CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[21.14203] - Bijlage 2 1.2. toelichting Buitengebied, Poppelsedijk 5

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen herziening Bestemmingsplan Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde18.160 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

23

De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie afbeelding 10. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

24

Afbeelding 10: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 1,0 kilometer ligt.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

25

Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Door de ontwikkeling wordt een bestaande veehouderij gesaneerd. Hierdoor zal een afname van 2.700 kg ammoniak plaatsvinden. Deze afname leidt tevens tot een afname van stikstofdepositie. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in bijlage 3. In bijlage 4 is het rekenresultaat van de beoogde situatie opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. In bijlage 5 is de berekening van de realisatiefase opgenomen.

Uit deze berekening blijkt dat er geen sprake zal zijn van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

26

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Poppelsedijk 5 dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen stal en interne verbouwingen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Daarnaast zijn de gebouwen om hygiënische redenen dicht uitgevoerd. Zo zijn er geen kieren en gaten aanwezig en is de spouw volledig dicht zodat ongedierte de niet in de gebouwen kunnen komen. Dit om ziekten buiten de deur te houden. Ongedierte kan om deze reden de stal niet bereiken en in gebruik nemen als vast rust- of verblijfplaats. De aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten zijn derhalve niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘Slopen en/of asbest verwijderen’, ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeelding.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

27

Afbeelding 11: Uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’ Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

28

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen het plangebied is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. In de huidige situatie is reeds sprake van een varkenshouderij.

Dergelijke bedrijven hebben conform het Activiteitenbesluit de plicht om de risico op bodemverontreiniging tot het minimum te beperken. Ten tijde van de varkenshouderij hebben enkele bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Deze activiteiten hadden betrekking op het onderhoud aan werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Tevens had het bedrijf kleine gebruikshoeveelheden medicijnen en reinigings- en ontsmettingsmiddelen in gebruik. De medicijnen zijn altijd opgeslagen geweest in een afsluitbare koelkast. De reinigings- en ontsmettingsmiddelen werden zodanig opgeslagen dat verontreiniging van de bodem is uitgesloten. Daarnaast is gebruik gemaakt van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten zodat het bodembedreigende risico verwaarloosbaar is gemaakt. Er is altijd voldaan aan de regels van het Activiteitenbesluit waardoor er geen risico is ontstaan voor de bodemkwaliteit. De varkenshouderij zal worden gesaneerd waardoor meerdere bodembedreigende activiteiten, zoals opslag van mest en voer, worden opgeheven. De reguliere voorzieningen om de bodembedreigende voorzieningen te verwaarlozen zoals de vloeistofkerende vloeren en lekbakken blijven echter behouden voor de toekomstige activiteiten.

Voor de toekomstige activiteiten zal een melding Activiteitenbesluit worden ingediend waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de regels om de kwaliteit van de bodem te beschermen. In de toekomst zal het bedrijf zich houden aan deze regels.

4.4.1

Verblijfsruimte

Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning mag al als zodanig worden gebruikt. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen die behouden blijven zullen worden gebruikt voor statische opslag, verhuur van opslag- en bedrijfsruimten en als nevenactiviteit voor akkerbouw. Voor statische opslag geldt dat voornamelijk materiaal wordt opgeslagen welke slechts sporadisch in of uit het gebouw worden gehaald. Hierbij kan men denken aan caravans, boten, oldtimers etc. Voor deze activiteit geldt dat het gebouw niet is ingericht waarin mensen 2 uur of langer verblijven en is qua gebruik vergelijkbaar met de huidige situatie. Dit zelfde geldt voor de verhuur van opslag- en bedrijfsruimte. Hierbij gaat het voornamelijk om opslag van bedrijfs-materiaal en materieel voor derde die voornamelijk op externe locaties hun bedrijfsactiviteiten uitvoeren zoals een hovenier, dakdekker, stratenmaker etc. Voor de nevenactiviteit geldt dat er een gebouw wordt ingezet t.b.v. kleinschalig akkerbouw.

Dit gebruik betreft een bestaande situatie en dus niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

29

Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1

Provinciale cultuurhistorische en aardkunde waardenkaart

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 12. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 12: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov 4.5.2

Gemeentelijke beleidskaart cultuurhistorie

Het plangebied is op de gemeentelijke beleidskaart cultuurhistorie aangeduid als gelegen binnen een cultuurhistorisch vlak met een hoge waarde. Op basis van bekende historische gegevens en de landschappelijke ligging, kunnen deze objecten of gebieden gezien worden als belangrijke elementen in de omgeving en identiteit van het gebeid. De aanwezige cultuurhistorische waarden mogen in principe niet worden verstoord of worden vernietigd. Nieuwe ontwikkelingen moeten, daar waar mogelijk, de cultuurhistorische waarden versterken. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaard voor de omgeving van het plangebied weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

30

Afbeelding 13: Uitsnede ‘erfgoedkaart’ Reusel – De Mierden, cultuurhistorie Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak ‘Kuilenrode’. Met de beoogde ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij gesaneerd en een voormalige varkensstal in zijn geheel gesloopt. In de toekomst wordt er bedrijfsruimte aangeboden aan bedrijven tot en met maximaal milieucategorie 2 in combinatie met statische opslag. Deze beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.

4.5.3

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan is ter plaatse van de locatie de dubbelbestemming ‘Archeologische verwachtingswaarde’ opgenomen. Hierin is opgenomen dat voor bouwwerkzaamheden groter dan 100 m2 een archeologisch rapport overhandigt dient te worden waarin de archeologische waarden zijn vastgesteld. Daarnaast beschikt de gemeente Reusel-De Mierden over een digitale erfgoedkaart. Hierin is het plangebied gelegen in een gebied waar in eerdere onderzoeken naar voren is gekomen dat er concentraties van archeologische resten voorkomen. Voor deze categorie is archeologisch onderzoek noodzakelijk voor bouwprojecten groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. Dit komt overeen met de dubbelbestemming in het bestemmingsplan.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

31

Afbeelding 14: Uitsnede ‘erfgoedkaart’ Reusel – De Mierden, Archeologie Doordat de wijziging van het bestemmingsplan niet gepaard gaat met bouwwerkzaamheden, is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wel vinden er sloopwerkzaamheden plaats. Voor sloopwerkzaamheden zijn in het kader van archeologie geen specifieke regels opgenomen. Daarnaast zijn de gronden ten tijde van de bouw van deze bestaande stal verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Daarom wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Tevens vinden deze sloopwerkzaamheden niet plaats dieper dan 30 centimeter. Een verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve ook niet noodzakelijk. De sloopmelding voor de stal is reeds geaccepteerd (kenmerk 21.S000665). Mochten er in de toekomst werkzaamheden plaatsvinden die groter zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 30 cm onder het maaiveld, dient bij een omgevingsvergunningaanvraag een archeologisch rapport te worden overhandigd. Deze verplichting is ook als zodanig opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. 4.6 Landschappelijke inpassing De locatie aan de Poppelsedijk 5 is gelegen in het buurtschap Kuilenrode. Dit buurtschap is ontstaan op de hogere gronden nabij de beek de Reusel.

Rond het jaar 1900 lagen in binnen deze buurtschap meerdere verspreid liggende boerderijen. Ter plaatse van de locatie was toentertijd sprake van een gesloten oude zandontginningenlandschap. Kenmerken hiervan zijn kleinschalige en mozaïekvormige open akkergronden met houtwallen, slingerende lintstructuur met begeleidende beplanting en historische woonboerderijen. Door de ruilverkaveling is een groot deel van dit landschap niet meer aanwezig. Ter plaatse van de locatie zijn nog enkele verwijzingen naar het oude verkavelingspatroon zichtbaar. Zo zijn ten noordwesten van de locatie, direct langs de weg De Wildert, zowel een houtsingel als een boomsingel aanwezig. Middels het landschappelijk inpassingsplan wordt het de historische structuur behouden. Door het aanplanten van singels aan de zuid en west zijde van het perceel wordt de historische structuur ter plaatse versterkt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van inheemse soorten welke kenmerkend zijn voor het gebied. Aan de westzijde wordt gekozen om geen robuuste solitaire bomen aangeplant i.v.m. de aan te brengen zonnepanelen op de schuur. De aanwezige open akkers en doorzichten daarop worden vrijgelaten van beplanting. Hiermee wordt een goede en robuuste landschappelijke inpassing bewerkstelligd welke de kwaliteiten en kenmerken van het gebied behouden en versterken.

Hierna is de beoogde landschappelijke inpassing visueel weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

32

Afbeelding 15: Landschappelijk inpassingsplan 4.7 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.

Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals agrarische en niet-agrarische functies. Binnen het plangebied is in de huidige situatie een varkenshouderij aanwezig. Een varkenshouderij wordt conform de VNG-publicatie gedefinieerd als

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

33

een milieucategorie 4.1 bedrijf. Doordat de varkenshouderij wordt gesaneerd en in de beschikbare bedrijfsruimtes enkel bedrijven worden toegelaten tot maximaal milieucategorie 2 bedrijven, zal sprake zijn van een algehele verbetering in de omgeving. Gezien het dichtbevolkte gebied is het verder exploiteren van een varkenshouderij binnen deze omgeving niet gewenst en is een milieucategorie 2 bedrijf beter passend in de omgeving. In de beschikbare bedrijfsruimtes worden in de toekomstige situatie enkel bedrijven toegestaan tot maximaal milieucategorie 2. Voor dergelijke bedrijven in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 10 meter.

Afbeelding 16: Contourlijn 10 meter om de bedrijfsgebouwen In de bovenstaande afbeelding is te zien dat alle woningen verder dan 10 meter van de bedrijfsgebouwen zijn gesitueerd. Derhalve kunnen in deze gebouwen bedrijfsactiviteiten tot en met maximaal milieucategorie 2, of vergelijkbaar, worden uitgevoerd. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8

4.8.1

Geur

Individuele hinder

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Reusel – De Mierden heeft een verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Door het opstellen van een verordening ziet de geurnorm binnen de gemeente er als volgt uit; - Kern 0,1 OUe/m3 - Kernrandzone 5 OUe/m3 - Buitengebied 5 OUe/m3 - Kleine Hoeven 10 OUe/m3

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

34

Tevens dient getoetst te worden aan de vaste afstanden. Wettelijk (Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en Activiteitenbesluit) is het volgende vastgelegd: - Voor bedrijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgelegd gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten geurnormen. In afwijking hiervan wordt bij geurgevoelige objecten behorende bij andere (voormalige) veehouderijen getoetst aan vaste afstanden. De vaste afstand die geldt voor het buitengebied bedraagt 50 meter (artikel 3.116 Activiteitenbesluit en artikel 3 lid 2 Wgv). - Voor alle geurgevoelige objecten geldt dat het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierverblijf met dieren zonder geuremissiefactor niet plaats vindt indien de afstand tussen een dierverblijf en een geurgevoelig object minder dan 50 meter bedraagt buiten de bebouwde kom (artikel 3.117 Activiteitenbesluit en artikel 4 Wgv). - Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierverblijf buiten de bebouwde kom is verboden indien de afstand van de buitenzijde van een dierverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object minder dan 25 meter bedraagt (artikel 3.119 Activiteitenbesluit en artikel 5 Wgv). De gemeente Reusel – De Mierden heeft met betrekking tot vaste afstanden de richtafstanden voor bedrijven zonder geuremissiefactor aangepast.

In de geurverordening van de gemeente is opgenomen dat de vaste afstand van melkveehouderijen tot de voor geur gevoelige objecten afhankelijk is van het aantal dieren. Voor 1-100 dieren geldt (in het buitengebied) een afstand van 50 meter, voor 101-200 dieren geldt een afstand van 70 meter, etc. In de directe omgeving is echter geen melkveehouderij gelegen. In het kader van de Wgv is de locatie gelegen aan de Poppelsedijk 5 een geurgevoelig object. Echter heeft de bedrijfswoning onderdeel uitgemaakt van een voormalige veehouderij. De vergunde rechten voor het houden van 900 vleesvarkens op een traditioneel systeem zijn op 14 mei 2020 reeds ingetrokken. Hierdoor is sprake van een woning behorende bij een voormalige veehouderij. Omdat de beoogde bedrijfswoning deel uit maakt van een voormalige veehouderij dient enkel getoetst te worden aan de vaste afstanden die gelden. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gelegen aan de Poppelsedijk 11. Omdat het geurgevoelig object omliggende bedrijven niet mag belemmeren en veehouderijen in theorie het gehele bouwvlak mogen gebruiken voor de bouw van een stal, wordt gesteld dat de afstand van de woning tot aan de rand van het bouwvlak van een veehouderij niet minder dan 50 meter mag bedragen. De afstand van de woning tot aan de rand van het bouwvlak bedraagt circa 174 meter.

Derhalve kan met betrekking tot de woning worden voldaan aan de vaste afstanden. Met betrekking tot de bedrijfsgebouwen geldt dat de bedrijfsgebouwen niet worden gezien als nieuw geurgevoelig object waardoor toetsing aan vaste afstanden niet noodzakelijk is. In de onderstaande paragraaf (paragraaf 4.8.2) is, in het kader van het woon- en leefklimaat, onderbouwd dat de bedrijfsgebouwen niet aan te merken zijn als geurgevoelig object.

4.8.2

Woon- en leefklimaat (bedrijfsgebouwen)

In het kader van onderhavige ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met betrekking tot de werkplaats die wordt opgericht dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. Echter blijft de vraag of een werkplaats kan worden aangemerkt als geurgevoelig object. Een geurgevoelig object wordt als volgt gedefinieerd: ‘‘Een gebouw, bestemd voor en blijkens aard,

indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt’’.

Uit de definitie blijkt dat een geurgevoelig object een gebouw is welke geschikt is voor permanent menselijk wonen of menselijk verblijf of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik. De

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

35

bedrijfsgebouwen zoals ze gaan worden gebruikt in de beoogde situatie vallen hier niet onder. De bedrijfsgebouwen betreffen geen vaste woonlocaties of verblijflocaties waar mensen permanent of een daarmee vergelijkbare wijze verblijven. De bedrijfsgebouwen zijn enkel geschikt voor het uitoefenen van werkzaamheden en zal niet worden ingericht als permanente verblijfplaats waar personen een lange verblijfsduur genieten. Tevens blijkt uit jurisprudentie (d.d. 25 februari 2009, kenmerk 200802926/1) dat een werkplaats en schuur niet als geurgevoelig object aan te merken zijn aangezien deze niet juridisch-planologisch gezien geschikt zijn voor menselijk wonen of verblijf. Aangezien de bedrijfsgebouwen niet aan te merken is als geurgevoelig object is nadere toetsing met betrekking tot de bedrijfsgebouwen niet noodzakelijk.

4.8.3

Woon- en leefklimaat (woning)

In de beoogde situatie zal er sprake zijn van een planologische wijziging waarbij de bestemming wordt gewijzigd. Door de voorgenomen ontwikkeling wordt de varkenshouderij beëindigd. Hierdoor is sprake van een afname van geur richting de omgeving, waardoor een algehele verbetering van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat mede bepaald door een vergelijking te maken met de geurbelasting als gevolg van de veelvoud van de veehouderijen in de omgeving van het betreffende geurgevoelige object (cumulatieve geurhinder) en de geurbelasting afkomstig van de veehouderij met de hoogste belasting in de omgeving van het plangebied (voorgrondbelasting). Bij het bepalen van de geurhinder geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze tenminste de helft bedraagt van de cumulatieve geurhinder. In de berekeningen zijn de vergunde rechten van de Poppelsedijk 5 eruit gehaald, aangezien de vergunning voor het houden van dieren reeds is ingetrokken. De rekenpunten van de woning aan de Poppelsedijk 5 zijn bepaald aan de hand van afbeelding 17.

Afbeelding 17: Bepaling rekenpunten geur Om te bepalen welke veehouderij in de voorgrondbelasting het meest bepalend is, dient een voorgrondgeurberekening gemaakt te worden. Hierbij zijn enkel omliggende bedrijven meegenomen welke beschikken over een geuremissie. De volgende bedrijven zijn meegenomen:

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

36

Tabel 2: Meegenomen bedrijven Locatie

Soort bedrijf

Geuremissie (OUe)

Datum vigerende vergunning (volgens Web-bvb)

Kuilenrode 8 Poppelsedijk 11 Twisseltsebaan 10

Gemengd varkensbedrijf Vleesvarkensbedrijf Vleesvarkensbedrijf

13.321 78.962 64.438

16-02-1993 08-08-2014 12-09-2014

Per veehouderij is de voorgrondgeurbelasting op de woning aan de Poppelsdeijk 5 berekend. Aan de hand van deze berekening wordt bepaald welke veehouderij de meest maatgevende veehouderij op de woning is. De resultaten zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 3: Bepaling meest maatgevende bedrijf voorgrondbelasting, V-Stacks gebied Punt op woning Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4

Geurnorm

Kuilenrode 8 13.321 OUe

Poppelsedijk 11 78.962 OUe

Twisseltsebaan 10 64.438 OUE

5 5 5 5

0,977 1,162 1,194 1,098

7,304 6,578 6,859 7,394

7,276 6,600 6,281 6,516

Aangezien de bedrijven aan de Poppelsedijk 11 en Twisseltsebaan 10 een hogere geurbelasting hebben op de woning dan volgens de geurnorm acceptabel is, is gebruik gemaakt van de exacte emissiepunten van de bedrijven gelegen aan de Poppelsedijk 11 en Twisseltsebaan 10. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de werkelijke emissiepunten van de bedrijven, is de voorgrondgeurbelasting op de woning van het plangebied als volgt;

Tabel 4: Voorgrondgeurbelasting werkelijke emissiepunten, V-Stacks gebied Punt op woning Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4

Geurnorm 5 5 5 5

Poppelsedijk 11 78.962 OUe

Twisseltsebaan 10 64.438 OUE

6,804 6,086 6,425 6,983

6,796 5,528 5,514 5,912

Wanneer gerekend wordt met de werkelijke emissiepunten blijkt dat op alle rekenpunten het bedrijf aan de Poppelsedijk 11 maatgevend is. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting van de omliggende veehouderijen (binnen en straal van 2 kilometer) op de projectlocatie wordt tevens berekend met het programma V-stacks Gebied. Voor deze berekening zijn de bestandgegevens van het Web-BVB gebruikt, welke gegenereerd zijn op 07-06-2020. Voor de bedrijven gelegen aan de Poppelsedijk 11 en Twisseltsebaan 10 geldt dat hiervoor de werkelijke emissiepunten zijn gehanteerd, aangezien deze bedrijven op het plangebied een hogere geurbelasting hebben dan is toegestaan volgens de gemeentelijke geurnorm. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn enkel bedrijven gelegen binnen de gemeente Reusel de Mierden. De invoergegevens van de geurberekening zijn in bijlage 7 toegevoegd. In tabel 5 zijn de resultaten van beide berekeningen van de beoogde bedrijfsopzet weergeven en is bepaald welke belasting het meest bepalend in de toetsing van het woon- en leefklimaat. Hierbij geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze tenminste de helft van de cumulatieve geurhinder bedraagt.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

37

12,440 11,499 11,243 12,033

6,804 6,086 6,425 6,983

Percentage geurgehinderde

378786 378765 378783 378799

Meest bepalende belasting

Y-coördinaat

136988 137001 137030 137020

Voorgrondbelasting

X-coördinaat

1 2 3 4

Achtergrondbelasting

Rekenpunt

Tabel 5: Rekenresultaten geurbelasting

6,804 (Vgrond) 6,086 (Vgrond) 6,425 (Vgrond) 6,983 (Vgrond)

15% 14% 15% 16%

Uit de resultaten blijkt dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is voor toetsing van het woon- en leefklimaat. PRA Odournet BV heeft in opdracht van het ministerie van VROM de relatie tussen geurbelasting en geurhinder onderzocht. Aan de hand van de meest bepalende belasting is het percentage geurgehinderden berekend. Naar aanleiding van het percentage geurgehinderden kan vervolgens de kwaliteit van het woon- en leefklimaat worden berekend. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder onderstaande milieukwaliteitscriteria, zie tabel 6.

Tabel 6: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)

Uit de geurberekening komt naar voren dat het percentage geurgehinderden op de bedrijfswoning aan de Poppelsedijk 5 maximaal 16% blijkt te zijn. Dit komt overeen met een milieukwaliteit ’matig’. De ontwikkeling zal leiden tot een algehele verbetering van het woon- en leefklimaat aangezien de varkenshouderij ter plaatse wordt gesaneerd. Uit de gemaakte berekeningen blijkt dat ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. 4.9 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon-

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

38

en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.9.1

Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Voor het beoogde bedrijfsfunctie dient bepaalt te worden of de toekomstige verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW.

Voor een bedrijf in de categorie ‘bedrijfextensief/bezoekersextensief (loods, opslag etc.)’, dat is gelegen in het buitengebied in niet stedelijk gebied, wordt een verkeersgeneratie van 3,9-5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. De bedrijfsbebouwing heeft in de beoogde situatie een omvang van maximaal 1.000 m2. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 57 (5,7 * 10) verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Voor de nevenactiviteit, kleinschalige akkerbouw, is uitgegaan van 4 vervoersbewegingen per dag. In de lente- en zomermaanden zullen dit waarschijnlijk meer zijn i.v.m. zaaien en oogsten, terwijl in de wintermaanden nagenoeg geen bewegingen noodzakelijk zijn. Doordat het hierbij voornamelijk gaat om tractoren worden deze geclassificeerd als ‘vrachtverkeer’. In de beoogde situatie is een weekdaggemiddelde van 61 verkeersbewegingen aangehouden. Er is uitgegaan dat 20% van al het verkeer te classificeren is als ‘vrachtverkeer’. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij deze aantal vervoersbewegingen de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De bronbijdrage PM10 bedraagt in de beoogde situatie maximaal 0,02 μg/m3. Bovendien wordt in de huidige situatie een varkenshouderij geëxploiteerd. Deze veehouderij zal, gezien de omvang en het traditionele stalsysteem, zorgen voor een hogere bijdrage.

De varkenshouderij zal worden gesaneerd.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

39

Tabel 7: Resultaat NIBM-rekentool

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

61

Aandeel vrachtverkeer

20,0%

NO2 in μg/m

3

0,13

PM10 in μg/m

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Aangezien de veehouderij wordt beëindigt en in de beoogde situatie de fijnstofconcentratie NIBM is, kan dus met zekerheid worden gesteld dat er geen negatieve effecten zijn op de luchtkwaliteit in de omgeving. Derhalve geldt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.9.2

Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,46 μg/m3, voor PM2,5 12,5 μg/m3 en voor NO2 13,96 μg/m3, zie afbeelding 18, 19 en 20.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

40

Afbeelding 18: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10

Afbeelding 19: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

41

Afbeelding 20: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2 Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen.

Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: o Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.). Recentelijke (6 juli 2018) is er een gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen gepubliceerd. In dat onderzoeksrapport is er geconcludeerd dat over het algemeen geen duidelijke verbanden tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwpercelen is te vinden. Mensen die dichter bij landbouwpercelen wonen leken over het algemeen zelfs wat gezonder te zijn dan mensen die daar verder vandaan wonen.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

42

Zoals eerder aangegeven liggen rondom de locatie verschillende landbouwgronden waar, in theorie, gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Vanaf 1 januari 2018 is het voor gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen verplicht om een spuitmethode te gebruiken waarbij een driftreductie van tenminste 75% plaatsvindt. Met deze regel wordt gewaarborgd dat zowel het water, omwonende en passanten beschermd worden tegen gewasbeschermingsmiddelen. Tevens zijn rondom het plangebied meerdere woningen van derde, gebouwen en groenvoorzieningen aanwezig. Deze voorzieningen zorgen er voor dat, indien in de directe omgeving gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, de initiatiefnemer wordt beschermd tegen eventuele gevaren van deze gewasbeschermingsmiddelen. Gezien het bovenstaande zijn op dit aspect geen belemmeringen te verwachten. 4.11 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.

Er zijn reeds diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Het laatste onderzoek dateert van juli 2016 en is ingegaan op de effecten van de intensieve veehouderij op de omgeving. De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, dienen getoetst te worden in de omgeving. De Rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen, deze is momenteel nog niet beschikbaar. Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (bestaande uit enkele Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie "Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, endotoxine toetsingskader 1.0" opgesteld. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Rondom de locatie zijn enkele varkenshouderijen gelegen. Pluimveehouderijen en geitenhouderijen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. In paragraaf 4.8 is getoetst aan het aspect geur waarbij de dichtstbijzijnde varkenshouderijen zijn meegenomen in de toetsing.

Voor toetsing aan het aspect volksgezondheid zal gebruik worden gemaakt van dezelfde veehouderijen als in paragraaf 4.8. In de onderstaande tabel zijn de meegenomen veehouderijen met bijbehorende fijnstof emissie weergegeven. Daarnaast is op basis van de fijnstofemissie de richtafstand voor endotoxinen bepaald, welke in de naastgelegen kolom is te zien. In de vierde kolom is de afstand van het bedrijf tot aan de woning van het plangebied weergegeven.

Tabel 8: Uitwerking endotoxine toetsingskader Adres veehouderij

Fijnstof emissie (kg/jaar)

Afstand in meters endotoxine richtlijn

Afstand in meters dichtstbijzijnde emissiepunt bedrijf tot aan de bedrijfswoning Popppelsedijk 5

Voldoet ja/nee?

Koestraat 6 Kuilenrode 8 Poppelsedijk 11 Twisseltsebaan 10

151 112 324 235

70 52 115 96

358 246 241 233

Ja Ja Ja Ja

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de woning aan de Poppelsedijk 5 op voldoende afstand is gelegen van de dichtstbijzijnde en maatgevende bedrijven. Derhalve zijn in het kader van volksgezondheid geen belemmeringen te verwachten.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

43

4.12 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen het geluidszone van de Poppelsedijk en de Kuilenrode/Koestraat. Het plangebied is gelegen aan de Poppelsedijk. De Poppelsedijk is een plattelandsweg in het buitengebied van de gemeente Reusel – De Mierden en heeft een lage verkeersintensiteit. In voorliggende situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk functiewijziging van het perceel t.b.v. verhuur van opslag- en bedrijfsruimte, statische opslag en (nevenactiviteit) akkerbouw. De bestaande woning is reeds een geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Derhalve is verdere toetsing aan de bestaande woning in het kader van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk.

Voor het bedrijf gespecialiseerd in het opslaan van statische goederen en verhuur van opslag- en bedrijfsruimte geldt dat, conform de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering, milieucategorie 2 van toepassing is, zie paragraaf 4.7. Bedrijven met een hogere milieucategorie wordt ook niet toegestaan in de toekomst. Zoals eerder in paragraaf 4.7 is toegelicht geldt voor bedrijven met milieucategorie 2 in gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. Doordat alle woningen gelegen zijn op meer dan 10 meter afstand, kan gesteld worden dat wordt voldaan aan grenswaarde van het Activiteitenbesluit en het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast is sprake van een sanering van een veehouderij. De continue geluidsbelasting afkomstig van de ventilatoren, die benodigd zijn voor de ventilatie van de stallen, zullen door de ontwikkeling verdwijnen. In de toekomst zal enkel sprake zijn van incidentele hinder afkomstig van vervoersbewegingen van en naar de inrichting. Hierbij vinden slechts geringe transportbewegingen van lichte motorrijtuigen noodzakelijk voor het opslag- en verhuurbedrijf plaats, in tegenstelling tot het zware vrachtverkeer afkomstig van de intensieve veehouderij. Deze transportbewegingen zijn, qua hinder, dan ook aanzienlijk minder dan de transportbewegingen die noodzakelijk zijn in de huidige situatie (varkens laden, voer brengen, dierenartsbezoeken).

Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.13 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied is gelegen aan de Poppelsedijk. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De weg wordt ontsloten door de Kuilenrode/Koestraat. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. De verkeersbewegingen van zwaar verkeer van en naar de inrichting zullen dus vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt tevens aangesloten bij CROW notitie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (editie 2018). Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

44

Voor een bedrijf in de categorie ‘arbeidsextensief/bezoekersextensief’ dat is gelegen in het buitengebied geldt een parkeernorm van minimaal 0,8 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Binnen de beoogde bedrijfsbestemming is maximaal 1.000 m2 bedrijfsbebouwing voor statische opslag en verhuur van opslag- en bedrijfsruimte toegestaan. Dit betekent dat ten behoeve van deze functie voorzien moet worden in 8 parkeerplaatsen. Hiervoor is binnen het perceel voldoende ruimte voor. Dit zal worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Het plangebied beschikt in de huidige situatie over vijf inritten. Deze inritten zijn voor de beoogde bedrijfsactiviteiten niet allemaal noodzakelijk. Om deze reden worden de inritten, welke in de toekomst niet meer worden gebruikt ten behoeve van de bedrijvenbestemming, worden ontdaan van verharding. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.14 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.14.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Toelichting bestemmingsplan; Buitengebied, Poppelsedijk 5 Hooge Mierde

45

Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.14.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=0d4210a0-b7ab-443a-bdc7-5beee54ade48