengd gebied’ van toepassing is. De bedrijven aan Mispeleind 6 en 10 betreffen melkveehouderijen waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt, wanneer gelegen in gemengd gebied. Het bedrijf aan de Dunsedijk 1 betreft een gemengd bedrijf met rundvee en varkens, waarvoor ook een richtafstand geldt van 100 meter.
Hieruit blijkt dat er ruimschoots voldaan kan worden aan de richtafstanden zoals benoemd in de VNGhandreiking met betrekking tot het aspect geur. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de Ruimte-voor-Ruimtekavels nader te beschouwen is het, naast de toetsing aan de afstanden uit de VNG-handreiking, ook van belang om de achtergrondbelasting geur in beeld te brengen. Zoals al eerder benoemd in deze toelichting is het Bestemmingsplan ‘Buitengebied 2017’ van de gemeente Reusel–De Mierden ingetrokken. Destijds is met het opstellen van dit bestemmingsplan ook een Milieueffectenrapport opgesteld door het bureau ARCADIS. Met de MER zijn de milieueffecten van de planologische mogelijkheden die worden geboden in het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt. Met de MER in 2016 is ook de achtergrondbelasting aan geur als gevolg van de stalemissies in gemeente Reusel-De Mierden in beeld gebracht. Hiervoor zijn de destijds vigerende vergunningen van veehouderijen in en rondom Reusel–De Mierden gehanteerd. Ten opzichte van deze vergunningen is bij de bedrijven in de omgeving van het plangebied de geursituatie niet verslechterd. Ter plaatse van het plangebied ligt de achtergrondconcentratie geur tussen de 3.1 – 7.4 OUE/m3. Hiervoor geldt een kans op geurhinder van 5 tot 10%.
De bijbehorende beoordeling van het leefklimaat betreft “Goed”, zie tevens Tabel 1 en Afbeelding 18. Het toevoegen van nieuwe woningen is enkel mogelijk als er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Aangezien het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is beoordeeld als “goed”, is het toevoegen van de woningen voor wat betreft het aspect geur dus aanvaardbaar. Er is geen sprake van een overbelaste situatie. De meest recente kaart van de ODZOB (achtergrondbelasting geur) bevestigd deze conclusie dat er sprake is van een “goed” woon en leefklimaat. Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
33
Tabel 1: Milieukwaliteit criteria voor geurhinder (bron: PLANMER ARCADIS)
Afbeelding 18: Uitsnede kaart 'Beoordeling achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder'
leefklimaat
op
basis
van
de
indicatieve
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Gezien er ter plaatse van het plangebied twee Ruimte-voor-Ruimte kavels voor ieder één Ruimte-voor-Ruimte woning mogelijk worden gemaakt, dient getoetst te worden aan de aspecten van geluidhinder. Het plangebied is niet gelegen in de invloedzone van een spoorweg, toetsing voor dit aspect is derhalve niet nodig.
4.7.1
Wegverkeerslawaai
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Indien de maximale snelheid op een weg maximaal 30 km/h bedraagt hoeft de akoestische situatie niet onderzocht te worden. In dat geval gaat de Wgh er van uit dat gezien een lage verkeersintensiteit en lage verkeerssnelheid altijd voldaan wordt aan de normen.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
34
Binnen de geluidszones is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting derhalve in beeld gebracht te worden. Er wordt getoetst aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 5 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. De nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woningen zijn gelegen binnen de geluidszone van de Neterselsedijk, dit betreft een 60 km/u weg. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K+ Adviesgroep B.B., zie Bijlage 3. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrenswaarde zal worden overschreden vanwege verkeerslawaai van de Neterselsedijk. De maximale ontheffingswaarde wordt overschreden ter plaatse van de voorgevel van woning 1 (evenwijdig aan de weg). De gevelbelasting bedraagt hier maximaal 54 dB op de gevel op de eerste en tweede verdieping. Er worden beperkingen gesteld aan het ontwerp. Aan deze zijde op deze verdiepingsvloeren moet de woning voorzien in een “dove-gevel”. Ter plaatse van de zijgevels en de voorgevel op de begane grond wordt wel voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB.
Uit stedenbouwkundig oogpunt is het verplaatsen van deze voorste woning naar achteren niet wenselijk. Bij de 2e woning wordt alleen t.p.v. de kopgevel de voorkeursgrenswaarde overschreden. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrens waarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, financiële en civiele aard. Met een besluit op dit bestemmingsplan wordt dan ook gevraagd aan het bevoegd gezag om een hogere grenswaarde vast te stellen. In Bijlage 7 is het ontwerp besluit van de hogere grenswaarde in het kader van de wet geluidhinder opgenomen. In Bijlage 3 is het rapport van het akoestisch onderzoek toegevoegd.
4.7.2
Industrielawaai
In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijfsgebouwen gevestigd, enkel een akkerbouwbedrijf aan de Neterselsedijk 9. In paragraaf 4.5 ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is eerder aangegeven dat voldaan wordt aan de maximale richtafstanden tussen de bedrijven en het plangebied, zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de bedrijfsactiviteiten in de omgeving geen geluidhinder veroorzaken op de nieuw te realiseren Ruimtevoor-Ruimte woningen. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.
4.8.1
Niet in Betekende Mate
Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
35
Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Met dit initiatief worden twee Ruimte-voor-Ruimte kavels mogelijk gemaakt waarop per kavel één Ruimte-voor-Ruimte woning gerealiseerd kan worden. De kavels zijn gesitueerd aan een ontsluitingsweg. Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze ontwikkeling NIBM is. Gezien bovenstaande is een verder onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk.
4.8.2
Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie ter plaatse van het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 17,57 μg /m3, voor PM2,5 10,81 μg /m3 en voor NO2 13,9 μg /m3, zie Afbeelding 19, Afbeelding 20 en Afbeelding 21.
Afbeelding 19: Uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied met rood omcirkeld.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
36
Afbeelding 20: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied met rood omcirkeld.
Afbeelding 21: Uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied met rood omcirkeld. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9 Spuitzones In relatie tot omliggende gronden heeft de locatie mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen.
Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Met het beoogde initiatief worden twee Ruimte-voor-Ruimte woningen gerealiseerd. Binnen een straal van 50 meter rondom de nieuwe woningen vindt geen boomteelt plaats. Ook zijn er geen spuitzones
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
37
opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het aspect spuitzones vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.10 Volksgezondheid In deze paragraaf wordt getoetst aan het onderdeel endotoxine en geitenmoratorium in het kader van volksgezondheid.
4.10.1 Endotoxinen
Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Momenteel wordt door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m 3. Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dat dit aantal echter niet hanteerbaar is.
In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen. Zoals in paragraaf 4.6 is benoemd zijn er in de omgeving van het plangebied enkele veehouderijen aanwezig. Aan de Mispeleind 4 is een vleesvarkenshouderij gelegen. Dit bedrijf ligt op een afstand van circa 138 meter en heeft een emissie PM 10 van 73,44 kg/jaar. Aan de Dunsedijk 1 is een gecombineerd bedrijf gelegen met rundvee en vleesvarkens. Dit bedrijf ligt op een afstand van circa 196 meter en heeft een emissie PM10 van 184,96 kg/jaar. Aangezien er geen bedrijven met een hogere fijnstofemissie dan 500 kg PM10 per jaar in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen, kan worden geconcludeerd dat er in de omgeving geen veehouderijen met een hoge fijnstof-endotoxinenemissie zijn gelegen. De woningen binnen het plangebied blijven derhalve buiten de endotoxine-risicocontouren van de omliggende agrarische bedrijven. Het aspect endotoxinen in het kader van volksgezondheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
38
4.10.2 Geitenmoratorium Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 3 kilometer van de geitenhouderij aan De Baan 3 te Hooge Mierde, zie Afbeelding 22. Dit is de dichtstbijzijnde geitenhouderij ten aanzien van de ligging van het plangebied. Gelet op het feit dat het plangebied op een grotere afstand dan 2 kilometer van de dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen, is er op basis van de aard- en omvang van deze ontwikkeling geen belemmering m.b.t. het geitenmoratorium. De afstanden (meer dan 2 km) tot geitenhouderijen zijn dermate groot dat de risico’s voor volksgezondheid voldoende worden beperkt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn er voor het initiatief geen belemmeringen m.b.t. het aspect geitenhouderijen en volksgezondheid.
Afbeelding 22: Ligging plangebied t.o.v. geitenhouderij aan De Baan 3 4.11 Landschappelijke inpassing Met de realisatie van de twee Ruimte-voor-Ruimte-kavels is een goede landschappelijke inpassing benodigd, welke aansluit bij de landschappelijke elementen van het gebied. Gezien het hier een Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkeling betreft is afdeling 3.7 ‘Ontwikkeling Rood voor groen’ van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van toepassing. In artikel 3.77 is opgenomen dat indien toepassing gegeven wordt aan ‘rood voor groen’ ook voldaan wordt aan de verplichting als bedoeld in artikel 3.9 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’. Opgemerkt dient te worden dat het een basisinspanning is om de kavels op een zorgvuldige manier landschappelijk in te passen. In Bijlage 1 van deze toelichting is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Het inpassingsplan is opgesteld in overeenstemming met de stedenbouwkundige en landschapsarchitect van de gemeente Reusel–De Mierden. In dit inpassingsplan is bepaald dat de waardevolle doorzichten naar het achterliggende landschap zoveel als mogelijk behouden moeten worden. Het is dus niet wenselijk om het gehele plangebied te omzomen met dichte en hoge beplanting. Wel is het van belang dat de kavels ruimtelijk gescheiden worden van de overige woonkavels, waarbij de twee Ruimte-voor-Ruimte kavels als het ware één erf/entiteit vormen.
Dit wordt bewerkstelligd door de aanplant van een inheemse knip- en scheerheg aan de zijkanten van de woonkavels. De meest westelijk gesitueerde heg heeft daarbij een lagere maximale hoogte, waardoor hier nog meer van de zichtlijn uit het Mispeleind naar het achterliggende landschap blijft gewaarborgd. De oostelijke heg fungeert als afscheiding met het aangrenzende perceel van derden,
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
39
waardoor hier de heg ook voldoende hoog is ingestoken. Aan de achterzijde wordt een bossingel aangelegd met boomvormers, voor een meer natuurlijke overgang van het bebouwingsgebied naar het agrarisch landschap. Dit versterkt ook het karakter van de bebouwingsconcentratie. Voor een verdere verwijzing naar het inpassingsplan wordt verwezen naar de bijlage. 4.12 Bodemkwaliteit Bij ruimtelijke plannen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit risico's (humaan) met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan het bestemmingsplan om bepaalde nieuwe functies toe te staan geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerd of weggenomen door sanering. De beoogde Ruimte-voor-Ruimte kavels worden gerealiseerd ter plaatse van gronden die tot op heden onbebouwd zijn en in gebruik zijn als weiland. Hiervoor wordt een bestemmingswijziging doorgevoerd, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet in een woonbestemming. In de beoogde Ruimtevoor-Ruimte woningen zullen mensen 2 uur of langer verblijven.
Om inzicht te krijgen in de actuele milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigde stoffen in de grond en grondwater aanwezig zijn, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lankelma Geotechniek Zuid BV. Opgemerkt dient te worden dat er ten tijde van de eerste situering van het plangebied een verkennend bureau- en booronderzoek is uitgevoerd door Lankelma Geotechniek Zuid BV. Echter, zoals eerder in deze toelichting is beschreven, is het plangebied wat ‘verschoven’ naar aanleiding van de uitkomsten uit de omgevingsdialoog. Dit betekend dan ook dat dit ‘nieuw’ plangebied nog niet onderzocht was. Derhalve heeft Lankelma opnieuw een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van dit nieuwe plangebied. De resultaten van beide onderzoeken zijn van belang. Derhalve zijn deze dan ook samen gevoegd in één bijlage bij deze toelichting. Uit beide bodemonderzoeken is gebleken dat er ter plaatse van het plangebied slechts licht verhoogde gehalten in grond en grondwater zijn gevonden. De hypothese ‘onverdacht’ is op basis van deze resultaten blijven staan. Op basis van de resultaten zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen redenen tot nader bodemonderzoek. Het aspect bodemkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. Het gehele bodemonderzoek is toegevoegd in Bijlage 4 van deze toelichting.
Dit betreft dus het oorspronkelijk bodemonderzoek en het aanvullend bodemonderzoek nadat het plangebied is verschoven. 4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.13.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor de Neterselsedijk ongenummerd kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
40
kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In het volgend kader worden deze risico’s nader uitgelegd.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.
Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
4.13.2 Toetsing aan beleid
Onderstaand in Afbeelding 23 is de Risicokaart opgenomen. Hierop zijn relevante inrichtingen, transportroutes en buisleidingen in het kader van externe veiligheid opgenomen.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Neterselsedijk ong. Lage Mierde’
41
Afbeelding 23: Uitsnede Risicokaart Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (Ruimte-voor-Ruimte-woningen) binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten. De inrichting aan de Dunsedijk 3 te Lage Mierde is opgenomen in de Risicokaart. Echter betreft dit geen Bevi-inrichting. Op deze locatie is een bovengrondse propaantank aanwezig van 3m 3. Voor een dergelijke inrichting geldt geen PR 10-6 contour, wel geldt een veiligheidsafstand van 10 meter. Zoals te zien is in Afbeelding 23 wordt ruimschoots voldaan aan deze veiligheidsafstand. Uit de risicokaart blijkt verder dat er geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van het Bevi. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) In de gemeente Reusel-De Mierden is van niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen over water of spoor geen sprake. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg dient plaats te vinden via hoofdwegen.