Bijlage 1. Aanvraag bopa
Tekst van het document
In afwijking van Artikel 5.55, eerste lid, aanhef, kan een omgevingsplan voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen, ter plaatse van Landelijk gebied als: a. binnen Stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; d. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2; e. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden; en f. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. Lid 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een planmatige ontwikkeling ten behoeve van een samenhangende stedelijke structuur, die voorziet in de reguliere opvang van de woon- of werkbehoefte van een kern maar die vanwege de omvang niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Lid 3 Artikel 5.8, eerste lid onder a, is niet van toepassing op dit artikel.
Beoordeling Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is de gemeente Reusel-De Mierden voornemens om middels de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ een vervolg te geven aan de eerdere uitbreidingslocatie ‘De Hasselt II’ en te voorzien in een verdere uitbreiding van de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting. Met de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ is beoogd om grenzend aan de woningbouwlocatie ‘De Hasselt II’ te voorzien in de komst van circa 60 woningen in diverse woningtypologieën. De planlocatie en de beoogde komst van één vrijstaande woning met aanhorigheden binnen het plangebied maakt reeds onderdeel uit van het stedenbouwkundig plan en de planopzet voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Wanneer de ruimtelijke procedure voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ zal worden doorlopen, zal het stedelijk gebied van de kern Lage Mierde dermate worden herbegrensd dat de planlocatie binnen stedelijk gebied komt te liggen. Hieruit kan worden opgemerkt dat binnen het stedelijk gebied van de kern Lage Mierde onvoldoende ruimte beschikbaar is.
Aangezien het plangebied en de beoogde komst van één vrijstaande woning aldaar reeds onderdeel uitmaakt van het stedenbouwkundig plan van de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ kan worden opgemaakt dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied en tevens passend is binnen de regionale afspraken. Voor een verdere motivatie wordt verwezen naar de vorenstaande passages waar reeds uitvoerig is getoetst aan artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting van het gebied. Wanneer de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ wordt geëffectueerd in het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden zal een logische herbegrenzing en afronding van het stedelijk gebied plaatsvinden. Ter illustratie is een voorgestelde herbegrenzing in onderstaande afbeelding opgenomen. Een en ander is enkel illustratief.
33
Figuur 22: Logische afronding stedelijk gebied totale planvorming ‘De Hasselt III’(planlocatie is indicatief voorzien van een gele omlijning) Echter, met de beoogde komst van één woningbouwkavel binnen het plangebied wordt, zoals hiervoor reeds is aangegeven, vooruitgelopen op een planologische procedure voor de beoogde woningbouwontwikkeling ‘De Hasselt III’. Ook kan vooruitlopend op een planologische procedure voor de beoogde woningbouwontwikkeling ‘De Hasselt III’ een logische afronding van stedelijk gebied worden gerealiseerd. Met de beoogde komst van één vrijstaande woning binnen het plangebied wordt het bebouwingslint van de Draaiboom nagenoeg gecomplementeerd. Dit biedt een kans om het stedelijk gebied dusdanig logisch af te ronden dat het gehele bebouwingslint van de Draaiboom onderdeel uitmaakt van het stedelijk gebied en een onlogische inkeping ter plaatse van het plangebied en het aangrenzende perceel komt te vervallen. Ter illustratie is een voorgestelde herbegrenzing in onderstaande afbeelding opgenomen.
34
Figuur 23: Logische afronding stedelijk gebied totale planvorming ‘De Hasselt III’(planlocatie is indicatief voorzien van een gele omlijning) 5.2.10 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie, omdat zij bijdraagt aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, aansluit bij de provinciale ambities ten aanzien van klimaatadaptatie en leefomgevingskwaliteit, en voldoet aan de kaders zoals vastgelegd in het actuele provinciale beleid. 5.3
Regionaal beleid
5.3.1
Woondeal
Op 9 maart 2023 is de hernieuwde 'Regionale Woondeal Zuidoost-Brabant' ondertekend door alle 21 gemeenten uit de Metropool Regio Eindhoven (MRE), de 13 woningcorporaties in Zuidoost-Brabant, de provincie en de minister van BZK. In dit akkoord zijn, als gevolg van de toenemende druk op de woningmarkt, de ambities en uitgangspunten uit de Woondeal 2019 uitgebreid en aangescherpt. Per gemeente is een minimaal te realiseren nieuwbouwprogramma opgenomen. Voor de gemeente Reusel-De Mierden is in de periode 2022 t/m 2030 een bruto nieuwbouwopgave opgenomen van 590 woningen. Daarnaast bevat de Woondeal 2023 ambities aangaande betaalbaarheid: minimaal 2/3 van de toe te voegen woningen dient te bestaan uit betaalbare huur- en koopwoningen, met een minimum van 30% sociale huur. De Woondeal 2023 beschrijft, mede als gevolg van de grotere regio-indeling, een totale regionale woningbouwopgave van minimaal 45.000 extra woningen in de periode 20232030. Beoordeling De beoogde ontwikkeling en het plangebied maken onderdeel uit van de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. In de totale uitbreidingslocatie ‘De Hasselt III’ wordt voorzien in de komst van circa 60 woningen, naast de beoogde komst van één vrijstaande woning binnen het plangebied.
Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de behoorlijke woningbouwopgave waar de gemeente Reusel-De Mierden voor aan de lat staat conform de regionale woondeal. Verder worden woningen in diverse typologieën 35
gerealiseerd, waarbij de ambities aangaande betaalbaarheid conform de regionale woondeal in acht zijn genomen. Het gaat hierbij om 30% sociale huurwoningen, 37% betaalbaar en 33% vrije sector. 5.3.2
Regionale Energie Strategie (RES)
In Nederland is er een klimaatakkoord. Daarin staan meer dan 600 afspraken om minder broeikasgassen uit te stoten. Dat is nodig om de opwarming van de aarde tegen te gaan. 30 energieregio’s maken plannen om aan die afspraken te voldoen. Zo’n plan heet Regionale Energiestrategie: RES. In deze plannen staat hoe de regio’s meer duurzame energie en minder aardgas gaan gebruiken. Dat is de energietransitie. De RES MRE 1.0 is eind 2021 vastgesteld door alle gemeenteraden van de MRE, de algemene besturen de twee waterschappen en Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant. Klimaatneutraal in 2050: daar gaat de MRE voor! Alle energie die de MRE dan gebruikt, willen ze duurzaam opwekken. In 2030 wil de MRE al een heel eind op weg zijn. Dan willen ze 49% minder CO2 uitstoten dan in 1990. De belangrijkste punten uit het RES MRE 1.0 zijn terug te vinden in de volgende 9 thema’s: 1. Stap voor stap naar duurzame energie: De aarde warmt op, veel planten en diersoorten verdwijnen, de zeespiegel stijgt. Dat gaan we tegen met de maatregelen in het Klimaatakkoord. Eén van die maatregelen is dat we meer duurzame energie opwekken. Tot 2030 kan dat met zon- en windenergie op land. Dat gebeurt in 30 energieregio’s in Nederland. De Metropoolregio Eindhoven is er één van. Wij dragen in 2030 2 terawattuur (TWh) aan duurzame energie bij aan het Klimaatakkoord.
Met zonnedaken, -velden en windturbines. 1,15 TWh daarvan hebben we al gerealiseerd of bereiden we nu voor. 2. Besparen, besparen en besparen: We gaan inzetten op energiebesparing. Waarom? Alles wat we niet nodig hebben, hoeven we ook niet op te wekken. Door ons verbruik te verminderen, besparen we CO2 en verlagen we onze energierekening. Het is onze ambitie om mensen in onze regio in beweging te krijgen zodat er zoveel mogelijk energie wordt bespaard. Niet alleen in het gebruik van energie, ook bij de aanschaf van apparaten en bij aanpassingen van huizen en gebouwen, zoals isoleren en renoveren. 3. Zoveel mogelijk zon op dak: We zetten ons maximaal in voor het zoveel mogelijk benutten van bijvoorbeeld grootschalige daken voor opwek van zonne-energie. Daarom plaatsen we zonnepanelen op alle geschikte daken en op ongebruikte terreinen. En op restgronden zoals stortplaatsen en in bermen van spoor- en autowegen. Woningcorporaties, lokale energiecoöperaties en bedrijven doen ook mee. Hiervoor werken we samen met alle relevante partners zoals het Rijk, provincie, bedrijven en eigenaren 4. Zon en wind op land: Met alleen zon op dak redden we het niet. Daarom plaatsen we ook zonnevelden en windturbines. Waar precies, stemmen we nauw af met inwoners en belanghebbenden. We koppelen dit aan andere opgaven en houden rekening met de milieueffecten en lokale belangen.
In deze zogenaamde zoekgebieden wekken we 0,57 TWh op. 5. Duurzame warmte: Veel woningen en gebouwen verwarmen we nu nog met aardgas. Stap voor stap schakelen we over op duurzame warmtebronnen, bijvoorbeeld warmte uit bodem of oppervlaktewater, restwarmte van industrie, maar ook zonthermie of hybride warmtepompen. Maar: gemeente-overstijgende bronnen zijn schaars in onze regio. Daarom werken we samen om die zo goed mogelijk te gebruiken. We onderzoeken meer mogelijkheden en nieuwe technieken die warmte kunnen leveren. Elke gemeente stelt uiterlijk in december 2021 een Transitievisie Warmte vast, waarin staat in welke wijken voor 2030 wordt begonnen en welke duurzame warmtebron daarvoor in aanmerking komt. 6. Het elektriciteitsnetwerk uitbreiden: Als we veel meer duurzame energie opwekken, heeft dat ook gevolgen voor het elektriciteitsnet. Het net moet worden uitgebreid maar dat kost veel tijd. We verdelen de beschikbare capaciteit dus slim. De netbeheerder en lokale en regionale overheden hebben daar doorlopend contact over. Ook werken ze aan vernieuwende oplossingen om meer duurzame energie mogelijk te maken. 7. Mede-eigenaar worden: Zon- en windparken leveren geld op. Wij willen dat iedereen in de directe omgeving daar maximaal van profiteert. Dit zorgt voor betrokken inwoners en geld voor de regio. Dat geld kunnen we 36
bijvoorbeeld gebruiken voor nieuwe energieprojecten. Het lokale eigendom organiseren we in nauw overleg met lokale energiecoöperaties. 8. Het toekomstige energiesysteem: Het aanbod van fossiele energie is min of meer constant. Dat geldt niet voor zon- en windenergie. We moeten duurzaam opgewekte energie dus in kunnen zetten als dat nodig is. Hier zijn nog veel technologische ontwikkelingen voor nodig. Het toekomstige energiesysteem zal drastisch verschillen van het huidige energiesysteem. Daarbij benutten we vernieuwingen, onder andere uit onze regio. 9. Samen de energieambitie realiseren: Ons landschap en onze omgeving veranderen in de komende jaren. Zonnevelden en windturbines maken de duurzame energievoorziening steeds zichtbaarder. We kunnen daarbij niet zonder draagvlak en acceptatie van inwoners en bedrijven. Ook de stem van onze toekomst, de jongeren van nu, is daarin onmisbaar. In samenwerking met bedrijven en inwoners zijn gemeenten al volop bezig met projecten. Om tot goede keuzes te komen en de energietransitie voor iedereen betaalbaar te houden, blijven we in gesprek met inwoners, ondernemers, wetenschappers, volksvertegenwoordigers en direct betrokkenen. Want alleen samen kunnen we de energie-ambitie realiseren. Doet u ook mee? Toetsing plan Ten aanzien van RES worden voor de beoogde woning de volgende maatregelen toegepast: • • • •
Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); Geen aansluiting op gasnet; Realisatie van zonnepanelen; Toepassing van (lucht)warmtepompen.
Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan diverse relevante beleidsuitgangspunten uit het RES, zoals duurzame warmte, stap voor stap naar duurzame energie en besparen, besparen en besparen. 5.3.3
Conclusie
De activiteit past binnen de doelstellingen van het regionaal beleid, zoals vastgelegd in de Regionale Energie Strategie en de Woondeals. 5.4
Beleid Waterschap
5.4.1
Waterschapsverordening
Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen: onze leefomgeving. Deze regels staan in één digitale verordening: de waterschapsverordening. Voorheen stonden deze regels in het waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur en de bijbehorende algemene regels. Met de komst van de Omgevingswet zijn deze regels vervangen door de waterschapsverordening. Artikel 2.2 lid 5 schrijft onder meer voor dat het verboden is om zonder omgevingsvergunningaanvraag water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Dit verbod geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2. Beoordeling In paragraaf 6.14 vindt een nadere uitwerking van het aspect water plaats. 5.4.2
Conclusie
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap, omdat Met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan relevante voorschriften uit de Waterschapsverordening. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar hoofdstuk 6.14. 5.5
Gemeentelijk beleid
5.5.1
Omgevingsvisie Reusel-De Mierden 37
Op 22 mei 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden de Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie is vastgelegd wat de gemeente wel of niet wil in de leefomgeving. De gemeente heeft zich hierbij het doel gesteld dat de gemeente Reusel-De Mierden een fijne plek is om te wonen, werken en ontspannen. De Omgevingsvisie bevat ten eerste een kwaliteitenkaart. In het onderstaande is een relevante uitsnede van deze kwaliteitenkaart opgenomen. Deze afbeelding laat zien dat het plangebied is aangeduid als ‘Oud agrarisch cultuurlandschap met afwisselend open kamers, laanbeplanting, houtwallen, bosrestanten en linten’ en zich grenzend bevindt aan ‘Historische lintbebouwing en/of buurtschap'.
Figuur 24 Uitsnede kwaliteitenkaart (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel) Tem aanzien van de kwaliteiten van de kernen binnen de gemeente wordt het navolgende benoemd (cursief weergegeven): ‘De dorpen zijn allemaal ontstaan uit een aaneenschakeling van buurtschappen en lintbebouwing. De Kempische dorpen en buurtschappen, waarvan er sommige nog steeds zeer herkenbaar zijn met hun waardevolle cultuurhistorische bebouwing, worden zeer gewaardeerd door de inwoners en bezoekers van de streek. Sommige buurtschappen zijn opgenomen in de dorpsuitbreidingen vanaf de jaren vijftig. Kenmerkend voor de dorpen en buurtschappen is de laanbeplanting, het ongelede wegprofiel (en materialisering), de ruime groene erven van diverse afmetingen, de architectuur en de oriëntatie en schaal van de bebouwing en op een aantal plekken de doorzichten van de weg naar het landschap. Daar waar de buurtschappen nog herkenbaar zijn, maken ze deel uit van het aantrekkelijke landschap’. Ten aanzien van onder meer de kern Lage Mierde is de navolgende passage opgenomen voor wat betreft de kwaliteiten (cursief weergegeven): ‘De kwaliteit van de kernen Hooge Mierde, Lage Mierde en Hulsel is dat ze gegroeid zijn zonder de landschappelijke onderlegger en de maatschappelijke samenhang uit het oog te verliezen.
Daardoor is er nu sprake van levende kernen die nog grotendeels passen in de Kempische landschap. De dorpen vertonen in tegenstelling tot veel dorpen in de periferie van Nederland geen krimp. De basisvoorzieningen (school, sportvelden) zijn op orde en dicht bij de kern gelegen’. 38
Verder wordt specifiek ten aanzien van het thema wonen verwezen naar de woonvisie uit 2017. Nu in de volgende paragraaf uitvoerig wordt getoetst aan de woonvisie, wordt hier in de onderhavige paragraaf niet nader op ingegaan. Ten tweede bevat de Omgevingsvisie een knelpuntenkaart. In het onderstaande is een relevante uitsnede van deze knelpuntenkaart opgenomen. Deze afbeelding laat zien dat binnen de directe nabijheid van het plangebied geen knelpunten zijn aangeduid.
Figuur 25 Uitsnede knelpuntenkaart (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel) Ten derde is in de Omgevingsvisie een visiekaart opgenomen gericht op veranderingen in het grondgebied. De planlocatie is hierbij aangeduid als ‘Buurtschappen als drager van transformaties in de intensieve veehouderij’ en bevindt zich op korte afstand van de aanduiding ‘Kempisch karakter sterker maken in de dorpen’.
39
Figuur 26 Uitsnede visiekaart (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel) Tevens is in de Omgevingsvisie per kern een visie geformuleerd. Ten aanzien van de kern Lage Mierde is onder meer benoemd dat de einden de meest gewaardeerde plekken in Lage Mierde zijn. Hier is het zaak de ruimtelijke structuur te versterken en de open zichten vanaf de linten naar het achterliggende landschap niet te laten dichtslibben. Het sterke netwerk van recreatieve routes rond de kern kan tegelijkertijd beter benut worden, gekoppeld aan de versterking van de beekdalen van de Reusel en de Raamsloop. Ook wordt expliciet aangegeven dat er een kans ligt om centraal in het dorp een nieuw programma toe te voegen, naast de doorontwikkeling van woonwijk De Hasselt II aan de zuidwestzijde van het dorp. Samen meer dan voldoende ruimte voor het woningbouwprogramma dat voortvloeit uit de demografische ontwikkeling. In deze paragraaf is een relevante uitsnede opgenomen van de Visiekaart voor Lage Mierde.
40
Figuur 27 Visiekaart Lage Mierde Omgevingsvisie (plangebied is voorzien van een rode omlijning) Beoordeling Op grond van bovenstaande visiekaart is de planlocatie niet expliciet aangeduid als bebouwing. De planlocatie bevindt zich grenzend aan gronden die zijn aangeduid als ‘Overige bebouwing dorpskern’. Verder dient opgemerkt te worden dat in de Omgevingsvisie voor de kern Lage Mierde expliciet wordt aangegeven dat aan de zuidwestzijde van de kern Lage Mierde kansen liggen voor een verdere doorontwikkeling van de woonwijk De Hasselt II. Met de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ wordt hierin voorzien. Nu de beoogde ontwikkeling onderdeel uitmaakt van de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen relevante gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie. Verder loopt over het plangebied een lijn die staat voor ‘Versterking relatie dorp-landschap (oriëntatie op, doorzicht en aansluiting op padennetwerk)’. De beoogde ontwikkeling doet geen onevenredige afbreuk aan voornoemde relatie dorplandschap. Dit omdat het plangebied een zeer beperkte frondbreedte van slechts circa 18 meter kent en de agrarische gronden ten zuiden van het plangebied onbebouwd blijven.
Hierdoor blijft vanuit de Draaiboom in overwegend westelijke richting in voldoende mate doorzichten richting de achtergelegen agrarische gronden behouden, waardoor tevens de relatie dorp-landschap in voldoende mate blijft behouden. Daar komt bij dat in het stedenbouwkundig plan voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ voor het plangebied reeds de komst van één vrijstaande woning is ingetekend. Hieruit kan worden opgemerkt dat de gemeente Reusel-De Mierden de komst van één vrijstaande woning aldaar reeds ruimtelijk aanvaardbaar heeft geacht, ondanks de duiding als relatie dorp-landschap in onderhavige omgevingsvisie. 5.5.2
Addendum omgevingsvisie
Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden een Addendum op de Omgevingsvisie vastgesteld. Hierbij is het navolgende besloten (in cursief): Navolgende tekst als addendum bij hoofdstuk 11 Economische paragraaf van de Omgevingsvisie Reusel-De Mierden vast te stellen. Addendum In de Kempische visie op wonen 2019-2023, de Woonvisie 2018-2023 en de Beleidsregels beoordeling woningbouwinitiatieven is de volkshuisvestelijke taakstelling voor sociale woningbouw gelegd op 40%. De Nota Impuls sociale woningbouw zorgt voor stimulering en borging van de taakstelling sociale woningbouw bij nieuwbouwprojecten. Het 41
uitgangspunt is dat bij nieuwe woningbouwprojecten 40% sociale woningbouw wordt gerealiseerd. Indien een initiatiefnemer kan aantonen dat dit niet haalbaar of wenselijk is kan alsnog medewerking worden verleend aan een initiatief als de resterende opgave voor sociale woningbouw elders wordt gerealiseerd. Indien dit ook niet haalbaar blijkt kan bepaald worden dat op een locatie een lager percentage of helemaal geen sociale woningbouw gerealiseerd hoeft te worden. In dat geval moet een financiële compensatie plaatsvinden in de vorm van een afdracht in een vereveningsfonds sociale woningbouw. Met gelden vanuit het vereveningsfonds kan elders het tekort aan sociale woningbouw gecompenseerd worden. Een initiatiefnemer die meer dan 40% sociale woningbouw in de gemeente Reusel-De Mierden realiseert kan in aanmerking komen voor een bijdrage uit het fonds, als compensatie voor het verschil in grondprijs / uitgeefbaar m2. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de Nota Impuls sociale woningbouw inmiddels is vervangen door het Financieel programma impuls sociale woningbouw (d.d. 1 juni 2025). Het Financieel programma impuls sociale woningbouw zorgt voor stimulering en borging van de taakstelling sociale woningbouw bij nieuwbouwprojecten. Het uitgangspunt is dat bij nieuwe woningbouwprojecten 30% sociale huurwoningen worden gerealiseerd.
Beoordeling Het Addendum op de Omgevingsvisie verwijst onder meer naar de inmiddels ingetrokken Kempische Visie op Wonen 2018-2023. Daarnaast wordt gesproken over een taakstelling van 40% sociale woningbouw, terwijl in de recent vastgestelde Kempische visie op Wonen 2024-2028 – Volkshuisvestingsprogramma wordt uitgegaan van minimaal 30% sociale huur. In casu maakt de beoogde komst van één vrijstaande woning onderdeel uit van de plannen voor de uitbreidingslocatie ‘De Hasselt III’. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter vooruitgelopen op de ruimtelijke procedure ten aanzien van de woningbouwplannen ‘De Hasselt III’. Puur kijkend naar de beoogde komst van één vrijstaande woning binnen het plangebied wordt niet voldaan aan de taakstelling met betrekking tot sociale huurwoningen. Ook is het plangebied van dermate geringe omvang dat hier niet in voorzien kan worden. Echter, in de woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ wordt voldaan aan het vereiste aandeel aan onder meer sociale huurwoningen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat sprake is van een geval waarbij de resterende opgave voor sociale woningbouw elders wordt gerealiseerd. Dit maakt dat een afdracht in het sociale vereveningsfonds in casu niet is vereist. 5.5.3
Kempische visie op Wonen 2024-2028 – Volkshuisvestingsprogramma
Op 2 juli 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden de Kempische visie op Wonen 2024-2028 – Volkshuisvestingsprogramma vastgesteld. Hiermee is de eerdere Kempische visie op Wonen 2019-2023 ingetrokken. De belangrijkste punten uit de Kempische visie op Wonen 2024-2028 – Volkshuisvestingsprogramma zijn: • In de periode t/m 2030 bouwen we als ondergrens voor de autonome groei (minimaal 3.220 woningen in de Kempen) en halen we extra plannen naar voren in de planning gelet op de grote regionale vraag en ter voorkoming van verdere verdringing (+2.000 woningen extra in de Kempen). • Voor de jaren na 2030 gaan we op zoek naar locaties tot maximaal 8.000 woningen. Met oog voor zowel de gezamenlijke doelstellingen als de individuele ambities van de gemeenten. Dit werken we in de bestuursopdracht Ontwikkelstrategie De Kempen verder uit. • We zetten sterk in op betaalbaarheid. Onze ambitie is om bij de nieuwbouw minimaal 30% sociale huurwoningen en 37% een betaalbare koop en/of midden huurwoningen te realiseren. • Bij woningbouw sturen we op het aanbrengen van diversiteit in het woonprogramma. We werken samen met onze partners aan de leefbaarheid en vitaliteit van onze kernen. • Als Kempengemeenten kiezen we er voor om zoveel mogelijk gezamenlijk op te trekken om voldoende en kwalitatief goede huisvesting te regelen voor aandachtsgroepen.
Het gemeentelijke woningbouwprogramma voor de periode 2024-2031 (als lokale invulling van het Kempisch woningbouwprogramma) is hiermee als volgt herzien: • Minimaal 30% sociale huurwoningen; • Minimaal 37% betaalbare woningen; • 33% van de woningen vrij in te vullen.
42
Verder wordt in de Kempische visie op wonen onder meer benoemd dat om te kunnen voorzien in de woningbouwopgave ook ingezet moet worden op nieuwe uitbreidingslocaties. Dit omdat inbreiding alleen onvoldoende mogelijkheden biedt om de benodigde woningbouwaantallen te kunnen opvangen. Beoordeling: Zoals hiervoor reeds meermaals is aangegeven, maakt de beoogde ontwikkeling onderdeel uit van de totale plannen voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. In de totale uitbreidingslocatie ‘De Hasselt III’ wordt voorzien in de komst van circa 60 woningen, naast de beoogde komst van één vrijstaande woning binnen het plangebied. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de enorme woningbouwopgave binnen De Kempen, waarbij in de woonvisie onder meer wordt aangegeven dat uitbreidingslocaties noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de aanmerkelijke woningbouwopgave. Een en ander is bovendien passend binnen de ambitie van de Kempengemeenten om in te zetten op betaalbaarheid met een ambitie dat minimaal 30% sociale huurwoningen en 37% betaalbare koop en/of middenhuurwoningen dient te bevatten. Voornoemde verhoudingen zullen in ‘De Hasselt III’ één op één worden toegepast. 5.5.4
Conclusie
Gelet hierop is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie.
43
6.
Fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. In dit hoofdstuk is de verantwoording opgenomen van de beleidskaders en instructieregels van Rijk, provincie en gemeente. • Waarborgen veiligheid; • Beschermen van waterbelangen; • Beschermen van de gezondheid en van het milieu (§ 5.1.4 Bkl). Dit betreft: o kwaliteit van de buitenlucht; o geluid door activiteiten; o geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen; o geluid rond luchthavens; o trillingen; o slagschaduw van windturbines; o bodemkwaliteit; o geur. • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; Deze onderwerpen worden in het navolgende verantwoord. 6.1
Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. Gezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verwezen zijn, kunnen deze het beste gezamenlijk besproken worden. Onderwerpen: • Landschappelijke waarden; • Ruimtelijke kwaliteit / omgevingskwaliteit; • Beeldkwaliteit / architectuur; • Cultuurhistorie; • Duurzaamheid; • Archeologie; • Welstand; • Zorgvuldig ruimtegebruik • Enz. 6.1.1
Wettelijk kader
In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
44
6.1.2
Onderzoek
Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Navolgende afbeeldingen betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, alsook een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart 2021 (Interactieve erfgoedkaart Reusel-De Mierden).
Figuur 28 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, herziening 2024 (CHW). (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
45
Figuur 29: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart 2021 (Interactieve erfgoedkaart Reusel-De Mierden) Bovenstaande afbeeldingen laten onder meer zien dat het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch ensemble ‘Vloeieind’ en deels is gelegen binnen historische stedenbouw ‘Vloeieind’ (groot gehucht). Daarnaast is het Vloeiend ter hoogte van het plangebied aangemerkt als historische geografie ‘Lijn van redelijk hoge waarde’. De karakteristiek van het buurtschap Vloeieind als ‘historische stedenbouw’ wordt als volgt omschreven (in cursief): ‘Buurtschap met driehoekige pleinen. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen en oude alleengelegen hoeven of "einzelhöfe" werden opgesplitst en uitgroeiden tot buurtschappen. Het bebouwingsbeeld met overwegend langgevelboerderijen dateert met name uit de periode 1875-1950. De driehoekige pleinen zijn onverhard. Kenmerkend is verder de kassei- en klinkerbestrating. Aan de westzijde kent het buurtschap nog een zichtrelatie met een oude akker met een esdek’. Met de beoogde ontwikkeling wordt de komst van één woning op een passende locatie mogelijk gemaakt.
Verder wordt het bebouwingslint aan de Draaiboom met de beoogde ontwikkeling gecomplementeerd en wordt een logische herbegrenzing van stedelijk gebied bewerkstelligd. Ook wordt hiermee vooruitgelopen op de ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ waar het plangebied onderdeel vanuit maakt. Met de totale woningbouwontwikkeling ‘De Hasselt III’ wordt voorzien in een uitbreiding van de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting en in de komst van circa 60 woningen. Nu de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ruimtelijke structuur en het bebouwingslint aan de Draaiboom hiermee wordt gecomplementeerd, kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet van negatieve invloed is op de als zodanig aangeduide cultuurhistorische waarden en het buurtschap Vloeieind. Immers, de ruimtelijke opbouw van het buurtschap Vloeieind blijft gelijk vanwege de situering van de woning binnen het bestaande lint aan de rand 46
van de ‘oude akker’. Ook blijven zichtrelaties vanuit de Draaiboom in overwegend westelijke richting behouden vanwege de beperkte frondbreedte van het plangebied, hetgeen bepalend is voor de ruimtelijke opbouw en karakteristiek van het buurtschap. Met betrekking tot de duiding van de Draaiboom als lijn van redelijk hoge waarde (historische geografie) dient opgemerkt te worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de heersende omgevingskarakteristiek en de ruimtelijke opbouw van de Draaiboom. Immers, met de beoogde ontwikkeling wordt het bebouwingslint van de Draaiboom deels gecomplementeerd. Verder wordt voor wat betreft de situering van de woning zoveel als mogelijk aangesloten bij aangrenzende woningen en de nabijgelegen langgevelboerderij aan de Draaiboom 54 en 56 te Lage Mierde. Tot slot dient in ogenschouw genomen te worden dat de planlocatie op grond van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is gelegen binnen een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang, te weten de Kempen. Het cultuurhistorisch belang van deze regio wordt als volgt omschreven (in cursief): ‘De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar.
Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige klein-schaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland’. Gelet op de aard en schaal van het planvoornemen kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van de Kempen als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Te meer nu de beoogde ontwikkeling binnen de bebouwde kom aan de orde is, alsook dat met de beoogde ontwikkeling een logische afronding van stedelijk gebied wordt gerealiseerd vooruitlopend op de woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ waar het plangebied en de beoogde ontwikkeling onderdeel vanuit maken. 6.1.3
Archeologie
Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beoordeling De planlocatie is op grond van de Archeologische verwachtingen en waardenkaart 2021 aangeduid als ‘Verstoord’. In deze paragraaf is een uitsnede opgenomen van de Archeologische verwachtingen- en waardenkaart.
47
Figuur 30 Archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2021 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) De Archeologische verwachtingen- en waardenkaart is vervolgens vertaald in een Archeologische beleidskaart. Hieronder is een uitsnede van voornoemde kaart opgenomen.
48
Figuur 31 Archeologische beleidskaart 2021 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Bovenstaande afbeelding laat zien dat het plangebied op grond van de Archeologische beleidskaart 2021 is aangeduid als ‘Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting’ (verstoord). Het gemeentelijke archeologiebeleid is vervolgens weer geïmplementeerd in het huidige planologische kader, te weten het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden. De planlocatie kent op grond van het (voormalige) bestemmingsplan “Stedelijk gebied 2018” (nu Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden) de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”. Voornoemde dubbelbestemming schrijft voor dat de als zodanig bestemde gronden mede bestemd zijn voor de instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Voor het bouwen dient in het geval van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 250 m 2 en een diepte van meer dan 0,3 meter onder maaiveld een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
Als uit dit rapport blijkt dat sprake is van een verstoring van archeologische waarden in de bodem kan het college voorwaarden verbinden aan een bouwvergunning, zoals de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, het doen van opgravingen of de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige. Hierbij is bepaald dat het vorenstaande niet van toepassing is ter plaatse van het bouwvlak. Met de beoogde ontwikkeling wordt de ondergrens voor bodemingrepen niet overschreden. Immers, in zijn totaliteit kent de beoogde bebouwing binnen het plangebied een oppervlakte van circa 194 m2. Dit maakt dat geen archeologisch onderzoek is vereist. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt te worden dat de beoogde ontwikkeling de herontwikkeling van een agrarisch perceel naar wonen betreft teneinde de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken vooruitlopend op een ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Ten behoeve van het totale plangebied van de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ is reeds een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, waarbij de gronden behorende tot het plangebied tot het onderzoeksgebied behoren en zijn aangemerkt als deelgebied 2. Het
49
complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven. ‘Vanwege de relatief goed intacte bodems in beide deelgebieden, de directe nabijheid van een vindplaats bij deelgebied 1 en historische bebouwing in deelgebied 2 is er grote kans op het voorkomen van archeologische resten in beide deelgebieden. Daarom wordt er, in geval van bodemingrepen dieper dan 40 cm, een proefsleuvenonderzoek aangeraden, met als doel het opsporen van eventuele archeologische resten. De dekkingsgraad van het onderzoek moet minstens 100Zo bedragen. Een dergelijk onderzoek dient te zijn gebaseerd op een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). De gemeente neemt uiteindelijk een besluit’. Het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek zal bij een verdere planvorming en vóór de bouwactiviteit worden uitgevoerd. Nu een en ander als voorwaarde in de beschikking van de te verlenen omgevingsvergunning voor de onderhavige BOPA-procedure wordt gesteld, is verzekerd dat dit nader onderzoek bij een verdere planvorming en voorafgaand aan de bouwactiviteit uitgevoerd zal worden. Een en ander staat dan ook niet in de weg aan de onderhavige BOPA-procedure ter afwijking van het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden. 6.1.4
Conclusie
De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ en ‘archeologie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 6.2
Beschermen van de gezondheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.2.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Betrek bij de motivering de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet en licht toe hoe dit aspect zich verhoudt tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beargumenteer vanuit dat oogpunt dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van één gevoelig gebouw. Derhalve is het woon- en leefklimaat in het kader van (volks)gezondheid relevant.
50
Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen), geitenhouderijen en spuitzones. 6.2.2
Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen)
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren.
Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Beoordeling Binnen een afstand van 200 meter van de planlocatie bevindt zich geen varkenshouderij. Verder bevindt zich binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie eveneens geen pluimveehouderij. Gelet hierop kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat gelet op het aspect endotoxine. 6.2.3
Geitenhouderijen
Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Beoordeling Binnen de gemeente Reusel-De Mierden zijn onderstaande veehouderijen aanwezig waar in een bedrijfsmatige omvang (meer dan 50) geiten worden gehouden (tevens is de afstand tot de planlocatie weergeven): • De Baan 3 Hooge Mierde (circa 2,4 kilometer); • Molendijk 10 Hulsel (circa 3,1 kilometer). Het voorgaande laat zien dat binnen de gemeente Reusel-De Mierden slechts twee geitenhouderijen in bedrijfsmatige omvang aanwezig zijn. Beide geitenhouderijen bevinden zich op ruimere afstand dan 2 kilometer. 51
Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat ten aanzien van omliggende geitenhouderijen ruimschoots wordt voldaan aan de minimale afstandsmaat van 2 kilometer. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie geen sprake is van gezondheidsrisico’s en derhalve sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen eventueel in de omgeving voorkomende geitenhouderijen en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient in ogenschouw genomen te worden dat tussen de planlocatie en eventueel in de omgeving voorkomende geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor eventueel voorkomende geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen worden gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. 6.2.4
Spuitzones
In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Nu de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de komst van een gevoelige functie, dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op spuitzones. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken.
o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: • Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.). Wanneer de situatie nabij de planlocatie locatie-specifiek in ogenschouw wordt genomen, wordt tot de conclusie gekomen dat in de directe omgeving van de planlocatie diverse agrarische gronden zijn gesitueerd waar het mogelijk is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Het gaat hierbij met name om de gronden ten zuidoosten, ten westen en ten noordwesten van de planlocatie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voornoemde agrarische gronden aan meerdere zijden reeds worden omgeven door milieugevoelige functies in de hoedanigheid van burgerwoningen en bedrijfswoningen. Deze milieugevoelige functies hebben reeds een beperkende werking op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Wanneer vanuit omliggende milieugevoelige functies reeds een afstandsmaat van 50 meter wordt getrokken is het binnen de directe omgeving van het plangebied reeds niet mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Verder behoort een aanmerkelijk deel van de onderhavige gronden tot het plangebied van de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’.
Gelet hierop is verzekerd dat een agrarisch grondgebruik aldaar binnen afzienbare tijd komt te vervallen. Tot slot is het relevant om op te merken dat binnen het plangebied wordt voorzien in een groene omzooming middels een haag en een houtsingel. De aanwezigheid van deze hagen en een robuuste houtsingel heeft een afschermende werking bij mogelijke drift. Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op spuitzones. Hierdoor staat het aspect spuitzones niet in de weg aan het planvoornemen. 52
6.2.5
Adviezen voor een gezonde en veilige leefomgeving
Veel milieufactoren beïnvloeden de leefomgeving en de mate waarin de leefomgeving gezond en veilig is. Toetsing plan Luchtverontreiniging Blootstelling aan luchtverontreiniging veroorzaakt ernstige gezondheidseffecten, ook onder de wettelijke normen. In paragraaf 4.13 van de onderhavige onderbouwing wordt inzicht gegeven in het aspect luchtkwaliteit. Omgevingsgeluid Geluid in de leefomgeving veroorzaakt hinder en verstoort activiteiten en slaap. Dat kan leiden tot chronische effecten, zoals hart- en vaatziekten. Naar verwachting zal dit probleem in de komende jaren groeien. GGD’en zetten zich daarom in voor een gezonde leefomgeving met een gezond geluidniveau. In paragrafen 4.8 en 4.9 van de onderhavige onderbouwing is reeds inzicht gegeven in het aspect geluid. Klimaat Klimaatverandering heeft een grote impact op de gezondheid. Het is dus ook in het belang van onze gezondheid om klimaatverandering tegen te gaan. Sommige klimaatmaatregelen leiden ook direct tot gezondheidswinst. Andere maatregelen hebben echter neveneffecten die een risico kunnen vormen voor de gezondheid. De GGD’en roepen daarom op om bij besluiten ook de effecten op de gezondheid expliciet mee te wegen. Binnen het plangebied worden diverse maatregelen gericht op duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie genomen.
Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar paragraaf 4.16 in onderhavige onderbouwing. 6.2.6
Conclusie
Dit hoofdstuk is al eerder uitgewerkt in hoofdstuk 4. 6.3
Geluid door activiteiten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). Let op dat in deze paragraaf getoetst moet worden op het gemeentelijk geluidbeleid: de Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Reusel-De Mierden: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR713794/1 6.3.1
Geluid door wegen en industrieterreinen
Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Tot op heden is dit nog niet gebeurd, wel heeft de gemeente beleidsregels vastgesteld (zie inleiding van paragraaf 6.4). Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; 53
• • •
het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. b.
Gemeentelijk beleid De gemeente Reusel-De Mierden heeft op 12 december 2023 de ‘Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Reusel-De Mierden’ vastgesteld. Met deze beleidsregels wordt voor wat betreft het milieuaspect ‘geluid’ duidelijk wat aanvaardbaar is en wordt er invulling gegeven aan de open normen van het Bkl – zoals bijvoorbeeld de open norm ‘aanvaardbaar geluidniveau’ in de aandachtsgebieden van wegen en industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In paragraaf 4.9 vindt een nadere toetsing plaats aan geluid afkomstig vanuit industrieterreinen en andere bedrijvigheid. Verder bevindt het plangebied zich op dermate ruime afstand van een spoorweg dat van enige geluidhinder afkomstig vanuit spoorwegen geen sprake is. Dit maakt dat in deze paragraaf enkel inzicht wordt gegeven in het aspect wegverkeerslawaai. De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van een geluidsgevoelige functie. Derhalve dient inzicht gegeven te worden in het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie gelet op het aspect wegverkeerslawaai. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de planlocatie is gelegen binnen een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt. De voormalige Wet geluidhinder was niet van toepassing voor 30 km/u wegen, omdat hier geen zones gelden.
Onder de voormalige Wet geluidhinder was nader inzicht in de akoestische situatie dan ook niet noodzakelijk. Dit omdat dergelijke 30 km/u wegen in beginsel geen geluidsbelastingen tot gevolg hebben boven de voormalige voorkeusgrenswaarde van 48 dB. Echter, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben 30 km/u wegen geen specifieke status meer. Ook in het geval sprake is van 30 km/u wegen is een geluidaandachtsgebied van 100 meter van toepassing. De planlocatie bevindt zich binnen voornoemd geluidsaandachtsgebied. Dit betekent dat de geluidsbelasting langs deze beoordeeld moet worden volgens de algemene regels. Derhalve dient inzicht gegeven te worden in de geluidsbelasting binnen de planlocatie gelet op het aspect wegverkeerslawaai. Te meer nu ook in de ‘Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Reusel-De Mierden’ is opgenomen dat 30 km/u wegen gemeentelijke wegen betreffen die onder de Omgevingswet betrokken dienen te worden bij de toetsing aan standaardwaarden en grenswaarden en aan het binnenniveau in woningen. Echter, in het geval van wegen waarbij sprake is van minder dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal kan per definitie kan worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit omdat 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal als ondergrens geldt wanneer een geluidproductieplafond noodzakelijk is.
Voor het aantal motorvoertuigbewegingen is
54
de provinciale viewer: Intensiteiten van het wegennetwerk 1 geraadpleegd. Een en ander laat zien dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de Draaiboom ter hoogte van het plangebied circa 400 bedraagt (peildatum 2019). Zie de afbeelding in deze paragraaf. Ook al zou een correctie van het aantal verkeersbewegingen plaatsvinden naar 2024 zal het aantal verkeersbewegingen nimmer meer bedragen dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit maakt dat geconcludeerd kan worden dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, gelet op het aspect wegverkeerslawaai. Volledigheidshalve is in deze paragraaf een uitsnede opgenomen waarop de geluidsbelasting binnen de planlocatie afkomstig vanuit wegverkeer is weergegeven. Hieruit komt naar voren dat de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe geluidsgevoelige functie in de hoedanigheid van een vrijstaande woning circa 53 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB die conform het Bkl van toepassing is voor gemeentewegen niet overschreden, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het aspect geluidhinder wegverkeerslawaai.
Figuur 32: Verkeersintensiteit ter plaatse van de Draaiboom ter hoogte van het plangebied (viewer provincie Noord-Brabant: Intensiteiten van het wegennetwerk) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
1 https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?ap-
pid=1827a5df85a14b74be6c0f2d582753cc 55
Figuur 33: Geluidsbelasting wegverkeer (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 6.4
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Volgens de VNG-publicatie behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.