21.13885 t_NL.IMRO.1667.BPBheik0082-ON01.PDF
Tekst van het document
59
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
5.10.2 Vormvrije M.e.r.-beoordeling Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit rn.e.r. Aangezien het gaat om het realiseren van in totaal drie extra woningen, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie vormvrije rn.e.r-beoordeling niet noodzakelijk.
5.11
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijbedrijven
5.11.1 Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.
5.11.2 Toets van de ontwikkeling aan Handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Er is een berekening gemaakt van de afstand waarop de adviesnorm van 30 EU/m3 wordt overschreden. In navolgende tabel zijn de resultaten opgenomen. Veehouderij
Fijn stof emissie
Voorste Heikant 1 Voorste Heikant 3
218 kg/jaar varkens 206 kg/jaar varkens
Aan te houden afstand 92 m 89 m
Feitelijke afstand >200 m >350 m
Tabel 4: Toets aan de aan te houden afstanden in het kader van fijnstof
Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkensen
pluimveehouderijen
in
de
omgeving.
Er
is
geen
sprake
van
een
verhoogd
volksgezondheidsrisico. Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
60
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: −
5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. Deze norm wordt overschreden;
−
10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt deels overschreden;
−
100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object.
Er wordt wel voldaan aan de vaste afstand en de normen in het kader van de Wgv. Bij de geurberekening is uitgegaan van een worst case situatie. De daadwerkelijke geursituatie in het kader van de voogrondbelasting is beter. Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: •
Varkens en pluimvee;
•
Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);
•
Kleine herkauwers onderling.
Aan stap 4 wordt voldaan. In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. In navolgende paragraaf wordt dit aspect nader toegelicht. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Er wordt voldaan aan de normen voor fijn stof en de concentratie endotoxine. Een GGD-advies is hierom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.
5.11.3 Geitenhouderijen In RIVM Rapport 2017-0062 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) (aanvullende studies), is gesteld dat er gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van intensieve veehouderijbedrijven. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden van, met name, pluimveehouderijen een grotere kans hebben op het krijgen van een longontsteking. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Op een afstand van circa 1,5 ten woordwesten van het plangebied is een geitenhouderij gesitueerd. Op de locatie is een vergunning aanwezig voor het houden van 200 dieren. Middels onderhavig plan wordt een veehouderijtak gesaneerd en worden in samenhang drie Ruimte voor Ruimte woningen mogelijk gemaakt. Niet voorzien wordt ter plaatse ‘meer kwetsbare personen’ te huisvesten. De woningen worden niet gebruikt voor bewoning door kwetsbare doelgroepen. Ter ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
61
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
plaatse wordt niet voorzien in bijvoorbeeld zorgfuncties of kinderopvang. Tussen de beoogde woning en de geitenhouderij zijn reeds woonbestemmingen gelegen. Tevens bevindt de planlocatie zich niet in de overwegende windrichting ten opzichte van de geitenhouderij. De nieuwe woningen bevinden zich tevens niet dichter tot de geitenhouderij dan bestaande woningen. In redelijkheid kan worden aangenomen dat er daarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
5.12
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen
Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Rond het plangebied is sprake van een agrarische bestemming. Deze gronden worden door de initiatiefnemer gebruikt voor akkerbouw. Er is geen sprake van het intensief spuiten van de gewassen. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Op de perceelsgrenzen zullen struweelhagen of houtsingels worden geplant. Dit is geborgd in de regels van onderhavig plan. Deze elementen werken tevens drift reducerend.
Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
62
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
6.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
6.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 De
Algemene toelichting verbeelding verbeelding
heeft
een
belangrijke
rol
bij
het
bepalen
van
de
gebruiks-
en
bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwaanduidingen opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:2.000. Het plangebied kent de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden 1’, ‘Bedrijf – Agrarisch-Bedrijf’, ‘Groen-Landschapselement’ en ‘Wonen’. Aan het plangebied is gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ en de bouwaanduiding ‘afwijkende nokrichting’.
6.3
Algemene toelichting regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
-
Omgevingsvergunning voor het aanleggen.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
63
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
6.4
Toelichting bestemmingen
6.4.1
Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1
Aan het plangebied is gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1’ toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden, waterhuishoudkundige voorzieningen en erfbeplanting. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
6.4.2
Bedrijf
Aan het plangebied is gedeeltelijk de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor een bedrijf in milieucategorie 1 en 2 en één bedrijfswoning.
6.4.3
Groen-Landschappelijke inpassing
Aan het plangebied is gedeeltelijk de bestemming ‘Groen-Landschappelijke inpassing’ toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor het aanbrengen en in stand houden van gebiedseigen (erf)beplanting, groenvoorzieningen, bermen, beplanting en paden. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
6.4.4
Wonen
Binnen het plangebied zijn drie separate woonbestemmingen ingetekend. Per bestemmingsvlak is één woning met een inhoud van 1.000 m³ toegestaan met maximaal 100 m² bijgebouwen tenzij op de verbeelding een afwijkende maatvoering is opgenomen.
6.4.5
Waarde – Archeologie 4.2
De voor 'Waarde - Archeologie 4.2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 50 centimeter dient een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
64
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van onderhavig plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente ReuselDe Mierden zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten voor de herontwikkeling verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal met de gemeente Reusel-De Mierden een anterieure overeenkomst voor de planontwikkeling sluiten.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
65
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
8.
OVERLEG, INSPRAAK, ZIENSWIJZEN EN PROCEDURE
8.1
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Volgens artikel 3.1.1 Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan
daarover
overleg
met
de
besturen
van
betrokken
gemeenten
en
waterschappen, en diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant worden in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg.
8.2
Inspraak
In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.
8.3
Procedure
De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
-
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; -
Gedeputeerde Staten of de Inspecteur van VROM hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.
-
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten of de inspecteur van VROM wijzigingen aangebracht.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
66
Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 't Heike 11 en Postelsedijk ong.’ – Toelichting
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld. Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer een beroep aanhangig is gemaakt treedt het bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening kan het bestemmingsplan worden geschorst en treedt dan niet in werking.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
67