21.13885 t_NL.IMRO.1667.BPBheik0082-ON01.PDF
Tekst van het document
De woningen worden gerealiseerd in samenhang met het saneren van een intensieve veehouderij. Per saldo wordt aan aanzienlijke kwaliteitswinst geleverd. Dit planvoornemen past binnen de 'Woonvisie 2018-2023'.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.
MILIEUHYGIËNISCHE PLANOLOGISCHE ASPECTEN
5.1
Bodemkwaliteit
De bodemkwaliteit van de gronden binnen het plangebied dient geschikt te zijn voor de toekomstige functie. Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. “Resultaten NEN5740 Het Heike 11 De aanwezigheid van de bovengrondse dieseltank heeft niet geleidt tot bodemverontreiniging met minerale olie in grond (BG1) of grondwater (peilbuis 01). De aanwezigheid van de spuiwateropslag heeft niet geleidt tot verhoogde parameters als gevolg van evenwichtsreacties in grondwater of een hoog gehalte aan stikstof (peilbuis 19). Een toetsingswaarde voor stikstof ontbreekt echter binnen de Wet Bodembescherming. De aangetoonde gehaltes onder streefwaarden aan zware metalen in grondwater vormen geen indicatie voor bodemverontreiniging. In de resten baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (BG2) zijn naast een gehalte aan zink boven interventiewaarde, gehaltes aan koper, cadmium en lood gemeten boven de achtergrondwaarden. Het sterk verhoogde gehalte aan zink en de gehaltes aan koper, cadmium en lood lijken gerelateerd aan verontreiniging door zinkassen.
Uit aanvullend onderzoek naar het gehalte aan zink per deelmonster uit mengmonster BG2, blijkt dat ter plaatse van meetpunten 04, 06 en 09 (gehalte boven interventiewaarde) en 07 (gehalte boven tussenwaarde) een gehalte aan zink aangetoond wordt dat aanleiding vormt voor nader onderzoek. In de mengmonsters van de spikkels baksteenhoudende bovengrond BG3 en BG4 zijn, behoudens een gehalte aan zink boven achtergrondwaarde in BG3, geen gehaltes aan onderzochte parameters aangetoond boven de achtergrondwaarden. Het gehalte aan zink in BG3 vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. In de samengestelde mengmonsters van de ondergrond OG1 en OG2, zijn geen verhoogde gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 01 zijn geen gehaltes aan onderzochte parameters aangetoond boven de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 19 is een gehalte aan xylenen gedetecteerd boven de streefwaarde. Voor het licht verhoogde gehalte aan xylenen bestaat op basis van dit onderzoek geen verklaring. De overschrijding is marginaal en behoeft geen nader onderzoek. Ter plaatse van het erf op het adres Het Heike 11 zijn gehaltes aan zink aangetoond op meetpunt 04 en 06. Hier heeft vroeger een gemeentelijke weg gelegen, wat de reden voor deze verontreiniging is. Meetpunt 09 is verder op het erf gelegen.
Op dit gedeelte van het perceel vinden geen veranderingen plaats. Hiermee is geen nader onderzoek benodigd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.2
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Het hoofddoel van de Wgh is het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een geluidzone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van een geluidgevoelig object binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige objecten gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). De bestaande bedrijfswoning betreft reeds een geluidsgevoelig object. Een bedrijfsgebouw voor opslag is op basis van de Wgh niet als geluidgevoelig object aan te merken. Ten
behoeve
van
de
nieuw
te
realiseren
woningen
is
een
akoestisch
onderzoek
wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden het verplaatsen van de woning aan Postelsedijk 1. Voor onderhavige ontwikkeling is dit gedeelte van het onderzoek niet relevant. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. “In opdracht van Crijns Rentmeesters is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van een herontwikkelingslocatie in Reusel. Enerzijds wordt beoogd de woning aan Postelsedijk 1 te verplaatsen naar de Sleutelstraat (woning 4). Daarnaast wordt beoogd de veehouderijtak van Het Heike 11 te saneren en op het agrarisch bouwvlak twee ruimte voor ruimte kavels te ontwikkelen (woning 1 en 2). Tot slot wordt een derde kavel ontwikkeld ten zuiden van Postelsedijk 1 (woning 3). Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd vanwege de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure. Het plangebied is gelegen in het buitenstedelijk gebied van de gemeente Reusel - De Mierden. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Postelsedijk, Sleutelstraat, ’t Heike, Voorste Heikant en Het Hof. Voor de wegen Voorste Heikant en Het Hof geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.
Voor de weg Postelsedijk geldt dat de geluidbelasting op de gevels van woning 1, 2 en 4 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. Voor woning 3 geldt dat de geluidbelasting op de gevels de voorkeursgrenswaarde op een aantal toetspunten overschrijdt. Tevens wordt op de voorgevel van woning 3 de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied overschreden. Voor de weg Sleutelstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van woning 1, 2 en 3 de
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. Voor woning 4 geldt dat de geluidbelasting op de gevels de voorkeursgrenswaarde op een aantal toetspunten overschrijdt. Tevens wordt op de voorgevel van woning 4 de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied overschreden. Een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt in principe niet toegestaan door de Wet geluidhinder. Om toch woningbouw te kunnen realiseren is het mogelijk de voorgevel van woning 3 en 4 als “dove gevel” conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder uit te voeren. Een “dove gevel” is namelijk geen gevel volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent derhalve dat er geen te openen delen (ramen en deuren) in deze gevels zijn toegestaan, met uitzondering van eventuele incidenteel te openen delen (zoals een verhuisraam), mits deze delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien draaiende delen voor de vereiste spuiventilatie noodzakelijk zijn, dient hier in de plattegrond rekening mee te worden gehouden. Ook bij het gedeeltelijk “doof” uitvoeren van een gevel (bijvoorbeeld alleen de eerste en tweede verdieping) is nader overleg met de gemeente vereist. Voor de weg ‘t Heike geldt dat de geluidbelasting op de gevels van woning 3 en 4 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt.
Voor woning 1 en 2 wordt de voorkeursgrenswaarde wel overschreden ter plaatse van de voorgevels. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen
van
de
geluidbelasting
ten
gevolge
van
het
wegverkeer
tot
de
voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde voor woning 1 en 2 niet meer wordt overschreden. Voor woning 3 en 4 wordt de voorkeursgrenswaarde nog altijd overschreden met het stiller wegdek. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve voor deze woningen niet erg doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet tevens overwegende bezwaren van financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is voor woning 1 en 2 doeltreffend in onderhavige situatie. Wanneer de afstand van de voorgevel van woning 1 en 2 tot de voorste perceelgrens wordt vergroot naar respectievelijk 15 meter en 16 meter, wordt de voorkeursgrenswaarde niet meer overschreden. Voor woning 3 geldt dat er binnen het beschikbare kavel geen mogelijkheid bestaat de woning dermate terug te leggen dat de voorkeursgrenswaarde niet langer wordt overschreden. Wel kan door middel van het terugleggen van de woning de geluidbelasting terug worden gebracht tot de maximale ontheffingswaarde. Wanneer de afstand van de voorgevel van woning 3 tot
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
de voorste perceelgrens wordt vergroot naar 18 meter, zal de maximale ontheffingswaarde niet meer worden overschreden. In onderhavige situatie is het onduidelijk of het vergroten van de afstand tussen de geluidbron en de ontvanger overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of planologische aard ontmoet. Hiervoor dient overleg met de gemeente plaats te vinden. In onderhavig onderzoek wordt er vanuit gegaan dat deze maatregel overwegende bezwaren ontmoet. Conform opgave is het niet mogelijk voor woning 4 om de afstand tot de weg Sleutelsedijk te vergroten. Omdat de geluidbelasting op de voorgevel van woning 4 de maximale ontheffingswaarde overschrijdt, dient de voorgevel doof te worden uitgevoerd. Daarbij is er nog steeds sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde op de oostzijde op de 1e en 2e verdieping. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Ontheffingenbeleid hogere waardeprocedure Wet Geluidhinder” d.d. 21 april 2008 van de gemeente Reusel-De Mierden. Alle woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel. Woningen 1 en 2 beschikken tevens over geluidluwe zijgevels.
Wanneer er bij de indeling van de plattegronden rekening mee wordt gehouden dat iedere woning ten minste één verblijfsruimte heeft welke is gelegen aan één van de geluidluwe gevels, wordt daarmee voldaan aan de voorwaarde zoals genoemd in het geluidbeleid van de gemeente. Aangezien overdrachtsmaatregelen en bronmaatregelen niet doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten, en tevens wordt voldaan aan de eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woningen kunnen beschikken over een geluidluwe gevel danwel buitenruimte. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen. Er zal een procedure hogere waarde worden doorlopen. Met een hogere waarde procedure kan het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) toestaan dan de voorkeursgrenswaarde. De voorgevel van woning 3 tot de voorste perceelgrens wordt vergroot naar 18 meter.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). In navolgende paragrafen wordt ingegaan op de twee te volgen sporen.
5.3.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.
Aangezien het plan de slechts de bouw drie extra woningen mogelijk maakt en het intensieve veehouderijbedrijf wordt herbestemd ten behoeve van een categorie 1 en 2 bedrijf (ambachtelijk bedrijf en statische opslag), kan worden gesteld dat de ontwikkeling onder het begrip ‘Niet in betekenende mate’ valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.
5.3.3
Blootstelling aan verontreiniging
5.3.3.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.3.3.2
Fijnstof
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel.
Figuur 18: Fijnstof 2017 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 19: Fijnstof 2017 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is. 5.3.3.3
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Figuur 20: Stikstofdioxide 2017 (bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.4.2
Risico’s
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
5.4.3
Beleidskader
5.4.3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.4.3.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. 5.4.3.3
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.4.3.4
Beleidsvisie externe veiligheid
De gemeente Reusel-De Mierden beschikt over een ‘Beleidsvisie Externe Veiligheid’. Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.4.3.5
Overige wet- en regelgeving
In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) dient getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enzovoort.
5.4.4
Beoordeling van het plangebied
5.4.4.1
Bedrijven
Het plangebied is op basis van de Risicokaart niet gelegen binnen een risicocontour van een risicovolle inrichting in de omgeving van het plangebied. Binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied zijn geen risicocontouren van risicovolle inrichtingen gelegen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied is aangeduid met een zwarte cirkel.
Figuur 21: Uitsnede risicokaart
5.4.4.2
Transport
Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Reusel-De Mierden bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N269 en N284. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Deze wegen kennen geen risicocontour in het kader van vervoer van gevaarlijke stoffen. Beide wegen liggen op een afstand van meer dan 1 kilometer. Interactie zal normaliter niet plaatsvinden. Vervoer over het water Binnen de gemeente Reusel-De Mierden zijn geen vaarwegen gelegen. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer via buisleidingen Er bevinden zich in de gemeente Reusel-De Mierden geen buisleidingen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Ten noordwesten van de gemeentegrens loopt een buisleiding over de grensovergang bij Poppel. Het plan ligt op een zodanige afstand van deze buisleiding dat beïnvloeding niet plaats zal vinden. 5.4.4.3
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen. Dit aspect is dan ook niet relevant.
5.5
Agrarische bedrijvigheid
5.5.1
Inleiding
5.5.1.1
Wet geurhinder en veehouderij
Bij besluitvorming omtrent de herontwikkeling dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). Door de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden is de ‘Gebiedsvisie gemeente Reusel-De Mierden 2013 ten behoeve van de verordening geurhinder en veehouderij’ en de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ vastgesteld. De gemeente heeft hierin voor het buitengebied een voorgrondbelasting van 5,0 oue/m3 vastgesteld. 5.5.1.2
Veehouderijbedrijven in de omgeving
In de omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijbedrijven gelegen. Dit betreft de veehouderijen gelegen Sleutelstraat 4, Sleutelstraat 7, Voorste Heikant 1. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Op navolgende kaart is de situering van deze veehouderijbedrijven weergegeven. Het plangebied is indicatief aangeduid met een rode cirkel.
Voorste Heikant 1
Sleutelstraat 7
Sleutelstraat 4
Peel 2
Figuur 22: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied (BVB-Brabant)
Navolgende figuren geven de actueel vergunde situatie weer van deze veehouderijbedrijven.
Figuur 23: Actueel vergunde situatie Postelsedijk 4a (Bron: Web BVB-Brabant)
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Figuur 24: Actueel vergunde situatie Sleutelstraat 7 (Bron: Web BVB-Brabant)
Figuur 25: Actueel vergunde situatie Voorste Heikant 1 (Bron: Web BVB-Brabant)
Figuur 26: Actueel vergunde situatie Peel 2 (Bron: Web BVB-Brabant)
5.5.1.3
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aspect milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan de wettelijk vastgelegde standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.5.1.4
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie.
5.5.2
Woon- en leefklimaat
5.5.2.1
Berekening voorgrondbelasting
Op grond van artikel 3 Wgv dient een afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissie is vastgesteld. De veehouderijbedrijven Sleutelstraat 4 en Sleutelstraat 7 bevinden ruim buiten deze afstand. Op de veehouderijbedrijven Voorste Heikant 1 en Peel 2 worden dieren gehouden waarvoor een geuremissie is vastgesteld. Om te bepalen of binnen het plangebied ook sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat is de voor- en achtergrondbelasting inzichtelijk gemaakt. Navolgend wordt een berekening van de voorgrondbelasting weergegeven. Als coördinaten zijn de hoekpunten van het benutbare gedeelte van de woonbestemmingen genomen. De geuremissie is berekend aan de hand van de vergunde situatie. Voorste Heikant 1 Berekende ruwheid: 0,25 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID
X-coord.
Y-coord. EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. E-Aanvraag snelh.
1
Voorste Heikant 1
139 006
373 084
2,7
3,7
0,46
4,00
13 087
2
Voorste Heikant 2
138 968
373 070
2,7
3,5
0,39
4,00
7 236
3
Voorste Heikant 33a5
138 961
373 032
6,0
4,0
4,05
1,62
17 733
Volg nr.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
4
NW1
139 212
373 284
10,0
5,8
5
NO1
139 288
373 318
10,0
3,9
6
ZO1
139 296
373 300
10,0
4,0
7
ZW1
139 223
373 266
10,0
5,6
8
NW2
139 230
373 284
10,0
5,2
9
NO2
139 303
373 284
10,0
4,0
10
ZO2
139 312
373 265
10,0
4,1
11
ZW2
139 240
373 234
10,0
5,8
12
NW3
139 305
373 100
10,0
5,0
13
NO3
139 367
373 128
10,0
4,0
14
ZO3
139 373
373 112
10,0
3,8
15
ZW3
139 311
373 085
10,0
4,8
Tabel 1: Voorgrondbelasting Voorste Heikant 1
Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting op de beoogde woonbestemmingen maximaal 5,8 oue/m³ bedraagt. Ontwikkeling van het plangebied is in het kader van de voorgrondbelasting derhalve geen bezwaar. Peel 2 Berekende ruwheid: 0,17 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID
X-coord. Y-coord. EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Peel 2 A
139 502
372 766
5,8
4,4
0,45
4,00
18 170
2
Peel 2 B
139 518
372 766
7,7
4,9
0,80
4,00
16 836
3
Peel 2 E/F/I
139 542
372 720
6,6
4,3
3,32
1,63
20 777
Volg nr.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
4
NW1
139 212
373 284
10,0
3,3
5
NO1
139 288
373 318
10,0
3,0
6
ZO1
139 296
373 300
10,0
3,2
7
ZW1
139 223
373 266
10,0
3,5
8
NW2
139 230
373 284
10,0
3,2
9
NO2
139 303
373 284
10,0
3,3
10
ZO2
139 312
373 265
10,0
3,4
11
ZW2
139 240
373 234
10,0
3,8
12
NW3
139 305
373 100
10,0
6,0
13
NO3
139 367
373 128
10,0
5,5
14
ZO3
139 373
373 112
10,0
5,9
15
ZW3
139 311
373 085
10,0
6,4
Tabel 2: voorgrondbelasting Peel 2
Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting op de beoogde woonbestemmingen maximaal 6,4 oue/m³ bedraagt indien uit wordt gegaan van een worst-case situatie. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. Ontwikkeling van het plangebied is in het kader van de voorgrondbelasting derhalve geen bezwaar. 5.5.2.2
Berekening achtergrondbelasting
Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. De achtergrondbelasting is voor het plangebied doorgerekend met behulp van het programma V-Stacks Gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeente ReuselDe Mierden ingevoerd. De invoergegevens van de veehouderijbedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (31 oktober 2019). Navolgende tabel geeft de gemeten achtergrondbelasting voor het plangebied weer.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Rasterpunt linksonder
x: 139 309 m
Rasterpunt linksonder
y: 373 073 m
Gebied lengte
(x): 1000 m , aantal gridpunten: 50
Gebied breedte
(y): 1000 m , aantal gridpunten: 50
Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [ou/m3] 1001 139203 373291 8,516 1002 139352 373358 7,114 1003 139384 373101 10,337 1004 139309 373073 11,511 Tabel 3: Achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied
Ter plaatse van het plangebied bedraagt de maximale achtergrondbelasting 11,5 oue/m3. Ingevolge de Wet geurhinder en veehouderijen is er ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. 5.5.2.3
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is zowel in het kader van de voor- als achtergrondbelasting sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De beoogde herontwikkeling is in het kader van de geursituatie geen bezwaar.
5.5.3
Belangenafweging
De herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. De woning aan ’t Heike 11 betreft thans een bedrijfswoning horende bij een agrarisch bedrijf. Voor de woning geldt een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van veehouderij bedrijven. Aan de afstand wordt voldaan. Herbestemming van de woning brengt geen belemmeringen voor agrarische bedrijven met zich mee. De Ruimte voor Ruimte woningen worden opgericht op een afstand van meer dan 50 meter tot omliggende agrarische bedrijven. Tussen liggen tussen de nieuw te realiseren woningen en de omliggende veehouderijbedrijven zijn reeds geurgevoelige objecten gesitueerd. Onderhavige ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende veehouderijbedrijven.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
5.6.1
Inleiding
De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied is gelegen in gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.
5.6.2
Omliggende bedrijven
Binnen een straal van 250 meter van het plangebied is één niet-agrarisch bedrijf gevestigd, te weten aan Postelsedijk 2, Huijbregts Infra (wegenbouw). Het betreft het aannemingsbedrijf Huijbregts Infra BV. Het bedrijf is voornamelijk actief op het gebied van grondwerken en cultuurtechnische werken. Het bedrijf is daarmee te kenmerken als een bedrijfsactiviteit bouwbedrijf/aannemersbedrijf met werkplaats b.o. > 1.000 m² behorende tot maximaal categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. In gemengd gebied geldt een aan te houden afstand van 50 meter. De woningen aan ‘t Heike worden opgericht op een afstand van minimaal 60 meter van het bestemmingsvlak van het bedrijf. De woning aan de Postelsedijk ong. wordt opgericht op een afstand van circa 22 meter van het bestemmingsvlak. In de beoogde nieuwe situatie kan niet worden voldaan aan de richtafstand voor het aspect ‘geluid’ volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering. Aan de richtafstand voor de aspecten ‘geur’, ‘stof’ en ‘gevaar’ kan wel worden voldaan. Om aan te kunnen tonen dat ter plaatse van de geprojecteerde Ruimte voor Ruimte kavel(s) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als bijlage deel uit van dit bestemmingsplan. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven.
“Conclusies Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Bij de betreffende nieuwe woningen is de geluidbelasting, ten gevolge van het relevante bedrijf aan de Postelsedijk 2b, Huijbregts Infra BV, nergens hoger dan de streefwaarde voor de geluidbelasting van 45 dB(A)(gebiedstype rustig buitengebied). Maximaal geluidniveau (LAmax) De streefwaarde ten aanzien van het maximaal geluidniveau (LAmax) wordt ten gevolge van de activiteiten bij Huijbregts Infra BV overschreden ter plaatse van woning 3 (Postelsedijk 3). Dit is ten gevolge van het oppikken/neerzetten van containers. Dit gebeurt maximaal 12 keer jaar in de dagperiode. Als deze piekbron buiten beschouwing wordt gelaten wordt voldaan aan de betreffende streefwaarden (65 dB(A) etmaalwaarde) voor het maximaal geluidniveau. Bij het optredend piekniveau van 69 dB(A) in de dagperiode, wordt er met de minimaal vereiste gevelwering van 20 dB(A) reeds voldaan aan het maximaal toelaatbaar binnenniveau van 55 dB(A) (69 - 20 = 49 dB(A)). Buiten in de achtertuin van de betreffende woning 3 is het maximaal optredend piekgeluid 61 dB(A), waardoor wordt voldaan aan de streefwaarde. Verder dient vermeld te worden dat ten aanzien van de milieuregelgeving (Activiteitenbesluit) piekgeluiden (LAmax) ten gevolge van laad- en losactiviteiten, in de dagperiode (7.00 en 19.00 uur) uitgesloten mogen worden van toetsing.
Hierdoor wordt Huijbregts Infra BV ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Er vinden reeds ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
uitsluitend in de dagperiode voertuigbewegingen/ laad- en losactiviteiten plaats. Indirecte hinder Ten aanzien van de indirecte hinder wordt, de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) nergens overschreden,
met
uitzondering
van
woning
4
(Postelsedijk
1).
Hier
wordt
de
voorkeursgrenswaarde met 1 dB(A) overschreden. Gezien het feit dat nieuwe woningen een minimale gevelwering van 20 dB(A) dienen te hebben volgens het Bouwbesluit, wordt wel aan de maximale binnenwaarde van 33 dB(A) (51-20 = 31 dB(A)) voldaan.”
5.6.3
Beoordeling beoogde herontwikkeling
In de huidige situatie is binnen het plangebied sprake van een categorie 4.1 bedrijf. De veehouderijtak wordt gesaneerd en na herbestemming resteert een bedrijf in milieucategorie 1 en 2. In gemengd gebied geldt voor een bedrijf in milieucategorie 1 en 2 een aan te houden afstand van 10 meter. Binnen een dergelijke afstand worden geen nieuwe woningen opgericht. Tussen het bedrijf in milieucategorie 1 en 2 en nieuwe Ruimte voor Ruimte woningen wordt eveneens voldaan aan de richtstand van 10 meter.
5.6.4
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen bezwaar ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de Wetland-Conventie, de Conventie van Bern, Cites en het Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.7.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Natuur Netwerk Brabant is onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich gemakkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aantal planten en dieren) bevorderd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Het meest dicht bij het plangebied gelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft ‘Kempenland West’ en is gelegen op een afstand van circa 4,4 kilometer ten noorden van het plangebied. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000gebied.
Binnen het plangebied wordt en veehouderijtak gesaneerd en wordt een milieuvergunning ingetrokken voor het houden van 1.537 varkens en wordt 1.228 kg per jaar aan ammoniak uit de markt gehaald. Tevens kunnen vervoersbewegingen ten behoeve van de veehouderijtak te vervallen. Derhalve voorziet deze ontwikkeling in een afname van stikstofdepositie. Voor deze uitstoot is een Aerius berekening uitgevoerd, daarbij is tevens de afname van ammoniak meegenomen. Deze berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit deze berekening blijkt dat de herbestemming geen effect heeft groter dan 0,00 mol per hectare per jaar. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van flora en fauna waarden in de omgeving.
5.7.3
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met
het
oog
op
de
instandhouding
van
soorten.
De
verbodsbepalingen
en
afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. De beoogde ontwikkeling voorziet in het saneren van de veehouderijtak en het oprichten van drie nieuwe woningen in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte. Van deze woningen wordt één woning pas op termijn gerealiseerd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Ten behoeve van de herontwikkeling is een ecologische Quickscan uitgevoerd. Deze Quickscan maakt als bijlage onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. “Samenvatting en conclusie (Toetsing aan de Wet natuurbescherming) Beschermde soorten Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In de bedrijfswoning aan ’t Heike 11 zijn enkele huismussennesten aanwezig onder de dakpannen. De bedrijfswoning en de groenstructuren binnen het huismussenterritorium blijven ongewijzigd. In de te slopen varkensstallen zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig door het ontbreken van toegangsmogelijkheden voor vogels. In het te kappen bomenrijtje zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Op de locatie Postelsedijk ongenummerd ontbreekt bebouwing en opgaand groen. Hierdoor kan de aanwezigheid van beschermde vogelnesten in bomen en bebouwing worden uitgesloten. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied Door het ontbreken van aanééngesloten lijnvormige (groen)structuren op beide locaties kunnen vaste vlieg- en foerageerroutes voor vleermuizen worden uitgesloten. Beide locaties vormen matig geschikt foerageergebied voor vleermuizen.
Met de landschappelijke inpassing van drie ruimte voor ruimte woningen met inheems groen zullen foerageermogelijkheden verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. In het te kappen bomenrijtje aan ’t Heike 11 zijn geen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig. Het is niet uit te sluiten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de bedrijfswoning aan ’t Heike 11. De bedrijfswoning blijft in de huidige vorm gehandhaafd. Vleermuisverblijfplaatsen in de te slopen varkensstallen kunnen worden uitgesloten doordat alle toegangsmogelijkheden zijn afgedicht met fijn gaas en vogelschroot. Op de locatie Postelsedijk ong. ontbreekt bebouwing en bomen en daarmee dus ook vleermuisverblijfplaatsen. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals bruine kikker, gewone pad, haas, konijn, egel en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Eindconclusie •
Met de herontwikkeling van de locatie ’t Heike 11 en de Postelsedijk ongenummerd te Reusel worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet aan de orde.
•
De aanbevelingen voor vogels algemeen en de algemene zorgplicht (paragraaf 8) dienen te worden opgevolgd.
5.8
Archeologie
5.8.1
Wet op de archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
5.8.2
Archeologiebeleid gemeente Reusel-De Mierden
De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart, waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 27: Uitsnede archeologische beleidskaart ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Het plangebied is op basis van de archeologische beleidskaart grotendeels aangeduid als ‘categorie 4’, gebieden met een hoge archeologische verwachting, gedeeltelijk geldt er binnen het plangebied geen archeologische verwachting. Het plangebied kent tevens gedeeltelijk de aanduiding ‘esdekken’. Binnen gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld of 0,5 meter onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. Van de drie beoogde nieuwe woningen worden twee woningen opgericht binnen het agrarisch bouwvlak, deels ter plaatse van onderkelderde stallen. Deze gronden zijn grotendeels verstoord wegens grondverzet. De derde woning wordt opgericht op een perceel dat thans in gebruik is als cultuurgrond. De verstoringsgrens van 500 m² wordt met het beoogde bouwplan niet overschreden. Onderhavig bestemmingsplan kent aan het plangebied dubbelbestemmingen in het kader van archeologie toe, waarmee de eventuele archeologische waarden van de gronden conform het gemeentelijk archeologisch beleid worden beschermd. Een verkennend archeologisch onderzoek is op dit moment niet aan de orde.
5.9
Water
5.9.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Aanvullend op het beleid van het waterschap, heeft de gemeente Reusel-De Mierden beleid opgesteld voor de omgang met stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Navolgend wordt ingegaan op zowel het relevante beleid van het waterschap als het relevante gemeentelijke beleid.
5.9.2
Relevant waterschapsbeleid
5.9.2.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van bijvoorbeeld nieuwbouw inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. 5.9.2.2
Keur Waterschap De Dommel 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen in een, op basis van de Keur, beschermd gebied. Wel is het plangebied gesitueerd in een Beperkt invloedsgebied natura 2000. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de Keurkaart waarop het plangebied indicatief is aangeduid.
Figuur 28: Uitsnede Keurkaart Waterschap De Dommel (plangebied indicatief aangeduid met een rode cirkel)
Ten zuiden en ten noorden van het plangebied loopt een b-waterloop. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt. Onderhavige ontwikkeling is niet van invloed op deze waterlopen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Figuur 29: Uitsnede legger waterschap De Dommel
5.9.2.3
Waterbeheerplan De Dommel 2016-2021 ‘Waardevol water’
Het Waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ is actueel vanaf 1 januari 2016. In dit Waterbeheerplan van Waterschap De Dommel is aangegeven wat de doelen van het waterschap zijn voor de periode 2016 - 2021 en hoe het waterschap dit wil gaan bereiken. Het waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016 – 2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: 1.
De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen.
2.
De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in.
3.
Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht.
4.
Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen beiden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
De werkzaamheden van het waterschap zijn onder te verdelen in de volgende thema’s: -
Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
-
Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
-
Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
-
Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
-
Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.
5.9.2.4
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine
plannen.
Hoewel
er
relatief
veel
kleine
plannen
zijn
veroorzaken
deze
op
deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de sanering van een veehouderijtak en de realisatie van drie woningen in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte. In eerste instantie wordt 1.754 m² aan bedrijfsgebouwen gesloopt, in tweede instantie nog eens 800 m². Tevens zal de erfverharding rondom de stallen worden gesaneerd. Voor de Ruimte voor Ruimte woningen wordt voorzien in een verhard oppervlak van 400 m² per woning.
De uiteindelijk gekozen wijze van hemelwaterinfiltratie voor deze woningen wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, met inachtname van de in deze paragraaf ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
57
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
opgenomen voorwaarden voor omgang met hemelwater. Geadviseerd wordt om hemelwater binnen het plangebied te laten infiltreren. Per saldo zal het verhard oppervlak aanzienlijk afnemen. Deze herontwikkeling heeft dan ook alleen maar positieve effecten op de waterhuishouding.
5.9.3
Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie
De bodem ter plaatse van de planlocatie betreft een hoge zwarte enkeerdgrond; bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De GHG varieert volgens ons systeem tussen de 60-140cm – mv. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de wateratlas van de provincie Noord-Brabant betreffende de GHG.
Figuur 30: GHG ter plaatse van het plangebied (indicatief aangeduid met rode cirkels)
5.9.4
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te
bestaan uit niet-uitloogbare
bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
58
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
5.9.5
Gemeentelijke beleid
5.9.5.1
VGRP 2017-2021: “Grip op kwaliteit”
Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021’ (VGRP) beschrijft de gemeente Reusel-De Mierden de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Reusel-De Mierden voor de periode 2017-2021. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. 5.9.5.2
Verordering op de afvoer van hemel- en grondwater gemeente Reusel de Mierden
Om uitvoering te geven aan het beleid dat is neergelegd in het VGRP 2017-2021 heeft de gemeente Reusel-De Mierden de ‘Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater’ vastgesteld op 29 januari 2019. Bij realisatie van de nieuwe woningen wordt dit beleid in acht genomen
5.9.6
Afvalwaterafvoer na herontwikkeling
De nieuwbouw woningen worden aangesloten op de riolering. Slechts het huishoudelijk afvalwater mag worden geloosd op de riolering. Afspraken aangaande het rioleringsstelsel worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer of maken onderdeel uit van de vergunning voor de bouwactiviteit.
5.10
M.e.r.-beoordeling
5.10.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk ONTWERP Crijns Rentmeesters bv