[24.15261] Toelichting bestemmingsplan Deenen Voorste Heikant 6 te Reusel
Tekst van het document
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 47 van 58 Vastgesteld 2024
aspect veehouderijen en geur kan overigens ook gebruik worden gemaakt van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, zoals toegelicht in voorgaande paragraaf. De veehouderijendichtheid rondom het plangebied is relatief laag. Op Afbeelding 21 is de ligging van het plangebied weergegeven, met de aanwezige veehouderijen. De VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ hanteert voor veehouderijbedrijven in beginsel een maximale richtafstand van 200 meter voor het aspect geur (100 meter in gemengd gebied, als hier van toepassing). Binnen 200 m rondom het bedrijfsbestemming zijn geen veehouderijbedrijven meer gelegen. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een varkenshouderijlocatie gelegen aan de Voorste Heikant 1 te Reusel. De rand van het bouwvlak van dit bedrijf is gelegen op circa 103 meter tot de rand van het beoogd bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en 260 meter ten opzicht van de bestaande bedrijfswoning. In onderhavige situatie is er sprake van bestaande geurgevoelige objecten, waaronder de bestaande bedrijfswoning. Deze objecten blijven ongewijzigd behouden. De nieuwbouw van de bedrijfsloods vindt, bezien vanuit de veehouderij, achter de bestaande woning plaats. De ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het aanwezige bedrijf.
Bovendien wordt een ruimschoots afdoende afstand ^ 200 m) gerespecteerd tussen de stallen van het bedrijf en de bestaande geurgevoelige objecten op onderhavige bedrijfslocatie
Afbeelding 21: Kaart ligging veehouderijbedrijven, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant o.b.v. Web-BVB Brabant.) Woon- en leefklimaat Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is daarmee een goede graadmeter voor hinder ten gevolge van veehouderijbedrijven. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) heeft kaarten opgesteld met betrekking tot de fysieke leefomgeving, op basis van de bij hen beschikbare data. Een van deze kaarten heeft betrekking op de achtergrondbelasting van geur ten gevolge van de aanwezige veehouderijbedrijven. Een uitsnede van deze kaart is bijgevoegd in. Hieruit volgt dat de kwaliteit van de leefomgeving, bezien vanuit het aspect geur van veehouderijen ‘goed’ is (3 - 7 OUEZm3 ). Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de provinciale
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 48 van 58 Vastgesteld 2024
en gemeentelijke streefwaarde van een achtergrondbelasting van maximaal 20 OUE/m3. Voor dit aspect is derhalve sprake van een aantoonbaar aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Achtergrondbelasting geur maart 2022 kwaliteit leefomgeving | zeer goed 0-3 | goed 3-7 Hl redelijk goed 7-13 matig 13-20 tamelijk slecht 20-28
M slecht 28-35 | zeer slecht 35-50 I extreem slecht 50-^
Afbeelding 22: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur veehouderijen in OUE/mS ODZOB, peildatum maart 2022. Planlocatie globaal rood omkaderd weergegeven
5.6.4 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.
Projecten die "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 30Zo van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Het plangebied voorziet niet in de realisatie van gevoelige bestemmingen. Op grond van de Wet luchtkwaliteit is er daarom geen onderzoeksplicht.
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 49 van 58 Vastgesteld 2024
Gezien de aard van het bedrijfsactiviteiten, waarbij in relatie tot het plan, geen relevante significante wijzigingen optreden qua activiteiten, is in relatie tot de luchtkwaliteit geen onevenredige nadelige beperking te verwachten. Het aantal motorvoertuigbewegingen blijft ver onder de grenzen van het Besluit NIBM. Naast de toetsing van het aspect luchtkwaliteit in het kader van de Wet luchtkwaliteit moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden getoetst of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is voor de beoogde functie. Achtergrondbelasting Op onderhavige locatie worden bedrijfsmatig geen dieren gehouden, ook wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. Op korte afstand van het plangebied liggen nagenoeg geen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatse van het plangebied. Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente Reusel-De Mierden dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de GCN-kaarten van RIVM. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied bedraagt 15,96 ^g/m3, de norm bedraagt 40 ^g/m3. De achtergrondconcentratie zeer fijnstof (PM 2,5) ter plaatse van het plangebied bedraagt 8,95 ^g/m3, de norm bedraagt 20 ^g/m3.
De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 10,77 ^g/m3, de norm bedraagt 40 ^g/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
Afbeelding 23: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof (PM10) bron: Atlas leefomgeving
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 50 van 58 Vastgesteld 2024
Afbeelding 24: Uitsnede GCN-kaart PM2,5 bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Afbeelding 25: Uitsnede GCN-kaart NO2 bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/ Conclusie De blootstelling aan luchtverontreiniging is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplanwijziging. 5.6.5
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
-
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
-
het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 51 van 58 Vastgesteld 2024
beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat eronder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6Zjaar.
Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1o0o letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 10 van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. In de omgeving zijn risicobronnen aanwezig in invloedsgebieden van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of buisleiding. Initiatiefnemer is voornemens om het bestemmingsvlak van vorm te veranderen t.b.v. de uitvoering van een loonwerkbedrijf. Ten aanzien van het groepsrisico kan gesteld worden dat onderhavig plan niet voorziet in de realisatie van een nieuw zeer kwetsbaar gebouw. In de beoogde situatie worden enkel twee loodsen opgericht, welke dienst doen als stalling, kantoor, wasplaats en onderhoudswerkplaats.
Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, risicorelevante transportassen of risicorelevante buisleidingen in de buurt zijn gelegen, is de Risicokaart Nederland geraadpleegd.
Overig BRZO
U Terreingrens
D Incident regionale wegen
z Buisleiding
Z Basisnet weg Basisnet-wegtraject met PAG-indicatie
z Basisnet-wegtraject zonder PAG-indicatie Basisnet spoor Basisnet-spoortraject met PAG-indicatie
z Basisnet-spoortraject zonder PAG-indicatie Basisnet water
z B a s i s n et-ze eva a rtro ute s z Basisnet-binnenvaartroutes
Afbeelding 26: Uitsnede risicokaart, rode omkadering betreft de planlocatie
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 52 van 58 Vastgesteld 2024
Bevi Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet in een invloedsgebied ligt van een Bevi-bedrijf, waardoor het Bevi niet relevant is en er geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen de planlocatie. Bevb In de nabije omgeving van de planlocatie geen buisleidingen. De planlocatie ligt buiten de PR 10-6 contour. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op circa 5,3 kilometer meter van het plangebied. Bevt Voor toetsing aan externe veiligheid voor de planlocatie moet rekening worden gehouden met mogelijke effecten vanuit het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Deze veiligheidsafstanden liggen op de rijksweg en daarmee niet binnen het plangebied. Het plangebied is gelegen op circa 5,1 kilometer tot de dichtstbijzijnde weg waarbij sprake is van transport van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 5.7
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder deze grenzen uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 tevens een m.e.r.beoordelingsplicht. Op onderhavige locatie worden echter geen activiteiten uitgevoerd welke onder de Cof D-lijst vallen. Er kan dus worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een toekomstig m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER.
Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke m.e.r.-plicht, geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden, hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 5.2.1 van deze toelichting. Conclusie Er is geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden.
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 53 van 58 Vastgesteld 2024
6
Toelichting op de regels
6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij het “Buitengebied”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels. Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2
Toelichting op de bestemmingen
Artikel 3: Bedrijf De regels voor de ‘Bedrijf’ bestemde gronden zijn overgenomen uit het geconsolideerde bestemmingsplan voor het buitengebied. Op de locatie wordt geen uitvoering gegeven aan een loonwerkbedrijf. Dit bedrijf is in overwegende mate gericht op het uitvoeren van werkzaamheden met of door machines en werktuigen ten behoeve van agrarisch en cultuurtechnisch loonwerk en grondverzet. Groen - Landschappelijke inpassing Artikel 4: De regels voor de ‘groen - landschappelijke inpassing’ bestemde gronden zijn gericht op het aanbrengen en in stand houden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen. Artikel 5: Waarde - Archeologie 4 De regels voor de ‘Waarde - Archeologie 4’ bestemde gronden zijn overgenomen uit het voorontwerpbestemmingsplan voor het buitengebied. Dit artikel geeft aan op welke manier de aangewezen gronden bestemd zijn voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden. Artikel 6: Waarde - Archeologie 5 De regels voor de ‘Waarde - Archeologie 5’ bestemde gronden zijn overgenomen uit het voorontwerpbestemmingsplan voor het buitengebied. Dit artikel geeft aan op welke manier de aangewezen gronden bestemd zijn voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden.
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 54 van 58 Vastgesteld 2024
7
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhalen van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Reusel-De Mierden heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 55 van 58 Vastgesteld 2024
8
Hoofdstuk 8
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1 Omgevingsdialoog Met de omgeving heeft een dialoog plaatsgevonden waarbij het gewenste initiatief is voorgelegd. Omwonenden hebben hiervoor gelegenheid gehad om te reageren op het plan. Uit het dialoog zijn geen zaken naar voren gekomen die leiden tot een aanpassing van het plan. Vooroverleg 8.2 Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn de in dat artikel genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan. 8.3 Zienswijzeperiode Het ontwerpbestemmingsplan ligt op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende zes weken ter inzage. Tegelijkertijd wordt het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad, in de Staatscourant en op de gemeentelijke website. Enkel de provincie Noord-Brabant heeft een zienswijze ingediend.
Uit de zienswijze blijkt dat de ondergeschiktheid van de grondverzetactiviteiten. Hieronder wordt een reactie gegeven op zienswijze. Tevens wordt nader ingegaan op de buiten opslag. Reactie op zienswijze provincie Noord-Brabant Cumela heeft op dit moment 363 leden in Noord-Brabant, waarvan maximaal 50Zo op een industrieterrein zitten, zie onderstaande kaart. Nagenoeg alle locaties worden aangemerkt als agrarisch technisch hulpbedrijf c.q. agrarisch verwant bedrijf. Degene die op een bedrijventerrein zitten zijn uitgekocht voor woningbouw of bedrijven met specifieke activiteiten zoals afvalverwerking, havenoverslagstations, etc. Dit betreffen niet de ‘standaard agrarische en cultuurtechnische loonwerk en grondverzetbedrijven’. Laatstgenoemde bedrijven zitten onder andere vanwege functie, de werkzaamheden voor en in het landelijk gebied, de inzet van langzaam rijdend verkeer/mobiliteit, etc, alsmede vanwege een gezonde concurrentiepositie in het buitengebied. Het feit dat 9507o van deze bedrijven in het landelijk gebied zijn gevestigd, zegt - zeker in ruimtelijke zin -veel. Gorinchem
Dordrecht
Nijmegen
Nationaal Park De Biesbosch îrtogenl Do: ’eiľ.'H I
Veghelļ
CEJ toosendaal
Venray
Bergen® òp Zoom’ Hoogi
Eindhoven*
Hoogstraten
VaJkenswaaV Turnhout Brasschaat
Antwerpen
Lommel
Pelt
Weert Rnprmnnrf
Afbeelding 27: Uitsnede locaties van leden Cumela
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 56 van 58 Vastgesteld 2024
Onderhavig bedrijf is hoofdzakelijk gericht op het verlenen van diensten aan agrariërs in het buitengebied en cultuurtechnische activiteiten in het buitengebied. Zoals ook de provincie Noord-Brabant omschrijft wordt niet vastgehouden aan bedrijventerrein voor dit soort activiteiten. Een agrarisch technisch hulpbedrijf is een bedrijf dat diensten verleend aan de in het Landelijk gebied gevestigde agrarische bedrijven. Voor deze bedrijven wordt daarom niet vastgehouden aan het uitgangspunt van vestiging op een bedrijventerrein. Een agrarisch verwant bedrijf heeft een nauwe relatie met een agrarische functie maar levert diensten aan burgers. De vestiging op een bedrijventerrein is daarom lastig en bovendien zijn deze bedrijven vanuit hun aard vaak niet kleinschalig. Ook heeft de provincie Noord-Brabant voor al dit soort vergelijkbare bedrijven medewerking geleverd. Hieronder zijn slechts enkele voorbeelden gegeven: 1. Burgemeester Willekenslaan 3 te Reusel; 2. Herziening Molendijk 1B Lage Zwaluwe; 3. Hoefseweg 2 te Haps; 4. Gareelweg 26 te Moerstraten; 5. West-Groeneweg 1 te De Heen; 6. Tongeren 48 te Boxtel; 7. Keizersven 34 te Elsendorp; 8. Nieuwekampen 12-14 te Vinkel. Initiatiefnemer voert vergelijkbare activiteiten uit met het bedrijf op Burgemeester Willekenslaan 3 te Reusel.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat er sprake moet zijn van een gelijk speelveld voor dit soort bedrijven. Met de begrenzingen zoals hieronder aangegeven wordt hier uitvoering aan gegeven. Planologische begrenzing bedrijfsactiviteiten De gemeente erkent op basis van de bedrijfsvoering dat er sprake is van een agrarisch- en cultuurtechnisch loonwerkbedrijf. Vanwege onzekerheden op het gebied van landbouwkundig perspectief oftewel continuïteit en behoud van toekomstperspectief voor het bedrijf alsmede het behouden van goed personeel is het vanzelfsprekend dat in ondergeschikte mate het personeel en machines voor andere activiteiten dan sec agrarisch en cultuurtechnisch ingezet (kunnen) worden. Binnen het agrarisch werk dienen, vanwege de afhankelijkheid van weersomstandigheden in combinatie met de (sturende) wettelijke bepalingen, de werkzaamheden steeds meer in een korter Z sneller tijdstraject uitgevoerd te worden. Dit gaat gepaard met rustige periodes én (zeer) hoge pieken om de werkzaamheden uit te voeren. Om een jaarrond een stabiele werkverdeling te hebben van materieel en personeel richt het bedrijf zich ook op activiteiten ondersteunend aan de GWW-sector De ruimte die noodzakelijk is voor grondverzet is ondergeschikt aan de andere activiteiten. Om dit vast te leggen wordt een functieaanduiding opgenomen met een oppervlak van 2.500 m2.
Met een oppervlak van 6.100 m2 wordt maximaal 41/ van het perceel gebruikt t.b.v. grondverzet. Hiervoor wordt een specifieke aanduiding opgelegd. Ter plaatse van deze aanduiding mogen echter nog steeds agrarische loonwerkactiviteiten en cultuurtechnische activiteiten plaatsvinden. Deze aanduiding is 41 /o van het bestemmingsvlak en daarmee duidelijk ondergeschikt. Voor wat betreft de buitenopslag worden wel voorwaarden in relatie tot hoogte en oppervlak opgenomen. Dit is vergelijkbaar met de situatie aan de Burgemeester Willekenslaan 3 te Reusel. De gemeente heeft voor deze vergelijkbare situatie geen problemen ervaren en wil een gelijk speelveld voor dit soort ondernemers. Met de planologische begrenzing van bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in hierboven is sprake van een ondergeschikte situatie. Daarnaast is het splitsen van de activiteiten niet wenselijk omdat het opsplitsen juist zal leiden tot meer vervoersbewegingen (tussen verschillende locaties) omdat de activiteiten zijn geïntegreerd in één bedrijfsvoering en één aansturing. Door een functieaanduiding i.r.t. de uitvoering van grondverzet ondersteunend aan GWW op te nemen staat niet ter discussie dat er sprake is van een agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf. Op basis van de maatregelen wordt planologisch-juridisch specifiek vastgelegd dat er sprake is van een ondergeschikte functie.
Planologische begrenzing opslag puin
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 57 van 58 Vastgesteld 2024
Buitenopslag is voor alle loonwerk- en grondverzetbedrijven inherent verbonden aan de standaard bedrijfsuitoefening van het ‘loonbedrijf én essentieel als ‘verlengstuk’ van de dienstverlening van deze bedrijven in casu initiatiefnemer. Zoals bij een agrarisch bedrijf ook buitenopslag plaatsvindt en machines, materieel, werktuigen, en dergelijke buiten staan, is dit bij loonwerk- en grondverzetbedrijven ook inherent aan c.q. een normaal onderdeel van de bedrijfsvoering. De werkzaamheden gerelateerd aan het bedrijf dienen op de werklocatie (buiten de inrichting) normaliter vroegtijdig aan te vangen (bijvoorbeeld 7.00 uur op locatie). Onder andere bij ‘kleinere’ klussen is het gebruikelijk en onderdeel van de service dat het cumelabedrijf zorgdraagt voor de hulp-, grond- en benodigde goederen/stoffen. Dit betreft bijvoorbeeld zaaizaden, grasmengsels/plantmateriaal of bijvoorbeeld (kunst)meststoffen, en dergelijke. Voornoemde is ook van toepassing bij grondverbeteringsprojecten, uitgraven en aanleggen van een inrit, uitgraven van agrarische bedrijfsbebouwing, het aanleggen van een natuurvriendelijke oever of anderszins. Bij genoemde werken is het zeer efficiënt dat het cumelabedrijf direct de benodigde hulpVgrondVbouwstoffen kan meebrengen en ter plaatse, bij de klant, nuttig kan toepassen.
Om dit vanuit bedrijfsmatig en strategisch oogpunt te realiseren is een doelmatige op- en overslag (strategische werkvoorraad), als buitenopslag, binnen de afzonderlijke inrichting van het betreffende bedrijf i.c. initiatiefnemer thans aanwezig en noodzakelijk. De opslag zal uitsluitend dienen ter ondersteuning van de eigen bedrijfsvoering en ten behoeve van eigen agrarische activiteiten. In het verlengde van de uitgevoerde activiteiten van het bedrijf én overeenkomstig het Activiteitenbesluit is de opVoverslag van groenmateriaal (loof, blad, hout, e.d.), zand/grond, bouwstoffen, opportuun. Dit zijn stoffen welke naar de aard van het product, buiten opgeslagen moeten worden en/of waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden. Door goede opslagmogelijkheid onder beheersbare condities is I wordt de kwaliteit van het product gewaarborgd en de eventuele bodemrisico’s geminimaliseerd. Daarnaast is er een beperkte opslag voorziening van puin noodzakelijk. Dit betreft een beperkte opslagvoorziening van 150 m3. Er zal enkel ongebroken puin op de locatie opgeslagen worden en geen puin worden gebroken dan wel opgeslagen worden. Dit puin is ontstaan bij kleine werkzaamheden, zoals bij het vervangen van een inrit. Hierbij komen verschillende stromen vrij, zoals grond, groen (wortels), klinkers en een duiker.
Mede daarom zullen we een voorwaarde opnemen waaruit blijkt dat maximaal 150 m3 aan puin (afvalstof) opgeslagen mag worden.
Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 58 van 58 Vastgesteld 2024
Bijlagen Bijlage 1: Plattegrondtekening Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Bijlage 3: Berekening kwaliteitsverbetering Bijlage 4: Voorbeeld Toolboxen veiligheid Bijlage 5: Voortoets Stikstof Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Omgevingsdialoog