Bijlage 1. Aanvraag bopa
Tekst van het document
GoFlo Motivering van de Bopa Draaiboom ong. (ten zuiden van 54 en 56), Lage Mierde
1
Inhoud 1.
2.
Aanleiding en doel
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Projectgebied
6
1.3
Het omgevingsplan
7
1.4
Leeswijzer
8
Bestaande situatie
10
2.1
Ruimtelijke structuur
10
2.2
Functionele structuur
11
3.
Planbeschrijving
13
4.
Belangenafweging en conclusie
24
5.
4.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
24
4.2
Conclusie
24
Beleid en regelgeving
24
5.1
Rijksbeleid en Rijksregels
25
5.1.1
Nationale omgevingsvisie
25
5.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
25
5.1.3
Conclusie
26
5.1.4
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
26
5.1.5
Conclusie
26
5.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
26
5.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
26
5.2.2
Instructieregels provincie Noord-Brabant (omgevingsverordening)
28
5.2.3
Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7)
29
5.2.4
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8)
29
5.2.5
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9)
29
5.2.6
Meerwaardecreatie (artikel 5.10)
30
5.2.7
Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11)
30
5.2.8
Ontwikkelingsrichting (artikel 5.12)
31
5.2.9
Wonen (artikel 5.77)
32
5.2.10 Conclusie 5.3
35
Regionaal beleid
35
5.3.1
Woondeal
35
5.3.2
Regionale Energie Strategie (RES)
36
5.3.3
Conclusie
37
5.4
Beleid Waterschap
37
5.4.1
Waterschapsverordening
37
5.4.2
Conclusie
37
5.5
Gemeentelijk beleid
37
5.5.1
Omgevingsvisie Reusel-De Mierden
37
5.5.2
Addendum omgevingsvisie
41
5.5.3
Kempische visie op Wonen 2024-2028 – Volkshuisvestingsprogramma
42
2
5.5.4 6.
Conclusie
43
Fysieke leefomgeving
44
6.1
Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw
44
6.1.1
Wettelijk kader
44
6.1.2
Onderzoek
45
6.1.3
Archeologie
47
6.1.4
Conclusie
50
6.2
Beschermen van de gezondheid
50
6.2.2
Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen)
51
6.2.3
Geitenhouderijen
51
6.2.4
Spuitzones
52
6.2.5
Adviezen voor een gezonde en veilige leefomgeving
53
6.2.6
Conclusie
53
6.3 6.3.1 6.4 6.4.1 6.5
Geluid door activiteiten
53
Geluid door wegen en industrieterreinen Bedrijven en milieuzonering
53 56
Conclusie
58
Trillingen
58
6.5.1
Onderzoek
58
6.5.2
Conclusie
58
6.6
Kwaliteit van de buitenlucht
58
6.6.1
Wettelijk kader
58
6.6.2
Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl)
59
6.6.3
Onderzoek
60
6.6.4
4.13.2 Blootstelling aan verontreiniging
60
6.6.5
Conclusie
62
6.7
Geur
62
6.7.1
Wettelijk kader
62
6.7.2
Geurgevoelige objecten
63
6.7.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld
63
6.7.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld
63
6.7.5
Woon- en leefklimaat
64
6.7.6
Conclusie
65
Bodemkwaliteit
65
6.8 6.8.1
Wettelijk kader
65
6.8.2
Onderzoek
66
6.8.3
Conclusie
66
6.9
Wegen, verkeer en parkeren
66
6.10
Verkeer
67
6.10.1 Conclusie
68
6.11
Omgevingsveiligheid
68 3
6.11.1 Wettelijk kader
68
6.11.2 Onderzoek
69
6.11.3 Conclusie
71
6.12
Natuur
71
6.12.1 Wettelijk kader
71
6.12.2 Relevante emissies
71
6.13
Flora en fauna
74
6.13.1 Conclusie 6.14
80 80
6.14.2 Onderzoek
81
6.14.3 Conclusie
87
Duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie
88
6.15.1 Wettelijk kader
88
6.15.2 Conclusie
88
6.16
Kabels en leidingen
89
6.16.1 Wettelijk kader
89
6.16.2 Conclusie
89
6.17
Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling
89
6.17.1 Wettelijk kader
89
6.17.2 Project-mer-beoordeling
90
6.17.3 Conclusie
90
Beperkingengebieden
91
7.1 8.
Water en watersystemen
6.14.1 Wettelijk kader
6.15
7.
80
Beperkingengebieden
91
Uitvoerbaarheid 8.1
92
Economische uitvoerbaarheid
92
8.1.1
Financieel economische haalbaarheid
92
8.1.2
Kostenverhaal
92
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
92
8.2.1
Verplichte participatie/bindend advies
92
8.2.2
Participatie omgeving
92
Bestuurlijk vooroverleg
92
8.3
4
1.
Aanleiding en doel
1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer exploiteert in het buitengebied van de kern Lage Mierde een melkveehouderij en is eigenaar van een agrarisch perceel aan de overwegend zuidwestelijke zijde van de kern Lage Mierde. Dit agrarische perceel maakt onderdeel uit van de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’. Met de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ is de gemeente Reusel-De Mierden voornemens om de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting uit te breiden middels de komst van circa 60 woningen in diverse woningtypologieën. Naast de realisatie van circa 60 woningen grenzend aan een recente uitbreidingslocatie ‘De Hasselt II’ wordt middels de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ en in het stedenbouwkundig plan tevens voorzien in de komst van één woningbouwkavel aan de Draaiboom ongenummerd te Lage Mierde, ten zuiden van de langgevelboerderij aan de Draaiboom 54 en 56 te Lage Mierde. De initiatiefnemer is voornemens om vooruitlopend op de ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ ter plaatse een woningbouwkavel mogelijk te maken teneinde te kunnen voorzien in de realisatie van één vrijstaande schuurwoning met aanhorigheden. Dit biedt de initiatiefnemer de mogelijkheid om de huidige bedrijfswoning behorende bij de melkveehouderij te verlaten, waardoor deze vrijkomt voor de nieuwe generatie die het melkveebedrijf overneemt.
Gezien de woning naar voren wordt gehaald in realisatie wordt in deze onderbouwing naast de stedenbouwkundige planning van Hasselt III de woning tevens getoetst aan de huidige beeldkwaliteit van Lage Mierde en het straatbeeld van Doornboom en Vloeieind. De beoogde landelijke schuurwoning wordt gerealiseerd ten zuiden van de langgevelboerderij aan Doornboom 58-60 te Lage Mierde. De locatie markeert de overgang tussen het dorpse straatprofiel van de Draaiboom en het open landelijke gebied richting Vloeieind. Hiermee vormt de schuurwoning een zorgvuldig vormgegeven overgangszone tussen het compacte dorpsweefsel en het agrarisch landschap. De woning sluit aan bij de bestaande ruimtelijke structuur, waarbij langs de Draaiboom en het Vloeieind langgerekte boerderijvolumes domineren, vaak met haaks daarop geplaatste schuren. Deze karakteristieke verkavelings- en bebouwingsvorm is richtinggevend geweest voor de positionering en oriëntatie van de nieuwe woning. De eenvoudige hoofdvorm met zadeldak en sobere detaillering sluit aan bij het traditionele schuurkarakter, terwijl de kaprichting en maatvoering harmonieus aansluiten op de bestaande bebouwing. Het materiaalgebruik – houten gevelbekleding in combinatie met rode keramische dakpannen – verwijst naar de sobere en ambachtelijke ontstaansgeschiedenis van Lage Mierde en haar agrarische omgeving.
De natuurlijke uitstraling en warme kleurstelling dragen bij aan een harmonieus dorpsrandbeeld. Door haar ligging, schaal en materiaalgebruik vormt de schuurwoning een passende en herkenbare overgang tussen dorp en buitengebied. Daarnaast markeert het gebouw op subtiele wijze de entree van het dorp, waarmee het een eigentijdse, doch ingetogen bijdrage levert aan het karakter van de zuidelijke dorpsrand van Lage Mierde. De vigerende planologische situatie wordt in casu gevormd door het Omgevingsplan gemeente ReuselDe Mierden. Dit betreft een zogenaamd tijdelijk Omgevingsplan van rechtswege. Hierdoor maakt het bestemmingsplan “Stedelijk gebied 2018” onderdeel uit van voornoemd tijdelijk Omgevingsplan van rechtswege. De planlocatie kent op grond van het vigerende planologische regime de bestemming “Agrarisch” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”. Hierbinnen is in hoofdzaak een agrarisch gebruik met aanhorigheden toegestaan. De beoogde woningbouwontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan binnen het huidige planologische kader. Het huidige planologische kader bevat eveneens geen binnenplanse wijzigings- of afwijkingsmogelijkheden om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken.
Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader, dient derhalve met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (verder: BOPA) van het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden afgeweken te worden. Middels onderhavige onderbouwing wordt gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige
5
toelichting van functies aan locaties en om welke reden het planvoornemen voldoet aan relevante instructieregels van de provincie Noord-Brabant en het Rijk. 1.2
Projectgebied
Het plangebied bevindt zich aan de overwegend zuidwestelijke zijde van de kern Lage Mierde in de gemeente Reusel-De Mierden en is gelegen binnen de bebouwde kom. De planlocatie bevindt zich direct ten zuiden van de langgevelboerderij aan de Draaiboom 54 en 56 te Lage Mierde en maakt onderdeel uit van de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’. De planlocatie is kadastraal bekend als gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie H, nummer 1790 (deels) en kent een omvang van circa 1.425 m2. Het plangebied is gelegen aan de Draaiboom en wordt aan de overwegend oostelijke/noordoostelijke door deze weg begrensd. De Draaiboom betreft een lokale doorgaande weg die onder meer ontsluiting biedt aan verkeer dat zich vanuit de zuidelijke zijde van de kern Lage Mierde in de richting van het centrum begeeft en vice versa. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen met daarop een luchtfoto met kadastrale aanduiding, alsook een afbeelding waarop de ligging van de planlocatie is weergegeven ten opzichte van nabijgelegen kernen.
Figuur 1: Luchtfoto met kadastrale aanduiding (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
6
Figuur 2 Ligging planlocatie nabij nabijgelegen kernen (planlocatie is indicatief aangegeven middels een rode cirkel) 1.3
Het omgevingsplan
In de huidige planologische situatie is het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden van toepassing op het plangebied. Voornoemd Omgevingsplan is op 1 januari 2024 gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in werking getreden. Dit betreft een zogenaamd Omgevingsplan van rechtswege. Een dergelijk Omgevingsplan van rechtswege bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en rijksregels over activiteiten (de bruidsschat). Gelet hierop maakt het (voormalige) bestemmingsplan “Stedelijk gebied 2018” (IMRO: NL.IMRO.1667.BPGsted5010-ONH1) onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden. Het bestemmingsplan “Stedelijk gebied 2018” is op 18 december 2018 vastgesteld en is op 2 oktober 2019, na uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, grotendeels onherroepelijk geworden. Binnen de planlocatie rust op grond van het voormalige bestemmingsplan “Stedelijk gebied 2018” de bestemming “Agrarisch” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”. Binnen de gronden bestemd als “Agrarisch” is onder meer een agrarisch gebruik met aanhorigheden toegestaan. Verder is ter plaatse geen bouwvlak van toepassing. Hierdoor zijn ter plaatse enkel bouwwerken, geen
7
gebouwen zijnde, toegestaan. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de huidige planologische situatie is weergegeven.
Figuur 3 Kaart met weergave plangebied en omgeving met aanwezige functies (plangebied is indicatief voorzien van een rode omlijning) De beoogde herontwikkeling naar wonen ten behoeve van de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden is, gelet op bovenstaande uiteenzetting, in strijd met het huidige planologische kader. Dit zowel qua gebruiks- als bouwmogelijkheden. Immers, het huidige planologische kader staat ter plaatse geen woongebruik toe. Ook is het oprichten van een woning met aanhorigheden in strijd, nu het huidige planologische kader enkel voorziet in de realisatie van bouwwerken met aanhorigheden ten behoeve van agrarische doeleinden. Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader en vooruit wordt gelopen op een ruimtelijke procedure ten behoeve van de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’, dient derhalve met een BOPA van het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden afgeweken te worden. Middels onderhavige onderbouwing wordt onder meer gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toelichting van functies aan locaties en om welke reden het planvoornemen voldoet aan relevante instructieregels van onder meer de provincie Noord-Brabant en het Rijk. 1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 4 wordt een algehele, samenvattende conclusie getrokken, waaruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de navolgende hoofdstukken wordt hier uitgebreid op ingegaan. Zo wordt in hoofdstuk 5 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 7 behandelt eventuele 8
beperkingengebieden die vanuit Rijk en/of provincie zijn aangewezen. En in het laatste hoofdstuk komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
9
2.
Bestaande situatie
2.1
Ruimtelijke structuur
Huidige situatie De gronden behorende tot het plangebied zijn in de huidige situatie in gebruik als agrarische grond. Ter plaatse wordt in hoofdzaak gras en maïs geteeld ten behoeve van voederwinning voor het melkveebedrijf van de initiatiefnemer. Ook worden ter plaatse sporadisch akkerbouwgewassen, zoals aardappelen, geteeld. In deze paragraaf is een aantal afbeeldingen opgenomen waarop de huidige situatie binnen de planlocatie is weergegeven. Voor een beschrijving van de huidige stedenbouwkundige structuur en de motivatie om welke reden het planvoornemen hierbinnen passend is, wordt verwezen naar hoofdstuk 3.
Figuur 4: Luchtfoto plangebied (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
10
Figuur 5: Straatbeeld plangebied (plangebied is indicatief aangeduid met een rode stippellijn) 2.2
Functionele structuur
Huidige functionele structuur De planlocatie bevindt zich, zoals hiervoor reeds is aangegeven, aan de overwegend zuidwestelijke zijde van de kern Lage Mierde in de gemeente Reusel-De Mierden. De planlocatie bevindt zich direct ten zuiden van de langgevelboerderij aan de Draaiboom 54 en 56 te Lage Mierde en maakt onderdeel uit van de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’. Ook bevindt de planlocatie zich op betrekkelijk korte afstand van de recente woningbouwlocatie ‘De Hasselt II’. De omgeving van de planlocatie laat zich omschrijven als een overgangsgebied tussen het stedelijk gebied van de kern Lage Mierde en het buitengebied. Immers, zoals hiervoor reeds is aangegeven, is het plangebied gelegen binnen de verkeerskundige bebouwde kom en binnen het stedelijk gebied conform het huidige planologische kader. Echter, de planlocatie is op grond van provinciaal beleid nog niet gelegen binnen het stedelijk gebied. De herbegrenzing van het stedelijk gebied wordt pas geeffectueerd wanneer de ruimtelijke procedure voor de totale woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ is doorlopen. De planlocatie is gelegen aan het bebouwingslint van de Draaiboom die verder in overwegend zuidwestelijke richting overgaat als het Vloeiend. Aan dit bebouwingslint komen in hoofdzaak woningen voor, waardoor de omgevingskarakteristiek zich in hoofdzaak laat omschrijven als een woongebied.
Echter, naast woningen komen in de directe nabijheid van het plangebied ook enkele afwijkende functies voor. Zo bevindt het plangebied zich op betrekkelijk korte afstand van het bedrijventerrein ‘Koningshoek’ waarbinnen diverse bedrijfspercelen zijn gelegen. Ook komen aan de Draaiboom en aan het Vloeieind enkele detailhandelsfuncties voor en een horecafunctie. In het onderstaande is een uitsnede van het bestemmingsplan “Stedelijk gebied 2018” (nu Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden) opgenomen waarop enkele omliggende functies in de directe omgeving zijn aangeduid.
11
Figuur 6 Kaart met weergave plangebied en omgeving met aanwezige functies (plangebied is indicatief voorzien van een rode omlijning)
12
3.
Planbeschrijving
Algemeen Zoals in de inleiding reeds is aangegeven, maakt de planlocatie onderdeel uit van de woningbouwplannen ‘De Hasselt III’, doch dient een en ander ook te passen in het huidige straatbeeld van Doornboom en Vloeieind gezien de realisatie naar voren wordt gehaald. Stedenbouwkundige beschrijving De beoogde landelijke schuurwoning wordt gerealiseerd ten zuiden van de langgevelboerderij aan Doornboom 58-60 te Lage Mierde. De locatie markeert de overgang tussen het dorpse straatprofiel van de Draaiboom en het open landelijke gebied richting Vloeieind. Hiermee vormt de schuurwoning een zorgvuldig vormgegeven overgangszone tussen het compacte dorpsweefsel en het agrarisch landschap. De woning sluit aan bij de bestaande ruimtelijke structuur, waarbij langs de Draaiboom en het Vloeieind langgerekte boerderijvolumes domineren, vaak met haaks daarop geplaatste schuren. Deze karakteristieke verkavelings- en bebouwingsvorm is richtinggevend geweest voor de positionering en oriëntatie van de nieuwe woning. De eenvoudige hoofdvorm met zadeldak en sobere detaillering sluit aan bij het traditionele schuurkarakter, terwijl de kaprichting en maatvoering harmonieus aansluiten op de bestaande bebouwing.
Het materiaalgebruik – houten gevelbekleding in combinatie met rode keramische dakpannen – verwijst naar de sobere en ambachtelijke ontstaansgeschiedenis van Lage Mierde en haar agrarische omgeving. De natuurlijke uitstraling en warme kleurstelling dragen bij aan een harmonieus dorpsrandbeeld. Door haar ligging, schaal en materiaalgebruik vormt de schuurwoning een passende en herkenbare overgang tussen dorp en buitengebied. Daarnaast markeert het gebouw op subtiele wijze de entree van het dorp, waarmee het een eigentijdse, doch ingetogen bijdrage levert aan het karakter van de zuidelijke dorpsrand van Lage Mierde.
Figuur 7 de overgang tussen het dorpse straatprofiel van de Draaiboom en het open landelijke gebied richting Vloeieind met schuurvolumes waarvan de noklijn haaks staat op de weg (planlocatie weergeven met donker rood, overige schuurvolumes met roze) Met de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ is de gemeente Reusel-De Mierden voornemens om de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting uit te breiden middels de komst van circa 60 woningen in diverse woningtypologieën. Hiervan zal circa 30% sociale huurwoningen worden, 37% 13
betaalbaar en 33% vrije sector. Naast de realisatie van circa 60 woningen grenzend aan een recente uitbreidingslocatie ‘De Hasselt II’, wordt middels de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ en in het stedenbouwkundig plan tevens voorzien in de komst van één woningbouwkavel aan de Draaiboom ongenummerd te Lage Mierde, ten zuiden van de langgevelboerderij aan de Draaiboom 54 en 56 te Lage Mierde. Gelet op het vorenstaande maakt het plangebied onderdeel uit van de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Echter, de planvorming ten aanzien van de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ bevindt zich momenteel enkel in de voorbereidende fase. De initiatiefnemer is daarom voornemens om vooruitlopend op de ruimtelijke procedure ten behoeve van de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ ter plaatse van het plangebied een woningbouwkavel mogelijk te maken teneinde te kunnen voorzien in de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden. Dit biedt de initiatiefnemer de mogelijkheid om de huidige bedrijfswoning behorende bij de melkveehouderij te verlaten, waardoor deze vrijkomt voor de nieuwe generatie die het melkveebedrijf overneemt. De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse een vrijstaande woning met bijgebouw te realiseren. Deze vrijstaande woning kent een oppervlakte van circa 158 m 2 (incl.
overkapping) en wordt conform het stedenbouwkundig plan haaks op de Draaiboom gesitueerd. De woning zal een goot- en bouwhoogte bereiken van 2,331 meter, respectievelijk 7,58 meter. Ten noordwesten van de beoogde vrijstaande woning wordt voorzien in de komst van een bijgebouw met een oppervlakte van circa 36 m 2 en goot- en bouwhoogte van 2,017 meter, respectievelijk 4,75 meter. In het onderstaande zijn diverse afbeeldingen opgenomen waarop de beoogde situatie is weergegeven. De complete ontwerptekeningen zijn tevens als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen.
Figuur 8: Situatieschets beoogde situatie
14
Figuur 9: Plattegrond beoogde situatie begane grond
15
Figuur 10: Plattegrond beoogde situatie 1e verdieping
16
Figuur 11: Voor- en linkergevelaanzicht beoogde bebouwing
Figuur 12: Achter- en rechtergevelaanzicht beoogde bebouwing
Figuur 13: Linker- en rechtergevel beoogd bijgebouw
17
Figuur 14: Impressie beoogde bebouwing vanuit de Draaiboom bezien
Figuur 15: Impressie beoogde bebouwing in vogelvlucht Groen Conform gemeentelijk groenbeleid is een groennorm van toepassing voor openbaar groen. Hierbij is opgenomen dat per toe te voegen wooneenheid 75 m2 aan openbaar groen gerealiseerd dient te worden. Hier wordt in het plan De Hasselt III ruimschoots aan voldaan. Verder is in het conceptstedenbouwkundig plan voor De Hasselt III voor wat betreft groen enkel opgenomen dat het plangebied nagenoeg volledig omzoomd dient te worden middels een groene haag. Deze groene haag is aan de overwegend zuidwestelijke zijde aanmerkelijk breder ingetekend dan ter plaatse van het resterende deel van de randen van het plangebied.
18
Figuur 16: Inpassing/groen conform stedenbouwkundig plan (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Met de beoogde ontwikkeling wordt hier verdere invulling aangegeven door het plangebied nagenoeg volledig te omzomen met een groene haag. Deze groene haag zorgt voor een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing van de woning met bijgebouw. Verder wordt in de voortuin tevens een solitaire inheemse boom aangeplant, alsook enkele hoogstamfruitbomen. Tot slot wordt op het achtererf tevens een solitaire inheemse boom aangeplant die zorgt voor markering van het erf. Ten opzichte van de in het stedenbouwkundig plan ingetekende groenstructuren wordt middels de beoogde invulling en inpassing voorzien in een grotere diversiteit aan beplanting. Dit aangezien naast hagen tevens voorzien wordt in de aanplant van een tweetal solitaire inheemse bomen en een hoogstamfruitoomgaard. Deze diversiteit aan de beplanting zorgen naast de omzoming van het plangebied middels een groene haag ter landschappelijke inpassing voor een diversiteit aan groenstructuren die passend is binnen de omgeving en recht doet aan de ligging van binnen het ‘oud agrarisch cultuurlandschap’. De beoogde inpassing van het erf is verder in overeenstemming met relevante uitgangspunten uit de gemeentelijke Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
Het plangebied bevindt zich op grond van de gemeentelijke Nota Ruimtelijke kwaliteit namelijk binnen het ‘oud agrarisch cultuurlandschap’. Voor erven binnen het ‘oud agrarisch cultuurlandschap’ zijn in voornoemd beleidsstuk diverse voorwaarden voor ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes opgenomen. Zo is onder meer opgenomen dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen beplanting, op de perceelsgrenzen houtwallen en hagen gerealiseerd moeten worden en voortuinen een groene uitstraling dienen te hebben. De beoogde inpassing sluit hierbij volledig aan, nu onder meer gebiedseigen beplanting wordt gebruikt en het erf nagenoeg volledig wordt omzoomd met hagen. Ook wordt middels de aanplant van een solitaire boom en een hoogstamfruitboomgaard op het voorerf voorzien in een voortuin met een groene uitstraling. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de beoogde inpassing is weergegeven.
19
Figuur 17: Inpassing/groen conform ontwerp Stedenbouw In het stedenbouwkundig plan is voor het plangebied een invulling/inrichting voorgesteld, waarbij de woning haaks op de Draaiboom en aan de overwegend zuidoostelijke zijde van het plangebied is gesitueerd. Het bijgebouw is aan de overwegend noordwestelijke zijde van het plangebied geprojecteerd.
20
Figuur 18: Invulling plangebied conform stedenbouwkundig plan (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) De beoogde invulling van het plangebied ligt nagenoeg volledig in lijn met het stedenbouwkundig plan. In overeenstemming met het stedenbouwkundig plan is gekozen voor een hoofdmassa die haaks op de Draaiboom is gesitueerd. Dit ter behoud van zichtlijnen vanuit de Draaiboom in de richting van het achtergelegen open agrarisch gebied. Verder wordt het bijgebouw, in overeenstemming met het stedenbouwkundig plan, overwegend ten westen/noordwesten van het hoofdgebouw gesitueerd. Daar komt bij dat de bebouwing qua stedenbouwkundige opzet, ontwerp en massa in overeenstemming is met relevante uitgangspunten, zoals opgenomen de gemeentelijke Nota Ruimtelijke Kwaliteit. De planlocatie bevindt zich op grond van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit namelijk binnen het buurtschap & lint Vloeieind. Het Vloeieind is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol, waarbij wordt aangegeven dat sprake is van een buurtschap die in hoofdzaak bestaat uit 25tal (cultuurhistorisch waardevolle) boerderijen. Met een schuurwoning haaks op de Draaiboom wordt enerzijds aansluiting gevonden bij cultuurhistorisch waardevolle boerderijen in het buurtschap en wordt anderzijds door sprake is van een schuurwoning een mooi contrast gerealiseerd.
Verder wordt aangegeven dat het buurtschap aan de westzijde nog een relatie kent met een oude akker met een esdek. Met het bouwplan is rekening gehouden met deze kwaliteit van het buurtschap. Immers, doordat de woning haaks op de Draaiboom wordt gesitueerd, blijven zichtlijnen zoveel als mogelijk behouden. Ruimtelijk gezien is de planlocatie conform de Nota Ruimtelijke Kwaliteit gelegen binnen het oud agrarisch cultuurlandschap. Hiervoor is voor wat betreft kwaliteiten een zichtrelatie met omliggende akkers aangegeven, alsook dat terughoudend omgegaan moet worden in het toevoegen van nieuwe woningen en dan alleen als boerderij/schuurwoning. Met de beoogde ontwikkeling wordt een schuurwoning op een passende locatie mogelijk gemaakt, waarbij zichtlijnen zoveel als mogelijk blijven behouden. Daarnaast bevat de Nota Ruimtelijke Kwaliteit ook een nadere beschrijving van het oud agrarisch cultuurlandschap, waarbij tevens uitgangspunten voor vormgeving van woningen en bijgebouwen zijn opgenomen, alsook voor materiaal- en kleurgebruik. Zo is onder meer opgenomen dat de vormgeving en uitstraling van het gebouw bij voorkeur gebaseerd is op historische bouwkunst in het buitengebied en de bebouwing aan dient te sluiten bij streekeigen architectuur, waarbij bebouwing in de nabije omgeving als inspiratie kan dienen.
Met de beoogde ontwikkeling wordt een schuurwoning met een eigentijdse inspiratie gerealiseerd. Een en ander sluit enerzijds aan op woonboerderijen binnen de directe omgeving, maar zorgt doordat sprake is van een schuurwoning tevens voor een mooi contrast met beeldbepalende boerderijen binnen het buurtschap Vloeieind. Ook zijn enkele referentiebeelden opgenomen, waaronder een referentiebeeld voor een moderne interpretatie van een traditionele boerderij, 21
alsook van een schuurwoning. Het beoogde ontwerp sluit hierop volledig aan. Gelet hierop kan dan ook geconcludeerd worden dat het bouwplan volledig in overeenstemming is met relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de beoogde situatie binnen het plangebied is weergegeven, alsook een referentiebeeld uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
Figuur 19: Invulling plangebied conform ontwerp
22
Figuur 20: Referentiebeeld Nota Ruimtelijke Kwaliteit
23
4.
Belangenafweging en conclusie
4.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 5). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 5, 6, 7 en 8). Hoe te draaien aan de knoppen in het mengpaneel om die afweging te kunnen maken? Welke knoppen staan aan en welke staan uit? 4.2
Conclusie
Zoals in het vorenstaande reeds uitvoerig is beschreven, is de initiatiefnemer voornemens om een agrarisch perceel te herontwikkelen naar wonen teneinde de realisatie van een vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken. Hiermee wordt vooruitgelopen op een ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ waar het plangebied en de beoogde ontwikkeling onderdeel vanuit maken. Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader, dient derhalve met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (verder: BOPA) van het Omgevingsplan gemeente Reusel-De Mierden afgeweken te worden. Middels onderhavige onderbouwing is onder meer aan de hand van een toetsing aan relevant beleid en relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu uitvoerig gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toelichting van functies aan locaties. De conclusie luidt dan ook dat het initiatief in overeenstemming is met relevante beleidskaders en dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en 24
anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstuk 3 van dit concept gemotiveerd getoetst aan de activiteit. 5.1
Rijksbeleid en Rijksregels
5.1.1
Nationale omgevingsvisie
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.
De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking planvoornemen Met de onderhavige ontwikkeling zijn, gelet op diens aard en omvang, geen nationale belangen in het geding. 5.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Dit motiveringsvereiste is gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en houdt in dat in de toelichting bij een ruimtelijk besluit dat ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het ruimtelijk besluit de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling wordt daarbij gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder andere stedelijke voorzieningen wordt het volgende verstaan: onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van agrarische gronden naar wonen teneinde de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken.
25
Uit de jurisprudentie die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder blijkt dat de Afdeling een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling ten aanzien van woningbouwplannen geoordeeld dat de realisatie van 1 woning (AbRvS 14 januari 2014, nr 201308263/2/R4), 4 woningen (AbRvS 27 augustus 2014, nr. 201311233/1/R4) of 6 woningen, waarvan 3 rechtstreeks bestemd en 3 eerst na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid (Vz AbRvS 4 juni 2014, nr. 201401129/1/R4), niet zijn aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Verder laat relevante jurisprudentie van de Afdeling zien dat de ondergrens om iets aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in beginsel bij 12 woningen ligt (AbRvS, 16 september 2015, 201501297/1/R4). Nu de beoogde ontwikkeling ‘slechts’ gepaard gaat met de toevoeging van één wooneenheid is een en ander, gelet op bovenstaande uiteenzetting van relevante jurisprudentie, niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. 5.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dan ook dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en daardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op deze ontwikkeling. 5.1.4
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving is een groot aantal instructieregels opgenomen. Hierin geeft het Rijk aan, aan welke eisen een omgevingsplan moet voldoen. Deze eisen gaan over de inhoud van de regels van het omgevingsplan en over de inhoudelijke onderbouwing van keuzes die worden gemaakt in het Omgevingsplan. In het Bkl zijn diverse thema’s opgenomen. Voor de onderhavige ontwikkeling zijn, gelet op diens aard en omvang, met name onderstaande thema’s relevant: • • • • • • • • • •
Veiligheid; Waterbelangen; Luchtkwaliteit; Geluid door activiteiten; Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen; Trillingen; Bodemkwaliteit; Geur; Ladder voor duurzame verstedelijking; Cultureel erfgoed en werelderfgoed.
Beoordeling In de onderhavige onderbouwing wordt in hoofdstuk 4 uitvoering ingegaan op alle aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hierbij wordt in ieder geval ingegaan op bovenstaande thema’s, zoals opgenomen in het Bkl. Dit ter onderbouwing dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een nadere onderbouwing wordt dan ook verwezen naar hoofdstuk 4 van onderhavige onderbouwing. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat in paragraaf 3.2.2 reeds is ingegaan op het aspect ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. 5.1.5
Conclusie
Met onderhavige onderbouwing wordt uitvoerig getoetst aan relevante thema’s voor de fysieke leefomgeving, zoals opgenomen in het Bkl, ter onderbouwing dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
5.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Toetsingskader In de Omgevingsvisie Noord-Brabant schetst de provincie een wensbeeld van de fysieke leefomgeving in 2050. De analyse van de huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de trends en ontwikkelingen die hierop van invloed zijn, laten zien dat nieuw beleid en stevige inspanningen van de provincie nodig zijn om de ambities te bereiken. In de omgevingsvisie zijn vijf opgaven geformuleerd, waarvoor de provincie doelen heeft gesteld. Om die ambities te bereiken schetst de omgevingsvisie de eerste contouren van het voorgenomen beleid. Dit beleid wordt verder uitgewerkt met concrete maatregelen 26
De volgende vijf opgaven zijn opgenomen in de Brabantse omgevingsvisie: • Basisopgave, werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatproof Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie De basisopgave is daarbij een balans tussen beschermen (een veilige leefomgeving, een gezonde leefomgeving, met waarborg voor een goede omgevingskwaliteit inclusief natuur) en benutten (optimaal gebruik en ontwikkelen van de leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen). Tevens wordt de opvatting van de wetgever en de doelstelling van de Omgevingswet gedeeld om bevoegdheden en verantwoordelijkheden zo laag mogelijk weg te leggen. De gemeente is de eerstverantwoordelijke waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Anderzijds zijn er zaken die het schaalniveau van een gemeente te boven gaan en hebben provincies vanuit de wet specifieke taken en bevoegdheden. Vanuit deze basisgedachte wordt naar de beste rolverdeling gezocht ter verwezenlijking van de strategische ambities. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van hoe de provincie Noord-Brabant wil gaan denken en handelen onder de nieuwe Omgevingswet.
Centraal staat daarbij ‘Verbinden in vertrouwen’, met de volgende uitgangspunten vanuit de provincie: • ‘We gaan voor meerwaarde-creatie’; • ‘We gaan voor technische én sociale innovatie’; • ‘We gaan voor kwaliteit boven kwantiteit’; • ‘We gaan voor steeds beter’; • ‘We gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel’. Vanuit de basisopgave bezien, gaat het streven van de provincie Noord-Brabant uit naar een gezonde leefomgeving. Het gaat hierbij niet alleen om ‘ziekte voorkomen’, maar ook om ‘quality of life’, welzijn en het bevorderen van gezondheid. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een agrarische perceel naar wonen ten behoeve van de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden. Hiermee wordt vooruitgelopen op een ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ waar het plangebied onderdeel vanuit maakt. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met uitgangspunten uit de Brabantse Omgevingsvisie. Dit omdat de provincie Brabant zich onder meer als doel heeft gesteld om een goede woonomgeving te creëren, waarbij gewerkt wordt aan een goede omgevingskwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling wordt de komst van één woning op een passende locatie mogelijk gemaakt.
Hierbij wordt het bebouwingslint aan de Draaiboom gecomplementeerd en wordt een logische herbegrenzing van stedelijk gebied bewerkstelligd. Ook wordt hiermee vooruitgelopen op de ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ waar het plangebied onderdeel vanuit maakt. Met de totale woningbouwontwikkeling ‘De Hasselt III’ wordt voorzien in een uitbreiding van de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting en in de komst van circa 60 woningen. Gelet hierop draagt de totale woningontwikkeling bij aan het woningaanbod binnen de kern Lage Mierde en de gemeente Reusel-De Mierden en wordt doorstroming binnen de lokale woningmarkt mogelijk gemaakt, waardoor sprake is van een positief effect op de leefbaarheid. Verder maakt de beoogde komst van één vrijstaande woning binnen het plangebied op kleinschalig niveau doorstroming mogelijk zodat de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning behorende bij de melkveehouderij kan verlaten en deze vrijkomt voor de nieuwe generatie die het melkveebedrijf overneemt. Dit maakt dat indirect met de beoogde ontwikkeling toekomstperspectief wordt geboden aan een melkveehouder die bepalend is voor de omgevingskwaliteit van het buitengebied van de kern Lage Mierde. Conclusie Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een verbetering van de leefomgevingskwaliteit.
Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past derhalve binnen beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant. 27
5.2.2
Instructieregels provincie Noord-Brabant (omgevingsverordening)
Toetsingskader De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. Er wordt ingezet op: 1. 2. 3. 4. 5.
meerwaardecreatie technische en sociale innovatie kwaliteit boven kwantiteit een continue verbetering van de leefomgeving proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel
Om uitvoering te geven aan de visie heeft de provincie onder de Omgevingswet verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsverordening is daarbij slechts 1 van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen. Beoordeling In het onderstaande is een uitsnede van de ‘Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant’ opgenomen. Een en ander laat zien dat de planlocatie binnen de structuren ‘Landelijk gebied’ en ‘Beperking grootschalige logistiek’ is gelegen. Verder laat de kaart ‘specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied’ zien dat de planlocatie eveneens is gelegen binnen de structuren ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’.
Figuur 21: Uitsnede Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant Omgevingsverordening Noord-Brabant (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten eerste moet voldaan worden aan de ‘basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies’ (paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant) en ‘versterken van omgevingskwaliteit’ (paragraaf 5.1.3 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant). Daarnaast moet getoetst worden aan de regels voor 28
‘Wonen’ (artikel 5.77) en ‘Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling’ (artikel 5.56). Wegens de toekenning van de aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’ gelden er beperkingen aan de van (intensieve) veehouderijen en mestbewerkingsactiviteiten. Verder gelden er vanwege de toekenning van de aanduiding ‘Beperking grootschalige logistiek’ beperkingen voor grootschalige logistieke bedrijvigheid. Nu met onderhavig planvoornemen de komst van een vrijstaande woning met aanhorigheden op agrarische gronden mogelijk wordt gemaakt, is het vorenstaande niet relevant en wordt een toetsing aan deze aanduidingen derhalve achterwege gelaten. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant bevat instructieregels aan gemeenten bij het vaststellen van een omgevingsplan. Deze regels worden uitgesplitst in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7), regels voor zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8), toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) en meerwaardecreatie (artikel 5.10). 5.2.3
Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7)
In artikel 5.7 is opgenomen dat een omgevingsplan bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling geeft aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een geode omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik (art. 5.8); b. de lagenbenadering (artikel 5.9); c. meerwaardecreatie (art. 5.10). Navolgend worden deze aspecten van het plan verder onderbouwd. 5.2.4
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8)
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel ; en e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan. Beoordeling De beoogde ontwikkeling is niet aan de orde binnen bestaand ruimtebeslag. Immers, er is sprake van agrarische gronden waar geen bouwvlak van toepassing is. Echter, de beoogde ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met artikel 5.56 ‘Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling’, waarbij het stedelijk gebied logisch wordt afgerond vooruitlopend op een ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Nu artikel 5.56, lid 3 voorschrijft dat artikel 5.8 onder a niet van toepassing is en de beoog de ontwikkeling met toepassing van artikel 5.56 mogelijk wordt gemaakt, geldt voor de beoogde ontwikkeling niet als voorwaarde dat een en ander binnen bestaand ruimtebeslag aan de orde dient te zijn.
Verder bevindt de planlocatie zich binnen de verkeerskundige bebouwde kom en grenzend aan stedelijk gebied. Gelet hierop is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast is van een stedelijke ontwikkeling en van de splitsing van een bouwperceel geen sprake. Tot slot dient opgemerkt te worden dat gebouwen in de beoogde situatie geconcentreerd zullen worden in een bouwperceel. 5.2.5
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9)
Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen. Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; 29
b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. Beoordeling De toetsing van de gevolgen van het voornemen op bovengenoemde aspecten is per onderwerp uiteengezet in voorliggende onderbouwing. Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieuhygienisch aanvaardbaar is. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste van het toepassen van de lagenbenadering. 5.2.6
Meerwaardecreatie (artikel 5.10)
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De Omgevingsverordening Noord-Brabant geeft aan dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’ deel uit kan maken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Het planinitiatief beoogt ‘meerwaardecreatie’ door op een passende locatie de komst van één vrijstaande woning met aanhorigheden mogelijk te maken. Hiermee wordt het bebouwingslint aan de Draaiboom te Lage Mierde deels gecomplementeerd en wordt een logische afronding van bestaand stedelijk gebied bewerkstelligd. Ook wordt hiermee vooruitgelopen op de ruimtelijke procedure voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ waar het plangebied onderdeel vanuit maakt. Met de totale woningbouwontwikkeling ‘De Hasselt III’ wordt voorzien in een uitbreiding van de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting en in de komst van circa 60 woningen.
Gelet hierop draagt de totale woningontwikkeling bij aan het woningaanbod binnen de kern Lage Mierde en de gemeente Reusel-De Mierden en wordt doorstroming binnen de lokale woningmarkt mogelijk gemaakt, waardoor sprake is van een positief effect op de leefbaarheid. Verder maakt de beoogde komst van één vrijstaande woning binnen het plangebied op kleinschalig niveau doorstroming mogelijk zodat de initiatiefnemer de huidige bedrijfswoning behorende bij de melkveehouderij kan verlaten en deze vrijkomt voor de nieuwe generatie die het melkveebedrijf overneemt. Dit maakt dat indirect met de beoogde ontwikkeling toekomstperspectief wordt geboden aan een melkveehouder die bepalend is voor de omgevingskwaliteit van het buitengebied van de kern Lage Mierde. 5.2.7
Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11)
Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door: a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing ; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone ; of 30
g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden heeft besloten de 'Landschapsinvesteringsregeling De Kempen' te hanteren bij de bepaling van de benodigde investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Binnen de Kempen wordt het wenselijk geacht dat elke ruimtelijke ontwikkeling, die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving, gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap. De invloed die een ruimtelijke ontwikkeling heeft op de omgeving, wordt onder meer bepaald door: • • • • • •
De omvang van de ontwikkeling (is daarvoor vergroting bestemmingsvlak of bouwvlak nodig); Nieuw ruimtebeslag of wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing; De aard van de locatie en de omgeving; De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving (verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie); Het onderscheid in een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; De ‘gewenstheid’ van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens.
In dit afsprakenkader is een categorisering uitgewerkt, waarbij al naar gelang de categorie-indeling de mate van inspanning wordt bepaald. Hierbij worden de volgende categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden op agrarische gronden ten zuiden van de langgevelboerderij aan de Draaiboom 54 en 56 te Lage Mierde. De planlocatie maakt onderdeel uit van het plangebied van de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Met de beoogde ontwikkeling wordt vooruitgelopen op de ruimtelijke procedure voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’.
In de ruimtelijke procedure voor de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ zal het stedelijk gebied worden herbegrensd en zal uitvoerig onderbouwd worden op welke wijze voor deze planmatige stedelijke ontwikkeling wordt voldaan aan artikel 5.11 kwaliteitsverbetering van het landschap. Nu de beoogde ontwikkeling hier onderdeel vanuit maakt, is in voldoende mate zeker gesteld dat voldaan wordt aan artikel 5.11 kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit neemt niet weg dat binnen de planlocatie voorzien zal worden van een zorgvuldige en streekeigen landschappelijke inpassing. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar paragraaf 2.3 in de onderhavige onderbouwing. 5.2.8
Ontwikkelingsrichting (artikel 5.12)
Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a. Welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving , de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2 , mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap ; en d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. Beoordeling
31
De planlocatie bevindt zich aan de zuidwestelijke zijde van de kern Lage Mierde nabij de recente uitbreidingslocatie ‘De Hasselt II’. Met voornoemde uitbreidingslocatie ‘De Hasselt II’ is de kern Lage Mierde recent reeds in overwegend zuidwestelijke richting uitgebreid en heeft zich binnen de directe omgeving reeds een verdere verkleuring naar wonen voorgedaan. De gemeente Reusel-De Mierden is voornemens om middels de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ een vervolg te geven aan de uitbreidingslocatie ‘De Hasselt II’ en te voorzien in een verdere uitbreiding van de kern Lage Mierde in overwegend zuidwestelijke richting. Met de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ is beoogd om grenzend aan de woningbouwlocatie ‘De Hasselt II’ te voorzien in de komst van circa 60 woningen in diverse woningtypologieën. De planlocatie en de beoogde komst van één vrijstaande woning met aanhorigheden binnen het plangebied maakt reeds onderdeel uit van het stedenbouwkundig plan en de planopzet voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Echter, de planvorming ten aanzien van de woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ bevindt zich momenteel enkel in de voorbereidende fase.
De initiatiefnemer is daarom voornemens om vooruitlopend op de ruimtelijke procedure ten behoeve van de beoogde woningbouwplannen ‘De Hasselt III’ ter plaatse van het plangebied een woningbouwkavel mogelijk te maken teneinde te kunnen voorzien in de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden. Op grond van hiervan kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van de onderhavige onderbouwing. 5.2.9
Wonen (artikel 5.77)
Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied: a. bepaalt dat een toename van het aantal woningen is verboden; b. bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten; c. kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toestaan bij een woning als: 1. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, als bedoeld in Artikel 5.12; 2. dit past binnen de voorwaarden die voor die gebruiksactiviteit zijn opgenomen in dit hoofdstuk; en 3. bij het toelaten van een bouwactiviteit, elders een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen, feitelijk en juridisch, is gesloopt. Lid 2 In afwijking van het eerste lid, onder a, is een toename van het aantal burgerwoningen mogelijk als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied, bedoeld in Artikel 5.12, en in de volgende gevallen: a. de woningen worden gerealiseerd met toepassing van Artikel 5.14 of Afdeling 5.5; b. het de omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning betreft en is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; en 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Lid 3 In afwijking van het eerste lid onder a is een toename van het aantal bedrijfswoningen mogelijk als het gaat om de bouw van een eerste bedrijfswoning, of bij een grote vrijetijdsvoorziening een tweede bedrijfswoning, en de noodzaak daarvoor is aangetoond Beoordeling Gelet op het vorenstaande wordt voorgeschreven dat een toename van het aantal woningen in het landelijk gebied in beginsel is verboden. In afwijking van voornoemde regel is een toename van het aantal burgerwoningen mogelijk als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied en de woning wordt gerealiseerd met toepassing van onder meer afdeling 5.5. Hier is in casu sprake van nu de beoogde ontwikkeling vooruitlopend op een ruimtelijke procedure voor de beoogde woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’ mogelijk wordt gemaakt met toepassing van artikel 5.56 (afdeling 5.5). Verder is de beoogde ontwikkeling passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied nu de planlocatie onderdeel uitmaakt van de toekomstige woningbouwlocatie ‘De Hasselt III’. Zie de vorenstaande toetsing aan artikel 5.12. Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling (artikel 5.56) Lid 1 32