CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[21.04171] - toelichting bij bestemmingsplan versie 8 maart 2021

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8 Hooge Mierde19.514 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1 maart 2021

 25

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

4.3

GEMEENTELIJK BELEID

4.3.1 Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden (incl. addendum) Op 22 mei 2018 is de omgevingsvisie voor de gemeente Reusel-De Mierden vastgesteld. De omgevingsvisie borduurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Gezamenlijk, grenzeloos en groen is en blijft het uitgangspunt. De omgevingsvisie geeft verder richting aan de ingezette koers in ruimtelijke zin en schets het panorama voor de toekomst. De omgevingsvisie bestaat uit een visiekaart met bijbehorende visie op de toekomst voor het gemeentelijk gebied. In onderstaande uitsnede van de visiekaart is ter plaatse van het plangebied de visie van de gemeente in beeld gebracht.

Figuur 4-4 Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie (O = plangebied)

Op de visiekaart vallen twee zaken op in relatie tot dit plan. Enerzijds wordt het omliggende agrarische gebied aangewezen voor ‘versterking van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap’. Anderzijds ligt het plangebied binnen een buurtschap dat moet worden gezien als drager van transformaties in de intensieve veehouderij. Ten aanzien van het versterken van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap wordt de volgende aanpak voorgestaan in de omgevingsvisie: “Het kleinschalige karakter van het oude agrarische ‘coulissenlandschap’ met kampen structuren, open akkers omgrensd door (historische) bomenlanen en houtwallen wordt ontlast door de doorontwikkeling van grootschalige bedrijvigheid zonder relatie met de ondergrond af te remmen en zo mogelijk uit te plaatsen naar de gebieden met het primaat landbouw. In de oude agrarische cultuurlandschappen ligt het accent op een aantrekkelijk woon-, werk en recreatiemilieu en het versterken van de relatie met de kernen(p.21)”. Het buurtschap zien als drager van de transformatie van de intensieve veehouderij is in beeld gebracht in onderstaande figuur van het buurtschap Kuilenrode. Hieruit blijkt dat het erf aan de Kuilenrode 8 landschappelijk ingepast zou moeten worden. De voorzijde van het plangebied is voorzien van een bedrijfsbestemming maar is feitelijk gemeentegrond en als beeldbepalende groenstructuur (brink) ingericht.

Deze gebieden zouden versterkt moeten worden blijkt uit de omgevingsvisie. De achterzijde van het plangebied (oostzijde) zijn open gronden en vormen open oude akkercomplexen.

26 

1 maart 2021

Figuur 4-5 Uitsnede visiekaart Hooge Mierde (O=plangebied)

Voor de buurtschappen is de volgende visie geformuleerd: “De buurtschappen bieden ontwikkelingskansen, mits de ontwikkeling samen gaat met een robuuste landschappelijke kwaliteitsimpuls. Vrijkomende agrarische bebouwing kan juist in deze buurtschappen worden getransformeerd met een passende schaal die naadloos aansluit op het buurtschap. Dat betekent een erfgewijze of gebiedsgewijze herontwikkeling met ruimte voor kleinschalige functies van wonen, werken, zorg, recreatie en cultuur. De herontwikkelingen bieden tevens aanknopingspunten voor samenhangende landschappelijke ingrepen in bomenlanen, houtwallen et cetera”. Dit plan voor een herbestemming van een vab-locatie sluit naadloos aan bij bovenstaande visie. In aansluiting op bovenstaande visie bestaat de belangrijkste landschappelijke inpassing uit een houtwal als grens tussen de relatieve beslotenheid van het buurtschap en het omliggende open gebied. Naast de visiekaart is er ook een strategiekaart opgenomen in de omgevingsvisie. Hieruit blijkt dat het plangebied ligt in een zone met het primaat landschap. De strategie hiervoor is “versterken van het Kempisch karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin met een korrelgrootte van de bebouwing en kleinschalige functies die passen bij de fysieke onderlegger en stimuleren van een gezonde leefomgeving met ruimte voor groen en ontmoeting”.

In de toelichting wordt daarnaast opgemerkt dat deze strategie er met name op is gericht om de negatieve landschappelijke effecten van de schaalvergroting in de intensieve veehouderij aan te pakken. Een sanering van een bestaande intensieve veehouderij in combinatie met een landschappelijke kwaliteitsverbetering is in lijn met de gemeentelijke strategie voor dit gebied. 4.3.2 Bestemmingsplan “Buitengebied 2009” Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse betreft het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” (vastgesteld op 22 september 2009) van de gemeente Reusel-De Mierden. Op 9 juli 2013 is het bestemmingsplan “Buitengebied 2009 herziening fase 1A” vastgesteld. Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan voorzien van een bouwvlak met de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’, met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De locatie kent daarnaast de dubbelbestemming ‘Archeologische verwachtingswaarde’ en de gebiedsaanduidingen ‘Extensiveringsgebied’ en ‘Bebouwingsconcentratie’.

1 maart 2021

 27

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

In het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ in de bestemming ‘Wonen ten behoeve van de splitsing van de voormalige boerderij met agrarische bedrijfswoning in twee woningen. Daarbij moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Deze worden hieronder punt voor punt besproken en toegelicht met betrekking tot het plangebied: a) Deze wijziging is niet toegestaan op agrarische locaties in het ‘landbouwontwikkelingsgebied’, zoals aangeduid op de ‘zoneringskaart reconstructie’. Het plangebied is niet gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, maar in het gebied ‘Beperkingen veehouderij’ (voormalig extensiveringsgebied). b) Hergebruik van de gronden ten behoeve van agrarische doeleinden is redelijkerwijs niet langer mogelijk. Op het bedrijf worden geen dieren meer gehouden. Bovendien is er geen sprake van een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij. Gezien de ligging in het gebied ‘Beperkingen veehouderij’ en de ligging in een bebouwingsconcentratie, met gemengde stedelijke functies, heeft het bedrijf onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst. c) Splitsing is alleen toegestaan indien het agrarische bedrijf wordt beëindigd. De intensieve veehouderijlocatie wordt gesaneerd. Daartoe worden bedrijfsgebouwen gesloopt en wordt de milieuvergunning ingetrokken.

de

agrarische

d) Splitsing is alleen toegestaan indien het een woonboerderij betreft. De huidige bedrijfswoning met achterhuis (grupstal) wordt gesplitst. Het betreft een langgevelboerderij uit 1951. e) De bouwmassa van de te splitsen woonboerderij dient een inhoud te hebben van ten minste 900 m3. De huidige langgevelboerderij heeft een inhoud van circa 900 m³. f)

Bij splitsing mogen maximaal twee volwaardige woningen ontstaan, met beide een inhoud van ten minste 400 m3. Zoals onder punt e is aangegeven, heeft de huidige langgevelboerderij een inhoud van circa 900 m³. Deze woning met achterhuis wordt gesplitst in twee woningen. De inhoud van beide woningen bedraagt dus minimaal 450 m³.

g) Het bestaande architectonische karakter van de boerderij en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet worden aangetast. Beoordeling vindt plaats door een ter zake deskundige organisatie. De boerderij is in deze omgeving één van de laatste langgevelboerderijen van die tijd. Bij het bouwen van een nieuwe boerderij (woning A en B) moet er een soortgelijk gebouw terugkomen. Het uitgerekte perceel vraagt om een langwerpig gebouw. Het ontwerp moet afgeleid worden van de oorspronkelijke architectuur van het gebouw uit 1951. De grens tussen woning en achterhuis / grupstal moet zichtbaar blijven. Dit is in paragraaf 3.2.3 reeds toegelicht. h) Voldaan dient te worden aan de eisen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder. In paragraaf 5.3 wordt nader toegelicht dat voldaan wordt aan deze voorwaarde. i)

De vestiging van de nieuwe woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven.

28 

1 maart 2021

Bij de opstelling van dit plan is rekening gehouden met de geurcontouren van agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied. Door het plan worden geen landbouwbedrijven beknot in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Dit komt in hoofdstuk 5 aan de orde. j)

De nieuwe woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieu hygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. De agrarische bedrijven in de omgeving hebben geen negatieve invloed op het leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Dit is nader gemotiveerd in paragraaf 5.5.

k) Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van meer bedrijfsgebouwen/bijgebouwen dan de 100 m² die als bijgebouw per woning zijn toegestaan, dienen die gebouwen te worden gesloopt. Sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is niet toegestaan. Alle bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt, met uitzondering van de paardenstal onder l. Per woning wordt maximaal 100 m2 aan bijgebouwen toegestaan. l)

Indien het bestemmingsvlak ligt binnen een op de plankaart aangeduide bebouwingsconcentratie geldt dat bij sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing 10% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de maximale oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 240 m² voor beide woningen tezamen. Sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is niet toegestaan. De agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van de voormalige varkenshouderij worden gesloopt. Dit 1.481 m2 aan bedrijfsgebouwen. Dit is dus 481 m2 meer dan verplicht in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling. Er blijft één bijgebouw in de vorm van een paardenstal staan. Dit bestaande gebouw heeft een oppervlakte van 190 m2. Om het gebouw te kunnen verbouwen met behulp van bestaande bouwmaterialen en geschikt te kunnen maken als paardenstal wordt een specifieke functieaanduiding toegekend aan het gebouw van 227 m2, deze maat is passend binnen de toegestane maat van 240 m2 aan bijgebouw bij sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Deze paardenstal voor hobbymatig gebruik hangt direct samen met de bestaande en te handhaven vaste mestopslag en buitenrijbak aan de oostzijde van het plangebied.

Het bestemmingsplan kent geen mogelijkheid om de beoogde Ruimte voor Ruimte woning in combinatie met de boerderijsplitsing te realiseren. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het vigerende bestemmingsplan ter plaatse herzien om de herontwikkeling mogelijk te maken. Er wordt voldaan aan alle voorwaarden voor woningsplitsing uit het vigerende bestemmingsplan.

1 maart 2021

 29

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

5 5.1 5.1.1

MILIEUHYGIËNISCHE + PLANOLOGISCHE ASPECTEN BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Niet-agrarische bedrijven

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing van nieuwe ontwikkelingen, in milieu hygiënisch opzicht, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen / handhaven van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en verblijfsrecreatie voorzieningen. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering” uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst “Bedrijven en Milieuzonering” worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied gaat het om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De omgeving van het plangebied betreft, gezien de bestaande menging van functies op korte afstand van elkaar, een gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen. De beoogde herontwikkeling wordt derhalve niet belemmerd door niet-agrarische bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Wel zijn in de omgeving een aantal agrarische bedrijven gelegen. Dit komt in de volgende twee paragrafen aan de orde. 5.1.2 Geluid Uit de richtafstanden in de VNG-publicatie blijkt dat voor de intensieve veehouderij een richtafstand voor geluid van 50 meter gehanteerd moet worden. Voor de grondgebonden veehouderij wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd. Aangezien de omliggend agrarische bedrijven op een grotere afstand liggen dan 50 meter is ter plaatse van het perceel Kuilenrode 8 sprake van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast vormen de nieuwe woningen op het perceel geen belemmering voor de omliggende bedrijven. Tussen de omliggende veehouderijen en het perceel Kuilenrode 8 zijn diverse burgerwoningen gelegen. Deze woningen zijn namelijk bepalend in de toegestane geluidsproductie bij ontwikkelingsmogelijkheden vanuit de omliggende bedrijven.

Het perceel Kuilenrode 8 vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven. 5.1.3

Driftzonering

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en boomgaarden. 30 

1 maart 2021

Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Binnen een straal van 50 meter rondom de nieuwe woningen vindt geen boomteelt plaats. Ook zijn er geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.2

GEURHINDER

5.2.1 Geurgebiedsvisie gemeente Reusel-De Mierden Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden de “Gebiedsvisie gemeente Reusel-De Mierden 2013 ten behoeve van de verordening geurhinder en veehouderij” vastgesteld. In deze gebiedsvisie zijn op grond van de gegevens over geurbelasting en hinder streefwaarden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat per gebied vastgesteld. In de geurgebiedsvisie (bijlage 18 – omgekeerde werking) zijn bij de oprichting van nieuwe geurgevoelige objecten, zoals woningbouw, de volgende streefwaarden aangegeven:  Achtergrondbelasting: - voor de bebouwde kom een hinderpercentage van 12%, wat overeenkomt met een achtergrondbelasting van 10 ou en een goede milieukwaliteit; - voor de kernrandzones een hinderpercentage van 16%, wat overeenkomt met een achtergrondbelasting van 14 ou en een matige milieukwaliteit; - voor het buitengebied een hinderpercentage van 20%, wat overeenkomt met achtergrondbelasting van 20 ou en een matige milieukwaliteit.  Voorgrondbelasting (uitgaande van de hiervoor aangehaalde hinderpercentages voor de achtergrondbelasting): - voor de bebouwde kom 5 odour units (12% hinder); - voor de kernrandzones 7 odour units (16% hinder); voor het buitengebied 10 odour units (20% hinder).

Als niet aan deze waarden (achtergrond- en voorgrondbelasting) kan worden voldaan, dan is het oprichten van de nieuwe woning niet toestaan. Daarmee wordt voorkomen dat een nieuwe overbelaste situatie ontstaat. 5.2.2 Toetsing achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is met behulp van het programma V-Stacks Gebied de achtergrondbelasting van de agrarische bedrijven in een straal van 2.000 meter rondom het plangebied op de beoogde woningen berekend. De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt in de huidige situatie 36,678 ouE/m³ (zie bijlage 5b). Het leefklimaat in gebieden met deze achtergrondbelasting wordt beoordeeld als ‘slecht’. In samenhang met de oprichting van de woning en de splitsing van de langgevelboerderij zal de intensieve veehouderij op de Kuilenrode 8 gesaneerd worden. De achtergrondbelasting wordt dan ter plaatse van het plangebied 9,409 ouE/m³ (zie bijlage 5b). De herontwikkeling heeft derhalve een verbetering van het leefklimaat tot gevolg. Dit geldt ook voor andere woningen in de omgeving, zoals blijkt uit bijlage 5b.

1 maart 2021

 31

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

Volgens de “Verordening geurhinder en veehouderij” van de gemeente Reusel-De Mierden is het plangebied gelegen in een kernrandzone. Ter plaatse mag de achtergrondbelasting dus maximaal 14 ou bedragen. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots aan de gestelde eis wordt voldaan en dat het oprichten van een nieuwe woning en de boerderijsplitsing volgens de geurgebiedsvisie zijn toegestaan. 5.2.3 Toetsing voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. In de Wgv is bepaald dat in een concentratiegebied een maximale voorgrondbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) geldt binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden) dienen vaste afstanden aangehouden te worden.

De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien de woning buiten de bebouwde kom gelegen is, 50 meter te bedragen. De Wgv biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Reusel-De Mierden naast de geurgebiedsvisie (zie paragraaf 5.2.1) de “Verordening geurhinder en veehouderij” vastgesteld. Volgens deze verordening is het plangebied gelegen in een kernrandzone, waar een norm van 5,0 ouE/m³ is vastgesteld. De vaste afstand bedraagt 50 meter of meer, afhankelijk van de omvang van de veehouderij. Op de projectlocatie aan de Kuilenrode 8 vindt momenteel een geuruitstoot plaats van 13.321,20 ouE/s. Deze intensieve veehouderij wordt in het kader van de beoogde ontwikkeling gesaneerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn een aantal (intensieve) veehouderijbedrijven gelegen. Dit betreft de bedrijven aan de Poppelsedijk 5 en 11 en de Koestraat 6 (zie figuur 5.1 op de volgende pagina). De beoogde woningen mogen geen belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven.

32 

1 maart 2021

Figuur 5.1 Veehouderijbedrijven in de omgeving (bron: www.brabant.nl)

De intensieve veehouderij aan de Koestraat 6, gelegen ten noordoosten van het plangebied, is gezien de grootte van het bedrijf en de afstand tot het plangebied de dominante veehouderij. Volgens de vigerende vergunning Wet milieubeheer van 20 april 2005 mogen op dit bedrijf 73 kraamzeugen, 251 guste en dragende zeugen, 1.148 gespeende biggen, 2 dekberen en 201 vleesvarkens gehouden worden. Om de voorgrondbelasting van deze veehouderij op de locatie van de nieuw op te richten woningen te bepalen, is een indicatieve voorgrondberekening uitgevoerd vanuit het middelpunt van de veehouderij (zie bijlage 5a). Uit deze berekening blijkt dat de voorgrondbelasting op de te splitsen woning maximaal 2,8 ouE/m³ bedraagt. Op de noordoostelijke grens van het perceel, waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd, is de voorgrondbelasting maximaal 2,2 ouE/m³. Ter plaatse is conform de gemeentelijke verordening een voorgrondbelasting van 5,0 ouE/m³ toegestaan. De gewenste ontwikkeling is in het kader van de voorgrondbelasting dan ook geen bezwaar. Bovendien wordt de veehouderij reeds belemmerd in haar ontwikkelingsmogelijkheden door de woningen gelegen aan de Koestraat 4, 5 en 7 Na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan is de veehouderij aan de Koestraat 6 beëindigd, de omgevingsvergunning voor het houden van dieren is geheel ingetrokken op 16 juli 2020.

Hiermee is het voorgaande achterhaald, hetgeen betekent dat het woon- en leefklimaat nog verder is verbeterd.

1 maart 2021

 33

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

Op het bedrijf aan de Poppelsedijk 5 worden 900 vleesvarkens gehouden (conform de vigerende vergunning Wet milieubeheer van 19 december 2006). Aangezien tussen de veehouderij en de Poppelsedijk 5 en het perceel Kuilenrode 8 diverse burgerwoningen gelegen zijn, is voor deze veehouderij geen berekening uitgevoerd. Deze woningen vormen namelijk reeds een belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij aan de Poppelsedijk 5. Het nieuwe geurgevoelige object in het plangebied komt niet dichter bij de veehouderij te staan. Op de Poppelsedijk 1 worden nog 4 paarden gehouden. De vaste afstand dient in dit geval minimaal 50 meter te bedragen. Het plangebied is op een grotere afstand dan 50 meter van het bedrijf aan de Poppelsedijk 1 gelegen. Na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan is de veehouderij aan de Poppelsedijk 5 beëindigd, de omgevingsvergunning voor het houden van dieren is geheel ingetrokken op 14 mei 2020. Ook het bedrijf aan de Poppelsedijk 1 is beeindigd, hiervoor is een Melding ingediend op 26 november 2019. Hiermee is het voorgaande omtrent de toetsing van geur van deze bedrijven in de loop der tijd achterhaald, hetgeen betekent dat het woon- en leefklimaat nog verder is verbeterd.

De normen, die voortvloeien uit wetgeving op het gebied van geurhinder van veehouderijen, dienen dus in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een omgevingsvergunning kan worden verleend. Deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden zijn echter ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij (zie paragraaf 5.2.1). Deze zogenaamde ‘omgekeerde werking’ heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals bestemmingsplannen. Het plangebied is gelegen in een kernrandzone. In de geurgebiedsvisie is bij de oprichting van nieuwe geurgevoelige objecten een streefwaarde van 7 odeur units voor wat betreft de voorgrondbelasting aangegeven. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots aan de gestelde eis wordt voldaan en dat het oprichten van een nieuwe woning en de boerderijsplitsing volgens de geurgebiedsvisie zijn toegestaan. 5.2.4 Toetsing vaste afstanden en woon- en leefklimaat Er liggen binnen een afstand van 200 meter rondom het plangebied geen bedrijven meer waar dieren worden gehouden, waarvoor geen emissiefactoren bekend zijn. Aangezien aan de genoemde afstanden wordt voldaan, wordt het oprichten van een nieuw geurgevoelig object toegestaan. 5.3

GELUIDSHINDER

Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) moet de geluidbelasting vanwege een weg worden bepaald door middel van een akoestisch onderzoek. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidsbelasting over 10 jaar, maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Het resultaat van dit onderzoek, betrekking hebbende op de verkeersintensiteit en het wegdek van alle wegen met een geluidszone die strekt over het plangebied, wordt getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Secundair wordt op basis van de uitkomst van het akoestisch onderzoek bepaald of kan worden voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor een nieuw te bouwen woning in buitenstedelijk gebied en welke vereiste bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is door G&O consult een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De onderzoeksrapportage met rapportnummer 2760ao21618 (d.d. 10 januari 2019 is als bijlage 6 bijgevoegd. Navolgend zijn de conclusies uit de betreffende rapportage samengevat opgenomen. 34 

1 maart 2021

Ter plaatse van de te splitsen woonboerderij wordt er voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte kavel is er een overschrijding ten aanzien van de voorkeursgrenswaarde. De gevelbelasting voldoet wel aan de grenswaarde voor nieuw op te richten woningen in het buitengebied. Derhalve dient er voor deze woning een hogere waarde aangevraagd te worden. Binnen het Bouwbesluit is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Tevens wordt in het Bouwbesluit vermeld dat de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) voor bestaande woningen ten minste 20 dB bedraagt en voor een nieuwbouwwoningen ten minste 25 dB. Ter plaatse van de nieuwbouwwoning bedraagt de geluidbelasting inclusief aftrek van artikel 110 g ten hoogste 49 dB. Met de huidige bouwstijlen wordt een gevelwering bereikt van 25 tot 30 dB. Wanneer uit wordt gegaan van 25 dB dan wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Het bevoegd gezag zal uiteindelijk beslissen of een gevelweringsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf in de tuin dan wel terras kan verondersteld worden een overwegend goede geluidskwaliteit heerst. Enkel aan de voorzijde (noordwestzijde) van de woningen heerst er een matige geluidskwaliteit.

Deze buitenruimte zal niet intensief gebruikt worden. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Alvorens het bestemmingsplan kan worden vastgesteld dient voor de nieuwe woonbestemming (kavel C) ingevolge artikel 83 Wgh een hogere waarde worden vastgesteld van 51 dB. Om deze hogere waarde te kunnen verlenen moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan of moet worden aangetoond dat maatregelen om de geluidbelasting te reduceren niet doelmatig zijn. ( o.a. art. 77 Wgh). Maatregelen die de geluidsbelasting kunnen terugdringen zijn: een geluidsscherm een geluidswal stiller wegdek verplaatsing van de weg verplaatsing van de woning Het plaatsen van een geluidswal of geluidsscherm en verplaatsing van de woning is stedenbouwkundige niet wenselijk. Daarnaast hebben een geluidswal of geluidsscherm een negatie effect op de ruimtelijke kwaliteit. Verplaatsing van de weg en het realiseren van een stiller wegdek is niet doelmatig gezien het financiële aspect. Het is niet realistisch dat het bouwplan de extra kosten voor het vervangen of verplaatsen van het wegdek kan dragen. Daarnaast is het verplaatsen stedenbouwkundig niet mogelijk. Voor onderhavig locatie zijn de verschillende maatregelen niet doelmatig om de geluidsbelasting te reduceren.

Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere grenswaarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

5.4

BODEM

De bodem ter plaatse van het bedrijf is opgebouwd uit zandgrond. Ten behoeve van de nieuwbouw zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden. De grond die hierbij vrijkomt, wordt elders op het perceel gebruikt om hoogte verschillen te vereffenen. Aangezien sprake is van zandgrond, is het uitvoeren 1 maart 2021

 35

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

van sonderingen waarschijnlijk niet nodig. Voor de omgevingsvergunning wordt het plan nader constructief onderbouwd. In februari 2016 is ter plaatse van de locatie Kuilenrode 8 door Klijn bodemonderzoek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage behorende tot dit onderzoek d.d. 29 februari 2016 met rapportnummer 16KL036 is als bijlage 7 bijgevoegd. Navolgend zijn de conclusie en aanbevelingen van dit onderzoek weergegeven. In het uitgevoerde bodemonderzoek is door middel van de bemonstering en analyse van grond en grondwater de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie is het volgende beeld verkregen:  Zintuiglijk is ter plaatse van boring 9 in de bovengrond een matige bijmenging met baksteen waargenomen;  Op basis van de historie van het perceel en het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat onderhavige locatie als een niet verdachte locatie voor de aanwezigheid van asbest kan worden beschouwd.

Deze conclusie wordt bevestigd doordat tijdens de boorwerkzaamheden op of in de bodem op basis van zintuiglijke waarnemingen geen asbestverdacht materiaal is geconstateerd;  Analytisch is in de bovengrond een licht verhoogd gehalte aan PAK geconstateerd;  Analytisch zijn in de ondergrond geen verhoogde gehalten geconstateerd;  Analytisch is in het grondwater een licht verhoogd gehalte aan barium geconstateerd. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘niet verdachte locatie’, formeel gezien niet juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetroffen. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen onder het ‘criterium voor nader onderzoek’ en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie, noch voor een eventuele toekomstige afgifte van een omgevingsvergunning in het kader van woon- en/of werkfuncties. Voor de volledigheid kan nog worden vermeld dat de bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond naar verwachting zonder beperkingen op het perceel kan worden toegepast.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een indicatieve toetsing aan de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit betreft; het onderzoek is immers niet uitgevoerd conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. Hoewel de positie van de beoogde ruimte voor ruimte woning op kavel C is gewijzigd na het uitvoeren van het onderzoek is het plangebied van het onderzoek voldoende ruim aangehouden om ook de huidige gewijzigde positie van de woning vrij te kunnen geven. Zie onderstaande figuur:

36 

1 maart 2021

Figuur 5-2 Uitsnede boorplan bodemonderzoek Klijn bodemonderzoek (bijlage 7 bij de toelichting)

5.5

LUCHTKWALITEIT

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Staatsblad 2007, 414). Met name hoofdstuk 5, titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit, staat de nieuwe titel 2 bekend als de Wet luchtkwaliteit. Deze wet is op 15 november 2007 (Staatsblad 2007, 434) in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht bevindt. Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwaliteit in Nederland. Deze gegevens dateren uit 2017. De concentratie fijn stof (PM10) in de omgeving van Hooge mierde is circa 17,8 μg per m3. Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40 μg/m3 bedragen.

Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen” wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term NIBM. De regeling geeft een harde 1 maart 2021

 37

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien het plan slechts de bouw van een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning en een splitsing van de bedrijfswoning mogelijk maakt, in samenhang met de sanering van een intensieve veehouderijlocatie, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. Door de sanering van de intensieve veehouderij zal de luchtkwaliteit ter plaatse zelfs verbeteren, aangezien een fijn stofemissie van ruim 112 kg per jaar verdwijnt.

38 

1 maart 2021

5.6

EXTERNE VEILIGHEID

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten. 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype.

De relevante typen zijn:  Bedrijven;  Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);  Hoogspanningslijnen;  Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Het plangebied is op de risicokaart niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid of in de nabijheid daarvan. Figuur 5-3 geeft een uitsnede van de risicokaart weer. Het plangebied is blauw omcirkeld.

Figuur 5-3 Uitsnede risicokaart (5-12-2018) omgeving Hooge Mierde (O=plangebied) 1 maart 2021

 39

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

5.6.1 Bedrijven In het buurtschap Kuilenrode liggen geen inrichting die een risico kunnen vormen voor de veiligheid. Er zijn geen opslagplaatsen van propaan, benzinestations enz. in de directe omgeving. 5.6.2 Transport Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente, waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden, zijn de provinciale wegen N269 en N284. Het plan ligt op een zodanige afstand van deze wegen dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Op het grondgebied van de gemeente Reusel-De Mierden bevindt zich geen spoortracé. Bovendien zijn er binnen de gemeente geen vaarwegen gelegen. Beide aspecten zijn niet van toepassing. 5.6.3 Hoogspanningslijnen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen en kan dus ook geen interactie plaatshebben. 5.6.4 Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen) Er bevinden zich in de gemeente Reusel-De Mierden geen buisleidingen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Ten noordwesten van de gemeentegrens loopt een buisleiding over de grensovergang bij Poppel. Het plan ligt op zodanige afstand van deze buisleiding dat beïnvloeding niet plaats zal vinden. 5.7

ECOLOGIE

Bij ruimtelijke ingrepen, zoals nieuwbouw, dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De gebiedsbescherming omvat drie gradaties van gebieden: Natura 2000 gebieden, nationale gebieden en provinciaal beschermde natuurgebied. Soortenbescherming en gebiedsbescherming is beide geborgd in de Wet natuurbescherming. 5.7.1 Gebiedsbescherming Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Er zijn diverse beschermingsniveaus voor natuurgebieden. De meest kwetsbare gebieden zijn beschermd in het kader van Natura 2000, nationale en provinciale natuurgebieden worden beschermd in het kader het Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant. Daarnaast zijn er nog zoekgebieden voor de realisatie van verbindingszones en versterking van bestaande gebieden. In deze paragraaf onderzoek we of dit plan effect heeft op de gebiedsbescherming van deze gebieden. Met name wordt onderzocht of de locatie niet in of nabij een beschermd gebied is gelegen.

40 

1 maart 2021

Natura 2000 Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Voor wat betreft de soortenbescherming zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd in de Flora- en fauna wet. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Binnen de gemeente Reusel-De Mierden komen geen gebieden voor die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Wel is ten noorden van Lage Mierde het Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ gelegen. Figuur 5-3 geeft de ligging van het plangebied (blauw omcirkeld) ten opzichte van dit gebied weer. Een uitloper van dit gebied is gelegen op een afstand van circa 770 meter ten oosten van het plangebied. Het meest dichtbij gelegen Natura 2000 gebied in België is gelegen op 3,6 kilometer.

KempenlandWest

770 meter

3,6 kilometer

Figuur 5.3 Ligging plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000 gebieden (Aerius) (O=plangebied)

Omdat het plangebied op meer dan 500 meter vanaf Natura 2000 gebieden is gelegen kunnen significante effecten van bouw- en sloopwerkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden bij voorbaat worden uitgesloten. De huidige bedrijfsvoering heeft wel invloed op de Natura 2000 gebieden door de uitstoot van ammoniak. In de huidige situatie is er sprake van een jaarlijkse emissie van ammoniak van 1.881,20 kg NH3 (48 kraamzeugen, 72 guste/dragende zeugen, 784 gespeende biggen, 90 vleesvarkens, 48 opfokzeugen en 2 dekberen). Deze emissie van ammoniak veroorzaakt een bepaalde depositie in de omgeving van het bedrijf. Door de sanering van het veehouderijbedrijf verdwijnt de ammoniakuitstoot en neemt de depositie op het hiervoor genoemde Natura 2000 gebieden af. Dit heeft een positieve invloed op de biodiversiteit van natuurlijke ecosystemen en natuurwaarden in de omgeving van het plangebied. 1 maart 2021

 41

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Brabant omvat het Nationale Natuurnetwerk (voormalige Ecologische Hoofdstructuur) als door de provincie Noord-Brabant aangewezen natuurgebieden. Deze gebieden worden beschermd in het kader van de Provinciale Verordening Ruimte en middels de zogenaamde Stikstofverordening. In onderstaande uitsnede van de themakaart Natuur en landschap van de provinciale verordening is te zien dat de locatie niet is gelegen in het Natuurnetwerk Brabant. Het meest dichtbij gelegen gebied dat is opgenomen in dit netwerk is de beek De Reusel aan de Westzijde van het plangebied. Dit gebied is aangewezen voor het behoud en herstel van het watersysteem. Ook ten noorden van het plangebied liggen enkele attentiegebieden in het kader van het Natuurnetwerk Brabant. Deze gebieden (met de blauwe horizontale streep arcering) dienen beschermd te worden voor ontwikkelingen die een negatieve invloed kunnen hebben op de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Dit initiatief bestaat uit de sanering van een varkenshouderij buiten het Natuurnetwerk Brabant en omliggende beschermingsgebieden zoals het attentiegebied. Het plangebied is ook niet aangewezen als beoogde ecologische verbindingszone. De Nationaal en provinciaal beschermde natuurgebieden worden dan ook niet negatief beïnvloed door deze ontwikkeling.

De afname van ammoniakemissie van dit bedrijf komt ook deze gebieden ten goede.

Figuur 5-4 Uitsnede themakaart natuur- en landschap verordening ruimte 2014 (o=plangebied)

5.7.2 Soortenbescherming Soortenbescherming wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt inheemse dier- en plantensoorten waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende bescherming categorieën. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De provincie is hierbij het bevoegde gezag, indien noodzakelijk kan de gemeente bij de provincie een ontheffing aanvragen.

42 

1 maart 2021

Door Bureau van Nierop is op een veldbezoek gepleegd op 29 januari 2018 waarin eventuele effecten op soorten heeft beoordeeld en heeft getoetst of het noodzakelijk is om een ontheffing aan te vragen. De bevindingen zijn opgenomen in een natuurtoets zoals bijgevoegd in de bijlage 8a bij deze toelichting. De ecoloog trekt de volgende conclusies in hoofdstuk 7 van het rapport: Indien de voorgenomen ontwikkelingen worden uitgevoerd kan niet worden uitgesloten dat de verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden. Hiervoor moet inzicht worden verkregen in: De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in een van de gebouwen. Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid: zomerverblijfplaatsen- paarverblijfplaatsen en mogelijk kraamverblijfplaatsen; De aanwezigheid van broedgevallen van huismussen in een van de te slopen gebouwen. Indien deze aanwezig zijn moet inzichtelijk worden gemaakt wat de gevolgen zijn voor de lokale populatie. Aangezien verblijfplaatsen van vleermuizen niet bij voorbaat uitgesloten konden worden en er ook broedgevallen van huismussen waren in de te slopen gebouwen is aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is afgerond op 27 september 2018 met een rapportage die ook is opgenomen in bijlage 8b.

Ten aanzien van vleermuizen zijn een reeks van veldbezoeken afgelegd: In de periode april – juni 2018 zijn twee veldbezoeken uitgevoerd naar zomer- en kraamverblijfplaatsen. Vervolgens zijn in de periode juni – juli nog twee veldbezoeken uitgevoerd naar zomer- en kraamverblijfplaatsen. In de periode augustus – september zijn twee veldbezoeken uitgevoerd naar tijdelijke- en paarverblijfplaatsen. Ten aanzien van de jaarrond beschermde soorten zijn aanvullend een reeks van veldbezoeken afgelegd: In de periode april – juni zijn twee bezoekronden uitgevoerd naar huismussen, hierbij is gekeken naar zingende dieren. In de periode juni – juli zijn in totaal 3 veldbezoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van gierzwaluwen. Hierbij is gekeken naar in- en of uitvliegende dieren. Naar aanleiding van deze extra veldbezoeken concludeert het onderzoeksbureau: “De voorgenomen maatregelen kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet Natuurbescherming. Bij het verwijderen van groenelementen en grootschalige werkzaamheden in de tuin moet rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit is geen wettelijk periode maar globaal kan hiervoor 15 maart tot en met 15 juli worden aangehouden”. Hiermee valt samenvattend te concluderen dat de effecten op beschermde natuurgebieden als soorten voldoende is onderzocht.

Significant negatieve effecten zijn uitgesloten dan wel te voorkomen en staan niet in de weg voor het realiseren van het voornemen.

1 maart 2021

 43

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

5.8

WATER

5.8.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de oprichting van de woning binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. 5.8.2 Relevant beleid

KEUR Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Keur Waterschap De Dommel 2015” van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Figuur 5.5 geeft een beeld van de ligging van het plangebied op de Legger met omliggende oppervlaktewaterlichamen. Hieruit blijkt dat rondom de te slopen stallen en verharding geen A of B watergangen bevinden die hier invloed van ondervinden.

Figuur 5-5 Uitsnede Legger oppervlaktewaterlichamen Waterschap de Dommel (10-12-2018)

Het plangebied is niet aangewezen op de leggerkaart Waterberging of Waterkering als een te beschermen object.

44 

1 maart 2021

WATERBEHEERPLAN DE DOMMEL 2016‐2021, Waardevol water Het waterschap heeft in 2015 het “Waterbeheerplan De Dommel 2016-2021” vastgesteld en dit plan is sinds 1 januari 2016 van kracht. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheer Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal waterplan. Het nieuwe waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016-2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: 

De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen bieden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn.

5.8.3 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie Het plangebied is gelegen in een beekdallaagte en heeft een geschatte Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van 40 – 60 cm beneden maaiveld en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van 120 – 160 cm beneden maaiveld. De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit een zwarte enkeerdgrond met leemarm en zwak lemig fijn zand. 5.8.4 Hydrologisch neutraal bouwen De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de “Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

1 maart 2021

 45

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

Het plangebied omvat in de huidige situatie een verhard oppervlak van circa 3.000 m², bestaande uit diverse opstallen en erfverharding. Het hemelwater dat op de daken van de bebouwing neervalt, wordt via leidingen afgevoerd naar het lokale slotennetwerk langs de openbare weg Kuilenrode. Het hemelwater dat op de erfverhardingen neervalt, wordt via het vrije verval van de erfverharding naar de omliggende cultuurgronden afgevoerd. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt een groot deel van de bestaande bebouwing en de bijbehorende erfverharding gesaneerd. Het betreft circa 2.600 m² verhard oppervlak. Een oppervlakte van circa 300 m², behorende bij de huidige bedrijfswoning, wordt opnieuw verhard als gevolg van herbouw van de gesplitste boerderij met bijgebouwen en erfverharding. Ten zuidwesten van het huidige erf wordt een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning toegevoegd. De nieuwe woning, met bijgebouwen en erfverharding, heeft een verhard oppervlak van circa 400 m². In totaal resteert na de beoogde herontwikkeling ter plaatse een oppervlakte van circa 1.100 m² verhard oppervlak.

Op basis van artikel 15 van de “Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015” geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 2.000 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van de Keur en de “Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen” wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Om een extra hydrologische meerwaarde te creëren is er voor gekozen om de afvoer van het hemelwater ter plaatse van de nieuwe woning en de langsgevelboerderij niet via het lokale slotennetwerk plaats te laten vinden. Ter plaatse van het plangebied zal het hemelwater in de bodem worden geïnfiltreerd. Betreffende infiltratie vindt plaats via afstroming op de aangrenzende tuinen en het achtergelegen agrarisch gebied.

De afname van het totale verharde oppervlakte bedraagt circa 1.900 m². Op basis van deze afname kan worden geconcludeerd dat door de beoogde herontwikkeling een positief effect ontstaat ten aanzien van de hydrologische situatie ter plaatse. Het hemelwater van de nieuwe woningbouwkavels zal rechtstreeks afvloeien op de aangrenzende gronden. Het hemelwater van de daken van de woningen en bijgebouwen wordt via een PVC-leidingensysteem naar de achterzijde van de percelen geleid en zal ter plaatse uitstromen over het maaiveld. 5.8.5 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de bestaande riolering. Het hemelwater wordt afgekoppeld van het riool en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen, zoals kunststoffen, gecoat staal, gecoat zink of aluminium (in plaats van lood, asfalt, et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water.

Infiltratie van afgekoppelde verhardingen, zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen, mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 46 

1 maart 2021

5.9

ARCHEOLOGIE

5.9.1 Verdrag van Valletta In 1992 is in het Verdrag van Valetta door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. 5.9.2 Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

5.9.3 Archeologiebeleid gemeente Reusel-De Mierden De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. In navolgende figuur is een uitsnede van de archeologische beleidskaart weergeven. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Reusel-De Mierden ligt het plangebied in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting met esdek. Hiervoor geldt dat er bij plangebieden groter dan 2500 m² en geplande ingrepen dieper dan 50 cm – maaiveld archeologisch onderzoek moet plaatsvinden waarmee de archeologische waarde van het gebied vastgesteld kan worden. In het kader van beoogde herontwikkeling is door Bureau voor Archeologie een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage d.d. 24 maart 2016 is als bijlage 8a bij onderhavig bestemmingsplan gevoegd. Navolgend zijn de aanbevelingen uit deze rapportage weergegeven.

De onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord:  Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen? De sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van twee nieuwe woningen en een aantal bijgebouwen/schuren.  Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? De ondergrond bestaat uit terrasafzettingswelving met dekzand. In de bodem hebben zich enkeerdgronden ontwikkeld. Uit het booronderzoek blijkt dat in vijf van de zes boorprofielen een 1 maart 2021

 47

Buitengebied 2009, herziening Kuilenrode 8

antropogeen dek (plaggendek) aanwezig is. Het pakket is tussen 35 en 110 cm dik. In twee boorprofielen is in de top van onderliggende pakket een (restant van een) Bhorizont aanwezig.  Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De huidige bebouwing stamt uit de tweede helft van de 20e eeuw. Onder de schuren zijn kelders tot 1 of 2 meter – maaiveld aanwezig. Verondersteld wordt dat bij de bouw van de huidige bebouwing een bouwput is uitgegraven die reikt tot in de Chorizont. Uit het booronderzoek blijkt dat ter plaatse van het onbebouwde deel van het plangebied de bovenste 25 tot 55 cm is verstoord.  Zijn er (aanwijzingen voor) archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Er zijn geen directe aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. In vijf van de zes boorprofielen is een antropogeen dek aangetroffen. Hierdoor zullen eventueel aanwezige archeologische grondsporen goed zijn geconserveerd. Het is aannemelijk dat ter plaatse van de huidige bebouwing de mogelijke waarden zijn verstoord.

 Indien er (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen en zo ja, op welke wijze? Gebouw nr. 1 (woning) en nr. 3 (schuur/bijgebouw) komen ter plaatse van de huidige boerderij met aangebouwde stal en de schuur. Onder deze bebouwing bevinden zich diverse kelders die reiken tot onder het archeologische niveau en diepte van de toekomstige verstoring. Aangenomen wordt dat hier geen archeologische waarden meer in het geding komen omdat de bodem hier reeds tot in de C-horizont is verstoord. Ter plaatse van gebouwen nr. 2, 4 en 5 en de woning ter plaatse van kavel C kunnen potentiële archeologische waarden worden verstoord. Gebouwen nr. 2, 4 en 5 hebben een gezamenlijk oppervlak van ongeveer 120 m².  Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden? Geadviseerd wordt om ter plaatse van de nieuwbouw, die buiten de contouren van de huidige bebouwing zal worden gerealiseerd, een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, teneinde de aanof afwezigheid van archeologische waarden vast te stellen. Op het deel van het plangebied waar een intact antropogeen dek is aangetroffen en waar (voorlopig) geen nieuwbouw zal plaatsvinden, kan de dubbelbestemming archeologie worden gelegd. Het resterende deel kan worden vrijgegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=df24e833-bfaf-48b2-b7b4-a505a8db5639