CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.19578] Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37-39 (23-09-2025)

Gemeenteraad 11 november 2025, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van de varkenshouderij naar een woningbouwlocatie aan de Zeegstraat 37-39 in Reusel.22.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

Plannen die de ontwikkeling van sociale woningbouw beogen (sociale huur en/of sociale koop) krijgen de voorkeur boven andere plannen.

Op 9 maart 2023 is de regionale woondeal ondertekend tussen 21 gemeentes in de regio zuidoost Brabant, de provincie Noord-Brabant en het Rijk. Hierin is onder meer geschreven dat wordt gestreefd om twee derde van bouwplannen betaalbaar te realiseren. Het beleid van de woondeal wordt gevolgd in deze ontwikkeling. 3.3.3.2

Toets

Deze ontwikkeling is een combinatie van sanering van een varkenshouderij en woningbouwontwikkeling. Bij wordt gedragen aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en er wordt voorzien in een passend woningaanbod met starters woningen en woningen voor doorstromers Hierbij worden 4 sociale huurwo­ ningen, 4 betaalbare woningen en 4 vrije sectorwoningen opgericht. Twee van de woningen worden in levensloopbestendige bouwvorm toegevoegd (1 vrije sector woning en 1 sociale huurwoning). Daar­ naast wordt de bestaande vrije sector woning gesplitst naar twee wooneenheden. Bij de bouw wordt rekening gehouden met de aspecten duurzaamheid en energieopwekkende voorzieningen.

Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

3.3.4 Omgevingsvisie Op 22 mei 2018 is de ‘Omgevingsvisie’ door de gemeenteraad vastgesteld. De ‘Omgevingsvisie’ bor­ duurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Gezamenlijk, grenzeloos en groen is en blijft het uitgangspunt. De ‘Omgevingsvisie’ geeft verder richting aan de ingezette koers, in ruimtelijke zin en schetst een panorama voor de toekomst. Op 28 mei 2019 heeft de gemeenteraad een addendum op de Omgevingsvisie vastgesteld. Het is een aanvulling op het oorspronkelijke document en daarmee een volwaardig onderdeel van de Omgevings­ visie. In het addendum wordt beschreven hoe we als gemeente om willen gaan met een gebiedsfonds en landschapsfonds. Ook wordt aangegeven wat de bestedingsdoelen zijn van deze fondsen. De ‘Omgevingsvisie’ bevat een kwaliteitenkaart, een knelpuntenkaart, een visiekaart en een strategiekaart: -

Kwaliteitenkaart: Op de kwaliteitenkaart is het besluitgebied aangewezen als gelegen in een ‘Oud agrarisch cultuur­ landschap met afwisselend open kamers, laanbeplanting, houtwallen, bosrestanten en linten’.

-

Knelpuntenkaart: Op de knelpuntenkaart is het besluitgebied gelegen in een gebied met de ‘aanwezigheid van een groot aantal agrarische bedrijfslocaties in het landschap’ in een ‘matige herkenbaarheid (verschil­ len tussen) landschapstypen’. Ook is aangeduid dat het ‘dorp afgekeerd van het landschap’ ligt, gecombineerd met ‘onderbenutte ecologische, recreatieve en waterhuishoudkundige potentie beekdalen’.

-

Visiekaart: Op de visiekaart is het besluitgebied aangewezen als gelegen in ‘buurtschappen als drager van transformaties in de intensieve veehouderij’ in combinatie met ‘beekdalontwikkeling’. In de visie op het grondgebied van de gemeente Reusel-De Mierden is aangegeven dat binnen de oude agrarische cultuurlandschappen het accent ligt op een aantrekkelijk woon-, werk en recreatiemilieu en het versterken van de relatie met de kernen. Vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (VAB) in deze zone wordt omgezet (via sloop en nieuwbouw) naar nieuwe erven voor wonen, wer­ ken en recreatie. De buurtschappen bieden ontwikkelingskansen, mits de ontwikkeling samen gaat met een robuuste landschappelijke kwaliteitsimpuls. Vrijkomende agrarische bebouwing kan juist in deze buurtschap­ pen worden getransformeerd met een passende schaal die naadloos aansluit op het buurtschap. Dat betekent een erfgewijze of gebiedsgewijze herontwikkeling met ruimte voor kleinschalige func­ ties van wonen, werken, zorg, recreatie en cultuur. De herontwikkelingen bieden tevens aankno­ pingspunten voor samenhangende landschappelijke ingrepen in bomenlanen, houtwallen etc.

-

Strategiekaart: Op de strategiekaart is het besluitgebied aangewezen als gelegen binnen een gebied met het ‘pri­ maat landschap’. De strategie binnen dit gebied is het versterken van het Kempisch karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin met een korrelgrootte van de bebouwing en kleinschalige

Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

functies die passen bij de fysieke onderlegger en stimuleren van een gezonde leefomgeving met ruimte voor groen en ontmoeting. Deze strategie geldt voor de agrarische cultuurlandschappen die nu te veel te lijden hebben onder de schaalvergroting en de intensivering van de landbouw, de bedrijventerreinen bij Hooge en Lage Mierde, de openbare ruimte in de centra van Reusel, Hooge en Lage Mierde en Hulsel. De totale visie zoals opgenomen in de ‘Omgevingsvisie’ is samen te vatten in 10 keuzes. Eén van deze keuzes is dat de gemeente Reusel-De Mierden geen nieuwe uitbreidingslocaties voor wonen en werken aanwijst, maar gebruik maakt van al in gang gezette uitbreidingslocaties en van herontwikkeling van vrijkomende of leegstaande (inbreidings-)locaties, van buurtschappen en linten en van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Een andere keuze is dat de gemeente Reusel-De Mierden initiatieven die passen binnen de strategieën welwillend behandelt, vooral toekomstbestendige oplossingen voor locaties die nu een knelpunt vormen of die in de nabije toekomst een knelpunt gaan vormen voor de volksgezondheid. De beoogde herontwikkeling voorziet in het omzetten van een varkenshouderij naar een woongebied in de overgangszone van stedelijk gebied naar het beekdal van de Reusel. Er is sprake van een duurzame herontwikkeling waarbij het besluitgebied landschappelijk wordt ingepast.

Ten behoeve van de herontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een thans agrarische locatie voor de intensieve veehouderij nabij de kern van Reusel, waarbij de overtollige bebouwing wordt gesloopt. De ontwikkeling heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse (door sanering van de varkenshouderij) en het landschap (door de sloop van stallen en de landschappelijke inpassing). De beoogde ontwikkeling geeft om bo­ vengenoemde motivering invulling aan de gemeentelijk visie ter plaatse van het besluitgebied zoals opgenomen in de ‘Omgevingsvisie’.

Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

4. ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 4.1 Bodemkwaliteit 4.1.1

Wettelijk kader

Het aspect bodemkwaliteit maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Als uitgangs­ punt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het besluitgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

4.1.2

Toets

Op het perceel is een bodemonderzoek uitgevoerd. De bodemkwaliteit vormt geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling. Navolgend wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven. Aanvullend bodem- en asbestonderzoek, Zeegstraat 37/39 te Reusel Rapport: 2203475 versie 1, 26 februari 2025 In opdracht van Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen B. V. is door Silt Milieu B. V. een aanvullend bodem­ en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel gelegen aan de Zeegstraat 37/39 te Reusel, gemeente Reusel - De Mierden. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). Het eerder uitgevoerde onderzoek is door het bevoegd gezag beoordeeld. Er dient aanvullende informatie aangeleverd te worden, waarbij de volgende vragen minimaal beantwoord dienen te worden: ^

het bodemonderzoek omvat de ontwikkelingslocatie slechts ten dele. Het overige plangebied dient nog aanvullend te worden onderzocht;

^

er dient nader onderbouwd te worden dat het dak op de zuidelijke schuur niet asbest-verdacht zou zijn. Uit onze database en de luchtfoto’s wordt namelijk opgemaakt dat dit wel asbesthou­ dend is;

•

in het grondwater zijn vluchtige organische parameters aangetoond (naftaleen, benzeen,

Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

tetrachlooretheen). Het grondwater uit deze peilbuizen dient hierop opnieuw geanalyseerd te worden om deze verhogingen te verifiëren. Het doel van onderhavig onderzoek is het eerder uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek aan te vullen daar waar nodig. Conclusies De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,2 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is gebleken dat de eerder geplaatste peilbuizen (2023) niet meer aanwezig waren. De peilbuizen PB01 en PB02 zijn herplaatst. Voor het overige is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Grond De onderzochte grondmengmonsters van de boven- en ondergrond voldoen allen aan de interventiewaarde. De kwaliteitsklasse betreft landbouw/natuur. In de grondmengmonsters onderzocht op de parameter PCB is analytisch geen verhoogd gehalte met PCB aangetoond. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB101 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan koper, zink en xylenen aangetoond.

Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. In het grondwater uit peilbuis PB102 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium, zink en xylenen aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Tijdens het onderzoek in 2023 is in het grondwater uit peilbuis PB01 een sterk verhoogde concentratie nikkel aangetoond. In onderhavig onderzoek is geen sterk verhoogde concentratie nikkel aangetoond. De eerder aangetoonde licht verhoogde concentraties benzeen, naftaleen en worden middels deze bemonstering niet bevestigd. In beide peilbuizen wordt in onderhavig onderzoek een licht verhoogde concentratie xylenen aangetoond. Asbest in grond In de grond(meng)monsters MM01 asbest en G101 asbest is geen verhoogd gehalte asbest aangetoond. De gemeten gehalten blijven beneden de detectiegrens.

Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde.

Resumé en aanbevelingen Middels voorgaand en onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Op basis van de bevindingen zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. Wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). De bodemkwaliteit vormt geen bezwaar.

4.2 Water 4.2.1 4.2.1.1

Wettelijk kader Inleiding

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van een plan voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het besluitgebied is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel. 4.2.1.2

Nationaal Water Programma 2022-2027

In Nederland zijn er grote opgaven voor het waterdomein. Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstro­ mingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ont­ wikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswa­ teren. Dit plan wordt door de waterschappen op gebiedsniveau vormgegeven. 4.2.1.3 Waterschapsverordening De Dommel Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap De Dommel een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die acti­ viteiten doen bij beken, sloten en gemalen.

Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvou­ digen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn. Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer Gelet op de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers: -

Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.

-

Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.

-

Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstem­

-

Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren,

ming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem. bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill be­ leid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden. Het besluitgebied is niet aangewezen als beschermd gebied. Ten zuiden van het besluitgebied is een A-watergang gelegen. Tevens is het besluitgebied gedeeltelijk gelegen binnen een waterbergingsgebied. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een bergingsgebied het maaiveld te verhogen, een waterkerende constructie aan te brengen, te wijzigen of te verwijderen of een bouwwerk aan te brengen of te wijzigen. 4.2.1.4 Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuur­ lijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: -

van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flan­ ken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;

-

van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt

-

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebrui­

over meerdere opgaven in een gebied; ken en slimmer sturen.

Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

4.2.1.5 Programma Water en Riolering Reusel-De Mierden, 2024 - 2028 In het Programma Water en Riolering (PWR) voor de periode 2024 - 2028 legt de gemeente de ambities en doelen voor ons watersysteem vast en geven we invulling aan onze watertaken en zorgplichten. “Kwaliteit op orde” is de ambitie van het PWR. Kwaliteit op orde betekent dat ons water- en riolerings­ systeem in goede staat, betrouwbaar en veilig is. Daarnaast betekent kwaliteit op orde ook dat we ons bezig houden met de toekomst: onze ambitie is een toekomstgerichte en klimaatrobuuste inrichting van de gemeente waarin ruimte is voor water. Voor wat betreft de besluitlocatie is het van belang dat: - Er geen vuilwater op het hemelwatersysteem wordt geloosd. - Er geen hemelwater op de mechanische riolering (zowel druk- als vacuümriolering) wordt ge­ loosd. - Particulieren verantwoordelijk zijn voor het inzamelen en verwerken van regenwater dat op hun terrein valt. - Voor de inzameling van hemelwater van particulieren wanneer zij het hemelwater niet op ei­ gen terrein kunnen verwerken (bergen en infiltreren) of kunnen afvoeren naar oppervlaktewa­ ter, kan de gemeente mede zorg dragen hiervoor. Bij het verwerken van hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde voor het verwerken van he­ melwater gehanteerd: vasthouden, bergen, vertraagd afvoeren. De voorkeur gaat uit naar bovengrondse berging.

Alleen als dat (onderbouwd) niet mogelijk is, mag ondergrondse berging worden toegepast. Bij nieuwbouw verplichten de gemeente het verwerken van hemelwater op eigen terrein: - Nieuwbouw percelen ^00 m2 geldt een bergingseis van 40 mm; - Nieuwbouw percelen ^00 m2 geldt de Keur van het waterschap; - Gesloopt oppervlak geldt niet als compensatie; - Indien de initiatiefnemer kan aantonen dat het niet doelmatig is om berging aan te leggen, dan is maatwerk mogelijk - Vergunningsvrije nieuwbouw is vrijgesteld van de bergingseis Waar noodzakelijk differentiëren we per gebied.

4.2.2 4.2.2.1

Toets Waterschapsverordening

Ten westen van het besluitgebied ligt de Reusel. Dat betreft een A-watergang. Het saneren van het agrarisch bedrijf heeft een louter positieve uitwerking ten aanzien van de Reusel. 4.2.2.2

Beleid hemelwaterzorgplicht en regels watertoetsproces

Binnen het besluitgebied is sprake van een afname van verhard oppervlak. Per saldo vindt een forse afname van verhard oppervlak plaats à circa 1.450 m2. Deze wijziging heeft geen negatieve gevolgen voor de omgang met hemelwater binnen het besluitgebied. 4.2.2.3

Wateraspecten binnen het besluitgebied

Uit de bodemkaart blijkt dat het besluitgebied is gelegen in Lage enkeerdgronden; lemig fijn zand (EZg23). Binnen het besluitgebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De Gemiddelde Hoogste

Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

Grondwaterstand (GHG) ter plaatse van het besluitgebied bedraagt 60-110 centimeter beneden maai­ veld. Op navolgende figuur is dit zichtbaar. Alleen de westelijke zijde is duidelijk afleesbaar. De gronden zijn geschikt voor infiltratie van hemelwater. Ter plaatse van de bouwlocatie ligt de GHG dieper dan 70 centimeter beneden het maaiveld. Het besluitgebied wordt nog nader opgehoogd.

Besluitgebied

Figuur 17: Kaart met GHG binnen het besluitgebied

4.2.2.4

Hoogte perceel

De besluitlocatie ligt ingeklemd tussen de bebouwde kern en de beek de Reusel. De locatie waar de nieuwe woningen worden gerealiseerd ligt flink hoger dan de overige delen van het perceel, zeker direct zuid en direct west van de geplande woningen liggen de gronden significant lager. Door deze hogere ligging wordt op deze locatie geen directe wateroverlast verwacht. Het hogere deel van het perceel helt wel af richting het dal van de Reusel. De meest westelijk gelegen woning ligt op het laagstgelegen deel. Een voldoende hoog bouwpeil wordt hier voor geadviseerd. Het bouwpeil is uitgewerkt op de verklaring van het hemelwater en de berging daarvan welke als bijlage is opgenomen. 4.2.2.5

Verhard oppervlak

Het verhard oppervlak bedroeg voor de agrarische bedrijfsvoering meer dan 4.000 m2 aan stallen en erfverhardingen. In de nieuwe situatie bedraagt het verhard oppervlak circa 3.200 m2. Per saldo is sprake van een afname van 800 m2. 4.2.2.6

Omgang met hemelwater

Het verhard oppervlak zal significant afnemen. Het nieuwe bouwplan voorziet in een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2. Hemelwater dient op eigen terrein te worden geïnfiltreerd. Zorggedragen dient te worden voor (0,04 m3 per m1 verhard oppervlak) Een versnelde afvoer naar de b-watergangen is niet toegestaan. Gelet op de relatief hoge grondwaterstanden ligt een bovengrondse waterbergingsvoorziening het meest voor de hand. Het hemelwater zal via goten en kolken worden getransporteerd richting een wadi. De wadi kent een capaciteit van 128 m3. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.

Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

Figuur 18: Waterberging

Nieuwe situatie

Oppervlakte m2

Percentage Bergingseis Bergingsopgave mm verhard m3

Daken

807

10096

40

32

Tuinen

1195

7096

40

33

Groenverharding

380

5096

40

8

Wegen

981

10096

40

39

Tuin groot perceel

1280

3096

40

Totalen

4643

Berging

Oppervlakte Hoogte/lengte

Wadi 1

15 127

m2

ml

510

0,25

ínhoud m3/!

Totale berging

Nieuw m3 128 128

Figuur 19: Verhard oppervlak nieuwe situatie

4.2.2.7 Afvalwater en riolering Ten behoeve van deze ontwikkeling is een extra aansluiting nodig op de riolering. Initiatiefnemer zal hiertoe afspraken maken met de gemeente. Rekening moet worden gehouden met de toename van afvalwater van 12 extra huishoudens. Het schone hemelwater mag niet worden aangesloten op het riool. Een definitieve uitwerking van het rioolsysteem wordt ingesloten bij de bouwaanvraag.

4.3

Cultureel erfgoed

4.3.1

Wettelijk kader

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monu­ menten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevings­ plan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erf­ goed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hier­ voor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: -

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

-

verplaatsing van beschermde monumenten;

-

gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

-

aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

-

aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;

-

conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

4.3.2

Archeologie

4.3.2.1 Algemeen De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een regionale erfgoedkaart op laten stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten en de beleidskaarten. 4.3.2.2

Besluitgebied

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de beleidskaart ter hoogte van het besluitgebied. Archeologische verwachtingen- en waardenkaart

Moge lijke verstoringen

Esdekken

Archeologische verwachtingen Verwachting Wette lijk beschermd monument Archeologisch waardevol gebied Historische kern Hoge verwachting Middelhoge verwachting

Verstoord Water

Figuur 20: Uitsnede Archeologische beleidskaart waarop de ligging van het besluitgebied is aangeduid

Het besluitgebied is op de beleidskaart deels aangewezen als gelegen binnen ‘Categorie 4: Gebied met hoge archeologische verwachting’, deels ‘Categorie 5: Gebied met middelhoge archeologische ver­ wachting’, deels als ‘Categorie 6: Gebied met lage archeologische verwachting’. Daarnaast is het be­ sluitgebied deels aangemerkt als ‘verstoord’ en vrijwel geheel als ‘mogelijk verstoord’.

Crijns Rentmeesters bv

45

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

In categorie 4 gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetrof­ fen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m2 en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld. In categorie 5 gebieden geldt een maximale verstoringsgrens van 2.500 m2 en 0,4 meter, in categorie 5 gebieden geldt een maximale verstoringsgrens van 25.000 m2 en 0,4 meter. Binnen het besluitgebied vindt bodemverstoring plaats voor de realisatie van 13 grondgeboden wonin­ gen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat het gebruik van het besluitgebied als schorseneren- en deels aspergeakker naar verwachting tot bodemverstoring heeft geleid. Datzelfde geldt voor de aanleg van de inmiddels gesloopte varkensstallen. 4.3.2.3

Bureauonderzoek

“Het besluitgebied kent een lage archeologische verwachting voor bewoningsresten uit de periode prehistorie-late middeleeuwen. Nadien, tot de vroege 19e eeuw, kunnen er mogelijk huiserven gelegen hebben direct aan de Zeegstraat. Ter plaatse van de bedrijfswoning en omliggend erf zijn geen bodemingrepen gepland. Alleen de geplande ontsluitingsweg in het zuiden van het besluitgebied zal deze zone met hoge archeologische verwachting raken. Net zoals in de rest van het besluitgebied, is de bodem hier echter naar verwachting verstoord. Conclusie van het onderzoek is dat bewoningsresten van de voor de late middeleeuwen in het besluit­ gebied niet zijn te verwachten. Wel zijn er bewoningsresten te verwachten uit de periode late middeleeuwen-begin 19e eeuw, direct aan de Zeegstraat. Een eventueel huiserf uit deze periode zal vanaf de straat maximaal ca. 30 m naar achteren (westen) gereikt hebben. Daar waar het bouwplan dergelijke resten zou kunnen raken, ter plaatse van de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg in het zuiden, is de bodem echter inmiddels tot in het gele zand afgegraven. Omdat in het besluitgebied geen behoudenswaardige archeologische resten te verwachten zijn, wordt geadviseerd geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren. ” Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 4.3.2.4

Verkennend booronderzoek

Binnen het besluitgebied zal een verkennend booronderzoek worden uitgevoerd. Hiertoe is een plan van aanpak opgesteld. Dit plan van aanpak is reeds goedgekeurd.

4.3.3

Cultuurhistorie

Het besluitgebied is gelegen in regio De Kempen. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar re­ genwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Plaatsen met leem in de ondergrond hadden een gebrekkige afwatering, zodat daar vennen en kleine veenmoerassen ontstonden. De ruim­ telijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Langs de beken lagen

Crijns Rentmeesters bv

46

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

de graslanden, vaak verdeeld in lange smalle percelen die omzoomd waren door elzensingels. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzan­ den. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen. Goed bewaard gebleven voorbeelden van oude zandontginningen met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen zijn de buurtschappen in de omgeving van Cartierheide en Oerle-Knegsel. Gave beekland-schappen vinden we in (delen van) de dalen van de Dommel en de Beerze. Het Belvedèregebied beeklandschap van de Dommel ligt ten zuiden van Eindhoven. Kenmerkend zijn vloeiweiden en viskwekerijen, watermolens, omvangrijke bossen met heidevelden en vennen en aangrenzend cultuur­ landschap. Het cultuurhistorisch gave beeklandschap van de Beerze ligt in het noordelijke deel van de Kempen en maakt deel uit van het Nationale Landschap Het Groene Woud. De identiteit wordt bepaald door bossen met heide en vennen en nieuwe natuur in het beekdal.In de Kempen liggen tal van - vaak uitgestrekte - landgoederen. Oude landgoederen zijn bijvoorbeeld Baest, Heeze en Annanina's Rust. De landhuizen met bijgebouwen, de parken en lanen en de afwisseling van bossen en landbouwgron­ den verlenen de landgoederen grote cultuurhistorische betekenis.

In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn veel heidevelden omgezet in landbouwgrond of bos. De jonge landbouwontginningen zijn tamelijk grootschalig en rationeel ingericht. De jonge bosgebieden maken vaak deel uit van ontginningslandgoederen, zoals De Utrecht en Gorp en Rovert, of zijn aangeplant door het Staatsbosbeheer. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilver­ kaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven.

5. Historische Geografie (lijn) Waarde — Zeer hoog — Hoog Redellijk hoog Laag

Figuur 21: Interactieve erfgoedkaart van Reusel-De Mierden

Binnen het besluitgebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Een deel van het lint is aangemerkt als Historische stedenbouw. De Zeegstraat is aangemerkt als een geografische lijn van ‘redelijk hoge waarde’. Aan deze lijn vinden geen wijzigingen plaats. Evenmin is er aantasting van de historische stedenbouw. Er wordt juist een agrarisch bedrijf gesaneerd. De nieuwbouw wordt gerealiseerd conform de Visie voor de Zeegstraat.

Crijns Rentmeesters bv

47

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

De akker ten zuiden van het besluitgebied en ten noorden hiervan zijn aangeduid als ‘Oude akker’. Hier vinden geen wijzigingen plaats en de openheid hier blijft behouden. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4 Natuur 4.4.1

Wettelijk kader

4.4.1.1

Inleiding

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels over­ een met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten, waaronder vogels en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belang­ rijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.4.1.2 4.4.1.2.1

Gebiedsbescherming Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld versto­ ringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteiť genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Na­ tura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht. Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval. 4.4.1.2.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwik­ kelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instand­ houding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de be­ scherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. 4.4.1.2.3

Stikstof

Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt

Crijns Rentmeesters bv

48

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (ar­ tikel 5.29, lid 3 Ow).

4.4.1.2.4

Houtopstanden

Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksre­ gels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen. 4.4.1.3

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soor­ ten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om be­ paalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en faunaactiviteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.

Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten.

4.4.2 Toets 4.4.2.1

Gebiedsbescherming

Het meest dichtbij gelegen natura-2000 gebied betreft ‘Kempenland-West’, op een afstand van circa 2,2 kilometer. De gronden rondom de Kibbelvaart zijn aangeduid als NNB-provinciaal deel. Deze gronden liggen op zo’n 100 meter. Binnen het besluitgebied was tot voorkort een agrarisch bedrijf aanwezig. Dit bedrijf wordt herontwikkeld naar een woningbouwlocatie. Ter vervanging wordt een woningbouwkavel opgenomen. Deze sanering draagt bij aan een extensivering van het grondgebruik ter plaatse en de milieuvergunning wordt

Crijns Rentmeesters bv

49

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

doorgehaald. Per saldo wordt 440 kg ammoniak uit de markt genomen. Het intensieve agrarische ge­ bruik waaronder de vervoersbewegingen van landbouw- en transportvoertuigen wordt beëindigd. Het gebruik zal extensiveren. Het planvoornemen heeft een louter positieve invloed op omliggende natuur. 4.4.2.2

Stikstof

Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand van het besluitgebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden in relatie tot de ontwikkeling op voorhand uit te sluiten. Middels onderhavige ontwikkeling wordt een agrarisch bouwvlak met bijbehorende agrarische bedrijfs­ gebouwen gesaneerd. Deze sanering draagt bij aan een extensivering van het grondgebruik ter plaatse en de milieuvergunning wordt doorgehaald. Per saldo wordt 440 kg ammoniak uit de markt genomen. Het intensieve agrarische gebruik waaronder de vervoersbewegingen van landbouw- en transportvoer­ tuigen wordt beëindigd. Anderzijds worden er een dertiental nieuwe woningen gebouwd met bijbeho­ rende gebruiksmogelijkheden. Met AERIUS Calculator is de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat de stikstofuitstoot tijdens de sloop en aanlegfase niet boven 0,00 mol/ha/jaar komt. Ook tijdens de gebruiksfase komt de stikstofuitstoot niet boven de 0,00 mol/ha/jaar. Van significante effecten voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie is derhalve geen sprake. 4.4.2.3

Houtkap

Er vindt geen houtkap plaats binnen het besluitgebied. 4.4.2.4

Soortenbescherming

Door Exlan is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze Quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het besluitgebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het besluitgebied beoordeeld. Navolgend wordt de conclusie van het rapport weergegeven. Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het besluitgebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk be­ schermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het besluitgebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.

Crijns Rentmeesters bv

50

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plant­ soorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het besluitgebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaam­ heden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of ver­ storing van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Ver­ ordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Het besluitgebied zal landschappelijk worden ingepast, wat ten goede komt aan de flora- en faunasoorten in de omgeving van het besluitgebied.

4.5

Geluid

4.5.1

Wettelijk kader

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteiten­ besluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en dit wijzigingsbesluit vormen samen de regels van het Omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het Omgevingsplan. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het be­ voegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het Omge­ vingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).

4.5.2

Toets

Ten behoeve van de herontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Na­ volgend wordt de conclusie hiervan weergegeven. Algemeen In opdracht van Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen BV is, in het kader van de realisatie van nieuwbouwwoningen in de omgeving van de Zeegstraat 37-39 te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen het

Crijns Rentmeesters bv

51

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

geluidaandachtsgebied de Zeegstraat, Kattenbos, Hondsbos, Het Holland en Dooleg opgenomen in het akoestisch onderzoek.

Besluit kwaliteit leefomgeving Overschrijding standaardwaarde -

De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbe­ lasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 63 dB.

-

De gemeente Reusel-De Mierden dient aan de hand van voorliggend onderzoek een afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan.

-

In de voorliggende situatie kan als uitgangspunt worden aangedragen dat de overschrijdingen alleen plaatsvinden bij het bouwblok, direct aan de Zeegstraat gelegen, dat de bestaande be­ bouwing vervangt.

-

Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluid­ belasting komend van de Zeegstraat kan daarmee niet worden teruggebracht tot de standaard­ waarde of lager. De kosten voor deze maatregel voor de Zeegstraat worden geraamd op Ç30.000,- (100 m * 6m * Ŝ50,-) en is daarmee niet financieel doelmatig. Bovendien stuit deze maatregel op overwegende bezwaren van technische aard. In het kader van beheer en onder­ houd is het niet wenselijk dergelijke kleine stukken asfalt te voorzien van een andere wegver­ harding.

-

Het verder naar achteren verplaatsen van dit bouwblok om de geluidbelasting verder te redu­ ceren zou ertoe kunnen leiden dat voldaan kan worden aan de standaardwaarde. Echter dient dit bouwblok als vervanging van bestaande bebouwing en wordt om deze reden op dezelfde voorgevelrooilijn geprojecteerd.

-

Het plaatsen van scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de inritten van de woningen dan niet te bereiken zijn. Een scherm langs een oprit realiseren brengt de verkeersveiligheid in gevaar, het uitzicht op een scherm langs een oprit realiseren brengt de verkeersveiligheid in gevaar, het uitzicht op de weg wordt namelijk belemmerd, ook met een glazen scherm.

-

Indien een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde aanwezig is dient het belang van een geluidluwe gevel te worden meegenomen conform het geluidbeleid. Het bouwblok direct aan de Zeegstraat gelegen beschikt over een geluidluwe gevel, namelijk de achterzijde. Aan deze zijde is ook de geluidluwe buitenruimte gesitueerd. De overige woningen beschikken overal over een geluidluwe gevel.

Gecumuleerd geluid De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 63 dB, dit is gelijk aan de maximale geluidbelasting van de bronsoort gemeentewegen. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Voor het bouwblok aan de Zeegstraat dient conform het geluidbeleid een kwalificatie tamelijk slecht te worden aangehouden. Dit bouwblok wordt gesitueerd ter vervanging van bestaande woonfuncties. Op basis hiervan kan worden gesteld dat op de kwalificering op zowel het

Crijns Rentmeesters bv

52

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

bestaande gebouw als de nieuwbouw gelijk is en er dus geen verslechtering optreedt. Voor de overige blokken bedraagt de kwalificatie zeer goed tot redelijk. Gezamenlijk geluid en Besluit bouwwerken leefomgeving Het gezamenlijk geluid is maximaal 63 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. In Tabel 4.2 van het onderzoek (Rm230092aaA1.teey^1) is de be­ nodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.

4.6

Geur

4.6.1

Wettelijk kader

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is realisatie van een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formule­ ren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour.

Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.

4.6.2

Toets

4.6.2.1

Veehouderijbedrijven in de omgeving

Deze ontwikkeling voorziet in het toevoegen van nieuwe voor geur gevoelige objecten. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen veehouderijbedrijven gesitueerd. Alle bedrijven bevinden zich op meer dan 250 meter tot het besluitgebied. Binnen een straal van 500 meter zijn vier bedrijven aan­ wezig. Dit betreft de bedrijven aan ’t Holland 7, Kattenbos 10, Voort 24a en Voort 28.

Crijns Rentmeesters bv

53

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

Diercategorie omschrijving

Aantal dieren

vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd

RAV/OR-code vergund

OR-code actueel

15246

Omschrijving RAV

RAV-versie vergund

voedster inclusief 0,15 ram en bijbehorende jongen tot

2007-1

overige systemen

2007-1

Figuur 22: Vergunde situatie 't Holland 7

Diercategorie omschrijving

Aantal dieren

RAV/OR-co de vergund

OR-code actueel

Omschrijving RAV

RAV-versie vergund

paarden van 3 jaar en ouder

8

K1

HL1.100

volwassen paarden (3 jaar en ouder)

2007-1

Figuur 23: Vergunde situatie Kattenbos 10

5541 EJ, Voort 24A, REUSEL, REUSEL-DE MIERDEN Beschikkīngsdatum: 05-03-2015 RAV-tabelversie: RAV 2013-1

NB: onderstaande emissies zijn vertaald naar de meest recente emissiewaarden Stal groepen

— Omschrijving

RAV code

Pas code

2e NH3fac NH3 Aantal NGE UV Ernissi' (kg/jr/ RAV ™ P“nt emis MVE dieren tot code dìerpl) (kg/jr)

Geur PMIO emis emis (OU/S) (kg/jr)

Dl.1 biggeriopfok {gespeende biggen)

Dl.1.14

bedrijf

0.03

720

22

33

0

3960

35

Dl.1 biggeropfok (gespeende biggen)

Dl.1.14

bedrijf

0.03

744

22

34

0

4092

36

Dl.2 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen]

Dl.2.15

bedrijf

0.42

24

10

10

6

468

2

Dl.2 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen]

Dl. 2.100

bedrijf

8.3

40

332

27

10

1116

6

Dl.2 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen]

Dl.2.100

bedrijf

8.3

32

266

21

8

892,80

5

Dl.2 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen]

Dl.2.100

bedrijf

8.3

8

66

5

2

223,20

1

Dl.3 guste en dragende zeugen

Dl.3.9,2

bedrijf

2.5

120

300

29

31

2244

21

Dl.3 guste en dragende zeugen

Dl.3.11

bedrijf

0.21

128

27

30

33

1676,80

14

Dl.3 guste en dragende zeugen

Dl.3.101

bedrijf

4.2

116

487

39

30

2169,20

20

D2.3

bedrijf

0.28

2

1

1

1

26,20

0

D3.1

bedrijf

4.5

3

14

3

0

69

0

Totalen

1937

1547 232 121 16937,20

140

D2. D3

dekberen, 7 maanden en ouder

vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, ‘ opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking

l_______________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Figuur 24: Vergunde situatie Voort 24a

Figuur 25: Vergunde situatie Voort 28

Er is geen sprake van industriële geuremissies in de omgeving. 4.6.2.2

Woon- en leefklimaat

4.6.2.2.1 Algemeen Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepa­ lend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van de beide loca­ ties inzichtelijk gemaakt.

Crijns Rentmeesters bv

54

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

4.6.2.2.2 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Navolgende tabel geeft de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weer, zoals opgenomen in de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’.

6 - 10

Goed

8 - 13

10 - 15

Redelijk goed

O

16 - 20

Matig

21 - 28

21 - 25

Tamelijk slecht

CN

CN

1

co

O)

O

4-7

1

Zeer goed

co

2-5

co

1 -3

CO

Leefklimaat

CN

Geurgehinderden ("/o)

1

Achtergrondbelasting

Slecht

co

Extreem slecht

i

51 - 65

O

Zeer slecht

N­

31 - 35 CO

39 - 50

Tabel 1: Relatie achtergrondbelasting en leefklimaat

Door de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant is een kaart opgenomen (maart 2025) waarop de indica­ tieve achtergrondbelasting voor geur vanuit veehouderijen is weergegeven. Navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het besluitgebied op deze kaart is aangeduid.

Besluitgebied Concentratiegebied kwaliteit leefomgeving Leefklimaat(achtergrondbelating in ouEZm3) ĵ Zeer goed(í3) | Goed {3-7) Redelijk goed (7-13) Matig (13-20) Tamelijk slecht (20 28} | Slecht (28-35) | Zeer slecht (35-50) | Extreem slecht (s-50)

Figuur 26: Uitsnede kaart met indicatieve achtergrondbelasting met het besluitgebied aangeduid

Binnen het besluitgebied is sprake van een indicatieve achtergrondbelasting van 3-7 ouE/m3. Hiermee is er binnen het besluitgebied sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Er is sprake van een aan­ vaardbaar woon- en leefklimaat.

Crijns Rentmeesters bv

55

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

4.6.2.2.3 Voorgrondbelasting Niet aannemelijk is dat er gezien de relatief lage achtergrondbelasting en de afstand van het besluitgebied tot agrarische bedrijven in de omgeving sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. Tussen het besluitgebied en omliggende bedrijven zijn in alle richtingen geurgevoelige gebouwen gele­ gen. De ontwikkeling hindert dan ook geen veehouderijbedrijven.

4.7 Gezondheid 4.7.1 4.7.1.1

Endotoxinen Wettelijk kader

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmit­ teerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit maken. Er zijn onder­ zoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezond­ heidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een lan­ delijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksge­ zondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m3 aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitge­ gaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een over­ maat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een even­ wichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EUZm3 niet wordt overschreden. 4.7.1.2

Toets

Het besluitgebied is niet gelegen binnen een endotoxine-contour. Veehouderijbedrijven in de omgeving zijn op ruimere afstand gelegen. Het besluitgebied is niet gelegen binnen een afstand van 250 meter tot een varkensbedrijf. Het meest dichtbij gelegen pluimveebedrijf ligt op circa 500 meter. Er is ook geen sprake van de aanwezigheid van bedrijven met een combinatie van varkens en pluimvee in de omgeving van het besluitgebied.

4.7.2

Geitenhouderijen

4.7.2.1

Wettelijk kader

Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekin­ gen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geiten­ houderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughou­ dend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand

Crijns Rentmeesters bv

56

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. 4.7.2.2

Toets

Binnen een afstand van 2 kilometer tot het besluitgebied zijn geen geitenhouderijen gelegen

4.7.3

Gewasbeschermingsmiddelen

4.7.3.1

Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewas­ beschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel be­ doeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid ínhouden. 4.7.3.2

Toets

Binnen het besluitgebied worden 13 wooneenheden toegevoegd. Binnen een afstand van 50 meter tot deze woningen zijn landbouwgronden gelegen. Deze gronden zijn echter in eigendom van de (mede)ontwikkelaar. Op de gronden worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Hiertoe is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten met de eigenaar van de gronden. Dit aspect vormt geen bezwaar.

4.7.4 4.7.4.1

Hoogspanningsverbindingen Wettelijk kader

Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvel­ den en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ont­ staan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspan­ ningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. 4.7.4.2

Toets

In de omgeving van het besluitgebied zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen. Dit aspect is dan ook niet relevant. De ligging van hoogspanningsverbindingen heeft geen invloed op deze functiewijziging.

Crijns Rentmeesters bv

57

Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39

4.7.5

Positieve gezondheid

4.7.5.1

Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtver­ ontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezond­ heidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het Omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. 4.7.5.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=1a61ca4f-d6d6-41f5-98f0-cf2ca594717a