[24.23018] Ter vaststelling - Toelichting regels en bijlage bij de regels bestemmingsplan Zwartven
Tekst van het document
-
Zee-ree**-:'35-50)
| Extreem iecht 050)
Figuur 4.1 Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur ODZOB (2023)
De aanwezigheid van bijvoorbeeld straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals wa terleidingen of rioleringsleidingen, beschermingszones en dergelijke kunnen belemmerd zijn voor het planvoornemen. Binnen de grenzen van het plangebied lopen geen kabels en/of leidingen die relevant zijn voor de ontwikkelingen van het plangebied. Een inventarisatie op basis van de Risicokaart van Nederland (zie paragraaf 4.7) geeft aan dat er in de buurt van het plangebied geen buisleidingen in beheer van de Gasunie gelegen zijn. In de omgeving van het plangebied lopen geen hoogspanningsleidingen.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omge ving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlij den ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek,
Hoofdstuk 4
51
mo
waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verant woording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoor ding worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvor ming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfred zaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants3. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle acti viteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving
Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventu eel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. 4.7.2 Onderzoek De risicobronnen in (de omgeving) van het plangebied zijn geïnventariseerd op basis van de Atlas Leefomgeving Nederland. Figuur 4.2 toont een uitsnede van de risicokaart met het plangebied blauw omcirkeld. Inrichtingen De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is op ruim 1 kilometer afstand gelegen. Gezien deze afstand vormt deze risicobron geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Buisleidingen Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van buisleidingen Transport Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen.
3
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 4
52
mo
In de omgeving van het plangebied zijn verder geen risicobronnen aanwezig.
f
Figuur 4.2 Uitsnede Risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)
4.7.3 Conclusie De risicoafstanden van de omliggende risicobronnen vallen niet binnen de grenzen van het plange bied. Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbe scherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soorten bescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke ge volgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Neder land (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
53
mo
4.8.2 Onderzoek Quickscan Flora en Fauna Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Neder land gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart ge bracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in België zijn “Arendonk, Merksplas, OudTurnhout, Ravels en Turnhout” op circa 1.100 meter, “Ronde Put” op circa 6.550 meter en “Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout” op ca. 800 meter afstand. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied in Nederland is “Kempenland-West” op circa 3.200 meter afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als ge volg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Met de voorgenomen ontwikkeling op een relatief korte afstand van een Natura 2000 - gebied met daarin stikstofgevoelige habitattypen, kan een significante toename aan stikstofdepositie niet zondermeer op voorhand worden uitgesloten. Daarom is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. De resultaten van de berekeningen zijn gezamenlijk met de rapportage opgenomen als bijlage 5 bij deze plantoelichting. De berekeningen zijn uitgevoerd met de AERIUS-rekentool 2024. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat de toe komstige woningen en het verkeer van deze woningen zorgen voor een maximale depositie van maxi maal 0,02 mol/ha/jaar op de rekenpunten op de Belgische Natura 2000-gebieden en 0,01 op Neder landse Natura 2000-gebieden. Na interne saldering bedraagt de depositie maximaal 0,00 mol/ha/jaar. Uit de berekening van de bouwfase blijkt dat het plan zorgt voor een depositie van maximaal 0,00 mol/ha/jaar. Nadelige gevolgen van het plan op Natura 2000-gebieden zijn daarom uit te sluiten. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit net werk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische be grenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruim telijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuur ontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met el kaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is deels gelegen binnen het NNB. Het betreft een strook in het zuiden van het plange bied met natuurbeheertype N16.03 Droog bos met productie.
Ook aan de oostzijde van het plange
Hoofdstuk 4
54
mo
bied is dit type NNB direct tegen de plangrens gelegen. Gezien de aard van de voorgenomen plan nen, waarbij driekwart van het plangebied natuur wordt, zullen wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB redelijkerwijs niet verslechteren. Figuur 2.1 toont de ligging van het Natuur Netwerk Brabant. Een deel van het park is aangewezen als NNB. De begrenzing van het NNB is momenteel niet logisch en komt niet overeen met de werkelijke situering van het groen op het park. Daarnaast is de functie als (bedrijfs)woning en bijbehorende tuin reeds langer aanwezig dan de aanwijzing als NNB. Daarom kan hier worden aangenomen dat de NNB ter plaatse foutief begrensd is. Bij de wijziging van de bestemming zou het aan de orde zijn om de begrenzing van het NNB recht te trekken met de feitelijke situatie en daarmee het NNB binnen het betreffende perceel te schrappen. Compensatie is hierbij in principe niet aan de orde, aangezien het een foutieve begrenzing betreft en er feitelijk geen wijzigingen plaatsvinden. Bovendien wordt binnen het volledige plan circa 30 hectare aan natuur gecreëerd. Figuur 4.3 toont waar het NNB overlapt met de woonbestemming. Met de herbegrenzing volgt het NNB een logische begrenzing, waarbij alleen groen/natuur is opgenomen binnen het NNB. Inmiddels is de herbegrenzing van het NNB middels de kaartaanpassing van het TAM-omgevingsverordening d.d.
17 september 2024 doorgevoerd. Dit besluit is verwerkt in het vastgestelde bestemmingsplan.
Figuur 4.3 Te herbegrenzen NNB (bron: BRO)
Daarnaast is het plangebied gelegen in de groenblauwe mantel. Doordat bij de ontwikkeling driekwart van het gebied aan de natuur wordt teruggegeven heeft het plan als geheel een positief effect op land schappelijke en natuurlijke waarden. Hierdoor zijn negatieve effecten op de groenblauwe mantel uitge sloten. Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wan neer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). In dien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbe scherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Wanneer er onderdelen van houtopstanden gekapt worden dient minstens 4 weken voor de kap een kapmelding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. De herplant dient plaats te vinden binnen 3 jaar
Hoofdstuk 4
55
mo
na de kap. Na 3 jaar dient niet aangeslagen beplanting te worden vervangen. Indien de herplant plaatsvindt op andere grond dient hiervoor een ontheffing te worden verkregen bij het bevoegd gezag. Met de herontwikkeling kan er sprake zijn van het kappen van bomen. Momenteel is echter nog niet bekend welke en welke aantallen bomen er gekapt zullen worden. De beschermingsregimes blijven van toepassing en de toets vindt plaats wanneer de plannen nader zijn uitgewerkt. Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internatio nale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; » soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); » soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); » andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ont heffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verbo den, bedoeld in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Za ken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig ge bruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend.
Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil bin nen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwe zige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken vol gens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden ver leend.
Hoofdstuk 4
56
mo
In de quickscan flora en fauna is onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader on derzoek of vergunningstrajecten. 4.8.3 Soort specifiek onderzoek en ontheffingsaanvraag Uit het verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) is gebleken dat bij de werkzaamheden ver schillende beschermde soort(groep)en aanwezig kunnen zijn. Naar aanleiding hiervan is soortspeci fiek onderzoek uitgevoerd in het seizoen van 2021/2022. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze plantoelichting. Binnen het plangebied zijn één zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen, in de voormalige supermarkt. Bij vernielen of beschadigen van de verblijfplaatsen van deze soorten wordt een overtreding begaan op de Wet natuurbescherming. De voorgenomen sloopwerkzaamheden van de supermarkt zijn ontheffingsplichtig. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden bij het be voegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant- Noord (ODBN), welke zal moet worden onderbouwd met een activiteitenplan, waarin onder andere compenserende en mitigerende maatregelen, alternatievenafwegingen en onderbouwing van het wettelijk belang staan beschreven. De vennen binnen het plangebied bieden zomerhabitat voor beschermde amfibieën.
Deze vennen blij ven behouden binnen voorgenomen plannen. Wel kan het omliggende groen dienen als winterhabitat. Om overtredingen te voorkomen dienen bij grondwerkzaamheden amfibieën schermen te worden geplaats en maatregelen worden genomen om overtredingen te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Indien er grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen bebosde gebieden dienen er maatregelen te worden genomen om de zorgplicht te handhaven. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen binnen een ecologisch werkprotocol. Binnen het plangebied zijn op meerdere plaatsen individuen van de Japanse duizendknoop waarge nomen. Indien er ter plaatse werkzaamheden plaatsvinden dienen deze te worden uitgevoerd conform het ‘Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen’. Daarnaast dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: » De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus. » Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.
» Binnen de planregels dient te worden opgenomen dat erfafscheidingen aan de onderzijde een mi nimale opening dient te bevatten van 10 centimeter, ter waarborging van de toegang van grondge bonden zoogdieren. 4.8.4 Conclusie Voor het verwijderen van de verblijfplaatsen van de vleermuis dient een ontheffing te worden aange vraagd. Bij het indienen van een ontheffingsaanvraag dient een activiteitenplan als bijlage te worden aangeleverd. Het activiteitenplan heeft tot doel om mitigerende maatregelen vast te leggen, die een
Hoofdstuk 4
57
mo
negatief effect op beschermde soorten, op zowel individueel- als populatieniveau, voorkomen en be houd van de huidige functionaliteit te allen tijde garanderen. De benodigde ontheffing kan redelijker wijs worden verleend. Een ontheffing dient te worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst BrabantNoord (ODBN). Tevens kunnen overtredingen tijdens de werkzaamheden met betrekking tot amfibieën niet worden uitgesloten. Tijdens de werkzaamheden zullen maatregelen moeten worden genomen om overtredin gen te voorkomen. Deze te nemen maatregelen dienen binnen een ecologisch werkprotocol opgeno men te worden. Binnen het plangebied zijn op meerdere plaatsen individuen van de Japanse duizendknoop waarge nomen. Indien er ter plaatse werkzaamheden plaatsvinden dienen deze te worden uitgevoerd conform het ‘Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen’. Binnen de regels is een sloopverbod opgenomen voor de supermarkt. Deze mag alleen gesloopt wor den indien een ontheffing op de Wet natuurbescherming is verkregen. De ontheffingsaanvraag inclu sief het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol worden momenteel voorbereid.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij func tiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bo dembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.9.2 Onderzoek Vooronderzoek NEN 5725 Recreatiepark Zwartven, Eendengoor 1a te Hooge Mierde Er is een vooronderzoek bodem conform de NEN 5725 uitgevoerd. Het doel van het vooronderzoek is om op basis van de onderzoeksgegevens vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreini ging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld uit het bodemonder zoek, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze plantoelichting.
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie grotendeels als “onverdacht” te beschouwen op het voorkomen van bodemverontreiniging. Uitzondering vormen de met grind/menggranulaat verharde paden en parkeerplaatsen. Ter plaatse kunnen verhoogde ge halten aan zware metalen, PAK en minerale olie verwacht worden. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem rondom de bebouwing met asbestdaken en ter plaatse van de met grind/menggranulaat verharde paden en parkeerplaatsen kan niet uitgesloten worden (verdacht).
Hoofdstuk 4
58
mo
Geadviseerd wordt om na sloop van de bebouwing een bodem- en asbestonderzoek conform de stra tegie VED-HE-NL van de NEN 5740 en NEN 5707 uit te voeren ter plaatse van de slooplocaties en de met grind/menggranulaat verharde paden en parkeerplaatsen. De kans is aanwezig dat door sloop werkzaamheden een nieuwe bodemverontreiniging ontstaat, of dat na sloop sloopafval achterblijft in de bovengrond. Indicatief onderzoek kwaliteit verhardingen Zwartven te Hooge Mierde Er is een indicatief onderzoek naar de kwaliteit van de verhardingen op Zwartven uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is te bepalen wat de indicatieve kwaliteit van de aanwezige verhardingen is, om inzicht te verkrijgen over de mogelijkheden voor hergebruik. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze plantoelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. Het menggranulaat is indicatief beoordeeld als een NV bouwstof. Het materiaal kan worden afgevoerd naar een erkende verwerker/breker. Een alternatief is dat het materiaal op locatie AP04 wordt gekeurd en daarna direct wordt hergebruikt als NV bouwstof. Een NV bouwstof kan vrij worden toegepast in bijvoorbeeld een wegfundering. Het menggranulaat bevat in de fijne fractie indicatief geen asbest. In de grove fractie is zeer plaatselijk een gering asbestgehalte aangetoond.
Het materiaal is zonder beperking her te gebruiken op de locatie onder nieuwe wegen en parkeerter reinen. De genoemde hoeveelheden in het rapport betreffen indicaties. In verband met de sterk wisselende breedtes en dieptes van de paden, is de exacte omvang moeilijk te bepalen. Bij de afvoer dient tevens rekening te worden gehouden met ontgravingsverliezen. Voor het transport van de verschillende materiaalstromen is een begeleidingsbrief nodig. Een afval stroomnummer is nodig indien het wordt afgevoerd naar een vergunde inrichting. Asbestinventarisatie Er is een asbestinventarisatie voor Zwartven uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de asbestverdachte toepassingen van de diverse bouwwerken en objecten van het voor malige vakantiepark. De reikwijdte van het onderzoek betreft de diverse bouwwerken en objecten op het park ten behoeve van totaalsloop. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. De diverse onderzochte gebouwen/ objecten betrof een receptiegebouw, een restaurant/ horecagele genheid, een supermarkt, diverse toiletgebouwen een stookhuis, tennisbanen, midgetgolf, een stolp/ boerderij, een tweetal woningen, een chalet en twee schuren.
De twee woningen en het receptiegebouw waren tijdens het onderzoek nog in gebruik/ bewoond, waardoor zware destructieve handelingen niet toegestaan of mogelijk was. De hoogspanningsruimte naast de receptie was tijdens het onderzoek niet toegankelijk omdat de sleutel niet aanwezig was. De twee woningen en het receptiegebouw, hoogspanningsruimte en trafohuis zullen voorafgaand aan totaalsloop nader onderzocht moeten worden. Voor de overige gebouwen/ objecten geldt dat deze ge schikt zijn voor totaalsloop.
Hoofdstuk 4
59
mo
In de stolp/ boerderij is een visuele verontreiniging van plaatmateriaal aangetroffen, waardoor er een potentieel risico is ontstaan. Er zijn daarom in de aangrenzende ruimtes een tweetal kleefmonsters genomen om dit risico uit te sluiten. De resultaten van de kleefmonsters wordt in onderstaande tabel van de resultaten weergegeven. Geadviseerd wordt om de stolp met houten schotten te sluiten, zodat derden geen toegang meer tot het pand kunnen hebben. Tijdens het onderzoek zijn er 25 materiaalmonsters genomen en conform analyse laboratorium zijn M01, M02, M03, M05, M07 t/m M18 & M20 t/m M24 asbesthoudend. De aangetroffen bronnen welke als asbestvrij zijn aangeduid worden niet in eenheden aangeduid in deze rapportage. De volgende materialen zijn beoordeeld als zijnde niet asbestverdacht: » De plafonds in de sanitair gebouwen zijn van houtwolcement en gips en de boeidelen van trespa. » De plafonds in het receptiegebouw betreft houtwolcement en de vloerbedekking is niet verdacht. » Alle aangetroffen pakkingen in het pomphuis zijn nieuw en niet verdacht. » Alle visueel aangetroffen vloerbedekking in de woningen is niet verdacht. » De plafonds in de stolp betreft zachtboard. » De plafonds en vloerbedekking in het restaurant zijn niet verdacht. » De tennisbanen zijn niet verdacht. » De golfplaten op het pomphuis en de golfplaten achter het toiletgebouw betreft NT-platen.
» De kit in de kozijnen van de schuren is niet verdacht. De inventarisatie is zodanig uitgevoerd dat deze toereikend is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. 4.9.3 Conclusie Na de sloop van de bebouwing wordt er nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De te slopen bebouwing is in het kader van de Wet natuurbescherming ontheffingsplichting. Voordat de bebouwing gesloopt kan worden dient er een ontheffing te zijn van de Omgevingsdienst Brabant- Noord (ODBN), zie ook paragraaf 4.8.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovenge noemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps-, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbe leid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duur zaam watersysteem.
Hoofdstuk 4
60
mo
Aanvullend op dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant een toet singskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de in werking tredende Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode 2022 2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. Deze doelen zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aan tal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrek punt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze het beheer over de lokale ruimte en (opper)vlaktewater uitvoeren.
De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrek ken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werk zaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Afhankelijk van de werkzaamheden dient een vergunning aangevraagd te worden. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. De gemeente Reusel-De Mierden heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP 2017 2021), welke in 2021 met twee jaar is verlengd, waarin het beleid ten aanzien van vuil-, grond- en he melwater is vastgelegd. Dit beleid is ingericht op het voorkomen van wateroverlast en het klimaatbestendig maken van de gemeente. Hierbij is het beleid afgestemd met dat van het waterschap. Het Programma Water en Riolering (PWR 2024-2028) vervangt t.z.t. de VGRP. Het PWR beschrijft de doelstellingen voor de zorgplichten en loopt op een aantal punten vooruit op de omgevingsvisie. De doelstellingen en uitwerking uit de PWR moeten straks een plek krijgen in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(herZver)bouwplannen worden door het bevoegd ge zag getoetst en gekeurd.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. 4.10.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld voor de voorgenomen ontwikkeling. Door middel van de waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaats vindt door het bevoegd gezag. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze plantoelichting. Grondwater Op de grondwatertrappenkaart van Noord-Brabant ligt het plangebied binnen grondwatertrap VI en VII. Dit betekent dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) naar verwachting voorkomt tus sen de 50 en 140 centimeter onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) die-
Hoofdstuk 4
61
mo
per dan 120 centimeter (100-200 cm-mv). Op basis van de waterstand in het ven is de grondwater stand op ca. 30-30,5 m +NAP aanwezig. Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen monitoringspeilbuizen bekend. De dichtstbijzijnde grondwatermonitoringsput (B56F0006) ligt op een straal van ca. 2,8 km. Hierin wordt een gemiddelde grondwaterstand waargenomen van ca. 28,6 m +NAP en een GHG van ca. 29,5 m +NAP. Voor de toekomstige woningen en wegen wordt een ontwateringsdiepte van 0,7 meter tussen de GHG en het bouwpeil geadviseerd om wateroverlast te vermijden. Voor groen/tuin is 0,5 meter voldoende. Bij de bestaande panden (31,8 m +NAP of hoger) is geen grondwateroverlast bekend. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Gezien het bestaande gebruik is nabij de huidige bebouwing voldoende ontwateringsdiepte aanwezig. Om eventuele instroom bij hevige neerslag te vermijden wordt geadviseerd om een toekomstig vloerpeil van circa 20-30 centimeter boven bestaand maaiveld aan te houden. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Wel is het gelegen in het invloedgebied van een Natura 2000 gebied.
Noord- en oostelijk rondom het plangebied is een stuifduin aanwezig welke aan geduid is als een beschermd keurgebied. Ter plaatse van het plangebied dient een ontwikkeling/uit breiding gepaard gaan met een positieve bijdrage aan het behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Hiervoor geldt ter plaatse de aanvullende bestemmingsregel 'overige zone - groenblauwe mantel’. Door het planvoornemen is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlakte water Binnen het plangebied zijn diverse kleine greppels aanwezig in het noord- en westelijk terreindeel (na bij de bebouwde delen). Voorts zijn 2 duikers aanwezig. Westelijk is een klein ven zichtbaar en ooste lijk een groter ven (Eende Goor) zichtbaar (beiden grondwater gevoed). Aan de noordzijde van het plangebied ligt een A-watergang onder beheer van het waterschap De Dommel (RS34). Westelijk in de A-watergang is een gemaal (Zwartven) aanwezig dat water opvoert vanuit de noordwestelijk gele gen B-watergang. Ca. 820 meter stroomafwaarts in de A-watergang bevindt zich een schotbalkstuw. Deze watergang speelt een belangrijk functie binnen het waterbeheer van het gebied. Aan weerszij den van de A-watergang ligt een beschermingszone van 1 meter die vrij dient te blijven van obstakels.
Westelijk ligt ter plaatse van het pad (zuidzijde) een 5 meter beschermingszone voor buitengewoon onderhoud. Noordelijk van het plangebied ligt deze beschermingszone voor buitengewoon onderhoud aan de noordzijde. Afhankelijk van eventuele werkzaamheden binnen of nabij de watergang is een vergunning verplicht. Door het planvoornemen zullen geen werkzaamheden plaatsvinden binnen of nabij de A-watergang. Wel is het voornemen om binnen het plangebied enkele bijkomende panden te realiseren met de aan leg van bijkomende vennen (uitbreiding bestaand oppervlaktewater). Om de lokale schone waterkwali teit te waarborgen is het niet toegestaan om bij de ver- of nieuwbouw met uitloogbare materialen te bouwen. Afvalwater Ter plaatse is reeds een gescheiden stelsel aanwezig (gelegen in het buitengebied). Het afvalwater van de bestaande panden is zover bekend aangesloten op een op het perceel aanwezig vrijvervalstel-
Hoofdstuk 4
62
mo
sel dat vervolgens aangesloten is op een gemeentelijk rioolgemaal (gelegen nabij de Eendengoor/Buitendijk) dat het afvalwater verder uit het buitengebied afvoert. Dit is een hoofdgemaal met persleiding en heeft een maximale capaciteit van 47 m3Aj. Het afvalwater van de nieuwbouwwoningen zal via een dwa-stelsel aangesloten worden op het be staand stelsel. Het planvoornemen is om enkele panden (receptie en restaurant) te slopen met maxi maal 30 bijkomende woningen. Hierdoor is slechts een lichte toename aan afvalwater te verwachten (ca. 0,9 m3Aj). Dit is slechts een toename van ca. 19/0 van de maximale capaciteit van het hoofdge maal. Het bijkomend afvalwater kan derhalve naar verwachting zonder aanpassingen verwerkt worden door het huidig gemeentelijk stelsel. De uiteindelijke wijzigingen aan het rioolstelsel dienen te zijner tijd (bij de omgevingsvergunningaanvraag) afgestemd/vergund te worden bij de gemeente (aanvraag rioolaansluiting). Hemelwater Het plangebied is ca. 42 hectare groot. Momenteel is een groot deel van het plangebied onverhard. Hemelwater van de meeste panden is niet aangesloten op een rioolstelsel en stroomt op een natuur lijke wijze lokaal over het maaiveld weg. Alleen de hoofdgebouwen en inrit zijn voorzien van een HWA-stelsel dat hemelwater afvoert naar een nabijgelegen slootje.
Nabij deze verhardingen (noord en westelijk op het perceel) zijn hiervoor enkele kleine greppels aanwezig. Centraal op het perceel zijn in het verleden reeds enkele panden gesloopt. Het planvoornemen bestaat uit de sloop van enkele panden die verbonden zijn aan het recreatiepark (sanitair gebouw, restaurant, shop, ect.) en de bouw van enkele bijkomende woningen. Door de veranderingen binnen het plangebied zal het verhard op pervlak niet significant toenemen ten opzichte van de huidige situatie. In tabel 4.6 is een globaal overzicht van de verhardingen op basis van een actuele luchtfoto (PDOK) en een conceptschets van het planvoornemen bepaald. Uitgangspunt hierbij is dat de toekomstige wandelpaden door het gebied onverhard zijn. Door de groenere planinvulling neemt het verhard oppervlak door de herontwikkeling af. Voor het planvoornemen is er ca. 5.905 m2 aan nieuwbouw ingepland. In verband met de lokale hemelwaterverwerking dient er voor de hemelwaterverwerking ca. (5.905m2 x 0,06m^ 354,3 m3 hemelwaterberging ingepast te worden. Het hemelwater van de gerenoveerde en nieuwe panden is door toepassing van niet uitlogende mate rialen als schoon te beschouwen en kan oppervlakkig afstromen (zoals bestaand) naar het aanwezige groen en greppels.
Bij de nieuwbouw zal hemelwater net zoals in de bestaande situatie zoveel moge lijk oppervlakkig middels maaiveldprofilering verwerkt worden in de directe omgeving en uiteindelijk ook zuidelijk in het toekomstig grotere groengebied terecht komen. Hiervoor is meer dan voldoende oppervlak beschikbaar op het perceel (zie bijlage 2). Er wordt ca. 55.000 m2 aan infiltratielaagte voor zien. Middels een verlaging van enkele centimeters wordt reeds voldaan aan de wenselijke bergingseis van minimaal 354 m3.
Hoofdstuk 4
63
mo
Op basis van de lokale bodemopbouw is er een goede infiltratiesnelheid te verwachten in de lokale zandbodem waardoor hemelwater gemakkelijk kan infiltreren. De lokale waterinfiltratie met een groe nere planinvulling heeft een positief effect op het nabijgelegen natuurgebied Zwartven. Hydrologisch gezien wordt positief ontwikkeld door het planvoornemen. 1 Type verharding Dakoppervlak, circa
Huidig (m2)
Toekomstig (m2)
Ingang: 970*850*265*240=2.525
nr41-43:480
nr41-43: 480
noord 40x80=5.200
noord 40x80=5.200
noord 44x69=5.055
noord 44x69-5.035
Nieuw: 15x280=3.640
west 47x70=5.290
Nieuw: 2x310=620
zuid: 400
Nieuw ingang: 1.645
ļ
oost: 455
Overig verhard, circa
Ingang: 5.100
Rijbaan: 1.975 x 5,3=10.467
84x50=4.200 Wegen: 1545x4.8=6.455 Wegen: 570x4=2.280
Totaal, circa
29.220
23.087 (-6.153)
Tabel 2: Globaal overzicht bestaand en toekomstig verhard oppervlak
Tabel 4.6 Globaal overzicht bestaand en toekomstig verhard oppervlak
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumen tenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een over gangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mo gelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De Gemeente Reusel-De Mierden heeft op gemeentelijk niveau een archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Verwachtings- of Beleidsadvieskaart. Op de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Reusel-De Mierden (Erfgoedkaart A2- en Kempengemeenten) ligt de onderzoekslocatie grotendeels in een zone Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwach ting.
Een omvangrijke zone het zuidoostelijk deel en in een kleine zone in het zuidwesten staat aange geven als Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting (verstoord). Het aanwezige ven in het oostelijke deel is als ‘water’ gemarkeerd. De hoogste beleidszone (Categorie 4) is leidend. Middels deze kaart heeft de gemeente aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is.
Hoofdstuk 4
64
mo
4.11.2 Onderzoek Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgeno men als bijlage 11 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeolo gisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaar ten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op een hoger gelegen zone bestaande uit terrasafzettingsvlakten en landduinen ligt. In het centrale deel van het plangebied heeft het oorspronkelijke langgerekte ven het Eende Goor gelegen. Het is niet duidelijk in hoeverre dit ven een permanent ven of een periodieke natte laagte is geweest. Voor de periode mid den- en laat-paleolithicum tot en met de ijzertijd geldt een hoge archeologische verwachting en ter plaatse van het ven een specifieke verwachting voor rituele deposities. Voor de periode Romeinse tijd tot en met de nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting.
Het is niet duidelijk uit welke pe riode de (kam)duinen, die op de archeologische verwachtingskaart een hoge verwachting hebben, da teren. Ter hoogte van de landduinen kunnen meerdere archeologische niveaus worden verwacht. Omwille van bovenstaande wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit kan plaatsvinden in de vorm van een verkennend booronderzoek om de intactheid van de bodem en de diepteligging van potentiële archeologische niveaus vast te stellen. Hiermee kan de ondergrond in kaart worden gebracht en de ouderdom (en dus de archeologische verwachting) worden toegespitst. Het betreft de oranje en beige zones in figuur 4.4. Ter plaatse van het huidige ven Eende Goor (oostelijk deel van het plangebied) en het kleine ven (westelijk deel van het plangebied) wordt geen nader archeologisch onderzoek nodig geacht. Deze vennen blijven als zodanig behouden in de ontwikkelingsplannen. Het zuidoostelijke deel staat vol gens de Archeologische Verwachtingskaart en Beleidskaart van de gemeente Reusel-De Mierden aangegeven als een zone zonder archeologische verwachting (‘verstoord’). Op deze terreinen rusten conform het beleid geen beperkingen ten aanzien van archeologie en voor dit deel wordt eveneens geen nader archeologisch onderzoek nodig geacht. Het betreft de blauwe en witte zones in figuur 4.4.
Hoofdstuk 4
65
mo
Figuur 4.4 Archeologische beleidskaart ter plaatse van plangebied
De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Reusel-De Mier den). Er wordt ingestemd met de conclusie dat er vervolgonderzoek moet plaatsvinden omdat een groot gedeelte van het plangebied is aangeduid als gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er wordt aangegeven dat een vervolgonderzoek middels proefsleuven zinvoller wordt geacht. Daarbij wordt verzocht voorafgaand aan het vervolgonderzoek een archeologisch Programma van Eisen (PvE) voor te leggen. Er wordt een vervolgonderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd ter plaatse van die zones waar bodemingrepen plaats zullen vinden als gevolg van de realisatie van nieuwe woningen. Voor het overige ge deelte van het plangebied wordt een dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen, waarmee de archeologische waarden beschermd blijven. Aangezien de locatie van de nieuwe woningen nog niet vastgelegd is, zal eerst worden uitgegaan van het opstellen van een Programma van Eisen (PvE) ten behoeve van het genoemde proefsleuvenonderzoek. 4.11.3 Conclusie Er wordt een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Voorafgaand aan het vervolgon derzoek wordt een archeologisch Programma van Eisen opgesteld. De dubbelbestemmingen blijven vooralsnog gehandhaafd.
Hoofdstuk 4
66
mo
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te ver wachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en ar cheologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (stedenbouw kunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel be schermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benut ting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek In figuur 4.5 is een uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant weergege ven, het plangebied is blauw omkaderd. Het plangebied is gelegen in de Kempen. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen.
Het gebied wordt door sneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. Om het plangebied zijn cultuurhistorische lijnen gelegen, een van redelijk hoge waarde (gele lijn) en een van hoge waarde (oranje lijn). Verder zijn er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. In de omgeving van het plangebied zijn wel een aantal cultuurhistorische lijnen aanwezig. Overige cultuurhistorische waarden liggen niet binnen het plangebied maar op redelijke afstand van het plangebied. Onderhavige ontwikkeling zal geen negatieve invloed hebben op monumenten, beeldbepalende pan den en cultuurhistorische waarden in de omgeving, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische waar denkaart. Tevens zijn in het plangebied geen monumentale bomen, waardevolle bouwkunsten, histo risch groen met een hoge waarde gelegen. De ontwikkelingen van het plangebied zullen ook geen ne gatieve invloed hebben op deze elementen in de omgeving.
Hoofdstuk 4
67
mo
Figuur 4.5 Uitsnede CHW-kaart Noord-Brabant (bron: Cultuurhistorische Waardenkaart CHW 2010, herziening 2016)
Gemeentelijk erfgoedbeleid Volgens het gemeentelijk erfgoedbeleid van de gemeente Reusel-De Mierden is het huidige winkelge bouw aangeduid als cultuurhistorisch waardevolle gebouw (zie figuur 4.6). Het bestaande winkelge bouw is zeer verouderd en vervallen, behoud van dit pand is niet reëel (zie figuur 4.7).
Hoofdstuk 4
68
mo
Figuur 4.6 Gemeentelijke erfgoedkaart
Figuur 4.7 Bestaand winkelgebouw in zeer vervallen staat (bron: Google Streetview, februari 2023)
Hoofdstuk 4
69
mo
Op basis van de gemeentelijke erfgoedkaart is ten noordoosten van het plangebied historisch groen gelegen. Het historisch groen is aangeduid als: ‘De Staat en Pastoorsbos’. Het betreft een Heideontginning-gebied. Ten zuidzijde van landgoed De Utrecht, vanaf de Beekakkersweg tot aan de Turnhoutsepad ligt een bosgebied. Hierin ligt het Panneven (Poppelsedijk) en het Voortje. Tussen Hulsel en Reusel ligt tussen de Reuselsedijk en de provinciale weg N269 een bosgebied dat eigendom is van de gemeente, bekend als De Hulselse Staat of kortweg De Staat, omdat Staatsbosbeheer bij de aan leg betrokken was geweest. Dit bos is aangelegd op een gedeelte van de voormalige Molenheide of Hulselse Heide. Een ander deel van de Molenheide werd rond 1912 met bos beplant door pastoor van Wagenberg en heet daarom ook wel het pastoorsbos. Samen heet het bosgebied de Molenheide. De naam is ontleend aan het feit dat er zowel aan de Reuselse als Lagemierdse kant ervan ooit een windmolen stond. Gezien er in de huidige situatie sprake is van een recreatiepark, waarbij er ook al sprake is van permanente bewoning zullen de kenmerken en waarden van het plangebied en de om geving redelijkerwijs niet verslechteren. De ontwikkeling heeft geen invloed op het naastgelegen histo risch groen. Binnen het plangebied bevindt zich ook een plukje historisch groen, namelijk de ‘Weldsche Heide’.
In het begin van de 20e eeuw werd Reusel omringd door onafzienbare heidevelden, zoals de “Grote Heide” met een totale oppervlakte van 870 ha en de “Belevense Heide” met een oppervlakte van 170 ha. De Wellenseindsche Heide en het Panneven in Hooge Mierde zijn gemeentebossen. In de huidige situatie heeft het plangebied een recreatie-bestemming. Ter plaatse van de Weldsche Heide krijgt het plangebied een natuurbestemming. Bij de inrichting van de natuur en de landschapszones zal rekening gehouden met de bestaande kenmerken en waarden van het aanwezige groen, zo zal er ook rekening gehouden worden met het historisch groen ‘Weldsche Heide’. 4.12.3 Conclusie Binnen het plangebied bevinden zich verder geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. De cul tuurhistorische lijnen rondom het plangebied blijven behouden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ zal geen invloed hebben op de in het plangebied beoogde ontwikkelingen.
4.13 Volksgezondheid 4.13.1 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappen plan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewon nen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Toetsing aan het stappenplan wijst uit dat, de planlocatie buiten de endotoxine richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf (stap 5b). De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De planlocatie is gelegen in een gebied met
Hoofdstuk 4
70
mo
een acceptabele geurbelasting a.d.h.v. het wettelijk kader (stap 3), zie paragraaf 4.5. De afstand tus sen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 me ter (stap 4). Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelf standige activiteit (stap 6) en er is bij toekomstige bewoners of omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is doorlo pen. Een advisering van de GGD hoeft niet te worden gevraagd voor dit plan. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belem meringen. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico Varkens- en pluimveehouderijen Er wordt geadviseerd om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realise ren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, gebruik te maken van de afstandsbepaling uit het Endotoxinen toetsingskader 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0.
Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een ver hoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plange bied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimvee houderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 4.13.2 Hoogspanningslijnen De meest dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op minstens 11 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op deze afstand vormen hoogspanningslijnen geen belemmering. 4.13.3 Spuitzones In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbe scherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
4.14 M.e.r.-plicht 4.14.1 Toetsingskader en onderzoek Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opge nomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden.
Hoofdstuk 4
71
mo
Onderhavige ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het col lege van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieu beheer. De aanmeldingsnotitie is als bijlage 12 bij deze plantoelichting toegevoegd. Hierin wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan geen milieueffectrapportage is vereist. 4.14.2 Conclusie In de aanmeldingsnotitie wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het be stemmingsplan geen milieueffectrapportage is vereist. Het aspect M.e.r.-plicht vormt geen belemme ring.
Hoofdstuk 4
72
mo
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en re gels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bin dende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschik baar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op ver gelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestem mingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeen stemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 3 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het vigerende bestemmingsplan en de herziening van het be treffende plan. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen gemeente Reusel de Mierden nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2.
3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de be gripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte be grippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Arti kel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,
Hoofdstuk 5
73
mo
hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden ge geven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). Een bestemming kan de volgende elementen bevatten (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): » bestemmingsomschrijving; » bouwregels; » nadere eisen; » afwijken van de bouwregels; » specifieke gebruiksregels; » afwijken van de gebruiksregels; » omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhe den; » omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; » wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aan gegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aan duidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden ge bouwd. Dit wordt met een bouwvlak en aanduidingen op de verbeelding aangeven.
In de volgende pa ragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strek king hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: » anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een be stemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. » algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van de overschrijding van bouwgrenzen en het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. » algemene aanduidingsregels: hier zijn de regels m.b.t. de wijzigingen in de zone Interim Omgevingsverordening aangegeven. » algemene wijzigingsregels: in deze regels is opgenomen dat het bevoegd gezag de bestemmin gen kan wijzigen ten behoeve van de overschrijding van bestemmingsgrenzen. » overige regels Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.