CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[24.15261] Toelichting bestemmingsplan Deenen Voorste Heikant 6 te Reusel

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Voorste Heikant 620.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 1 van 58 Vastgesteld 2024

Bestemmingsplan Voorste Heikant 6 te Reusel Vastgesteld Toelichting

OCUMELA

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 2 van 58 Vastgesteld 2024

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1

Inleiding..................................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding.........................................................................................................................................4 1.2 Plangebied........................................................................................................................................4 1.3 Geldende bestemmingsplannen.......................................................................................................5 2 Bestaande situatie..................................................................................................................................6 3 Beoogde situatie.....................................................................................................................................7 4 Ruimtelijk beleidskader........................................................................................................................11 4.1 Wettelijk kader................................................................................................................................

11 4.2 Rijksbeleid......................................................................................................................................11 4.3 Provinciaal beleid........................................................................................................................... 13 4.4 Gemeentelijk beleid........................................................................................................................24 5 Omgevingsaspecten.............................................................................................................................26 5.1 Landschap......................................................................................................................................26 5.2 Natuur.............................................................................................................................................29 5.3 Archeologie en Cultuurhistorie.......................................................................................................32 5.4 Mobiliteit en parkeren.....................................................................................................................36 5.5 Water..............................................................................................................................................38 5.6

Milieuaspecten................................................................................................................................43 5.7 Milieueffectrapportage (M.e.r.)....................................................................................................... 52 6 Toelichting op de regels.......................................................................................................................53 6.1 Algemeen.......................................................................................................................................53 6.2 Toelichting op de bestemmingen...................................................................................................53 7 Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid........................................................................................54 8 Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid...............................................................55 8.1 Omgevingsdialoog..........................................................................................................................55 8.2 Vooroverleg....................................................................................................................................55 8.3

Zienswijzeperiode...........................................................................................................................55 Bijlagen...................................................................................................................................................... 58

REGELS VERBEELDING BIJLAGEN Zie separaat bijlagenboek

TOELICHTING

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 3 van 58 Vastgesteld 2024

Bestemmingsplan Voorste Heikant 6, 5541NR te Reusel Gemeente Reusel-De Mierden

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 4 van 58 Vastgesteld 2024

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Het loonbedrijf van de familie Deenen, is gevestigd en bedrijfsvoerend aan de Voorste Heikant 6, 5541 NR te Reusel. Initiatiefnemer is samen met zijn gezin sinds 2018 woonachtig op de locatie aan de Voorste Heikant 6 te Reusel, hierna planlocatie. Op dit moment is de bedrijfslocatie bestemd als een agrarische bedrijfslocatie (intensieve veehouderij). Initiatiefnemer is voornemens om de locatie te herontwikkelen t.b.v. een bedrijf gericht op loonwerkactiviteiten in de vorm van agrarisch loonwerk, cultuurtechnisch loonwerk en grondverzet. Naast agrarisch loonwerk c.q. verhuur van materieel en personeel, is aanleg, beheer en onderhoud van ‘landschap/buitenruimte’ in brede zin, middels de inzet van gemechaniseerde en moderne apparatuur en vakbekwaam personeel - buiten de eigen inrichting - de kerntaak van het bedrijf. Uitgaande van ‘hard werken’ en een no-nonsense mentaliteit en het belang van direct en persoonlijk contact is gewerkt aan een robuust fundament van het bedrijf. De specifieke kennis, de professionaliteit, de mate van kwalitatieve dienstverlening en service hebben ertoe geleid dat het bedrijf zich heeft ontwikkeld qua activiteiten en materieel. De werkzaamheden worden uitgevoerd voor verschillende opdrachtgevers, waaronder agrariërs, particulieren, gemeenten, waterschappen, natuur- en recreatieschappen, en dergelijke.

Veel projecten worden op projectbasis c.q. totaalbeheer uitgevoerd en/of aangenomen. Qua bedrijfsvoering vindt minimaal 85 /o van alle activiteiten plaats in het buitengebied. Initiatiefnemer is voornemens om een ontwikkelingsslag op het bedrijf te maken. De doelstellingen hierbij zijn o.a. het realiseren van een efficiënte bedrijfsvoering, waarbij onnodige vervoersbewegingen (en dus ook kosten) voorkomen worden. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om een nieuwe loods te gaan realiseren, zodat alle machines inpandig gestald kunnen worden. Op dit moment is er namelijk een tekort aan inpandige stallingsruimte. Met de ontwikkeling van deze loods kan op lange termijn voorzien worden in voldoende inpandige ruimte. Initiatiefnemer is voornemens om de locatie te herontwikkelen waarbij sprake is van een kwalitatieve opwaardering van de bedrijfslocatie. Initiatiefnemer is voornemens om de locatie op een robuuste wijze landschappelijk in te passen, waardoor de kwaliteit van het landschap, alsmede het aanzicht van de locatie versterkt wordt. Tot slot wordt de bestemming intensieve veehouderij van de locatie verwijderd. Het beoogde initiatief is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor realisering van het initiatief is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggende toelichting betreft een planologische verantwoording van het beoogde initiatief.

1.2 Plangebied Het plangebied ligt in de gemeente Reusel-De Mierden, ten zuidwesten van de kern van Reusel (0,7 kilometer). Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Reusel, Sectie E, nummers 413. Het plangebied ligt aan de Voorste Heikant en wordt ontsloten via de Postelsedijk en Sleutelstraat. De bedrijfslocatie is gelegen in het buurtschap Voorste Heikant, dat deel uitmaakt van de bebouwingconcentratie ‘omgeving Postelsedijk’. Rondom het plangebied liggen verschillende functies, zoals agrarische functies, bedrijfsfuncties en woonfuncties. Het gebied maakt deel uit van het zuidelijk zandgebied, dat het grootste deel van Noord-Brabant bedekt.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 5 van 58 Vastgesteld 2024

Afbeelding 1: Uitsnede projectlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen Voor het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2009’ en ‘Buitengebied 2009, herziening fase 1A’ van toepassing. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn binnen het plangebied aanwezig: -

Enkelbestemming ‘Bedrijf - Agrarisch’; Dubbelbestemming: ‘Archeologische verwachtingswaarde’; Lettertekenaanduiding: ‘Intensieve veehouderij’; Gebiedsaanduiding ‘Bebouwingsconcentratie’; Gebiedsaanduiding ‘Verwevingsgebied’.

Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 6 van 58 Vastgesteld 2024

2

Bestaande situatie

De bedrijfslocatie is gelegen in een gemengd agrarisch zandgebied. De locatie is gelegen in een oud cultuurland met veel perceelrandbegroeiingen. Door schaalvergroting in de agrarische sector zijn de meeste kenmerkende eigenschappen verdwenen (behoudens op locaties waar reeds investeringen zijn gedaan om de gebiedseigen kenmerken terug te brengen). In de omgeving zijn verschillende functies gelegen, waaronder agrarische functies, voormalige agrarische functie, woonfuncties, een dierenasiel en een wegenbouwbedrijf. Op de locatie is één bedrijfswoning met bijbehorende garage aanwezig, verder zijn op de locatie twee bedrijfsgebouwen aanwezig. Een loods met kantine van 250 m2 en een loods met een oppervlak van 450 m2. Tot slot zijn op de locatie voorzieningen gemaakt voor opslag.

Afbeelding 3: Weergave bestaande situatie

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 7 van 58 Vastgesteld 2024

3

Beoogde situatie

Een van de doelen van het onderliggende verzoek betreft het mogelijk maken van gewenste ontwikkelingen in relatie tot het verder verduurzamen van het bedrijf. Initiatiefnemer heeft een impact op de fysieke leefomgeving. Zowel door de activiteiten die worden uitgevoerd op de bedrijfslocatie alsmede door de impact die het bedrijf heeft door de werkzaamheden in de buitenruimte. Uitgangspunt bij initiatiefnemer is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig en verantwoord beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving, met name in het buitengebied. Initiatiefnemer is voornemens om de locatie aan de Voorste Heikant 6, 5541 NR te Reusel te herontwikkelen. Initiatiefnemer is in overwegende mate gericht op het lokaal uitvoeren van werkzaamheden met of door machines en werktuigen ten behoeve van de aanleg en onderhoud van groenvoorzieningen, de daarmee samenhangende grondwerken (bovenste grondlaag), het uitvoeren van agrarisch loonwerk, alsmede alle andere grondwerken ten behoeve van beplantingen en groenstroken.

Voorbeelden van werkzaamheden zijn: Sloten maaien; Kuil dichtstoppen; Herstellen van bermen; Oogsten van landbouwproducten (met eigen tractor en kar of als inhuur); Ondersteuning (snoeiwerkzaamheden) bij het rooien en planten in de boomteelt en fruitteeltsector; - Aanleggen beregeningsinstallatie; - Drainage leggen; Omzetten composthoop; - Tarragrond uitzeven; Kilveren; - Mestbassins aanleggen. De gebruiksintensiteit van de specifieke landbouwwerktuigen is door het seizoenmatig karakter veelal relatief laag. De gebruiksintensiteit van met name de mobiele kranen is door de jaarrond benutting en het kunnen werken gedurende volledige werkdagen hoog. Door het uitvoeren van verschillende werkzaamheden kan een ondernemer zorgen voor betere werkvoorzieningen met minder pieken en minder dalen. Ondergeschikt voert initiatiefnemer ook grondwerkzaamheden uit in de infra-sector, hij wordt hierbij ingehuurd vanwege zijn specifieke lokale kennis. Deze werkzaamheden zijn noodzakelijk om jaarrond aan het werk te kunnen blijven1. In onderstaande tabel is het noodzakelijk ruimtegebruik weergegeven.

1 Initiatiefnemer is geen infrabedrijf. Het bedrijf is namelijk niet gericht op de realisatie van asfalt, beton, kunstwerken of geleidings- en markeerwerken of grootschalig grondverzet dan wel waterbouw.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 8 van 58 Vastgesteld 2024

Overzicht ruimtegebruik binnen bouwvlak: Soort ruimtegebruik Agrarisch Bedrijf Agrarisch Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf: Bedrijfsbebouwing Privé (tuin, woning, bijgebouwen) Buitenopslag Erfverharding (rangeerruimte) Landschappelijke inpassing Totale oppervlakte

Opp. bestaand 3.760 m2 8.110 m2 700 m2 1.400 m2 11.870 m2

Opp. beoogd 6.500 m2 1.490 m2 1.400 m2 1.700 m2 1.910 m2 5.370 m2 11.870 m2

In onderstaande afbeelding en in Bijlage 1 is de gewenste situatie weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met alle noodzakelijke activiteiten die uitgevoerd worden op de locatie van initiatiefnemer. Bij het ontwerp is specifiek aandacht besteed aan een goede landschappelijke inpassing en het gunstig positioneren van potentieel milieubelastende activiteiten.

Afbeelding 4: Beoogde situatie

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 9 van 58 Vastgesteld 2024

Bebouwing Het beoogde nieuwe bedrijfsgebouw heeft een eenvoudige rechthoekige opzet met een maximale goothoogte van 5 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter. Er is sprake van een symmetrische vormgeving van het gebouw en qua materialisering wordt gebruik gemaakt van baksteen in combinatie met een potdekselprofiel/rabatdelen. Voor het dak alsmede de windveren en daklijsten wordt gebruik gemaakt van een donkere antraciete kleur. De bestaande andere loods zal behouden blijven ten behoeve van de stalling van machines. Bovenstaande gebouwen zijn noodzakelijk omdat initiatiefnemer beschikt over een omvangrijk machinepark. Het materieel is daarbij als ‘kwetsbaar’ materieel aan te merken, vanwege onder andere: Materieel bevat hoge mate van technologie en elektronica (boardcomputers, gps, etc.); Materieel bevat draaiende, onbeschermde (tegen weersinvloeden) onderdelen; bij stilstand c.q. indien materieel niet in gebruik is, leidt dit tot roestvorming, ‘vastlopende’ onderdelen en derhalve storingen en dergelijke met een toename aan onderhoud/reparaties tot gevolg; Divers materieel is zeer ‘gewild’ bij het ‘dievengilde’ (extra bescherming - via bebouwing én daardoor ‘uit het zicht’ onttrekken - is noodzakelijk); Diverse machines/ werktuigen zijn maar een deel van het jaar inzetbaar. In de tijd dat het materieel niet gebruikt wordt, is inpandige stalling vereist.

Binnen de locatie zijn op dit moment zijn beperkte voorzieningen aanwezig ten behoeve van onder andere het stallen/parkeren van het materieel en machines (in bebouwing), repareren, reinigen en onderhouden van het materieel in eigen beheer (werkplaats). Als gevolg van een verdere specialisering van het materieel is het aantal werktuigen dat gebruikt wordt uitgebreid. Deze machines zijn kostbaar in aanschaf, maar halen betere rendementen in de vaak korte, weersafhankelijke periodes. Initiatiefnemer heeft derhalve relatief veel kostbaar specialistisch materieel. Door de specialisatie enerzijds en anderzijds door beperkte groei van personeel van de afgelopen jaren heeft initiatiefnemer meer werktuigen, machines, hulpstukken en dergelijke dan dat er stallingsruimte beschikbaar is. Initiatiefnemer heeft circa 1.200 m2 nodig. Uitgangspunt hierbij is dat waar mogelijk activiteiten inpandig uitgevoerd worden. De activiteiten die inpandig uitgevoerd worden zijn: Kantoor; - Kantine; - Werkplaats; Stalling machines; Opslag onderdelen, banden, etc.; Opslag gevoelige enkostbare stoffen. Buitenopslag Het onderdeel ‘buitenopslag in ruime zin’, binnen de bedrijfslocatie, is essentieel als ‘verlengstuk’ van de dienstverlening van het cumelabedrijf i.c. het bedrijf van initiatiefnemer.

De werkzaamheden dienen op de werklocatie (buiten de inrichting) normaliter vroegtijdig aan te vangen (bijvoorbeeld 7.00 uur op locatie). Bij genoemde activiteiten is het zeer doelgericht en efficiënt dat initiatiefnemer direct de benodigde stoffen (zoals: zand (diverse soorten), grond) kan meebrengen en ter plaatse, bij de klant, nuttig kan toepassen. Om dit vanuit bedrijfsmatig en strategisch oogpunt te realiseren is een doelmatige opslag binnen het bedrijf noodzakelijk. De activiteiten t.b.v. buitenopslag dienen enkel ter uitvoering van het eigen bedrijf. Opslagvoorzieningen

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 10 van 58 Vastgesteld 2024

Om voldoende opslag te realiseren is initiatiefnemer voornemens producten op een nette wijze op te slaan. Uitgangspunt hierbij is dat ter plaatse sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. De opslaghoogte zal niet hoger zijn dan maximaal 6 meter en de keerwanden worden niet hoger dan 4 meter (vergelijkbaar Burgemeester Willekenslaan 3 te Reusel). Hieronder treft u een voorbeeld van de opslag van grond e.d. Ook zal deze opslag op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast worden.

Afbeelding 5: Voorbeeld opslag grond e.d. Voldoende manoeuvreerruimte en inrit t.b.v. efficiëntere vervoersbewegingen en minder overlast Op de bedrijfslocatie is in de toekomst voldoende ruimte noodzakelijk om te manoeuvreren. Door voldoende ruimte op het perceel te creëren zal de logistiek op het totale terrein effectiever, efficiënter en veiliger kunnen plaatsvinden. Met de gewenste inrichting beoogt initiatiefnemer rijbewegingen te verdelen en te optimaliseren en daardoor overlast te voorkomen. Er zullen namelijk minder onnodige rijbewegingen en manoeuvreersituaties plaatsvinden dan in de huidige situatie, wat direct zal leiden tot een ‘rustigere uitstraling’ naar de omgeving. Daarbij ‘verschuift’ het zwaartepunt van de geluidsuitstraling, gerelateerd aan logistiek, laad- en lossen, etc., ook in noordelijke richting. Verder zal de landschappelijk inpassing, welke onderdeel uitmaakt van onderhavig voorstel, tevens voor een rustigere uitstraling zorgen. Landschappelijke inpassing Initiatiefnemer is voornemens om de locatie op een robuuste wijze landschappelijk in te passen. Het doel van deze landschappelijke inpassing is een verdere versterking van het landschap.

Hierbij zal met de volgende zaken rekening gehouden worden: - Toepassing van gebiedseigen beplanting; Rekening houden met het karakter van het gebied; - Verzachting van het aanzicht van de loodsen door het realiseren van beplanting; Opvangen van niet-verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en erfverharding. In paragraaf 5.1 wordt nader ingegaan op de wijze waarop de locatie landschappelijk wordt ingepast.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 11 van 58 Vastgesteld 2024

4

Ruimtelijk beleidskader

4.1

Wettelijk kader

4.1.1 Wet ruimtelijke ordening De hoofdlijnen van de Wet ruimtelijke ordening zijn: Decentraal wat kan en centraal wat moet: Rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; Rijk en provincie kunnen zaken voor een gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; Er is een drempel voor planschade van 20Zo; De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet). De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen.

Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Het kostenverhaal heeft een verplichtend karakter. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen.

De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. 4.2 4.2.1

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De ruimtelijke structuurvisie op rijksniveau betreft de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), als vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie, richting 2050, gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Geconcludeerd wordt dat Nederland staat voor een aantal urgente complexe maatschappelijke opgaven, op zowel lokaal, regionaal, nationaal als internationaal niveau. De NOVI beoogt perspectief te bieden om deze opgaven in gezamenlijkheid, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, aan te pakken, met regie vanuit het Rijk. Het kernbegrip is daarbij ‘omgevingskwaliteit’, betreffende ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 12 van 58 Vastgesteld 2024

bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. Met een integrale samenwerking en met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de 4 nationale prioriteiten: ^ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Wegens mondiale problematieken aangaande klimaatverandering en zeespiegelstijging, dienen keuzes voor functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer te worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Deze keuzes dragen bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van Nederland in 2050. Energietransitie is noodzakelijk, maar gaat ook gepaard met conflicterende belangen ten aanzien van ruimtegebruik en effecten op de lange termijn. De NOVI is daarom richtinggevend om bij de inpassing van energieinfrastructuur aandacht te behouden voor de kwaliteit van de leefomgeving. ^ Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; In het kielzog van de COVID-19-pandemie wordt hard gewerkt om de gevolgen voor de economie zoveel als mogelijk te beperken. Dat vraagt op korte termijn om ongekende overheidsingrepen en investeringen. Gezocht wordt naar mogelijkheden voor een co-creatie om deze interventies en investeringen ook ten goede te laten komen voor de lange termijn-ambities, namelijk het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving.

Aanvullend wordt bij locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra naast de vraag vanuit bedrijven, economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers- en vervoersnetwerk en het elektriciteitsnetwerk rekening gehouden met de aantrekkelijkheid en de kwaliteit van stad en land. Vanuit nationaal niveau wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors. ^ Sterke en gezonde steden en regio’s; Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. Er wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Doelstelling is om daar naartoe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt echter tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich daarbij in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief.

Belangrijke aandacht gaat uit naar het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. De COVID-19-crisis onderstreept de waarde en het belang van een goede inrichting van de openbare ruimte voor het menselijk welbevinden. ^ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doelstelling is te komen tot een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waar ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied, als diverse economische sectoren. De waarde van de natuur, het landschap en de toekomst van de landbouw staan onder druk. Ook de verbetering van de biodiversiteit is daarbij een uitdaging. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn wordt daarom gewerkt aan een geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Naast voornoemde prioriteiten zijn in de NOVI tevens 21 nationale belangen benoemd. De geformuleerde nationale ambities vragen veel van de leefomgeving. Een scala van belangen en claims moet een plek vinden binnen de totale oppervlakte van Nederland. Niet alles kan en niet alles kan overal. Dit leidt soms tot conflicterende belangen, waaruit gekozen moet worden.

Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Vanuit de NOVI geeft het Rijk de kaders en richting mee voor zowel nationale als decentrale keuzes, waarbij de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen (Rijk, provincie, waterschappen, gemeenten, bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers) gezamenlijk. Dit om te komen tot de gezamenlijke beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving. De NOVI zal worden uitgevoerd o.a. in de vorm van Omgevingsagenda’s, programma’s en de Regionale Investeringsagenda’s. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond. Het betreft ‘omgevingsindusief beleid, en

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 13 van 58 Vastgesteld 2024

de NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes die kunnen worden toegepast bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies (‘dubbele doelstelling’); 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Regie wordt bovendien aan andere overheden meegegeven in de vorm van voorkeursvolgorden voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo wordt vanuit de rijksoverheid sturing gegeven aan beleidsmatige afwegingen en toekomstbestendige ontwikkelingen, waarbij op lokaal niveau de concrete uitwerking hiervan kan worden gemaakt. De nationale strategische keuzes worden daarmee uitgewerkt tot gebiedsgericht maatwerk. De ontwikkeling draagt op haar schaalniveau bij aan een aantal van de genoemde nationale belangen. Met de ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Tevens gaat de ontwikkeling gepaard met een goede leefomgevingskwaliteit en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Dit o.a. door toevoeging van een robuuste landschappelijke inpassing (klimaatbestendigheid, biodiversiteit). Het planvoornemen voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Dit betreft een duurzame en economische ontwikkeling met perspectief voor de toekomst in de sector waarin initiatiefnemer verkeert. Dit samengaand met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het zorgvuldig ruimtegebruik in het plangebied. Het voornemen is daardoor passend binnen de gestelde ambities uit de NOVI. Gelet op het schaalniveau van het voornemen (perceelsniveau) is een nadere toetsing niet aan de orde. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een ‘klimaatproof Brabant

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 14 van 58 Vastgesteld 2024

-

Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Onderhavige ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities voor de provincie Noord-Brabant richting 2050. De ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een (voormalige) intensieve veehouderijlocatie. Daarnaast wordt een kwalitatieve landschappelijke inpassing gerealiseerd. De planontwikkeling levert dus o.a. een bijdrage aan de klimaatbestendigheid (realisatie waterstructuur) en biodiversiteit (landschappelijke inpassing). Waar mogelijk wordt door initiatiefnemer in de bedrijfsvoering duurzame energie toegepast, zoals de toepassing van zonnepanelen (energietransitie). Dit betreft meerwaarde-creatie, aanvullend op de bedrijfsmatige en economische ontwikkeling. Het voornemen zorgt bovendien voor lokale werkgelegenheid. Vanuit die zingeving wordt de planontwikkeling dus wel geacht op haar niveau bij te dragen aan de ambities als nagestreefd in de Brabantse omgevingsvisie. Het schaalniveau dat deze ontwikkeling met zich meebrengt raakt de ontwikkeling niet in de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan het creëren van meerwaarde en kwaliteit in Noord-Brabant.

4.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie wordt voor de provincie vanuit de Omgevingswet ook voorgeschreven dat één omgevingsverordening vastgesteld dient te worden voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Dat kan vragen om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen, een (beleids)programma, of regels om de ambities te realiseren en belangrijke waarden te beschermen. Op het moment dat regels nodig zijn, dan dienen deze opgenomen te worden in een omgevingsverordening. De omgevingsverordening bevat enerzijds algemene regels voor burgers en bedrijven voor activiteiten. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen voor bestuursorganen van de overheid, zoals gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels dienen in acht te worden genomen bij de uitvoering van taken, zoals de vaststelling van een omgevingsplan. De Omgevingswet is nog niet in werking getreden (planning 1 januari 2024). Om echter naar deze wettelijke transitie toe te werken, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is in hoofdzaak beleidsneutraal.

De omgevingsverordening vervangt onder andere de: Provinciale milieuverordening; Verordening natuurbescherming; Verordening ontgrondingen; Verordening ruimte; Verordening water; Verordening wegen Voor ruimtelijke plannen is met name relevant dat de Verordening ruimte Noord-Brabant is opgenomen in de IOV. In de Verordening ruimte Noord-Brabant waren de provinciale ambities uit de SVRO 2014 doorvertaald naar een kaderstellende set regels die door gemeentes moesten worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Tevens bevatte deze verordening ook rechtstreeks werkende regels, hoofdzakelijk ten aanzien van veehouderijen en mestbewerkingsinitiatieven, die ook in de reguliere vergunningverlening moesten worden toegepast.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 15 van 58 Vastgesteld 2024

De IOV bevat zowel rechtstreeks werkende regels, als instructieregels aan andere bevoegde gezagen. De rechtstreeks werkende regels hebben betrekking op zaken als grondwaterwinning, ontgronden, veehouderijen en mestbewerking. Dergelijke activiteiten zijn met onderhavig initiatief niet aan de orde. De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een locatie binnen de structuren en aanduidingen. Daarnaast bevat de verordening algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Op het kaartmateriaal van de Interim omgevingsverordening, bestaande uit een 8-tal kaarten, volgt dat de planlocatie o.a. is gelegen ter plaatse van: Landelijk gebied; Gemengd landelijk gebied; Diep grondwaterlichaam; Bescherming Natura 2000; - Stalderingsgebied; Cultuurhistorisch waardevol gebied; Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten eerste moet voldaan worden aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast moet worden getoetst aan de geldende regels voor de van toepassing zijnde structuren en aanduidingen.

De aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Bescherming Natura 2000’ zijn relevant indien het ontwikkelingen betreft met betrekking tot de veehouderijsector. Aangezien een veehouderij niet van toepassing is bij onderhavige planontwikkeling, worden deze aanduidingen voor het overige onbesproken gelaten. De aanduiding ‘Diep grondwaterlichaam’ heeft rechtstreekse toepassing op bepaalde activiteiten die bij onderhavig plan niet van toepassing zijn (onconventionele koolwaterstofwinning). Deze aanduiding wordt voor het overige eveneens onbesproken gelaten.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 16 van 58 Vastgesteld 2024

^

Gemengd landelijk gebied - Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied Landelijk gebied - Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied

Afbeelding 6: Uitsnede Omgevingsverordening, rode pijl betreft de beoogde locatie Basisprincipes evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 3.1.2 van de IOV zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen. De basisprincipes hebben betrekking op een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en een kwaliteitsverbetering van het landschap. Navolgend worden beide basisprincipes toegelicht. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies invulling aan een goede omgevingskwaliteit, met een veilige, gezonde leefomgeving. Hierbij wordt rekening gehouden met: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve als er feítelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding op grond van de IOV mogelijk is. 2. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

De lagenbenadering omvat de effecten op: De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Met het actief benutten van de factor tijd wordt bedoeld het rekening houden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. 3. Meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Bij de ontwikkeling aan de Voorste Heikant 6 is er sprake van een bestaand bouwperceel voor een agrarisch bedrijf met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dit bouwperceel wordt herbestemd voor de voorgenomen vestiging van een loonwerkbedrijf gericht op agrarisch loonwerk, cultuurtechnisch loonwerk en grondverzet. Met het beoogde initiatief wordt het ruimtebeslag van het bouwperceel verkleind met 1.610 m2 (van 8.110 m2 naar 6.500 m2), maar daarbij

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 17 van 58 Vastgesteld 2024

wordt de toegestane bedrijfsbebouwing binnen dat bouwperceel wel verruimd met 790 m2 naar 1.490 m2 in de beoogde situatie. De reden van de beperkte uitbreiding in bebouwing heeft als doel om de machines op een veilige wijze inpandig te stallen, zodat deze minder risicovol zijn voor inbraken. Tevens is een geschikte onderhoudsplaats noodzakelijk. Met het inpandig stallen van alle machines wordt het risico op inbraken verkleind. https://www.cumela.nl/nieuws/achtergrond/cumelasector-bindt-striid-aan-met-criminelen. Dit om het buitengebied veiliger te maken. Initiatiefnemer heeft niet de behoefte om verder in materieel te groeien. Uitgangspunt is dan ook om de bestaande machines en hulpmiddelen inpandig te stallen. De lagenbenadering benodigd een verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de diverse lagen. De toetsing van de effecten van het initiatief op de lagen is per onderwerp uitgebreid uiteengezet in het voorliggende verzoek. Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar is. De planontwikkeling levert dus o.a. een bijdrage aan de klimaatbestendigheid (realisatie waterberging) en biodiversiteit (landschappelijke inpassing). Waar mogelijk wordt door initiatiefnemer in de bedrijfsvoering duurzame energie toegepast, zoals de toepassing van zonnepanelen (energietransitie).

Daarnaast is initiatiefnemer sponsor van korfbalvereniging Rosolo, Jong Nederland, stichting trekkertrek Reusel en Oldtimervereniging TC de Vetnippels. Dit betreft meerwaarde-creatie, aanvullend op de bedrijfsmatige en economische ontwikkeling. Het voornemen zorgt bovendien voor lokale werkgelegenheid. De meerwaardecreatie volgt o.a. uit de netto afname van het ruimtebeslag en de landschappelijke kwaliteitsverbetering (afname verharding, bijdrage biodiversiteit, klimaatadaptatie, landschappelijke kwaliteit). Initiatiefnemer is voornemens om het bestaande bouwperceel te verkleinen met 1.610 m2, daarnaast wordt 5.370 m2 aan landschappelijke inpassing gerealiseerd. Gelet op het bovenstaande wordt voldaan aan de provinciale zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Kwaliteitsverbetering van het landschap Een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast dient te worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering ook financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. Deze vormen van kwaliteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het bestemmingsplan.

Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Deze eisen zijn door de gemeente Reusel- De Mierden, in samenwerking met een aantal andere gemeenten in de regio Zuidoost Brabant en de provincie, verwerkt in de “Landschapsinvesteringsregeling De Kempen". De notitie betreft een afsprakenkader, waarin wordt geschetst op welke manieren met de eisen omtrent kwaliteitsverbetering kan worden omgegaan en wat het verwachtingsniveau is ten aanzien van de verwachte inspanning.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 18 van 58 Vastgesteld 2024

In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Uit de Landschapsinvesteringsregeling De Kempen blijkt dat de beoogde vergroting van het bouwvlak aangemerkt kan worden als een categorie 3-ontwikkeling. In paragraaf 5.1.3 zal aangetoond worden dat voldaan wordt aan de eisen van de Landschapsinvesteringsregeling De Kempen. Gezien de omvang van de ruimte die beschikbaar wordt gesteld t.b.v. landschappelijke inpassing is dit voorstelbaar. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een voorwaardelijke gebruiksbepaling in de regels van het bestemmingsplan.

Landelijk gebied Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de volgende subzones: Het Gemengd landelijk gebied; De Groenblauwe mantel. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over Landelijk gebied. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzone. Op basis van de plankaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is de planlocatie gelegen in het Landelijk gebied in de subzone Gemengd landelijk gebied. Op basis van de formele bestaande activiteiten en beoogde activiteiten dient verantwoord te worden of de activiteiten passend zijn op basis van de IOV. Agrarisch gerelateerde bedrijven In het algemeen geldt dat een bestemmingsplan in het Gemengd landelijk gebied voor agrarische technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven zowel aan bestaande als nieuwe functies ruimte kan bieden onder voorwaarden. Initiatiefnemer voert zowel agrarisch gerelateerde activiteiten als niet agrarisch-gerelateerde activiteiten uit. Doordat deze activiteiten met dezelfde machines uitgevoerd worden en omdat de activiteiten op de locatie gelijkwaardig zijn is getoetst aan beide artikelen. Dit betekent ook dat het ene het andere niet uitsluit.

Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf Z agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Onderhavige bedrijfslocatie is gelegen in het Gemengd landelijk gebied. In algemene zin geldt dat een bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van bedrijf met agrarisch-technisch hulpbedrijfsactiviteiten of een agrarisch-verwant bedrijfsactiviteiten als voldaan wordt aan onderstaande voorwaarden.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 19 van 58 Vastgesteld 2024

Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a.

de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; Uit hoofdstuk 5 blijkt dat in het beoogde plan aandacht besteed wordt aan het de impact naar de omgeving. Zo zal de locatie op een robuuste wijze landschappelijk ingepast worden, waarbij voldaan wordt aan de regels van het afsprakenkader. Hierdoor zal de beoogde ontwikkeling leiden tot minder impact naar de omgeving. Door herinrichting van de bestaande bedrijfslocatie ontstaat een doelmatige- en effectief bruikbare bedrijfslocatie. Initiatiefnemer is hoofdzakelijk gericht op het uitvoeren van werkzaamheden in het buitengebied. Deze machines die hij gebruikt vallen hoofdzakelijk onder landbouwverkeer. De ontsluiting van de wegen in het buitengebied zijn specifiek voor deze machines ingericht. Doordat het initiatief midden in het werkgebied is gelegen is de locatie passend in de omgeving. Tevens is de afstand tot omliggende gevoelige objecten voldoende om een gezonde leefomgeving te behouden en daarbij niet beperkend te werken op omliggende functies. b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; In de beoogde situatie vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel, er is sprake van één bouwperceel, waarop enkel de activiteiten van initiatiefnemer uitgevoerd mogen worden.

In de planregels wordt splitsing van het bouwperceel uitgesloten. c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; Alle bebouwing wordt functioneel en doelmatig ingezet voor het bedrijf. Om een nette uitstraling te garanderen en om alle machines inpandig te stallen wordt in een beperkte toename aan bebouwing voorzien. d. mestbewerking is uitgesloten. Er is geen sprake van mestbewerking, dit wordt planologisch uitgesloten Lid 2 Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarischverwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare. Bij loonbedrijven c.q. initiatiefnemer heeft er de laatste jaren inherent aan de ontwikkelingen van het buitengebied in brede zin, een herverdeling van werkvelden plaatsgevonden. Niet enkel de agrariërs zijn beheerder van het buitengebied of opdrachtgever voor het uitvoeren van werken. De feitelijke activiteiten in casu aard van de cumelabedrijven (i.c. Deenen), binnen en buiten de inrichting, zijn niet gewijzigd. Er is in alle gevallen sprake van de stalling van landbouwmachines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, werktuigen en overige hulpmiddelen, onderhoud en reparatie aan eigen materieel en de op- en overslag van een strategische werkvoorraad aan. Algemeen: Zowel landelijk als in de provincie Brabant is circa 90-950Zo van de cumelabedrijven gevestigd in het buitengebied c.q.

een kernrandzone. De gemiddelde bedrijfsgrootte, qua oppervlakte, is 1,25 hectare en in 9807o van de gevallen is een bedrijfswoning aanwezig. De gemiddelde bedrijfsomvang - qua werkgelegenheid - is 10 FTE. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat de cumelasector de grootste werkgever is voor personeel in (en uit) het landelijk gebied. Dit geeft - kortweg - aan hoe de cumelabedrijven zijn georganiseerd en ontwikkeld, alsmede het belang en noodzaak van de cumelabedrijven in én voor het ‘buitengebied in brede zin’. Kortom: Er is, naast de

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 20 van 58 Vastgesteld 2024

agrarische sector, geen andere sector welke in een dergelijke mate gevestigd is in het buitengebied als de cumelasector. Dit zegt veel over deze sector en de daarmee samenhangende ruimtelijke belangen. In de beoogde situatie is sprake van een bouwperceel van 0,65 hectare. Het bedrijf van initiatiefnemer wordt sectorspecifiek gezien als een klein bedrijf, met een beperkte bedrijfsomvang. Het beoogde ruimtegebruik blijkt noodzakelijk, zoals is toegelicht in hoofdstuk 3. Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening i.r.t. Agrarisch gerelateerde bedrijven. Niet-agrarische functies in het buitengebied Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied (artikel 3.73) Het loonwerkbedrijf is naast agrarisch loonwerk, alsmede cultuurtechnische activiteiten, tevens gericht op grondverzetactiviteiten. Voor deze grondverzetactiviteiten is ter volledigheid getoetst aan de regels zoals opgenomen in art. 3.73. Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.

de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; Initiatiefnemer draagt dagelijks bij aan het leveren van een positieve bedrage aan het klimaat. Dit doet men door te investeren in lokaal, goed opgeleid personeel, een duurzaam en nieuw (emissiearm) machinepark en een locatie midden in het werkgebied. Initiatiefnemer is voornemens om de locatie te herontwikkelen. Met onderhavige ontwikkeling kan significant geïnvesteerd worden in het landschap en anderzijds kan met de realisatie van een nieuwe loods voorzien worden in een energie neutrale bedrijfslocatie. Op termijn wordt het wenselijk geacht om ook alle machines op termijn te elektrificeren. Initiatiefnemer wil de locatie zo inrichten dat de stroom op eigen locatie opgewekt wordt. Daarnaast wordt middels onderhavige ontwikkeling wordt een betere invulling gegeven aan het beperken van milieubelasting, omdat lokale stoffen zoals groen en grond hergebruikt worden en minder transportbewegingen nodig zullen zijn. Met de gewenste ontwikkeling wordt derhalve invulling gegeven aan het behoud en versterking van omgevingskwaliteit, behoud van biodiversiteit, beperken milieubelasting en minder uitstoot van broeikasgassen.

Door een optimalisering van het bedrijfsoppervlak, waarbij het bedrijf midden is gelegen in het werkgebied, in combinatie met de landschappelijke inpassing, is zowel bedrijfsmatig als qua maatschappelijke inpassing sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Door het behouden van de bestaande gronden ten behoeve van de bedrijfsmatige activiteiten kan, op grond van ruimtelijk belang, op effectieve wijze invulling worden gegeven aan de noodzakelijke optimalisatie. 2.

welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; Door de ontwikkeling van onderhavig initiatief wordt invulling gegeven in een volwaardig bedrijf, welke verschillende werkzaamheden uitvoert om volwaardig te zijn en om jaarrond in werk te voorzien. Met name in het voor- en najaar wordt invulling gegeven aan agrarisch loonwerk, zoals sloten maaien voor

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 21 van 58 Vastgesteld 2024

agrariërs en het rooien en planten in de boomteeltsector en buiten deze seizoenen wordt invulling gegeven aan andere activiteiten i.r.t. grondverzet. Hierdoor ontstaat een gezonde continue bedrijfsvoering wat ervoor zorgt dat initiatiefnemer kan blijven investeren in een gezond machinepark en goed opgeleid personeel. Door de verkleining van het bouwvlak wordt een optimale invulling gegeven aan de bedrijfslocatie. 3.

hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit door de verwijdering van de mogelijkheden voor het uitvoeren van een (intensieve) veehouderij te combineren met hergebruik van een bestaand bouwperceel. Er is hierdoor sprake van een afname in emissie van o.a. stikstof, geur en fijnstof, waardoor het leefmilieu in de omgeving verbeterd. Met het initiatief wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen, doordat bestaande bebouwing gebruikt wordt voor nieuwe bedrijfsactiviteiten. De bedrijfslocatie zal klimaatneutraal worden ingericht d.m.v. het gebruik van zonnepanelen en al het asbest op de locatie zal verwijderd worden. Tot slot zal de bedrijfslocatie landschappelijk ingepast worden door de aanleg van nieuwe beplanting en het onderhoud van bestaande beplanting. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Er is sprake van één bedrijf, er is derhalve geen sprake van een splitsing. c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; Er is geen sprake van overtollige bebouwing. d.

de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Hiervan is geen sprake. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; Zoals reeds gesteld is sprake van een passende omvang, daar in beginsel sprake is van een verkleining van het bouwperceel. Ook zal de wijziging niet leiden tot een publieksaantrekkende werking, daar de activiteiten op locatie feitelijk niet veranderen. Dit wordt reeds toegelicht in onderhavig verzoek. b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; De gebruiksactiviteiten, zijnde het uitvoeren van agrarisch technische c.q. agrarisch verwante activiteiten in combinatie met grondverzetactiviteiten worden vastgelegd in het bestemmingsplan. c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; Zoals reeds uitvoerig is toegelicht wordt de bebouwing gebruikt om alle machines en bestaande bebouwing gebruikt om hoogwaardige machines inpandig te stallen en machines te onderhouden. d.

dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De beoogde ontwikkeling is passend voor lange termijn. Een verplaatsing is mede gezien de uitvoering van het de loonwerkactiviteiten niet realistisch.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 22 van 58 Vastgesteld 2024

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; Zoals reeds nader is toegelicht is sprake van een directe relatie tussen de agrarische loonwerkactiviteiten alsmede vinden de werkzaamheden van alle activiteiten hoofdzakelijk in het buitengebied plaats. Het verplaatsen van het bedrijf naar een industrieterrein zou verder leiden tot een verhoging van de kosten, waardoor uitvoering van het bedrijf bedrijfseconomisch gezien niet meer mogelijk is, de verplaatsing leidt tot meer traag landbouwverkeer op doorgaande wegen en dus extra mogelijke opstoppingen. Initiatiefnemer ligt nu namelijk centraal in het werkgebied en de huidige locatie is qua ontsluiting en bereikbaarheid op een doelmatige plek gelegen. Tevens zorgt de mogelijkheid tot wonen en werken op dezelfde locatie voor een optimale afstemming in de privé situatie. Het bedrijf kenmerkt zich door de directe én korte lijnen. Werkoverleg, klantcontactmomenten of afstemming met leveranciers e.d. vindt via persoonlijke gesprekken plaats waarbij visueel contact evident is. Dit betekent dat de ‘lijnen’ kort en direct zijn én er gelegenheid is voor een goede interpretatie. Hier ligt de kracht van het bedrijf.

Eveneens heeft dit als gevolg dat initiatiefnemer ‘op iedere plek tegelijk moet zijn’. Bijvoorbeeld afstemming met een werknemer op het bedrijf in verband met het instellen van de machine voor aanvang van het werk, een vertegenwoordiger welke zich meldt op het bedrijf, een klant die samen met een ambtenaar van de omgevingsdienst naar een project wil kijken, enz. Het uitvoeren van het bedrijf en het wonen gescheiden van elkaar, wat vanuit praktisch, sociaal alsmede bedrijfsmatig c.q. bedrijfseconomisch als ongewenst wordt ervaren. Voornoemde leidt er ook toe dat de tijd Z aandacht voor privé Z het gezin een uitdaging is. Voordat initiatiefnemer thuis is, is hij al meerdere keren gebeld of moet hij zelfs weer terug naar het bedrijf voor de nodige hand- en spandiensten. Het aanwezig zijn van een bedrijfswoning op een nieuwe locatie maakt het mogelijk om de bedrijfsorganisatie én continuïteit c.q. de kracht van het bedrijf te versterken. Er kan dan gemakkelijk voor een ‘kopje koffie’ of ‘boterham’ even worden bijgeschoven aan de keukentafel, terwijl het zicht c.q. de aansturing op het bedrijf mogelijk blijft. > Visueel contact Om de aansturing zo efficiënt mogelijk te laten verlopen is het noodzakelijk dat er visueel contact is van de lopende zaken op het bedrijf.

Wanneer het gezin bij het bedrijf woont, is er altijd iemand bereikbaar, aanwezig en is er overzicht over het bedrijf en hetgeen wat daar plaatsvindt. Hierdoor is er altijd visueel contact met het bedrijf en kunnen werknemers/zzp’ers bij terugkeer op het bedrijf direct aan een nieuwe klus gezet worden en kunnen vragen over het werk direct beantwoord worden. Dit laatste is op een modern cumelabedrijf met een goede benutting van arbeid en machines noodzakelijk. De werkzaamheden in het loonwerk vallen niet onder het ‘9 tot 5-principe’. Door deze enorme seizoensen weersafhankelijke arbeidspieken is er vaak geen goede gelegenheid om tijd te nemen voor werkoverleg. Juist ook door de enorme onvoorspelbaarheid van de hoeveelheid werk en de onvoorspelbaarheid van het moment van binnenkomst van de opdracht is het vooraf plannen (veelal) onmogelijk en is continue bijstelling van de planning noodzakelijk. Voor calamiteiten/reparaties of storingen moet het bedrijf (lees: initiatiefnemer) 24 uur per dag beschikbaar zijn. De belangen, qua tijdigheid van het uitvoeren van het werk maakt het van groot belang dat er - à la minute - ingespeeld kan worden op wijzigingen, storingen bij machines.

Voorste Heikant 6 - 2024, pag. 23 van 58 Vastgesteld 2024

Indien een machine/werktuig érgens in het werkgebied (bijvoorbeeld om 19.00 uur) stuk gaat, moet er door initiatiefnemer vanaf het bedrijf/inrichting (een mechanisatiebedrijf is dan niet meer bereikbaar!) direct met de nodige onderdelen, gereedschappen en kennis van zaken naar het perceel gereden kunnen worden én aldaar de machine/werktuig worden gerepareerd. Dit met de wetenschap dat de planning ‘opschuift’ en dus de klant waar op dat moment de werkzaamheden worden uitgevoerd alsmede de volgende klanten langer zullen moeten wachten. Een niet onbelangrijk aspect is de bewaking en toezicht van de aanwezige apparatuur. Het totale machinepark van het cumelabedrijf vertegenwoordigt een waarde van honderdduizenden euro’s. Diefstal en vandalisme van landbouwmachinesVwerktuigen kent een schrikbarende toename de afgelopen jaren. Ook het ontvreemden van de in het materiaal aanwezige brandstof is ‘scheer en inslag’. Vooral het ontbreken van afdoende persoonlijke toezicht/controle is hier debet aan. Camera’s of beveiligingssystemen blijken vaak niet afdoende effectief. Het afschrikeffect is er niet. Indien er al bruikbare camerabeelden zijn én er aangifte wordt gedaan bij de politie, heeft dit niet of nauwelijks prioriteit bij de politie. Kortom: de enige maatregel is het voorkomen dat de gelegenheid geboden wordt of aanwezig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=77ec1b78-3070-478f-8658-93f9dd2ce022