CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II_vastgesteld_1_Toelichting

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II24.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Brainport Principles

Op het regionaal niveau van Zuidoost-Brabant zijn een zestal sturende principes met elkaar vastgesteld (op 17 december 2020) die richting geven aan de wijze waarop bedrijventerrein binnen de regio ontwikkeld worden. deze zes Brainport Principles zijn: 1. Passende beeldkwaliteit – we stellen eisen aan de kwaliteit van bedrijfsvastgoed. Bij de ontwikkeling van Kleine Hoeven fase II zijn de eisen waaraan wordt getoetst vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan in Bijlage 2 bij de regels. 2. Duurzame werklocaties – Concreet betekent dit dat nieuwe terreinen zoveel mogelijk energiepositief moeten zijn, dat ze indien mogelijk bijdragen aan de circulaire economie, voldoende groen en water herbergen, en op alle terreinen maatregelen zijn toegepast die de biodiversiteit bevorderen. Daarnaast dient de OV potentie maximaal te worden benut op nieuwe locaties. Binnen plan Kleine Hoeven fase II zijn een aantal sturende duurzaamheidsprincipes leidend voor de planuitwerking. Deze zijn uitgewerkt in paragraaf 3.3.2. Een deel van deze principes wordt met dit bestemmingsplan geborgd en een deel zal nadere uitwerking moet krijgen binnen het uitgiftebeleid van de gemeente, bijvoorbeeld in de kavelpaspoorten bij uitgifte.

Binnen het bestemmingsplan zijn met name de groene en blauwe aspecten geborgd, waaronder voldoende waterberging, de lanschappelijke inpassing die bijdraagt aan de uitstraling van het terrein én de biodiverisiteit en eisen ten aanzien van een groene invulling op de bedrijfskavels. 3. Georganiseerde werklocaties – bij nieuw te ontwikkelen locaties stellen we voorwaarden aan collectiviteit in de vorm van verplicht parkmanagement of een Bedrijven Investerings Zone. Deze aspecten krijgen een plek binnen het uitgiftebeleid van Kleine Hoeven fase II. 4. Aantrekkelijk en gevarieerd werkmilieu - nieuwe locaties bieden ruimte voor bedrijvigheid van verschillende schaalgroottes en verschillende economische activiteiten, en mogelijkheid om voorzieningen te realiseren. Uiteraard zijn er verschillen tussen typen terreinen. De focus binnen het bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II ligt op kleinschalige lokale en regionale (MKB) bedrijvigheid, waarbij kavelgroottes tot 5.000 m2 zijn toegestaan. Daardoor is sprake van een grote diversiteit aan type bedrijven die zich kan vestigen op dit nieuwe bedrijventerrein, zolang wordt aangesloten bij de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de regels.

Dit sluit qua type bedrijvigheid aan op het bestaande bedrijventerrein Kleine Hoeven, en past binnen de regionale context waar grootschalige bedrijvigheid op bedrijventerreinen elder wordt geclusterd. De realisatie van gezamenlijke voorzieningen door de toekomstige bedrijven wordt aangemoedigd. 5. Invloed voor bedrijven – terreinen worden vraaggericht ontwikkeld. We sluiten dus zo goed mogelijk aan bij de vraag van bedrijven. Vraag en aanbod worden structureel gemonitord. Er is geen sprake van kwantitatief en kwalitatief overaanbod. De eindgebruiker is bij de gronduitgifte al goed in beeld. Dat wordt aangesloten bij de vraag naar het type werkmilieu dat hier wordt Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 26 van 70

gerealiseerd is reeds gemotiveerd in paragraaf 2.2.3. 6. Benutting regionale schaalniveau – werklocaties kunnen een lokaal tot bovenregionaal verzorgingsgebied hebben. Een regionaal bedrijventerrein in een gemeente kan daarom ook de vraag vanuit buurgemeenten en zelfs buurregio's bedienen. Met het bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II wordt in beginsel ruimte geboden aan kleinschalige bedrijvigheid uit de gemeente Reusel - De Mierden en buurgemeenten. De werklocatie heeft daarmee een lokaal verzorgingsgebied. Relatie met het voorliggende bestemmingsplan Binnen de planvorming en verdere uitwerking is/wordt rekening gehouden met de vastgestelde regionale Brainport Principles. Een deel van de Brainport Principles wordt met voorliggend bestemmingsplan tevens geborgd, onder meer met het beeldkwaliteitsplan en het landschappelijk inpassingsplan. Een aantal aspecten dient uitgewerkt te worden binnen het uitgiftebeleid van de gemeente.

2.5

Gemeentelijk beleid

2.5.1

Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden

Op 22 mei 2018 is de 'Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden' door de raad vastgesteld. Deze omgevingsvisie is de opvolger van de StructuurvisiePlus. In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingsvisie en de Addendum Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden die is vastgesteld op 28 mei 2019. De omgevingsvisie is opgesteld vooruitlopend op de aankomende Omgevingswet. Deze visie is niet zozeer een gewenst eindbeeld, maar er wordt gekozen om de strategie om er te komen vast te leggen . Aan elk(e) (type) gebied waar in deze omgevingsvisie aandacht aan is besteed, is een strategie gekoppeld. In de omgevingsvisie worden verschillende keuzes samengevat en opgenomen. De omgevingsvisie dient als leidraad voor gemeente Reusel-De Mierden. De tien belangrijkste keuzes zijn: 1. Neemt de vier landschapstypen (de oude agrarische cultuurlandschappen, de beekdalen, de jonge heideontginningen en de uitgestrekte bossen met enkele heidecomplexen) als basis voor de ordening van bebouwing en maakt de verschillen tussen de vier landschapstypen beter zichtbaar. 2. Wijst geen nieuwe uitbreidingslocaties voor wonen en werken aan, maar maakt gebruik van al in gang gezette uitbreidingslocaties en van herontwikkeling van vrijkomende of leegstaande (inbreidings)locaties, van buurtschappen en linten en van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. 3.

Maakt in dorpen en buurtschappen het Kempisch karakter sterker met aandacht voor (in stand houden van) laanbeplanting en karakteristieke wegprofielen, respect voor cultuurhistorische waarden, erfgewijze ontwikkeling met een passende vorm, schaal en maat van bebouwing en inbedding in het onderliggende landschap. 4. Richt de openbare ruimte zo in dat ontmoeting en (sportieve) beweging gestimuleerd worden; het stimuleren van gezond gedrag door het organiseren van beweeg activiteiten en het betrekken van bewoners, bijvoorbeeld met buurtsportcoach, jongerenwerk, ouderenorganisa-ties en dergelijke. 5. Wijst duurzame locaties aan voor intensieve dierhouderij op basis van de zes criteria, die in de

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 27 van 70

Businesscase transitie intensieve dierhouderij zijn geformuleerd en maakt voor de andere locaties onderscheid tussen voortzettingslocaties en transformatielocaties. 6. Wil de verbinding tussen Reusel, de N284 en de E34 zo verbeteren dat concentraties van agrarisch-industriële bedrijvigheid en de bedrijventerreinen Kleine Hoeven en De Lange Voren ontsloten worden op de hoofdwegenstructuur, zonder de dorpen met transport te belasten. 7. Biedt in het tussengebied tussen de dorpen Reusel, Hulsel en Hooge Mierde ruimte voor de ontwikkeling van een bos- en heidegebied met mogelijkheden voor bijzondere vormen van landschappelijk wonen, werken, zorg, sport en recreatie. 8. Versterkt het Natuur Netwerk door middel van geïntegreerd bosbeheer, beekdalontwikkeling en de aanleg van verbindingen tussen de bestaande bos- en heidegebieden. 9. Beschouwt de recreatie – naast de bedrijvigheid – als (hulp) motor van economische ontwikkeling en volgt daarbij de volgende strategie: Beter benutten van routestructuren en Natuurpoorten, waarbij initiatiefnemers erfgewijs kleinschalige recreatieve voorzieningen kunnen toevoegen; Vermarkten van rust, ruimte en afwisseling van landschap, vooral gericht op fietsers en wandelaars; Moderniseren van bestaande accommodaties van verblijfsrecreatie; Mogelijkheid van een grotere dagrecreatieve trekker met verblijf in Nieuw-Molenheide. 10.

Behandelt initiatieven die passen binnen de strategieën welwillend, vooral toekomstbestendige oplossingen voor locaties die nu een knelpunt vormen of die in de nabije toekomst een knelpunt gaan vormen voor de volksgezondheid. Voor de kern Reusel is ook specifiek een plan opgesteld. Omdat de beoogde ontwikkeling in Reusel valt, wordt deze hieronder behandeld. Reusel Voor de kern Reusel is recent het Centrumplan vastgesteld. Het nieuwe hart voor Reusel is gebaseerd op een thematische keuze van boodschappenplein aan de Markt en evenementenplein aan het Kerkplein. De bestaande clustering van grootschalige horecavoorzieningen voor de jeugd aan de Wilhelminalaan kan gehandhaafd blijven. Op grotere afstand van het centrumgebied zijn geclusterd nog enkele locaties voor voorzieningen met een wijkfunctie (school, sport, zorg, gezondheid) gebundeld in brede-schoolconcepten of zorgconcepten. Op diverse plaatsen ontstaan in de kern Reusel mogelijkheden voor transformatie en inbreiding. Het gaat daarbij onder meer om vrijkomende bedrijfskavels langs de linten, aan de randen van het bedrijventerrein De Lange Voren alsmede om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen die voorzien kunnen worden van een nieuwe functie. De woningbouwopgave voor de kern Reusel kan opgevangen worden op deze inbreidingslocaties en in de nog in ontwikkeling zijnde woonwijk Molen Akkers.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 28 van 70

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 29 van 70

Figuur 2.3: Visiekaart Reusel; zwart omcirceld: globale weergaven plangebied.

Relatie met het voorliggende bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met de omgevingsvisie. De omgevingsvisie schetst tien belangrijkste keuzes. Hierbij focust keuze twee op de nieuwe uitbreidingslocaties voor wonen en werken en ook op het gebruik van al in gang gezette uitbreidingslocaties. Bovendien is er specifiek voor de kern Reusel een visiekaart opgenomen. In de visiekaart is de beoogde uitbreiding opgenomen als: 'Uitbreidingsruimte bedrijvigheid op termijn'. De beoogde ontwikkeling is hierdoor al opgenomen in de omgevingsvisie. De omgevingsvisie van gemeente Reusel-De Mierden vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en is hiermee in lijn met het voorliggend bestemmingsplan.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 30 van 70

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt een nadere planbeschrijving gegeven van Kleine Hoeven fase II. In het algemeen kan worden gesteld dat met dit planvoornemen wordt aangesloten op het bestaande bedrijventerrein Kleine Hoeven (fase I) en de ruimtelijke principes die daarvoor ten tijde van de planvorming golden. Ten tijde van de ontwikkeling van het bestaande bedrijventerrein was de uitbreiding van het bedrijventerrein ten zuiden van de weg Kleine Hoeven op deze locatie ook al beoogd. De ruimtelijke principes en uitgangspunten die in dit hoofdstuk worden omschreven zijn in lijn met de principes en uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het bestaande bedrijventerrein Kleine Hoeven en bijbehorend bestemmingsplan Kleine Hoeven 2012. Echter zijn in de loop der jaren ook nieuwe ambities ontstaan, waaronder een nadrukkelijkere wens om duurzaamheid een centrale plek te geven. Hier wordt in paragraaf 3.3 nader op ingegaan.

3.1

Ruimtelijke context

3.1.1

Geologie en geomorfologie

De kernen in Reusel-De Mierden behoren tot het Brabants Massief, waarin oude aardbreuken het landschap bij de ontwikkeling hebben gevormd. De gemeente is gelegen ten zuiden van de Feldbissbreuk, op de hoge zijde. Geologische oude bodemlagen, zoals grove, al dan niet grindhoudende bodempakketten liggen hier relatief ondiep. Aan de oostzijde heeft het plangebied een maaiveldhoogte van circa NAP +32,40m. Richting het westen loopt dit geleidelijk af naar NAP +31,80m à +NAP +30,90m langs de Hamelendijk. Het maaiveld ligt het laagste in de noordwesthoek van het plangebied, in de bocht tussen de Hamelendijk en de Kleine Hoeven. Het grondwaterpeil zit op ca. 1,5 m onder maaiveld. De omgeving van het gebied bestaat uit een dekzandrug en terrasafzettingswelvingen. Het bodempakket bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand), en wordt omringd door veldpodzolgronden en laarpodzolgronden. Zwarte enkeerdgronden zijn humusrijke zandgronden die zijn ontstaat door bemesting met heideplaggen. Veldpodzolgronden zijn zandige ondergronden die sterk zijn uitgelogd van ijzer en basen. Over het algemeen komen deze gronden voor op de relatief lager gelegen delen in het landschap en hebben een relatief hoge grondwaterstand.

Laarpodzolgronden bezitten dezelfde relatief natte kenmerken als veldpodzolgronden, maar hebben een humusrijke toplaag welke is ontstaan door plaggenbemesting. 3.1.2

Historischeontwikkeling

De historische context van de locatie, zoals weergegeven in figuur 3.1, laat zien dat de originele verkavelingsrichting van het gebied vanaf begin 20e eeuw meer noord-zuid gericht was. Er was toentertijd al (deels) sprake van agrarisch gebruik binnen het plangebied. Daarnaast heeft het plangebied altijd een duidelijke relatie gehad met het bos- en heidegebied aan de voormalige Heibloem (ten zuiden van het plangebied). In de loop der jaren is daarbij het gedeelte van de Heibloem dat de doorsteek vormde van Kleine-Hoeven naar Hamelendijk verdwenen.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 31 van 70

Figuur 3.1: Historische ontwikkeling van het plangebied 3.1.3

Ruimtelijke ontwikkeling

Het plangebied is door de jaren heen altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. De percelen zijn meermaals verkaveld en vanaf 1927 tot 2015 is bebouwing aanwezig geweest langs de openbare weg ‘Kleine Hoeven’. Een gedeelte van deze bebouwing is omstreeks 1985 uitgebouwd. Op de topografische kaart van 2014 de bebouwing voor het laatst zichtbaar. Ook waren in het verleden straten aanwezig binnen het plangebied (periode1900 tot 1984). Deze zijn later gedeeltelijk verwijderd (1972). Vanaf 1973 zijn er fabrieken/bedrijven gevestigd nabij het plangebied. Dit gebied is vanaf 1984 verder uitgebreid tot het industrieterrein “De Sleutel”. Dit industriegebied bevindt zich op ongeveer 800 meter van het plangebied Kleine Hoeven. In 2010 is de ontwikkeling van het bedrijventerrein de Kleine Hoeven (fase I) gestart. Dit bedrijventerrein bevindt zich tussen de straten de Hoeven, Kleine Hoeven en Hamelendijk. Fase II bevindt zich ten zuiden van de straat de Kleine Hoeven.

3.2

Ruimtelijke structuur

Bij de uitbreiding van bedrijventerrein Kleine Hoeven worden de bestaande grenzen van de landschappelijke open zone tussen Reusel en Bladel gerespecteerd en waar mogelijk zelfs versterkt. Zo zal in het verlengde van het bestaande bosgebied aan de oostzijde van het bestaande bedrijventerrein een nieuwe groen-blauwe zone gerealiseerd worden aan de oostzijde van Kleine Hoeven fase II, die als natuurlijke overgang van bedrijventerrein Kleine Hoeven en de open zone zal functioneren. Hierbij wordt aangesloten op het principes van de verankering van het bedrijventerrein in haar omgeving, zoals deze zijn omschreven in het bestemmingsplan Kleine Hoeven 2012. Figuur 3.2 geeft hiervan een schematische weergave.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 32 van 70

Figuur 3.2: Verankering bedrijventerrein in het omliggende landschap

Het stedenbouwkundig plan voor fase II van het bedrijventerrein Kleine Hoeven is, met inachtneming van deze principes, procesmatig tot stand gekomen. In eerste instantie is gekeken naar de ruimtelijke randvoorwaarden die bepalend zijn voor de bestaande situatie én de toekomstige ontwikkelingen in en rondom het plangebied. De volgende randvoorwaarden zijn daarbij als uitgangspunt gehanteerd in het plan: Fase I met de orientatie en bestaande wegenstructuur waar op aangetakt kan worden, bijvoorbeeld orientatie naar de (straat) Kleine Hoeven; bestaande groene zoom langs de Hamelendijk uit Fase I verlengen; woningen aan de Heilbloem grenzen met hun tuinen aan het plangebied: ruimtelijke kwaliteit in de groene bufferzone en afstand houden; geen achterkanten (in het zicht) naar het landschap; historische kavelrichting en groenstructuur volgen. Op basis van de randvoorwaarden is het stedenbouwkundig concept als eerste stap uitgewerkt en is nadere inhoudelijke invulling gegeven aan deze randvoorwaarden.

Het stedenbouwkundig concept gaat daarbij uit van een aantal uitgangspunten: aantakken op bestaande structuren uit Fase I groene zoom aan Hamelerdijk als decor voor het bedrijventerrein, orientatie naar Hamelendijk groene dooradering van het plan, met groene profielen landschappelijke inpassing van kavels aan de Heibloem Hamelendijk herprofileren tot aan Heilbloem 1 waterberging inzetten voor natuurontwikkeling en als overgangsgebied naar het agrarisch buitengebied De ruimtelijke randvoorwaarden en uitgangspunten vanuit het stedenbouwkundig concept hebben geleid tot een stedenbouwkundig plan dat ruimtelijk gezien op logische wijze aansluit op de omgeving. Er is sprake van een heel natuurlijke overgang vanuit het bestaande bedrijventerrein naar deze uitbreiding, er wordt zorgvuldig gebruik gemaakt van de bestaande verkeersstructuren en hier wordt op een logische wijze op aangetakt en de bestaande groenstructuren worden het plangebied in getrokken. Algemeen uitgangspunt is dat er een sterke verankering in het onder- en Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 33 van 70

omliggende landschap moet zijn. Aan de zuid- en oostkant van het gebied is gekozen voor een brede groene bufferzone om de overgang naar het open agrarische landschap, inclusief de woningen Heibloem 1, 3 en 5, te verzachten en het bedrijventerrein vanuit deze perspectieven uit het zicht te onttrekken. In figuur 3.3 is het 'oude' stedenbouwkundig plan ten tijde van het bestemmingsplan Kleine Hoeven 2012 weergegeven en in figuur 3.4 het verder uitgewerkte stedenbouwkundig plan voor Kleine Hoeven fase II als voorlopig ontwerp. Fase II is dus een kleiner plangebied dan oorspronkelijk beoogd. Het plan in figuur 3.4 heeft de basis gevormd voor de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Figuur 3.3: Stedenbouwkundig plan Kleine Hoeven, totaal (uit bestemmingsplan Kleine Hoeven 2012)

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 34 van 70

Figuur 3.4: Stedenbouwkundig plan Kleine Hoeven fase II (voorlopig ontwerp)

3.3

Functionele structuur

3.3.1

Ruimtelijke principes

Voor de bebouwing, verkeersstructuren en groenstructuren zijn binnen het stedenbouwkundig ontwerp een aantal principes gehanteerd, die hieronder kort zijn samengevat.

Bebouwing - kavelgroottes variërend van 1000 tot 5000 m2; - per kavel maximaal twee inritten, waarbij maximaal één op de Hamelendijk of (straat) Kleine Hoeven; - minimale bouwhoogte van 6 meter en maximale bouwhoogte van 9 meter; - bebouwingspercentage van maximaal 85%, met uitgangspunt dat rondom het gebouw overal 3

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 35 van 70

meter vrij moet blijven en tussen de voorgevel en voorste kavelgrens (op de bedrijfskavels) de 3 meter zone voor 80% groen ingericht moet worden; - bij de uitgifte zullen kavelpaspoorten worden opgesteld, waarin nadere eisen met betrekking tot duurzaamheid, beeldkwaliteit en inrichting van de kavel worden vastgelegd. Hiermee wordt richting gegeven aan de toekomstige ondernemers en hun architecten. Tevens is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor Kleine Hoeven, waarin de belangrijkse beeldkwaliteitsaspecten zijn opgenomen en toegelicht. Deze is als Bijlage 2 (bij de regels) aan dit bestemmingsplan toegevoegd.

Verkeer - kavels Hamelendijk en Kleine Hoeven krijgen maximaal één ontsluiting aan deze wegen; - parkeren en laden en lossen vindt plaats op eigen terrein; - geen buitenopslag in het zicht; - de hoofdverkeersas loopt vanaf het kruispunt Hamelendijk / Kleine Hoeven U-vormig door plangebied, met vanuit deze as één aanvullende insteek richting de Kleine Hoeven; - de Hamelendijk loopt ná de bocht die onderdeel is van U-vormige ontsluiting versmald door. Uitgangspunt is dat zwaar verkeer vanuit het bedrijventerrein deze route niet gaat gebruiken. Op dit laatste stukje mag ook geen nieuwe inrit gerealiseerd worden; - voor fietsers is ruimte op de rijbaan, in de bermen is ruimte voor wandelstructuren.

Groen - de groenstructuur langs de Hamelendijk wordt doorgetrokken binnen het plangebied. Dit is een groenzone waarin zowel groen/bomen als de huidige watergang een plek krijgen. - een brede groene bufferzone aan de oostzijde als zachte overgang naar het open landschap. Hier wordt ingezet op, van west naar oost, een dichte groenzone die via een talud uitkomt in een watergang. - een dichte groenzone aan de zuidzijde als overgang tussen Heibloem 1, 3 en 5 en het bedrijventerrein - een interne groenstructuur met brinkjes en wandelpaden die aansluit op de omgeving en beweging en ontmoeten stimuleert. 3.3.2

Duurzaamheid

In het stedenbouwkundig plan is in aansluiting op de uitgangspunten voor het bestaande bedrijventerrein uitgegaan van een duurzame, gebiedsgerichte ontwikkeling. Algemene uitgangspunten die hierbij zijn gehanteerd betreffen: Het zoveel mogelijk ontzien van kwetsbare gebieden in de (directe) omgeving van het plangebied door een optimale inwaartse zonering van het bedrijventerrein; Toepassing van een duurzaam watersysteem, waarbij de randvoorwaarden door het natuurlijk systeem worden bepaald; Een zorgvuldige landschappelijke inpassing waarbij landschappelijke en ecologische potenties optimaal worden benut; De inrichting en vormgeving van het duurzame bedrijventerrein moet zijn afgestemd op de kenmerken en kwaliteiten van de plek; Het voorkomen van vervuilende emissies naar bodem, water en lucht; Duurzaam veilige ontsluitingsstructuur met hoogwaardige fietsvoorzieningen; In het verdere planproces samenwerken met de lokale onderenemer om de mogelijkheden te bezien voor een duurzame, sociaal veilige en innovatieve exploitatie en beheer van het bedrijventerrein. Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 36 van 70

Om deze ambities verder te concretiseren is voor het plan Kleine Hoeven fase II een aantal duurzaamheidsprincipes en -ambities geformuleerd die een plek krijgen in de nadere planuitwerking en het uitgiftebeleid van de gemeente bij Kleine Hoeven fase II. De duurzaamheidsprincipes zijn opgesteld in twee werksessies (16 en 28 juni 2022) met vertegenwoordiging vanuit de bestaande ondernemersvereniging Kleine Hoeven en een werksessie met de gemeenteraad op 15 september 2022. De principes zijn hieronder samengevat. Deze hebben gedeeltelijk een plek gekregen in de planvorming en verdere planuitwerking en zullen gedeeltelijk in de verdere uitvoering geborgd moeten worden, onder meer in het uitgiftebeleid en de afspraken die worden gemaakt met de (toekomstige) ondernemers.

Overkoepelend Duurzaam transport: naast duurzaam bouwen op het bedrijventerrein is ook duurzame bedrijfsvoering, met name het transport van de bedrijven die zich vestigen van belang. Groen voor mens en dier Eigenaarschap (groen): ondernemers worden betrokken bij het ontwerp van het groenplan en zijn na aanleg samen met de gemeente verantwoordelijk voor het groenbeheer en -onderhoud. Groene erfafscheidingen en voortuinen: om natuurinclusief bouwen te stimuleren wordt er niet alleen naar de openbare ruimte gekeken, maar ook naar wat mogelijk is op de bedrijfskavels. Daarom wordt een groene inrichting aan de zichtzijde opgenomen in het kavelpaspoort. Dit zorgt voor een eenduidige groene uitstraling van het hele bedrijventerrein en draagt bij aan klimaatadaptatie. Schaduwrijke wandelroute(s): groen wordt betekenisvol wanneer men zich daarin prettig kan bewegen. Door een schaduwrijke wandelroute door het gebied aan te leggen, die aansluit op de bestaande wandelroutes wordt wandelen uitnodigend. Natuurinclusief bouwen: een overkoepelend uitgangspunt voor de maatregelen als het vasthouden van water, water doorlatende verharding en groene erfafscheidingen en voortuinen. Een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving waar mensen én dieren prettig samen leven creëer je door natuur inclusief te bouwen.

Een natuur inclusief bedrijventerrein zorgt ervoor dat deze écht tot leven komt als er ook ruimte geboden wordt aan medegebruikers zoals zangvogels, vleermuizen en insecten. Vasthouden en afvoeren van water: op het bedrijventerrein is er aandacht voor waterhuishouding in de openbare ruimte. Op verschillende kansrijke plekken (bijvoorbeeld parkeerplaatsen) wordt water doorlatende verharding aangebracht. Bij neerslag kan het water beter wegstromen en men kan er parkeren. Ook het vasthouden van water is een onderwerp binnen de waterhuishouding. Duurzaam vervoer Eigenaarschap (mobiliteit): er wordt samen met de ondernemers en bedrijven gekeken hoe fietsgebruik kan worden gestimuleerd. Brainport Bereikbaar voert momenteel onderzoek uit naar de potentie van fietsstimulering bij werknemers. Bushalte met deelfietsen: gebruik van het openbaar vervoer dient gestimuleerd te worden als alternatief vervoersmiddel. In de toekomst is het faciliteren van deelfietsen bij OV punten een manier om OV aantrekkelijker te maken. Fietsvriendelijke inrichting: op een bedrijventerrein rijdt veel zwaar verkeer. Hierdoor kan het als fietser onveilig aanvoelen. Bij het ontwerp wordt daarom rekening gehouden met een fietsvriendelijke inrichting waarbij fietsers de ruimte krijgen. Fietsfaciliteiten: om de fiets te stimuleren realiseren ondernemers de juiste faciliteiten.

Denk hierbij aan oplaadpunten en fietsstallingen op kavels en de mogelijkheid om te douchen op het werk.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 37 van 70

Materiaalgebruik Een gesloten grondbalans: dit houdt in dat alle uitkomende grond binnen het plangebied wordt hergebruikt. De balans is volledig gesloten als er ook geen grond van elders wordt aangevoerd. Toepassing van materialen met lage milieubelasting: milieubelasting van materialen kan worden bepaald in een levensycluskostenanalyse (LCA). Hierbij wordt gekeken naar de milieueffecten over de gehele levenscyclus van het materiaal: van grondstofwinning, productie, verwerking, onderhoud tot einde levensduur. Meervoudig ruimtegebruik op daken: alle daken worden functioneel gebruikt. Ondernemers kunnen daarbij zelf bepalen of ze inzetten op zonnepanelen, groene daken, parkeren op het dak of een combinatievorm. Hierbij is het van belang dat de dakconstructie berekend is op het dragen van bijvoorbeeld zonnepanelen Toekomstbestendige energie Eigenaarschap (energie): er wordt samen met de ondernemers en bedrijven gekeken hoe energie collectief kan worden opgewekt, uitgewisseld en/of opgeslagen. Mogelijke verbindingen met grootschalige opwek in de nabijheid worden onderzocht. Smart grids: om uitwisselbaarheid van energiestromen (in de toekomst) mogelijk te maken wordt in de openbare inrichting rekening gehouden met extra ruimte voor de benodigde ruimte.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 38 van 70

Hoofdstuk 4

4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de feiten en belangenafweging inzake de relevante milieuhygiënische aspecten (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied. Alle onderzoeken zijn gedaan voorafgaand aan de realisatie van de uitbreiding. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de feitelijke onderzoeken in de bijlagen. Voor de woningen en bijbehorende agragrische gronden ter plaatse van het adres Heibloem 1 maakt dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Voor dit deel van het bestemmingsplan is sprake van een conserverend karakter. De diverse milieu- en omgevingsonderzoeken hebben zich derhalve toegespitst op de gronden van het nieuwe bedrijventerrein, zoals aangeduid in figuur 1.1 in paragraaf 1.2

4.2

M.e.r.- beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Betekenis voor dit project De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (gemeente Reusel – De Mierden) om te bepalen of als gevolg van de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In de aanmeldingsnotitie (Bijlage 2) is op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is. Het initiatief bestaat uit de realisatie van een bedrijventerrein (D 11.3 van het Besluit m.e.r.).

Het bevoegd gezag beslist op basis van deze aanmeldingsnotitie of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. De m.e.r.-beoordeling kent een 'nee, tenzij' principe. Dit betekent dat geen nadere m.e.r. nodig is tenzij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het project. In tabel 4.1 is concluderend weergegeven op welke punten effecten te verwachten zijn. Op basis van deze conclusie neemt de gemeente Reusel - De Mierden voorafgaand aan de start van de procedure van het bestemmingsplan het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 39 van 70

Waarde

Effect

Maatregel

Beschermde De functionaliteit van Er is een activiteitenplan opgesteld met soorten het leefgebied van de compensatiemaatregelen. Middels een De komst van het steenuilen wordt naar voorwaardelijke verplichting is de compensatie bedrijventerrein zorgt verwachting aangetast, geborgd in het bestemmingsplan. voor ruimtebeslag op daarom is een ontheffing essentieel Wnb noodzakelijk. foerageergebied en mogelijke indirecte aantasting van de verblijfplaats van de steenuil. Beschermde soorten Nesten overige broedvogels.

Ook overige broedvogels hebben mogelijk last van aantasting van de nesten als gevolg van de ontwikkeling.

Het aantasten van de nesten van overige broedvogels kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen (globaal maart - augustus) te werken.

Beschermde De komst van het Gebruikmaken van speciale armaturen die het gebieden industrieterrein kan het licht zo min mogelijk verspreiden naar plekken De nabijheid van gebied en de soorten waar de verlichting niet voor bedoeld is en aan de NNB zorgt ervoor dat verstoren door geluid en boven- en zijkant goed zijn afgeschermd. Houdt door externe werking licht. daarbij de grens aan van <1 lux tot de bosrand. mogelijk sprake is Ook dient een barrière in de vorm van dichte van negatieve vegetatie worden gerealiseerd op de begrenzing effecten op de van het NNB-gebied en het industrieterrein ten wezenlijke waarden zuiden van het NNB-gebied om verstoring ten en kenmerken van aanzien van licht (o.a. koplampen) richting het het NNB-gebied. natuurnetwerk te minimaliseren. Zo kan worden voorkomen dat in de bosrand van het NNB-gebied lichtverstoring ontstaat. Opstellen ecologisch werkprotocol waarin: - de juiste lichtbronnen worden aangewezen; - wordt aangegeven welke lawaaiproducerende aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 40 van 70

Hergebruik De Nota bodembeheer grond gemeente Reusel-De Er gelden restricties Mierden 2021 stelt ten aanzien van de dat: hoeveelheid ‘In het Besluit bodemvreemd bodemkwaliteit is materiaal in de toe bepaald dat grond en te passen partij baggerspecie niet grond meer dan 20% (m/m) bodemvreemd materiaal, zoals puin, mogen bevatten. Grond, zichtbaar verontreinigd met zinkassen en/of asbest, mag in de gemeenten niet worden toegepast.’

Geadviseerd wordt na te gaan of verwijdering van de asbesthoudende grond in relatie tot de toekomstige bestemming wenselijk is.

Tabel 4.1: Potentiële effecten en de maatregelen die daarbij worden voorzien

4.3

Geluid

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder (hierna Wgh) is in werking getreden ter bescherming van geluidsgevoelige functies tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Het geluidsoverlast mag niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde, dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde).

Betekenis voor dit project Ten aanzien van industrielawaai worden de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) gehanteerd. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.4. De cumulatieve geluidsbelasting op de gevels van de woningen veroorzaakt door het verkeer over de nieuwe wegen binnen bedrijventerrein Kleine Hoeven bedraagt ten hoogste 34 dB. Dit valt ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Bij individuele toetsing per weg zal de geluidbelasting lager uit vallen dan de berekende geluidbelasting van 35 dB voor de gecumuleerde geluidbelasting. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen langs de Hamelendijk zal niet verslechteren door de toename van het verkeer over de Hamelendijk. Daarmee staat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Als via een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met plan mogelijk worden gemaakt en mogen omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in het algemeen gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 41 van 70

publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden.

Betekenis voor dit project De indeling van de bedrijven en bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan), waarin de diverse aspecten van de bedrijven in normatief opzicht zijn weergegeven. Op grond van deze lijst kan men een beleidsmatige selectie maken van de op een terrein toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn op basis van de SBI-code in deze lijst opgenomen. Per bedrijf wordt een waardering gegeven op de bovengenoemde aspecten en wordt aangegeven wat de gewenste minimale afstand tot woongebieden is. Deze gegevens met de op de diverse aspecten genoemde afstanden leiden vervolgens tot de indeling in een milieucategorie (volgens de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering", 2009) van de betreffende bedrijfsactiviteit.

Milieucategori Aan te houden afstand (m) e (omgevingstype: rustig buitengebied) 1

10

2

30

3.1

50

3.2

100

4.1

200

4.2

300

5.1

500

5.2

700

5.3

1000

6

1500

Tabel 4.1: Milieuzonering VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" (2009)

De genoemde afstanden betreffen de gewenste afstand tot een rustige woonwijk. Voor het omgevingstype "rustig buitengebied" wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering" (Den Haag, 2009) aangegeven dat de milieuaspecten visueel en geluid gevoelig kunnen liggen. Voor de overige milieuaspecten (geur, stof, gevaar en verkeer) wordt voor dit omgevingstype aangegeven dat sprake kan zijn van een verminderde gevoeligheid ten opzichte van een rustige woonwijk. Daarmee zou een grotere afstand kunnen worden toegepast ten opzichte van de aangegeven te hanteren afstand in de VNG-uitgave. Voor de situatie ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling van bedrijventerrein Kleine Hoeven is sprake van diverse woningen aan de terreinranden. De afstand tot deze woningen is gerespecteerd bij de indeling van het bedrijventerrein in te vestigen milieucategorieën. Er is sprake van zogenaamd 'inwaarts zoneren', wat wil zeggen dat vanuit de gevoelige functies rondom het plangebied zones zijn gecreëerd op basis van de richtafstanden uit tabel 4.1. Het meest bepalend daarin is de woonfunctie ter plaatse van het adres Heibloem 1, die gezien deze relatie tevens is opgenomen in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan. De maximaal te vestigen milieucategorieën zijn op de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Dit komt voor fase II van Kleine Hoeven neer op drie zones waarbinnen maximaal milieucategoriën 3.1 en 3.2 zijn Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 42 van 70

toegestaan. Zwaardere milieucategoriën zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij aangetoond kan worden dat er geen milieuhinder ontstaat op de omliggende gevoelige functies.

4.5

Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Situatie De gemeente Reusel-De Mierden heeft op 5 juni 2021, als onderdeel van de Nota bodembeheer gemeente Reusel - De Mierden, de bodemkwaliteitskaart samenwerkende Kempengemeenten vastgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart zijn de verschillende bodemfuncties aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen 'water', 'wonen', 'industrie' en 'landbouw/natuur'.

Figuur 4.1: Uitsnede bodemfunctieklassekaart. Rood omcirkeld: globale weergave plangebied.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 43 van 70

De bodemfunctieklassenkaart is een weergave van het huidige en eventueel toekomstige gebruik van de bodem. Deze kaart geeft gebieden of zones weer die elk gekenmerkt worden door een uniforme bodemopbouw en een specifieke gebruikshistorie. De kaart geeft inzicht in deze kenmerken en in de daarmee samenhangende fysische en chemische kwaliteit van de bodem. Hieruit blijkt dat de bodemfunctieklasse van de onderzoekslocatie ’Industrie’ is. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden op diverse plaatse verontreinigingen met zware metalen aangetoond. Dit hangt samen met de voormalige toepassingen van zinkassen rondom het gebied. De meeste van deze verontreinigingen zijn inmiddels gesaneerd. Ter plaatse van de Hamelendijk zijn in het verleden nog geen saneringswerkzaamheden uitgevoerd. Aangezien deze locatie binnen de huidige onderzoeksgrenzen valt, is het aantreffen van een verontreiniging hier mogelijk. Betekenis voor dit project Voor de locatie is een milieuhygiënisch vooronderzoek (zie Bijlage 4) uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt de locatie over het algemeen als onverdacht beschouwd. Uitgezonderd is de zinkassenweg ‘Hamelendijk’, waarbij mogelijk wel verontreiniging aanwezig kan zijn.

Het advies is een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, met inachtneming van het volgende: De gehele locatie dient verkennend onderzocht te worden op basis van de NEN 5740 conform de strategie ’onverdacht niet-lijnvormig’. De verdachte locatie de Hamelendijk dient verkennend onderzocht te worden op basis van de NEN 5740 conform de strategie verdacht heterogeen lijnvormig. Voor de watergangen wordt geadviseerd een verkennend waterbodemonderzoek uit te voeren op basis van de NEN 5720 conform de strategie overig water lintvormig normale onderzoeksinspanning. Op basis van de bovenstaande constateringen uit het milieuhygiënisch vooronderzoek is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Op basis van dat onderzoek zijn er milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel wordt het volgende geadviseerd en opgemerkt: In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde concentraties aan zware metalen gemeten. De verontreiniging van ondiep grondwater met zware metalen vormt geen directe belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden, derhalve is aanvullend onderzoek van het grondwater niet noodzakelijk. Indien er werkzaamheden beneden de grondwaterstand plaatsvinden, waardoor bemaling en/of lozen van grondwater noodzakelijk is, dient rekening gehouden te worden met de sterk verhoogde concentraties aan zware metalen.

Ter plaatse van de Hamelendijk zijn geen verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. Tevens zijn geen zinkassen aangetroffen. In 2016 zijn wel sterk verhoogde gehalten aangetoond en zijn ter plaatse van een boring zinkassen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn de zinkassen zoals vastgesteld in het Pilotonderzoek van 2008 heterogeen aanwezig. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. Op de onderzoekslocatie zijn op een aantal plaatsen puin in de grond of als halfverharding in de wegberm van de Hamelendijk aangetroffen. Aangezien er geen duidelijkheid is over de herkomst/aanleg van dit puinmateriaal dient dit puin aanvullend onderzocht te worden op het voorkomen van asbest. Het asbestonderzoek is uitgevoerd in twee fasen, waarbij eerst een verkennend asbestonderzoek (Bijlage 6) en vervolgens een nader asbestonderzoek (Bijlage 7) is uitgevoerd. De conclusies en adviezen daarbij zijn als volgt: Binnen de onderzoekslocatie zijn de meest verdachte lagen in de boven- en ondergrond analytisch onderzocht. Hieruit blijkt dat alle aangetoonde gehalten aan asbest beneden de 100 mg/kg ds. liggen, dus beneden de interventiewaarde. Het hoogste gehalte betreft 66 mg/kg ds. De onderzoekslocatie is derhalve niet sterk verontreinigd met asbest. In een deel van de onderzochte sleuven is een concentratie hoger dan 50 mg/kg ds aangetoond.

Daarom gelden de beheersmaatregelen voorkom stofvorming en verslepen bouwstoffen. Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden de verwaaiing van vezels voorkomen dient te worden. Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 44 van 70

Geadviseerd wordt om na te gaan of verwijdering van de asbesthoudende grond in relatie tot de toekomstige bestemming wenselijk is. De reden hiertoe is de voorgenomen (her)ontwikkeling van de locatie. Bij de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de conclusies uit de diverse bodemonderzoeken. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit aansluit bij de beoogde functie van het bedrijventerrein. Op basis van de bevindingen uit het verkennend bodemonderzoek en de conclusie uit het asbestonderzoek dat concentraties beneden de interventiewaarde liggen kan worden geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.6

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). In titel 5.2 van de wet zijn de bepalingen ten behoeve van luchtkwaliteit opgenomen. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Situatie Uit het luchtkwaliteitsonderzoek (Bijlage 8) komt naar voren dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5, de uurgemiddelde concentratie NO2 en de 24-uurgemiddelde concentratie PM10 niet worden overschreden door de planontwikkeling.

Betekenis voor dit project Het plan voldoet, ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en daarmee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Water

4.7.1

Inleiding

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving, “de waterparagraaf”, van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 45 van 70

veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets, die in het kader van de voorgenomen is uitgevoerd, is als Bijlage 9 aan dit bestemmingsplan gekoppeld. In deze paragraaf zijn de relevante waterhuishoudkundige aspecten hieruit beschreven. De relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Europese Kaderrichtlijn Water, Nationaal Waterprogramma 2022-2027, Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel, Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de gezamenlijke keur van de Brabantse Waterschappen (2015). De belangrijkste gezamenlijke punten uit deze beleidstukken zijn dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening en dat de verdroging en wateroverlast bestreden dienen te worden. In de volgende paragrafen zijn de voor het plangebied relevante beleidsuitgangspunten nader toegelicht. 4.7.2

Beleid en regelgeving Waterschap De Dommel

Vanuit het waterschapsbeleid is in de watertoets ingegaan op het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de gezamenlijke keur van de Brabantse Waterschappen (2015). Het huidige Waterbeheerprogramma beschrijft de hoofdlijnen voor het te voeren beleid van Waterschap De Dommel voor de periode 2022-2027. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterprogramma en het Regionaal Water en Bodem Programma. Het Waterbeheerprogramma is uitgewerkt in de beleidsnota 'Water als basis voor een toekomstbestendigde leefomgeving'. Voor de uitgangspunten uit dit beleid wordt verwezen naar de watertoets. Binnen de keur wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsplichtige- en de meldingsplichtige handelingen, die binnen de algemene regels van het waterschap vallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling vallen naar verwachting de volgende handelingen onder de vergunningsplicht. Bij de verdere detaillering van de plannen wordt dit nader in beeld gebracht: a. het geheel of gedeeltelijk dempen, aanleggen van nieuwe, aanbrengen van wijzigingen in en met elkaar verbinden van oppervlaktewater: binnen het gebied worden sloten/greppels met een B-status gedempt, verlegd en/of gekruist; b. mogelijk worden er dammen met duikers aangebracht in de bestaande B-watergangen; c.

toename aan verhard oppervlak: binnen het gebied neemt het verhard oppervlak als gevolg van de bedrijfskavels en ontsluitingswegen toe; d. onttrekkingen van grondwater die nodig zijn voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken, die groter zijn dan 50.000 m3/maand, die groter zijn dan 200.000 m3 in totaal en die langer duren dan zes maanden. Dit geldt niet voor saneringen. Of dit van toepassing is dient later in een bemalingsadvies te worden bepaald. 4.7.3

Beleid en regelgeving provincie Noord-Brabant

Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 is door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van de provincie Noord-Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van de gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het RWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 46 van 70

4.7.4

Beleid gemeente Reusel-De Mierden

Het GRP (Gemeentelijk RioleringsPlan) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken volgens de Wet milieubeheer en de Waterwet weergeeft. In het GRP staat vastgelegd wat de gemeente Reusel – De Mierden wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/ondernemers ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het plan borgt het beheer en onderhoud van het bestaande rioleringsstelsel en gaat in op de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, zowel voor bestaande bouw, alsook voor nieuwe ontwikkelingen. Ook beschrijft het de ambities hoe we in de toekomst klimaatbestendig, duurzaam en zorgzaam met de afvoer van afvalwater, het vasthouden, bergen en afvoeren van hemelwater en het reguleren van het grondwater omgaan. Tevens is het GRP de basis voor de hoogte van de jaarlijkse rioolheffing. De Gemeente Reusel – De Mierden heeft in 2016 een BRP (Basisrioleringsplan) opgesteld. Hierin wordt per kern het rioleringsstelsel hydraulisch getoetst en zijn er per rioleringsstelsel kansen voor verbetering in beeld gebracht. Het plangebied Kleine Hoeven heeft zijn eigen rioleringsstelsel. Omdat dit rioolstelsel recent is aangelegd als gescheiden stelsel, komen er geen grote knelpunten of verbeterkansen naar voren. In 2012 heeft de gemeente het bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I aangelegd.

Binnen dit plangebied is destijds al rekening gehouden met een mogelijke uitbreiding van de waterberging voor fase II. In de nadere uitwerking van de hemelwaterberging wordt deze bergingsruimte mee genomen. 4.7.5

Water in het bestemmingsplan

In de watertoets is op basis van de bodemopbouw en geohydrologische situatie ter plaatse van de planlocatie en de diverse beleidskaders gekomen tot conclusies en de benodigde opvolging voor de planontwikkeling. Deze zijn opgenomen in tabel 4.2. Met inachtneming van de maatregelen zoals omschreven in deze tabel voorziet het plan in een adequate waterhuishouding en heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect water. Daarmee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ten behoeve van de totale hemelwaterbergingsopgave, die toeziet op de totale toename in verharding (op zowel bedrijfskavels als in het openbaar gebied), is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

Aspect

Conclusie / opvolging

Hemelwaterberging

Hemelwaterberging wordt gecombineerd met Fase I. In totaal is 10.055 m3 hemelwaterberging nodig. Dit wordt deels gerealiseerd in de groenzone aan de oostzijde van Fase II en deels door in Fase I de wadirand aan de westzijde van het bedrijventerrein op te hogen en de bodem te verlagen tot GHG-niveau. Voor het aanleggen van de grondwal is een vergunning van het waterschap benodigd, dit wordt gecombineerd met de aanvraag van het WHHP van Fase II.

Aanpassing B-watergangen

Demping van B-watergangen is compensatieen vergunningsplichtig vanuit het waterschap.

Dam met duiker

Omdat de dam voor de toegang vanaf de Hamelendijk breder wordt dan 5 meter is er een vergunning vereist vanuit het waterschap.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 47 van 70

Vuilwaterverwerking

DWA kan worden aangesloten op het stelsel onder de Kleine Hoeven – Hamelendijk. Dit riool is reeds aangelegd ten behoeve van Fase II.

Aanleghoogtes

Het plangebied dient ongeveer 20-50 centimeter opgehoogd te worden om aan de ontwateringsnormen te voldoen.

Afwatering

Afstomend hemelwater richting de omgeving (zuid- en oostrand) wordt voorkomen door de aanleg van een greppel langs de zuidzijde en een wadi in de groenzone aan de oostrand.

Waterkwaliteit

Toepassen van bermpassage en realiseren calamiteitafsluitingen in HWA-systeem.

Beheer en onderhoud

Het onderhoud aan de wadi's en het openbaar gebied wordt uitgevoerd door de gemeente. De gemeente ziet er ook op toe dat kaveleigenaren hun hemelwater gescheiden inzamelen en aanbieden op het HWA-systeem.

Tabel 4.2: Samenvatting watertoets

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Algemeen

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen) en luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). 4.8.2

Risicovolle inrichtingen

Voor het plangebied is een risico-inventarisatie van de risicobronnen uitgevoerd met behulp van de Risicokaart van Nederland. Hierbij is binnen 2.000 meter afstand van het plangebied gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied:transport van gevaarlijke stoffen over 1. 2. 3. 4.

een weg, waterweg of spoorweg; inrichtingen met gevaarlijke stoffen; buisleidingen; luchthavens.

In figuur 4.2 is het plangebied, met een buffer van 2.000 meter van het plangebied, weergegeven. Binnen deze contour zijn de aanwezige risicobronnen gemarkeerd.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 48 van 70

Figuur 4.2: Plangebied met buffer van 2000 meter met de aanwezige risicobronnen.

Binnen het inventarisatiegebied van het plangebied bevinden zich de volgende risico-bronnen: Automobielbedrijf Van Gompel b.v. BP Station Bleijenhoek Gasdepot Zuid - Bladel "de Sleutel" Dechra Pharmaceuticals Buiten de 2.000 meter zijn geen risicobronnen waarbij het invloedsgebied over het plangebied valt. Automobielbedrijf Van Gompel b.v. Het plangebied ligt op ongeveer 1500 meter van het automobiel bedrijf Van Gompel b.v., tevens tankstation. Bij dit tankstation kan LPG getankt worden. Het invloedsgebied is maximaal 150 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied. BP Station Bleijenhoek Het plangebied ligt op ongeveer 1.600 meter van het tankstation Ten Bruggencate (BP) aan de Hornweg 6. Bij dit tankstation kan LPG getankt worden. Het invloedsgebied is maximaal 150 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied. Gasdepot Zuid - Bladel "de Sleutel" Op 700 meter van het plangebied ligt volgens de risicokaart het gasdepot Bladel “de Sleutel”. Op dit adres was een groothandel in gasvormige en vloeibare brandstoffen gevestigd. Uit het detailrapport blijkt echter dat het bedrijf hier niet meer gevestigd is. Daarom zal ook de veiligheidscontour verdwijnen. Dechra Pharmaceuticals Op 780 meter van het plangebied ligt het bedrijf Dechra Pharmaceuticals Manufacturing. Op de risicokaart wordt dit bedrijf aangeduid als Eurovet Animal Health.

Dit bedrijf produceert medicijnen voor (huis)dieren. Eurovet slaat meer dan 10.000 kg aan gevaarlijke stoffen, met een gemiddeld gewichtspercentage van meer dan 1,5% N, op. Hierdoor kan een toxische wolk (toxische verbrandingsproducten) ontstaan als gevolg van een brand in de opslagloods. Het bedrijf valt dus onder het Bevi. De PR 10-6 contour van het bedrijf bedraagt 15-20 meter. Deze ligt op ruime afstand van het plangebied.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 49 van 70

Het invloedsgebied (de veiligheidsafstand) van deze inrichting bedraagt 930 meter. Het plangebied ligt op meer dan 780meter van de risicovolle inrichting. Een deel van het plangebied ligt dan ook binnen dit invloedsgebied. Gezien de afstand tot het plangebied en de omvang van het plan, is de verwachting dat de invloed van het plan op het groepsrisico minimaal zal zijn. Ondanks de minimale invloed, dient het groepsrisico wel te worden verantwoord. Verantwoording groepsrisico Dechra Pharmaceuticals Bij het risicovolle bedrijf Dechra Pharmaceuticals kan een toxische wolk ontstaan als gevolg van toxische verbrandingsproducten in geval van een brand in een PGS-15 opslagvoorziening. In het meest ongunstigste geval wordt de giftige wolk naar het plangebied gedreven. De plaats en de grootte van het gebied waar slachtoffers kunnen vallen is sterk afhankelijk van de giftige stof en van de specifieke weersomstandigheden. Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om het risico te beperken. De voornaamste aspecten daarbij zijn bestrijdbaarheid ter plaatse van het rampgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. Daarnaast kan worden gedacht aan tijdige alarmering en expliciete communicatie vooraf (over o.a. noodplannen en mogelijkheden om te schuilen).

Ondanks alle mogelijke voorbereidingen om rampen met gevaarlijke stoffen te voorkomen, kan het risico nooit voor 100% worden beperkt. Over het restrisico dient het college van burgemeester en wethouders uitspraak te doen, dit is de verantwoording van het groepsrisico. Binnen de gemeente Reusel - De Mierden is er behoefte aan meer bedrijfskavels. Gezien de reeds aanwezige bedrijventerreinen van de dorpen Reusel en Bladel aan respectievelijk de westen oostkant van beide dorpen, is het logisch om de nieuwe bedrijvigheid hier uit te breiden. Door het omvormen van agrarische grond naar een bedrijventerrein ontstaat weliswaar een iets hoger groepsrisico, echter de meeste personen in het gebied zijn volledig zelfredzaam. 4.8.3

Transport gevaarlijke stoffen

Uit de risico-inventarisatie blijkt dat het plan niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. 4.8.4

Betekenis voor dit project

Uit de risico-inventarisatie blijkt dat het plan niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Uit de risico-inventarisatie blijkt tevens dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen. Ook is het plangebied niet gelegen binnen een PR 10-6-contour van een risicovolle inrichting. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van het bedrijf Dechra Pharmaceuticals. De risico's hiervan zijn beperkt. Wel is sprake van een restrisico; het is een bevoegdheid van de gemeente om te besluiten of dit restrisico acceptabel is. Met het vaststellen van dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeesters en wethouders hier een besluit over genomen.

4.9

Natuur

4.9.1

Inleiding

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Hiervoor zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=bb824787-c521-4084-84d7-bf7889aa3362