[21.25540] - 2021-11-29 Ontwerp TL RG VB Schepersweijer 4a-Wolfsven 1
Tekst van het document
Soortenbescherming
Bij een ‘handeling’ brengt de Wet natuurbescherming een aantal verplichtingen met zich mee ten aanzien van mogelijk aanwezige planten en dieren. Zo rust bij de initiatiefnemer de wettelijke plicht om aan te tonen dat door de beoogde ‘handeling’ geen streng beschermde soorten worden verstoord, of om een ontheffing aan te vragen bij de provincie en te verkrijgen alvorens verstorende activiteiten mogen plaatsvinden. Om na te gaan of de ‘handeling’ een negatief effect heeft op eventueel aanwezige streng beschermde soorten, is een vooronderzoek in de vorm van een QuickScan uitgevoerd door een ecologisch bureau. De rapportage van de ecoloog is opgenomen in bijlage 11. In figuur 5-9 zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Hieruit blijkt dat de aanvang van de sloop en het bouwrijp maken moet plaatsvinden buiten het broedseizoen.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
51
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Figuur 5-9 Overzicht conclusies aangaande verstoring
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
52
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
EXTERNE VEILIGHEID In Nederland vallen bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO). Het BRZO voegt wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding samen. Het doel van het BRZO is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Met het voorgenomen initiatief worden er geen kwetsbare objecten binnen risicocontouren gerealiseerd. Een uitsnede van de risicokaart van de plangebieden en omliggende inrichtingen is in figuur 5-10 inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat ten oosten van het plangebied aan de Schepersweijer en ten zuiden van het plangebied aan de Wolfsven op drie bedrijven een risico aanwezig is, vallend in de categorie ‘Overig’. Deze categorie bevat bedrijven die niet als aparte categorie zijn benoemd, maar ook bedrijven waarbij de kans bestaat dat bij een ongeval gewonden en/of doden vallen buiten de terreingrens. De eindverantwoordelijke voor de omgevingsvergunning (meestal de gemeente) moet aangeven voor welke situaties dat geldt. De risico’s van deze bedrijven zijn hetzelfde als die van andere risicovolle bedrijven die werken met ontplofbare, giftige of brandbare stoffen. Het gevaar ontstaat wanneer met die gevaarlijke stoffen iets misgaat.
Afhankelijk van de soort stof kan er gevaar voor de gezondheid ontstaan door brand, een ontploffing of voor degene die met de gevaarlijke stof in aanraking komt.
Figuur 5-10 Uitsnede risicokaart, O is plangebied (Bron: Risicokaart Nederland)
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
53
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Aan het noordelijkste bedrijf (van de drie risico-bedrijven) is geen risicocontour gekoppeld. Aan de andere twee locaties is wel een riscocontour gekoppeld. Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. De geldende regels zijn vastgelegd in het Besluit milieukwaliteitseisen Externe veiligheid inrichtingen en in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Een PR van 10-6 wordt in de regels voor ruimtelijke ordening en externe veiligheid echter als een relatief hoog risico beschouwd. Bij een PR van 10-6 is de kans dat een persoon op die afstand van het ongeval daadwerkelijk overlijdt nog redelijk groot.
Wegens dit soort relatief grote overlijdenskansen mogen er binnen de contour van 106 in principe geen kwetsbare objecten staan. Met de rode lijn is de terreingrens van de inrichtingen weergeven waarbinnen het ‘risico’ aanwezig is. Dat aan het noordelijkste bedrijf (van de drie risico-bedrijven) geen risicocontour gekoppeld is komt doordat de monovergistingsinstallatie wel vergund maar nog niet gerealiseerd is. Op de andere twee locaties is de mono-/mestvergistingsinstallatie wel gerealiseerd. De ‘installatie contour 10-6’ in figuur 5-10 geeft de contour aan waarbinnen geen kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden. Met het voorgenomen initiatief zal er geen kwetsbaar object binnen de risicocontouren worden gerealiseerd. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen). Deze objecten staan op de risicokaart omdat ze extra aandacht verdienen wanneer het misgaat. Daarom worden kwetsbare objecten liever niet in de buurt van risicobronnen gebouwd. Aangezien het bedrijf geen risicobron vormt, hoeft geen rekening gehouden te worden met deze kwetsbare objecten. Bovendien liggen deze objecten niet in de nabijheid van de plangebieden (> 1 km).
Ten zuiden van de plangebieden ligt, op een afstand van meer dan 2,0 kilometer, een weg (A 67) voor het transport van gevaarlijke stoffen. Tijdens het transport kunnen dingen mislopen waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle transporten kan gedacht worden aan transport van aardgas, maar ook aan olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Aangezien deze weg op voldoende afstand van de plangebieden ligt, hoeft met dit risico geen rekening gehouden te worden.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
54
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
MILIEUASPECTEN MILIEUZONERING Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te borgen, wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en milieugevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. De vermelde afstanden zijn richtafstanden, die zijn opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” dan wel “gemengd gebied”. Gezien het agrarische karakter van de omgeving van de plangebieden is er sprake van functiescheiding. De plangebieden worden beschouwd als het omgevingstype “rustige woonwijk”. Schepersweijer 4a Het verplaatsen van de veehouderijactiviteiten aan Wolfsven 1 naar Schepersweijer 4a waarbij de veehouderij aan de Wolfsven 1 gesaneerd wordt en er een akkerbouwbedrijf gevestigd blijft is een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.
Hiervoor moet een gemotiveerde integrale afweging worden gemaakt, ook met betrekking tot de milieuzonering. Volgens de VNG-lijst valt het bedrijf onder de omschrijving “Fokken en houden van varkens” in milieucategorie 4.1, waarvoor de volgende richtafstanden gelden: voor het aspect ‘geurhinder’ => 200 meter, voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter, voor het aspect ‘geluidhinder’ => 50 meter, voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter. De richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De afstand tussen het bouwvlak van inrichting aan Schepersweijer 4a en het bouwvlak aan de Laarakkerdijk 5 bedraagt circa 900 meter. Deze afstand is groter dan de 200 meter waardoor aan alle richtafstanden wordt voldaan. Geluidhinder en gevaar vanuit de inrichting worden daarom niet verder onderzocht. Geur (paragraaf 6.3) en stofhinder (paragraaf 6.4) worden wel onderzocht omdat dit een relatie heeft met het aspect gezondheid (paragraaf 6.6). Wolfsven 1 Aan de Wolfsven 1 wordt de bestaande veehouderij opgeheven.
Planologisch wordt dit geregeld door het verwijderen van de aanduiding intensieve veehouderij en er wordt in de regels geborgd dat een veehouderij op deze locatie is uitgesloten. Wat resulteert, is een plangebied met een agrarische bestemming met bouwvlak waarbinnen een bestaande loods en bijbehorende bedrijfswoning aanwezig zijn en er een nieuwe akkerbouwloods wordt opgericht. In feite is er geen sprake van een
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
55
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
nieuwe ontwikkeling aangezien er geen nieuwe planologische mogelijkheden worden gecreëerd dan nu al toegestaan zijn. Toetsing aan de richtafstanden is niet noodzakelijk.
MILIEUEFFECT RAPPORTAGE Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijk milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C225/08). Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r.procedure moet worden opgestart. 6.2.1
Onderzoek
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het ‘nee, tenzij’ –principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Er zijn twee redenen waarom een m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1.
Als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage en de grenswaarde overschrijdt;
Onderhavige ontwikkeling betreft het uitbreiden van de bestaande varkenshouderij met een nieuwe stal. In de nieuwe stal worden 2.990 vleesvarkens gehouden. Op basis van bijlage 1 onderdeel D.14 behorende bij het Besluit milieueffectrapportage is er voor het oprichten van een installatie (dierverblijf) dat ruimte biedt aan meer dan 2.000 vleesvarkens sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aangezien er onder de grens van 3.000 vleesvarkens wordt gebleven, is sprake van alleen een m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarom is voor de bedrijfsaanpassing een dergelijk rapport opgesteld en bijgevoegd in bijlage 12. Dit rapport is opgesteld, zodat het bevoegd gezag (College van Burgemeester en Wethouders) van de gemeente Reusel – de Mierden een zorgvuldige afweging kan maken omtrent de milieugevolgen van het initiatief. Op de notitie wordt het besluit gebaseerd of er wel of geen aanleiding is voor het opstellen van een volledige Milieueffectrapportage. Het besluit is eveneens opgenomen in bijlage 12. Hieruit blijkt dat voor onderhavig initiatief geen volledige m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
56
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
2.
Als er voor het plan een zogeheten passende beoordeling gemaakt dient te worden op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingdoelstellingen van een Natura-2000 gebied.
Het opstellen van een passende beoordeling is noodzakelijk als niet kan worden uitgesloten dat een plan of project significante gevolgen heeft. In paragraaf 5.4.1 is aangetoond dat met onderhavig initiatief sprake is van intern salderen en dat hierdoor op basis van de uitspraak ‘Logtsebaan’ uitgesloten is dat het project significante gevolgen heeft en er geen vergunningplicht is voor onderhavig initiatief. Uit de uitspraak blijkt dat als de wijziging of uitbreiding van een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (= intern salderen), dan is volgens de rechtspraak van de Afdeling op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat die wijziging significante gevolgen heeft. Dit bestemmingsplan maakt het project, wat geen significante negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingdoelstellingen van een Natura-2000 gebied, mogelijk. Derhalve leidt dit plan ook niet tot significante negatieve effecten op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. 6.2.2
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat voor onderhavig initiatief geen verplichting bestaat om een plan-MER procedure te doorlopen. GEUR Het waarnemen en waarderen van geur verschilt per persoon. Naast het feit dat mensen het kunnen ervaren als hinderlijk, kan het waarnemen van een onaangename geur samenhangen met klachten zoals depressie, verminderde kwaliteit van leven en moeheid (Op den Kamp, 2006). De hinder gaat dan vergezeld met stress gerelateerde lichamelijke gezondheidseffecten. Er is geen eenduidige relatie bekend tussen de hoogte van de geurbelasting en de mate van klachten die ontstaan. Ook kan een onaangename geur veroorzaken dat mensen niet graag thuis zijn of naar buiten willen gaan (Op den Kamp, 2006). Voor de mate van geurhinder geeft de Wet geurhinder en veehouderij geen waarden of bandbreedten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden op het gebied van voorgrond- en achtergrondbelasting (cumulatie). 6.3.1
Voorgrondbelasting geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied, waarin Schepersweijer 4a is gelegen geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Voor gemeenten is het, door middel van het vaststellen van een geurverordening, mogelijk om af te wijken van wettelijke normen uit de Wgv. De gemeente Reusel-de Mierden heeft een geurverordening vastgesteld op 23-12-2013. Zij heeft voor verschillende woongebieden afwijkende normen vastgelegd om daarmee een goed woon- en leefklimaat adequaat te kunnen borgen. Voor de kernen is de maximale belasting vastgesteld op 0,1 ouE/m³, voor het buitengebied en de kernrandzone bedraagt de maximale belasting 5,0 ouE/m³.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
57
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Voor woningen behorende bij andere veehouderijen en voormalige veehouderijen geldt een ander toetsingskader. De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij bedraagt ten minste 100 meter als het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Schepersweijer 4a Aan de Schepersweijer 4a wordt een nieuwe stal opgericht. Om de ontwikkeling mogelijk te maken worden geurreducerende maatregelen genomen. De nieuwe stal wordt voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem (85% ammoniakreductie, 45% geurreductie en 80% fijnstof reductie), bestaande uit een watergordijn met daarachter een biologische combiwasser. Ook de overige stallen (B en C) die nog niet zijn aangesloten op een luchtwasser worden in de gewenste situatie voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem (85% ammoniakreductie, 45% geurreductie en 80% fijnstof reductie), bestaande uit een watergordijn met daarachter een biologische combiwasser. Door het toepassen van een gecombineerd luchtwassysteem wordt de emissie van geur uit de betreffende stallen met 45 % gereduceerd. Gebouw A wordt gesloopt.
Ondank de geur reducerende maatregelen neemt de geuremissie van het bedrijf aan de Schepersweijer 4a neemt toe van 96.069,1 Europese odeur units per seconde (ouE/s) naar 116.675,7 ouE/s, zie bijlage 13. Dit is een toename van 20.606,6 ouE/s ten opzichte van de vergunde situatie. Met het rekenprogramma V-Stacks Vergunningen kan de verspreiding van geur vanuit een veehouderijbedrijf worden berekend. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de omgeving gelegen geurgevoelige objecten. Vervolgens toetst het programma of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Deze norm moet vooraf worden ingevoerd. Om de geurbelasting te berekenen worden gegevens ingevoerd over het bedrijf (bronnen) en de omliggende geurgevoelige objecten (receptoren). Het programma houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. In bijlage 14 zijn de invoergegevens opgenomen. In de vergunde situatie is reeds sprake van een overbelasting op het geurgevoelige object (Lensheuvel 91) in de kern (zie bijlage 15). Voor situaties zoals deze, waarbij de geurbelasting toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie en de geurbelasting op geurgevoelige objecten niet voldoet aan de norm, is de 50%-regeling van artikel 3 lid 4 Wgv van toepassing.
Deze regeling biedt de mogelijkheid om uit te breiden in het aantal landbouwhuisdieren wanneer geurbelastingreducerende maatregelen getroffen worden en de overbelaste situatie afneemt. De regeling werkt als volgt: de ondernemer bepaald aan de hand van het aantal vergunde dieren de effecten van de geurbelastingreducerende maatregelen. Maximaal de helft van dit effect mag de ondernemer gebruiken voor uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren, de andere helft komt ten goede aan het geurgevoelig object (vermindering geurbelasting). In bijlage 16 is de geurberekening inclusief de geur reducerende maatregelen als ook de bepaling van de nieuwe geurnorm opgenomen. Hieruit blijkt dat voor het geurgevoelige object Lensheuvel 91 de nieuwe geurnorm 0,6 ouE/m³ bedraagt
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
58
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Nu voor alle geurgevoelige objecten de geurnorm is vastgesteld kan bepaald worden of de gewenste situatie voldoet aan deze geurnormen. In figuur 6-1 zijn de resultaten van de geurverspreidingsberekening weergegeven, in bijlage 17 is de berekening opgenomen als ook de invoerparameters. Uit de resultaten blijkt dat de voorgenomen activiteit aan de normen voldoet. Geurgevoelig object Laarakkerdijk 5 Postelsedijk 5 Postelsedijk 10 Postelsedijk 15 Voorste Heikant 7b Buizerd 9 Buizerd 11-13 Goordijk 2 Peel 4 Peel 8 Peel 9 Lensheuvel 91
Geurnorm 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 0,6
Geurbelasting 1,9 1,8 1,9 0,9 1,1 1,3 1,3 1,1 1,1 1,2 1,2 0,6
Figuur 6-1 Resultaten geurberekening voorgrondbelasting gewenste situatie
In bijlage 18 zijn de resultaten van de vergunde en gewenste situatie naast elkaar gezet. Hieruit blijkt dat de toename in geuremissie enkel ter plaatse van de Postelsedijk 5 stijgt tot een toename van de geurbelasting. De voorgrondbelasting op de Postelsedijk 5 blijft wel ruim (>60 %) onder de geurnorm uit de gemeentelijke geurverordening. Uit de tabel blijkt ook dat de voorgrondbelasting op 3 andere geurgevoelige objecten daalt. De voorgrondbelasting op de overige geurgevoelige objecten blijft gelijk. De geurbelasting van Schepersweijer 4a blijft voor alle geurgevoelige objecten in het buitengebied voor meer dan 60% onder de geurnorm uit de gemeentelijke geurverordening en voor meer dan 85% onder de wettelijke geurnorm. De geurbelasting voor het geurgevoelige object in de bebouwde kom is hoger dan de gemeentelijk norm (0,1) maar op basis van de vergunde rechten en het toepassen van de 50% regeling bedraagt de norm waaraan voldaan moet worden 0,6 ouE/m3. Aan deze norm wordt voldaan. De geurbelasting van 0,6 ouE/m3 voor het geurgevoelige object in de kern is 80% onder de wettelijke norm. De dichtstbijzijnde woning behorende bij een andere veehouderij of voormalige veehouderij die aan de vaste afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij moet voldoen is Schepersweijer 4.
Deze woning is in het buitengebied gelegen op een afstand van 110 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde emissiepunt en voldoet daarmee aan de minimale afstand van 50 meter. Wolfsven 1 Door de sanering van de veehouderij daalt de geuremissie aan de Wolfsven 1 van 51.642 OU/s naar 0 ouE/s. In bijlage 19 is de berekening van de vergunde situatie opgenomen. Voor de beoogde situatie is geen geurberekening gemaakt omdat de emissie 0 ouE/s en hierdoor bedraagt de geurbelastin ook 0 ouE/m³. De geurbelasting van de vergunde en gewenste situatie zijn in bijlage 18 naast elkaar gezet. Hieruit blijkt dat voor de veehouderij aan de Wolfsven 1 in de bestaande situatie, op basis van de geurnorm uit de gemeentelijke geurverordening, sprake is van een overbelaste
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
59
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
situatie op de Postelsedijk 5, de Beemden 21 (kern), en Lennisheuvel 91 (kern). Door de sanering van de veehouderij aan de Wolfsven 1 verdwijnt de gehele geuremissie (51.642 ouE/s) ter plaatse. Dit betekent dat de voorgrondbelasting daalt met 100%. Dit resulteert in een kwaliteitswinst voor de omgeving. De beëindiging van de veehouderij aan de Wolfsven 1 heeft geen nadelig effect voor de omliggende veehouderij. De bedrijfswoning aan de Wolfsven 1 verandert van een geurgevoelig object behorend bij een veehouderij in een geurgevoelig object behorend bij een voormalige veehouderij. De toetsing omtrent de geurbelasting vindt in beide gevallen plaats op basis van een vaste afstand. Zowel in de bestaande en nieuwe situatie bedraagt deze afstand 50 meter. De bedrijfswoning aan de Wolfsven 1 ligt op meer dan 50 meter afstand van de omliggende veehouderijen. Conclusie Ondanks de toename van geur aan de Schepersweijer 4a is er door de sanering van de Wolfsven 1 een netto afname van geuremissie van in totaal 31.035,4 ouE/s. Ook met de toename van geuremissie aan de Schepersweijer 4a wordt voldaan aan de geurnormen en vormt de voorgrondbelasting geen belemmering voor onderhavig initiatief. 6.3.2
Achtergrondbelasting geur en woon en leefklimaat
De cumulatieve geurbelasting ook wel de achtergrondbelasting geur, betreft de geuremissie vanuit alle veehouderijen in de omgeving binnen een straal van 2 km op de omliggende geurgevoelige objecten. Deze geurbelasting voor de achtergrond is niet vergelijkbaar met de geurbelasting voor de voorgrond. In bijlage 20 zijn de invoergegevens opgenomen, waarbij de omliggende veehouderijen in beeld zijn gebracht. Verordening ruimte Noord-Brabant In de Verordening ruimte Noord-Brabant heeft de provincie gebiedsnormen voor geur opgenomen. Zij heeft deze norm vastgesteld om te voorkomen dat er op gebiedsniveau nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan de afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. In de voorwaarden heeft de provincie ervoor gekozen om te werken met percentages voor de kans op geurhinder. Deze percentages gelden voor de achtergrondbelasting en bedragen 12% voor de bebouwde kom en 20% voor het buitengebied. Deze percentages laten zich vertalen naar een toetsbare norm door gebruik te maken van ouE/m³, namelijk 10 ouE/m³ voor de bebouwde kom en 20 ouE/m³ voor het buitengebied. Met het rekenprogramma V-Stacks gebied kan een berekening worden uitgevoerd om de achtergrondbelasting geur te berekenen. Bij de invoergegevens voor de gewenste situatie is rekening gehouden met de sanering van de veehouderij aan de Wolfsven 1.
Om het effect van de gewenste ontwikkeling op de achtergrondbelasting te berekenen zou het beste zijn om alle geurgeurgevoelige objecten binnen een straal van 2 km vanaf beide veehouderijen te onderzoeken. Gezien de ligging van de veehouderijen zijn dit circa 180 geurgevoelige objecten die onderzocht zouden moeten worden, waarvan circa 110 in de bebouwde kom. Dit vergt praktisch erg veel tijd waardoor in onderhavige situatie 32 geurgevoelige objecten zijn meegenomen. Dit zijn bijna alle geurgevoelige objecten binnen een straal van 1,5 kilometer en 1 geurgevoelig object uit de bebouwde kom.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
60
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Uit de resultaten (zie bijlage 21) blijkt dat in de bestaande situatie (op basis van gegevens uit Webbvb) er sprake is van een overbelaste situatie op negen geurgevoelige objecten en in de gewenste situatie sprake is van vijf overbelaste situaties. Onderhavig initiatief voorziet in het opheffen van vier overbelaste situaties. Naast de opheffing van vier overbelaste situaties resulteert onderhavig initiatief ook in een grote afname van de achtergrondbelasting voor twee andere locaties. Onderhavig initiatief voorziet in een afname van 84,9% van de overbelasting op de locatie Postelsedijk 5 en 71,8% op de locatie Peel 9. De afname van de overbelasting resulteert dan wel niet in een andere classificatie van het woon- en leefklimaat maar de geurbelasting ter plaatse daalt wel. Met betrekking tot de overige overbelaste situaties blijkt dat onderhavig initiatief geen of nauwelijks invloed heeft op de afname van de overbelasting. De oorzaak hiervan is dat deze locaties zeer kort bij (grote) intensieve veehouderijen zijn gelegen. De belasting van deze veehouderijen is dan dominant waardoor een wijziging op grotere afstand niet of nauwelijks invloed heeft. Uit bijlage 21 blijkt ook dat er op 30 van de 32 berekende geurgevoelige objecten, waaronder de woning in de kern, sprake is van een afname van de achtergrondbelasting.
Enkel op 2 locaties, die zeer kort bij (grote) intensieve veehouderijen zijn gelegen, draagt onderhavig initiatief niet bij aan de afname van de achtergrondbelasting. Hieruit is te concluderen dat onderhavig initiatief ook zorgt voor een afname van de achtergrondbelasting voor de overige circa 150 geurgevoelige objecten binnen een straal van 2 km van beide locaties, tenzij er op zeer korte afstand een (grote) intensieve veehouderij is gelegen. Op basis van de omgeving zullen maximaal 10 tot 20 geurgevoelige objecten op zeer korte afstand van een (grote) intensieve veehouderij zijn gelegen. Dit betekent dat van de circa 180 geurgevoelige objecten binnen een straal van 2 kilometer er een verbetering is van de achtergrondbelasting op circa 160 geurgevoelige objecten. Gezien de overschrijding op vijf geurgevoelige objecten is ontwikkeling enkel mogelijk onder voorwaarden. De Verordening ruimte Noord-Brabant geeft als voorwaarde dat een veehouderij die wil ontwikkelen zorgt voor een afname van de overbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding compenseert. Om dit te berekenen is de notitie “Afname overbelasting” (24 april 2014) opgesteld. Volgens deze notitie dient eerst per soort object bepaald te worden op welk object de aanvrager de hoogste voorgrondbelasting veroorzaakt (V-stacks-vergunningen).
Dit is of zijn de object(en) die in de afweging van een proportionele afname moeten worden betrokken. Alle vijf de overbelaste geurgevoelige objecten betreffen woningen in het buitengebied. Op basis van de voorgrond berekening geur dient de woning aan de Laarakkerdijk 5 beoordeeld moet worden in het kader van proportionele afname. In bijlage 22 is de berekening opgenomen. Hieruit blijkt dat het bedrijf niet meer dan 5% aan de gesommeerde geurbelasting bijdraagt. Hierdoor draagt het bedrijf niet substantieel bij aan de overbelasting en hoeft het bedrijf niet te zorgen voor een afname van de overbelasting welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding compenseert. Ook blijkt dat het bedrijf meer dan 0,5 ou bijdraagt aan de gesommeerde V-stacksgebied voorgrondbelasting. In deze situatie wordt gevraagd om de voorgrondbelasting niet te laten toenemen. Als gekeken wordt naar de berekeningen van de vergunde en aangevraagde voorgrondbelasting (bijlage 15 en 17) neemt de voorgrondbelasting op het geurgevoelige object aan de Laarakkerdijk 5 niet toe. Onderhavig initiatief voldoet hiermee aan de notitie ‘Afname overbelasting’
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
61
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Gebiedsvisie 2013 Reusel de Mierden Uit de gebiedsvisie 2013 komt naar voren dat nieuwe ruimtelijke initiatieven getoetst moeten worden aan een achtergrondconcentratie van 10 ou/m3. De achtergrondconcentratie mag niet meer dan 10 ou/m3 bedragen; bij een hogere achtergrondbelasting wordt een geurbelastingreducerende maatregel toegepast, waarbij de 50%-regeling uit artikel 3 lid 4 Wet geurhinder en veehouderij van toepassing is en moet hieraan worden voldaan; Bij deze beoordeling zijn de geurgevoelige objecten betrokken die meegenomen zijn in de voorgrondberekening. In de vergunde situatie is reeds sprake van een overbelasting op 10 van de 12 geurgevoelige objecten. Enkel de geurgevoelige objecten Voorste Heikant 7 en Lensheuvel 91 voldoen aan de achtergrondbelasting van 10 ou/m3. Voor de overige geurgevoelige objecten dient de 50% regeling uit artikel 3 lid 4 Wet geurhinder en veehouderij te worden toegepast. Deze regeling biedt de mogelijkheid om uit te breiden in het aantal landbouwhuisdieren wanneer geurbelastingreducerende maatregelen getroffen worden en de overbelaste situatie afneemt. De regeling werkt als volgt: de ondernemer bepaalt aan de hand van het aantal vergunde dieren de effecten van de geurbelastingreducerende maatregelen.
Maximaal de helft van dit effect mag de ondernemer gebruiken voor uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren, de andere helft komt ten goede aan het geurgevoelig object (vermindering geurbelasting). In bijlage 23 zijn de resultaten van de geurberekening inclusief de geur reducerende maatregelen als ook de bepaling van de nieuwe geurnorm opgenomen. Nu voor alle geurgevoelige objecten de geurnorm is vastgesteld kan bepaald worden of de gewenste situatie voldoet aan deze geurnormen. In figuur 6-3 zijn de resultaten van de geurverspreidingsberekening weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat de voorgenomen activiteit aan de nieuwe normen voldoet en daarmee voldoet aan de gebiedsvisie. Geurgevoelig object Laarakkerdijk 5 Postelsedijk 5 Postelsedijk 10 Postelsedijk 15 Voorste Heikant 7b Buizerd 9 Buizerd 11-13 Goordijk 2 Peel 4 Peel 8 Peel 9 Lensheuvel 91
Geurnorm
Geurbelasting 24,559 23,665 54,618 11,712 10,000 12,192 12,155 15,586 20,234 19,192 21,776 10,000
24,559 20,965 54,317 11,519 9,708 11,827 11,806 14,993 19,366 18,103 20,791 4,315
Figuur 6-2 Resultaten geurberekening voorgrondbelasting gewenste situatie
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
62
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Woon- en leefklimaat Toetsing van de achtergrondbelasting geur geschiedt aan de hand van indeling van het leefklimaat. Als er veel veehouderijen in de omgeving zijn gelegen dan wordt de geur anders beleefd dan wanneer er weinig veehouderijen aanwezig zijn. Met het rekenprogramma V-Stacks Gebied wordt aan de berekende geurbelasting een percentage geurgehinderden gekoppeld. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat vastgesteld ter plaatse van een locatie, zie figuur 6-4. Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Geurgehinderden % <5 5 – 10 10 – 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 – 35 35 – 40
Figuur 6-3 RIVM-kwaliteitscriteria woon- en leefomgeving
In bijlage 21 zijn de berekende achtergrondbelastingen geur met het daarbij behorende leefklimaat inzichtelijk gemaakt voor de vergunde en de beoogde situatie. Daarin is te zien dat het leefklimaat sterk varieert. Ten opzichte van de vergunde situatie verandert de indeling van het leefklimaat op zes woningen. Voor de overige woningen geldt dat er geen verandering van het leefklimaat optreedt. Op vier locaties (Peel 4, 5a, 7 en 8) verbetert de classificatie van het woon- en leefklimaat van ‘tamelijk slecht’ naar ‘matig’. Een matig woon- en leefklimaat wordt in de ruimtelijke ordening gezien als een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast verbetert de classificatie van het woon- en leefklimaat op twee locaties van ‘matig’ naar ‘redelijk goed’.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
63
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
FIJN STOF In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht bevindt. Bij wijzigingen aan veehouderijbedrijven dient de luchtkwaliteit te worden beoordeeld. Hierbij wordt de concentratie van fijn stof (PM10) beoordeeld. Sinds 1 januari 2015 dient tevens de concentratie voor PM2,5 te worden beoordeeld. Volgens de wettelijke normen mag de concentratie PM10 veroorzaakt door de inrichting op omliggende woningen van derden maximaal 40 μg/m3 bedragen en mag er maximaal 35 dagen sprake zijn van een overschrijding van de grenswaarde van 50 μg/m3 voor 24-uurgemiddelden over 5 jaar. De grenswaarde voor PM2,5 bedraag 25 μg/m3. In de diertabel in bijlage 12 is de fijn stofemissie van de vergunde situatie als ook van de gewenste situatie weergegeven. De fijnstofemissie van de voorgenomen bedrijfsaanpassing aan de Schepersweijer 4a daalt van 393.854 gr. PM10 (vergunde situatie) naar 286.986 gr. PM10 (gewenste situatie). Dit is een afname van 106.868 gr. PM10, Dit resulteert in een kwaliteitswinst voor de omgeving. Middels het programma ISL3a is een fijn stofverspreidingsmodel (PM10 en PM2,5) van de voorgenomen activiteit opgesteld. Dit verspreidingsmodel is in bijlage 24 opgenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen activiteit met maximaal 19,16 µg/m3 aan de grenswaarde van 40 µg/m3 (jaargemiddelde) voldoet. Het aantal overschrijdingsdagen van is 6,9 lager dan de 35 dagen die zijn toegestaan. De berekende PM2,5 concentratie bedraagt maximaal 11,370 µg/m³, waardoor ook ruimschoots aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Dat betekent dat de voorgenomen activiteit aan de regelgeving voor fijn stof voldoet. Door de sanering van de veehouderij aan de Wolfsven 1 verdwijnt de fijnstofemissie van 237.636 gr/jr. ter plaatse. Dit resulteert in een kwaliteitswinst voor de omgeving. BODEM In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In het activiteitenbesluit zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. In de nieuwe stal (Schepersweijer 4a) en in de nieuwe akkerbouwloods (Wolfsven 1) zijn mensen minder dan 2 uur per dag aanwezig. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt voor de nieuwe stal en de nieuwe akkerbouwloods niet noodzakelijk geacht.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
64
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
VERKEER EN PARKEREN Het beperken van de nadelige milieugevolgen van het verkeer van personen of goederen naar een inrichting is een te beschermen milieubelang. In deze paragraaf beschouwen wij wat het effect is van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect. De te behandelen onderwerpen zijn: parkeerbehoefte, verkeersaantrekkende werking van de inrichting en ontsluiting. 6.6.1
Parkeren
Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op beide locaties op eigen terrein. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De aanwezige erfverharding biedt voldoende ruimte om te parkeren. 6.6.2
Verkeersaantrekkende werking
In de huidige situatie vindt er transport van mensen en dieren plaats tussen de beide locaties. De voorgenomen ontwikkeling, de verplaatsing van de veehouderij, heeft een verkeersaantrekkende werking op de locatie Schepersweijer 4a. Ook voor de locatie Wolfsven 1 is ondanks de sanering van de veehouderij tak sprake van een verkeersaantrekkende werking door de uitbreiding van de akkerbouwtak. Schepersweijer 4a Doordat de bedrijfsactiviteiten van de Wolfsven 1 verplaats worden naar de Schepersweijer 4a zullen de transportbewegingen voor aanvoer voer (152 vrachten) afvoer mest (90 vrachten) en afvoer spuiwater (42 vrachten) toenemen. De transportbewegingen voor de afvoer van vleesvarkens stijgt met 45 vachten. De afvoer van biggen naar de Wolfsven 1 verdwijnt, dit zijn 30 vrachten. In de gewenste situatie blijven de geproduceerde biggen nu op de Schepersweijer 4a. Doordat in de gewenste situatie minder zeugen worden gehouden en meer vleesvarkens worden er biggen aangevoerd (52 vrachten). De dagelijkse transportbewegingen van mensen van en naar Wolfsven 1 verdwijnen eveneens. In onderstaand tabel zijn de bovengenoemde verkeersbewegingen overzichtelijk weergegeven. Activiteit Aanvoer voer Afvoer mest Afvoer spuiwater Afvoer vleesvarkens Aanvoer biggen Afvoer biggen Verkeer tussen locaties Totaal
Toename 152 vrachten 90 vrachten 42 vrachten 45 vrachten 52 vrachten
381
Afname
30 vrachten 730 voertuigen (auto) 760
Figuur 6-4 Overzicht aantrekkende verkeersbewegingen Schepersweijer 4a
Wolfsven 1 Door de sanering van de veehouderij verdwijnen de transportbewegingen voor de aanvoer van voer (25 vrachten), afvoer dieren (30 vrachten) en afvoer mest (33 vrachten). Ook de aanvoer van dieren (30 vrachten) vanaf de Scheperswijer 4a en de dagelijks transportbewegingen van mensen van en naar Schepersweijer 4a verdwijnen.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
65
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
De oprichting van de nieuwe akkerbouwloods zorgt voor aantrekkende verkeersbewegingen. De loods heeft een oppervlak van 3.600 m2 en is bestemd voor de opslag van aardappelen. Bij een opslag hoogte van 4 meter bedraagt de opslagcapaciteit 14.400 m3. De aanvoer vindt plaats middels tractoren met kar met een maximaal laadvermogen van 30 ton. Het soortelijke gewicht van aardappelen is 700 kg/m3. Dit betekent dat in totaal 336 tractoren met kar nodig zijn. De aanvoer van aardappelen vindt plaats in oktober en november. Uitgaande van 26 werkdagen (ma t/m za) per maand betreft de aantrekkende werking in oktober en november gemiddeld 6 tot 7 tractoren per werkdag. De afvoer vindt plaats middels vrachtwagens met een maximaal laadvermogen van 32 ton. Dit betekent dat in totaal 315 vrachtwagens nodig zijn. De afvoer van aardappelen vindt plaats van januari tot en met juni. Dit betekent dat gemiddeld tussen de 50 en 55 vrachtwagens per maand het bedrijf bezoeken. Uitgaande van 21 werkdagen (ma t/m vrij) per maand betreft de aantrekkende werking in mei tot en met juni gemiddeld 2 tot 3 vrachtwagens per werkdag. In onderstaand tabel zijn de bovengenoemde verkeersbewegingen overzichtelijk weergegeven. Activiteit Aanvoer voer Aanvoer biggen Afvoer vleesvarkens Afvoer mest Verkeer tussen locaties Aanvoer aardappelen Afvoer aardappelen Totaal
Toename
336 vrachten 315 vrachten 651
Afname 25 vrachten 30 vrachten 30 vrachten 33 vrachten 730 voertuigen (auto)
848
Figuur 6-5 Overzicht aantrekkende verkeersbewegingen Wolfsven 1
6.6.3
Ontsluiting
Schepersweijer 4a Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt op dit moment gebruik gemaakt van inrit vanaf de Schepersweijer. Voor de ontsluiting van de nieuwe stal wordt geen extra inrit gerealiseerd maar gebruik gemaakt van de bestaande inrit. Het bedrijf wordt verlaten via de Schepersweijer. Via de Postelsedijk en vervolgens de Sleutelstraat die overgaat in het Weijereind komt men via de Hamelendijk uit op een rotonde vanwaar de N284 en de N269 bereikt worden. Het bedrijf is te bereiken zonder door kwetsbare dorpskommen zoals de kern van Reusel te rijden. Wolfsven 1 Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt op dit moment gebruik gemaakt van twee inritten vanaf de Wolfsven. Voor de ontsluiting van de nieuwe akkerbouwloods wordt geen extra inrit gerealiseerd maar gebruik gemaakt van de bestaande inritten. Het bedrijf wordt verlaten via de Wolfsven. Via de Postelsedijk en vervolgens de Sleutelstraat die overgaat in het Weijereind komt men via de Hamelendijk uit op een rotonde vanwaar de N284 en de N269 bereikt worden. Het bedrijf is te bereiken zonder door kwetsbare dorpskommen zoals de kern van Reusel te rijden.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
66
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
VOLKSGEZONDHEID 6.7.1
Endotoxine
In 2016 is het rapport “Veehouderij en gezondheid omwonenden” (VGO) gepubliceerd door Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. In dit rapport werden geen duidelijke consistente verbanden gevonden met bedrijven met bepaalde diersoorten (runderen, pluimvee, varkens). Dit wijst op een gemeenschappelijke factor die bij alle veehouderijen aanwezig is. Een groter aantal veehouderijen in een gebied kan bijdragen aan de verhoging van de blootstelling. De afstand tot het dichtstbijzijnde bedrijf, ongeacht het type bedrijf, was niet duidelijk geassocieerd met de longfunctie. Omdat de splines aangeven dat bij hogere bedrijfsdichtheden (> 15-17 bedrijven in een straal van 1.000 meter) associaties worden gevonden, leveren klassieke lineaire regressieanalyse of een inter-kwartiel analyse geen significante verbanden op. Er zijn meer dan 15 veehouderijen (17 in totaal) gelegen binnen een straal van 1 km om het bedrijf aan de Schepersweijer 4a heen. Dit betekent volgens het VGO-rapport dat er nadelige effecten verwacht worden voor omwonenden. De fijn stof emissie vanuit de inrichting wordt echter met ruim 27% verlaagd door uitvoering van onderhavig plan. Daarnaast is met behulp van de in Noord-Brabant beschikbare endotoxine tabel (Erbrink september 2016) een adviesafstand voor onderhavige locatie bepaald.
Deze bedraagt voor de beoogde situatie 108 meter (zie figuur 6-8), daar waar de dichtstbij liggende burgerwoning op een afstand van ca. 900 meter van de grens van de inrichting gelegen is (Laarakkerdijk 5). Dit is ruim buiten de berekende endotoxineafstand. Er zijn dichterbij gelegen bedrijfswoningen in de omgeving van de inrichting. Echter betreft het allen bedrijfswoningen behorende bij een veehouderij, waardoor deze woningen door eigen emissie het meeste belast zullen worden.
Figuur 6-6 Berekening adviesafstand endotoxine
Dat voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde omtrent endotoxine wordt door de gemeente bevestigd in de omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden. De locatie aan de Schepersweijer 4a betreft een duurzame locatie op basis van voorwaarden in de omgevingsvisie. Uit de voorwaarden blijkt eveneens dat de locatie ook voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde omtrent geur, dat de afstand tot kern, buurtschappen en woonbestemmingen voldoende groot is en dat transportbewegingen niet door een kern of buurtschap voeren.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
67
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
6.7.2
Geur
Het waarnemen en waarderen van geur verschilt per persoon. Naast het feit dat mensen het kunnen ervaren als hinderlijk, kan het waarnemen van een onaangename geur samenhangen met klachten zoals depressie, verminderde kwaliteit van leven en moeheid (Op den Kamp, 2006). Geurhinder en de gezondheidseffecten hiervan zijn in het VGO-onderzoek van het RIVM niet onderzocht. Uit eerder onderzoek is bekend dat hinder vergezeld kan gaan met stressgerelateerde lichamelijke gezondheidseffecten. Er is geen eenduidige relatie bekend tussen de hoogte van de geurbelasting en de mate van klachten die ontstaan. Ook kan een onaangename geur veroorzaken dat mensen niet graag thuis zijn of naar buiten willen gaan (Op den Kamp, 2006). Voor de mate van geurhinder geeft de Wet geurhinder en veehouderij geen waarden of bandbreedten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden op het gebied van voorgrond- en achtergrondbelasting (cumulatie). Daarnaast hebben gemeente beleidsvrijheid om aanvullend geurbeleid vast te stellen. Gemeente Reusel – De Mierden heeft een geurverordening vastgesteld die strenger is dan het wettelijke beleid, dit gemeentelijke geurbeleid is dan ook maatgevend voor dit project. Daarnaast wordt voldaan aan de eisen omtrent geur uit de provinciale ruimtelijke verordening en de gemeentelijke omgevingsvisie. 6.7.3
Bedrijfsgebonden maatregelen in het kader van o.a. volksgezondheid
Op het bedrijf worden verschillende maatregelen genomen die een positief effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving. Technische maatregelen: -
De nieuwe stal wordt voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem (85% ammoniakreductie, 45% geurreductie en 80% fijnstof reductie), bestaande uit een watergordijn met daarachter een biologische combiwasser. De overige stallen (B en C) die nog niet zijn aangesloten op een luchtwasser worden ook voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem (85% ammoniakreductie, 45% geurreductie en 80% fijnstof reductie), bestaande uit een watergordijn met daarachter een biologische combiwasser. Gebouw A wordt buiten werking gesteld, hier worden geen dieren meer gehouden
-
-
Daarnaast is er op het bedrijf sprake van een strenge hygiënebarrière. Hieronder wordt verstaan: -
Een gescheiden route over het bedrijf voor ‘schoon’ transport en ‘vuil’ transport; Beperkt toelaten van bezoekers, alleen indien nodig; Bezoekers mogen alleen het bedrijf betreden, nadat een hygiënesluis is gepasseerd waar men bedrijfskleding, laarzen, mondkapjes, e.d. aantrekt; Bezoekers mogen alleen het bedrijf verlaten, nadat de hygiënesluis weer is gepasseerd; Het bijhouden van een logboek, waarin personen die het bedrijf bezoeken genoteerd worden (naam, datum, uur en reden van bezoek); Uitsluitend aankopen van voer van bedrijven met een GMP-erkenning en dit voer opslaan in afgesloten silo’s/ruimtes; Afvoer van mest volgens de wettelijke eisen; Kadaveropslag en –afvoer volgens de wettelijke eisen;
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
68
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
-
6.7.4
Het bestrijden van ongedierte door een professioneel bedrijf; Voorkomen van antibioticaresistentie door een optimaal stalklimaat, goed voer, en rekening houden met dierenwelzijn; Regelmatig reinigen van het bedrijf, zoals de dierenverblijven, voer- en drinkbakken, centrale gang, erf, etc.; Relatie met omgevingsvisie
Beide locaties liggen op basis van de gemeentelijke omgevingsvisie in het primaat ‘Landbouw’. De locaties zijn hiermee aangewezen voor grootschalige intensieve veehouderijen. Daar waar de locatie Schepersweijer 4a is gelegen in het midden van het primaat ‘Landbouw’ is de locatie Wolfsven 1 gelegen aan de rand van het primaat ‘Landbouw’. Het gebied ten noorden van locatie Wolfsven 1. Is aangewezen als primaat ‘Landschap’. Dit gebied is aangewezen voor het versterken van het Kempisch karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin en het stimuleren van een gezonde leefomgeving met ruimte voor groen en ontmoeting. De verplaatsing van de veehouderij aan de Wolfsven 1 naar de Schepersweijer 4a draagt bij aan het stimuleren van een gezonde leefomgeving ter plaatse van het primaat ‘Landschap’ en de kern Reusel. De afwaartse beweging van de veehouderij met bijbehorende emissies is positief voor onder andere de gezondheidssituatie en de geurbelasting in het primaat ‘Landschap’ en de kern Reusel. De uitstoot van deze emissies vindt namelijk plaats op een groter afstand van woongebieden die invloed ondervinden van deze emissies. De ontwikkeling aan de Schepersweijer 4a vindt plaats op een locatie die gezien wordt als een duurzame locatie waar intensieve dierhouderij met een stevig ruimtebeslag en substantiële dieraantallen gerealiseerd kunnen worden.
In de omgevingsvisie zijn zes voorwaarden opgesteld waaraan een duurzame locatie moet voldoen. De locatie schepersweijer 4a voldoet aan alle zes voorwaarden (zie paragraaf 4.3.1). Vier van deze zes voorwaarden hebben betrekking op het aspect volksgezondheid. De locatie voldoet hiermee in het kader van volksgezondheid aan de volgende voorwaarde:
6.7.5
Voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxinen en geur; Gelegen op een afstand van meer dan 250 meter van kernen of buurtschappen; Gelegen op een afstand van meer dan 250 meter van een woonbestemming; Transportbewegingen van en naar het hoofdwegennet voeren niet door een kern of een buurtschap; Conclusie
Door de afname van emissies, de verplaatsing van de veehouderij aan de Wolfsven 1 naar de duurzame locatie aan de Schepersweijer 4a en de bedrijfsgebonden maatregelen draagt onderhavig initiatief bij aan de verbetering van de volksgezondheid voor de bewoners in de kern Reusel en in het primaat ‘Landschap.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
69
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar kan wel gebruikt worden als nadere uitleg bij de regels. 7.1.1
De toelichting
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting moeten de volgende aspecten behandeld worden: ► een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; ► een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; ► de uitkomsten van het vooroverleg; ► de uitkomsten van verrichte onderzoeken; ► een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken; ► de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de verbeelding, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. 7.1.2
De planregels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: ► De 'Inleidende regels', bestaande uit een begrippenlijst en regels met betrekking tot de 'wijze van meten'; ► De 'Bestemmingsregels', die in dit bestemmingsplan te onderscheiden zijn in regels voor 'gewone', rechtstreekse bestemmingen en dubbelbestemmingen; ► De 'Algemene regels', die in principe betrekking hebben op alle bestemmingen die in het plangebied voorkomen; ► De 'Overgangs- en slotregels', die bestaan uit het overgangsrecht (voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik dat van het bestemmingsplan afwijkt) en de naam waaronder het bestemmingsplan moet worden aangehaald. 7.1.3
De verbeelding
Op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. Er wordt onderscheid gemaakt in (dubbel)bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. De op de verbeelding opgenomen bestemmingen zijn in overeenstemming met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Door deze standaarden wordt de kleur en de codering van de bestemmingen bepaald. De bestemmingen zijn op het renvooi weergegeven in alfabetische volgorde. Elke op de verbeelding weergegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsregel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt en bebouwd mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de verbeelding.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
70
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
Aanduidingen in samenhang met de regels, geven duidelijkheid over datgene wat binnen een bestemmingsvlak al dan niet is toegestaan. DE BESTEMMINGEN Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: ► ► ► ► ►
Enkelbestemming 'Agrarisch’ Enkelbestemming 'Agrarisch met waarde – Landschap’ Enkelbestemming ‘Groen – Landschapselement’ Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4.1’ Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6’
De regels in het bestemmingsplan zijn integraal overgenomen uit het concept ontwerpbestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied, herziening 2019. Aangezien het een kleiner plangebied betreft en er slechts een aantal bestemmingen zijn voorzien is het aantal regels beperkter dan in het vigerende bestemmingsplan. Dit heeft gevolgen voor de opgenomen begrippen in hoofdstuk 1 van de planregels. De niet relevante begrippen die verder niet terugkomen in de regels zijn niet opgenomen in de regels bij dit bestemmingsplan. De begrippen, zoals opgenomen in het concept ontwerpbestemmingsplan, zijn letterlijk overgenomen.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
71
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
UITVOERBAARHEID Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De gronden waarop de ontwikkelingen plaatsvinden, zijn eigendom van de initiatiefnemer. De realisatie zal plaats vinden voor rekening en risico van initiatiefnemer en kent derhalve geen financiële risico’s voor de gemeente. De kosten die verbonden zijn aan het doorlopen van de procedure worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Mogelijke planschadekosten zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Overigens is het niet de verwachting dat planschade optreedt. De bedrijfsoprichting zorgt namelijk niet voor een beperking van de activiteiten uitgevoerd door (agrarische) bedrijven en burgerwoningen in de omgeving. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.2.1
Vooroverleg en inspraak
In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan heeft de initiatiefnemer voorafgaand aan het ontwerpbestemmingsplan een dialoog gevoerd met omwonenden. Middels deze dialoog heeft de ondernemer zijn plannen kenbaar gemaakt en heeft de omgeving hierop kunnen reageren. Daarnaast is vooroverleg gepleegd met de reguliere overlegpartners en is een zienswijzenperiode opgenomen voor reacties van bewoners en andere belanghebbenden. De reguliere vooroverlegpartners die in het kader van vooroverleg bij het plan zijn betrokken zijn: ► Provincie Noord-Brabant ► Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant ► Waterschap de Dommel Al deze partijen zijn actief betrokken geweest omtrent de milieuaspecten (omgevingsdienst), toepassen algemene maatwerkbepaling, landschappelijke inpassing en positionering van de gebouwen (provincie) en de wateraspecten (waterschap). Uiteraard heeft provincie Noord-Brabant het bestemmingsplan ook getoetst aan de provinciale ruimtelijke verordening. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan een breed gedragen en haalbaar bestemmingsplan. De reacties uit de zienswijzenperiode zullen, voorzien van een beantwoording, verwerkt worden in het bestemmingsplan.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
72
Toelichting ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Schepersweijer 4a en Wolfsven 1
8.2.2
Verdere procedure
Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode heeft eenieder de kans om te reageren op het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijzen worden samengevat in een nota van zienswijzen. Ingekomen zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling van het plan ten opzichte van het ontwerp. De gemeenteraad van de gemeente Reusel – de Mierden stelt het bestemmingsplan vast. Hierna is er een beroepsprocedure van 6 weken waarin er beroep kan worden aangetekend bij de Raad van State.
15 OKTOBER 2019, LAATSTE WIJZIGING 6 OKTOBER 2021
73
Regels
bestemmingsplan “Buitengebied, Schepersweijer 4a & Wolfsven 1 Reusel” Planstatus: ontwerp Datum: Plan identificatie: NL.IMRO.1667.BPBwolf0077-ON02 Auteur: mjong
1 Inleidende regels ............................................................................................................................... 12 Artikel 1 Begrippen ........................................................................................................................... 12 1.1 plan:........................................................................................................................................ 12 1.2 bestemmingsplan: .................................................................................................................. 12 1.3 AAB: ........................................................................................................................................ 12 1.4 aanduiding: ............................................................................................................................. 12 1.5 aan-huis-verbonden-verblijf: .................................................................................................. 12 1.6 aardkundige waarden: ............................................................................................................ 12 1.7 abiotische waarden: ...............................................................................................................
12 1.8 achtergevelrooilijn .................................................................................................................. 12 1.9 agrarisch bedrijf: ..................................................................................................................... 13 1.10 agrarisch (loon)werkbedrijf: ................................................................................................. 13 1.11 agrarisch-technisch hulpbedrijf: ........................................................................................... 13 1.12 agrarisch verwant bedrijf:..................................................................................................... 14 1.13 ambachtelijk bedrijf: ............................................................................................................. 14 1.14 archeologische waarden: ...................................................................................................... 14 1.15 bebouwing: ........................................................................................................................... 14 1.16 bed & breakfast: ................................................................................................................... 14 1.17 bedrijf: ..................................................................................................................................