CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[24.15261] Toelichting bestemmingsplan Deenen Voorste Heikant 6 te Reusel

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Voorste Heikant 620.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit kan derhalve alleen indien er direct persoonlijk contact/toezicht aanwezig is. Indien een vreemde c.q. ongenode gast zich op het bedrijf begeeft, kan - eventueel al via een verlichting met bewegingssensor een signaal aan de ‘ongenode’ gast maar ook aan de bewoner gegeven worden - zodat directe reactie Z ingrijpen mogelijk is. Wanneer vestiging op een bedrijfsterrein aan de orde is, wil initiatiefnemer hierbij uiteraard met haar volledige activiteiten aan de slag kunnen. Bij verplaatsing moet gedacht worden aan een totale verplaatsing van de bedrijfslocatieVactiviteiten (dus, ten overvloede, geen gedeeltelijke verplaatsing c.q. dependance). Naast bovengenoemde noodzakelijkheid van een woning bij het bedrijf zijn in de gemeente Reusel-De Mierden geen geschikte kavels beschikbaar op een bedrijventerrein. Daarnaast is een kavelgrootte van meer dan 5.000 m2 niet mogelijk op een bedrijventerrein in Reusel-De Mierden. Een verplaatsing naar geen bedrijventerrein op grote afstand is niet mogelijk omdat initiatiefnemer zeer lokaal werkt. Dit staat nog los van het gegeven dat er geen geschikte kavels beschikbaar zijn op het dichtstbijzijnde regionale bedrijventerrein (KBP). Juist agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven zijn passend qua bedrijvigheid in het buitengebied.

Uitgaande van gemiddelde bedragen voor de aanschaf van industriegrond van circa C 130,-/m2 voor de regio zal een investering voor enkel de benodigde oppervlakte (6.500 m2) circa C1.000.000,- bedragen. Daar komen de kosten voor inrichting van gebouwen, verharding, bewaking e.d. van grofweg C 850.000, bij (globale indicatie). Genoemde investering is in relatie tot de omzet van het bedrijf i.c. bedrijfseconomisch/ financieel niet haalbaar. De productiewaarde van industriegrond verhoudt zich niet tot het rendement. De exploitatieVhuisvestingskosten zullen exceptioneel toenemen ten opzichte van de huidige kosten en dienaangaande leiden tot een onverantwoorde investering. De winstmarges én het rendement binnen de cumelasector zijn marginaal. Gezien het bovenstaande is een verplaatsing van onderhavig bedrijf naar een andere locatie enerzijds bedrijfseconomisch en anderzijds beleidsmatig gezien niet haalbaar.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 24 van 58 Vastgesteld 2024

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Reusel-De Mierden Op 22 mei 2018 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Reusel-De Mierden vastgesteld. Deze omgevingsvisie (voorheen structuurvisie) beschrijft de ruimtelijke strategie voor Reusel-De Mierden met als doel om het leefmilieu van de gemeente substantieel te verbeteren. De omgevingsvisie borduurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Conform deze omgevingsvisie is het plangebied gelegen in een oud agrarisch cultuurlandschap. Dit betreft een kleinschalig landschap rondom de dorpen met open, vaak hoger gelegen akkers. Door schaalvergroting in de landbouw is de kleinschaligheid hier soms niet meer als zodanig herkenbaar, maar het is in potentie wel aanwezig. Het plangebied is gelegen op zo’n hoger gelegen akker. Met bomenlanen, akkerwallen en bosfragmenten kan het kleinschalige landschap behouden blijven en versterkt worden. Hierbij dienen open akkers en doorzichten daarop vanuit de dorpen en linten behouden te blijven. Middels het landschappelijk inpassingsplan wordt hier invulling aan gegeven.

KWALITEITENKAART Krans van bossen met enkele heidecomplexen Oud agrarisch cultuurlandschap met afwisselend open kamers, laanbeplanting, houtwallen, bosrestanten en linten Beekdal, op een aantal plekken nog herkenbaar in het landschap Rationeel, agrarisch ontwikkelde, jonge heideontgīnning met rechte, beplante wegen

■T* Historische lintbebouwing en/of buurtschap Dorpen met basis voorzieningenpakket

Afbeelding 7: Uitsnede omgevingsvisie Bij onderhavige locatie is sprake van een bestaand bouwvlak voor een bedrijf. Met de nieuwe bedrijfsontwikkeling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de landschappelijke setting. Daarnaast is initiatiefnemer met zijn bedrijfsactiviteiten gericht op het buitengebied en daarmee passend in het buitengebied. Een van de bouwstenen van de omgevingsvisie betreft een ecologisch netwerk van bomenlanen, houtwallen, kleine bospercelen en erfbeplanting verder uitbouwen. Er wordt veel aandacht besteed aan een goede landschappelijke inpassing van het bedrijf, zodat de ontwikkeling past binnen de koers van dit deelgebied. Hierbij wordt tevens specifiek aandacht besteedt aan de ecologische meerwaarde. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkelingen bijdragen aan een kwalitatieve verbetering van het buitengebied in de gemeente Reusel- De Mierden.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 25 van 58 Vastgesteld 2024

4.4.2 Bestemmingsplan Buitengebied Reusel Voor de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ van toepassing en heeft het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2021’ reeds in voorontwerp ter inzage gelegen. De huidige bestemming van de planlocatie betreft ‘Bedrijf - Agrarisch’, met specifieke functieaanduidingen en meerdere gebiedsaanduidingen zoals hieronder weergeven. In het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

Afbeelding 8: Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied 2009

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 26 van 58 Vastgesteld 2024

5 5.1

Omgevingsaspecten Landschap

5.1.1 Omgevingsvisie Natuur en landschap zijn in de afgelopen jaren een steeds belangrijker onderdeel geworden van het gemeentelijke beleid. Natuur en landschap leveren een belangrijke bijdrage aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor de inwoners van de gemeente en leveren bovendien een positieve bijdrage aan de biodiversiteit. Omdat gelijktijdig de natuur- en landschapswaarden onder druk staan van stedelijke ontwikkelingen (woningbouw, bedrijvenparken, nieuwe functies in het landelijk gebied) zijn natuur- en landschapswaarden een steeds belangrijker toetsingskader bij de beoordeling van ruimtelijke plannen buiten het stedelijk gebied. De gemeente Reusel-De Mierden streeft naar behoud en versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden binnen de gemeente. De gewenste ontwikkelingsrichting wordt binnen de gemeente voor een groot deel bepaald door de landschappelijke en ruimtelijke karakteristiek. De gemeente heeft echter behoefte aan een nadere duiding van de landschappelijke karakteristiek en de betekenis hiervan voor het behoud en de versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor de gemeente Reusel-De Mierden is in de omgevingsvisie rekening gehouden met de visie en doelen per gebied. Het plangebied en zijn context worden gerangschikt in een zone met het primaat landschap.

Als doel voor de gebiedsontwikkeling in de context van het plangebied worden de ontwikkeling van het beekdal en de versterking van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap aangereikt.

Afbeelding 9: uitsneden landschappen Reusel-De Mierden Voor onderhavige locatie is een landschappelijke inpassing opgesteld. In Bijlage 2 is de landschappelijke inpassing weergegeven. Bij de landschappelijke inpassing is ingezet op: ^ Het in stand houden en kwalitatief verbeteren van het kleinschalige landschap; ^ Omzomen van het werkterrein, beplanten van het talud met een groensingel (inheemse struiken en bomen); ^ Aanplanten van een boomgaardje aan de westkant; ^ In stand houden van de open doorkijk op de velden aan de oostkant.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 27 van 58 Vastgesteld 2024

Op basis van het landschappelijk inpassingsplan kan geconcludeerd worden dat de locatie op een verantwoorde wijze landschappelijk is ingepast.

Afbeelding 10: beoogde landschappelijke inpassing 5.1.2 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeenteraad heeft op 2 november 2021 de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel Buitengebied’ (NRKbuitengebied) vastgesteld. De NRK-buitengebied bevat het geactualiseerde welstandsbeleid voor het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden. In de herziening van de welstandsnota wordt niet meer alleen gekeken naar de gebouwen maar ook naar de kwaliteit van de omgeving en landschappelijke inpassing. De NRK-buitengebied wordt gekenmerkt door een meer open houding, waarbij niet toetsen en verplichten, maar inspireren, voorlichten, stimuleren en begeleiden centraal staan. De NRK vormt ook het kader voor landschappelijke inpassingsplannen bij ontwikkelingen in het buitengebied of in de kernrandzones/overgangsgebieden. De NRK-buitengebied wordt gekenmerkt door een meer open houding, waarbij niet toetsen en verplichten, maar inspireren, voorlichten, stimuleren en begeleiden centraal staan. In samenspraak met de initiatiefnemer vormt ruimtelijke kwaliteit onderdeel van een goede gebiedsontwikkeling/plan. De NRK-buitengebied onderscheid een viertal landschapstypen in het buitengebied van Reusel-De Mierden, volgens de Omgevingsvisie: de bos- en heidegebieden, de oude agrarische cultuurlandschappen, de beekdalen en de jonge heideontginningen.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 28 van 58 Vastgesteld 2024

Beoogde locatie Met het beoogd initiatief wordt toepassing gegeven aan de ontwerpprincipes ten behoeve van de gewenste uitstraling van het erf en bijbehorende erfbeplanting uit het NRK. De voorzijde van het erf, daar waar de woonfunctie zich bevindt, wordt representatief ingericht met een groene uitstraling van de entree. Het hoofdgebouw wordt parallel aan de weg gerealiseerd en de buitenopslag wordt aan de achterzijde op het erf gerealiseerd. Met het ontwerp vind het manoeuvreren plaats aan de achterzijde van het erf (uit het zicht). Het erf wordt omringd door een robuuste, inheemse en zoveel mogelijk aaneengesloten erfbeplanting van dichtere houtsingels ter hoogte van de bedrijfsgebouwen. De tuin rondom de bedrijfswoning dient vrij te kunnen worden ingericht, doch bij voorkeur met inheemse beplanting en met toepassing van de kenmerkende landschapselementen van het oud agrarisch cultuurlandschap. Door de erfbeplanting is verharding zo min mogelijk zichtbaar in het landschap. Er is sprake van een compacte erfindeling met een representatieve voorzijde. Het beoogde bedrijfsgebouw heeft een eenvoudige rechthoekige opzet met een maximale goothoogte van 5 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter. Er is sprake van een symmetrische vormgeving van het gebouw en qua materialisering wordt gebruik gemaakt van baksteen in combinatie met een potdekselprofiel/rabatdelen.

Voor het dak alsmede de windveren en daklijsten wordt gebruik gemaakt van een donkere antraciete kleur. Het erf bestaat uit woonbebouwing en een apart deel voor opstallen zoals schuren, deze vormen samen met het landschap en de erfbeplanting een eigen ensemble dat terughoudend is t.o.v. zijn omgeving en bescheiden oogt in het landschap. 5.1.3

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ Een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast dient te worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering ook financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. Deze vormen van kwaliteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Deze eisen zijn door de gemeente Reusel- De Mierden, in samenwerking met een aantal andere gemeenten in de regio Zuidoost Brabant en de provincie, verwerkt in de “Landschapsinvesteringsregeling De Kempen". De notitie betreft een afsprakenkader, waarin wordt geschetst op welke manieren met de eisen omtrent kwaliteitsverbetering kan worden omgegaan en wat het verwachtingsniveau is ten aanzien van de verwachte inspanning.

In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 29 van 58 Vastgesteld 2024

Uit de Landschapsinvesteringsregeling De Kempen blijkt dat de beoogde vergroting van het bouwvlak aangemerkt kan worden als een categorie 3-ontwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling is een robuust landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In Bijlage 2 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Uit de waardeverandering blijkt dat de waarde van de bestemming toeneemt met C41.300,In relatie tot de gewenste ontwikkeling moet 200Zo geïnvesteerd worden in het landschap ten opzichte van de waardevermeerdering. Op onderhavige locatie moet derhalve C 8.210,- geïnvesteerd worden in het landschap. Uit de kwaliteitsberekening, zoals bijgevoegd in Bijlage 3 blijkt dat hier ruimschoots aan voldaan wordt. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feítelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een voorwaardelijke gebruiksbepaling in de regels van het bestemmingsplan. 5.2

Natuur

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. 5.2.1 Wet natuurbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Gebiedsbescherming Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000-gebied". Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. In Bijlage 5 is een voortoets uitgevoerd om te onderzoeken of de beoogde activiteiten significant negatief zijn.

Om dit in beeld te brengen zijn voor de gewenste inrichting de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er is derhalve geen sprake van een significant negatief effect op gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Er is derhalve geen sprake van significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 30 van 58 Vastgesteld 2024

Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten planten en dieren voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de beoogde ontwikkeling beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Het bestaande bouwvlak wordt intensief gebruikt.

Vanwege het intensieve gebruik van het bouwvlak vinden er te veel verstoringen plaats om te dienen als voortplantings-, vast rust- en/of verblijfplaats. Deze toetsing heeft plaatsgevonden in het voortraject. In Bijlage 6 is de quickscan weergegeven. Hieruit blijkt dat het beoogde initiatief niet leidt tot een verstoring van beschermde soorten. Dit onderzoek is reeds meer dan 3 jaar geleden uitgevoerd, mede daarom is ter plaatse bekeken of te plaatse van mogelijk locatie activiteiten van beschermde soorten hebben plaatsgevonden. Op basis van foto’s, welke zijn bijgevoegd als bijlage, blijkt dat er geen sprake is van de aanwezigheid dan wel verstoring van beschermde soorten. 5.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruitgaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 31 van 58 Vastgesteld 2024

Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant (NNB).

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 900Zo van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2022. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘Natuur en Landschap’ is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 11. Verder wordt de afstand van de bedrijfsactiviteiten ten aanzien van het dichtstbijzijnde NNB vergroot. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2022. Verder wordt opgemerkt dat met de beoogde landschappelijke inpassing initiatiefnemer juist een kwalitatieve meerwaarde wil geven door enerzijds de bedrijfsactiviteiten af te schermen door de realisatie van een landschappelijke inpassing en anderzijds de locatie hydrologisch neutraal in te richten waardoor er geen sprake is van extra verdroging in de nabijheid van de beek De Reusel.

f ! | Besluitgebied Structuur - Natuur Netwerk Brabant Structuur - Groenblauwe mantel Aanduiding - Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone Aanduiding - Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant 11111 Aanduiding - Behoud en herstel

watersystemen

Afbeelding 11: Uitsnede themakaart natuur en landschap

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 32 van 58 Vastgesteld 2024

5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid In 2021 is door de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (ODZOB) een archeologische beleidskaart vastgesteld, welke het huidige archeologische beleid van onder andere de gemeente Reusel vormt. Het ontwerp bestemmingsplan “Buitengebied 2021” houdt nog geen rekening met de beleidskaart van de ODZOB maar na de ontwerpversie wordt dit nieuwe beleid in het bestemmingsplan planologisch doorvertaald. Dit heeft onder meer betrekking op het aanpassen van de begrenzingen van de archeologische dubbelbestemmingen en normen voor onderzoeksplichten. Hieronder is een actuele uitsnede opgenomen van de planlocatie van de archeologische beleidskaart van ODZOB.

Mogelijke verstoringen

Esdekken

Archeologische verwachtingen Wettelijk beschermd monument Archeologisch waardevol gebied Historische kern Hoge verwachting Middelhoge verwachting Lage verwachting Verstoord Water

Afbeelding 12: Uitsnede archeologische beleidskaart Het overgrote deel van het plangebied - het gedeelte waarin werkzaamheden plaatsvinden - is gelegen in een zone van ‘hoge verwachting’. In gebieden met een hoge verwachting is archeologisch onderzoek

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 33 van 58 Vastgesteld 2024

benodigd indien grondwerkzaamheden plaatsvinden die groter zijn dan 500 m2 en dieper gaan dan 40 centimeter.

5.3.3 Archeologietoets Om bovenstaande reden zijn in voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie 4’ en ‘Waarde - Archeologie 5’ opgenomen. Deze dubbelbestemmingen bepalen dat, voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend ten behoeve van de bouw van de geplande bebouwing, uit archeologisch onderzoek moet blijken dat als gevolg van de werkzaamheden geen archeologische waarden worden aangetast.

Afbeelding 13: Uitsnede voormalige bebouwing d.d. 2015 Initiatiefnemer is voornemens om de bodem niet verder te verstoren dan 40 centimeter onder het maaiveld. Dit met uitzondering van de nieuwe te bouwen loods. Deze loods wordt gerealiseerd ter plaatse van de voormalige varkensstal. Deze varkensstal was voorzien van mestkelders, waardoor geconcludeerd kan worden dat de gronden reeds verstoord zijn. Voor de beoogde verharding is de verstoring niet meer dan 20 centimeter.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 34 van 58 Vastgesteld 2024

Afbeelding 14: Uitsnede vergunning 29 juni 2004 Echter indien initiatiefnemer onverhoopt toch voornemens is om dieper te gaan graven dient alsnog een archeologisch onderzoek aangeleverd te worden. De geldende archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4.1’ en ‘Waarde - Archeologie 5.1’ blijft derhalve van toepassing. 5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 35 van 58 Vastgesteld 2024

frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Provinciaal Cultuurhistorisch Complex

m

Historische stedenbouw | | Zeer hoog ĵ Hoog ] Redelijk hoog I

I Laag

3. Cultuurhistorische Ensembles ] Cultuurhistorische Ensembles

4. Historische zichtrelaties Molenbiotoop D Molenbiotoop Historische zichtlijn

5. Historische Geografie 5. Historische Geografie {lijn) ““ Zeer hoog Hoog Redellijk hoog Laag

Afbeelding 15: Uitsnede cultuurhistorische kaart, rode omkadering betreft het plangebied Uit de interactieve erfgoedkaart volgt dat de Voorste Heikant is aangeduid als een lijn met hoge cultuurhistorische waarde. Verder is op de kaart zichtbaar dat een gedeelte van het plangebied ligt op redelijk hoge akkers. Verder zijn in de directe omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de historische lijn van de Voorste Heikant. Door het herstellen van een voormalige akker door de

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 36 van 58 Vastgesteld 2024

aanplant van kruidenrijk grasland wordt recht gedaan aan de cultuurhistorische uitstraling van de omgeving 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer Het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) van Reusel-De Mierden kent een flexibele, modulaire opbouw. Er is een inventarisatie en evaluatiedocument opgesteld. Vervolgens is een verkeersvisie opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. De verkeersvisie krijgt een doorvertaling in acht modules, waarin het beleid is uitgewerkt. Er zijn vervolgens maatregelen benoemd, die worden samengevoegd in een integraal maatregelenpakket. In module 5 Vracht- en Landbouwverkeer, is de visie en beleid op zwaar verkeer nader uitgewerkt. In de visie onderscheid gemaakt tussen landbouwvoertuigen en vrachtverkeer, zwaar verkeer genoemd. Landbouwvoertuigen rijden vooral lokaal en beperktere afstanden. Vrachtverkeer (inclusief landbouw gerelateerd vrachtverkeer) rijdt langere afstanden en is vooral iets dat in samenwerking met de regio opgepakt moet worden. Er wordt in alle kernen hinder ondervonden van zwaar verkeer. Dit speelt met name in de centra, waarbij in de kleine kernen ook de schoolomgevingen hinder ondervinden. Het zware verkeer zorgt voor (gevoelens van) verkeersonveiligheid en leidt tot trillings- en geluidhinder. Lokaal zwaar verkeer bestaat veelal uit landbouwvoertuigen. Dit verkeer rijdt vaak korte afstanden en moet percelen kunnen bereiken. Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande inritten te behouden.

In de beoogde situatie worden derhalve geen nieuwe inritten mogelijk gemaakt. De bestaande inrit is door historie gegroeid. Het betreft een inrit welke conform de huidige ontwerpprincipes wenselijk is maar gezien de huidige situering van de loods noodzakelijk is. Sloop van de huidige loods is niet mogelijk en gewenst. Bij een eventuele sloop van de loods, wanneer de brede inrit niet meer noodzakelijk is, zal deze aangepast worden in overleg met de gemeente Reusel-De Mierden. De verkeersafwikkeling van het bedrijf bestaat in hoofdzaak uit het verlaten van de locatie in de ochtend, voor het uitvoeren van werkzaamheden op de locatie van opdrachtgever, én aan het eind van de dag terugkeren naar de inrichting. Verder vinden er bewegingen plaats om op een circulaire wijze de bedrijfsvoering uit te voeren. Afhankelijk van de werkzaamheden én het soort in te zetten machine/werktuig komen de voertuigen, ook gedurende de tussenliggende periode op de bedrijfslocatie (heen en weer). De voertuigen verlaten de inrichting via de Voorste Heikant. De Zijstraat wordt geclassificeerd als erftoegangsweg type II. Onderhavige weg is aangemerkt als een route voor zwaar vervoer en landbouwverkeer. Daarmee kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief optimaal gelegen is qua vestigingslocatie.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 37 van 58 Vastgesteld 2024

Afbeelding 16: Uitsnede module 5 Vracht- en Landbouwverkeer uit het GVVP Preventie, gedrag en opleiding Het aantal ongevallen kan verminderd worden door goede voorlichting, veiliger voertuigen en goed opgeleide bestuurders. Door goede (reeds aanwezige) gedragsregels voor de werknemers ten aanzien van het rijden op de openbare weg, zijn adequate maatregelen genomen om belemmeringen en verkeersonveilige situaties, zoveel als mogelijk, te voorkomen. Doordat initiatiefnemer en diens medewerkers ook belangrijke gebruikers zijn van de wegen in de omgeving van de bedrijfslocatie, zijn ook zij verantwoordelijk voor het naleven van de verkeersregels en actief sturen op verkeersveilig handelen. Initiatiefnemer en diens personeel volgen bij Cumela verschillende cursussen middels toolboxen en e-learnings. In Bijlage 4 is een voorbeeld van een toolbox weergegeven. Een andere belangrijke ontwikkeling is de e-learning Veilig rijden met (land)bouwvoertuigen. De e-learning is door Cumela en haar sociale partners FNV, CNV en HZC ontwikkeld. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een verkeerskundig acceptabele situatie en dat initiatiefnemer vanuit preventie actief deelneemt aan cursussen. 5.4.2 Parkeren De gemeenteraad heeft het 'Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan (GVVP)' op 19 september 2017 vastgesteld.

De landelijk gehanteerde parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 zijn leidend voor de gemeente Reusel-De Mierden. De gemeente hanteert het gemiddelde van de bandbreedte van de landelijke richtlijnen. Daarmee kan onderbouwd worden aangegeven welke parkeernorm is gebruikt en wat de verwachte parkeervraag is. CROW-publicatie 381 beschrijft ook hoeveel verkeersbewegingen bepaalde ontwikkelingen tot gevolg hebben en is de basis voor het beoordelen van verkeerseffecten van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is genoeg ruimte nodig voor het manoeuvreren en rangeren van de machines, werktuigen, vrachtwagens en het parkeren (personen)auto’s en vrachtwagens. Het parkeren zal niet plaatsvinden op of langs de openbare weg. Voor de inrichting van de parkeerplaatsen is gebruik gemaakt van de richtlijnen van het CROW. De beoogde bedrijfsvoering op locatie wordt conform de CROWparkeernormen 381 (2018) als arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf gezien. Er komen relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers op het bedrijf. De totale bruto vloeroppervlakte van het bedrijfsgebouw bedraagt 1.490 m2. De buitenopslag heeft een oppervlak van 1.700 m2 en kan ook als bedrijfsmatige ruimte worden gezien (feitelijk is deze opslag ondersteunend aan de bedrijfsbebouwing en leidt dit niet tot extra noodzaak tot parkeren). Zekerheidshalve wordt het

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 38 van 58 Vastgesteld 2024

bebouwd oppervlak en de opslag meegeteld als bedrijfsvloeroppervlak. Er is dan ook voldoende ruimte op het terrein om auto’s te parkeren. Feítelijk is dit een zeer zware overschatting aangezien op de locatie bedrijfsmatig nooit meer dan 5 tot 10 auto’s op de locatie aanwezig zullen zijn. De locatie bevindt zich in het buitengebied. Daar geldt een minimale parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per 100 m2 bvo en een maximale parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Gezien de zeer beperkte feítelijke parkeerbehoefte en het gegeven dat de locatie in feite een groot parkeerterrein is, wordt aangesloten bij het minimaal aantal parkeerplaatsen. Uitgaande van een bedrijfsvloeroppervlak van 3.190 m2 en een minimale parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo zijn 32 parkeerplaatsen noodzakelijk. De rangeerruimte wordt niet meegenomen aangezien dit ten dienste staat van de bedrijfsactiviteiten en op zich zelf niet leidt tot een grotere parkeerbehoefte. Op de locatie worden aan de voorzijde 12 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de achterzijde wordt ruimte gereserveerd voor 20 parkeerplaatsen. Binnen de planlocatie is voldoende ruimte voor parkeren en manoeuvreren. Conform de CROW-parkeernormen 381 (2018) dient bij een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaats aangehouden te worden.

op de privé-inrit wordt voorzien in deze parkeerplaatsen. 5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap De Dommel onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: -

Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water;

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 39 van 58 Vastgesteld 2024

-

Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

-

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.5.2 Watertoets Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Emissie van vervuilingen vanaf het erf is een belangrijke route waarlangs vervuilende middelen (zoals olie, vet, gewasbeschermingsmiddelen) in het milieu kunnen komen. Voor behoud van een effectief middelenpakket én om normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verminderen is het belangrijk om erfemissie aan te pakken. Referentiesituatie Ter plaatse van het plangebied is verschillende bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor buitenopslag aanwezig. Op de locatie is sprake van het ontstaan van 3 soorten afvalwaterstomen namelijk: -

Niet-verontreinigd hemelwater; Afvalwater afkomstig van de wasplaat;

-

Huishoudelijk afvalwater.

Het niet-verontreinigde hemelwater wordt separaat afgevoerd naar een infiltratiesloot. Dit nietverontreinigde hemelwater is afkomstig van daken en schone erfverharding. Het afvalwater, welke ontstaat bij het reinigen van voertuigen (waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt), is aangesloten op een olie- en vetafscheider. Deze olie- en vetafscheider voldoet aan de eisen zoals gesteld in de NEN 858-1 en NEN 858-2 norm en is voorzien van een CE-certificaat. Via de olie- en vetafscheider wordt het water afgevoerd naar het gemeentelijk vuilwaterriool (drukrioleringssysteem). Het huishoudelijke afvalwater wordt eveneens afgevoerd naar het vuilwaterriool. De waterhuishouding is in de huidige situatie geregeld met een gescheiden stelsel waarbij huishoudelijk afvalwater op het gemeentelijk drukrioleringssysteem wordt geloosd en het hemelwater afstroomt naar omliggende watergangen. Er is in de huidige situatie geen sprake van overlast. Voorgenomen activiteit Sinds de inwerkingtreding van de beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap De Dommel d.d. 01­ 01-2015 is sprake geweest van een toename aan erfverharding met versnelde afvoer van circa 3.500 m2. Compensatie

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 40 van 58 Vastgesteld 2024

Middels de Keur van Waterschap De Dommel, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets van Waterschap De Dommel schrijft voor dat bij bestemmingsplanwijzigingen mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak. Verder zijn deze mitigerende maatregelen van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatie specifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden.

Gevoeligheidsfactor V (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) geeft aan dat met van de berekende capaciteit kan worden volstaan. De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) s Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De toename verhard oppervlak t.o.v. de referentiesituatie betreft 3.500 m2 aan nieuwe verharding en bebouwing. Deze versnelde afvoer vindt plaats middels rioolbuizen naar een retentievoorziening (zaksloot). Het water infiltreert hier rechtstreeks in de grond, dit mede om verdroging van de groenstrook tegen te gaan. Er wordt expliciet geen hemelwater geloosd op het drukriool. Een compensatie is noodzakelijk voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2. Het toename aan verhard oppervlak met een versnelde afvoer betreft derhalve 3.500 m2. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval De Dommel, verdeeld in drie categorieën. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is sprake van een gevoeligheidsfactor 1.

Legenda Gevoeligheidsfactor 1 1 1/2 1/4

Afbeelding 17: Uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’ Keur Waterschap De Dommel De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3 /ha) welke de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 41 van 58 Vastgesteld 2024

als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 3.500 m2 x 1 x 0,06 = 210 m3. Bepaling minimale oppervlakte watercompensatie Op basis van de actuele grondwatertrap blijkt dat ter plaatse van de beoogde watercompensatie het waterbergend vermogen 1,30 (1,20-1,40) meter bedraagt, uitgaande van de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG).

Afbeelding 18: Uitsnede Keurkaart De Dommel Beoogde retentievoorziening Omdat het waterbergend vermogen ter plaatse van de beoogde waterberging c.q. retentievijver 0,9 m1 per 1 m2 bedraagt, moet minimaal 270 m2 aan volledig waterbergend vermogen gerealiseerd worden. Initiatiefnemer is voornemens om een retentievijver met een omvang van 270 m2 te realiseren. Hierdoor wordt ruimschoots voldoende watercompensatie. In onderstaande afbeelding is de beoogde retentievoorziening weergegeven.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 42 van 58 Vastgesteld 2024

5.5.3 Watergangen en keringen Zoals te zien in de afbeelding zijn nabij de planlocatie watergangen gelegen. Het betreffen Bwatergangen. Er zijn geen A-watergangen en/of C-watergangen bij de locatie gelegen. Ook is de locatie niet in overige aandachtsgebieden gelegen. Werkzaamheden in de betreffende watergangen of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning­ en/of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 5 meter breed, gemeten uit de insteek. Voor Bwatergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. In de nabijheid van de planlocatie zijn twee watergangen aangeduid als B-watergang. Binnen 1 meter vanaf de insteek zullen hier geen activiteiten plaatsen. Ook zijn er C-watergangen aanwezig. Dit heeft geen consequenties voor de uitvoering van het plan.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 43 van 58 Vastgesteld 2024

oppervlaktewater A-water (lijnen)

C-watergang B-water (lijnen)

Afbeelding 20: Uitsnede legger Waterschap De Dommel 5.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de planlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Geluid - Industrielawaai Bodem Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied wordt bepaald door de milieubelastende activiteiten in de directe omgeving. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of veehouderijen) en gevoelige functies (zoals woningen of verblijfsrecreatieve eenheden) wordt hinder voorkomen. De VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 bevat een richtafstandenlijst, waarmee milieuzonering kan worden toegepast. Deze richtafstandenlijst bevat richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Deze richtafstanden geven een indicatieve afstand, waarmee hinder ter plaatse van gevoelige functies wordt voorkomen bij een gemiddeld nieuw bedrijf binnen het betreffende type bedrijvigheid. De richtafstanden bieden bovendien in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. Deze toepassing geeft derhalve een zeer goede indicatie inzake het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies en de eventuele gevolgen voor de

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 44 van 58 Vastgesteld 2024

ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijvigheid. Als de richtafstanden niet worden behaald is nader onderzoek vereist om de aanvaardbaarheid van een ontwikkeling aan te tonen. De richtafstandenlijsten vermelden de richtafstanden die bij voorkeur worden aangehouden tussen bedrijven en de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden, daar deze gebieden gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kennen. Navolgend zijn de definities van beide omgevingstypen uit de VNG-handreiking opgenomen. Tabel 1: Omgevingstypen (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wij gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Tabel 2: Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Milieucategorie Richtafstand tot Richtafstand tot omgevingstype rustige omgevingstype woonwijk en rustig gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Bij het aspect bedrijven en milieuzonering dient ten eerste beoordeeld te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies, bezien vanuit de milieugevolgen door milieubelastende functies (bedrijvigheid). Ten tweede dient beoordeeld te worden of, indien een milieugevoelige functie wordt gerealiseerd (zoals woningen), omliggende bedrijven hierdoor niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 45 van 58 Vastgesteld 2024

Uitgaande van het karakter van de omgeving van initiatiefnemer, waar diverse functies aanwezig zijn (o.a. wonen, niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten, agrarische activiteiten), is het legitiem om dit gebied als ‘gemengd gebied’ aan te merken. Qua representativiteit bestaat de hoofdactiviteit uit de dienstverlening ten behoeve van in hoofdzaak loonwerk- en (cultuurtechnisch) grondverzet. De duur van de activiteiten binnen de inrichting zijn dagelijks relatief beperkt, bestaande uit het starten van de machines, verlaten locatie, aankomst locatie, voorbereidende werkzaamheden volgend werk (bijv. aanVafkoppelen machines of parkeren). Impact op bedrijfsmatige ontwikkelingsmogelijkheden Het voornemen heeft betrekking op de vestiging van het onderhavige loon- en grondverzetbedrijf. In de huidige situatie is hier een agrarisch bedrijf gevestigd. In de beoogde situatie worden geen nieuwe gevoelige situaties mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd behouden. De ontwikkeling heeft dus geen gevolgen voor de bedrijfsmatige ontwikkelingsmogelijkheden van derden. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat op omliggende milieugevoelige functies Ten aanzien van milieuzonering is het relevant of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige functies (zoals woningen), ten gevolge van de voorgenomen bedrijfsvestiging.

Categorie

Grootste afstand

Gevaar

Geluid

Geur

Tabel 3: Bedrijvigheid in plangebied met toe te passen richtafstanden (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Omschrijving Richtafstanden in meters (in gemengd gebied) ico"t O -h

Dienstverlening akkerVtuinbouw (b.o. > 500 m2) Dienstverlening aan bosbouw Verhuur van machines Z werktuigen

10 10 10

0 0 0

30 30 30

10 10 10

30 30 30

3.1 3.1 3.1

Grondverzet

10

0

30

10

30

3.1

Uit Tabel 3 volgt voor de aspecten geur een richtafstand van 10 meter en voor stof geen richtafstand. De richtafstand voor het aspect gevaar kan in beginsel niet met één afstandsstap worden verlaagd, waardoor theoretisch een richtafstand van 30 meter (in plaats van 10 meter) geldt. Ten behoeve van de werkzaamheden worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen en is ook geen sprake van andersoortige gevaarlijke installaties. Bij bijvoorbeeld het (gering) opslaan van gasflessen wordt de van toepassing zijnde regelgeving (o.a. Activiteitenbesluit milieubeheer) in acht genomen. Er is dus geen sprake van externe veiligheidsrisico’s buiten de inrichting. Voor het aspect geluid geldt een afstand van minimaal 30 meter. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van minimaal 52 meter (Voorste Heikant 5a). Op basis van het vorenstaande kan derhalve geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de richtafstanden op basis van de VNG.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 46 van 58 Vastgesteld 2024

Conclusie Op grond van het aspect ‘milieuzonering’ zijn er overeenkomstig een goede ruimtelijke ordening geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.6.2 Bodem Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Wanneer een toekomstige functie mogelijk wordt belemmerd door de bodemkwaliteit (denk bijvoorbeeld aan een groentetuin op een voormalige vuilstortplaats), zal een verkennend bodemonderzoek moeten aantonen of dit daadwerkelijk het geval is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het daarom van belang om te kijken of de toekomstige functie van het gebied niet in strijd is met de kwaliteit van de bodem. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd. Het toekomstig gebruik van de gronden wordt ingericht als loods. Als binnen een inrichting bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten worden verricht, moet het bedrijf voldoende bodembeschermende voorzieningen en maatregelen treffen om de kans op bodemverontreiniging tot een verwaarloosbaar minimum terug te brengen. De combinatie van maatregelen en voorzieningen hebben tot doel om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten. Om het ontstaan van een bodemverontreiniging te voorkomen worden diverse technische en organisatorische maatregelen getroffen.

In navolging van de Wet Milieubeheer (voor bedrijfsactiviteiten) moet op grond van de van toepassing zijnde milieuregels (Activiteitenbesluit) voldaan worden aan een verwaarloosbaar bodemrisico voor de milieurelevante activiteiten. Conclusie In relatie tot de Wet bodembescherming, Activiteitenbesluit en het Besluit bodemkwaliteit is op voorhand geen onevenredige uitvoering van dit plan aan de orde.

5.6.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: - Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Het wettelijk kader (Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en Activiteitenbesluit milieubeheer) schrijft voor op welke wijze het bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij uitbreidt of wijzigt. Indirect heeft deze geurwetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd.

De reden hiervoor is duidelijk, een geurnorm is bedoeld om personen te beschermen tegen geurhinder, dus omgekeerd moet het bevoegd gezag ook geen nieuwe situaties toestaan waarbij personen zichzelf blootstellen aan overmatige geurhinder. Voor de toetsing van het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=77ec1b78-3070-478f-8658-93f9dd2ce022