A. Toelichting OBP Hamelendijk 5 en 7 Reusel
Tekst van het document
46
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
bestemmingsplan wordt geborgd. Op dat moment is het niet persé meer nodig om dit ook nog middels een anterieure overeenkomst te regelen. Bij de vormgeving en invulling van landschappelijke inpassing wordt gekeken naar de algehele situering van bouwvlak/bestemmingsvlak en niet alleen naar wat er door de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling wordt toegevoegd of veranderd. Kortom bij ontwikkelingen die tot deze categorie behoren zal een goede landschappelijke inpassing van het totale bouwvlak en/of bouwblok worden verlangd. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien deze eis niet in verhouding staat tot de aard van de ontwikkeling, in die gevallen waarvoor een maatwerkoplossing zal worden gevonden. M.b.t. de landschappelijke inpassing van Hamelendijk 5 is aansluiting gezocht bij de op 2 november 2021, door de gemeenteraad vastgestelde, ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit – Deel Buitengebied, Kempische eigenheid als kwaliteit’. Dit is verder uitgewerkt in de volgende paragraaf over het gemeentelijk beleid.
3.2.2.3 Regels beperkingen veehouderij Op een gedeelte van circa 36%32 van het bestemmingsvlak met de enkelbestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ op nummer 5 zijn de regels m.b.t. ‘Beperkingen veehouderij’ van toepassing. Aangezien het bedrijf ter plaatse niet aangemerkt kan worden als een ‘grondgebonden veehouderij’ geldt ook op de gronden binnen het bestemmingsvlak waarop de aanduiding niet is gelegen het zogenaamde ‘slot op de muur’. Dit houdt in dat ter plaatse de oppervlakte van gebouwen en de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste de omvang hebben van respectievelijk de omvang dan de gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), danwel de omvang van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde die: I. Op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of II. Gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning. In de IOV zijn in hoofdstuk 5 ‘instructieregels aan gedeputeerde staten’, paragraaf 5.1.2 ‘aanpassing van de werkingsgebieden’ en in artikel 5.3 regels opgenomen voor ‘wijziging grenzen van werkingsgebieden‘. Er is een algemene bevoegdheid opgenomen voor Gedeputeerde Staten om de grenzen van de werkingsgebieden te wijzigen. In de verschillende verordeningen bestonden hiertoe specifieke wijzigingsbevoegdheden. Deze zijn nu tot één bevoegdheid samengevoegd.
Dit betekent voor een (beperkt) aantal werkingsgebieden dat de bevoegdheid is verruimd. Dit leidt tot een uniforme benadering van alle werkingsgebieden en sluit aan op de Omgevingswet, waarin de bevoegdheid voor de geometrische vastlegging van grenzen bij wet aan Gedeputeerde Staten is toebedeeld. In het artikel zijn voor diverse gebieden specifieke voorwaarden opgenomen gebaseerd op de bestaande regels, bijvoorbeeld voor de grenzen van Beperkingen Veehouderij. Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve besluiten om tot wijziging van de grenzen van een werkingsgebied over te gaan. Bij een dergelijke wijziging wordt toepassing gegeven aan afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Gemeenten kunnen ook in het kader van een ruimtelijk plan verzoeken om tot grenswijziging over te gaan. In een dergelijk geval geldt de procedure zoals opgenomen in 32 Op een gedeelte van 8.465 m² van het totale bestemmingsvlak van 23.665 m².
47
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. In sommige gevallen is een grenswijziging nodig in het kader van een concreet ruimtelijk plan, zoals in deze situatie. In een dergelijk geval kan de gemeente verzoeken om tot grenswijziging over te gaan. Om de procedure soepel te laten verlopen zijn indieningsvereisten en procedure bepalingen opgenomen. Hieronder zijn de betreffende voorwaarden opgenomen in groen lettertype en is middels een zwart lettertype aangegeven op welke wijze aan de betreffende voorwaarden wordt voldaan. Artikel 6.2 procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek Lid 1. In het geval dat burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een verzoek tot wijziging van de grens van een werkingsgebied te doen ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling, maakt dit voornemen deel uit van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan. Lid 2. Het ontwerp besluit bevat de volgende gebiedsaanduidingen: a. gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening toe te voegen [naam gebiedscategorie]; Niet van toepassing. Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen ‘overig – Beperkingen veehouderij’ als ‘overig – Verbod uitbreiding veehouderij’ geldt reeds de gebiedsaanduiding ‘overig – Landelijk gebied’. Vandaar dat deze niet meer toegevoegd hoeft te worden. b.
gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening te verwijderen[naam gebiedscategorie]; De gebiedsaanduiding: overig - Beperkingen veehouderij wordt ter plaatse gewijzigd in overig ‘Verwijderd – Beperkingen veehouderij’ en de gebiedsaanduiding overig – Verbod uitbreiding veehouderij in overig ‘Verwijderd – Verbod uitbreiding veehouderij’. c. gebiedsaanduiding - vanwege natuurcompensatie te realiseren natuur, beheertype [landelijke code], indien van toepassing. Niet van toepassing Lid 3. Een verzoek wordt na afloop van de terinzagelegging bedoeld in artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht, bij Gedeputeerde Staten ingediend en gaat vergezeld van een beschrijving waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze verordening gestelde voorwaarden waaronder wijziging van de begrenzing mogelijk is en, in voorkomende gevallen, van naar voren gebrachte zienswijzen. De in de verordening gestelde voorwaarden tot wijziging van de begrenzing ‘Beperkingen veehouderij’ zijn in de IOV opgenomen in paragraaf 5.2.1 ‘aanpassing van de werkingsgebieden’, artikel 5.3 ‘wijziging grenzen van werkingsgebieden’ lid 1 en lid 5. Hierna worden deze voorwaarden beschreven en aangegeven op welke wijze dit plan hieraan voldoet. Paragraaf 5.1.2 aanpassing van de werkingsgebieden Artikel 5.3 wijziging grenzen van werkingsgebieden Lid 1.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet: a. de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering; b. de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen; c. de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening;
48
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
d. er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; e. de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld. In deze situatie is circa 36% van het bestemmingsvlak met de enkelbestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ gelegen binnen ‘Beperkingen veehouderij’. Hetgeen tot gevolg heeft dat de meest beperkende bepalingen van de IOV van toepassing zijn. Omdat de ter plaatse gevestigde melkrundveehouderij niet aangemerkt kan worden als een grondgebonden veehouderij op basis van de definitie en de voorwaarden welke hiervoor zijn opgenomen in de IOV heeft het bedrijf, binnen de ruimte van het vigerende bestemmingsvlak, geen mogelijkheden om uit te breiden met oppervlakte gebouwen danwel bouwwerken, geen gebouwen zijnde t.b.v. de ter plaatse gevestigde melkveehouderij inclusief de bijbehorende nevenactiviteiten. In de IOV wordt niet toegelicht op welke wijze de bovengenoemde gevallen in artikel 5.3 lid 1 onder a t/m e exact geïnterpreteerd dienen te worden. Vandaar dat wij hierbij een beschrijving en interpretatie geven van de gevallen die volgens ons met dit plan zich voordoen. De betreffende grenswijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering (a.).
Dit omdat zonder wijziging van de begrenzing ‘Beperkingen veehouderij’ het melkveebedrijf niet geoptimaliseerd kan worden. Het kunnen optimaliseren betekent voor ondernemer met name bedrijfstechnisch voordelen die een efficiënte en doelmatige bedrijfsvoering ten goede komen. Anderzijds betekent het op basis van de huidige milieuvergunningen en rechten (Hamelendijk 5 en 7) een cumulatieve afname van ammoniakemissie op bedrijfsniveau en daarmee gepaard gaande een afname van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden, zie paragraaf 4.9 ‘Natuur’ van deze toelichting, en in het kader van dierenwelzijn, ruimer kunnen zetten van de dieren. De grenswijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied ‘Beperkingen veehouderij’ is opgenomen (b.). Namelijk de realisatie van een extensiverende beweging van de veehouderij in een gebied waarbinnen kwetsbare gebieden, gebieden binnen de 250 meter van een Wav-gebied, Natura 2000 gebieden en gebieden die binnen 1 kilometer van Natura 2000 gebieden zijn gelegen.
Ondanks het feit dat de locatie Hamelendijk 5 niet is gelegen op gronden die deel uitmaken van een gebied danwel afstand tot een gebied die een reden gaven om de gronden ter plaatse aan te duiden als ‘Beperkingen veehouderij’ dragen de middelen die ingezet worden om deze gronden buiten deze aanduiding te leggen wel bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied ‘Beperkingen veehouderij’ is opgenomen. Namelijk een afwaartse beweging van het aantal stuks vee dat in het gebied aan de Hamelendijk in de toekomst nog gehouden kan worden. Zoals uit deze toelichting naar voren komt wordt dit gerealiseerd door ter plaatse van Hamelendijk 7 definitief afscheid te nemen van de mogelijkheden om hier in de toekomst nog een veehouderij te exploiteren. In het kader van aankomende landelijke regelgeving waarbij de weg naar grondgebondenheid richting 2030 bewandeld dient te gaan worden, wordt er gekozen om ter plaatse van ‘Hamelendijk 5’ in het bestemmingsplan maximale dieraantallen vast te leggen. Dit ter voorkoming dat in het gebied aan de Hamelendijk in de toekomst nog een opwaartse waardering plaatsvindt van het aantal stuks vee. Daarnaast leidt dit plan tot een flinke afname van de ammoniakemissie (stikstofdepositie) op omliggende kwetsbare gebieden en Natura 2000 gebieden, zie paragraaf 4.9 ‘Natuur’ van deze toelichting.
49
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
Zoals in voorgaande alinea is benadrukt zijn de gronden binnen het bestemmingsvlak aan de Hamelendijk 5 gelegen buiten een kwetsbaar gebied, op meer dan 250 meter van een Wav-gebied, buiten een Natura 2000 gebied en niet binnen 1 kilometer daarvan (c.). In het kader van de voormalige reconstructiewet is het nooit de bedoeling geweest om de gronden buiten bovengenoemde vier gebieden te begrenzen als extensiveringsgebied (natuur) danwel een gedeelte van een bestemmingsvlak/ bouwvlak te voorzien van deze aanduiding. Dit is een omissie vanuit de reconstructiewet, die binnen die wet door de provincie erkend werd33. In 2013 is deze omissie 1:1 doorvertaald in de Verordening ruimte (nu: IOV). Op basis van deze constatering concluderen wij dat er ter plaatse van de locatie Hamelendijk 5 sprake is van kennelijke onjuistheden in de begrenzing (d.).
Lid 5. In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Beperkingen Veehouderij dat: a. het een ondergeschikte wijziging van het gebied betreft; In de toelichting van de IOV is niet bepaald wat men verstaat onder een ondergeschikte wijziging van het gebied. Om hier meer duidelijkheid over te krijgen hebben wij naar andere grenswijzigingen ‘Beperkingen veehouderij’ gezocht die plaats hebben gevonden binnen de provincie Noord-Brabant en bij de interpretatie in deze plannen van ‘een ondergeschikte wijziging van het gebied’ aangesloten. In deze situatie gaat het om een locatie waarvan het totale bestemmingsvlak is gelegen in de structuur ‘Landelijk gebied’ en voor circa 36% binnen de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’. Nemen wij het totale areaal van dit aanduidingsgebied ‘Beperkingen veehouderij’ in ogenschouw, dan blijkt dat de locatie aan de Hamelendijk 5 buiten het kwetsbare gebied en buiten de 250 meter op grond van de Wav ligt. Daarnaast is de locatie niet gelegen binnen een Natura 2000 gebied of binnen 1 kilometer daarvan.
Dit in samenhang met het feit dat door dit plan een totale extensivering van de veehouderij binnen het gebied plaatsvindt en de uitbreiding met oppervlakte gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet plaatsvindt binnen de gebiedsaanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ maakt het dat wij van mening zijn dat sprake is van een ondergeschikte wijziging die geen afbreuk doet aan de doelen waarvoor het gebied als ‘Beperkingen veehouderij’ is aangewezen. Het opheffen van de veehouderij aan Hamelendijk 7 komt volledig tegemoet aan de provinciale uitgangspunten t.a.v. het gebied ‘beperkingen veehouderij’. Wanneer het gebied ‘beperkingen veehouderij’ in groter perspectief wordt bekeken, ligt de locatie op nummer 7 immers op een meer gevoelige locatie. Deze locatie is geheel gelegen binnen het gebied ‘beperkingen veehouderij’.
b. is aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mede gelet op aspecten vanuit milieu en volksgezondheid;
33 In de voormalige provinciale reconstructieplannen die zijn opgesteld onder de voormalige
reconstructiewet gold bij een doorsnijding van een bouwvlak/ bestemmingsvlak het lichtste regime en was toetsing aan de voorwaarden die golden voor intensieve veehouderijen (in de reconstructieplannen werd een melkrundveehouderij niet aangemerkt als een intensieve veehouderij) niet aan de orde.
50
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
Uit hoofdstuk 4 komt naar voren dat de grenswijziging geen onaanvaardbare gevolgen heeft op het woon- en leefklimaat. Er is daarmee geen strijdigheid met het provinciale beleid. c.
er geen aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt. Ons blijkt dat de locatie waar de herbegrenzing plaatsvindt, Hamelendijk 5, zich niet in een gebied bevindt waar sprake is van reeds begrensd Natuur Netwerk Brabant (NNB). De locatie ligt buiten een aangewezen waterwingebied als ook buiten de 250 meter van een aangewezen Wav gebied. Wij komen aldus tot de conclusie dat er geen sprake is van in de nabijheid gelegen ecologische waarden. Daarnaast leidt de opheffing van de veehouderij op nummer 7 tot een positieve beoordeling ten aanzien van de ‘ecologische winst’ voor het gebied. Nummer 7 is gelegen binnen de 250 meter van een aangewezen Wav gebied.
Lid 4. Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld eerste lid.
Lid 5. Een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, wordt vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing.
3.2.2.4 Regels veehouderijen In de IOV zijn regels opgenomen voor veehouderijen. Zo is een toename van oppervlakte dierenverblijf34 binnen een bouwperceel enkel toegestaan als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan. Onderstaande voorwaarden worden 1:1 doorvertaald in dit bestemmingsplan en dienen als toetsingskader bij een omgevingsvergunningaanvraag. Een aanvraag dient te voldoen aan onderstaande voorwaarden om vergund te kunnen worden. 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; Als onderdeel van een omgevingsvergunningaanvraag dient inzichtelijk gemaakt te worden dat er sprake is van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, zoals bepaald in de op het moment van indienen van de aanvraag geldende Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV). 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; Uit deze toelichting komt naar voren dat hieraan voldaan wordt. Ook bij een toekomstige omgevingsvergunningaanvraag wordt aan deze voorwaarde getoetst.
als dierenverblijf geldt hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. 34
51
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; Zie paragraaf 4.4 geur. Bij een toekomstige omgevingsvergunningaanvraag wordt nogmaals aan deze voorwaarde getoetst. 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Dit is een voorwaarde waarop in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag getoetst dient te worden. In het kader van deze bestemmingsplanprocedure heeft initiatiefnemer de omgeving geïnformeerd omtrent dit planvoornemen. Dit is verder uitgewerkt in paragraaf 7.3. Ook is opgenomen dat binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden. In deze situatie worden de dieren enkel op de grond gehouden.
Verder is opgenomen dat bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder punt 1 t/m 5 (voorwaarden toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel) zoals hierboven weergegeven. In deze situatie is ter plaatse van de bestaande loods/ werktuigenberging/ machineberging binnen de locatie Hamelendijk 5 sprake van een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van dit gebouw als dierenverblijf. Verder is ter plaatse van ‘Hamelendijk 5’ sprake van toename van de oppervlakte dierenverblijf. Zoals hierboven beschreven voldoet dit plan aan de bepalingen zoals hiervoor opgenomen in de IOV.
3.2.2.5 Regels Grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied Ter plaatse van Hamelendijk 7 gaat het bestaande agrarische bedrijf binnen de huidige planologische mogelijkheden verder als (vollegronds)teeltbedrijf en zal zich in de toekomst verder ontwikkelen tot een reëel akkerbouwbedrijf. Op basis van de begripsbepalingen in artikel 1.1 van de IOV wordt een (vollegronds)teeltbedrijf, net zoals een veehouderij35, een glastuinbouwbedrijf en een overig-agrarisch bedrijf36, beschouwd als een agrarisch bedrijf. Ter plaatse wordt definitief afscheid genomen van de mogelijkheid om hier nog een veehouderij te exploiteren, of vee te houden. Een grondgebonden teeltbedrijf wordt in de IOV gedefinieerd als een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. 35 Veehouderij is in de IOV als volgt gedefinieerd: agrarisch bedrijf gericht op het fokken,
mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. 36 Overig-agrarisch bedrijf is in de IOV als volgt gedefinieerd: agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt.
52
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
De IOV kent enkel in artikel 3.54 regels voor een teeltbedrijf. In dit artikel zijn voorwaarden opgenomen m.b.t. de ontwikkeling van een grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied op een bestaand bouwperceel in het Landelijk gebied. Dit artikel omvat enkel regels over (permanente) teeltondersteunende voorzieningen/ kassen. Op de locatie Hamelendijk 7 is geen sprake/intentie voor de realisatie van (permanente) teeltondersteunende voorzieningen/ kassen. De IOV staat de ontwikkeling van een (vollegronds)teelbedrijf ter plaatse van het bouwvlak op nummer 7 niet in de weg.
3.3
GEMEENTELIJK BELEID
3.3.1 Inleiding Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie en het bestemmingsplan. Dit beleid legt geen beperkingen op om binnen het vigerende bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch’ uit te breiden met oppervlakte gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het beleid uit de IOV en de voorgaande verordeningen van de provincie zijn immers nog niet doorvertaald in het vigerende bestemmingsplan, dat ter plaatse nog van kracht is. Dit neemt niet weg dat beleid dat is geformuleerd door hogere overheidsorganen, zoals in dit geval de IOV door de provincie Noord-Brabant, het bestemmingsplan overruled. Het gemeentelijk beleid legt daarintegen wel beperkingen op m.b.t. de reeds gerealiseerde oppervlakte aan verbrede landbouw- en nevenactiviteiten ter plaatse van Hamelendijk 5. In het kader van het bestemmingsplan wordt hier in de volgende paragrafen kort op ingegaang, voor zover dit nog niet is gebeurd in de voorgaande paragrafen van deze toelichting.
3.3.2 Bestemmingsplan In paragraaf 1.3 van deze toelichting is uitgebreid ingegaan op de bestemmingsplannen die ter plaatse van het plangebied van kracht zijn en de ter plaatse geldende bestemmingen en aanduidingen. Daarnaast wordt in diezelfde paragraaf gewezen op het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied’, dat momenteel in de voorbereidende fase verkeerd. In paragraaf 2.6 (planologische doorvertaling/ wijzigingen) van deze toelichting is ingegaan op de strijdigheden die ter plaatse zijn ontstaan met de regels uit het vigerende bestemmingsplan, doordat ter plaatse: - meer ruimte in gebruik is genomen voor productiegebonden detailhandel dan de reeds toegestane 25 m² in het vigerende bestemmingsplan, namelijk in totaal 34 m² (overschrijding van 9 m²); - de verkregen omgevingsvergunning (van 22 juni 2016) voor het toestaan van 400 m² aan recreatieve doeleinden (excursieruimte/ ontvangstruimte, opslag en ijskeuken met winkel) binnen een gedeelte van de voormalige varkensstal is niet conform de omgevingsvergunning uitgevoerd en uiteindelijk is hiervoor in totaal 495 m² (excl. 25 m² winkel t.b.v. productiegebonden detailhandel) in beslag genomen; - de maximale toegestane cumulatieve bedrijfsvloeroppervlakte van 500 m² voor verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten wordt overschreden met 79 m².
Ter plaatse is sprake van een maximale cumulatieve bedrijfsvloeroppervlakte die in gebruik is voor verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten van 579 m² (waarvan 50 m² boerenterras,
53
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
34 m² voor productiegebonden detailhandel en 495 m² voor excursieruimte, bereidingsruimte ijs, vriescel, magazijn/opslag en toiletruimte. In paragraaf 2.6 is met een doorkijk naar het in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de suggestie gedaan om deze strijdigheden op te heffen, aangezien dit ook past in de nieuwe beleidsvisie van de gemeente, zoals verwoord in het voorontwerpbestemmingsplan dat reeds ter inzage heeft gelegen. Het beoogde plan is binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Om het plan in totaliteit mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
3.3.3 Omgevingsvisie gemeente Reusel – De Mierden Op 22 mei 2018 is de ‘Omgevingsvisie gemeente Reusel – De Mierden’ door de gemeenteraad vastgesteld en op 28 mei 2019 is een addendum (toevoeging) vastgesteld op deze omgevingsvisie. De ‘Omgevingsvisie’ borduurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Gezamenlijk, grenzeloos en groen is en blijft het uitgangspunt. De ‘Omgevingsvisie’ geeft verder richting aan de ingezette koers, in ruimtelijke zin en schetst een panorama voor de toekomst. De ‘Omgevingsvisie’ omvat een kwaliteitenkaart, een knelpuntenkaart, een visiekaart en een strategiekaart:
Kwaliteitenkaart: Op de kwaliteitenkaart is het plangebied aan de ‘Hamelendijk’ aangewezen als een ‘rationeel, agrarisch ontwikkelde, jonge heideontginning met rechte, beplante wegen’.
Knelpuntenkaart: Op de knelpuntenkaart is het plangebied gelegen in een gebied met een ‘matige herkenbaarheid (verschillen tussen) landschapstypen'. Met ten zuidwesten van het plangebied een gebied dat zich kenmerkt door de ‘nog niet afgeronde omschakeling naar geïntegreerd bosbeheer’ en op enige afstand ten zuiden van het plangebied is de ‘Raamsloop’ gelegen, die is aangemerkt als ‘onderbenutte ecologische, recreatieve en waterhuishoudkundige potentie beekdalen’.
Visiekaart: Op de visiekaart is het plangebied aangewezen als gelegen in een ‘gebied met primaat landbouw’. Het gebied ten zuiden en ten zuidoosten van het plangebied is aangewezen t.b.v. het ‘Doorontwikkelen Natuurpoorten’. In de visie op het grondgebied van de gemeente Reusel-De Mierden is aangegeven dat de gebieden met primaat landbouw in ieder geval een ontsluiting verdienen die geschikt is voor zwaar verkeer. Voor het gebied ten zuidoosten van Reusel is een koppeling met de ontsluiting van het bedrijventerrein Kleine Hoeve logisch. Het gebied ten zuiden van Reusel verdient een aansluiting op de rotonde op de N284. Een doortrekking van de rondweg in zuidelijke richting biedt dan ook de gelegenheid voor een rechtstreekse verbinding met de E34. Deze route is op een hoger schaalniveau van betekenis in de structuur van de Brainportregio en in de verbinding tussen de Brabantse stedenrij (Tilburg) en Vlaanderen/Brussel. Verder is in de visie voor het grondgebied van de gemeente Reusel – De Mierden aangegeven dat de twee Natuurpoorten binnen de gemeente de recreatieve toegangspoorten vormen tot
54
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
natuurgebieden. In de natuurgebieden is alleen extensief medegebruik mogelijk, de Natuurpoorten zijn daar het bronpunt van. De gemeente beseft dat de recreatieve druk direct rond de Natuurpoorten groter is en bieden ruimte om binnen de grenzen van de natuurdoelen de Natuurpoorten door te ontwikkelen. Verblijfsrecreatie is daarbij alleen mogelijk in exclusieve concepten met maximaal 10-15 eenheden. Recreatieve ontwikkeling (dag- en verblijfsrecreatie) elders is mogelijk door erven te herontwikkelen (VAB) of door bestaande grote verblijfrecreatieterreinen te moderniseren.
Strategiekaart; Op de strategiekaart is het plangebied aangewezen als gelegen binnen een gebied met het ‘primaat landbouw’. De strategie binnen dit gebied is het stimuleren van innovaties in grootschalige intensieve dierhouderij en grootschalige energieopwekking in combinatie met het tegengaan van gevoelige functies onder voorwaarde van een deugdelijke ontsluiting voor zwaar vrachtverkeer. Deze strategie geldt voor het gebied ten zuiden van Reusel en het gebied ten zuiden van Hooge Mierde. Het gebied ten zuiden van het plangebied, dat op de visiekaart is aangewezen t.b.v. het ‘Doorontwikkelen Natuurpoorten’ is op de strategiekaart aangemerkt als een gebied voor het ‘Bestendigen bestaande situatie’. De strategie binnen dit gebied bestaat uit het behouden van de bestaande kracht en doorzetten van de huidige beleidslijnen; ondergeschikte ontwikkelingen zijn mogelijk, maar aangetoond moet worden dat een eventuele negatieve invloed van de ontwikkeling op het functioneren van het gebied binnen de ontwikkeling wordt gecompenseerd.
Deze strategie geldt voor de boscomplexen (met een bestendiging van het beleid naar een meer geïntegreerd bosbeheer en vermindering van de monofunctionaliteit), het bedrijventerrein Kleine Hoeven, de agrarische cultuurlandschappen die nog redelijk ongeschonden zijn (met een beleid gericht op versterking van de landschapselementen), de sportcomplexen en het grootste deel van de dorpskernen (de woongebieden en de wijkvoorzieningen in Reusel).
De totale visie, zoals opgenomen in de ‘Omgevingsvisie’ is samen te vatten in 10 keuzes. Eén van deze keuzes is dat de gemeente Reusel – De Mierden de recreatie – naast de bedrijvigheid – beschouwt als (hulp) motor van economische ontwikkeling. Men volgt daarbij de volgende strategie: Beter benutten van routestructuren en Natuurpoorten, waarbij initiatiefnemers erfgewijs kleinschalige recreatieve voorzieningen kunnen toevoegen; Vermarkten van rust, ruimte en afwisseling van landschap, vooral gericht op fietsers en wandelaars; Modernisering van bestaande accommodaties van verblijfsrecreatie; Mogelijkheden van een grotere dagrecreatieve trekker met verblijf in Nieuw – Molenheide.
Conclusie Dit plan voorziet enerzijds in het verleggen van de provinciale gebiedsaanduiding ‘Beperkingen veehouderij’, zodat het bedrijf ter plaatse van Hamelendijk 5 de benodigde ruimte binnen het bestaande bouwvlak/ bestemmingsvlak krijgt om de voor het bedrijf noodzakelijke uitbreiding met melkvee te kunnen realiseren. Anderzijds is men voornemens met dit plan de gebruiksruimte van de bestaande en legaal aanwezige
55
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
verbrede landbouw- en nevenfuncties op te rekken boven de maximale oppervlakte die het vigerende bestemmingsplan hiervoor toelaat. Dit plan geeft invulling aan de gemeentelijke visie ter plaatse van het plangebied en de omgeving zoals opgenomen in de ‘Omgevingsvisie’.
3.3.4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit – Deel Buitengebied, Kempische eigenheid als kwaliteit Op 2 november 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel – De Mierde de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit – Deel Buitengebied, Kempische eigenheid als kwaliteit’ (hierna: NRK) vastgesteld. Dit betreft een actualisatie van het welstandsbeleid. In de herziening van de welstandsnota wordt niet meer alleen gekeken naar de gebouwen maar ook naar de kwaliteit van de omgeving en landschappelijke inpassing. Daarbij wordt de NRK gekenmerkt door een meer open houding, waarbij niet toetsen en verplichten, maar inspireren, voorlichten, stimuleren en begeleiden centraal staan. Met de nieuwe NRK-Buitengebied wordt beoogd de volgende doelen te realiseren: De ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente behouden en waar het kan versterken. Daarvoor biedt de NRK-Buitengebied handvaten. Het beleid voor ruimtelijke kwaliteit (welstandsbeleid en landschappelijke inpassing) herijken op de ontwikkelingen die in de afgelopen járen hebben plaatsgevonden op landelijk, provinciaal (bestuursakkoord provincie), regionaal en lokaal niveau. Anticiperen op de toekomstige ontwikkelingen, waaronder de Omgevingswet. Tegengaan van verloedering/verrommeling.
Het bieden van meer samenhang in het beleid dat zich richt op het uiterlijk van de gemeente, waaronder beeldkwaliteit, landschappelijke inpassing, stedenbouw en cultuurhistorie. Een gebiedsgerichte benadering, die meer duidelijkheid geeft over hoe de gemeente een gebied eruit willen laten zien. Verminderen regeldruk. Het vastleggen van efficiënte en transparante procedures voor de ruimtelijke kwaliteitszorg. Het verbeteren van de gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid van de NRKBuitengebied. De NRK- Buitengebied vormt een uitwerking van de Omgevingsvisie Reusel – De Mierden. De NRK- Buitengebied is niet alleen een actualisatie van het welstandsbeleid, maar vormt tevens een integraal beleidskader voor ruimtelijke kwaliteit inclusief de (wijze van) landschappelijke inpassing en een actualisatie van de ‘Beleidsnotitie voor bebouwingsconcentraties’ (2009). Daarnaast vormt het recent geactualiseerde erfgoedbeleid een belangrijke basis voor de NRK-Buitengebied. Gebiedspaspoort ‘Jonge heideontginningen’ In de NRK-Buitengebied is voor verschillende gebieden een ‘gebiedspaspoort’ opgesteld. Dit gebiedspaspoort geeft aan wat de te behouden en versterken kwaliteiten/karakteristieken/ waarden zijn van dit gebied alsmede de ruimtelijke ontwerpprincipes voor toevoeging en invulling van het gebied.
Ook zijn hierin per gebied inspiratiepagina’s opgenomen met foto’s die de nagestreefde sfeer in het gebied weergeven. De NRK-Buitengebied is geen visiedocument maar de hierin opgenomen ontwerpprincipes geven samen met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden (onder voorwaarden) in het
56
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
Bestemmingsplan Buitengebied 2021 wel meer duidelijkheid over hoe een gebied er uit gaat zien. Hiermee wordt ruimte voor maatwerk geboden. Zoals uit de vorige paragraaf ‘Omgevingsvisie Reusel – De Mierden’ blijkt is het plangebied gelegen binnen het gebiedspaspoort ‘Jonge Heideontginningen’. Dit zijn gebieden die relatief laat veroverd zijn op de woeste gronden van heide en zandverstuivingen. Het is een grootschalig, open en rationeel verkaveld landschap met grote percelen en lange, rechte (deels beplante) wegen. De bossen op de achtergrond vormen een mooi decor van deze relatief open gebieden. De jonge heideontginningen zijn grotendeels in agrarisch gebruik, met een accent op (intensieve) veeteelt. Door schaalvergroting in de landbouw domineren de agrarische bedrijfsgebouwen in het landschap, waarbij een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing veelal ontbreekt: de grote, meestal solitair gelegen agrarische erven liggen vaak ‘kaal’ in het landschap. Het betreft onder anderen het gebied ten zuiden van Reusel, waar het primaat landbouw geldt en waarbinnen het plangebied is gelegen. De ontwikkeling binnen het plangebied dient bij te dragen aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er sprake is van een goede samenhang tussen de bebouwing en het landschap.
Voor dit landschapstype is de weidsheid leidend en zijn de instandhouding van zichtlijnen vanaf de weg het landschap in van belang. Door gebrek aan landschapselementen en erfbeplanting heeft de bebouwing een te dominante positie ingenomen en is deze sterk beeldbepalend geworden. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn dan ook robuuste maatregelen bij de inpassing van het erf in het landschap noodzakelijk. Bij grootschalige bebouwing hoort een stevige landschappelijke inpassing van het erf, zodat het erf geen afbreuk doet aan de beleving van de rust en de ruimte van het landschap. In het NRK-Buitengebied zijn per ‘gebiedspaspoort’ de volgende ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes opgenomen: Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes landschap; Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven: o uitstraling van het erf en de ontwerpprincipes daarvoor; o erfbeplanting met ontwerpprincipes; o bebouwing op het erf met ontwerpprincipes en situering bebouwing; o vormgeving bedrijfsbebouwing/stallen/schuren, materiaalen kleurgebruik bebouwing, zonnepanelen/collectoren; o vormgeving (bedrijfs)woningen en bijgebouwen, materiaal- en kleurgebruik en duurzaamheid. Voor het gebiedspaspoort ‘Jonge Heideontginningen’ is dit opgenomen in paragraaf 3.4 van het NRK-Buitengebied.
Betekenis voor het plan en conclusie In bijlage 2, is een voorstel gedaan voor een landschappelijke inpassing van het plangebied. De gemeente gaat akkoord met de voorgestelde landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 2 behorende bij dit bouwplan. Het plan sluit voldoende aan bij de uitgangspunten zoals ten tijde van de vaststelling van dit plan zijn gesteld in de regeling ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ en de ontwerpprincipes van het gebiedspaspoort ‘Jonge Heideontginningen’, zoals opgenomen in de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ van de gemeente Reusel – de Mierden.
57
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
HOOFDSTUK 4 OMGEVINGSASPECTEN
4 1 Omgevingsaspecten UK 6 4.1
M.E.R.-BEOORDELING Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AMvB). De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 2. Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 3. Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). 4.
Provinciale staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn. Conform art. 2, lid 5 Besluit m.e.r. dient voor elke activiteit die genoemd wordt in het Besluit m.e.r. maar beneden de drempelwaarden van onderdeel D valt, beoordeeld te worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats in een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Beoordeling en conclusie Dit plan leidt niet tot een toename van depositie op de Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 4.9), maar juist tot een afname. Er wordt gebruik gemaakt van interne saldering. Een passende beoordeling is derhalve niet nodig. Wel is in deze situatie sprake van een activiteit die is opgenomen in kolom 1 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De activiteit (uitbreiding) overschrijd niet de drempelwaarde zoals opgenomen in onderdeel D. De vraag is nu of het plan voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van besluit uit kolom 4 van het Besluit m.e.r. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan uit kolom 3.
Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit uit kolom 4.
58
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
De beoogde uitbreiding wordt direct mogelijk gemaakt door dit bestemmingsplan, het plan voorziet in het creëren van directe bouwmogelijkheden, er is daardoor geen sprake van een kaderstellend plan zoals opgenomen in kolom 3, maar een besluit uit kolom 4. Er is derhalve sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor elke activiteit die genoemd wordt in het Besluit m.e.r. maar beneden de drempelwaarde van onderdeel D valt, moet beoordeeld worden dat sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats in een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bijlage 3 van deze toelichting is de betreffende vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de daartoe uitgevoerde onderzoeken is geconstateerd dat er geen sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. Hoewel er sprake is van enig effect, is het effect echter niet zodanig dat het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is.
4.2
BEDRIJVIGHEID (BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING) De VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) is een handreiking die landelijk wordt gehanteerd bij de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen. In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Per type bedrijf zijn in de lijst richtafstanden tot gevoelige bestemmingen weergegeven. Het gaat om richtafstanden met betrekking tot de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstanden tussen een hinder veroorzakende (bedrijf) en een milieugevoelige functie (woning). De richtafstand is van toepassing tussen de grens van de bedrijfsbestemming (planologische rechten van een bedrijf) en de uiterste grens van de gevel van een woning welke volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. Ter plaatse van het plangebied (Hamelendijk 5) is het in de huidige situatie planologisch en vergunningstechnisch mogelijk om rundvee- als varkens te houden. Hiervoor zijn onderstaande richtafstanden opgenomen in de richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’. Verder is ter plaatse een nevenactiviteit in de vorm van een ijssalon en excursieruimte aanwezig. Ook de richtafstanden voor een ijssalon met eigen ijsbereiding is opgenomen in de richtafstandenlijst.
De richtafstanden voor excursielocaties zijn niet specifiek opgenomen in de richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’, maar uit vergelijkbare plannen die terug te vinden zijn op het internet wordt dit vaak overeenkomstig een hotel en pension met keuken, conferentieoorden en congrescentra beschouwd. Ter plaatse van nummer 7 is het in de huidige situatie planologisch mogelijk om een rundveehouderij en akkerbouwbedrijf te exploiteren. Zie onderstaande richtafstanden in de richtafstandenlijst. Omschrijving
Afstanden in meters Geur Stof Geluid
Gevaar
Fokken en houden van rundvee
100
30
30
0
3.2
Fokken en houden van varkens
200
30
50
0
4.1
Ijssalons met eigen ijsbereiding
10
0
10
10
1
Excursielocatie
10
0
10
10
1
59
Categorie
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
Akkerbouw
10
10
30
10
2
Tabel 4.1: Richtafstanden ‘Bedrijven en milieuzonering’
Met dit plan wordt, zoals in onderstaande toelichting is genoemd, de grens van de provinciale aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ verlegd. Dit leidt niet tot de wijzigingen van de richtafstanden binnen het plangebied t.o.v. de huidige planologische toegestane situatie. Echter doordat de varkenstak ter plaatse van nummer 5 wordt beëindigd en juridisch planologisch in dit bestemmingsplan wordt geborgd dat deze tak in de toekomst niet meer opgericht kan worden binnen het plangebied, komen de richtafstanden voor het ‘fokken en houden van varkens’ te vervallen. Dit houdt in dat de richtafstanden van het bedrijf dat is gevestigd binnen het plangebied tot een milieugevoelige functie in de omgeving voor geur afneemt van 200 meter naar 100 meter en voor geluid van 50 meter naar 30 meter. Binnen 100 meter van het plangebied zijn geen milieugevoelige functies gelegen. Daarnaast omvat dit plan de beëindiging van de veehouderijtak ter plaatse van nummer 7 en voortzetting van het agrarische bedrijf in de vorm van een (vollegrond)teeltbedrijf (akkerbouwbedrijf). Doordat de (rund)veehouderij ter plaatse van nummer 7 wordt beëindigd, en juridisch planologisch in dit bestemmingsplan wordt geborgd dat deze tak in de toekomst ter plaatse niet meer opgericht kan worden, komen de richtafstanden voor het ‘fokken en houden van rundvee’ te vervallen.
De richtafstanden tussen het bedrijf op nummer 7 en een milieugevoelige functie nemen voor geur af van 100 meter naar 10 meter, voor stof van 30 meter naar 10 meter en de richtafstand voor gevaar neemt toe van 0 meter naar 10 meter. Binnen 100 meter van de rand van het bouwvlak op nummer 7 zijn geen milieugevoelige functies gelegen. Daarnaast strekt dit plan niet tot de oprichting van een nieuwe gevoelige functie of verplaatsing van een gevoelige functie, waardoor dit plan blijft voldoen aan de benodigde richtafstanden. Conclusie Dit plan heeft door de definitieve beëindiging van de varkenstak op nummer 5 en de totale veehouderij op nummer 7 enkel positief effect op de te hanteren richtafstanden. Het plan blijft daarmee ruimschoots voldoen aan de benodigde richtafstanden tot gevoelige objecten van derden.
4.3
GELUID Bij een planologische procedure dient de Wet geluidhinder (verder: Wgh) in acht te worden genomen. De Wgh biedt geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (verder: Wgh) biedt vooral in het ruimtelijk spoor bescherming tegen wegverkeerslawaai aan geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen). In de Wgh is vastgesteld dat, indien binnen een plangebied nieuwe geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;
60
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het berekenen van de cumulatieve geluidbelasting ook rekening gehouden te worden met wegen met een maximale snelheid van 30 km/h).
Dit plan leidt niet tot realisatie of verplaatsing van een geluidgevoelig object. Dit betekent dat niet opnieuw getoetst hoeft te worden aan het onderdeel wegverkeerslawaai Industrielawaai In het kader van de geluidsbelasting gelden voor het bedrijf de regels en voorschriften zoals opgenomen in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Door de gewijzigde bedrijfsvoering en de uitbreiding van de melkveehouderij neemt het aantal transportbewegingen en de rijroutes niet toe. De significante afname door het geheel verdwijnen van de varkenshouderij ter plaatse aan de Hamelendijk 5 staat gelijk aan de eventuele toename van het extra vrachtverkeer dat gerelateerd is aan de uitbreiding van de melkveehouderij ter plaatse. Daarnaast betekent een uitbreiding van de melkrundveehouderij niet direct een verkeerstoename. Immers kan met vollere vrachten gewerkt worden, waardoor geen sprake hoeft te zijn van extra verkeersbewegingen. De verbrede landbouw- en nevenactiviteiten blijft men in de huidige vorm exploiteren en leidt niet tot meer verkeersbewegingen t.o.v. de huidige situatie. Op het bedrijf Hamelendijk 5 zijn een aantal geluidsbronnen te benoemen, die in bijlage 4 van deze toelichting schematisch zijn weergegeven.
Aan de hand van de schematische weergegeven geluidbronnen in bijlage 4 is er geen reden om aan te nemen dat de geluidsbelasting, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder in de toekomstige situatie onaanvaardbaar zijn. Om niet alle nieuwe inrichtingen te moeten toetsen is in de vorm van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een pseudowetgeving gecreëerd (pseudowetgeving is geen wetgeving, maar algemeen door de rechter aanvaardbare methode). De eerste toets aan ‘geluid’ afkomstig van de inrichting (nummer 5 en 7) sluit aan bij deze systematiek en is weergegeven in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering. Uit deze toets is gebleken dat aan de richtafstanden van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan worden voldaan (zie paragraaf 4.2). Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief. Conclusie Gelet op vorenstaande is ter plaatse sprake van een goed woon- en leefklimaat. Verkeersen industrielawaai vormt op voorhand geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Bij de vergunningverlening zal dit voor beide locaties getoetst en geborgd worden.
4.4
GEUR De ‘Wet geurhinder en veehouderij’ (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige bedrijven op grond van de ‘Wet milieubeheer’, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren (voorgrondbelasting). Daarnaast heeft de wet als input gediend voor de ‘Handleiding geurhinder en veehouderij’ in verband met
61
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
de zgn. ‘omgekeerde werking’ in het kader van een ‘goed woon- en leefklimaat’ (achtergrondbelasting) dat zijn juridische basis vindt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsingskader. De eisen in het Activiteitenbesluit zijn echter weer gebaseerd op de Wgv, daarom spreken we hier verder enkel over de Wgv. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Een geurgevoelig object is in de Wgv als volgt gedefinieerd: “een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf”. Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: 1. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm. 2. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand. In dit plan worden zowel dieren gehouden waarvoor bij ministeriële regeling wel als geen geuremissiefactor is vastgesteld.
Volgens de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object, behorende tot danwel niet tot een veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Daarnaast bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. Wanneer er geen geurverordening wordt opgesteld, blijven de vaste wettelijke normen en afstanden uit de Wgv van kracht. Voor deze planlocatie is in de gemeentelijke geurverordening afgeweken van de wettelijke afstanden uit de Wgv. Voor melkkoeien, jongvee en zoogkoeien zijn daarin de vaste afstandsnormen opgenomen, zoals in onderstaande figuur weergegeven.
Figuur 4.1: Vaste afstanden voor melkkoeien, jongvee, zoogkoeien, zoals opgenomen in de Verordening ‘Fysieke leefomgeving’ van de gemeente Reusel – De Mierden
De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Vanuit provinciale
62
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
regelgeving is bepaald dat de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) die veehouderijen veroorzaken door uitbreiding op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Dit plan heeft betrekking op een melkveehouderij. Voor het merendeel van de aanwezige danwel te houden diercategorieën van de melkveehouderij zijn in de ‘Regeling geurhinder en veehouderij’ geen geuremissiefactoren opgenomen. Beoordeling ontwikkeling Dit plan heeft betrekking op de uitbreiding van een melkveehouderij en de beëindiging van de varkenstak ter plaatse van Hamelendijk 5 Voor het merendeel van de aanwezige danwel te houden diercategorieën van de melkveehouderij zijn in de ‘Regeling geurhinder en veehouderij’ geen geuremissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object betreft de woning behorende tot het agrarische bedrijf aan de Hamelendijk 7 (buitengebied).
In de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2013 en Gebiedsvisie 2013’ van de gemeente Reusel – De Mierden is bepaald dat de vaste afstanden van melkkoeien, jongvee en zoogkoeien met 401 dieren en meer, zoals in deze situatie, tot een geurgevoelig object in het buitengebied minimaal 180 meter bedraagt (gemeten vanaf emissiepunt veehouderij tot dichtstbijzijnde gevel geurgevoelig object). De afstand van de buitengevel van de stallen ter plaatse van de Hamelendijk 5 tot de woning Hamelendijk 7 bedraagt meer dan 180 meter (namelijk circa 220 meter), waardoor ruimschoots voldaan wordt aan de vaste afstandsnorm. De bebouwde kom is op een veel grotere afstand gelegen dan 300 meter van het plangebied, waardoor ook ruimschoots aan de vaste afstandsnorm tot geurgevoelige objecten in de bebouwde kom wordt voldaan. Aangezien men voornemens is, op basis van regelgeving uit Den Haag, om de kleine kalfjes ter plaatse langer op het bedrijf te houden, gaat men ter plaatse maximaal 25 dieren houden van een diercategorie waarvoor in de ‘Regeling geurhinder en veehouderij’ wel een geuremissiefactor is vastgesteld (namelijk A.4.100 Vleeskalveren tot 8 maanden: overige huisvestingssystemen).
Door het totaal beëindiging van de varkenstak ter plaatse van de Hamelendijk 5, zowel milieutechnisch als planologisch, en de uitbreiding van de melkveehouderij neemt de geuremissie ter plaatse met ruim 95%37 af t.o.v. de huidige vigerende situatie. Dit zal op bedrijfsniveau leiden tot een afname op zowel voorgrond- als achtergrondniveau. Voor de overige dieren binnen de melkveehouderij, met uitzondering van de 25 vleeskalveren, kan de achtergrondbelasting niet berekend worden en leveren daarom ook geen bijdrage aan de achtergrondbelasting geur. Conclusie Dit plan voldoet aan de vaste afstanden zoals opgenomen in de ‘Wgv’, de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2013 en Gebiedsvisie 2013’ van de gemeente Reusel – De Mierden, als in de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Daarnaast heeft dit plan geen negatieve invloed op de achtergrondbelasting geur. Door de beëindiging van de varkenstak heeft dit plan eerder een positieve invloed op de achtergrondbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving. Verder leidt het plan niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Totale geuremissie van vergunde varkenstak bedraagt 19.320 oue/s en de totale geuremissie die maximaal 25 vleeskalveren tot 8 maanden uitstoten bedraagt 890 oue/s. 37
63
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
4.5
LUCHTKWALITEIT De Wet luchtkwaliteit vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat de luchtkwaliteit voldoet aan de gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven) o Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3: o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Luchtverontreiniging als gevolg van toename van verkeersbewegingen In het besluit zijn enkele projecten opgenomen (woningbouw, kantoorlocaties, etc.). Landbouwbedrijven zijn niet opgenomen in de categorieën die automatisch NIBM zijn.
Conform de NIBM-tool van Rijkswaterstaat worden de grenswaarden pas overschreden indien een project meer dan 805 motorvoertuigbewegingen per dag genereert (bij een aandeel van 10% vrachtverkeer). In het plan wordt een bestaand agrarisch bedrijf uitgebreid. Het heeft geen tot nagenoeg geen toename van verkeerbewegingen tot gevolg. Dit plan draagt, wat betreft motorvoertuigbewegingen, ‘Niet In Betekende Mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtverontreiniging als gevolg van het agrarische bedrijf De Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen vormt het toetsingskader voor stofconcentraties in de lucht bij de omgevingsvergunning. Volgens de wet dient voornamelijk rekening gehouden te worden met de grenswaarden voor fijn stof (PM10 / PM2,5). De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Voor deze stoffen kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden uit de Wm. De stofemissies van dit plan betreffen emissies van fijn stof uit de bedrijfsgebouwen, bestaande uit huid-, mest- en voerdeeltjes die met de ventilatielucht naar buiten komen.
De emissie van fijn stof door transportbewegingen over het terrein van het plangebied is, gezien de lage snelheid van het transport (<10 km/uur) en aantal transportbewegingen verwaarloosbaar ten opzichte van de emissies uit de ventilatielucht (= continu). Voor het overige treedt er geen emissie op naar de lucht in de vorm van broeikasgassen, vluchtige organische stoffen, carcinogene stoffen, zware metalen e.d.
64
A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel
Doordat in de beoogde situatie het aantal dieren wordt uitgebreid neemt de stofemissie toe t.o.v. de vigerende situatie. Voor het plangebied is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit van de omgeving in de beoogde situatie. Een volledig schematisch overzicht van de rekenresultaten en invoergegevens voor de concentratieberekening volgens ISL3a versie 2021_1, 15 april 2021 is in bijlage 6 opgenomen. Individuele fijn stofconcentratie De stofimmissie betreft de bijdrage van fijn stof aan de omgeving van de inrichting. De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie aan de Hamelendijk van PM10 is voor het referentiejaar 2021 berekend op 18,57 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). Uit onderzoek blijkt dat de grenswaarde van 40 µg/m³ voor fijn stof als jaargemiddelde concentratie niet wordt overschreden. In de beoogde situatie bedraagt de hoogste concentratie 18,57 µg/m³ (BBK1, BBK2) en voldoet op basis van deze gegevens aan hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer. Ook aan de norm voor het aantal overschrijdingsdagen wordt ruimschoots voldaan. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 6,6 dagen (incl. zeezoutcorrectie) waar 35 dagen de norm is.
Cumulatieve fijn stofconcentratie Net als bij de cumulatieve geurbelasting kunnen de veehouderijen in de omgeving, waaronder het plangebied, tezamen een relevante bijdrage leveren aan de fijn stofverspreiding op de omgeving. Aangezien er in de beoogde situatie sprake is van een afname van de stofemissie, is een grote bijdrage aan het cumulatief effect van de fijn stofverspreiding in de omgeving niet te verwachten. De bijdrage van andere veehouderijen wordt beschouwd als aanwezig in de achtergrondconcentratie. Uit de berekening met ISL3a blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de norm voor de achtergrondconcentratie. De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM10 aan de Hamelendijk (inclusief het bedrijf aan de Hamelendijk 5) is voor het referentiejaar 2021 berekend op 18,57 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). De hoeveelheid achtergrondconcentratie als gevolg van de uitstoot van verontreinigende stoffen is onomkeerbaar. Als gevolg van de Europese regelgeving wordt de uitstoot van o.a. fijnstof beperkt. De achtergrondconcentratie neemt ieder jaar af, de luchtkwaliteit wordt beter. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
4.6
EXTERNE VEILIGHEID 4.6.1 Inleiding Onder externe veiligheid wordt verstaan het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.