CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

A. Toelichting OBP Hamelendijk 5 en 7 Reusel

Gemeenteraad 16 april 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied Hamelendijk 5-7 Reusel35.327 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

65

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

4.6.2 Risico’s Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

4.6.3 Beleid Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi), dat op 27 oktober 2004 in werking is getreden, wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna: Bevt), van 11 november 2013, waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Dit besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Reusel-De Mierden beschikt over een ‘Beleidsvisie Externe Veiligheid’.

Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Overige wet- en regelgeving In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) dient getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het

66

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz.. 4.6.4 Plangebied in relatie tot externe veiligheid Bedrijven Het plangebied (Hamelendijk 5 en 7) is op basis van de Risicokaart niet gelegen binnen een risicocontour van een risicovolle inrichting in de omgeving van het plangebied. Binnen een straal van 1 km rondom het plangebied zijn geen risicocontouren van risicovolle inrichtingen gelegen. Transport Op het grondgebied van de gemeente Reusel – De Mierde bevindt zich geen spoortracé. Vervoer over het spoor is daarmee niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N269 en N284. Deze wegen kennen geen een risicocontour in het kader van vervoer van gevaarlijke stoffen. In de omgeving bevinden zich geen buisleidingen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Beïnvloeding zal hierdoor op het plan niet plaatsvinden.

4.6.5 Hoogspanningslijnen Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen. Dit aspect is dan ook niet relevant.

4.6.6 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan. Op 17 februari 2022 heeft de gemeente dit plan voor een adviesverzoek externe veiligheid voorgelegd aan de ‘Veiligheidsregio Brabant Zuidoost’. Op basis van de uitgangspunten en ligging van het initiatief heeft de gemeente aangegeven dat het standaardadvies van toepassing is. Bij schrijven heeft de ‘Veiligheidsregio Brabant Zuidoost’ dit op 18 februari 2022 bevestigd. Dit advies is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. 4.7

BODEM In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieu hygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel wordt verwezen naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen vergaart. In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden

67

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In het activiteitenbesluit zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn (> 2 uur per dag). Plangebied en conclusie In het kader van het planvoornemen is er zowel sprake van het verleggen van de gebiedsaanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ als de feitelijke situatie rondom de reeds gerealiseerde nevenactiviteiten in beeld te brengen en waar mogelijk positief te bestemmen. De nieuwe stal, die wordt gerealiseerd tussen twee bestaande stallen, is niet bedoeld voor menselijk verblijf en hierbinnen is men minder dan 2 uur per dag aanwezig. De ruimte waarbinnen de nevenactiviteiten plaatsvinden is deels vergunning voor verleend en is reeds gerealiseerd. Een bodemonderzoek wordt voor de nieuwe stal als voor de ruimte waarbinnen de nevenactiviteiten plaatsvinden niet noodzakelijk geacht.

4.8

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.8.1 Archeologie Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. De Erfgoedwet bevat daarnaast regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Zo is het verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met archeologische waarden. Reusel-De Mierden heeft in samenwerking met de andere 4 Kempengemeenten door de SRE een erfgoedkaart en archeologisch beleidsplan op laten stellen. De regionale erfgoedkaart van de Kempen heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot, Reusel-De Mierden. De erfgoedkaart bestaat uit inventarisatiekaarten, verwachtingen- en waardenkaarten en beleidskaarten. Op 31 maart 2012 heeft de gemeente Reusel - De Mierden haar gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld in de Erfgoedverordening 2011.

Het beleid voor de gebieden met archeologische verwachtingswaarden wordt in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied opgenomen. Ter plaatse van het bestemmingsvlak/ bouwvlak Hamelendijk 5 geldt voor het grootste gedeelte categorie 4: gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige en aangetroffen vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij

68

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. Op een klein puntje van het noordelijke gedeelte van het bestemmingsvlak/ bouwvlak geldt categorie 6: gebied met een lage archeologische verwachting. Dit is een gebied of terrein dat zich bevindt in de zone waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. Een archeologisch onderzoek op deze gronden is vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakte die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld. De gronden binnen het plangebied zijn agrarisch bestemde gronden. Met dit plan worden twee stallen, met een tussenruimte van circa 16,3 meter met elkaar verbonden. Onder een gedeelte van deze tussenbouw wordt een put gerealiseerd met een putdiepte van 2,5 meter onder peil. De totale oppervlakte van de tussenbouw heeft een oppervlakte van circa 923 m², waarvan een gedeelte van circa 200 m² zonder put wordt uitgevoerd.

Opgemerkt dient te worden dat bij de realisatie van de twee bestaande stallen, waartussen de tussenbouw wordt gerealiseerd, destijds ter plaatse van de tussenbouw ook afgegraven is geweest waardoor het niet aannemelijk is dat ter plaatse archeologische vondsten worden gedaan. In de huidige situatie is ter plaatse daarnaast nog een sleufsilo aanwezig. Daarnaast wordt op de onbebouwde en onverharde gronden in het noordoostelijke gedeelte van het bestemmingsvlak/bouwvlak een nieuwe sleufsilo gerealiseerd met een totale oppervlakte van 630 m². Een gedeelte hiervan wordt gerealiseerd binnen de gronden die zijn aangewezen met een lage archeologische waarde (categorie 6) en het overige gedeelte (< 500 m²) wordt gerealiseerd op de gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4). Aangezien er binnen het gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4) op minder dan 500 m² van de gronden bodemingrepen plaatsvinden en op de gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 6) bodemingrepen plaatsvinden die < 25.000 m² wordt een archeologisch onderzoek voor dit plan niet nodig geacht.

Ondanks dat bij dit plan de oppervlaktegrens waarbij een archeologisch onderzoek wordt vereist niet wordt overschreden en daardoor op basis van het bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden is initiatiefnemer op basis van artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet bij de vondst van een voorwerp waarvan zij vermoeden dat het om een archeologische vondst gaat, verplicht dit zo spoedig mogelijk te melden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het gaat dan om een archeologische vondst die gedaan wordt bij bodemingrepen in een gebied dat door de gemeente is vrijgesteld van een archeologische onderzoek plicht. Dit betreft een toeval vondst. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor dit plan. Gezien het feit dat het totale bouwvlak bijna geheel bebouwd/ verhard is, is het niet aannemelijk dat ter plaatse nog archeologische vondsten gedaan zullen worden. Om de betreffende bebouwing te hebben kunnen realiseren zijn nagenoeg alle gronden binnen het bouwvlak in het verleden omgezet danwel geroerd. Omdat niet uit te sluiten is dat dieper in de bodem, op een diepte die met bodemingrepen in het verleden niet zijn geraakt, nog archeologische vondsten aangetroffen kunnen worden blijven ter plaatse bovengenoemde archeologische dubbelbestemmingen van kracht. Dit zodat bij een omgevingsvergunningaanvraag in de

69

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

toekomst alsnog een afweging gemaakt kan worden of ter plaatse een archeologisch onderzoek benodigd is.

4.8.2 Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of wijzigingsplan beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De cultuurhistorische waarden zijn weergegeven op de regionale erfgoedkaart en op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Prominent op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening ruimte en later in de IOV. Uit de cultuurhistorische kaarten blijkt dat er ter plaatse van het plangebied Hamelendijk 5 geen cultuurhistorische waarden zijn gelegen.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.

4.9

NATUUR Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De bedrijfsomvang in de beoogde situatie kan van invloed zijn op het milieu van de, in de nabijheid gelegen, kwetsbare natuurgebieden. Het meest nabij gelegen kwetsbare natuurgebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) betreft het zeer kwetsbare gebied gelegen op circa 425 meter ten zuiden van het plangebied op nummer 5 (zie onderstaande afbeelding). Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant.

70

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Figuur 4.2: Beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied Hamelendijk 5 (plangebied is rood omcirkeld, locatie Hamelendijk 7 is donkergeel omcirkeld).

De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat is gelegen binnen Nederland betreft het gebied ‘Kempenland-West’. Het dichtstbijzijnde punt van dit gebied is gelegen op een afstand van circa 4,7 km ten noordoosten van het plangebied op nummer 5. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant. In het kader van dit plan is sprake van de uitbreiding van een melkveehouderij, maar door de beëindiging van de varkenstak en door toepassing van emissie reducerende technieken neemt de ammoniakemissie ter plaatse (enorm) af en daarmee de stikstofdepositie op Natura 2000 – gebieden t.o.v. de referentiesituatie (vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming van 13 juni 2013). Op basis van recente jurisprudentie38 is gebleken dat in het kader van de Wet Natuurbescherming niet zomaar meer uitgegaan mag worden van de emissiefactoren die in de bijlage bij de Rav39 voor bepaalde stalsystemen zijn opgenomen. De huidige emissiefactor van het stalsysteem BWL.2010.35.V7 (RAV:A1.14) bedraagt 7 kg NH3. Vanwege de onduidelijkheden is een fictieve berekening gemaakt van een veiligheidsmarge c.q opslag van 78,5% toegevoegd aan de emissiefactor.

Daaruit volgt een (fictieve) emissiefactor van 12,5 kg NH3 per dierplaats40. Bijgevoegd is een berekening waaruit blijkt dat met een opslag van 78,5% geen toename is van stikstofdepositie. Op basis van deze berekening met een fictieve opslag van 78,5% kan op een verantwoorde wijze gesteld worden dat door toepassing van een emissiearm stalsysteem bij een gedeelte van de melkkoeien geen sprake is van een stikstofdepositietoename op een Natura 2000 gebied. Het plan draagt daarnaast bij aan de sanering van de ammoniakemissie ter plaatse van Hamelendijk 7, doordat ter plaatse de gehele veehouderij wordt gesaneerd en men op deze locatie verder gaat als (vollegronds)teeltbedrijf. Aangezien dit plan niet leidt tot een toename van de ammoniakemissie en stikstofdepositie op een Natura-2000 gebied, is in deze situatie sprake van ‘intern salderen’. Op 20 januari 2021 heeft de Raad van State in een beroepszaak geoordeeld dat met intern salderen geen significante natuureffecten optreden. Volgens de Wet natuurbescherming is hiervoor op dit moment geen vergunning nodig. 38 7 september 2022: ECLI:NL:RVS:2022:2557 en 39 Regeling ammoniak en veehouderij

Melkkoeien op het stalsysteem BWL.2010.35.V7 gerekend naar een fictieve hogere emissiefactor. 40

71

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Stikstofgebruiksbepaling In artikel 2.7, eerste lid van de Wet natuurbescherming (voorheen artikel 19j van de Natuurbescherminswet 1998) is expliciet bepaald dat een bestemmingsplan moet worden getoetst aan de gevolgen die het plan kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Een bestemmingsplan mag uitsluitend worden vastgesteld indien op voorhand de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Uit jurisprudentie blijkt dat deze zekerheid in een bestemmingsplan voor het buitengebied uitsluitend kan worden verkregen als een regeling wordt opgenomen die de toename van stikstofdepositie uitsluit. Deze toetsing mag niet naar een later stadium worden doorgeschoven en er kan niet worden volstaan met een verwijzing naar sectorale wetgeving. Een stikstofdepositieplafondregeling is op basis van de huidige inzichten noodzakelijk in het kader van de juridische houdbaarheid van het bestemmingsplan. In de planregels is daarom een stikstofdepositieplafond opgenomen. Hiervoor is een gebruiksregeling opgenomen, waarmee een toename van de ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan. Deze regeling zorgt ervoor dat voor ontwikkelingen die binnen de gebruiksregel passen (geen of nauwelijks toename van de emissie van stikstof), geen aparte procedures nodig zijn.

Voor ontwikkelingen die het verbaal geregelde stikstofdepositieplafond overschrijden, moet een aparte buitenplanse procedure worden gevolgd, waarin de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden nader beoordeeld kunnen worden. Deze stikstofregeling wordt in het bestemmingsplan opgenomen bij de gebruiksregels, immers niet het bouwen van gebouwen, maar het gebruik daarvan kan leiden tot meer stikstofemissie en daarmee depositie. Deze systematiek is expliciet toegestaan (uitspraak Delfzijl, 201307326/1/R4 en 201307331/1/R4, r.o. 30.5). Een vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming kan één-op-één worden ingepast in een bestemmingsplan. Daartoe is vereist dat in de planregels is gewaarborgd dat sprake is van één-op-één inpassing van het in de onherroepelijke vergunning vergunde gebruik, onder vermelding van bijvoorbeeld datum en kenmerk van de vergunning. Op deze wijze kan worden verzekerd dat een bestemmingsplan geen significant verstorende effecten kan veroorzaken op een betrokken Natura 2000-gebied. Wanneer een bedrijf niet beschikt over een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming dient bij de vaststelling van het bestemmingsplan als referentiesituatie te worden uitgegaan van de feitelijke planologische legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan.

De veehouderij ter plaatse van Hamelendijk 5 beschikt over een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming van 13 juni 2013 met het kenmerk C2059524/3417346. Deze vergunning wordt in de planregels zelf, danwel in een bijlage, opgenomen als vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, en daarmee 1:1 ingepast in dit bestemmingsplan. Voor Hamelendijk 7 gaat als referentiesituatie de feitelijke planologische legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan gelden. In dit bestemmingsplan luidt onder de specifieke gebruiksregels de stikstofregeling als volgt luiden:

72

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Specifieke gebruiksregels - Stikstof

‘Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken.’ Hierbij wordt het begrip toename van stikstofdepositie in de planregels van dit plan als volgt gedefinieerd: a. Er is sprake van een toename van stikstofemissie van gronden en bouwwerken wanneer de emissie N/kg/jaar* meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken; b. Indien sprake is van een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologische legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken, maar wel sprake is van een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000- gebied ten opzichte van de referentiesituatie, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie; c. Als uitzondering op lid a en b van deze bepaling geldt het volgende: Er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties: 1.

de emissie N/kg/jaar afkomstig van betreffende gronden en bouwwerken bedraagt maximaal de emissie N/kg/jaar afkomstig van de betreffende gronden en bouwwerken conform een ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan verleende en onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 en/of artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, dan wel een verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 of met toepassing van de overeenkomstige regeling uit de Wet natuurbescherming dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. *wanneer in deze regels ‘emissie N/kg/jaar’ wordt gebruikt, word de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter ‘N’ bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOX. In Nederland wordt momenteel het rekeninstrument AERIUS Calculator gebruikt om stikstofneerslag te berekenen voor toestemmingsverlening. In AERIUS kunnen alle bronnen die stikstof uitstoten worden ingevoerd. De bekende bronnen zijn verkeer, veehouderijen en industrie. Dit model wordt jaarlijks door het RIVM geactualiseerd om actuele inzichten en gegevens in het rekeninstrument op te nemen.

Een actualisatie kan tot gevolg hebben dat de stikstofdepositie die met het huidige rekenmodel op enig punt in Natura 2000 – gebieden wordt berekend, met dezelfde ingevoerde brongegevens, tot andere resultaten leidt. Maar ook emissiewaardes van stalsystemen kunnen in de loop van de tijd gewijzigd worden, wat kan leiden tot andere depositiewaardes. Om deze redenen is het niet mogelijk om in een bestemmingsplan strak de stikstofdepositiewaarden op enig punt op een Natura 2000-gebied vast te leggen. Vandaar dat in het kader van dit bestemmingsplan gekozen wordt voor de hierboven beschreven toegestane methode bij planologische situaties. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het

73

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Dit plan strekt zich tot de herbegrenzing van de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’, zodat deze aanduiding de bouwmogelijkheden binnen het vigerende bestemmingsvlak/bouwvlak niet meer belemmerd. De aaneenschakeling van de stallen gebeurt op grond binnen het bestemmingsvlak/bouwvlak die nu verhard is. De nieuwe sleufsilo wordt ook op gronden gerealiseerd binnen het vigerende bestemmingsvlak/bouwvlak. Ter plaatse is daarmee geen sprake van de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten, waardoor dit plan schadelijke effecten veroorzaakt. Een onderzoek naar beschermde soorten is in dit geval daarom ook niet nodig.

4.10

WATER 4.10.1 Inleiding Bij een planologische procedure dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod:  Beschrijving waterrelevant beleid;  Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie;  Hydrologisch neutraal bouwen;  Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater;  Afvalwater. 4.10.2 Waterrelevant beleid Het plangebied is gelegen binnen waterschapsgebied ‘De Dommel’. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Keur Waterschap De Dommel 2015” van toepassing.

De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Figuur 4.3 geeft een beeld van de ligging van het plangebied op de keurkaart beschermingsgebieden van de ‘Keur 2015’. Hieruit blijkt dat beide plangebieden zijn gelegen in het grondwaterdeelgebied: ‘Westelijke zandgronden’. Op circa 200 meter ten oosten van Hamelendijk 5 ligt een A-watergang41 in de vorm van een sloot die afwatert in oostelijke richting. Ten zuiden en ten oosten van de plangebieden (Hamelendijk 5 en 7) liggen beschermde gebieden voor de waterhuishouding. Het bouwvlak ter plaatse van 41 A-wateren zijn de belangrijkste wateren met een afvoer van 30 liter per seconde of met

een bijzondere functie.

74

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Hamelendijk 5 wordt verder aan de noord-, oost- en zuidzijde begrensd door een Bwatergang42. Deze watert af richting de hierboven genoemde A-watergang.

Hamelendijk 5

Hamelendijk 7

Figuur 4.3: Ligging plangebieden Hamelendijk 5 en 7 op de kaart beschermde gebieden

Waterbeheerprogramma 2022-2027 – Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Vanaf 1 januari 2022 geldt het nieuwe Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) van waterschap De Dommel. Dit vervangt het waterbeheerplan 2016-2021. Met het nieuwe WBP wil het waterschap de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuzeen afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.

De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

42 B-wateren zijn de minder belangrijke wateren met een afvoer van tussen de 10 – 30 liter

per seconde.

75

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:  Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt;  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan;  Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:  van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.  van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.  van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) De gemeente heeft een VGRP (verbreed gemeentelijk rioleringsplan) opgesteld voor de periode 2017-2021. Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel, en grondwater.

Voor de periode 2017-2021 zijn vijf specifieke ambities geformuleerd. De ambities en de inhoud van het voorgestelde uitvoeringsniveau zijn:  Verbeteren personele capaciteit Uitbreiden vaste formatie voor een stabielere organisatie. Opbouw gebieds- en systeemkennis in eigen organisatie. Daarnaast ook uitbreiding door structurele inhuur.  Professionaliseren beheer en onderhoud Vervolgacties in omslag naar risicogestuurd, gedifferentieerd beheer. Differentiatie op basis van onderzoek, praktijkervaringen en expert judgement (“vakmanschap”). Uniforme beheersystemen. Beheerprogramma‟s.  Anticiperen op klimaatverandering Focus op de openbare ruimte (bovengrondse inrichting) en meeliften met reconstructies. Robuuste waterstructuren. Combineren „groene‟ en „blauwe‟

76

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

voorzieningen. Proactief betrekken van perceelseigenaar. Communicatie- en calamiteitenplan. Kwetsbare locaties versneld aanpakken. Optimaliseren drukriolering Opsporen foutaansluitingen. Communicatietraject gericht op vrijwillig verwijderen regenwaterlozingen op drukriolering. Onderzoek naar (juridische) handhavingsmogelijkheden. Betaalbare gemeentelijke watertaken Voortzetten huidige financieringswijze. Door onderzoek restlevensduur gematigder investeringspatroon. Mogelijkheden voor latere overstap naar „sparen-vooraf‟ systematiek openhouden en op termijn onderzoeken.

4.10.3 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie Op basis van de kaarten in de provinciale kaartenbank is de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) gelegen tussen de 40-120 cm beneden maaiveld en een Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) van 180-meer dan 250 cm beneden maaiveld. De bodem ter plaatse bestaat uit zandgronden; voedselarm en vochtig tot droog. Op basis van de kaarten van het waterschap heeft het plangebied op een deel van de gronden een geschatte GHG van 60-80 cm onder maaiveld en op een ander gedeelte van 80-100 cm onder maaiveld.

4.10.4 Hydrologisch neutraal bouwen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze beleidsuitgangspunten zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De drie waterschappen onderscheiden bij een toename van het verhard oppervlak grote en kleine plannen. Hierbij hanteren zij een grenswaarde van 500 m²43. Bij een toename van het verhard oppervlak beneden deze grenswaarde vinden de drie waterschappen het verantwoord om geen compensatie te eisen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in plannen met een toename van het verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Op basis van artikel 15 van de “Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015” geldt voor een ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte tussen 500 m2 en 10.000 m2 een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. De vrijstelling geldt alleen als compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel:

43 Sinds 27 maart 2021

77

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

benodigde compensatie (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De watercompensatie moet op basis van de keur voldoen aan de volgende eisen:  De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG);  De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;  Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Hamelendijk 5 Het hemelwater afkomstig van het bestaand verhard oppervlak ter plaatse wordt afgevoerd op de omliggende waterbergende sloten, zie figuur 4.4. Deze sloten staan volgens initiatiefnemer normaal gesproken leeg. De gewenste ontwikkeling aan de Hamelendijk 5 voorziet in de toename van verhard oppervlak van 630 m² (nieuwe sleufsilo achterzijde bouwvlak). Om ter plaatse te kunnen voldoen in voldoende compenserende waterberging voor deze toename van het verhard oppervlak is initiatiefnemer voornemens de waterbergende B-watergang ten oosten van de nieuwe sleufsilo/ het bedrijf aan beide zijden af te dammen en als zaksloot te laten fungeren. Deze sloot wordt vervolgens in noord-oostelijke richting verbreed om in het extra waterbergend vermogen te kunnen voorzien. Om dit te kunnen realiseren is een watervergunning nodig. Op basis van de kaarten van het waterschap betreft de gevoeligheidsfactor ter plaatse 0,5. Conform de rekenregel dient 19 m³ water gecompenseerd te worden (630 m² * 0,5 * 0,06). De GHG ter plaatse van het te compenseren waterbergend vermogen is gelegen op 80-100 cm onder maaiveld. Uitgaande van een maximale diepte van 80 cm onder maaiveld dient de sloot met ruim 25 m² verbreed te worden44.

Via vloergoten wordt het schone hemelwater wat op de nieuwe verharding (sleufsilo) valt richting deze zaksloot afgevoerd, van waaruit het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Om te voorkomen dat bij extreme weersomstandigheden wateroverlast optreed wordt vanuit de zaksloot een vertraagde afvoer gerealiseerd naar de noordelijk gelegen sloot. Hiervoor wordt vrij hoog in de zaksloot een aflopend buisje richting de noordelijke watergang gelegd. Dit zodat enkel afvoer plaatsvindt op het moment dat de zaksloot vol dreigt te komen staan.

44 Nog geen rekening gehouden met taludvorming.

78

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Globale situering nieuwe sleufsilo

Figuur 4.4: Ligging plangebied Hamelendijk 5 op de ‘Vastgelegde Legger Waterstaatwerken 2021 Waterschap De Dommel’.

4.10.5 Kwaliteit van te lozen en te infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen, zoals kunststoffen, gecoat staal, gecoat zink of aluminium (in plaats van lood, asfalt, et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen, zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen, mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

4.10.6 Afvalwater en schoon hemelwater In de bestaande en beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Het overige bedrijfsafvalwater wordt opgevangen in de putten en percolaatputten en volgens de meststoffenwet uitgereden. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden, zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is, schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.11

VOLKSGEZONDHEID Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt gezondheid een centrale rol. Om een gezonde leefomgeving te creëren (en te behouden) zijn tal van wetgevingen geïntroduceerd. Een groot deel van de voorgaande paragrafen bevat een toets aan wetgeving. Deze wetgeving heeft één centrale doelstelling: het stellen van regels inzake het voorkomen of beperken

79

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

van negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dit aspect meegewogen te worden. Momenteel speelt het aspect gezondheid en veehouderij een belangrijke maatschappelijke en politieke rol. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Het aspect endotoxinen is tot op heden nog onvoldoende wetenschappelijk onderzocht waardoor nog geen wettelijke normen zijn gesteld. Wetenschappelijke onderzoek is momenteel echter in een dusdanig ver stadium dat de relatie tussen endotoxinen en de gezondheid van omwonenden bij ruimtelijke ontwikkelingen in de veehouderij niet meer genegeerd kunnen worden. In het kader van het ‘voorzorgsbeginsel’ hanteren Brabantse gemeenten (en omgevingsdiensten) vooruitlopend op wettelijke normen de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 van het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid’ van de provincie Noord-Brabant. Dit document biedt een kader dat gehanteerd kan worden om te beoordelen of bij vergunningen van intensieve veehouderijen rekening gehouden dient te worden met de blootstelling aan endotoxine concentraties die boven de grenswaarde uitstijgen. De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland.

Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Endotoxinen zijn celwandbestanddelen van Gramnegatieve bacteriën; deze kunnen allergische reacties veroorzaken bij inademing. Door de Gezondheidsraad is een norm gesteld aan de maximale endotoxine concentraties in de buitenlucht van 30 EU/m³. Met dit plan wordt binnen het plangebied op nummer 5 definitief afscheid genomen van de vergunde varkens en wordt een bestaande melkveehouderij uitgebreid. Op nummer 7 wordt de veehouderij definitief beëindigd. Het endotoxinen toetsingskader is niet toepasbaar voor deze categorie bedrijven. Als gevolg van dit plan neemt de uitstoot van fijnstof flink af45. Uit paragraaf 4.5 blijkt dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen die gesteld worden aan de luchtkwaliteit. Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Daarnaast ziet dit plan niet toe op de realisatie van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarom ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met deze ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt, waardoor het voor dit project niet relevant is of binnen een straal van 2 km geitenbedrijven zijn gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. In de handreiking worden diverse aspecten meegenomen in de afweging die reeds aan bod zijn gekomen in voorliggende toelichting. In de voorgaande paragrafen is beschreven dat voor wat betreft de aspecten geur, fijn stof en geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de handreiking is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit initiatief is getoetst aan het stappenplan. In bijlage 9 is het uitgewerkte stappenplan opgenomen. Omdat voldaan wordt aan de wettelijke afstanden en normen en 45 Ter plaatse van Hamelendijk 5 is sprake van een afname van ruim 59,4% en ter plaatse

van Hamelendijk 7 van 100% afkomstig van de veehouderij.

80

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

er sprake is van een goed woon- en leefklimaat kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbare situatie. Een verder advies van de GGD wordt gezien de situatie niet noodzakelijk geacht. De gemeente heeft besloten geen advies aan de GGD op te vragen, aangezien sprake is van een ontwikkeling waarbij aan de normen uit de Wet milieubeheer en Interim omgevingsverordening wordt voldaan. Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt hiermee geen belemmering voor dit initiatief Conclusie Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor dit plan.

81

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANOPZET

5 1 Juridische Planopzet 5.1

INLEIDING Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels met daarbij een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld. met dit plan wordt aangesloten bij de systematiek die de gemeente Reusel -de Mierden hanteert bij de integrale herziening 2021.

5.2

ALGEMENE SYSTEMATIEK Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen.

82

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie. Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Afwijken van de bouwregels: Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan.

De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Specifieke gebruiksregels: in deze bepaling is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Afwijken van de gebruiksregels: Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde vormen van gebruik, die conform de bestemmingsomschrijving niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

Algemene aanduidingsregels: in deze bepaling zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Algemene afwijkingsregels: in deze bepaling is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

83

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Overige regels: in deze bepaling zijn de regels rondom een melding opgenomen als regels rondom parkeren en laden en lossen en de voorrangsregeling. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen: Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat Het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik. Slotregel: deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3

SYSTEMATIEK BESTEMMINGSPLAN ‘BUITENGEBIED HAMELENDIJK 5 EN 7 REUSEL’ De regels van dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op het voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2021’.

84

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6 1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Grondexploitatiewet Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is tevens de Grondexploitatiewet in werking getreden. De Grondexploitatiewet is van toepassing als een bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch faciliteren van een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) dient de gemeenteraad bij een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Het doel van een exploitatieplan is om bijkomende kosten te verhalen op ontwikkelaars in het plangebied. Op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan in bepaalde omstandigheden besluiten geen exploitatieplan vast te stellen. Een van die omstandigheden is indien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is een particulier initiatief. Met de initiatiefnemer / ontwikkelende partij is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten, waarin het kostenverhaal is vastgelegd. Het plan wordt gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

85

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

HOOFDSTUK 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

7 1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1

ALGEMEEN Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden.

7.2

VOOROVERLEG In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft vooroverleg plaatsgevonden met de volgende personen en/of instanties: 1. Provincie Noord-Brabant; 2. Waterschap De Dommel; 3. Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. 1. Provincie Noord-Brabant Met de brief van 14 juli 2023 heeft de provincie een vooroverlegreactie naar de gemeente gestuurd. Deze reactie is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. Deze omvat enkele opmerkingen die hieronder kort zijn behandeld. a. Herbegrenzing Beperkingen veehouderij De gemeente is zich er bewust van dat zij in het kader van herbegrenzing een verzoek in moeten dienen bij GS. Dit verzoek ligt samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage. b. Hamelendijk 5 – landschappelijk inpassingsplan De provincie merkt op dat in de planregeling een voorwaardelijke bepaling is opgenomen voor de realisatie van de landschappelijke inpassing. Het landschappelijk inpassingsplan mist de provincie. Deze was bij het vooroverleg mee gestuurd. De provincie heeft deze over het hoofd gezien. Om duidelijkheid te scheppen is het landschappelijk inpassingsplan apart als bijlage toegevoegd aan het plan. Eerder was dit één bijlage met de milieutekening en parkeertekening. c.

86

Hamelendijk 5 – fictieve ammoniakemissiefactor voldoet niet aan provinciaal toegestane stalsysteem De provincie geeft als opmerking dat in de Aerius berekening waarbij met een (fictieve) emissiefactor van 12,5 kg NH3 is gerekend, zie paragraaf 4.9 ‘natuur’, niet voldaan wordt aan de uitgangspunten van de IOV. Dat is juist en daar is ondernemer bewust van. In paragraaf 4.9 staat dat in het kader van de Wet Natuurbescherming en vanwege de onduidelijkheden over bepaalde stalsystemen gerekend is met een fictieve berekening met een veiligheidsmarge. Hiermee is aantoonbaar gemaakt dat met dit plan een stikstofdepositietoename op een Natura 2000 gebied uitgesloten is. Hier staat niet dat met toepassing van deze veiligheidsmarge voldaan wordt aan de uitgangspunten van de IOV.

A. Toelichting Bestemmingsplan Hamelendijk 5 en 7 te Reusel

Op basis van de IOV dient een systeem gekozen te worden dat op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) een bepaalde reductie haalt. Het gekozen stalsysteem heeft op grond van de Rav een emissiefactor van 7 kg NH3 per jaar en voldoet daarmee aan de reductie die is voorgeschreven in de IOV. Hiervan is in de bijlage ook een Aerius berekening toegevoegd. Het gebruik van de Rav-emissiefactoren is een voorgeschreven verplichting in de IOV net zoals in het Besluit emissiearme huisvesting (Beh). Ondernemer is zich bewust dat wanneer het gekozen stalsysteem niet de voorgeschreven reductie blijkt te halen voor een stalsysteem gekozen moet worden die wel voldoet aan de voorgeschreven reductie. Gemeente besluit op basis van wat nu in de IOV staat. De IOV staat het gekozen stalsysteem nu toe. Op basis daarvan werkt de gemeente mee aan dit plan. d. Hamelendijk 7 – principe zorgvuldig ruimtegebruik De provincie is er eerder vanuit gegaan dat het bouwperceel verkleind zou worden en de omvang van de bebouwing permanent zou afnemen. In het kader van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik vragen zij te verantwoorden dat de bebouwing en omvang van het bouwvlak noodzakelijk is voor de nieuwe functie (vollegronds)teeltbedrijf. In paragraaf 2.3.3 van deze toelichting staat beschreven dat dit plan voldoet aan de criteria van zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor een gemiddeld (vollegronds)teeltbedrijf (akkerbouwbedrijf) is een bouwvlak van 1,46 ha (minimaal) nodig en daarmee reëel van omvang. Bij dit soort bedrijven is behoefte aan een ruim bouwvlak. Dit om de benodigde voorzieningen en manoeuvreerruimte te realiseren. Het verkleinen van het bouwperceel staat de ontwikkeling van een (vollegronds)teeltbedrijf op de locatie in de weg en daarmee een verdere toekomstige extensivering van de melkveehouderij op nummer 5. e. Planregeling De planregeling in het voorontwerp bevat de mogelijkheid om functies via vergunningverlening toe te staan. Dit zijn onder andere niet-agrarische activiteiten. Provincie merkt op dat zij voorwaarden stellen aan de vestiging van niet-agrarische activiteiten. Deze voorwaarden missen zij in de planregeling. Hierdoor is de planregeling in strijd met het provinciale beleid. De betreffende regeling is niet nodig voor dit plan en is uit de planregels gehaald.

2. Waterschap De Dommel Op 10 februari 2022 heeft de gemeente dit plan voor vooroverleg voorgelegd aan het waterschap. Bij schrijven van d.d. 7 maart 2022 heeft het waterschap hun advies uitgebracht, waarbij men een reactie geeft op het plan Hamelendijk 5. Deze vooroverlegreactie is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. N.a.v. deze vooroverlegreactie is contact geweest met het waterschap en is de waterparagraaf aangepast. 3. Veiligheidsregio Brabant Zuidoost Op 17 februari 2022 heeft de gemeente dit plan voor een adviesverzoek externe veiligheid voorgelegd aan de ‘Veiligheidsregio Brabant Zuidoost’. Op basis van de uitgangspunten en ligging van het initiatief heeft de gemeente aangegeven dat het standaardadvies van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=fe623ddd-1583-4696-a0ab-70e314b7d8db