[25.19578] Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37-39 (23-09-2025)
Tekst van het document
Toets
Dit plan is zeer kleinschalig en ziet op de functiewijziging voor de functie van een agrarische bedrijfslo catie naar woonfuncties. Daarmee wordt een kwaliteitsslag gemaakt qua geur en endotoxine. Dit plan leidt niet tot nadelige gezondheidsaspecten voor functies in de omgeving.
4.7.6
Luchtkwaliteit
4.7.6.1
Wettelijk kader
4.7.6.1.1
Inleiding
Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een even wichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (para graaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de acti viteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het Omgevingsplan moet daarom inzichtelijk wor den gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het Omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. 4.7.6.1.2
Aandachtsgebieden
In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroor zaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachts gebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Bal regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.
Crijns Rentmeesters bv
58
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
4.7.6.1.3
Uitgezonderde locaties (blootstelling)
De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). 4.7.6.1.4
Niet in betekenende mate
Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 ^/m3. Dat is 307o van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde con centratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBMtoets. Daarnaast is er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aan genomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van ge wassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Voor woonwijken geldt hierbij een aantal van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen.
4.7.6.2
Toets
4.7.6.2.1
Aandachtsgebieden
Het besluitgebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. 4.7.6.2.2
Uitgezonderde locaties (blootstelling)
Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van circa 18-20 ^g/m3. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt circa 10-11 ^/m3. Navolgende figuren geven de jaarge middelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het besluitgebied en directe omgeving weer.
Figuur 27: Fijnstof 2022 (PM)10) (bron: RIVM) voor het besluitgebied en omgeving
Crijns Rentmeesters bv
59
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
Legenda: Fijn stof conc. (ļjg PM2,5Zm3)
I ----- WHO advieswaarde 5 -7 7 -8 8 -9 S - lū 10 - 11
|ll -15
m Besluitgebied
Figuur 28: Fijnstof 2022 (PM)2,5) (bron: RIVM) voor het besluitgebied en omgeving
Binnen het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10 tot 12 pg/m3. Navol gende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het besluitgebied en in de omgeving weer. Legenda: N02 conc. (ĮigZm3)
8 -10
-----WHO advieswaarde 10 -12 12 - 14 14 - 16 16 - 20 20 - 25 İ25 - 30 30
Besluitgebied
Figuur 29: Stikstofdioxide 2022 (bron: RIVM) voor het besluitgebied
Geconcludeerd kan worden dan de beoogde functiewijziging in het kader van de blootstelling aan lucht verontreiniging als gevolg van fijnstof en stikstofdioxide aanvaardbaar is. 4.7.6.2.3
Niet in betekenende mate
Aangezien de beoogde herbestemming voorziet in de sanering van een intensieve veehouderij en enkel de toevoeging van 13 nieuwe woningen mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip ‘niet in beteke nende mate’ valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de
Crijns Rentmeesters bv
60
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
luchtkwaliteit. Al het vrachtverkeer vervalt tevens met deze functiewijziging. Na deze functiewijziging is slechts sprake van personenverkeer. Daarmee valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’. Deze functiewijziging is aanvaardbaar in het kader van de luchtkwaliteit.
4.8 Bedrijvigheid 4.8.1 Wettelijk kader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Inmiddels is er sinds de invoering van de Omgevingswet een nieuwe handreiking: Activiteiten en mili euzonering van de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG). Deze vervangt de veelgebruikte publi catie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' (anders gedefinieerd dan milieubelastende activiteiten) onder de Omgevingswet. De gemeente Reusel de Mierden heeft echter nog geen milieuruimte geïntegreerd in het omgevingsplan. Bij de milieuzonering is daarom nog gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Ge meenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de functie en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het Omgevingsplan of via vergunning vrij bouwen mo gelijk is.
De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. “Een rus tige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. ” De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een ge mengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Ge bieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype ge mengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. ” Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hier onder verstaan.
Gelet op de functiemening in de omgeving en dat de Zeegstraat aan te merken is als belangrijke infrastructuur wordt gesteld dat er sprake is van een gemengd gebied. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.
Crijns Rentmeesters bv
61
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
4.8.2 Toets Bedrijvigheid binnen het besluitgebied Binnen het besluitgebied is sprake van een wijziging van het gebruik van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Hiermee worden alle bedrijfsactiviteiten binnen het besluitgebied gesaneerd. Bedrijvigheid buiten het besluitgebied In de directe omgeving van het besluitgebied is één niet-agrarisch bedrijf aanwezig. Betreft een hove niersbedrijf en tuincentrum aan Zeegstraat 35. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 2 en hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen met betrekking tot deze functiewij ziging.
4.9
Omgevingsveiligheid
4.9.1
Wettelijk kader
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een inci dent en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.
4.9.2
Toets
4.9.2.1
Risicovolle inrichtingen
4.9.2.1.1
Inleiding
Binnen het besluitgebied is sprake van een wijziging van het gebruik van een agrarisch bedrijfsfunctie naar woonfuncties. 4.9.2.1.2
Inrichtingen in de omgeving
In de omgeving van het besluitgebied zijn geen bedrijven gelegen met een risicocontour die reikt over het besluitgebied. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van het besluitgebied tot deze in richtingen.
Crijns Rentmeesters bv
62
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
Figuur 30: Beeld met ligging van het besluitgebied ten opzichte van inrichtingen in de omgeving
4.9.2.2
Transport van gevaarlijke stoffen
4.9.2.2.1 Wegtransport Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N269 en N284. Deze wegen kennen geen risicocontour in het kader van vervoer van gevaarlijke stoffen. Beide wegen liggen op een afstand van respectievelijk 460 meter en 1.700 meter. Interactie zal normaliter niet plaatsvinden. 4.9.2.2.2 Transportleidingen Er bevinden zich in de gemeente Reusel-De Mierden geen buisleidingen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Ten noordwesten van de gemeentegrens loopt een buisleiding over de grens overgang bij Poppel. Het plan ligt op een zodanige afstand van deze buisleiding dat beïnvloeding niet plaats zal vinden. 4.9.2.2.3
Luchtvaart, Spoorwegen en waterwegen
Er zijn vanuit luchtvaart of waterwegen geen belemmeringen voor wijziging van het besluitgebied. Het besluitgebied ligt buiten contouren waar in verband met luchtvaartverkeer rekening gehouden dient te worden. Op het grondgebied van de gemeente Reusel-De Mierden bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dan ook niet van toepassing. 4.9.2.3 Conclusie De beoogde herontwikkeling is in het kader van omgevingsveiligheid geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
63
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
4.10 Duurzaamheid en klimaat 4.10.1 Duurzaamheid 4.10.1.1 Wettelijk kader Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ont wikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duur zaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitge werkt in juridisch bindende regels.
4.10.1.2 Wettelijk kader Dit plan ziet op een functiewijziging waarbij een agrarische bedrijfslocatie locatie wordt omgevormd tot een woonlocatie. Hergebruik van een bestaande bebouwde locatie is duurzaam en toekomstbestendig. Met de bouw wordt rekening gehouden met de dan geldende duurzaamheidsvereisten.
4.10.2 Klimaat 4.10.2.1 Wettelijk kader Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor kli maatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverande ring beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruim telijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de ver schillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 4.10.2.2 Toets Met dit plan vindt hergebruik van een agrarische bedrijfslocatie naar woonfuncties plaats. De bebouwing binnen het besluitgebied neemt hierbij af en hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het perceel. De wo ningen worden bij voorkeur energieneutraal verwarmd en gekoeld. Dit plan is te kleinschalig om bij te dragen aan een beter klimaat, maar is op microniveau een verbetering.
Crijns Rentmeesters bv
64
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
4.11 Toetsing m.e.r.-beoordeling 4.11.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbe sluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten heb ben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een Omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toe passing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a.
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
b.
als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1.
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
2.
het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
4.11.2 Toets 4.11.2.1 Toets bijlage V In Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog twee lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Bij deze functiewijziging is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 4.11.2.2 Toets m. e.r. -beoordeling 4.11.2.2.1 Inleiding Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ont wikkeling de drempelwaarden uit bijlage V van het Omgevingsbesluit overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 4.11.2.2.2 Drempelwaarden Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht ken nen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: ‘J11: Stede lijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’.’
Crijns Rentmeesters bv
65
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
Ten aanzien van deze ontwikkeling kan worden geconstateerd dat deze voorziet in een stedelijke ont wikkeling. De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden meer benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. 4.11.2.2.3 Ligging binnen een gevoelig gebied Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waar op de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging genomen worden: a. Het bestaande grondgebruik; b. De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit van het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c.
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd (bijvoorbeeld vogel en habitatrichtlijngebieden), gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen, ge bieden met een hoge bevolkingsdichtheid of landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het besluitgebied is (niet) gelegen binnen een 'gevoelig gebied'. De herontwikkeling van plaats op een voormalig agrarisch bouw vlak voor de intensieve veehouderij. Daarmee is sprake van een kleinere impact op de bodem en de omgeving. 4.11.2.2.4 Belangrijke milieugevolgen In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten met betrekking tot dit plan afgewogen. Daaruit is gebleken dat dit plan (geen) negatieve effecten heeft ten aanzien van deze as pecten. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
4.11.2.2.5 Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Crijns Rentmeesters bv
66
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Eén omgevingsplan Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente van rechtswege over één (tijdelijk) omgevingsplan. Dit tijdelijk Omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings-, uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de ‘bruidsschat’ genoemd. Deze is opgenomen in hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe separate ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het Omgevingsplan gewijzigd om een functiewijzi ging mogelijk te maken. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan ‘nieuwe stijl’ gereed zijn.
5.2 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Deze aanvraag omgevingsvergunning voor een BOPA voorziet in de benodigde motivering om af te wijken van het Omgevingsplan. De benodigde omgevingsvergunning kan worden verleend als het pas send is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). Daarnaast dient te worden voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Deze regels komen overeen met de regels voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
Crijns Rentmeesters bv
67
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
6. UITVOERBAARHEID 6.1
Algemeen
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
6.2 Omgevingsdialoog Bij dit plan is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. De omgevingsdialoog wordt met de gemeente gedeeld.
6.3 Financiële uitvoerbaarheid Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt heb ben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. 6.2.1 Anterieure overeenkomst Is sprake van een ontwikkeling die die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, is het uit gangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het vaststellen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. 6.2.2 Publiekrechtelijk kostenverhaal Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenver haal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow).
Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Crijns Rentmeesters bv
68
Ruimtelijke motivering Zeegstraat 37 en 39
6.4 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatre gelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: -
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
-
die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leef omgeving.
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: -
het (gemeentelijk) Omgevingsplan,
-
een omgevingsvergunning,
-
een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
-
rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: -
het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
-
het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
-
De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (407o) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Dit plan ziet op functiewijziging van een agrarische bedrijfslocatie naar woonfuncties. Met dit plan is geen sprake van een schadeveroorzakend besluit.
Crijns Rentmeesters bv
69