CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[20.19430] - Bijlage 1 Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie Erfgoedkaart Reusel-De Mierden

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel erfgoedbeleid Reusel-De Mierden36.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

59

Thema: 17 Gehuchten Dit deel van Brabant is vanouds een gehuchtenland, met gemiddeld een dozijn gehuchten en één dorpskom per oorspronkelijke gemeente. Het begrip “gehucht” (buurtschap, herdgang) hoort specifiek bij het oude hoofdzakelijk agrarische landschap. Ieder gehucht beschikte over een groter of kleiner gebied met akkers, weiden, hooiland en in de Middeleeuwen een aandeel in de gemene gronden. Dit kan het gehuchttoebehoren genoemd worden. Gehuchten die vooral uit boerderijen bestonden vertoonden een vrij open structuur. Iedere boerderij stond immers op een betrekkelijk groot erf (typische maat: 1 hectare) en daardoor konden ze niet dicht opeen geschoven worden. Vaak is de onderlinge afstand nog veel groter en is de ligging bij eigen grond blijkbaar een belangrijke factor geweest. Een straat verbindt in veel gevallen de boerderijen. In andere gevallen stonden de boerderijen met hun "voordeur" op de rand van een akkergebied (krans-akkerdorp) of op de rand van een stuk gemeenschappelijk gebruikte grond (krans-aard-dorp). Bij deze twee laatste vormen vinden we de boerderijen alle aan dezelfde kant van de straat, maar tevens waren ze verdeeld over meerdere gehuchten. In bijzondere topografische omstandigheden kan op deze wijze een driehoekige ruimte tussen boerderijen ontstaan zijn.

Dat zijn geen "Frankische driehoeken", maar in de late Middeleeuwen of daarna gevormde pleinen, die qua genese verwant zijn aan de wegenwaaiers aan de rand van het cultuurland. Waar er dichte bebouwing optreedt, hebben we niet met boeren te maken. Het kan gaan om landarbeiders of wevers, maar ook (vooral in de dorpskommen) om renteniers, winkeliers, notabelen etc. Niet alle gehuchten dateren uit de hoge of late Middeleeuwen. Naarmate de ontginningen voortgingen, ontstonden er ook nieuwe nederzettingen. Door het opschuiven van de heiderand kwamen ooit op die rand gelegen gehuchten midden in het boerenland te liggen en kwam er ruimte voor een nieuwe rij: "Heikant" is dan een typische benaming. Elders werd op vrij chaotische wijze een stuk heide ingenomen en bebouwd: de heidekrakers. In het bestaande cultuurland ontstonden nieuwe gehuchten door de splitsing van oude boerderijen, door het aankoeken bij een herberg of door het op een strookje langs de weg huisvesten van landarbeiders. Op de erfgoedkaart worden twee referentieperiodes gebruikt bij het thema gehuchten en dorpen, namelijk de periode 1830 en 1900-1930. De situatie op basis van de kaart van 1832 wordt als onderlegger gebruikt voor de verwachtingswaarde hoog – historische kern. Als eerste meetmoment wordt 1832 (opname kadaster) aangehouden. De bewoonde erven van 1832 dienen als basis voor de gehucht-identiticatie.

De situatie van 1900-1930 is de tweede referentie waarbij de bewoning nader wordt getypeerd. Bij ieder bewoond erf is aangegeven tot welk gehucht en tot welke gemeente het behoorde. De in 1832 bewoonde erven kunnen archeologisch interessant zijn. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat, als het bedrijf tot in de twintigste eeuw voortgezet werd, op het erf naast puin ook bodemverontreiniging wordt aangetroffen. De gehuchten worden als volgt getypeerd: groot dorp: meer dan 50 nederzettingseenheden (NZE), brede verzorgende functie, veel functies meervoudig aanwezig. klein dorp: meer dan 25 NZE, verzorgende functies enkelvoudig aanwezig groot gehucht: meer dan 25 NZE, geen verzorgende functie buiten een enkele herberg klein gehucht: 10-25 NZE huizengroep: 3-9 NZE. verspreide bewoning aan straat: Van belang is dat de "verspreide bewoning aan straat" in veel gevallen de gedaante is waarin oude, niet erg uitgegroeide, agrarische gehuchten in de vroege negentiende eeuw nog voortbestonden compact aan straat: enkele verdichtingen in de verspreide bewoning, meestal aan een weg. verspreid: soms erg eenzaam gelegen losse NZE, bijv. boswachter, veerhuis, paardenwisselstation.

60

Bij het typeren van gehuchten is het van belang op welk moment we de situatie beoordelen. Een gebied met verspreide bewoning in 1832 kan tegen 1900 enkele gehuchten bevatten, een groep boerderijen die in 1832 als “verspreid langs straat” (verder dan 100 meter uit elkaar dus) getypeerd wordt, kan doordat er huizen en boerderijen tussengevoegd zijn, in 1900 of 1930 als klein of zelfs groot gehucht (onderlinge afstanden minder dan 100 m) getypeerd moeten worden. Het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e eeuw staan te boek als een periode waarin in Nederland grote veranderingen plaatsvonden. Deze ontwikkelingen, dikwijls aangeduid als ‘modernisering’, behelsden vooral in Zuid-Nederland een sterke economische en demografische groei. Door de daling van de sterftecijfers groeide de bevolking van Nederland in dit tijdvak zeer sterk.65 Vooral in het katholieke Brabant groeide de bevolking explosief. De huisnijverheid bood soelaas voor deze enorme bevolkingsaanwas. Aan het begin van de 20 e eeuw was er vooral sprake van huisindustrie (leer, schoenen, sigaren, klompen et cetera). Uit de huisindustrie ontstonden in de loop van de 20e eeuw grootschalige industriële activiteiten. In de Kempen vonden echter geen grootschalige industriële activiteiten plaats.

Met uitzondering van Reusel, Eersel, Valkenswaard, Bergeijk en Middelbeers namen de dorpen en gehuchten dan ook niet of nauwelijks in omvang toe. Op basis van het historisch kaartmateriaal (zie erfgoedkaarten: http://atlas.sremilieudienst.nl/Archeologie/) lijken de gebieden rondom de Kempen, waar wel grootschalige industriële activiteiten plaatsvonden, de bevolkingsaanwas binnen de Kempen te hebben opgevangen. In de historische literatuur wordt vaak gesteld dat de perifere Kempense gemeenschappen als laatste van de dorpen in Nederland sociale en culturele veranderingen hebben ondergaan, zo ongeveer toen de 20e eeuw al een eind gevorderd was. Hoewel het beeld van de Kempen als ’reservaat’ door dr. P. Meurkens in belangrijke mate is bijgesteld van een statische samenleving naar een samenleving die op vele gebieden in beweging was, concludeert Meurkens dat de diepgaande maatschappelijke veranderingen in de tweede helft van de 19 e eeuw nog weinig invloed hadden op het fysieke aanzien van de gemeenschappen. Rond 1900 was er slechts een geringe bevolkingsaanwas, bestaansbronnen kenden alleen marginale wijzingen en de natuurlijke omgeving behield dezelfde kenmerken.66 Bij de cultuurhistorische inventarisatie die ten grondslag ligt aan de erfgoedkaarten is het juist te doen om het fysieke aanzien van de dorpen en het omringende landschap.

Vandaar dat de periode rond 1900 hier als ijkpunt is gekozen. De snelle en diepgaande culturele en maatschappelijke veranderingen in de tweede helft van de 19e eeuw zijn dan nog niet gekristalliseerd. Aan de hand van het fysieke aanzien van de dorpen rond 1930 (derde referentieperiode bij de erfgoedkaarten) wordt op treffende wijze zichtbaar welke dorpen in de Kempen door de ‘ondergrondse’ maatschappelijke en sociale dynamiek sterk van gedaante zijn veranderd. Op basis van het historisch kaartmateriaal (zie erfgoedkaarten) gaat het om Reusel, Eersel, Bergeijk, Middelbeers en Valkenswaard. 67 Nederzettingsstructuur Reusel Reusel is voor een groot deel een tiendakkerdorp.68 De kerk stond centraal tussen de ver afgelegen gehuchten. Voor de ontwikkeling van Reusel is het klooster van Postel zeer belangrijk geweest. De witheren van Postel hadden Reusel in de 12e eeuw voor 5/6 deel in handen. Door hen werden pachtboerderijen gesticht. Rondom deze boerderijen ontstonden vanaf 1200 de Reuselse gehuchten. Na de Vrede van Munster en jaren van procederen wordt de band tussen Postel en Reusel uiteindelijk verbroken. Vanaf dat moment verkeert Reusel in een moeilijke situatie en is de armoede groot. Hier komt vanaf de 19e eeuw verandering in. Door toedoen van pastoor van der Wee maakt Reusel een enorme ontwikkeling door.

Hij zorgde ervoor dat er een zusterklooster, een fraterklooster inclusief weeshuizen en een nieuwe kerk kwam. De zusters en fraters brachten in Reusel veel verbeteringen tot stand op het gebied van lager en middelbaar onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, ouderenzorg, oprichting van verenigingen en deelname aan maatschappelijke organisaties en dorpsactiviteiten. Eind 19e eeuw zorgde een tramverbinding voor ontsluiting van Reusel en kunstmest 65

Blom en Lambert, 2006, 327-328. Meurkens, 1985, 4. 67 Indien er aanwijzingen zijn dat ook andere dorpen op dezelfde dynamische wijze zijn veranderd, door bijvoorbeeld sterke bevolkingswaanwas, groei van de dorpen en industrie, staan wij open voor suggesties. 68 Kolman e.a., 1997, 238, 242 en 282-283. 61 66

voor de ontwikkeling van de agrarische sector. Bovendien kwam de industrie op, met name de sigarenindustrie. In de jaren ’20 en ’30 van de 20e eeuw wordt begonnen met het ontginnen van de heidevelden. Al deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat de gehuchten die eens rondom de pachtboerderijen waren ontstaan naar elkaar toe groeien. 17.1 Groot dorp [Niet] 17.2. Klein dorp Meer dan 25 nederzettingseenheden, verzorgende functies enkelvoudig aanwezig Hooge Mierde: 7.17.2.001 Kerkstraat In 1830 een straat met daarlangs met behoorlijke afstanden 10 boerderijen. Deze Kerkstraat loopt noordwestwaarts naar de kerk van Hooge Mierde en buigt dan naar het westen. Aan dat stuk nog 15 boerderijen en de schuurkerk. De oude parochiekerk staat wat afzijdig in de akker, met de school er naast. Uit deze nederzetting is het moderne dorp Hooge Mierde gegroeid dat het centrum bij het Myrthaplein heeft en een flinke woonwijk achter de kerk op de akker.69 Deze kern is wat langer een statisch geheel gebleven. Het kende weinig of geen burgers of notabelen, behalve de onderwijzer en de pastoor. Hierdoor heeft het langer geduurd voordat er van enige burgerwoningen sprake was. De eerste golf van modernisering werd doorgevoerd, evenals in Lage Mierde, met komst van de Boerenleenbank. De ontwikkeling liep parallel aan die van Lage Mierde. De eerste “uitbreiding” onstond in de huidige St. Cornelisstraat.

Daar werden na de Eerste Wereldoorlog de eerste burgerwoningen gebouwd. Wel was er in het midden van de 19 e eeuw ter hoogte van St. Cornelisstraat 14 een molen opgericht en aan het einde van de 19 e eeuw een molenhuis (nu nummer 12). In de jaren ’30 onstonden verspreid in het dorp “sigarenmakerswoningen”. Dit waren vrijstaande huizen, meestal met een “franse kap”, gebouwd door sigarenmakers. Zij waren de eerste inwoners met een vast inkomen en konden hierdoor in aanmerking komen voor een hypotheek van de Boerenleenbank. Voorbeelden hiervan staan aan de Smidsstraat 8, de Gagel 3 en Hoogstraat 5 en 7. Aan de huidige Gagel ontstonden de eerste ontginningen in deze periode. Het werd een mengeling van boerderijen (nummers 16 en 18) en burgerwoningen (nummers 6 en 12). De ontwikkelingen daarna lopen parallel aan Lage Mierde. De “Franken-Baard” woningen werden vooral gebouwd in de Kerkstraat. Goede voorbeelden zijn de nummers 11, 13 en 15. De verplaatste boerderijen tijdens de ruilverkaveling gingen naar de Luther en de Haarweg. Vanaf de jaren ’70 onstaat de “nieuwbouwwijk achter de Kerk” zoals het in de volksmond genoemd wordt. De eerste woningen worden in Het Leen gebouwd en van daaruit verder uitgebreid naar de Averbodelaan, Kerkakkers enz. Door de eerste nieuwbouw in de St.

Cornelisstraat is het dorpscentrum verschoven van de Smidsstraat-Kerkstraat-Hoogstraat naar het huidige Myrthaplein. Afbeeldingen: - Foto van dorpskern oude en nieuwe gedeelte tussen p. 10 en 11 van De Mens Leeft niet van Brood Alleen. Lage Mierde: 7.17.2.002 Lage Mierde Lage Mierde is in 1830 een vrij compact klein dorp met kerk, school, pastorie en dorpshuis langs de centrale Dorpsstraat, alles bijelkaar misschien 25 eenheden. Het dorp Lage Mierde kende tot het einde van de 19e eeuw een vrij statisch huizenbestand. In tegenstelling tot de de twee andere kernen, Hooge Mierde en Hulsel, was er echter wel het raadhuis

69

Veldhoven en Rovers-Swaanen, 2008, 13. 62

(later gemeentehuis) gevestigd. Ook was er een onevenredig groot aantal “commiezen” (douanebeambten) gehuisvest, dit vanaf het midden van 19e eeuw.

Afbeelding: Dorpsgezicht te Lage Mierde70 De eerste uitbreiding, zeg maar “nieuwbouwwijk” ontstond rond 1900. De bouw van Sigarenfabriek Jamayca aan de huidige Draaiboom 1 – 7 en het huis van burgemeester Goudsmits aan de huidige Hoogemierdseweg 7 zijn de eerste aanzetten geweest. Tot aan het midden van de 20e eeuw werden de Draaiboom en de Hoogemierdseweg geleidelijk aan bebouwd. Grotendeels met burgerwoningen. Enkel de boerderij van de Familie Hellegers aan de Hoogemierdseweg 9 en de maalderij van de Familie Huybregts aan de Hoogemierdseweg 10 vormen hierop een uitzondering. Mocht er al vernieuwing plaatsvinden, dan was het meestal vervanging van oude panden, die werden aangepast aan de eisen van nieuwe tijd. De tweede uitbreidingsgolf kwam direct na de tweede wereldoorlog met het fenomeem “gemeentewoningen”. Dit waren twee-onder-een kap woningen, speciaal gebouwd voor mensen die niet meer werkzaam waren in de landbouw, maar bv. sigarenmaker of textielarbeider waren geworden. Voorbeelden in Lage Mierde zijn de woningen aan de Kloosterstraat 32 en 34. In de jaren 1950 ontstonden de roemruchte “Franken-Baard” woningen. Dit waren burgerwoningen, meestal vrijstaande koopwoningen, naar een ontwerp van Architekt Franken uit (ik meen) Bergeijk. Een voorbeeld van deze woningen vinden we aan de Draaiboom 14. Vanaf de periode 1960 verandert alles.

De boeren verkopen hun boerderijen in de dorpskernen en kunnen door de uitvoering van de ruilverkaveling in de voormalige heidegebieden een nieuwe moderne boerderij bouwen. Voorbeelden hiervan vindt men aan de Meirweg en de Beekakkersweg. De Kloosterstraat (voorheen de Akkerstraat) wordt helemaal volgebouwd. De nieuwbouwwijken aan de Richelpad, Seradellehof, Spelthof en Boekwijthof ontstaan. Vanaf de jaren 1970 ontstaan de nieuwbouwwijken aan de Pelsakker enz. en worden de bejaardenwoningen aan de Berkenhof gebouwd. Hulsel: 70

Brabant Collectie, Universiteit van Tilburg 63

7.17.2.003 Hulsel Hulsel is een klein dorp met lintbebouwing, bestaande uit kerk, pastorie, school en een twintigtal boerderijen en huizen. Dit dorpje is het langst zonder echte uitbreiding gebleven. Burgerwoningen werden er niet of nauwelijks gebouwd. Meestal vernieuwde men bestaande boerderijen. Tussen 1900 en 1930 bouwden enkele boeren nieuwe boerderijen aan de huidige Bladelsedijk. Door een bombardement op het einde van de tweede wereldoorlog is er de eerste “cluster” aan nieuwbouw van burgerwoningen tot stand gekomen ter hoogte van de huidige Willibrordlaan 40, 42 en 44. Aan het Vooreind 14 en 16 en Willibrordlaan 2 en 4 ontstonden de eerste “gemeentewoningen” vlak na de oorlog. Het voormalige Hegeind, nu Vooreind, heeft in de eerste helft van de 20 e eeuw een wegverlegging ondergaan, waardoor er een soort “uitstulping” van bebouwing is ontstaan ter hoogte van Vooreind 5 en 9. Pas met de komst van de ruilverkaveling kwam er nieuwbouw. In tegenstelling tot de andere twee kernen, kun je in Hulsel niet van echte ontginningen in de voormalige heide spreken. Er werden nieuwe woningen gebouwd aan de Hoef, maar dat waren burgerwoningen, geen boerderijen. Nieuwbouw ontstond “achter de Kerk” aan de St. Clemensdreef en in de jaren ’70 aan de van Wagenbergstraat. Uitbreiding van boerderijen ontstond in deze periode aan de Molendijk.

Daar werden een aantal ontginningsboerderijen gebouwd. Uitzonderlijk is de bouw van een groot filiaal van de Boerenbond aan het Vooreind 16a als vervanging van ’t Stumke (het Stoompje, het voormalige “pakhuis”) wat gestaan heeft tot in de jaren ’60 aan de kruising Willibrordlaan-Kanten. Met de bouw van een nieuwe school annex gemeenschapshuis ’t Drieske heeft Hulsel in die periode een nieuwe dorpskern gekregen. De oude lag op de kruising Kerkweg-Willibrordlaan hoewel het dorp voornamelijk lintbebouwing heeft. Reusel: 7.17.2.004 Reusel Reusel-dorp was in 1830 een vrij dicht met ca 25 boerderijen en woningen bebouwde straat. De parochiekerk van Reusel stond echter 350 meter ten zuiden van de Dorpsstraat in de open akker, met daarbij slechts één huis. Het dorp Reusel vult een ruimte tussen enkele grote open akkergebieden. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen.

17.3. Groot gehucht Meer dan 25 nederzettingseenheden, geen verzorgende functie buiten een enkele herberg Lage Mierde: 7.17.3.001 Vloeieind Buurtschap van een 25tal boerderijen en een oliemolen, met driehoekige pleinen. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen. Vloeieind ligt in de ruimte tussen enkele oude akkers, waardoor die driehoeken ontstonden. Het dankt zijn naam waarschijnlijk aan de ligging tussen twee stromen.71 Het bebouwingsbeeld met overwegend langgevelboerderijen dateert met name uit de periode 1875-1950. De driehoekige pleinen zijn onverhard. Kenmerkend is verder de kassei- en klinkerbestrating. Aan de westzijde kent het buurtschap nog een zichtrelatie met een oude akker met een esdek. CHW. nr. GK-HS-07 / S272. Reusel: 7.17.3.002 Lensheuvel

71 Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant M.I.P. regio Kempenland, p. 21; Steen voor steen, p. 30-35 64

Lensheuvel is een groot gehucht (tegen de 50 eenheden, waaronder een pastorie) van het type baandorp-nederzetting aan een doorgaande weg.72 Het is een opmerkelijk gehucht in Reusel. Op ruggetje tussen de Reuselse Aa aan de oostkant en een natuurlijk dal aan de westkant ligt centraal een tweezijdig dicht bebouwde straat met lang plein met daarop poel. Aan de zuidkant loopt straat uit op een zandige wegenwaaier: kennelijk ooit de rand van de heide. In het westelijke dal een 1 km lange kaarsrechte en dus gegraven sloot. Waarschijnlijk betreft het hier een planmatig ingericht geheel uit de late middeleeuwen.

Afbeelding: Zicht op de Lensheuvel vanuit het noorden (november 2010). 17.4 Klein gehucht 10-25 nederzettingseenheden. Hooge Mierde: 7.17.4.001 Kuilenrode Culitsrode of Keldersooi. In 1830 een klein gehucht met een twintigtal boerderijen en een pastorie. De boerderijen liggen wat verspreid in een cluster bij de grote pachthoeve van Kuilenrode.

Afbeelding: zicht vanuit het oude Kuilenrode op het huidige gehucht Kuilenrode. 72

MIP Reusel, p. 15 65

7.17.4.002 Hoogstraat Klein gehucht van 16 boerderijen langs de Hoogstraat. 7.17.4.003 Smidsstraat Klein gehucht van 10 boerderijen langs de Smidsstraat. De panden zijn op dezelfde plek herbouwd. 73 Lage Mierde: 7.17.4.004 Wellenseind Klein gehucht aan een zich splitsende straat met een twintigtal boerderijen en huisjes in de landtong tussen de Mierdense Aa en der Hulselse Stroom. 7.17.4.005 Mispeleind Klein gehucht van een twintigtal boerderijen langs een tweetal banen die op twee overgangen van de Hulselse Stroom aansluiten. In het noordoosten sluit het gehucht direct aan bij de heide. Aan de zuidzijde grens het aan een groot openakker gebied. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen. Mispeleind en Braakhoek zijn nu door lintbebouwing met elkaar verbonden. 7.17.4.006 Braakhoek Klein gehucht bestaande uit twee groepjes boerderijen, resp 4 en 8 stuks, aan de oostzijde van een groot openakker gebied. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen. Mispeleind en Braakhoek zijn nu door lintbebouwing met elkaar verbonden. Reusel: 7.17.4.007 Weijereind Klein gehucht van een twaalftal boerderijen land een groot ven of weier, visvijver.

17.5 Huizengroep 3-9 nederzettingseenheden. Hooge Mierde: 7.17.5.001 De Twisselt Gehuchtje van 5 boerderijen op er rand van de heide, bij de Twisseltse Wouwer. Hulsel: 7.17.5.002 Heggeneind Huizengroep van 9 boerderijen aan de Heggeneindse Straat. 7.17.5.003 Vooreind Huizengroep van 6 boerderijen aan de Vooreindse Straat. Halverwege komt daar de weg op uit die van een voorde over de Hulselse Stroom komt. De naam is dus eigenlijk: voort – eind. Vooreind ligt tussen de grote open akke en de dal van de Hulselse Stroom. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen. 7.17.5.004 De Hoeven Aanvankelijk één domeinhoeve genaamd Nertingen. In 1830 lijken er twee boerderijen te zijn, in 1930 al 7. Die worden nu Hulselsche Hoeven genoemd. De naam Nertingen wijst op een middeleeuwse nederzetting. 73 Hooge Mierde, kleurrijk zwart-wit bekeken, p. 192 en 193 66

Reusel: 7.17.5.005 Achterste Heikant In 1830 vijf boerderijen aan een wat afgelegen open akker, tegen de hei. Heikantnederzettingen zijn vaak 15e – 16e eeuws. 7.17.5.006 (De) Peel In 1830 drie boerderijen op een kluitje in het zuidoosten van Reusel 7.17.5.007 De Hoek In 1830 twee boerderijen op de zuidwesthoek van het centrale cultuurgebied van Reusel. Hier stond het grensgebouw [- cijnsgebouw, níet het huidige grensgebouw]. 7.17.5.008 Holland In 1830 stonden er aan de Hollandse Weg 2 boerderijen, waarvan er één Holland heette. Op de kaart van 1930 heet deze “het huisje ten halven”. Aan de Lage Mierdensedijk stonden nog twee boerderijen. (’t) Holland (kaartje van dit gehucht op p. 11 van 1897-1997 100 jaar boerenbond in Reusel) bestaat uit de straten Lage Mierdschedijk, de huidige Hooge Mierdseweg (vroeger Hollandsche weg), het zandpad tussen deze twee wegen en ’t huidige Holland zelf (vroeger d’n Hooge Mierdschedijk) 74 7.17.5.009 Kattenbos In 1830 vier boerderijen aan de rand van de heide genaamd De Bergen. 7.17.5.010 De Voort In 1830 zes boerderijen nabij een oude voorde over een loopje aldaar. 7.17.5.011 De Hoeven Groepje van 7 (?) boerderijen aan de weg van Reusel naar Bladel, net over de beek. 300 meter zuidelijker ligt een grote oude hoeve die in 1930 door splitsing ook een gehuchtje geworden was. De Hoeven de die oude hoeven liggen aan een ruime open akker.

7.17.5.012 Hoeven ten Einde In 1830 twee boerderijen, mogelijk aanvankelijk één oude domeinhoeve van Postel. In 1930 uitgegroeid tot een groepje van 5. Lage Mierde: 7.17.5.013 De Hoef In 1830 vier bij elkaar gelegen boerderijen. In 1930 nog maar drie.

17.6 Verspreid aan de straat Van belang is dat de "verspreide bewoning aan straat" in veel gevallen de gedaante is waarin oude, niet erg uitgegroeide, agrarische gehuchten in de vroege negentiende eeuw nog voortbestonden. [niet] 17.7 Compact aan straat Enkele verdichtingen in de verspreide bewoning, meestal aan een weg. [niet] 17.8 Verspreid Soms erg eenzaam gelegen losse nederzettingseenheden, bijv. boswachter, veerhuis, paardenwisselstation.

74

Anonymus, 1997, 11. 67

Hulsel: 7.17.8.001 Heikant Op de Heikant van Hulsel werden in 1830 maar drie boerderijen aangegeven, de Waterhoeve en twee andere op ca 500 m afstand, en nog een nieuwe opstal. Dat is dus een gebied met verspreiofde bewoning. Nu is het een straat met daarlangs nog altijd ruim uiteen boerderijen. Reusel: 7.17.8.002 Voorste Heikant In 1830 zeven verspreid staande boerderijen tegen de heide aan. Heikantnederzettingen zijn vaak 15e – 16e eeuws. Een van de boerderijen heette De Peel. 7.17.8.003 Heikant 7.17.8.004 De Heibloem 7.17.8.005 Kippereind 7.17.8.006 Rouwenbogt

Hooge Mierde 7.17.8.007 De Luther

68

Thema: 18 Heerlijkheden Een typisch middeleeuws fenomeen zijn de heerlijkheden. In oorsprong zijn dat grote stukken grond waarover de bezitter of heer een zekere rechtsmacht bezat. Veelal betrof die macht ook de mensen die op die grond woonden of anderszins aan de heerlijkheid gebonden waren. Deze rechtsmacht vertoonde gradaties: de hoge rechtsmacht liet toe misdadigers te bestraffen, eventueel met de doodstraf. De lage rechtsmacht liet slechts toe boetes tot een zeker niveau op te leggen, terwijl het recht van "erven en onterven" er op neer kwam dat de gronden die onder de heerlijkheid vielen alleen ten overstaan van de heer of zijn vertegenwoordiger en zijn leen- of laathof konden worden verkocht of verorven. Voor die heer was er in principe een woning op de heerlijkheid. Veelal werd die woning in de loop van de tijd uitgebouwd tot een eenvoudig kasteeltje met op de voorhof een hoeve. Tot de heerlijkheid hoorden vaak nog enkele hoeven die door de heer verpacht werden. Daarnaast was een deel van de grond uitgegeven en werd daarvan jaarlijks een klein bedrag (typisch 6 Leuvense penningen per bunder, ongeveer 2,5 eurocent per hectare) aan de heer betaald. Andere gronden waren als leengoed uitgegeven. De leen- en cijnsgronden lagen deels aaneen tegen het eigen (deels verpachte) deel van de gronden van de heerlijkheid, maar voor een ander deel lagen ze vaak erg verspreid.

Samenvattend: 1. eigen goed: - burcht of kasteel - huis voor de heer, met wat grond (tuin, park) - een of meer verpachte boerderijen 2. leengoed 3. cijnsgoed 4. allerhande rechten. Deze kunnen soms landschappelijk tot uiting komen. De bezitter van zo'n heerlijkheid was in de regel zelf weer leenman van een andere heer. Dat kon de hertog van Brabant of Gelre zijn of de abdis van Thorn, de bisschop van Luik etc.. Deze feodale afhankelijkheid is belangrijk voor het begrijpen van de vorming van de nederzettingen. In de Kempen is een heerlijkheid een gebied waarover een lokale heer enkele rechten uitoefent. Dat kan heel beperkt zijn, het kan ook gaan om rechtsmacht tot en met het ter dood brengen van veroordeelden. Heerlijkheden zijn een typisch middeleeuws fenomeen waaraan in 1795 formeel een einde kwam. In het landschap herinnert er nog veel aan. De heerlijkheden zijn vanaf de zestiende eeuw in toenemende mate ook een landgoed geworden. De landgoedaspecten van de heerlijkheden worden hierna onder thema 19, Landgoederen behandeld. Daar komen de heerlijkheden dus ook weer terug. Het gebied van de voormalige gemeente Reusel viel samen met dat van het voormalige statendorp, gelegen in het Kwartier van Kempenland. De hoge heerlijkheid behoorde aan de hertog van Brabant, de lage en grondheerlijkheid al vanaf de twaalfde eeuw aan het klooster van Postel.

Het grondgebied van de voormalige gemeente Hooge en Lage Mierde en Hulsel viel samen met dat van de drie gelijknamige statendorpen, gelegen in het Kwartier van Oisterwijk. Zij vormden samen een hertogelijke schepenbank, die van de vrijheid Mierde. Binnen de huidige gemeente Reusel – De Mierden hebben we alleen met de heerlijkheid van Postel in Reusel te maken. Het klooster verwierf die in de jaren 1140 - 1173 van een aantal lieden die delen van een ouder allodium Reusel bezaten. Dat oude goed was blijkbaar in zesden verdeeld geraakt en Postel verwierf daar voor 1179 5 delen van. Verdere verwervingen volgden in 1280 en later, waarbij gebieden overgenomen werden van de abdij van Echternach, de heren van Herlaar en de abdij van Sint Truiden. In 1395 blijkt Postel ook de gemene ronden van Reusel te bezitten. Dit bezit werd aanvankelijk als een grondheerlijkheid beheerd dor een meier vanuit een omwaterd hof. In 1434 stond de hertog toe een schepenbank voor de bezittingen van Postel in te stellen. De openbare rechtspraak bleef echter voorbehouden aan de hertogelijke schepenen van Bladel. 75 75

Van Asseldonk, 2002, 429. 69

18.1 Kasteel Onder kasteel verstaan we niet alleen het (stenen) hoofdgebouw in een gracht, maar het hele complex bestaande uit zo’n hoofdgebouw (eventueel op een motte) en zijn gracht, een voorhof in een gracht, de kasteelboerderij, eventueel poortgebouw, verdere wallen en grachten. Zo opgevat zijn de drie hier bruinig gekleurde items niet nodig. Misschien wijst de praktijk uit dat we dit “totaal-kasteel” toch beter in onderdelen opsplitsen. Vergeet niet dat er misschien nu nog maar enkele brokjes zichtbaar zijn, maar dat er in het verleden meestal wel een compleet “totaal-kasteel” was en dat daarvan in de ondergrond gewoon nog resten zitten (link naar de archeologie!). 7.18.1.001 Hof van Postel te Reusel Frater Rudolf, een meester van Postel die in de jaren 1173 – 1194 genoemd wordt, gaf opdracht de hoofdhof van Postel in Reusel te omgeven met een gracht. 76 Het is onduidelijk welke van de hoeven dit betrof, zodat de locatie onbekend blijft. 18.2 Hoofdhoeve Hoofdhoeve en hoeve: daarmee wordt de agrarische bestaansstructuur van de heerlijkheid en bestaansbasis van de heer aangegeven. In de late middeleeuwen en daarna zijn dat normaal verpachte boerderijen met meestal veel grond. De hoofdhoeve staat veelal op de voorburcht. Wat verderop vindt je dan één of meer andere hoeven.

[geen aanwijzingen voor een kasteel] 18.3 Hoeve Het gaat om andere tot een grondheerlijkheid behorende hoeven dan de hoeve bij het kasteel of exploitatiuecentrum. Boerderijen die tot gewone landgoederen of andere grote bezitscomplexen behoren worden onder 19.3 behandeld. Abdij Postel77 Het bezit van Postel in Reusel – De Mierden kwam vooral tot uiting in een groot aantal pachthoeven. Deze werden in 1648 door de Republiek genaast omdat die meende dat het klooster ook in de Republiek lag. In 1662 werden lijsten opgemaakt van genaaste boerderijen etc., en daarin vinden we de volgende objecten: De lijsten van de Raad van State leverden voor Reusel-De Mierden verschillende Postelse hoeven op, die hieronder nader worden beschreven.78 Uniek nr.

nr kwartier plaats object naam Bron-Plaats 7.18.3.001 105 Kempenland Reusel hoeve Loven Postel 7.18.3.002 106 Kempenland Reusel hoeve Nieuwenhuis Postel 7.18.3.003 107 Kempenland Reusel hoeve Rouwenbocht Postel 7.18.3.004 108 Kempenland Reusel hoeve Ten Eynden Postel 7.18.3.005 109 Kempenland Reusel hoeve Ten Poel Postel 7.18.3.006 Verbrande 110 Kempenland Reusel hoeve Postel Hoeve 7.18.3.007 111 Kempenland Reusel huis, hof, aangelag Postel 7.18.3.008 64 Oisterwijk Hulsel hoeve Nertingen Postel 7.18.3.009 65 Oisterwijk Lage Mierde hoeve Schaapsdijk Postel 7.18.3.010 66 Oisterwijk Lage Mierde hoeve Postel 7.18.3.001 Hoeve Ten Loven in Reusel “Ten Lou Hoeve” of “Ten Love” of hoeve “ten Loven” was bezit van het klooster van Postel. In de voormalige Reuselse Akker ligt nu een straatje genaamd Lovenbroek, maar het is daar geen broekgebied en dus is dat een “oud-lijkende” straatnaam op verkeerde plek. Waar lag de hoeve

76

Van Asseldonk, 2002, 429. Leenders 2015. 78 NAG, RvState 1.01.19 nr. 2157, Verbaal, Beschrijving van de hoeven, 1662; BHIC, Gereraliteitsrekenkamer 3562, Rekening Geestelijke goederen 1731. 70 77

Loven? De hoeve aan de zuidkant van de dekzandrug ten oosten van de Reuselse Akker lijkt me een van de Postelse hoeven, maar welke is niet zeker. 7.18.3.002 Verbrande Hoeve te Reusel “Nieuwenhuize-Hoeve” of hoeve Nieuwenhuis (Verbrande hoeve) lag aan de Turnhoutseweg 26. Is verdwenen en vervangen door nieuwbouw. 7.18.3.003 Rouwenbochthoeve in Reusel De “Ruwenbocht-Hoeve” of “Rouwenbochthoeve” was bezit van het klooster van Postel. Later werd het De Deneburcht genoemd aan de Denestraat. Deze is gesloopt in 1967.79

Afbeelding: De Rouwenbochthoeve op de kadasterkaart van 1832. 7.18.3.004 Hoeve Ten Eynde te Reusel De Hoeve “Eyndhout” of huis “ten Eijnde” was bezit van het klooster van Postel. Een deel van de oude hoeven lijkt nog te bestaan in de huidige gebouwen.

Afbeelding: Locatie van de hoeve ten Eijnde in Reusel, aan de Rouwenbogt 4-6 (Google Maps 2020 en kadasterkaart 1830). 7.18.3.005 Hoeve Ten Poel in Reusel De Hoeve “Ten Poole” of hoeve ten Pole was een pachthoeve van Postel. Ligging onbekend. Gezien de ligging op een “eigen” dekzandrug met “eigen” open akker lijkt de grote hoeve “De Hoeve” een Postelse Hoeve, maar het is niet duidelijk welke uit de tabel het dan moet zijn. Voor Ten Loven lijkt een andere locatie waarschijnlijker, voor de Verbrande Hoef moeten we richting Arendonk. Dan

79

Van Limpt, 1984, 19. 71

blijft alleen Ten Poel over! De Hoeve ligt 400 meter van de grote weier van het Weiereind: dat zal dan de naamgevende poel geweest zijn. 7.18.3.006 Hoeve Nieuwenhuis te Reusel De gegevens van de Raad van State wijzen uit dat dit een andere hoeve dan Nieuwenhuis is. Lag aan Turnhoutseweg 24 maar is verdwenen.. 7.18.3.007 Huis, hof, aangelagte Reusel Bezit van Postel, locatie onbekend. 7.18.3.008 Hoeve Nertingen te Hulsel Kloosterhoeve van Postel aan De Hoef nr. 11-13 in Hulsel. Op nummer 11 staat nu een burgerwoning, maar tot 1869 heeft op deze plaats de oude hoeve van Postel gestaan. Deze is in dat jaar afgebrand. In 1871 is er een nieuwe boerderij gebouwd in de “tuin”. Dat was de nu gesloopte boerderij van nummer 9. De vroegere bewoners van nummer 9 klaagden altijd dat er een “zonk” (verzakking) in de stal zat. Tijdens de sloop bleek dat op die plaats een put zat, welke slechts gedempt was, maar niet verwijderd. Deze behoorde toe aan de oude hoeve van Postel op het huidige perceel nummer 11. De opgegraven putwanden zijn twee dikke eiken exemplaren en in goede staat geconserveerd en bewaard. Ook is aardewerk (grijsgedraaid, dus 14e of 15e eeuws) gevonden. In Hulsel aan de Hoef 9 stond een boerderijtje dat aan het begin van 21e eeuw gesloopt is. Er staat nu een hele grote boerderij-achtige dubbele woning.

Onder dit oude boerderijtje kwamen de resten van een houten put tevoorschijn.

Afbeelding: De locatie van Nertingen op de kadasterkaart 1830 en op de foto op de achtergrond, de locatie van hoeve Nertingen aan De Hoef 9 (november 2010). 7.18.3.009 Hoeve De Schaepsdijk in Lage Mierde Pachthoeve van Postel “de Schaepsdijk” aan de Hogeweg 1/Buitenman 3.

Abdij Averbode 7.18.3.011 Hoeve Kuilenrode te Hooge Mierde Pachtboerderij van de abdij van Averbode, waarschijnlijk uit 1303, ook bekend als de hofstede van Culitsrode (Kuilenrode). Met voormalige pastorie met mogelijk zichtbaar nog resten van omgrachting. Gelegen aan de Poppelsedijk 1a en 3.80 Van Kuilenrode zijn ook de percelen precies bekend (op één na). Kuilenrode in 1665

80

Nieuwsbrief AVKP, nr 25, juli 2003 over booronderzoek 72

Onderdelen van Kuilenrode: 7.18.16.001 't Groot Doodtbroeck 7.18.16.002 't Vondelbroeck 7.18.16.003 't Kleyn Doodtbroeck 7.18.16.004 ’t Ley broeck 7.18.16.005 't Heycant 7.18.16.006 't Hupperlandt 7.18.16.007 Geeracker 7.18.16.008 Den Looacker 7.18.16.009 Den Poelhoff 7.18.16.010 Den Gersbocht 7.18.16.011 heide aan Gersbocht 7.18.16.012 weide achter de boomgaar 7.18.16.013 Den Kleynen Dries 7.18.16.014 Den Haeckacker 7.18.16.015 Geerlinckx Acker 7.18.16.016 Den Vekensacker 7.18.16.017 Den Nieuwen Hoff 7.18.16.018 Elderdycks landt 7.18.16.019 Elderdycks Heyvelt 7.18.16.020 Den Langen Vyver 7.18.16.021 Den Kleynen Vyver 7.18.16.022 Den Moeshoff 7.18.16.023 Den Boomgaert 7.18.16.024 den mesthoff + huysinge 7.18.16.025 Den Eycken Bosch 7.18.16.026 (poel) 7.18.16.027 Den Kerckacker 73

7.18.16.028 bij de Bremaacker 7.18.16.029 Den Eerste Bremacker 7.18.16.030 De Tweede Bremacker 7.18.16.031 acker achter de pastorij 7.18.16.032 't Osseneusel hei 7.18.16.033 't Osseneusel landt 7.18.16.034 't Hulstbosch 7.18.16.035 't Hulstbosch 7.18.16.036 't Hulstboschacker 7.18.16.037 't Hulstboschacker 7.18.16.038 De Schans Heyde 7.18.16.039 De Schans Heyde 7.18.16.040 't Vondel heiveldt 7.18.16.041 Den Vondeldries

Afbeelding: Hier lag de oude hoeve Kuilenrode, tegenwoordig een modern boerenerf (november 2010).

74

Reconstructie van Kuilenrode in 1665.

Een hertogelijk leen met leenhofje 7.18.3.012 Leengoed Den Cingel in Hooge Mierde Aan de zuidoost kant van de Kerkstraat (nummer 21 en 21a en 23) lag een deel van het middeleeuwse leengoed/hertogelijk goed Den Cingel (vier bunders en twee manschappen). 81 Aan de Hoogstraat 1 lag het andere deel van het oude leengoed.

81

Veldhoven en Rovers-Swaanen, 13. 75

18.4 Heerlijkheidsgebied Aanduiding van het rechtsgebied van de heerlijkheid in kwestie. Dat is soms uitgezocht en dan kun je dat overnemen. Indien onbekend: dan valt er ook niets op te nemen. De grenzen van zo’n heerlijkheidsgebied zijn soms heel grillig, met enclaves over en weer. Soms ook zijn het nog steeds bestaande min of meer rechte lijn in het landschap: die vinden we dan als relicten terug! 18.5 Relaties Het kasteel, de hoeven, de galg, het heerlijkheidsgebied en eventuele andere fenomenen van één heerlijkheid vormen samen een ensemble: die heerlijkheid. Getekend als verbindingslijnen met het kasteel (bijv. een lijn galg – kasteel). 18.6 Voorhof Hierboven beschreven als element van het kasteel 18.7 Kasteelboerderij De hoofdhoeve uit de beschrijving hierboven.

76

Thema: 19 Landgoederen De terreinen die de heren van de oude heerlijkheden voor zich behouden hadden, zijn in de zestiende eeuw en later uitgegroeid tot de kernen van landgoederen. Naast deze oude groep ontstonden er ook geheel nieuwe landgoederen. De kern daarvan was in de regel een bestaande boerderij, soms een nieuwe ontginningshoeve, die in handen kwam van in een naburige stad gehuisveste adel of notabelen. Landgoederen zijn mooi ingerichte stukken grootgrondbezit. Sommige komen voort uit oude heerlijkheden: in dat geval worden de landgoedaspecten daarvan onder het thema “landgoed” beschreven. Andere hebben een andere ontstaanswijze, deels door opwaardering en uitbouw van een enkele boerderij, deels als ontginningsblok. Centrum van het landgoed is het landhuis, ook wel “kasteel” genoemd, naar het uiterlijk. Bij dat landhuis horen een tuin, vijver en park, soms een gracht om het huis. Daaromheen liggen de landerijen met enkele verpachte boerderijen. Soms is op grote schaal het landschap aangepast en meestal zijn er een of meerdere lanen aangelegd. Het geheel is het landgoedgebied. Soms is het deels omgeven met een wal. In de negentiende eeuw ontstaan ook mini-landgoedjes: een grote villa of grote herberg met ruime tuin en vaak nog een vijver, maar verder geen landerijen, boerderijen etc. Veel grotere kloosters zijn in wezen het centrum van een landgoed.

In plaats van een landhuis is dan het klooster het centrum. Soms is dat in een oud landhuis gevestigd. Waar in tuin en park van een gewoon landgoed allerlei profane versieringen en follies staan, staan bij een kloosterlandgoed religieuze elementen zoals heiligenbeelden (ipv romeinse of griekse beelden), kruiswegstaties, calvariebergen en Lourdesgrotten. Maar de opzet is identiek: centraal gebouw, tuin, park en een lanenstructuur in een ruim gebied met pachtboerderijen staan en waar soms aan landscaping gedaan is. De terreinen die de heren van de oude heerlijkheden voor zich behouden hadden, zijn in de zestiende eeuw en later uitgegroeid tot de kernen van landgoederen. Naast deze oude groep ontstonden er ook geheel nieuwe landgoederen. De kern daarvan was in de regel een bestaande boerderij, soms een nieuwe ontginningshoeve, die in handen kwam van in een naburige stad gehuisveste adel of notabelen.

19.1 Gracht Gracht om het landhuis of een iets groter gebied. Soms is alleen de gracht bewaard gebleven. 19.2 Herberg Herberg uit 19e of 20e eeuw, centrum van rijke tuin, maar zonder verdere landgoedstructuren van betekenis: mini-landgoed. 19.3 Hoeven Pachthoeve van het landgoed. Soms een bij het landhuis en nog enkele wat verderop. Hier worden enkele opvallende hoeven genoemd, al is een band met een landgoed niet aanwijsbaar. 7.19.3.001 Waterhoeve 7.19.3.002 Hoeve De Peel 7.19.3.003 Hoeve Heibloem 7.19.3.004 Hoeve Holland 7.19.3.005 Hoeve Ten Breugel in Reusel de Hoeve “Ten Brogel” of hoeve “ten Breugel” 77

7.19.3.006 Hoeve Ten Bogaerd in Lage Mierde Leengoed ten Bogaerd op het Wellenseind. 7.19.3.007 Hoeve Grobbendonck in Lage Mierde Leengoed van Grobbendonck.

19.4 Klooster Typisch kloostergebouw als centrum van het landgoed. 19.5 Laan Met bomen beplante meestal kaarsrechte weg. Soms aan iedere zijde twee of zelfs drie rijen bomen. Rond 1700 werden ook dennen als laanboom gebruikt. 19.6 Landgoedgebied Het totale landgoedgebied, inclusief boerenland en bossen. 7.19.6.001 Landgoed De Utrecht, Lage Mierde Landgoed De Utrecht aangelegd tussen 1899 en 1925 op voormalige heidevelden (zie ook thema 22). Totale oppervlakte circa 2500 ha, deels gelegen in de gemeente Hilvarenbeek, deels in Reuselde Mierden. In Reusel-de Mierden voornamelijk bestaande uit (naaldhout)bossen, wat landbouwgrond (Het Hoogemierds Goor en Het Bolgoor) en de heiderestanten rondom Het Goor en De Flaes en de nabij Kruisberg gelegen Moerbleek. Een bijzonder omvangrijk, aaneengesloten en gevarieerd, maar coherent landgoed, gelegen aan de oostelijke en westelijke zijde van de Lage Mierdeseweg (N269), tussen Esbeek en Lage Mierde. Het landgoed wordt in het westen begrensd door de rijksgrens met België en in het oosten door de Mispeleindse Heide. Het landgoed De Utrecht is eigendom van de gelijknamige verzekeringsmaatschappij, tegenwoordig de AMEV genaamd. Het werd als beleggingsobject ontgonnen, ontwikkeld en beheerd door de Nederlandse Heidemij, die de boerderijen met aanpalende landerijen aan boeren verpachtte en de productiebossen exploiteerde.

Het landgoed kan naar verschijningsvorm globaal in drie gebieden worden verdeeld. Karakteristiek in het relatief eenvormige westelijke gedeelte is het onregelmatige raster van ontsluitingswegen en brandgangen waarbinnen percelen productiebos zijn aangelegd van afwisselend loof- en naaldbomen. Dit gebied wordt doorsneden door enkele ontsluitingswegen met een laanbeplanting van beuk en eik. In het noordelijke gedeelte wordt het aanzien van het landgoed bepaald door de Houtvesterij met de opvallende, met leien gedekte brandtoren (1905-1910), gelegen temidden van een park met waterpartij, het Arnoldspark (een arboretum aangelegd in 1941) en afwisselend bossen, graslanden en akkercomplexen. In dit gebied zijn verschillende gebouwen gerealiseerd, waaronder het vakantiehuis Rustoord (1922), een omvangrijk tweelaags gebouw dat was bestemd voor het personeel van de verzekeringsmaatschappij en dat eveneens in een park was gelegen. Tegenover dit vakantiehuis, aan de andere zijde van de Lage Mierdenseweg ligt het Arnoldspark. In het noordelijke gedeelte van het landgoed bevinden zich meerdere lanen en wegen die tevens als zichtassen fungeerden. Met uitzondering van het merendeel van de boerderijen ligt de bebouwing direct aan of in de nabijheid van de provinciale- of Lage Mierdenseweg.

Dat het beekdal van de Reusel, de Herdgang en het gebied rond de vennen de Flaes en de Kleine Flaes niet is ingericht met productiebossen hing nauw samen met een cultuuromslag van de verzekeringsmaatschappij omstreeks 1920. Behalve een lucratief beleggingsobject wilde zij tevens het natuurlijke beeld van het oude Kempenlandschap bewaren en tegelijkertijd een fraai recreatiegebied creëren; een en ander hing ook nauw samen met publicitaire doeleinden. Hierdoor kreeg het landgoed een tweeledige bestemming, enerzijds economisch en anderzijds recreatief, die een ruimtelijke weerslag had. Het grootste deel van het landgoed werd tussen 1898 en 1940 aangekocht, ontgonnen en ingericht, de huidige verschijningsvorm is kort na 1945 tot stand gekomen toen ook de laatste gedeelten werden ontgonnen. Cultuurhistorische waarde hoog. CHW-code: V28

78

7.19.6.002 Landgoed Wellenseind, Lage Mierde Landgoed Wellenseind (135 ha.) met landhuis en bijgebouwen, schaapskooi, stal, tuin/park met monumentale en vele bijzondere boomsoorten (arboretum) en enkele vijvers. Gelegen aan de samenvloeiing van De Reusel en De Raamsloop, met in de beekdalen kleine bosweitjes en langs De Reusel een merkwaardig “bevloeiingssysteem” met sluisjes, slootjes en hogere ruggen (rabatten); de vroegere functie daarvan is niet bekend. Wellenseind werd aangelegd omstreeks 1910/1915 deels op heidegrond, deels op oude landbouwgrond. Nog aanwezig: een heiderestant en een hoge (stuif)zandrug parallel aan De Reusel. Merkwaardig verder: “Het Jacobsveld”, een omwald terrein met diepe sloten, waarvan de vroegere functie niet duidelijk is. In de jaren 1970 buiten de ruilverkaveling gebleven, net als De Utrecht. CHW-code: V18 Landgoed Wellenseind is een relatief jong landgoed met bijzondere kenmerken. Eén van die kenmerken is de grote landschappelijke gevarieerdheid. De twee meanderende beken, die in het noordelijk deel van Wellenseind bijeenkomen, zijn de kern van het geheel. De beekdalen, gelegen tussen dekzandruggen en beboste stuifzanden, geven een mooi beeld van hoe vroeger grote delen van de Noord-Brabant er uit hebben gezien en verlenen het gebied een grote aardkundige betekenis.

De broekbossen, rabatten en watersystemen in de beekdalen vormen één van de parels van het landgoed. De hoogteverschillen en de aanwezigheid van zowel natte als droge gebieden, zorgen samen met de afwisseling van dicht bos, open heide, akkers, weilanden en vijvers voor een grote variatie en een zeer compleet landschap in een relatief klein gebied. Het landgoed is ontwikkeld sinds 1915. Het oude agrarische landschap, met zijn akkers, beemden en heidevelden is geleidelijk omgevormd tot een gevarieerd bosgebied waar het accent vooral kwam te liggen op jacht, visvangst en in mindere mate houtproductie. Tal van sporen herinneren echter nog aan het oude agrarische verleden, zoals de percelering, de schaapskooi en het stelsel van wegen en paden. Het huidige landbouwkundige gebruik is beperkt tot percelen aan de Dunse Dijk en de gronden bij de schaapskooi. Verspreid in het bos liggen enkele kleinere percelen die vooral bedoeld zijn als wildakker. Vanaf 1915 is ook de (schaarse) bebouwing op en nabij het landgoed gerealiseerd. Op het huidige landgoed betreft dit het landhuis met bijgebouwen, de vroegere schaapskooi en de inmiddels vervallen veestal. In de onmiddellijke omgeving gaat het om de panden Wellenseind 14 en 16, de rentmeesterswoning en de boerderij aan de Dunsedijk. Deze laatste heeft nooit tot het landgoed behoord.

Het landgoedkarakter wordt vooral bepaald door het landhuis met bijgebouwen, het park met de fraaie aanleg, de parkbomen en de beide vijvers. Verder bij het landhuis vandaan valt vooral de inrichting van het gebied als jachtterrein op door de aanwezigheid van veel rododendrons. Landgoed Wellenseind is niet ingericht om er mee te pronken. Met uitzondering van het park getuigen de gebouwen en de inrichting van het buitengebied van soberheid en ingetogenheid. Geen grote villa, geen statige lanen, maar een boerderij die als landhuis diende, zandwegen die de verschillende delen van het landgoed met elkaar verbinden en functionele bijgebouwen verspreid over het landgoed. 19.7 Landhuis Het centrale landhuis, dat alle mogelijke bouwstijlen kan vertonen. Het landhuis kan in gebruik (geweest) zijn als klooster. 7.19.7.001 Landhuis Wellenseind (zie ook 7.31.2.041) Wellenseind 14, Lage Mierde CHW. Nr: KL056-000124 Het landhuis is omstreeks 1916 gebouwd in de vorm van een langgevelboerderij. Voordat zijn eigen boerderij gebouwd werd, heeft Van Puijenbroek in de noordwesthoek van het landgoed eerst een woning gebouwd (Wellenseind 14). Dit gebouw voorzag het landgoed van water (er was een bron) en stroom. Hierbij is een grote langgevelboerderij (Wellenseind 16) gebouwd, met een poort in de gevel waar men doorheen kan rijden.

Net als bij zijn eigen boerderij is voor het zand een vijver gegraven aan de noordoostzijde van de gebouwen. Wellenseind 14 was bestemd voor het personeel, evenals de jachtopzienerswoning op de hoek van de weg Wellenseind en de schaapsdrift, de huidige rentmeesterswoning. Sindsdien heeft het huis verschillende verbouwingen gekend, waardoor de bouwhistorische betekenis van het huis gering is. De hoofdvorm is echter wel bewaard gebleven en het karakter van de langgevelboerderij is daardoor nog te herkennen. Het huis vormt het functionele centrum van het landgoed. 79

Afbeelding: landhuis Wellenseind 14-16 op Landgoed Wellenseind. 7.19.7.002 Landhuis Wellenseind Wellenseind 10-12 te Lage Mierde. In 1915 kocht de Goirlese textielfabrikant Henri J. van Puijenbroek na moeizame onderhandelingen met de gemeente Hoge en Lage Mierde een perceel heide van 32 hectare, met daarin een heidevennetje, voor het bouwen van een boerderij om het weekend in door te brengen. Dat is tenminste de officiële versie. Het was namelijk eigenlijk de bedoeling van Van Puijenbroek om een jachthuis te bouwen en permanent te bewonen, maar dit lag gevoelig bij zowel de gemeente als de omliggende boeren die problemen voorzagen met het fenomeen jacht, vandaar dat gekozen werd voor een ‘boerderij’ met niet permanente bewoning. Het vennetje is vergroot en het zand werd gebruikt voor ophoging en voor de bouw van de ‘weekendboerderij’. De heer en mevrouw Van Puijenbroek hebben in de decennia daarna veranderingen doorgevoerd rondom hun huis. In 1955 houdt het pad op bij de tuin en begint weer aan de oostzijde bij de heide, waardoor het noordelijke stukje bij de tuin is getrokken. Er zijn drie bijgebouwen neergezet die in de loop van de tijd verschillende functies hebben gekend. In het nieuwe noordelijke stukje tuin verrees een gebouw dat dienst heeft gedaan als hondenhok, varkensstal en als onderkomen voor kippen en duiven.

Ten westen van de boerderij is de garage gebouwd, een langwerpig gebouw met veel bergruimte en een gedeelte voor de kolen. In de buurt van de (oude) vijver heeft men een huisje voor de tuinman gebouwd. 19.8 Omgrachte hoeve Sommigen groeiden uit tot kasteeltje, de meesten ‘degradeerden’ tot boerderij (veelal zijn de grachten helemaal of gedeeltelijk gedempt). 19.9 Ontginningsstructuur Meestal rechthoekige landinrichting die gevormd werd bij ontginning, waarin toen direct al of later een landgoed gevormd is. 19.10 Zichtlijn Lijn waarlangs men in de verte uitziet op een bijzonder object: een beeld, kapel, kerktoren, molen... Deze lijn valt vaak samen met een laan.

80

19.11 Park Gebied met bomen en struiken, doorsneden met paden. In het park kun je follies aantreffen. Veelal speciaal vormgegeven. Soms zijn sporen van meerdere stijlen herkenbaar, want het park werd af en toe aan de nieuwste mode aangepast. 7.19.11.001 Park landgoed Wellenseind Bos, houtwal en exoten in een beekdal. Plaatselijk (restanten van) hakhout. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, beuk, zwarte els, zachte berk, sequoia, rododendron, inlandse vogelkers, Gelderse roos, grove den, wilde kamperfoelie, wilde lijsterbes en sporkehout. Daarnaast exoten zoals sequoia en rododendron, van een landgoedachtige aanleg. Het geheel datereert overwegend uit de periode 1890-1920, maar is deels ook ouder. Cultuurhistorische waarde: zeer hoog. CHW. nr. G176 (GK-HG27) 19.12 Tuin Meest open gebied met gras, lage struiken, bloemen, kruidentuin, paden. Veelal speciaal vormgegeven. Soms zijn sporen van meerdere stijlen herkenbaar, want de tuin werd af en toe aan de nieuwste mode aangepast. Hieronder vallen ook de stadtuinen die behoorden bij de deftige woningen in een dorp (zoals bijvoorbeeld Oirschot). 7.19.12.001 Tuin Wellenseind Het park rondom het landhuis bestaat uit gazons met solitaire bomen en boomgroepen. Ten zuiden van het huis is, waarschijnlijk bij de aanleg, een vijver gegraven.

Aan de oostkant van het huis gaat het park over in een heideveld, dat herinnert aan de vroeger veel uitgestrektere heidevelden ten westen van de Reusel. De inrichting van de tuin, met glooiende en gebogen lijnen, is het werk van mevrouw Van Puijenbroek en haar tuinman. De arboretum-achtige tuin is door haar bijzondere parkbomen en –heesters een cultuurhistorisch waardevol. De moestuin is in de laatste decennia helemaal overwoekerd, maar tussen de opgeschoten beplanting is de hoofdopzet van vier rechthoeken omgeven door een beukenhaag, die nu erg uitgegroeid is, nog te herkennen. De gemetselde waterput staat er nog, evenals de onderste bakstenen aanzet van de koude kas die hier vroeger stond. In het oostelijk deel zijn parkbomen aangeplant. De plek van de moestuin, haar nog te herkennen indeling met de beukenhagen, de put en de overblijfselen van de koude kas zijn cultuurhistorisch waardevol. 19.13 Vijver Siervijver in de tuin of het park, soms speciale visvijvers. 7.19.13.001 Vijvers landgoed Wellenseind Bij de vijver in het beekdal van de Reusel en in een klein terrein langs De Stroom komen zeer fijnmazig patronen van evenwijdige sloten en ruggen voor. Vooralsnog is onduidelijk welke functie de brede sloten hadden, mogelijk zijn ze aangelegd of verbreed om rabatten op te werpen voor de (hak)houtproductie.

Een andere mogelijkheid is dat er een vloeisysteem is aangelegd om de graslandpercelen te bevloeien. Met kleine sluisjes kon men de waterstand regelen. De waterwerken zijn bijzonder en hebben een grote cultuurhistorische waarde.82

82

A. Haartsen & M. Wolak, 2012: Cultuurhistorisch onderzoek en cultuurhistorische effectanalyse van Landgoed Wellenseind (Lantschap), Haaften. 81

Een van de visvijver op Wellenseind (foto R. Berkvens 2019). 19.14 Villa Groot huis of klein landhuis uit 19e of 20e eeuw, centrum van rijke tuin, maar zonder verdere landgoedstructuren van betekenis: minilandgoed. 19.15 Wal Aarden wal vaak met gracht als omgrenzing van het landgoed. Als het landgoed ooit uitgebreid is, kan zo’n wal ook binnen het landgoed voorkomen! 19.16 Overige Landgoederen zijn bijzonder rijk aan allerlei bijzondere elementen. In de groep “overig” zitten objecten van uiteenlopende aard, die hieronder opgesomd worden: arbeidershuis: woning voor een van de landarbeiders van het landgoed. beeld: beeld van klassieke goden, koningen of koninginnen, andere helden of symbolen; heiligenbeeld, kruiswegstatie, calvarieberg, Lourdesgrot. bijgebouw: niet nader gespecificeerd bijgebouw van het centrale landhuis of klooster. bomengroep: bijzondere groep bomen, soms ook van bijzondere bomen, als element van het vormgegeven landschap. boom: bijzondere boom, hetzij eenvoudig als solitaire boom in het vormgegeven landschap, hetzij als bijzondere boom in tuin of park: dat is dan eigenlijk een follie. Soms is aan een boom niets te zien, maar is het toch een herinneringsboom, bijv. geplant bij de kroning van Wilhelmina of de geboorte van Beatrix. familiegraf: vlakgraf of grafheuvel waarin leden van de landgoedfamilie begraven zijn.

Soms moeilijk te onderscheiden van ijskelder! ijskelder: holle heuvel waarin men het ijs bewaarde dat in de winter uit de vijver gehakt werd. Lijkt soms erg op een familiegrafheuvel. jachthuis: speciaal huis of huisje waar men samen kwam voorafgaand en na afloop van de jacht. Hier werden bijv. de jachttrofeeën bewaard. kapel: privé-kapel, kapelletje kerkhof: op kloosterlandgoederen komen begraafplaatsen voor de kloosterlingen voor. koetshuis: bijgebouw waarin de koetsen gestald werden. Meestal met grote poortdeuren. opzichtershuis: woning voor de opzichter van het landgoed, vooral op landgoederen waar de eigenaar zelden aanwezig was. orangerie: bijgebouw voor het kweken van allerlei planten, voorloper van de moderne kassen. theehuis: losstaand gebouwtje om thee in te drinken, vaak op een heuveltje, met fraai uitzicht. toegangshek: deftig toegangshek aan de oprijlaan, met gemetselde elementen en of veel smeedijzer. tuinhuis: losstaand gebouwtje aan de rand van tuin of park, met fraai uitzicht. 82

visvijver: vijver(tje) om vis in te houden, soms reeks vijvers om vis in te kweken. Onderdelen landgoed Wellenseind: 7.19.16.001 Sluisjes De sluisjes bestaan uit betonnen zuiltjes waar planken tussen kunnen worden gezet om de waterhoogte te regelen. Deze oude plankstuwtjes zijn van cultuurhistorische waarde.

Een van de sluisjes op Wellenseind (foto R. Berkvens 2019). 7.19.16.002 en 003 Bruggen De heer Van Puijenbroek heeft waarschijnlijk in de jaren twintig van de vorige eeuw aan de noordzijde van de Reusel en de Stroom twee bakstenen bruggen laten bouwen in het pad tussen de weg Wellenseind en de Dunsedijk. Deze eenvoudige bruggen zijn er nu nog steeds en hebben een cultuurhistorische waarde. In de zuidoostzijde van het landgoed ligt een houten bruggetje over de Reusel. 7.19.16.004 Veestal De omstreeks 1960 gebouwde veestal is deels opgetrokken met bouwmateriaal van de schaapskooi. De stal is niet een typerend streekeigen gebouw, maar wel sympathiek in haar uiterlijke verschijningsvorm. Het dak is groot, met een flauwe helling, heeft wolfseinden en aan één kant een lagere uitbouw. De gebinten hebben een bijzondere constructie en het geheel is opgetrokken uit hout en baksteen. Thans is het gebouw sterk vervallen. De stal heeft geen bouwhistorische waarde. Vermoedelijk zijn de gebinten en haar constructie bijzonder. De historische verbinding van boerderij met veestal aan kop en eind van het pad en de situering van de veestal aan de rand van de veeweide in de hoek van het bos is cultuurhistorisch waardevol. 7.19.16.005 Schaapskooi De schaapskooi is in 1918 gebouwd, toen een deel van het landgoed nog uit heidevelden bestond.

De kooi is gebouwd aan het eind van de ‘Straat naar de Heivelden’, zoals dat is aangegeven op de oudste kadasterkaart. Op de kaart van 1934 staat de kooi voor het eerst aangegeven. Het gebouw was lange tijd zowel stal als woonhuis. Omstreeks 1960 is een deel van het gebouw afgebroken voor de bouw van de veestal in de noordoosthoek van het (huidige) landgoed. Daarna fungeerde het gebouw alleen nog als stal. De schaapskooi zelf heeft geen grote bouwhistorische waarde. Nader bouwhistorisch onderzoek kan antwoord geven op de vraag wat nog oorspronkelijk is aan de schaapskooi en het woongedeelte (kapconstructie, metselwerk, kamerindeling, schouw).

83

Schaapskooi in 2019 (foto R. Berkvens).

84

Thema: 20 Bosbouw Tot een eind in de middeleeuwen waren er in Zand-Brabant volop bossen. Door ontginning, het halen van bouwhout en geriefhout, en overbeweiding gingen die bossen bijna allemaal teloor. Bossen die deze periode “overleefd” hebben en nog voort bestaan zijn zeldzaam, maar ze zijn er wel. Het lijkt alsof de bebossing van de heide in de Kempen pas tussen 1850 en 1950 tot stand kwam en dat een deel van die jonge bossen na 1900 (1907?) alweer in boerenland omgezet werd. De bossen zijn in vijf ouderdomscategorieën ingedeeld. Het gaat hier dus om de vlakken die bos zijn of waren en hun datering. Er horen daarom ook beschrijvingsvelden “datering start van het bos”; “datering einde van het bos” bij. Bij de reconstructie van het historisch landschap is gebruik gemaakt van drie referentieperiodes, drie ijkpunten (circa 1830, 1900, 1930), waardoor de ontwikkeling van het landschap gestalte krijgt. Aan de hand van het historisch kaartmateriaal uit betreffende periodes kon de ontwikkeling van het landschap, in dit geval de bosbouw, in kaart worden gebracht 83. 20.1. Bosbouw 1500-1750 Nieuwe bosaanplant uit deze periode. 20.2. Bosbouw 1750-1850 Na 1750 begint de bouwbouwtraditie van de Verlichting grip te krijgen op de landgoedeigenaren. Zowel loofbossen als dennen. 7.20.2.024 t/m 7.20.2.125 Bosbouw 1750-1850 Bron Pieckkaarten 20.3.

Bosbouw 1850-1900 Vanaf ca 1850 vooral bebossing van grote heideterreinen die uit de gemeynt verkocht werden en bij gebrek aan mest niet in boerenland konden worden omgezet. Veelal dennen (mijnhout). Operationaliseren: deze bossen staan nog niet op de kaart van Van der Voordt Pieck, 1842; maar wél op de Bonnekaart van ca 1900. 7.20.3.019 t/m 7.20.3.505 Bosbouw 1850-1900 Bron Topografische kaart 1850 7.20.3.002 Bos Beekakkersweg Bos, plaatselijk met (restanten van) hakhout, in een beekdal. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, zwarte els, grauwe wilg, ruwe berk, hazelaar, grove den, wilde lijsterbes, blauwe bosbes en adelaarsvaren. In het bos enkele elzenhakhoutstoven van bijzondere omvang. Het geheel dateert overwegend van omstreeks 1850, maar is deels ook jonger. Cultuurhistorische waarde: hoog. CHW. nr. G178 (GK-HG-30) 7.20.3.003 Bos Broekkant Bos, plaatselijk met (restanten van) hakhout, in beekdal. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, grove den, zachte berk, ruwe berk, zwarte els, gewone vlier, wilde lijsterbes, sporkehout en dalkruid. Het geheel datereert overwegend van omstreeks 1850, maar is deels ook jonger. Cultuurhistorische waarde: hoog. CHW. nr. G177 (GK-HG-28) 7.20.3.004 Bos en beplanting Mosbeemden Bos en beplanting langs wegen en perdeelsgrenzen op de overgang van een beekdal naar een jonge heideontginning. De beplanting bestaat o.a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=6788e368-0623-45dd-a81f-e04c2b7afd1d