[21.25540] - 2021-11-29 Ontwerp TL RG VB Schepersweijer 4a-Wolfsven 1
Tekst van het document
In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van een gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. De provincie Noord-Brabant heeft de concept handreiking ‘Kwaliteitsverbetering van het Landschap, de rood met groen regeling’, gepubliceerd. Het doel van deze handreiking is informatie bieden om invulling te geven aan de ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Verordening ruimte. De handreiking geeft een aanzet hoe invulling kan worden gegeven aan de omvang van de basisinspanning die vanuit het ruimtelijk kwaliteitsbeleid gevraagd wordt. Belangrijk doel van de rood-met-groen koppeling is dat omgevingskwaliteiten worden versterkt door het voeren van een bewust (ruimtelijk) kwaliteitsbeleid. Landschappelijke inpassing (het ‘groen’) maakt deel uit van de ontwikkeling (het ‘rood’). De regel voor kwaliteitsverbetering van het landschap uit de verordening richt zich niet alleen op de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie zelf, maar heeft juist ook als doel de kwaliteit in de directe omgeving van de projectlocatie van de omgeving te verbeteren (binnenplanse verevening).
In sommige gevallen is het moeilijk of niet wenselijk om de gewenste kwaliteitsverbetering van het landschap op de projectlocatie en de directe omgeving daarvan te realiseren. Voor dat soort specifieke gevallen kent de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de mogelijkheid van bovenplanse verevening, waarbij de vorming van een gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie kan zijn. De fysieke prestatie in het landschap vindt daarbij elders plaats. Op hoofdlijnen zijn er drie methodes (met varianten) denkbaar die invulling geven aan de kwantitatieve invulling van de rood-met-groen koppeling: door maatwerk te leveren per ontwikkeling met menselijke expertise; door het ‘rood’ om te rekenen naar euro’s en die euro’s in te zetten voor ‘groen’; door de oppervlakte ‘rood’ om te rekenen naar een oppervlakte ‘groen’.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
24
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
In de ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ (d.d. 14 mei 2012) is vastgelegd welke kwaliteitsverbetering in het landschap moet worden uitgevoerd. Hier wordt rood omgerekend naar euro’s en deze kunnen worden ingezet voor groen. Er wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën Categorie 1. Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen eisen worden gesteld voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit van het landschap (artikel 3.2 VR niet van toepassing). Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij wel zorg wordt gedragen voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit, maar waar geen sprake hoeft te zijn van aanvullende kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.2 VR niet van toepassing). Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verlangd (artikel 3.2 VR van toepassing) In dit geval gaat het om twee ruimtelijke ontwikkelingen. Aan de Schepersweijer 4a wordt het bouwvlak vervormt en vergroot. Aan de Wolfsven 1 wordt omgeschakeld van een intensieve veehouderij naar een agrarisch bedrijf waarbij het bouwvlak wordt verkleind. Beide ontwikkelingen vallen in een andere categorie op basis van de ‘Landschapsinvesteringsregeling de Kempen’. De locatie Schepersweijer 4a valt in categorie 3 en de locatie Wolfsven 1 valt in categorie 1. Beide ontwikkelingen zijn in één kwaliteitsberekening opgenomen.
In bijlage 5 is de berekeningen omtrent de kwaliteitsverbetering opgenomen. De uitbreiding van het bouwvlak met 0,285 ha. aan de Schepersweijer 4a wordt gezien als waardevermeerdering. Daar tegenover staat waardevermindering door het verkleinen van het bouwvlak aan de Wolfsven 1, waardevermindering van de landbouwgrond die wordt gebruikt ten behoeve van de verplichte landschappelijke inpassing en de extra landschappelijke inpassing ten behoeve van de kwaliteitswinst. In totaal is er sprake van waardevermindering van € 47.078,50. Dit betekent dat de voorwaarde voor compensatie van de waardevermeerdering door kwaliteitsverbetering van het landschap (minimaal 20% van de waarde van de kwaliteitsverbetering) niet van toepassing is. Desondanks wordt met dit initiatief toch voorzien in een forse extra kwaliteitsverbetering van het landschap. Aan de Schepersweijer 4a wordt een stal van 617 m2 gesloopt en aan de Wolfsven 1 wordt 2.880 m2 extra landschappelijke inpassing gerealiseerd. De totaalkosten van de extra kwaliteitsverbetering bedragen € 22.046,12. Dit betekent dat met onderhavig initiatief er een kwaliteitsverbetering van het wordt gerealiseerd van € 69.124,62.
Deze extra 2.880 m2 landschappelijke inpassing komt bovenop de verplichte 2.185 m2 landschappelijke inpassing die gerealiseerd moet worden op basis van de provinciale regels (minimaal 10% van de omvang bouwvlak Schepersweijer 4a). In totaal wordt voorzien in 5.065 m2 landschappelijke inpassing. Het landschappelijke inpassingplan is besproken in paragraaf 3.2 en is opgenomen als bijlage 3 en 4.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
25
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Artikel 3.49 Veehouderij in landelijk gebied Het voorgenomen initiatief betreft het verplaatsen van de veehouderijactiviteiten aan Wolfsven 1 naar Schepersweijer 4a waarbij de veehouderij aan de Wolfsven 1 gesaneerd wordt en er een akkerbouwbedrijf gevestigd blijft. Aan de Schepersweijer 4a is sprake van uitbreiding van de veehouderij waardoor ontwikkeling getoetst moet worden aan artikel 3.49 lid 1. 1 Een bestemmingsplan van toepassing op landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits: a.
is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
De Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) is opgenomen in bijlage 6. Hieruit blijkt dat met onderhavig initiatief voldoende punten worden behaald. b.
het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
In de bestaande situatie heeft het bouwperceel een oppervlak van 1,9 hectare. Dit betekent dat de gewenste bedrijfsontwikkeling met vervorming en vergroting van het bouwvlak niet mogelijk is op basis van artikel 3.49. Voor onderhavig initiatief wordt gebruik gemaakt van de algemene maatwerkmethode (artikel 3.4 lid 1). Zie verderop in deze paragraaf. c.
de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving.
In paragraaf 3.2 is de landschappelijke inpassing opgenomen. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 6 dat voldaan wordt aan alle normen rondom geur, fijnstof, geluid en volksgezondheid. d.
Mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is.
Het voorgenomen initiatief voorziet niet in mestbewerking. In de regels zal geborgd worden dat enkel ter plaatse geproduceerd mest mag worden bewerkt. e.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
De gewenste ontwikkeling voldoet hieraan. Voor de nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 6.3.2. f.
de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
Zie paragraaf 3.2.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
26
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
g.
de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
De ondernemer heeft met de directe omgeving een dialoog gevoerd. In bijlage 7 is een uitwerking van de dialoog opgenomen. Uit de dialoog is gebleken dat de buurtbewoners geen bezwaren hebben tegen het voorgenomen initiatief. De buurtbewoners wensen de initiatiefnemer succes. Artikel 3.50 aanvullende regels nieuw dierenverblijf Aan de Schepersweijer 4a wordt een nieuwe stal opgericht. Hierdoor moet de ontwikkeling getoetst worden aan artikel 3.50 lid 1. 1 Een bestemmingplan gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt voor een veehouderij dat: a. een toename van de oppervlakte van de dierenverblijven alleen is toegestaan indien: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Zie hiervoor de beantwoording onder a, c, e, en g van artikel 3.49 lid 1. b.
binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden;
De dieren in de gebouwen worden alleen op de grond gehouden. c.
bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a
Niet van toepassing, het initiatief voorziet niet in een gebruikswijziging van bestaande gebouwen. Artikel 3.52 aanvullende regels stalderen. Aangezien Schepersweijer 4a is gelegen ter plaatse van de aanduiding Stalderinggebied dient getoetst te worden aan artikel 3.52 lid 1. 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat:
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
27
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
a. binnen het Stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: 1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; c. Voor de sanering geen gebruik is gemaakt van de provinciale saneringsregeling Op basis van dit artikel is staldering van toepassing op het moment dat sprake is van een toename van het oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij. Aan de Schepersweijer 4a wordt een nieuwe vleesvarkensstal (gebouw F) opgericht met een oppervlak van 4.495 m2. Daar tegenover staat dat gebouw A (varkensstal) met een oppervlak van 617 m2 wordt gesloopt. Met de gewenste ontwikkeling is aan de Schepersweijer 4a sprake van 3.878 m2 toename oppervlak dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij. Voor deze toename dient gestaldeerd te worden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen dient een stalderingsbewijs overlegd te worden. Met onderhavig initiatief vindt staldering plaats door sloop. Tenminste 120% van de uitbreiding in m2 dient gesaneerd te worden door sloop.
In de gewenst situatie wordt 3.878 m2 uitgebreid, hierdoor is het noodzakelijk om elders 4.654 m2 te slopen. De ondernemer beschikt voor de gewenste uitbreiding over twee voorlopige stalderingsbewijzen met een gezamenlijk sloopoppervlak van 4.836 m2. Beide stalderingsbewijzen zijn opgenomen in bijlage 8. (Opmerking: op het moment is 1 voorlopig stalderingsbewijs afgegeven voor 3.304 m2. De overige 1.350 m2 zijn aangekocht, de aanvraag voor stalderingsbewijs is in voorbereiding. Het 2de voorlopige stalderingsbewijs wordt toegevoegd voordat het bestemmingsplan in ontwerp wordt gepubliceerd). Hiermee is concreet aannemelijk gemaakt dat het plan voldoet aan de stalderingsregeling Artikel 3.4 lid 1 Algemene maatwerkbepaling Op basis van artikel 3.49 is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan onderhavig initiatief om de veehouderijactiviteiten van Wolfsven 1 te verplaatsen naar Schepersweijer 4a waarbij het bouwvlak aan de Schepersweijer 4a wordt vervormt en vergroot. De gemeente vindt het wenselijk dat de genoemde ontwikkeling wel voortgang kan vinden. Naar aanleiding van de ontvangen vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant, heeft daarom ambtelijk overleg plaatsgevonden om alternatieven te onderzoeken die in de Interim Omgevingsverordening worden geboden. De onderliggende ontwikkeling is op basis van de gemeentelijke visie een wenselijke ontwikkeling.
Op een kortere afstand van de kern van Reusel wordt de mogelijkheid van een intensieve veehouderij verwijderd. Het akkerbouwbedrijf wat daarvoor in de plaats komt is een goed passende functie op deze locatie. De locatie Schepersweijer 4a ligt volgens de gemeentelijke Omgevingsvisie binnen het primaat landbouw. Binnen dit primaat is de strategie dat er vooral ruimte is voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven en waarbij gevoelige functies worden tegengegaan. De voorgestelde doorontwikkeling van het bedrijf, in samenspraak met de sanering van de intensieve veehouderij aan het Wolfsven 1, past binnen de visie van de gemeente. Hiermee wordt gezorgd dat er een evenwichtige toedeling plaatsvindt van functies door de juiste bedrijfstakken op de juiste
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
28
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
plekken toe te staan. Ook wordt er een bijdrage geleverd aan de verbetering van met name geur op belaste locaties. Met dit initiatief wordt op zichzelf geen overbelaste situatie opgelost zoals bedoeld in de IOV, maar vormt het initiatief een deel van de puzzel om de woon- en leefklimaat van een overbelast gebied te verbeteren. Artikel 3.53 lid 1, sub b kan daardoor niet worden toegepast. De IOV bevat naast de voorgaande beschreven artikelen ook nog een algemene maatwerkbepaling. Om de gewenste situatie en de bijbehorende kwaliteitswinst voor de omgeving alsnog mogelijk te maken, wensen de initiatiefnemer en de gemeente gebruik te maken van de algemene maatwerkbepaling zoals opgenomen in artikel 3.4 lid 1. ‘Een bestemmingsplan kan in een specifiek geval, vanwege bijzondere omstandigheden, een ondergeschikte afwijking bevatten van de maten zoals in deze verordening genoemd, als daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel van de regel.’ Hierbij zijn een aantal belangrijke aandachtspunten: ► Het opheffen van de veehouderijactiviteiten op het bouwperceel aan de Wolfsven 1; ► Een aanzienlijke (aanzienlijk meer dan de wettelijke norm) verbetering van het woon- en leefklimaat (met name met het oog op de geurbelasting). ► Een verbetering van de omgevingskwaliteit (waaronder landschappelijke inpassing) op en rondom het bouwperceel aan de Schepersweijer 4a.
Aandachtspunt daarbij is ook het bouwvlak van het naastgelegen bedrijf aan de Schepersweijer 4; Onderhavig initiatief betreft een bijzondere omstandigheid. Zoals in paragraaf 1.1 reeds weergegeven waren beide bedrijven aan de Schepersweijer 4a en Wolfsven 1 tot voor kort eigendom van één eigenaar. De locatie Wolfsven is een aantal jaren geleden verworven door de eigenaar. Het bedrijf betrof een gemengd agrarisch bedrijf (varkenshouderij en akkerbouw) aan de Schepersweijer 4a en Wolfsven 1. Op beide locaties zijn varkensstallen en akkerbouwloodsen aanwezig. De eigenaar draagt zijn bedrijf over aan zijn kinderen. Er zijn twee opvolgers, de ene opvolger is zijn zoon en de andere opvolger is een maatschap bestaand uit zijn dochter en schoonzoon. Met deze overname wordt het bedrijf gesplitst in twee entiteiten, een akkerbouwbedrijf aan de Wolfsven 1 en een varkenshouderij/akkerbouwbedrijf aan de Schepersweijer 4a. Deze noodzakelijke splitsing in twee entiteiten heeft als gevolg dat ook de bedrijfsactiviteiten opgesplitst moeten worden naar twee afzonderlijk bedrijfslocaties. Het voornemen betreft om de veehouderijactiviteiten van de Wolfsven 1 te verplaatsen naar de Schepersweijer 4a. Deze verplaatsing betekent een uitbreiding van de veehouderijactiviteiten aan de Schepersweijer 4a. Het voornemen betreft het oprichten van een nieuwe vleesvarkensstal.
Daarnaast wordt aan de Wolfsven 1 de akkerbouwtak uitgebreid met de oprichting van een nieuwe akkerbouwloods. Het splitsen van het bedrijf in twee entiteiten waarbij de veehouderijactiviteiten naar één locatie worden verplaatst is noodzakelijk om een toekomstbestendige veehouderijbedrijf te kunnen ontwikkelen aan de Schepersweijer 4a. Met het voorgenomen plan worden 2.990 van de 3.132 vleesvarkens aan de Wolfsven 1 verplaatst naar de Schepersweijer 4a. Met het voorgenomen plan is er in zijn totaliteit een afname van het aantal vleesvarkens (142 stuks). Doordat de nieuwe stal wordt opgericht conform de huidige dierenwelzijnseisen neemt het oppervlak aan
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
29
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
veehouderijbebouwing wel toe. De verplaatsing van de vleesvarkens naar de Schepersweijer 4a is noodzakelijk om de huidige bedrijfsaanpassingen (luchtwassers op bestaande stallen) en toekomstige bedrijfsaanpassingen in het kader van de verduurzaming van de veehouderij, waar de maatschappij nadrukkelijk om vraagt, te kunnen blijven bekostigen. De gewenste bedrijfsomvang aan de Schepersweijer 4a is van voldoende omvang om een goed bedrijfsresultaat te halen waarmee ingespeeld kan blijven worden op toekomstige duurzaamheids- en andere ontwikkelingen in de varkenshouderij. De gewenste verplaatsing van de veehouderijactiviteiten van Wolfsven 1 naar Schepersweijer 4a brengt allerlei positieve effecten met zich mee. De veehouderijactiviteiten op het bouwperceel aan de Wolfsven 1 worden beëindigd. In de regels wordt geborgd dat deze ook beëindigd blijven. In paragraaf 6.3 wordt ingegaan op het woon- en leefklimaat in relatie met geur. Uit paragraaf 6.3 blijkt dat onderhavig initiatief leidt tot een afname van 4 overbelaste situaties, de classificatie van het woon- en leefklimaat verbetert op 6 locaties en er is een afname van de geurbelasting op circa 160 geurgevoelige objecten. Naast de daling in de achtergrondbelasting geur en de daarmee gepaarde verbetering van het woon– en leefklimaat resulteert onderhavig initiatief in nog meer kwaliteitswinst voor de omgeving.
In onderstaande tabel wordt een kort overzicht van de positieve effecten van onderhavig initiatief weergegeven. In de eerste kolom is de omgevingskwaliteit opgenomen met een verwijzing naar de betreffende paragraaf. In de tweede kolom zijn de bestaande rechten van beide locaties samen weergeven. In de derde kolom zijn de beoogde rechten van beide locaties samen weergegeven. In de laatste kolom zijn de positieve effecten op de omgevingskwaliteit weergegeven. Omgevingskwaliteit Achtergrondbelasting geur (paragraaf 6.3.2)
Bestaande rechten 9 overbelaste situaties
Beoogde rechten 5 overbelaste situaties
Positief effect Vermindering van 4 overbelaste situaties Verbetering classificatie woon- en leefklimaat op 6 locaties situaties
Geuremissie (paragraaf 6.3.1)
147.711,1 OU/s
116.675,7 OU/s
afname geurbelasting op circa 160 geurgevoelige objecten Afname 31,035,4 OU/s (21%) Volledige afname (100%) voorgrondbelasting Wolfsven 1 Ontwikkeling Schepersweijer 4a leidt niet tot toename voorgrondbelasting, op 1 locatie (Postelsedijk 5) na
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
30
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Geurbelasting ruim onder de wettelijke norm
Ammoniakemissie (paragraaf 5.4.1)
12.254,70 kg NH3
4.196,39 kg NH3
Geurbelasting ruim onder de gemeentelijke norm, op 1 locatie (Lensheuvel 91) na Afname 8.058,31 kg NH3 (65,8%) Verbetering ecologische waarden ‘zeer kwetsbaar gebied’ Volledige afname ammoniakemissie Wolfsven 1 (100%) Ontwikkeling Schepersweijer 4a leidt tot afname ammoniakemissie (47%)
Fijnstofemissie (paragraaf 6.4)
631,490 gr/jr
286,986 gr/jr
Afname 334.504gr/jr Volledige afname fijnstofemissie Wolfsven 1 (100%)
Aantal intensieve bestemmingen (paragraaf 2.3 en 3.1) Totaal oppervlak bouwvlakken (paragraaf 2.3 en 3.1) Bouwvlak intensieve veehouderij (paragraaf 2.3 en 3.1) Landschappelijke inpassing (paragraaf 3.2) Kwaliteitsverbetering van het landschap uitgedrukt in € (paragraaf 4.2.2)
Ontwikkeling Schepersweijer 4a leidt tot afname fijnstofemissie (27%) Afname 1 intensieve bestemming
2 intensieve bestemmingen
1 intensieve bestemming
3,37 hectare
3.275 hectare
Afname van 0,095 hectare bouwvlak
3,37 hectare
2,185 hectare
Afname 1,185 hectare intensieve veehouderij
0,0 hectare
> 0,5 hectare
Toename van 5065 m2 landschappelijke inpassing
0€
€ 69.124,62
Toename van € 69.124,62
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
31
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Zoals uit het bovenstaande en uit de rest van deze toelichting blijkt, wordt met de gewenste ontwikkeling gestreefd om invulling te geven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Het plan draagt bij aan de zonering van functies en een verbetering van het woon- en leefklimaat. Het plan is bovendien een passende uitwerking van de gemeentelijke omgevingsvisie, vastgesteld in 2018. In de visie wordt in aangewezen gebieden ruimte geboden voor resp. landbouw, natuur en landschap/gemengd. Een van de uitgangspunten is om in het ‘landbouwgebied’ wat meer ruimte te bieden door in de andere gebieden veehouderijactiviteiten te extensiveren In eerste instantie was de insteek een bouwvlak van circa 2,4 ha om tot een goede invulling te komen voor onderhavig initiatief. Door een gebouw te slopen en sleufsilo’s te verplaatsen wordt extra ruimte gecreëerd om vormverandering toe te passen. Echter, alleen vormverandering is ontoereikend om tot een haalbaar plan te komen. Daarom wordt gevraagd om gebruik te mogen maken van het maatwerkartikel in artikel 3.4.1 IOV. het gaat hier om een verandering van oppervlakte, inclusief de vormverandering, van 1,9ha naar 2,185ha. Dit is een toename van 15% van het bestaande bouwoppervlak.
Gelet op de totale motivatie met de vormverandering van het bouwvlak, sloop van bebouwing, de milieuwinst, saneren van intensieve veehouderij en kwaliteitsverbetering van het landschap kan voor dit plan gesteld worden dat hier sprake is van een ondergeschikte afwijking die geen afbreuk doet aan de doelstelling van de regel. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regels zoals gesteld in artikel 3.4 lid 1 (algemene maatwerkbepaling), artikel 3.49 (veehouderij in landelijk gebied), artikel 3.50 (aanvullende regels nieuw dierenverblijf) en artikel 3.52 (aanvullende regels stalderen). 4.2.3
Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ontwerp 09-04-2021)
Op 9 april 2021 is de omgevingsverordening Noord-Brabant in ontwerp gepubliceerd. Ten opzichte van de Interim omgevingsverordening zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd. Een belangrijke wijziging is de opbouw van regels. Artikel 3.4, 3.6, 3.7, 3.8 en 3.9 zijn respectievelijk artikel 4.5, 4.8, 4.9, 4.10 en 4.11 geworden. Artikel 3.49, 3.50 en 3.52 zijn respectievelijk artikel 4.63, 4.64 en 4.66 geworden. Onderhavig initiatief voldoet aan deze regels, voor de toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.2.2. Daarnaast is er een nieuwe bouw-sloop regeling (artikel 4.12) opgenomen. Deze regeling koppelt nieuwe bebouwing buiten een bestaand bouwperceel aan het saneren van een gelijke hoeveelheid bebouwing elders. Deze nieuwe regel heeft geen invloed op het plan aangezien artikel 4.66 (aanvullende regels stalderen) ook voorziet in een bouw-sloop regeling die ook opgenomen was in de Interim omgevingsverordening en waaraan het initiatief voldoet.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
32
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
GEMEENTELIJK BELEID 4.3.1
Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden
In deze sub-paragraaf kijken we naar de Omgevingsvisie waarin onder andere de toekomstvisie zoals opgesteld in 2013 is verwerkt. In onderstaande visiekaart (figuur 4-2) is goed te zien wat de visie is van de gemeente op het landbouwgebied ten zuiden van Reusel. Dit gebied wordt gezien als een duurzame agrarische landschapskamer in een jonge heideontginning, met mogelijkheden voor agrarische bedrijven, de randen van deze kamers bestaan uit een groene zone. De locatie Schepersweijer 4a ligt in het ‘gebied met primaat landbouw’ en wordt gezien als een duurzame locatie voor intensieve landbouw. De locatie Wolfsven 1 ligt aan de rand van het ‘gebied met primaat landbouw’ en ligt in de groene zone. Deze locatie wordt ook gezien als een duurzame locatie voor intensieve landbouw. Duurzame locaties zijn locaties die ook op termijn een vestigingsplaats kunnen bieden aan een intensieve dierhouderij met een stevig ruimtebeslag en substantiële dieraantallen. De locatie voldoet daarmee aan de zes voorwaarden die in de omgevingsvisie gekoppeld zijn aan een duurzame locatie. De voorwaarden zijn:
Niet in een beekdal; Op een afstand van meer dan 250 meter van kernen of buurtschappen; Voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxinen en geur; Transportbewegingen van en naar het hoofdwegennet voeren niet door een kern of een buurtschap; Op een afstand van meer dan 250 meter van een woonbestemming; Buiten eerder aangewezen extensiveringsgebieden.
Figuur 4-2 Visiekaart omgevingsvisie Reusel-De Mierden 08-02-2018 (O = plangebied)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
33
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Figuur 4-3 laat de strategiekaart zien. De locaties aan de Schepersweijer 4a en Wolfsven 1 liggen in een gebied waar de volgende strategie wordt gevolgd: “aanwijzen voor en stimuleren van innovaties in grootschalige intensieve dierhouderij en grootschalige energieopwekking in combinatie met het tegengaan van gevoelige functies onder voorwaarde van een deugdelijke ontsluiting voor zwaar vrachtverkeer”.
Figuur 4-3 Strategiekaart Structuurvisie Reusel-De Mierden 08-02-2018 (O = bedrijfslocatie)
De ontwikkeling aan de schepersweijer 4a sluit aan bij de strategie behorend bij “Primaat Landbouw aangezien het grootschalige intensieve dierhouderij betreft. 4.3.2
Vigerende bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan voor beide locaties is “Buitengebied 2009, herziening fase 1a”, vastgesteld op 9 juli 2013. Dit bestemmingsplan betreft een herziening van de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’. Deze twee bestemmingsplannen vormen samen het actuele gemeentelijke planologisch beleid. Voor de verbeelding moet gekeken worden naar bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ voor de regels naar de herziening ‘Buitengebied 2009, herziening fase 1a’. De vigerende bestemming wordt per locatie beschreven. Schepersweijer 4a In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel aan de Schepersweijer 4a de enkelbestemming ‘Bedrijf - Agrarisch’ en de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ (zie figuur 4-4). Daarnaast heeft het perceel de gebiedsaanduiding ‘Verwevingsgebied’. De omliggende gronden zijn voornamelijk bestemd als ‘Agrarisch’. De gronden ten zuiden van het bedrijf zijn bestemd als ‘Bos’ De oprichting van de nieuwe stal vindt plaats buiten de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’. Ook is er sprake van een toename aan m2 bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij. Beide aspecten zijn in strijd met de vigerende regels.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
34
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Figuur 4-4 Verbeelding ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2009’ locatie Schepersweijer 4a
Wolfsven 1 In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel aan de Wolfsven 1 de enkelbestemming ‘Bedrijf - Agrarisch’ en de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ (zie figuur 4-5). Daarnaast heeft het perceel de gebiedsaanduiding ‘Verwevingsgebied’. De omliggende gronden zijn voornamelijk bestemd als ‘Agrarisch’. De gronden ten westen van het bedrijf zijn bestemd als ‘Bos’.
Figuur 4-5 Verbeelding ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2009’ locatie Wolfsven 1
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
35
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat het voorgenomen initiatief niet past binnen de regels zoals gesteld in het vigerende bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken is het noodzakelijk om een partiële herziening van het bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) op te stellen. Deze partiële herziening voorziet in de verplaatsing van de veehouderijactiviteiten van de Wolfsven 1 naar de Schepersweijer 4a. De regels van het moederplan blijven van toepassing op het plangebied. Hierdoor wordt in hoofdstuk 5 uiteengezet hoe het plan zich verhoudt tot de dubbelbestemming ‘archeologie’ (paragraaf 5.1).
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
36
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
OMGEVINGSASPECTEN ARCHEOLOGIE 5.1.1
Verdrag van Valletta
In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. 5.1.2
Wet op de archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied. 5.1.3
Archeologiebeleid gemeente Reusel-De Mierden
De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. In figuur 5-1 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart weergeven.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
37
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Figuur 5-1 Uitsnede gemeentelijk erfgoedkaart (O = plangebied)
Schepersweijer 4a Volgens figuur 5-1 is het plangebied gelegen binnen een gebied met archeologische verwachtingswaarde ‘categorie 4 – gebieden met een hoge archeologische verwachting’. Ter plaatse van aanwezige gebouwen geld de verwachtingswaarde ‘categorie 7 – gebied zonder archeologische verwachting. Het gehele plangebied is mogelijk verstoord. Op basis van het beleid geldt voor categorie 4 het volgende: In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. Voor mogelijke verstoring geldt het volgende: bij archeologisch vooronderzoek dient eerst de mate van bodemverstoring door middel van verkennend booronderzoek te worden vastgesteld. De gewenste situatie voorziet in het vergroten van het bouwvlak met 0,285 hectare ten behoeve van de bouw van een varkensstal.
De varkensstal is voorzien van een mestput waardoor de bodemingrepen groter zijn dan 500 m2 en dieper zijn dan 30 cm onder maaiveld. Voor onderhavig initiatief is een archeologisch rapport opgesteld, zie bijlage 9. De conclusie luidt als volgt:
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
38
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Wolfsven 1 Volgens figuur 5-1 is het plangebied gelegen binnen een gebied met archeologische verwachtingswaarde ‘categorie 4 – gebieden met een hoge archeologische verwachting’ en verwachtingswaarde ‘categorie 6 – gebied met een lage archeologische verwachting. Ter plaatse van aanwezige gebouwen geld de verwachtingswaarde ‘categorie 7 – gebied zonder archeologische verwachting. Wat op basis van categorie 4 geldt is zojuist weergegeven. Voor categorie 6 geldt het volgende: Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht.
Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingswijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij agrarisch bestemde gronden. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd. De gewenste situatie voorziet in het verkleinen van het bouwvlak met 0,38 hectare en sanering van de veehouderij waarbij de bestaande vleesvarkensstal wordt gesloopt. In de gewenste situatie is sprake van een bouwvlak van 1.09 hectare. Ook wordt een nieuwe akkerbouwloods opgericht met een oppervlak van 3.600 m2. De nieuwe akkerbouwloods wordt deels gebouwd ter plaatse van de te slopen varkensstal (categorie 7 en) en deels ter plaatse van categorie 6. Derhalve is voor het initiatief aan de Wolfsven 1 geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
39
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
CULTUURHISTORIE Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. De provincie heeft daarom een digitale Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) opgesteld, zie figuur 5-2 voor een uitsnede van deze kaart.
Figuur 5-2 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant (O = plangebied)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
40
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Ook de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft een erfgoedkaart opgesteld. Deze kaart bestaat uit verschillende lagen zoals: Historisch landschap, Cultuurhistorische beleidskaart en Cultuurhistorische waardenkaart.
Figuur 5-3 Uitsnede erfgoedkaart ODZOB (links Historisch landschap en recht Cultuurhistorische beleidskaart
Schepersweijer 4a In figuur 5-2 is te zien dat het plangebied aan de Schepersweijer 4a niet ligt in een cultuurhistorisch beschermd vlak, lijn of punt. De onverharde weg aan de oostzijde van het plangebied, aangeduid met de oranje lijn, is een historisch geografische lijn die van hoog belang wordt geacht. De Postelsedijk, verder naar het oosten, is ook een historisch geografische lijn en het belang hiervan wordt gezien als redelijk hoog. Onderhavig initiatief heeft geen invloed op de besproken elementen. Op basis van de regionale erfgoed kaart (figuur 5-3) van de omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant is ter plaatse sprake geweest van heideontginning. Ten zuiden van het bedrijf liggen de Reuselse Moeren. Het gebied heeft een zeer hoge cultuurhistorische waarde (oranje) en een hoge cultuurhistorische waarde (groen) . Het gebied wordt gezien als een aardkundig waardevol gebied met actieve hoogveenvorming en daarom tevens van grote ecologische betekenis. De vormende processen in het gebied zijn: Verstuiving en dekzandvorming (windwerking, veenvorming, meerafzetting en verlanding.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
41
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Het gebied bestaat uit een zuidelijk gelegen moerassige laagte omgeven door licht golvend dekzandlandschap, met in het noorden van het gebied een kleine zone met lage landduinen. In de zuidelijke moerassige laagte vindt actieve hoogveenvorming plaats. Ze sluit in het westen en noordoosten aan op een dalvormige venige laagte, waarin de gegraven ‘Vaartloop’ ligt. De locatie ligt niet in het gebied. De te beschermen waarden van het gebied worden door graafwerkzaamheden en nieuwbouw niet aangetast. De bestaande landbouw wordt ook niet gezien als bedreiger van dit gebied. Wolfsven 1 In figuur 5-2 is te zien dat het plangebied aan de Wolfsven 1 ligt in het archeologisch landschap ‘Kempenland’. Het archeologisch landschap ‘Kempenland’ omvat een groot deel van het relatief hooggelegen zandlandschap ten zuidwesten van Eindhoven. Het landschap wordt doorsneden door verschillende beken en zijbeken. In het westen zijn dat de Reusel en de Groote en Kleine Beerze die in noordelijke richting afwateren. In het oostelijke deel liggen de Ekkersrijt, de Gender en de Run, die in noordoostelijke richting uitmonden in het riviertje de Dommel. Tussen de beekdalen liggen verschillende licht glooiende dekzandruggen die (vooral) langs de beekdalen bedekt zijn met uitgebreide complexen van oude bouwlanden. Verder komen reliëfrijkere zones voor met stuifduinen uit de Late Middeleeuwen.
Ten westen van het plangebied ligt de Postelsedijk, een historische geografische lijn met een redelijk hoog belang. Onderhavig initiatief heeft geen invloed op de besproken elementen Op basis van de regionale erfgoed kaart (figuur 5-3) is het bedrijf deel gelegen ter plaatse van de Postelse Moeren. De Postelse Moeren wordt aangeduid als een gebied voor grondstofwinning. In het verleden is in het gebied turf gestoken. Op deze locatie is hierdoor het veen verdwenen.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
42
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
WATERPARAGRAAF 5.3.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de oprichting van de stal binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. 5.3.2
Relevant beleid
KEUR Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Keur Waterschap De Dommel 2015” van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Figuur 5-4 geeft een beeld van de ligging van het plangebied op de keurkaart beschermingsgebieden van de ‘Keur 2015’. Hieruit blijkt dat beide plangebieden zijn gelegen in het grondwaterdeelgebied: ‘Westelijke zandgronden’. Ten westen van het plangebied ligt een A-watergang in de vorm van een sloot die afwatert in noordelijke richting. Ten zuiden van het plangebied aan de Schepersweijer 4a en ten westen van het plangebied aan de Wolfsven 1 liggen beschermde gebieden voor de waterhuishouding.
Figuur 5-4 Ligging plangebied op de kaart beschermde gebieden keur (O is plangebied)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
43
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
WATERBEHEERPLAN DE DOMMEL 2016-2021 Het waterschap heeft in 2015 het “Waterbeheerplan De Dommel 2016-2021” vastgesteld en dit plan is sinds 1 januari 2016 van kracht. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheer Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal waterplan. Het nieuwe waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016-2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven.
Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen bieden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn.
VGRP REUSEL-DE MIERDEN De gemeente heeft een VGRP (verbreed gemeentelijk rioleringsplan) opgesteld voor de periode 2017-2021. Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Voor de periode 2017-2021 zijn vijf specifieke ambities geformuleerd. De ambities en de inhoud van het voorgestelde uitvoeringsniveau (in enkele kenmerken) zijn: Verbeteren personele capaciteit Uitbreiden vaste formatie voor een stabielere organisatie. Opbouw gebieds- en systeemkennis in eigen organisatie. Daarnaast ook uitbreiding door structurele inhuur. Professionaliseren beheer en onderhoud Vervolgacties in omslag naar risicogestuurd, gedifferentieerd beheer. Differentiatie op basis van onderzoek, praktijkervaringen en expert judgement (“vakmanschap”). Uniforme beheersystemen. Beheerprogramma‟s. Anticiperen op klimaatverandering
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
44
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Focus op de openbare ruimte (bovengrondse inrichting) en meeliften met reconstructies. Robuuste waterstructuren. Combineren „groene‟ en „blauwe‟ voorzieningen. Proactief betrekken van perceelseigenaar. Communicatie- en calamiteitenplan. Kwetsbare locaties versneld aanpakken. Optimaliseren drukriolering Opsporen foutaansluitingen. Communicatietraject gericht op vrijwillig verwijderen regenwaterlozingen op drukriolering. Onderzoek naar (juridische) handhavingsmogelijkheden. Betaalbare gemeentelijke watertaken Voortzetten huidige financieringswijze. Door onderzoek restlevensduur gematigder investeringspatroon. Mogelijkheden voor latere overstap naar „sparen-vooraf‟ systematiek openhouden en op termijn onderzoeken 5.3.3
Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie
Schepersweijer 4a Op basis van kaarten van het waterschap heeft het plangebied een geschatte Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van 40 – 60 cm beneden maaiveld en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van 160 – 180 centimeter beneden maaiveld. De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit zwaklemig fijn zand op grof zand. Wolfsven 1 Op basis van kaarten van het waterschap heeft het plangebied een geschatte Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van 40 – 60 cm beneden maaiveld en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van 140-160 centimeter beneden maaiveld. De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit zwaklemig fijn zand. 5.3.4
Hydrologisch neutraal bouwen
De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de “Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Schepersweijer 4a De gewenste ontwikkeling aan de Schepersweijer 4a voorziet in een toename van verharding van 5.451 m2 (nieuwe stal 4.495 m2 en verharding 956 m2). Op basis van artikel 15 van de “Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015” geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte tussen 500 m2 en 10.000 m2 een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
45
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. De vrijstelling geldt alleen als compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) Op basis van de rekenregel dient 163,53 m3 water gecompenseerd te worden (5.451 m2 * 0,5 * 0,06). De watercompensatie moet op basis van de keur voldoen aan de volgende eisen: ► De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); ► De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; ► Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. De voorziening ten behoeve van de compenserende waterberging wordt uitgevoerd in de vorm van een sloot. De sloot heeft een bodembreedte van 100 cm, is 70 cm diep en heeft een lengte van 171 meter waarvan 10 meter is voorzien van een duiker.
In figuur 5-5 is de doorsnede van de sloot weergegeven. Met deze sloot wordt voldaan aan de benodigde compensatie van 164 m3.
Figuur 5-5 : doorsnede sloot
Wolfsven 1 De ontwikkeling aan de Wolfsven 1 voorziet in een afname van 2.147 m2 aan verharding (sloop stal 1.467 m2, sloop sleufsilo’s 216 m2, verwijderen erfverharding 464 m2). Daarnaast is er een toename van 3.775 m2 aan verharding (nieuwbouw akkerbouwloods 3.600 m2 en verharding 175 m2. In zijn totaliteit is er sprake van een toename van 1.628 m2 verharding. Op basis van artikel 15 van de “Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015” geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verharding onder de 2.000 m2 een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. In de gewenste situatie wordt het regenwater geloosd op het oppervlaktewater. Dit is overeenkomstig de bestaande situatie.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
46
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
5.3.5
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen, zoals kunststoffen, gecoat staal, gecoat zink of aluminium (in plaats van lood, asfalt, et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen, zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen, mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 5.3.6
Afvalwater
Binnen de inrichting aan de Schepesweijer 4a zijn verschillende afvalwaterstromen. Zo wordt het afvalwater van de spoelplaats en laadruimte geloosd op de mestput. Doordat de afvoer van dieren toeneemt, neemt ook het afvalwater van de spoelplaats toe. Het spuiwater wat vrijkomt bij de luchtwassers neemt door de gewenste ontwikkeling toe aangezien alle stallen op een luchtwasser worden aangesloten. Het spuiwater wordt op landbouwgrond uitgereden als meststof. Het huishoudelijk afvalwater vanuit de hygiënesluis wordt geloosd op het gemeentelijk vuilwater riool. Dit afvalwater neemt niet toe aangezien de hygiënesluis in de gewenste situatie niet vaker gebruikt gaat worden. Door de sanering van de veehouderij aan de Wolfsven 1 verdwijnen op deze locatie de afvalwaterstromen die het gevolg waren van de bedrijfsvoering. De afvalwaterstromen als gevolg ven de bedrijfswoning op deze locatie blijven wel bestaan.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
47
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
NATUUR 5.4.1
Gebiedsbescherming
Natuurnetwerk Nederland Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geïntroduceerd. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Nationaal Natuur Netwerk gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur. De NNN bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de NNN is de instandhouding, verbinding en ontwikkeling van deze natuurgebieden, om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Eventuele NNN-gebieden in de omgeving van het bedrijf die tevens zijn aangewezen onder andere natuurbeschermende regelgeving worden in desbetreffende paragraaf genoemd. Beide plangebieden liggen niet in een NNN-gebied, zie figuur 5-6, en hebben geen effect op versnippering of verkleining van het gebied.
Figuur 5-6 Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebieden, O is plangebied. (Bron: Provincie Noord-Brabant)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
48
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Wet ammoniak en veehouderij Kwetsbare gebieden zijn gebieden welke in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn aangewezen als voor verzuring gevoelig. Op grond van een wijziging van deze wet zijn voor dit initiatief de gebieden van belang die tevens binnen de NNN-gebieden zijn gelegen. Kwetsbare gebieden zijn van invloed op plannen met ammoniakemissie als de activiteit binnen 250 meter van het kwetsbare gebied plaats vindt. Beide locaties zijn in de nabijheid gelegen van gebieden die in het kader van de Wet Ammoniak en Veehouderij zijn aangewezen als ‘zeer kwetsbare gebieden’, zie figuur 5-7. De afstand van Schepersweijer 4a (bouwvlak) tot het dichtstbij gelegen ‘zeer kwetsbare gebied’ bedraagt circa 360 meter. De afstand van Wolfsven 1 (bouwvlak) tot het dichtstbij gelegen zeer kwetsbare gebied’ bedraagt circa 234 meter. Op basis van ligging van de bedrijfslocaties ten opzichte van de ‘zeer kwetsbare gebieden’ is te concluderen dat de uitstoot van ammoniak kan resulteren in aantasting van de ecologische waarden in deze gebieden. Onderhavig initiatief voorziet in een aanzienlijke daling van de uitstoot van ammoniak. Door de sanering van de veehouderij aan de Wolfsven 1 daalt de ammoniakemissie er plaatse met 4.347,00 kg NH3 ter plaatse naar 0 kg NH3 .
Ondanks de uitbreiding in aantal dieren aan de Schepersweijer 4a maar door het toepassen van emissie reducerende technieken op de nieuwe en bestaande stallen daalt ook hier de ammoniakemissie met 3.711.31 kg NH3. Onderhavig initiatief voorziet in een totale daling van 8.058.31 kg NH3. Ten opzichte van de bestaande rechten (12.254,70 kg NH3) is dit een daling van 65,8%. Deze daling in uitstoot van ammoniak draagt bij aan een verbetering van de ecologische waarden ter plaatse van de ‘zeer kwetsbare gebieden’. De Wet ammoniak en veehouderij vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
Figuur 5-7 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, O is plangebied (Bron: Provincie Noord-Brabant)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
49
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Natura 2000-gebieden Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom is in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die gericht is op gebiedsbescherming. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht, welke het wettelijk kader is voor; het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan ter uitvoering van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206) richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement: het behoud van de vogelstand diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving Het dichtst bij gelegen Natura 2000-gebied is Kempenland-West en ligt op ca. 6,3 kilometer afstand. De ligging van de bedrijfslocatie ten opzichte van het Natura 2000-gebied is in figuur 5-8 inzichtelijk gemaakt.
Figuur 5-8 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, O is plangebied (Bron: Aerius)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
50
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Vrijwel elke veehouderij dient te beschikken over een natuurtoestemming, dit is een vergunning Wet natuurbescherming of Verklaring Van Geen Bedenkingen (VVGB). Het bedrijf aan de Schepersweijer 4a beschikt over een VVGB van 19 december 2013, zie bijlage 10. Deze VVGB betreft de referentiesituatie voor Natura-2000 gebieden Op 20 januari 2021 heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak (uitspraak ‘Logtsebaan’ ECLI:NL:RVS:2021:71) gedaan over de vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van de uitspraak van de Raad van State is er geen natuurvergunningplicht wanneer sprake is van interne saldering. Intern salderen betekent dat bij bedrijfsontwikkeling de voorgenomen activiteit zo wordt aangepast, dat de stikstofuitstoot per saldo vermindert of gelijk blijft op dezelfde locatie in vergelijking met de bestaande, vergunde situatie (referentiesituatie). Als de wijziging of uitbreiding van een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (= intern salderen), dan is volgens de rechtspraak van de Afdeling op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat die wijziging significante gevolgen heeft. Als gevolg van de wijziging van artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2020 is bij intern salderen geen sprake meer van een vergunningplicht.
Om te bepalen of sprake is van intern salderen, dienen stikstofberekeningen gemaakt te worden met het rekenprogramma Aerius calculator. Op basis van de gegevens van de dierverblijven, zoals het huisvestingssysteem, de emissiepunthoogte, het aantal dieren en de verkeersbewegingen, wordt de stikstofdepositie berekend met Aerius. Het voorgenomen plan resulteert ondanks de toename in dieren in een afname van de ammoniakemissie door alle stallen te voerzien van een luchtwassysteem. De referentiesituatie voor de locatie Schepersweijer 4a is zoals gezegd de VVGB van 19 december 2013. In de Aerius berekening wordt de referentiesituatie vergeleken met de gewenste situatie. Uit de bijgevoegde Aerius berekening (zie bijlage 10a) blijkt dat er op geen enkel natuurgebied een toename is van stikstofdepositie. Aangezien er geen toename is van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie is sprake van intern salderen. Voor de beoogde situatie is geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming van toepassing. Aangezien sprake is van intern salderen is uitgesloten dat onderhavig initiatief leidt tot significant negatieve effecten op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. 5.4.2