Bijlage 1. Aanvraag bopa
Tekst van het document
het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:
82
Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Waterschapsverordening Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen: onze leefomgeving. Deze regels staan in één digitale verordening: de waterschapsverordening. Voorheen stonden deze regels in het waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur en de bijbehorende algemene regels. Met de komst van de Omgevingswet zijn deze regels vervangen door de waterschapsverordening. Artikel 2.2 lid 5 schrijft onder meer voor dat het verboden is om zonder omgevingsvergunningaanvraag water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Dit verbod geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2. Beleid gemeente Reusel-De Mierden Het gemeentelijk waterbeleid is vervat in de Visie Water en Riolering 2024-2028. Voornoemde visie is op 14 november 2023 door de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden vastgesteld. In deze visie liggen de ambities en kaders voor het stedelijk watersysteem vast binnen de gemeente Reusel-De Mierden vast.
De gemeente staat voor een grote uitdaging om het watersysteem kwalitatief op orde te houden én robuust in te richten zodat het systeem ook in de toekomst voldoende functioneert. Om richting te geven aan deze uitdaging, zijn er 5 ambities geformuleerd: 1. Kwaliteit op orde; 2. Doelmatig en kostenefficiënt beheer; 3. Uniformiteit voor inwoners, bedrijven en initiatiefnemers; 4. Klimaatrobuuste inrichting van de gemeente; 5. Verstevigen van de integrale samenwerking, binnen en buiten de eigen gemeente. Met betrekking tot de omvang van hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: De voorkeursvolgorde is: 1. besparen 2. vasthouden 3. bergen 4. aanpassen 5. afvoeren Verder is opgenomen dat voor ontwikkelingen die buiten de Keur vallen een gemeentelijke bergingseis geldt: Bij nieuwbouwontwikkelingen kleiner dan 500 vierkante meter verhard oppervlak hanteren we een hemelwaterbergingseis van 40 millimeter waterberging per vierkante meter verhard oppervlak. • Verhard oppervlak is het totaal verharde oppervlak in de nieuwe situatie. Gesloopt oppervlak kan dus niet worden afgetrokken van het totaal verharde oppervlak. • De bergingseis geldt voor alle nieuwbouw; dus ook voor herbouw. • De bergingseis geldt niet voor verbouw. • De bergingseis geldt alléén voor nieuwbouw waarvoor een vergunning nodig is.
Onderzoek Huidige situatie Algemeen Ligging plangebied Bebouwd/onbebouwd en verhard/onverhard oppervlak Ligging nabij waterlichamen Bodem en grondwater De planlocatie is op grond van de Bodemkaart van Nederland, alsook op grond van kaarten die de grondwaterstanden aangeven aangeduid als ‘bebouwd gebied’. Dit betekent dat het exacte bodemtype, alsook de extra grondwaterstand binnen het plangebied niet bekend is. Derhalve dient aansluiting gevonden te worden bij gronden in de directe omgeving van het plangebied. De gronden in de directe omgeving van het plangebied zijn aangeduid als het bodemtype ‘Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand’. In de directe nabijheid van het plangebied is overwegend sprake van een grondwatertrap van 83
VII 80-140 cm meer dan 120 cm. De gemiddelde laagste grondwaterstand in de omgeving van het plangebied bedraagt overwegend 200-250 cm beneden maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de directe omgeving varieert tussen de 100 en 140 cm beneden maaiveld. Zie onderstaande afbeeldingen.
Figuur 56: Grondwatertrappenkaart (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
84
Figuur 57: GLG (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Figuur 58: GHG (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) 85
Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten binnen het plangebied, die zijn opgenomen in de legger, is de Waterschapsverordening van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Binnen het plangebied zijn geen A-waterlopen met bijbehorende beschermingszone gelegen die zijn opgenomen in de legger van het waterschap. Ook zijn binnen de planlocatie geen B-watergangen gelegen. Wel bevindt zich op enige afstand ten noordoosten, ten oosten en ten zuidoosten van het plangebied een A-waterloop met bijbehorende beschermingszone.
In het onderstaande is een uitsnede uit de legger van het waterschap De Dommel opgenomen ter illustratie.
Figuur 59: Uitsnede kaart Legger Waterschap De Dommel Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Toekomstige situatie Algemeen Op voorhand dient hierbij opgemerkt worden dat de beoogde ontwikkeling onderdeel uitmaakt van de totale woningbouwplannen ‘De Hasselt III’. Voor de totale woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ zal inzicht gegeven worden in het aspect waterberging en zal aan de hand van de totale toename van het 86
verhard oppervlak de benodigde bergingscapaciteit worden berekend. De ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ bevindt zich echter momenteel nog in de voorbereidende fase. In het stedenbouwkundig plan is aan de hand van de beoogde toename van het verhard oppervlak en een bergingsopgave van 60 mm per m2 reeds rekening gehouden met een benodigde bergingscapaciteit van 540 m3. Binnen het totale plangebied van de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ zal voorzien worden in waterberging met een totale bergingscapaciteit van 585 m3 aan de hand van de realisatie van een vijftal wadi’s met een waterdiepte van 0,3 meter en met taluds van 1:4. Zo is onder meer ten westen/zuidwesten van het plangebied een wadi beoogd. Nu de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied onderdeel uitmaakt van de totale planvorming van de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’, is verzekerd dat voorzien wordt in voldoende waterberging conform relevant waterbeleid. Echter, nu met de beoogde ontwikkeling vooruit wordt gelopen op een ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’, wordt in het onderstaande nader inzicht gegeven op de benodigde waterberging als gevolg van de beoogde komst van één vrijstaande woning met aanhorigheden binnen het plangebied.
Zoals hiervoor reeds is aangegeven, geldt op grond van het gemeentelijk waterbeleid dat hemelwater op eigen perceel dient te worden verwerkt. In onderstaande tabel is het huidig en toekomstig verhard oppervlak weergegeven. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor wat betreft het verhard oppervlak in de beoogde situatie vanuit een worst-case benadering de aanname is gedaan dat in zijn totaliteit 394 m2 aan verharding aanwezig is (158 m2 woning, 36 m2 bijgebouwen en 200 m2 erfverharding). Type verharding Bebouwing Overig Totaal
Huidig (m2) 0 0 0
Toekomstig (m2) 194 200 394
Gelet hierop wordt met het verhard oppervlak de ondergrens van 500 m2, zoals opgenomen in de Waterschapsverordening, niet overschreden. Dit betekent dat het verbod om hemelwater af te voeren naar een oppervlaktelichaam conform het Waterschapsbeleid niet van toepassing is. Echter, gemeentelijk waterbeleid schrijft voor dat bij nieuwbouwontwikkelingen kleiner dan 500 vierkante meter verhard oppervlak een hemelwaterbergingseis van 40 millimeter waterberging per vierkante meter verhard oppervlak geldt. Nu het verhard oppervlak in de toekomstige situatie vanuit een worst-case benadering maximaal 394 m2 bedraagt, wordt conform het gemeentelijk waterbeleid tot een waterbergingsopgave van 15,76 m3 (394 m2 x 0,04) gekomen. Ter plaatse van de planlocatie is meer dan voldoende ruimte aanwezig om deze waterbergende voorziening te realiseren. Bij het ontwerp en de realisatie van de waterbergende voorziening zal onder meer rekening gehouden worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand aangezien de benodigde berging van 15,76 m3, voor zover een en ander bovengronds wordt gerealiseerd, boven de GHG dient te worden gerealiseerd. De benodigde waterbergende voorziening binnen het plangebied kan onder meer middels een retentievoorziening in de hoedanigheid van een retentievijver/wadi gerealiseerd worden met een minimale capaciteit van circa 15,76 m3 boven GHG.
Aangezien de realisatie van een bergingsvoorziening met een minimale capaciteit van 15,76 m3 als voorwaarde wordt gesteld in de beschikking van de omgevingsvergunning, is verzekerd dat een en ander wordt aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. In casu wordt met het beoogde bouwplan rekening gehouden met het vorenstaande. Verder dient opgemerkt te worden dat ter plaatse van het plangebied aan de Draaiboom in de huidige situatie reeds een gemengd rioolsysteem aanwezig is. Het plangebied kan voor wat betreft de afvoer van afvalwater hier eenvoudig op worden aangesloten. 6.14.3 Conclusie 87
Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 6.15
Duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie. 6.15.1 Wettelijk kader Artikel 22.52 van het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden bevat onder meer regels voor wat betreft duurzaamheid en energiebesparende maatregelen. Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: • • •
bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan.
Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: • • • •
Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in.
Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores varieren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw. 6.15.2 Conclusie Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woning de volgende maatregelen toegepast: •
Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); 88
• •
Geen aansluiting op gasnet; Toepassing van luchtwarmtepompen.
Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van onder meer de EPC en de Wet VET. Conclusie Binnen de planlocatie wordt op meerdere manieren invulling gegeven aan het aspect duurzaamheid. 6.16
Kabels en leidingen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met kabels en leidingen. 6.16.1 Wettelijk kader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. De Omgevingswet bevat regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico's van deze kabels en leidingen. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat op enige afstand ten zuiden/zuidoosten van het plangebied een rioolleiding met bijbehorende beschermingszone is gelegen. Het plangebied is echter buiten voornoemde beschermingszone gelegen. 6.16.2 Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 6.17
Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling
6.17.1 Wettelijk kader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Net als onder de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), wordt onder de Ow gewerkt met een gesloten lijstenstelsel voor de project-mer(-beoordeling). Dit betekent dat de projecten, gevallen en (op enkele uitzonderingen na) besluiten die project-mer-(beoordelings)plichtig zijn, in de lijst zijn opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Ten aanzien van het aanwijzen van mer-(beoordelings)plichtige projecten is het navolgende opgenomen in artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit: 1. Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2. Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke 89
milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen: a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. 6.17.2 Project-mer-beoordeling De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt enkel gesproken over een stedelijk ontwikkelingsproject. Hier is in casu geen sprake van. Gelet hierop geldt zowel geen mer-plicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet en geen mer-beoordelingsplicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 6.17.3 Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de mer-procedure.
90
7.
Beperkingengebieden
7.1
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat voorheen de (beschermings)zones waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers). Beperkingengebieden rondom (water)wegen zijn reeds behandeld in hoofdstuk 6 van deze onderbouwing.
91
8.
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid
8.1.1
Financieel economische haalbaarheid
Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Conform de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij het omgevingsplan passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal. Ten eerste zal worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. De nieuwe onuitvoerbaarheidstoets leidt tot minder mogelijkheden voor het gemeentebestuur om een bestemming te weigeren, omdat deze niet uitvoerbaar zou zijn. 8.1.2
Kostenverhaal
De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en gemeente Reusel-De Mierden draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Reusel-De Mierden en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van nadeelcompensatie. Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Immers, nu in casu sprake is van een bouwplan conform artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is de gemeente Reusel-De Mierden hiertoe ook verplicht. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Reusel-De Mierden en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.2.1
Verplichte participatie/bindend advies
In casu is het gemeentelijke beleidsstuk ‘Omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie ReuselDe Mierden’ relevant. Hieruit komt naar voren dat in het geval sprake is van de realisatie van één of meerdere woningen op een inbreidingslocatie in de bebouwde kom geen bindend advies noodzakelijk is. Nu sprake is van een ligging binnen de bebouwde kom en de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de komst van één woning vooruitlopend op de planvorming voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ is geen bindend advies noodzakelijk. In het beleidsstuk ‘Omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie Reusel-De Mierden’ wordt voorgeschreven dat participatie verplicht is in alle gevallen waarbij de raad om bindend advies moet worden gevraagd. Nu in casu geen bindend advies noodzakelijk is, betekent dit dat eveneens geen participatie verplicht is. Desondanks heeft participatie voor wat betreft de beoogde ontwikkeling plaatsgevonden middels een omgevingsdialoog. Voor een nadere motivatie zie paragraaf 5.3. 8.2.2
Participatie omgeving
In het onderhavige geval heeft participatie, gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, plaatsgevonden in de hoedanigheid van een omgevingsdialoog. Hierbij zijn directe omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Het verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Gedurende de omgevingsdialoog zijn vanuit omwonenden geen bezwaren opgehaald die tot aanpassing van de plannen hebben geleid. 8.3
Bestuurlijk vooroverleg 92
P.M.
93