Bijlage 1. Aanvraag bopa
Tekst van het document
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Beoordeling omgevingstype De omgeving van de planlocatie laat zich omschrijven als een overgangsgebied tussen het stedelijk gebied van de kern Lage Mierde en het buitengebied. De planlocatie is gelegen aan het bebouwingslint van de Draaiboom die verder in overwegend zuidwestelijke richting overgaat als het Vloeiend. Aan dit bebouwingslint komen in hoofdzaak woningen voor, waardoor de omgevingskarakteristiek zich in hoofdzaak laat omschrijven als een woongebied. Echter, naast woningen komen in de directe nabijheid van het plangebied ook enkele afwijkende functies voor. Zo bevindt het plangebied zich op betrekkelijk korte afstand van het bedrijventerrein ‘Koningshoek’ waarbinnen diverse bedrijfspercelen zijn gelegen. Ook komen aan de Draaiboom en aan het Vloeieind enkele detailhandelsfuncties voor en een horecafunctie. Daarnaast bevindt het plangebied zich op betrekkelijk korte afstand van een betrekkelijk drukke ontsluitingsweg, te weten de N269.
Gelet op het vorenstaande is er sprake van een ligging binnen een gemengde omgeving met functiemenging nabij een drukke ontsluitingsweg. Dit maakt dat de ligging van de planlocatie zich conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering laat typeren als ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals opgenomen in de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering, met één afstandsmaat verlaagd mogen worden. Gevoelig object De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een agrarisch perceel naar wonen teneinde de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van één gevoelig object in de hoedanigheid van een woonfunctie. Dit maakt dat het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk gemaakt dient te worden aan de geldende richtafstanden en beoordeeld dient te worden in hoeverre de beoogde ontwikkeling een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres
Type bedrijvigheid
Milieucategorie
56
Grootste richtafstand
Feitelijke afstand
Draaiboom 57, De Tinnen Pot 1
Detailhandel
1
0 meter
10 meter
Draaiboom 55 Draaiboom 51-53 Draaiboom 49
Detailhandel Detailhandel Horeca categorie a
1 1 1
0 meter 0 meter 0 meter
36 meter 60 meter 80 meter
Koningshoek 5
Nutsvoorziening
1
0 meter
71 meter
Koningshoek 5a
Nutsvoorziening
1
0 meter
76 meter
Akkerstraat 2t
Nutsvoorziening
1
0 meter
57 meter
Koningshoek 1
Bedrijven onder de categorieën 2 en 3.1 Bedrijven onder de categorieën 2 en 3.1
3.1
30 meter
72 meter
3.1
30 meter
83 meter
Koningshoek 5 en 7
In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van het (voormalige) bestemmingsplan “Kom Lage Mierde” (nu Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden) waarop de omliggende bedrijvigheid is aangeduid.
Bedrijven cat. 3.1
Bedrijven cat. 3.1
Bedrijven cat. 3.1
Horeca Detailhandel Bedrijven cat. 3.1 Detailhandel
Nutsvoorziening
Detailhandel
Nutsvoorziening
Herbestemd naar wonen
Figuur 34: Ligging planlocatie ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Beoordeling woon- en leefklimaat/beperking ontwikkelingsmogelijkheden Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van omliggende bedrijvigheid 57
ruimschoots voldaan wordt aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. 6.4.1
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.5
Trillingen
Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 6.5.1
Onderzoek
De planlocatie bevindt zich op aanmerkelijk ruime afstand van een spoorweg. Derhalve kan een nadere toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing en kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingen. 6.5.2
Conclusie
Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.6
Kwaliteit van de buitenlucht
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.6.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven volgens artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
58
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 6.6.2
Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl)
In artikel 5.54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om de navolgende gevallen: a.
gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2;
b.
gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°.twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;
c.
zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1°.één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties;
d.
het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.niet-verwarmde kassen; of 2°.verwarmde kassen niet groter dan 2 ha;
e.
het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
f.
het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.witloftrek; of 2°.teelt van eetbare paddenstoelen; of
g.
het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar. 59
6.6.3
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een agrarisch perceel naar wonen teneinde de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken. Wanneer het planvoornemen wordt vergeleken met bijvoorbeeld de uitbreiding van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg, kan worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool. Zie onderstaande afbeelding.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
8
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m
3
0,00
PM10 in μg/m
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 35: Berekening NIBM-tool 6.6.4
4.13.2 Blootstelling aan verontreiniging
In paragraaf 2.2.1.1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; b. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en c. 14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden. De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting.
60
De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 en ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2022).
Figuur 36: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (NO2-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Figuur 37: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
61
Figuur 38: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 en die ver onder de grenswaarden blijven. Immers, de jaargemiddelde concentratie van N02 binnen de planlocatie bedraagt circa 12,3 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde geldt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM 10 circa 16,5 μg/m³ en PM 2,5 circa 9,2 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van PM 10 en PM 2,5 40 μg/m³, respectievelijk 25 μg/m³, bedraagt. 6.6.5
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar is. 6.7
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.7.1
Wettelijk kader
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Let op dat er ook een toetsing plaatsvindt aan de Beleidsregel definitie geurgevoelig gebouw Reusel-De Mierden 2024: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR713772/1 Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf 62
welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • Geurnormen in het omgevingsplan • Rekenen • Afstandseisen • Randvoorwaarden Gemeentelijk beleid • Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Reusel-De Mierden: Deze verordening is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Reusel-De Mierden geworden (artikel 4.6, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). De planlocatie is op de kaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Reusel-De Mierden gelegen in de ‘kern’, waarvoor een van de landelijk geurnorm afwijkende norm geldt van 0,1 ouE/m3. 6.7.2
Geurgevoelige objecten
De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van één geurgevoelig object in de hoedanigheid van een woonfunctie. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het aspect geur en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. 6.7.3
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld
Binnen de directe nabijheid van het plangebied komen geen veehouderijen voor waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Op grotere afstand van het plangebied bevinden zich wel enkele veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor, te weten aan de Dunsedijk 1, de Neterselsedijk 12A, de Poppelsedijk 11 en de Twisseltsebaan 10. De meest dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden betreft de varkenshouderij aan de Dunsedijk 1 te Lage Mierde op een kortste afstand van circa 900 meter van het plangebied. Voor dergelijke veehouderijen is in beginsel geen vaste afstandsmaat van toepassing. Enkel een vaste afstandsmaat van 50 meter van gevel tot gevel die voor alle veehouderijen van toepassing is waar ruimschoots aan wordt voldaan. Ook wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstand van 200 meter ten aanzien van geur. Vanwege de aanmerkelijke afstand van het plangebied ten opzichte van voornoemde veehouderijen heeft de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg. Immers, er zijn reeds een groot aantal geurgevoelige objecten op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd.
Deze geurgevoelige objecten zijn reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderijen, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft. 6.7.4
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld
Nu de planlocatie ruimtelijk gezien is gelegen binnen de bebouwde kom en op grond van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Reusel-De Mierden ook is gelegen in het de kern, wordt bij de toetsing aan richtafstanden in het kader van de Wgv uitgegaan van de omstandigheid dat de sprake is van een situatie binnen de bebouwde kom. In geval van een uitbreiding van een veehouderij met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, dient derhalve getoetst te worden aan een afstand van 100 meter op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De afstand van het plangebied ten opzichte van veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, bedraagt ruimschoots meer dan 100 meter. Hierdoor kan worden aangenomen dat omliggende veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor niet worden belemmerd in diens ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling en dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
63
6.7.5
Woon- en leefklimaat
Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) De gemeente Reusel-De Mierden stelt in hun geurgebiedsvisie streefwaarden voor het ‘woon- en leefklimaat’ binnen diverse gebieden binnen de gemeente. De planlocatie is daarbij gelegen in het gebied ‘woonkernen’. Op basis van onderstaande tabel uit de geurgebiedsvisie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat indien de achtergrondbelasting lager is dan 10 ouE/m3. Zie onderstaande afbeelding.
Figuur 39: Gebiedsindeling, streefwaarden met geurklassen en geurhinderniveaus met kwaliteit van het woon- en leefklimaat Op basis van de geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de ODZOB (peildatum juni 2023) valt op te maken dat bij de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting van 0-3 ouE/m3, zijnde ‘zeer goed’ en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zie onderstaande afbeelding.
64
Figuur 40 Achtergrondbelasting geur ODZOB juni 2023 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Er bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Hierdoor wordt niet toegekomen aan een toetsing aan de voorgrondbelasting. Concluderend kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat op basis van geur. Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’. 6.7.6
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen voor veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’. 6.8
Bodemkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.8.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de 65
betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 6.8.2
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een agrarisch perceel naar wonen. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een gebruikswijziging, waarbij bovendien een gevoelige functie in de hoedanigheid van een woongebruik wordt toegestaan. Immers, als gevolg van de beoogde herontwikkeling naar wonen kunnen er zich binnen het plangebied in de beoogde situatie in permanente mate (meer dan twee uur per dag) mensen verblijven. Dit betekent dat inzichtelijk gemaakt dient te worden of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of sprake is van bodemverontreiniging. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd voor de totale woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’, waarbij de gronden behorende tot het plangebied tot het onderzoeksgebied behoren. Het complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven. ‘Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q.
beperkingen voor de voorgenomen transactie van deze locatie’. 6.8.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg. 6.9
Wegen, verkeer en parkeren
Parkeren maakt onderdeel uit van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente Reusel-De Mierden conformeert zich aan de landelijke parkeernormen uit de CROWpublicatie 317. De gemeente hanteert hierbij het gemiddelde van de bandbreedte. Voor de beoogde ontwikkeling is uitgegaan van een ligging binnen de ‘rest bebouwde kom’ en van een verstedelijkingsgraad van ‘niet-stedelijk’. Beoordeling In de huidige situatie zijn de gronden behorende tot het plangebied in gebruik als agrarische grond. Nu ter plaatse geen bouwvlak aanwezig is, is ter plaatse enkel een agrarisch grondgebruik toegestaan. Gelet hierop gaat het huidige gebruik van het plangebied niet gepaard met enige parkeerbehoefte. In de beoogde situatie bevindt zich binnen de planlocatie één vrijstaande woning. Voor een dergelijke vrijstaande woning geldt binnen de bebouwde kom in een niet stedelijk gebied een gemiddelde parkeernorm van 2,3 (afgerond 3) parkeerplaatsen. Nu het huidige gebruik geen parkeerbehoefte kent, gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een toename in de parkeerbehoefte van afgerond 3 66
parkeerplaatsen. Op eigen terrein en binnen de planlocatie is meer dan voldoende ruimte om de benodigde drie parkeerplaatsen te realiseren. Ter illustratie is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop de beoogde parkeerplaatsen zijn aangeduid. Hierbij dient opgemerkt te worden dat op onderstaande afbeelding enkel illustratief twee parkeerplaatsen zijn ingetekend. Grenzend aan de twee ingetekende parkeerplaatsen is meer dan voldoende ruimte aanwezig voor de realisatie van een derde parkeerplaats. Dit is illustratief aangegeven. Binnen de planlocatie is, gelet op de oppervlakte van circa 1.425 m2, dan ook meer dan voldoende ruimte om te kunnen voorzien in parkeren op eigen terrein.
Figuur 41: Situatieschets beoogde situatie met indicatieve situering parkeerplaatsen (indicatieve parkeerplaatsen zijn voorzien van een rode omlijning) Een en ander wordt bovendien als voorwaarde gesteld in de beschikking van de omgevingsvergunning, waardoor is verzekerd dat de parkeerplaatsen worden gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden. Conclusie Het aspect ‘parkeren’ staat het planvoornemen niet in de weg nu binnen de planlocatie meer dan voldoende ruimte is om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. 6.10
Verkeer
In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ moet er sprake zijn van een goede verkeersafwikkeling en mag door het planvoornemen geen gevaarlijke verkeerssituatie ontstaan. Voor de beoogde ontwikkeling is, zoals hiervoor reeds is aangegeven, uitgegaan van een ligging binnen de ‘rest bebouwde kom’ en van een verstedelijkingsgraad van ‘niet-stedelijk’. Beoordeling 67
In de huidige situatie zijn de gronden behorende tot het plangebied in gebruik als agrarische grond. Vanwege het ontbreken van een agrarische bouwvlak is het niet mogelijk om ter plaatse een agrarisch bedrijf te exploiteren. Aangezien ter plaatse enkel een agrarisch grondgebruik aan de orde is, kennen de onderhavige gronden niet of nauwelijks enige verkeersaantrekkende werking. Ook zijn op grond van de CROW-normeringen geen kencijfers van toepassing voor dergelijke agrarische gronden. Er is enkel sporadisch sprake van enkele verkeersbewegingen door agrarische verkeer, zoals tractoren, vanwege het maaien, bemesten, etc. van de gronden. In de beoogde situatie bevindt zich binnen de planlocatie één vrijstaande woning. Voor een dergelijke vrijstaande woning geldt binnen de bebouwde kom in een niet-stedelijk gebied dat deze gepaard gaat met circa 8 verkeersbewegingen per etmaal. Nu de gronden behorende tot het plangebied in de huidige situatie niet of nauwelijks enige verkeersaantrekkende werking kennen, heeft de beoogde ontwikkeling een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de planlocatie is gelegen aan de Draaiboom.
De Draaiboom betreft een lokale doorgaande weg die onder meer ontsluiting biedt aan verkeer dat zich vanuit de zuidelijke zijde van de kern Lage Mierde in de richting van het centrum begeeft en vice versa. Nu sprake is van een doorgaande weg in de richting van het centrum van de kern Lage Mierde kan geconcludeerd worden dat de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen wegvalt in het heersende verkeersbeeld. De normale afwikkeling van het verkeer zal dan ook niet in het geding komen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Dit wordt tevens bevestigd na raadpleging van de viewer ‘Intensiteiten van het wegennetwerk’ van de provincie Noord-Brabant. Een en ander laat zien dat het aantal verkeersbewegingen ter plaatse circa 400 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt, waardoor het extra verkeersbewegingen op de Draaiboom als gevolg van de beoogde ontwikkeling slechts circa 2% bedraagt en een en ander wegvalt in het heersende verkeersbeeld. 6.10.1 Conclusie Het aspect ‘verkeer’ staat het planvoornemen niet in de weg. 6.11
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 6.11.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheid of externe veiligheid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen.
Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
68
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten.
Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van één gevoelig gebouw. Hierdoor is een toetsing aan het woon- en leefklimaat in het kader van omgevingsveiligheid relevant. De planlocatie is, zoals weergegeven in de afbeeldingen in deze paragraaf, niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of een transportroute.
De meest dichtstbijzijnde risicobron betreft de opslag van propaangas op een kortste afstand van circa 1,4 kilometer in overwegend noordoostelijke richting met bijbehorend explosie-, brandaandachtsgebied en PR-contour. De planlocatie bevindt zich ruimschoots buiten de risicocontour en bijbehorende aandachtsgebieden.
69
Figuur 42 Uitsnede Atlas Leefomgeving: risicobronnen externe veiligheid (planlocatie is indicatief aangegeven met een rode cirkel)
Figuur 43 Uitsnede risicokaart Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (planlocatie is indicatief aangegeven met een rode cirkel) 70
Groepsrisico De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico moet doorlopen worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen moet worden verantwoord indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de Atlas Leefomgeving volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt de planlocatie, evenals in de bestaande situatie, in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen). Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving.
6.11.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht. 6.12
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 6.12.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. 6.12.2 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op 71
de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden betrekkelijk groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000gebied betreft Kempenland-West op circa 490 meter in overwegend westelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Circa 490 meter
Figuur 44: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel) Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan in beginsel met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is, indien nodig, een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken.
Aanlegfase Het initiatief kent een relatief beperkte aanlegfase (bouwfase) vanwege de realisatie van één vrijstaande woning met bijbehorend bijgebouw. Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Hierbij is uitgegaan van de navolgende verkeersbewegingen (uitgaande van 20% van het verkeer via route 1 en 80% via route 2): 72
-
224 lichte verkeersbewegingen (bestelbussen/personeel/aannemer); 224 middelzware verkeersbewegingen (bakwagens/bodediensten); 56 zware verkeersbewegingen (vrachtwagens/betonstorters, etc.).
Daarnaast dient tevens rekening gehouden te worden met koude starts als gevolg van lichte verkeersbewegingen gedurende de aanlegfase. Het gaat hierbij om 224 verkeersbewegingen met ieder één koude start, hetgeen resulteert in 224 koude starts per jaar. Bij het transport met de zware vrachtwagens is het aannemelijk dat zij bij stilstand nog stationair draaien zoals bijvoorbeeld het laden en lossen van de bouwmaterialen, optrekken containers etc. Zoals eerder beschreven zijn er 56 bezoeken met zware vrachtwagens. Het laden/lossen duurt circa 0,3 uur per bezoek. De totale bedrijfstijd stationair draaien bedraagt daarmee: 0,3 x 208 = 16,8 uur per jaar. Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator’ heeft een stationair draaiende vrachtwagen (2019) een emissie van 0,9288 gr. NH3 en 111,1356 gr. NOX per uur. Dit resulteert in: 16,8 x 0,0009288 kg = 0,0156 kg NH3 per jaar 16,8 x 0,1111356 kg = 1,8671 kg NOx per jaar De inzet van onderstaande mobiele werktuigen:
Figuur 45: Ingevoerde parameter mobiele werktuigen Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel voor wat betreft het aantal verkeersbewegingen als voor wat betreft de inzet van mobiele werktuigen is uitgegaan van een absoluut worst-case scenario om te duiden dat de beoogde ontwikkeling per definitie geen noemenswaardige toename van de stikstofdepositie tot gevolg heeft. Gelet op de betrekkelijk beperkte omvang en bouwduur zal een en ander in werkelijkheid beduidend lager uitvallen. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Gebruiksfase Ook is voor wat betreft de gebruiksfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierbij zijn ten aanzien van de gebruiksfase de volgende aannames gedaan: 73
-
Beoogde woning gasloos; 8 verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van een worst-case scenario in alle richtingen); 5 koude starts per dag als gevolg van één woning met twee koude starts per dag en drie parkeerplaatsen met ieder één koude start per dag als gevolg van bezoekers.
Deze berekening laat zien dat de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Conclusie Het aspect natuur staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.13
Flora en fauna
Toetsingskader Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een agrarisch perceel naar wonen teneinde de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken. Met het planvoornemen zijn geen sloopwerkzaamheden voorzien ten behoeve van de sloop van bestaande bebouwing.
Ook gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met het verwijderen van houtopstanden, groenstructuren of andere vormen van beplanting. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan, waardoor de beoogde ontwikkeling geen negatieven gevolgen heeft voor flora en fauna. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de gronden behorende tot het plangebied in de huidige situatie in gebruik zijn als intensieve agrarische productiegronden. Ter plaatse wordt in hoofdzaak gras geteeld waarbij intensieve bemaaiing plaatsvindt ten behoeve van voederwinning voor het melkveebedrijf van de initiatiefnemer. Ook wordt ter plaatse afwisselend maïs geteeld ten behoeve van voederwinning voor het melkveebedrijf en worden ter plaatse sporadisch akkerbouwgewassen, zoals aardappelen, geteeld. De agrarische grond wordt hierbij op frequente basis omgezet. Door dit intensieve agrarische gebruik en de op frequente basis omzetting van grond is het voorkomen van beschermde flora- en faunasoorten uitgesloten. Ter illustratie zijn in het onderstaande enkele foto’s opgenomen die zijn genomen gedurende een tweetal veldbezoeken, te weten op 12 oktober 2024 en op 4 december 2024.
Een en ander laat zien dat ter plaatse van het plangebied geen vermeldenswaardige houtopstanden, groenstructuren of andere beplanting voorkomen die als habitat of verblijfsgebied voor beschermde soorten zouden kunnen fungeren. Er is enkel sprake van intensief gebruikt en gemaaid grasland, waardoor negatieve effecten op beschermde soorten in beginsel zijn uitgesloten.
74
Figuur 46: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 12 oktober 2024 (1)
Figuur 47: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 12 oktober 2024 (2)
75
Figuur 48: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 12 oktober 2024 (3)
Figuur 49: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (1)
76
Figuur 50: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (2)
Figuur 51: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (3)
77
Figuur 52: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (4)
Figuur 53: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (5)
78
Figuur 54: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (6)
Figuur 55: Huidige situatie plangebied veldbezoek d.d. 4 december 2024 (7)
79
Echter, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien en om met zekerheid uit te sluiten dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op eventueel voorkomende beschermde soorten is een ecologische quickscan uitgevoerd. De complete ecologische quickscan is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De conclusies worden in het onderstaande (in cursief) weergegeven: Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn er voor andere beschermde planten- en diersoorten geen negatieve effecten met de werkzaamheden te verwachten, wanneer het schijnen van kunstlicht op omstaande bomenrijen wordt voorkomen en de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels plaatsvinden. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient aangetoond of uitgesloten te worden met een AERIUS-berekening. Nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door steenuilen en kerkuilen is noodzakelijk. Deze onderzoeken worden reeds uitgevoerd voor het woningbouwproject ‘Hasselt III’ ten westen van de planlocatie. Omdat het plangebied in deze onderzoeken wordt meegenomen is het niet nodig om nog apart onderzoek te laten uitvoeren.
Wel dient te worden gewacht op de onderzoeksresultaten, zodat kan worden bepaald of een activiteitenplan met ecologisch werkprotocol en een vergunningaanvraag noodzakelijk zijn. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen nemen om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 6.13.1 Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ staat het planvoornemen dan ook, gelet op bovenstaande conclusies, niet in de weg. 6.14
Water en watersystemen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. 6.14.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water.
80
De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(-s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 6.14.2 Onderzoek Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht.
De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het wateren bodemsysteem.
De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en 81
dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; • Wat schoon is moet schoon blijven.
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. De keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a.