CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II_vastgesteld_1_Toelichting

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II24.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 50 van 70

4.9.2

Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, inwerkingtreding 1 januari 2017, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Situatie Significante negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling, zoals verdroging, verontreiniging, optische-, licht- en geluidsverstoring, zijn op voorhand uitgesloten. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Er is geen noodzaak voor het uitwerken van een zogenaamde Voortoets.

Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt zeer waarschijnlijk gebruik gemaakt van verschillend materieel dat gepaard gaat met stikstofemissie. Gelet op de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in dit Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie niet uit te sluiten. In paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op stikstofdepositie. 4.9.3

Soortenbescherming

De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.

Situatie De Wet natuurbescherming biedt mogelijk belemmeringen voor de herontwikkeling op de locatie in Reusel. Er zijn soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Mogelijkerwijs worden deze soorten negatief beïnvloed. Dit betreft de volgende beschermde soorten en/of functies van het plangebied voor beschermde soorten: De bomen buiten het plangebied kunnen functioneren als vliegroute voor vleermuizen. Op de te behouden bomenrijen (buiten het plangebied) kan mogelijk verstoring optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase in de vorm van lichtverstoring (door de inzet van lampen) of geluidsverstoring (door de inzet van zwaar materieel). Dit dient te worden voorkomen door tijdens de schemer en in de nacht geen werkzaamheden uit te voeren, of lichtbronnen van de bomenrijen af te richten. Indien het noodzakelijk blijkt dat er wel tijdens schemer en/of in de nacht wordt gewerkt zijn er mogelijk aanvullende maatregelen noodzakelijk. Het plangebied kan onderdeel zijn van het leefgebied van de steenuil. Daarnaast kan de

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 51 van 70

steenuil nestelen in bebouwing grenzend aan het plangebied. Om te onderzoeken of het planvoornemen de steenuil negatief beïnvloed, is aanvullend onderzoek naar de steenuil noodzakelijk. Steenuil Vooruitlopend op het steenuilonderzoek in de periode februari - april 2023 is een vooronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 13. Met dit onderzoek is getracht om door middel van een habitat geschiktheidsbeoordeling zo snel mogelijk inzichtelijk te maken of negatieve invloed vanuit het planvoornemen op de steenuil te verwachten is. Uitgaande van een worst-case scenario zijn er mogelijk risico’s voor de uitvoering van voorgenomen ontwikkeling, ten aanzien van de steenuil. De steenuil heeft een verblijfplaats (nest) op circa 40 meter van het plangebied. Er is op basis van een habitatsgeschiktheidsbeoordeling en leefgebied analyse bepaald dat er geschikt essentieel foerageergebied aanwezig is binnen het plangebied. Dit areaal is dusdanig groot ten opzichte van het totale leefgebied en het overige leefgebied dat het ecologisch functioneren van de nestplaats mogelijk in het geding is.Derhalve worden hierdoor mogelijk verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden. Tevens kan er tijdelijk en permanent verstoring optreden door de komst van het bedrijventerrein, waardoor de huidige nestplaats mogelijk ongeschikt raakt.

Door ruimtebeslag op essentieel foerageergebied en indirecte aantasting van de verblijfplaats, is mogelijk een ontheffing noodzakelijk. Derhalve is een aanvullend steenuilonderzoek uitgevoerd. Het aanvullend onderzoek, opgenomen in Bijlage 14, heeft plaatsgevonden in de periode februari tot en met april 2023. Dat onderzoek heeft de volgende conclusie(s) opgeleverd: Het leefgebied van het koppel steenuilen dat broedt op locatie Hamelendijk 12, is deels gelegen in het plangebied. Hierin zijn ze meerdere malen gezien en gehoord. De grens van het territoria tijdens de broedperiode ligt ongeveer tot en met het zanddepot van de gemeente binnen het plangebied. De andere steenuilen koppels in de omgeving, maken geen gebruik van het plangebied. Wel is de steenuil van Weijer 4 gehoord in het akkerland ten westen van de Hamelendijk, waar ook de steenuilen van Hamelendijk 12 gebruik van maken. Door deze akker loopt dus de grens van deze twee territoria. Het foerageergebied dat verdwijnt uit het leefgebied van de steenuilen betreft circa 5.800 m2 optimaal, 3.400 m2 suboptimaal en 41.200 m2 beperkt geschikt (akkers en gronddepot) foerageergebied. Dit betreft een totaal van 5,04 hectare foerageergebied dat verdwijnt.

Essentieel foerageergebied van de steenuil, welke gerelateerd is aan de nestplaats bij Hamelendijk 12 wordt aangetast door de voorgenomen plannen, waardoor de verbodsbepaling vanuit de Wet natuurbescherming (artikel 3.1 lid 2 en 4) wordt overtreden. Het aanvragen van een ontheffing Wnb bij de provincie Noord-Brabant is derhalve noodzakelijk. Tevens zullen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen dienen te worden. Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is reeds één mogelijke gedetailleerde uitwerking van de compensatiemaatregelen uitgewerkt in het Activiteitenplan in Bijlage 15. Uitvoeringsperiode Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle broedgevallen zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. We adviseren dan ook de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om mogelijke overtredingen van verbodsbepaling inzake de Wet natuurbescherming te voorkomen.

In tabel 4.3 is samengevat voor welke soorten of soortgroepen het plangebied geschikt wordt geacht en waarvoor in een vervolg aanvullende soortgerichte inventarisaties nodig zijn om aan- of

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 52 van 70

afwezigheid aan te tonen, waardoor eventuele effecten van de werkzaamheden bepaald kunnen worden.

Tabel 4.3: Mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten, mogelijke effecten en het vervolg

Algemene maatregelen (zorgplicht) Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. 4.9.4

Provinciaal natuurbeleid

Het provinciaal beleid bestaat uit Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Nederland is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het beleidskader van het NNB (Natuurnetwerk Brabant) is provinciaal vastgelegd in de interim omgevingsverordening. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Het NNB hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland (NNN) en met het Europese net van natuurgebieden (Natura 2000). Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de Groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

Binnen de groenblauwe mantel is ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De Groenblauwe mantel maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland.

Situatie Het projectgebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNB of de Groenblauwe mantel, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Daarnaast het gebied niet verder versnipperd door het planvoornemen. Er is echter wel door externe werking mogelijk sprake van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het kleine NNB-gebied grenzend aan de noordzijde van de straat Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 53 van 70

Kleine Hoeven, zie figuur 4.4. De uitbreiding van het bedrijventerrein kan het gebied en de soorten verstoren door geluid en licht. Hierdoor zijn er mogelijk belemmeringen vanuit provinciaal beleid en is er noodzaak tot de nadere uitwerking van een 'nee, tenzij-toets'. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Negatieve effecten door geluidsverstoring tijdens de aanlegfase van het industrieterrein op broedvogels zijn niet geheel uitgesloten. De aanlegwerkzaamheden die het meeste lawaai produceren (met name heien) dienen daarom buiten het broedseizoen (maart t/m augustus) te worden uitgevoerd. Dit dient in een ecologisch werkprotocol te worden opgenomen. In dat geval zullen geen negatieve effecten op broedvogels optreden. Tijdens de gebruiksfase zijn negatieve effecten als gevolg van geluidverstoring in het kader van de externe werking, niet aan de orde. Door de toename van geluid op het NNB-gebied door het planvoornemen gaat er 0,1% van het functioneel leefgebied van (broed)vogels verloren in het NNB-gebied. De effecten hiervan zijn echter zeer beperkt en ecologisch gezien verwaarloosbaar. De aanwezige vogels zijn al gewend aan het al aanwezige geluid van het bestaande industrieterrein en het aanwezige verkeer.

De zeer beperkte toename van geluid door verkeer op het NNB-gebied zal ecologisch gezien weinig veranderen aan het gedrag van deze vogels, door het beperkte verlies van functioneel leefgebied. De gewenste ontwikkeling zal daarom de huidige wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB-gebied niet aantasten en daarmee is compensatie als gevolg van geluidverstoring niet aan de orde. Daarnaast is mogelijk sprake van een beperkte toename van lichtverstoring op het NNB. De omvang van deze lichtverstoring hangt met name af van de wijze waarop het verlichtingsplan wordt vorm gegeven. De intentie is om verlichting tot een minimum te beperken langs de zijde van het plangebied waar mogelijk verstoring zou kunnen ontstaan. Het nader uitwerken van een compensatiebeginsel (fysieke of financiële compensatie) wordt niet noodzakelijk geacht mits deze verstoring wordt voorkomen. Voorwaarde daarvoor is wel dat er gebruik gemaakt wordt van speciale armaturen die het licht zo min mogelijk verspreiden naar plekken waar de verlichting niet voor bedoeld is en aan de boven- en zijkant goed zijn afgeschermd. Houdt daarbij de grens aan van <1 lux tot de bosrand. Ook dient verstoring ten aanzien van lichtinval door koplampen richting het natuurnetwerk geminimaliseerd te worden. Zo kan worden voorkomen dat in de bosrand van het NNB-gebied lichtverstoring ontstaat.

In dat geval zullen geen negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB optreden. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan komt daarmee niet in het geding. Wel wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin de juiste lichtbronnen worden aangewezen.

Figuur 4.4: Ligging plangebied ten opzichte van het NNB-gebied (type droog bos met productie) Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 54 van 70

4.9.5

Betekenis voor dit project

Voor de gebiedsbescherming zijn negatieve effecten, zoals verdroging, verontreiniging, optische-, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. De effecten van stikstofdepositie worden behandeld in paragraaf 4.10. Voor wat betreft de soortenbescherming zijn er soorten aanwezig die (mogelijk) belemmering en hinder ervaren door de herontwikkeling. Dit heeft de volgende consequenties: Er dient voorkomen te worden dat tijdens de schemer en in de nacht werkzaamheden uitgevoerd worden, of dat lichtbronnen zich op de bomenrijen rondom het plangebied richten. Men dient tijdens de uitvoeringsfase rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels. Het gebied is geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Derhalve is er noodzaak tot het treffen van compensatiemaatregelen, op basis waarvan het bevoegd gezag een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming kan verlenen. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen aan te tonen is reeds een 'Activiteitenplan steenuil' opgesteld, waarin compensatiemaatregelen worden gerealiseerd op grond die in eigendom is bij de gemeente Reusel-De Mierden. Een ontheffing wordt op grond hiervan verleenbaar geacht. Dit is één mogelijk wijze om de benodigde compensatie vorm te geven.

In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat benodigde compensatiemaatregelen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd activiteitenplan worden uitgevoerd voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe bedrijfsgebouwen. Daarmee staat dit aspect de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Ten aanzien van het provinciaal natuurbeleid bevindt het projectgebied zich niet binnen de begrenzing van het NNB of de Groenblauwe mantel. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich wel een klein NNB-gebied. Door externe werking zijn negatieve effecten in de vorm van geluid en licht hier niet op voorhand uit te sluiten. Op basis van het nader onderzoek dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten: Werkzaamheden die veel geluid produceren (met name heien) dienen buiten het broedseizoen (maart t/m augustus) uitgevoerd te worden. Hiervoor dient voorafgaand aan de uitvoering een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden; Er is mogelijk sprake van een beperkte toename van lichtverstoring. Om dit te voorkomen zijn twee maatregelen getroffen met dit bestemmingsplan: 1.

In de oorspronkelijke ontsluitingsstructuur, zoals ook zichtbaar in de 'Nee-tenzij toets', kwam een van de ontsluitingswegen van het bedrijventerrein direct uit op het NNB gebied, waardoor koplampen direct het natuurgebied in zouden schijnen. Het advies was daarom hier een barrière met dichte vegetatie te realiseren om dit te voorkomen. Er is echter voor gekozen om de planopzet aan te passen, waarbij deze ontsluitingsweg naar het westen is verplaatst en niet langer direct op het NNB gebied uitkomt. Binnen het plan is daarnaast een functieaanduiding 'ontsluiting uitgesloten' opgenomen in de groenbestemming die direct tegenover het NNB ligt, waardoor ook toekomstige bedrijven hier geen inrit kunnen realiseren. 2. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is geborgd dat het gebruik van gebouwen enkel is toegestaan indien de lichtuitstraling ter plaatse van het NNB gebied niet meer bedraagt dan 1 lux. Aanvullend hierop is het advies om voorafgaand aan de uitvoering in een ecologisch werkprotocol vast te leggen welke lichtbronnen aan deze eis kunnen voldoen. Met inachtneming van deze maatregelen staat het aspect natuur de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in het geding.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 55 van 70

4.10

Stikstof

De Wet natuurbescherming verplicht dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve gevolgen mogen hebben op Natura 2000- gebieden. Met name stikstof heeft grote negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Er is een stikstofonderzoek uitgevoerd (Bijlage 16), waarin de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Nederland én België (Vlaanderen) inzichtelijk is gemaakt. Situatie Effecten ten gevolge van een plan of project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan in de realisatiefase (bouwfase) of gebruiksfase. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat het plan leidt tot toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura-2000 gebieden. De maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie tijdens de bouwfase is 0,03 mol/h/j in zowel Nederlandse als Vlaamse Natura-2000 gebieden. De maximale toename van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase is 0,02 mol/h/j en 0,03 mol/h/j in respectievelijk Nederlandse en Vlaamse Natura-2000 gebieden. In tabel 4.5 en 4.6 zijn de maximale deposities per gebied weergegeven.

Tabel 4.5: Maximale stikstofdepositietoename (mol/h/j) per gebied tijdens de realisatiefase

Tabel 4.6: Maximale stikstofdepositietoename (mol/h/j) per gebied tijdens de gebruiksfase

Betekenis voor dit project Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 56 van 70

Tijdens zowel de realisatie als de gebruiksfase is sprake van een stikstofdepositietoename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar in Natura 2000-gebieden. Het plan kan hiermee niet zonder meer worden vastgesteld. Voor het beoordelen van effecten op Natura-2000 gebieden dient te worden getoetst aan het toetsingskader van het land waarin de betreffende gebieden zich bevinden. Nederlandse gebieden Voor de Nederlandse Natura-2000 gebieden geldt dat het plan alleen, zonder Wnb-vergunning, kan worden vastgesteld als in een ecologische beoordeling kan worden uitgesloten dat het plan significante negatieve effecten heeft voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura-2000 gebieden. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden, is middels een ecologische beoordeling (Bijlage 17) onderzocht of de berekende toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal.

Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat de stikstoftoename ten gevolge van de aanleg en de ingebruikname van het bedrijventerrein Kleine Hoeven fase II niet in de weg staat aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van kwalificerende soorten van Natura 2000-gebieden in Nederland. Significant negatieve gevolgen door de toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de aanleg en ingebruikname van Kleine Hoeven fase II zijn hierom uitgesloten. Vlaamde gebieden Voor de Vlaamse Natura-2000 gebieden dient te worden getoetst aan het Vlaamse toetsingskader. De aanpak om negatieve effecten van stikstofdepositie tegen te gaan is hier vastgelegd in de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), en vastgesteld middels het stikstofdecreet dat sinds 23 februari 2024 van kracht is. Een toename aan stikstofdepositie dient te worden getoetst aan de drempelwaarden uit de PAS. Uitgaande van de laagst mogelijke KDW (429 mol/h/j voor H3110 - Zeer zwakgebufferde vennen), wordt er aan de Vlaamse toetsingsnormen voldaan bij een maximale depositie van 4,29 mol/ha/jaar. Het plan leidt niet tot een overschrijding van deze drempelwaarden. Er hoeft daarom geen toestemming te worden gevraagd aan het Vlaamse bevoegde gezag.

Conclusie Op basis van de uitkomsten van de ecologische beoordeling en de toetsing aan het Vlaamse toetsingskader kan worden geconcludeerd dat het aspect stikstof de ontwikkeling van Kleine Hoeven fase II niet in de weg staat.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Kader In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt voormalige wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de mogelijke archeologische waarden in het gebied. 4.11.2 Archeologie Binnen het plangebied is een inventariserend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd en heeft vervolgens op twee vindplaatsen een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving plaatsgevonden, zie Bijlage 18. Het doel van dit onderzoek was het opsporen en waarderen van eventuele archeologische vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied, en het opstellen van een advies voor het vervolgtraject.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 57 van 70

Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat er archeologisch resten in de vorm van grondsporen en vondstmateriaal binnen de het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Het gaat om een deel van een erf uit de late middeleeuwen / Nieuwe tijd (vindplaats 1) en een nederzetting die vermoedelijk in de late prehistorie te dateren is (vindplaats 2). Figuur 4.7 toont de vermoede omvang van de twee vindplaatsen op grond van de sporenspreiding binnen het plangebied. De figuur toont tevens de zones waar de bodemopbouw te sterk verstoord is om nog archeologische sporen te verwachten. Voor de twee vindplaatsen heeft in de periode van 24 oktober tot en met 4 november 2022 een opgraving plaatsgevonden. In totaal is 8773 m² vlakdekkend opgegraven, verdeeld over tien opgravingsputten binnen de twee deelgebieden. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 16 vondsten (allemaal afkomstig uit grondsporen) aangetroffen en gedocumenteerd. Ondanks het kleine aantal vondsten wordt verwacht dat de vondsten een bijdrage leveren aan de datering van de sporen en activiteiten binnen het plangebied. Met afronding van dit archeologisch onderzoek kan het volledige gebied archeologisch vrijgegeven worden. Dit aspect vormt daarmee geen beperking voor het bestemmingsplan.

Figuur 4.7: Schematisch overzicht vindplaatsen

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 58 van 70

4.11.3 Cultuurhistorie De gemeente Reusel- De Mierden wil waardevol cultureel erfgoed behouden en beschermen. Het cultureel erfgoed is vastgelegd in de cultuurhistorische waardenkaart voor het bovengrondse erfgoed. Deze kaart vormen de onderlegger voor het erfgoedbeleid en levert de input voor de bescherming van erfgoedwaarden. Terugkijkend naar het begin van de 20e eeuw bestond het gebied uit twee deelgebieden. Het oostelijk deel dat onderdeel uitmaakte van het heidelandschap (Peelsche Heide en Rootvensche Heivelden), en het westelijk deel dat in gebruik was als akkerland. Op kaartmateriaal is terug te zien dat hier omstreeks 1850 al sprake was van een besloten akker. De bewoners van het 'gehucht' De Heibloem maakten oorspronkelijk gebruik van deze gronden. Zowel de Hamelendijk als de Kleine Hoeven (weg) zijn herkenbaar terug te zien op kaarten uit deze tijd, en zijn derhalve aangemerkt als historische geografische lijnen. Vanaf het midden van de 20e eeuw is het volledige terrein in gebruik genomen ten behoeve van akkerbouw. Dat gebruik heeft zich tot en met het begin van de 21 eeuw voortgezet. Ten noorden van het gebied is in het begin van de 21e eeuw het bedrijventerrein Kleine Hoeven tot ontwikkeling gekomen. De locatie heeft geen aanduiding op de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeente.

Op deze beleidkaart staan alle gebieden binnen de gemeente met een hoge cultuurhistorische waardering aangeduid.

Figuur 4.8: Plangebied omstreek 1901 (bron: topotijdreis.nl)

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 59 van 70

Figuur 4.9: Cultuurhistorische beleidskaart gemeente Reusel-De Mierden

4.12

Geur

Het toetsingskader ten aanzien van geurhinder door veehouderijen is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Ten aanzien van het aspect geur zal getoetst moeten worden of met het plan kan worden voldaan aan de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van de voorgrondbelasting (individuele geurcontour). Nagegaan dient te worden of er in de rechten van de omliggende veehouderijen wordt getreden. In het onderzoek geur worden de individuele geurcontouren van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied bepaald en wordt nagegaan of het plangebied valt binnen deze contouren. Daarnaast dient nagegaan te worden of ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) heerst. Het toetsingskader van de achtergrondbelasting is afgeleid uit de Wet veehouderij en geurhinder (Wgv).

Situatie Uit het geuronderzoek blijkt dat ten gevolge van de geuruitstoot van de veehouderij aan de Heibloem 4, de geurnorm van 10,0 oue/m3; P98 niet wordt overschreden op de rand van het plangebied, zie figuur 4.10. De maximale voorgrondbelasting van deze veehouderij op de rand van het plangebied bedraagt 9,6 oue/m3; P98. De veehouderij zit al op slot door de aanwezigheid van de nabijgelegen woningen, waardoor uitbreiding richting het plangebied niet mogelijk is. Het bedrijf wordt dus niet belemmerd in haar bedrijfsvoering door het plan. Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 60 van 70

Figuur 4.10: Voorgrondbelasting geur Heibloem 4

Betekenis voor dit project Bij de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de geuruitstoot van de veehouderij aan de Heibloem 4. Binnen de wettelijke geurcontour worden geen geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De wettelijke geurcontour blijft buiten de begrenzing van het nieuwe bedrijventerrein. De geurhinder in het plangebied bepaalt of ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd. De voorgrondbelasting is hier het meest bepalend voor de geurhinder. De maximale geurbelasting van 9,6 oue/m3 vertaalt zich naar 15-20% gehinderden en een ‘matige’ milieukwaliteit. Het is een bevoegdheid van de gemeente om te besluiten of dit een acceptabele milieukwaliteit is voor de beoogde functie binnen het plangebied. Met het besluit om dit bestemmingsplan vast te stellen neemt de gemeente tevens het besluit om de milieukwaliteit te

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 61 van 70

accepteren. Het aspect geur vormt hiermee geen beperking voor dit bestemmingsplan.

4.13

Verkeer

De effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling zijn met een verkennend onderzoek inzichtelijk gemaakt. De verkeersstructuren van de verschillende vervoersmodi, de huidige verkeersintensiteiten, de verkeersgeneratie van de planontwikkeling op basis van de CROW-kentallen en de verdeling van het nieuwe verkeer op het omliggend wegennet is inzichtelijk gebracht.

Situatie De planontwikkeling genereert op een gemiddelde werkdag in de drukste maand naar verwachting 850 autoverplaatsingen en 200 vrachtwagenverplaatsingen ten opzichte van 680 autoverplaatsingen en 160 vrachtwagenverplaatsingen op een gemiddelde reguliere werkdag. Uit de uitgevoerde kruispuntberekeningen blijkt dat deze aantallen geen problemen voor de verkeersafwikkeling opleveren in het planjaar 2033, waarbij ook rekening is gehouden met de verkeersintensiteiten (uit het verkeersmodel) en een autonome verkeersgroei richting 2033. De kruispuntberekeningen zijn uitgevoerd op basis van de intensiteiten op een gemiddelde werkdag in de drukste maand ('worst-case scenario'). De planlocatie is per fiets vanuit de kernen Reusel en Bladel binnen 20 minuten te bereiken. Indien het fietsen voor werknemers aantrekkelijk wordt gemaakt, zal het aandeel werknemers dat met de auto komt lager zijn dan aangenomen conform de kencijfers van het CROW.

Betekenis voor dit project De verkeersgeneratie ten gevolge van de planontwikkeling leidt naar verwachting niet tot verkeersonveilige situaties. De bestaande infrastructuur kan de effecten van het bedrijventerrein op goede wijze afwikkelen. Er is geen aanleiding om maatregelen te nemen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In het project is rekening gehouden dat de Heibloem en Hamelendijk richting achtergebied niet worden gebruikt voor doorgaand verkeer of vrachtverkeer. Er is sprake van versmalling van het wegprofiel ten zuiden van het bedrijventerrein.

4.14

Gezondheid

Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stofemissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 62 van 70

Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstofnorm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.

Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling.

Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen. Betekenis voor het plan Ten zuidwesten van het plangebied, aan Heibloem 2, 4 en 6 zijn intensieve veehouderijen toegestaan/aanwezig. Het betreft hier geen geitenhouderijen. Op korte afstand zijn woningen aanwezig, maar voorliggend plan maakt echter geen nieuwe gevoelige functies zoals woningen mogelijk. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op de volksgezondheid ter plaatse van het plangebied.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 63 van 70

4.15

Spuitzones

In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Betekenis voor het plan De toekomstige bedrijven liggen op minder dan 50 meter van de dichtstbijzijnde landbouwgronden waar teeltbedrijven zijn toegestaan. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor.

Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Bovendien is de planlocatie aan de randen voorzien van een landschappelijke inpassing door middel van een groene bufferzone. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan het bedrijventerrein reikt. De planlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. De uitoefening van vollegronds fruit-/boomteelt is bovendien via de specifieke gebruiksregels uitgesloten (strijdig gebruik).

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 64 van 70

Hoofdstuk 5

5.1

Het bestemmingsplan

Plansystematiek

In de voorgaande hoofdstukken van deze toelichting zijn de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende uitgangspunten en randvoorwaarden geschetst. Onderhavig hoofdstuk bevat een nadere toelichting op de planvorm en planregels. 5.1.1

Algemeen

Het bestemmingsplan 'Kleine Hoeven Fase II' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van gronden voor een bedrijventerrein. Het bestemmingsplan is gericht op het veranderen van de bestaande situatie. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor zover mogelijk is ook vooruitgelopen op de aanstaande Omgevingswet. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering, die per 1 januari 2010 wettelijk verplicht is, voldoet het plan ook aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Dit bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, maar treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid wordt geschaad. 5.1.2

Planstukken

Het bestemmingsplan is naast deze plantoelichting vervat in de volgende planstukken: de planverbeelding; de planregels. 5.1.3

Toelichting op planverbeelding

De planverbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. Voor de benaming van de verschillende bestemmingen en de kleuren van de bestemmingen zijn de huidige richtlijnen voor digitalisering en standaardisering van bestemmingsplannen overgenomen (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012).

5.2

Opzet van de regels

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Overeenkomstig de SVBP 2012 zijn de regels van dit bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels: bevat de begrippen (artikel 1) en een bepaling over de wijze van meten (artikel 2); deze worden in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels: bevat de bestemming(en). Deze artikelen hebben een min of meer vaste opbouw. Hoofdstuk 3 Algemene regels: bevat de algemene regels, die van algemeen belang zijn voor

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 65 van 70

het plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels: bevat tenslotte de overgangsregels en slotregel. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. Tevens wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. 5.2.1

Inleidende regels

In hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen. Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP 2012. Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. 5.2.2

Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Voor van een logische opbouw wordt de volgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen (indien noodzakelijk); Afwijken van de bouwregels (indien noodzakelijk); Specifieke gebruiksregels (indien noodzakelijk); Afwijken van de gebruiksregels (indien noodzakelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden (indien noodzakelijk).

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in (hoof)gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw, zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. In de 'nadere eisen'-regeling is bepaald dat met inachtneming van de bij dit plan gegeven regels het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders) ten aanzien van de omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kan stellen in de vergunning. Het staat het bevoegd gezag vrij om deze nadere eisen al dan niet toe te passen. In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving, of welke specifieke voorwaarden gelden voor het gebruik van de gronden. Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden via een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels). Voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden zijn tevens regels opgenomen in dit bestemmingsplan. Dit betreft de vroegere "aanlegvergunning".

Deze regels zijn opgenomen voor de gronden met een bepaalde waarde, waarvoor een toestemming is vereist voor bijvoorbeeld het afgraven van gronden of het aanbrengen van verhardingen.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 66 van 70

De volgende bestemmingen komen in het plangebied voor. Artikel 3 Agrarisch De bestemming 'Agrarisch' is opgenomen voor de gronden nabij Heibloem 1. Het betreft hier een bestaande agrarische functie. Deze bestemming is gericht op het bestendigen van de huidige situatie en maakt geen nieuwe (planologische) ontwikkelingen mogelijk. In verband met de aangrenzende woonbestemming (in relatie tot de gewenste milieuzonering) is dit perceel bij het plangebied getrokken. Binnen deze bestemming is alleen agrarisch grondgebruik toegestaan. Er is geen bouwvlak aanwezig, waardoor hier geen agrarische bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden. Artikel 4 Bedrijventerrein De gronden waarop deze bestemming betrekking heeft zijn gericht op het te ontwikkelen bedrijventerrein Kleine Hoeven II. Dit is overeenkomstig de functie van het plan, te weten het bieden van mogelijkheden voor het accommoderen van bedrijvigheid. Het gebied dat wordt bestemd tot bedrijventerrein krijgt een directe bestemming bedrijventerrein. Om te voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (voor omliggende gevoelige functies) is er, door middel van functieaanduidingen, voorzien in milieuzonering binnen dit plan, waarbij is uitgegaan van de richtafstanden uit de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG. Daanaast is het principe van inwaartse zonering toegepast.

Dat betekent dat vanuit de omliggende gevoelige functies een beschermende bufferzone is gecreëerd, waardoor meer belastende activiteiten (de hogere milieucategorieën) op grotere afstand van gevoelige functies worden toegelaten. Artikel 5 Groen Deze bestemming ligt op alle groenvoorzieningen binnen het plangebied, die kunnen worden aangemerkt als structureel groen én die niet dienst doen als 'bufferzone'. Binnen deze bestemming zijn paden toegestaan voor langzaam verkeer en tevens nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, verhardingen en voorzieningen ten behoeve van de bereikbaarheid van percelen, te weten perceelsontsluitingen en inritten. Daar waar geen perceelsontsluitingen/inritten zijn toegestaan is een aanduiding 'ontsluiting - uitgesloten' opgenomen. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan, uitgezonderd gebouwen t.b.v. nutsvoorzieningen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan. Artikel 6 Groen - bufferzone Deze bestemming betreft tevens structureel groen binnen het plangebied, maar dient tevens als bufferzone naar de omgeving. Aan deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting gekoppeld. Deze houdt in dat binnen deze bestemming een groene bufferzone gerealiseerd moet worden én in stand gehouden moet worden.

Artikel 7 Verkeer De met deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor straten, voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Gebouwen, afgezien van gebouwen voor openbaar nut, zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan. Artikel 8 Wonen De binnen het plangebied voorkomende burgerwoningen vallen onder deze bestemming. De hoofdfunctie binnen deze bestemming is wonen. Het betreft hier een reeds bestaande woonfunctie. Naast de agrarische bestemming is ook deze bestemming gericht op het conserveren van de huidige situatie i.v.m. de milieuzonering. Daarnaast komt er in het plangebied een aantal dubbelbestemmingen voor: Artikel 9 Waarde Archeologie 3 en Artikel 10 Waarde - Archeologie 4. Deze dubbelbestemmingen liggen op de gronden met de agrarische en de woonbestemming. Hierbinnen zijn geen ontwikkelingen voorzien. Op basis van de regionale erfgoedkaart en gemeentelijke Erfgoedverordening zijn voor de onderscheiden gebieden met archeologische verwachtingswaarden afzonderlijke archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij regels gelden om het bodemarchief te beschermen. Per dubbelbestemming gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring.

Voor verstoringen met een beperkt oppervlak of een beperkte verstoringsdiepte is Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 67 van 70

archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De ondergrenzen variëren, overeenkomstig het erfgoedplan, per dubbelbestemming. 5.2.3

Algemene regels

In hoofdstuk drie van de regels zijn de algemene regels opgenomen. In Artikel 11 is de Anti-dubbeltelregel opgenomen. Het Bro stelt de verplichting de anti-dubbeltelregel over te nemen in het bestemmingsplan. Deze standaardbepaling heeft als doel te voorkomen dat van ruimte, die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruikgemaakt. In Artikel 12 zijn de Algemene aanduidingsregels opgenomen. Het betreft hier een aantal gebiedsaanduidingen die over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' liggen. In Artikel 13 zijn de algemene afwijkingsregels opgenomen. Met de algemene afwijkingsregels is het mogelijk om onder voorwaarden af te wijken van bestemmingsgrenzen. In Artikel 14 zijn Algemene procedureregels opgenomen. Hierin staat aangegeven welke procedure gevolgd moet worden, indien het bevoegd gezag besluit nadere eisen te stellen aan de vergunning. In Artikel 15 zijn de overige regels opgenomen. In de overige regels is opgenomen wat de verhouding van dit bestemmingsplan is met de onderliggende bestemmingsplannen, waarbij is bepaald dat -onder voorwaarden- voor de aanleg van de hoogspanningsverbinding geen omgevingsvergunningplicht geldt.

Ook is bepaald hoe verwijzingen naar andere wettelijke regelingen moeten worden gelezen. 5.2.4

Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de regels bestaat uit de overgangs- en slotregels. In Artikel 16 zijn de Overgangsregels opgenomen. De overgangsregels zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Hiermee worden de bestaande rechten op de gronden beschermd. In Artikel 17 zijn Slotregels opgenomen. In de slotregels wordt de titel van het bestemmingsplan gegeven.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 68 van 70

Hoofdstuk 6

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Er is sprake van een gemeentelijke grondexploitatie. Opbrengsten worden gegenereerd door de uitgifte van kavels op het bedrijventerrein. Uit de opgestelde Grondexploitatie Kleine Hoeven komt een positief exploitatiesaldo. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het planvoormenen aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De ontwikkeling van bedrijventerrein Kleine Hoeven en de daaraan gekoppelde integrale gebiedsontwikkeling heeft gevolgen voor de omgeving en de bewoners. Maatschappelijk draagvlak is daarom van essentieel belang. Het bestemmingsplan voorziet in de behoefte aan de ontwikkeling van een bedrijventerrein voor de opvang van de lokale behoefte. Tevens wordt voorzien in de ontwikkeling van een groene overgang richting omliggend landschap, een duurzame afronding van de kern Reusel en het instandhouden van de open zone tussen Reusel en Bladel Raadpleging burgers en maatschappelijke organisaties Burgers, maatschappelijke organisaties, ondernemers en andere overheden zijn op diverse wijzen betrokken bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan ten behoeve van de uitbreiding van bedrijventerrein Kleine Hoeven.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 69 van 70

Hoofdstuk 7

7.1

Procedures

Vooroverleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept-ontwerpbestemmingsplan op 14 september 2022 door de gemeente toegezonden aan de diverse vooroverleginstanties.De vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord de Notitie beantwoording vooroverlegreacties, waarin tevens is weergegeven tot welke aanpassingen in het bestemmingsplan dit heeft geleid. Deze notitie is bijgevoegd in Bijlage 21.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Kleine Hoeven Fase II' heeft op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in het kader van de zienswijzen van 18 december 2023 tot en met 29 januari 2024, 6 weken ter visie gelegen. In deze periode had eenieder de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. In totaal zijn twee zienswijzen kenbaar gemaakt. In Bijlage 22 van deze toelichting is de nota van zienswijzen opgenomen. In deze nota zijn alle zienswijzen samengevat en beantwoord. Per zienswijze zijn de gevolgen voor het bestemmingsplan in beeld gebracht. Deze gevolgen zijn verwerkt in het vastgestelde bestemmingsplan.

7.3

Vaststelling

Na beoordeling van de ingediende zienswijzen is door het college van burgemeester en wethouders bekeken of het plan bijgesteld moet worden. De ingediende zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wel zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Dit is terug te lezen in de nota van zienswijzen (Bijlage 22). Na het verwerken van de ambtshalve aanpassingen wordt het plan ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Het plan wordt op 28 mei 2024 door de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden behandeld. Na de vaststelling van het plan ligt het bestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie. Belanghebbenden kunnen binnen deze termijn beroep en/of een verzoek om voorlopige voorziening aan de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State indienen.

Bedrijventerrein Kleine Hoeven fase I Pagina 70 van 70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=bb824787-c521-4084-84d7-bf7889aa3362